CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb1050 Bijlage behorende bij 21bb1049 over Milieueffectrapport windpark Maasvlakte 2

Gemeenteraad 4 februari 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 20.1 Tweeminutendebat over 'Het Rotterdamse strandparadijs op de Tweede Maasvlakte gaat verloren', aangevraagd door het lid Simons.31.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

populatietrend in de komende 30 jaar en er daarmee geen verslechtering van de staat van instandhouding optreedt. Voor de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw zijn voor meerdere windparken aanvaringsslachtoffers berekend. Voor de deltapopulatie geldt dat meerdere windparken in de delta tot aanvaringsslachtoffers leiden. Hierbij is geen rekening gehouden met het feit dat voor sommige windparken sprake is van opschaling, waardoor de cumulatieve additionele sterft een overschatting is en daarmee een zeer worst case inschatting van de cumulatieve effecten. Hoewel de bijdrage van het voornemen zeer klein is, geldt voor beide soorten dat er in cumulatie een overschrijding van de 1% norm optreedt en daarmee niet op voorhand als kleine hoeveelheid is te beschouwen. Ook voor deze soorten is derhalve een nadere beoordeling uitgevoerd met een populatiemodel door Potiek et al (2019). Voor de kleine mantelmeeuw zijn de uitkomsten van het scenario zonder voornoemde windparken en het scenario met geschatte extra sterfte in de windparken sterk vergelijkbaar. De kans op een 10% afname binnen 30 jaar neemt met de extra sterfte van alle windparken met slechts 1% toe. De cumulatieve additionele sterfte in windparken resulteert in een hooguit 2,9% lagere populatieomvang in 30 jaar tijd in vergelijking tot de situatie zonder al de windparken.

De kans dat de populatie in 30 jaar tijd afneemt is dus aannemelijk, maar de relatieve invloed van de realisatie van windparken in de delta (en zeker van alleen Windpark Maasvlakte 2) in deze mogelijke populatieafname is (zeer) beperkt. Daarbij blijft de populatie ook met de toevoeging van de cumulatieve effecten een levensvatbare component van de natuurlijke habitats waarin hij voorkomt. Dit geeft aan dat de cumulatieve sterfte van kleine mantelmeeuwen in windparken in de Delta niet leidt tot een wezenlijk effect op de populatietrend in de komende 30 jaar. Een effect van de realisatie van Windpark Maasvlakte 2 op de Gunstige Staat van Instandhouding van de regionale broedpopulatie van de kleine mantelmeeuw is ook met inbegrip van cumulatie uitgesloten; de cumulatieve effecten van de windparken leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding. Voor de zilvermeeuw is de voorspelde impact op populatieniveau in ordegrootte vergelijkbaar met die van de kleine mantelmeeuw. De kans op een 10% afname binnen 30 jaar neemt met 1 – 2% toe. Als gevolg van de extra sterfte is de mediane populatiegrootte na 30 jaar 3,3 -6,5% lager dan in het scenario zonder alle windparken.

De kans dat de populatie in 30 jaar tijd afneemt is dus aannemelijk, maar de relatieve invloed van de realisatie van windparken in de delta (en zeker van alleen Windpark Maasvlakte 2) in deze mogelijke populatieafname is beperkt. Daarbij blijft de populatie ook met de toevoeging van de cumulatieve effecten een levensvatbare component van de natuurlijke habitats waarin hij voorkomt. Dit geeft aan dat de cumulatieve sterfte van de zilvermeeuw in windparken in de Delta niet leidt tot een wezenlijk effect op de populatietrend in de komende 30 jaar. Een effect van de realisatie van Windpark Maasvlakte 2 op de Gunstige Staat van Instandhouding van de regionale broedpopulatie van de zilvermeeuw is ook met inbegrip van cumulatie uitgesloten; de cumulatieve effecten van de windparken leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding. Externe veiligheid Het VKA veroorzaakt ten aanzien van het aspect Externe Veiligheid vergelijkbare effecten met de alternatieven en is niet onderscheidend op één van de deelcriteria. De effecten die optreden zijn beperkt en betreffen geen externe veiligheidsrisico’s. Het VKA voldoet daarmee aan wet- en

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

regelgeving. De effecten die optreden, betreffen effecten op de leveringszekerheidsaspecten van onder andere Gasunie en Tennet. Met deze partijen wordt afgestemd over de mate van effecten en de eventuele noodzaak tot mitigerende maatregelen. In het MER worden de mogelijke mitigerende maatregelen verder besproken en dit wordt ten behoeve van de vergunningaanvraag nader uitgewerkt. Dijkveiligheid Het VKA heeft nagenoeg dezelfde windturbineposities als de alternatieven en heeft tevens dezelfde aanlegmethoden. Het VKA heeft om die reden geen andere effecten tot gevolg ten opzichte van de beide alternatieven. De effecten die optreden zijn met name effecten tijdens de aanlegfase. Middels beheersmaatregelen worden effecten op de weringveiligheid uitgesloten. Dijkveiligheid is daarmee geen onderscheidend aspect. Landschap Voor landschap geldt dat de beperkte verschuivingen en de lagere ashoogte voor de windturbines op de zachte zeewering zijn gevisualiseerd. De verschillen met alternatief 2 zijn amper zichtbaar en daarmee niet onderscheidend. Aanvullend is gekeken naar de verschillende verhoudingen in windturbineafmetingen binnen de range van het VKA. Daaruit volgt dat er verschillen zijn tussen de uitersten (kleine rotor/ grote as en vice versa), maar dat de onderlinge verhoudingen proportioneel zijn op de betreffende locatie.

Archeologie en cultuurhistorie Aangezien de posities van het VKA nagenoeg gelijk zijn aan die van de alternatieven geldt voor het VKA dezelfde beoordeling op het aspect archeologie en cultuurhistorie als voor de alternatieven. Er treden geen andere effecten op en het aspect is daarmee niet onderscheidend. Bodem en water Aangezien de posities van het VKA nagenoeg gelijk zijn met die van de alternatieven geldt voor het VKA dezelfde beoordeling op het aspect bodem en water als voor de alternatieven. Er treden geen andere effecten op en het aspect is daarmee niet onderscheidend. Ruimtegebruik Aangezien de posities van het VKA nagenoeg gelijk zijn met die van de alternatieven geldt voor het VKA dezelfde beoordeling op het aspect ruimtegebruik als voor de alternatieven. Er treden geen andere effecten op en het aspect is daarmee niet onderscheidend. Elektriciteitsopbrengst In onderstaande tabel VI is de energieopbrengst en hoeveelheden vermeden emissies van het VKA opgenomen. Tabel VI Energieopbrengst VKA Uitkomsten op parkniveau

Alternatief 1

Alternatief 2

VKA

Energieopbrengst wind [GWh /jr]

394.5

428.4

427.2

Energie voor x aantal Huishoudens

163.608

178.076

177.632

De elektriciteitsopbrengst (en vermeden emissies) van het VKA ligt iets lager dan basis alternatief 2 (met name vanwege de lagere ashoogte op de zachte zeewering), maar de

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

verschillen zijn zeer klein. Het voorkeursalternatief heeft, net als alternatief 2 een factor hogere opbrengst en reductie van emissies. Het voorkeursalternatief heeft daarmee een zeer positieve beoordeling.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

INHOUDSOPGAVE Inleiding

1

Aanleiding

1

Doel voornemen

2

Milieueffectrapportage

2

Procedure en besluitvorming

6

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

6

Leeswijzer

7

Beleidskader

8

Inleiding

8

Europees en rijksbeleid

8

Belangrijkste beleid voor windenergie

10

Provinciaal beleid

13

Gemeentelijk beleid

15

Conclusie beleid

17

Voornemen en alternatieven

18

Inleiding

18

Voorgenomen activiteit

18

Inrichtingsalternatieven

27

Referentiesituatie

31

Werkwijze en beoordelingskader

36

Inleiding

36

Beoordelingskader

36

Geluid

39

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

39

Referentiesituatie

43

Effectenbeoordeling

44

Effecten aanlegfase en netaansluiting

48

Cumulatie

49

Mitigerende maatregelen

49

Samenvatting effectscores

49

Slagschaduw

50

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

50

Referentiesituatie

52

Effectenbeoordeling

53

Effecten aanlegfase en netaansluiting

55

Cumulatie

55

Mitigerende maatregelen

56

Samenvatting effectscores

56

Natuur

57

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

57

Referentiesituatie

61

Effectenbeoordeling

67

Effecten aanlegfase en netaansluiting

79

Cumulatie

79

Mitigerende maatregelen

79

Samenvatting effectscores

80

Externe veiligheid

81

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

81

Referentiesituatie

84

Effectenbeoordeling

84

Effecten aanlegfase en netaansluiting

107

Cumulatie

107

Mitigerende maatregelen

107

Samenvatting effectscores

108

Dijkveiligheid

110

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

110

Referentiesituatie

111

Effectenbeoordeling

112

Effecten aanlegfase en netaansluiting

126

Mitigerende maatregelen

126

Cumulatie

127

Samenvatting effectscores

127

Landschap

128

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

128

Referentiesituatie

133

Effectenbeoordeling

136

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Effecten aanlegfase en netaansluiting

143

Cumulatie

144

Mitigerende maatregelen

144

Samenvatting effectscores

145

Archeologie en Cultuurhistorie

146

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

146

Referentiesituatie

151

Effectenbeoordeling

151

Effecten aanlegfase en netaansluiting

154

Cumulatie

154

Mitigerende maatregelen

155

Samenvatting effectscores

155

Bodem en water

156

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

156

Referentiesituatie

160

Effectenbeoordeling

160

Effecten aanlegfase en netaansluiting

162

Cumulatie

163

Mitigerende maatregelen

164

Samenvatting effectscores

164

Ruimtegebruik

165

Scheepvaart en nautische radar

165

Luchtvaart en radar

170

Straalpaden

174

Recreatie

178

Elektriciteitsopbrengst

197

Beleid, wetgeving en beoordelingskader

197

Referentiesituatie

200

Effectenbeoordeling

201

Effecten aanlegfase en netaansluiting

202

Cumulatie

203

Mitigerende maatregelen

203

Samenvatting effectscores

203

Vergelijking alternatieven en afweging

204

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

Inleiding

204

Afweging alternatieven

204

Voorkeursalternatief

207

Totstandkoming voorkeursalternatief

207

Geluid

209

Slagschaduw

213

Natuur

217

Externe Veiligheid

226

Dijkveiligheid

239

Landschap

245

Archeologie en Cultuurhistorie

253

Bodem en water

255

Ruimtegebruik

258

Energieopbrengst

272

Samenvatting en conclusie VKA

274

Leemten in kennis & monitoring

278

Leemte in kennis

278

Evaluatie en monitoring

278

Bijlage 1.0 Bijlage 2.1

– Onderzoek geluid en slagschaduw – Natuurtoets

Bijlage 2.2

– Passende beoordeling

Bijlage 3.0

– Onderzoek externe veiligheid

Bijlage 4.0 Bijlage 5.0

– Onderzoek dijkveiligheid en morfologie – Visualisaties

Bijlage 6.0

– Archeologie (BOOR)

Bijlage 7.0

– Energieopbrengst

Bijlage 8.0

– Radartoets

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

1

INLEIDING Aanleiding Eneco is voornemens een windpark te realiseren op de harde en zachte zeewering van de Tweede Maasvlakte. De zeewering van de Tweede Maasvlakte is in verschillend beleid aangewezen als locatie voor de realisatie van windenergie. Ook in het bestemmingsplan ‘Maasvlakte 2’ (2018) is ruimte geboden voor de ontwikkeling van een windpark op de harde en zachte zeewering. In onderstaand figuur is het plangebied van windpark Maasvlakte 2 opgenomen. Het plangebied komt overeen met de zone voor windenergie zoals in het bestemmingsplan ‘Maasvlakte 2’ is vastgelegd. Figuur 1.1 Plangebied

Bron: Pondera Consult

Voor de realisatie van het windpark heeft Rijkswaterstaat in 2019 een tender1 uitgeschreven waarop ontwikkelaars zich konden inschrijven. De plannen van de deelnemers aan deze tender werden door RWS beoordeeld op kwaliteit, energieopbrengst en additionele vergoeding. De nadruk binnen de tender lag op de kwaliteit van het plan en de wijze waarop relevante stakeholders tevreden zouden worden van het plan. Het ging hierbij om een tevreden beheerder, omgeving, bevoegd gezag en afnemer. Ook het tijdig kunnen realiseren van de netaansluiting was een beoordelingscriterium.

1

De tenderstukken zijn openbare stukken. Meer informatie over de uitvraag is te vinden onder https://www.tenderned.nl/tenderned-tap/aankondigingen/155084;section=6 & https://www.biedboek.nl/nl/realestate/view/576/gelegen-op-de-zeewering-van-maasvlakte-2-te-r

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

2

Onderdeel van de bieding (en inmiddels het contract tussen RWS en Eneco) is een zogenaamd Risicobeheersplan. In dit plan worden alle maatregelen beschreven die bijdragen aan de tevredenheid van de stakeholders. Eneco heeft zich dus op voorhand al gecommitteerd aan een breed scala aan maatregelen. Daar waar deze maatregelen relevant zijn voor milieueffecten worden deze beschreven in dit MER en waar mogelijk meegenomen in eventuele berekeningen. Onderdeel van de bieding was ook een windturbineopstelling met bijbehorende minimale energieopbrengst. Ook aan deze minimale energieopbrengst heeft Eneco zich middels het contract met RWS gecommitteerd. De uitgebreide tenderfase en de verplichtingen die volgen uit het contract tussen RWS en Eneco zorgen ervoor dat er op voorhand al relatief veel vastligt. Dit heeft gevolgen voor de verscheidenheid aan alternatieven die in dit MER onderzocht worden. In februari jl. is de ontwikkeling van Windpark Maasvlakte 2 door Rijkswaterstaat aan Eneco gegund. Dat betekent dat Eneco het windpark op de harde en zachte zeewering mag ontwikkelen. Voor de ontwikkeling van het windpark is het doorlopen van een procedure voor een milieueffectrapportage vereist. Onderhavig document betreft het Milieueffectrapport Maasvlakte 2.

Doel voornemen Het doel van het voornemen is de realisatie en exploitatie van een windpark op de harde en zachte zeewering van de Tweede Maasvlakte, dat bestaat uit: •

Een windpark met een opgesteld vermogen van maximaal 120 MW2;

•

Alle bijbehorende civiele en elektrische voorzieningen.

De (vergunningen)procedure(s) voor het realiseren van Windpark Maasvlakte 2 moet nog worden doorlopen. Het streven is om het windpark aan het begin van 2023 te hebben gerealiseerd.

Milieueffectrapportage Het proces van milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een project in beeld voordat er een besluit over dat project wordt genomen. De initiatiefnemer beschrijft de verwachte gevolgen voor het milieu in een milieueffectrapport (MER). Op basis van het MER kan het bevoegd gezag de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Een m.e.r.-procedure is altijd gekoppeld aan de procedure die voor het te nemen besluit moet worden doorlopen.

M.e.r.-plicht De procedure van milieueffectrapportage (m.e.r.) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving indien sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten.

2

De doelstelling is mede bepaald op basis van de potentie voor windenergie in het gebied, welke in de

voorfase (tendertraject) is bepaald. De potentie van het gebied in aantal MW’s is bepaald op basis van de fysieke ruimte op de betreffende locatie in relatie tot beschikbare windturbines in de komende jaren .

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

3

Het doel van de m.e.r. is om te verzekeren dat adequate milieu-informatie beschikbaar is ten behoeve van de besluitvorming over dergelijke activiteiten. Deze activiteiten zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De m.e.r.-procedure mondt uit in een rapport, het milieueffectrapport (MER). Er wordt onderscheid gemaakt in het Plan-MER (t.b.v. het vaststellen van een ruimtelijk plan) en Project-MER (t.b.v. een besluit over een project). Er is voor het windpark geen sprake van het vaststellen van een ruimtelijk plan. Voor onderhavige voornemen is derhalve alleen het project-MER van toepassing. Een projectMER voor Windpark Maasvlakte 2 is vereist voor het besluit op de aanvraag van de omgevingsvergunning, watervergunning en besluiten in het kader van de Wet natuurbescherming. Centraal in het project-MER staat het onderzoeken van verschillende inrichtingsalternatieven ten behoeve van het maken van keuzes over de exacte plaatsing en afmetingen van de windturbines. Voor Windpark Maasvlakte 2 geldt dat het voornemen bestaat uit circa 22 windturbines. Het aantal turbines ligt boven de drempelwaarde van 20 windturbines voor categorie C22.2 uit het Besluit m.e.r.. Er is daarmee direct sprake van een project-m.e.r-plicht.3 Het m.e.r.

levert daarbij de informatie over de effecten op milieuaspecten als landschap en geluid voor verschillende invullingen (alternatieven) van het windpark. Het MER geeft het milieu daarmee een volwaardige plek in de besluitvorming over de invulling van het windpark.

M.e.r.-procedure Twee procedures Er zijn twee m.e.r.-procedures: •

De uitgebreide procedure

•

De reguliere procedure

Bij de reguliere procedure vervalt een aantal eisen uit de uitgebreide procedure. Voor een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan geldt altijd de uitgebreide m.e.r-procedure. Voor het MER Windpark Maasvlakte 2 is de uitgebreide procedure van toepassing, omdat er een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden aangevraagd. Hoewel er in het huidige bestemmingsplan Maasvlakte 2 ruimte wordt geboden voor windturbines, wordt van een aantal regels uit het bestemmingsplan (o.a. met betrekking tot afmetingen en onderlinge afstanden) afgeweken, middels een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Stappen uitgebreide procedure De m.e.r.-procedure bestaat uit verschillende stappen, waarvan het opstellen van het MER (het rapport) de belangrijkste is. Figuur 1.2 geeft de hoofdstappen van de m.e.r.-procedure weer in relatie tot het proces van de vergunningen.

3

Er wordt geen ruimtelijk plan of structuurvisie vastgesteld, er is dus geen sprake van een plan-m.e.r.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

4

Figuur 1.2 Hoofdlijnen procedure Windpark Maasvlakte 2 Stappen milieueffectrapportage

Vergunningen

Kennisgeving & concept Notitie Reikwijdte & Detailniveau

Raadpleging, zienswijzen en vrijwillig advies Commissie m.e.r.

Definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau

Opstellen Milieueffectrapport (MER) Windpark Maasvlakte 2

Opstellen ontwerpbeschikkingen

Openbaar maken ontwerp beschikkingen en MER, advies Commissie m.e.r. en zienswijzen

Definitieve Beschikkingen

Notitie Reikwijdte en detailniveau De m.e.r.-procedure voor Windpark Maasvlakte 2 startte op 20 maart 2020 met de openbare kennisgeving en publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Van 20 maart tot en met 30 april 2020 heeft de concept Notitie Reikwijdte en Detail (NRD) ter inzage gelegen voor de m.e.r.-procedure van Windpark Maasvlakte 2. Het concept-NRD (ook wel startnotitie genoemd) is de eerste formele stap in de m.e.r. De Commissie voor de m.e.r. is in deze fase vrijwillig om advies gevraagd en bracht op 30 april haar advies Reikwijdte en Detailniveau van het milieueffectrapport uit. De reacties van belanghebbenden en betrokkenen zijn, samen met het advies dat is verkregen van de onafhankelijke Commissie voor de m.e.r., meegenomen bij het vaststellen van de definitieve notitie reikwijdte en detailniveau door het bevoegd gezag. Ook zijn de wettelijke adviseurs en omringende gemeenten geraadpleegd. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam heeft de NRD van Windpark Maasvlakte 2 vastgesteld. Deze definitieve notitie reikwijdte en detailniveau vormt het uitgangspunt voor het opstellen van dit MER. Opstellen MER De eisen waaraan dit MER moet voldoen, zijn beschreven in artikel 7.23, eerste lid van de Wet milieubeheer (Wm). Samengevat moet het MER in elk geval bevatten/beschrijven: •

Het doel van het project;

•

Een beschrijving van het project en de ‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen’ alternatieven, zowel (bijvoorbeeld) qua ligging als qua inrichting en van de monitoring van het gekozen alternatief;

•

Welke plannen er eerder voor deze activiteit zijn vastgesteld en welke alternatieven daarin waren opgenomen;

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

5

•

Voor welk(e) besluit(en) het MER wordt gemaakt en welke besluiten met betrekking tot het project al aan het MER vooraf zijn gegaan;

•

Een beschrijving van de ‘bestaande toestand van het milieu en de autonome ontwikkeling’ in het plangebied;

•

Welke gevolgen het project en de alternatieven hebben voor het milieu en een motivering van de manier waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven en een vergelijking van die gevolgen met de ‘autonome ontwikkeling’;

•

Effect beperkende c.q. mitigerende maatregelen;

•

Leemten in kennis;

•

Een publiekssamenvatting.

Openbaar maken van het MER en raadpleging Commissie voor de m.e.r. Dit MER wordt voor advies verzonden aan de Commissie voor de m.e.r. Daarna wordt het MER voor een periode van 6 weken officieel ter inzage gelegd. Ter inzage legging gebeurt gelijktijdig met de ter inzage legging (6 weken) van de ontwerpvergunningen (de zogenaamde ontwerpbesluiten), aangezien dit op basis van de coördinatieregeling (zie paragraaf 1.5) gelijk oploopt. Zienswijzen indienen Eenieder kan zienswijzen indienen op het MER en de ontwerpvergunningen. De termijn is daarvoor zes weken vanaf het moment dat de stukken ter inzage worden gelegd. Advies Commissie voor de m.e.r. De Commissie voor de m.e.r. geeft een toetsingsadvies op de inhoud van het MER waarbij zij – indien gewenst door het bevoegde gezag- de ingekomen zienswijzen betrekt. Eventueel geven de zienswijzen en het advies van de Commissie voor de m.e.r. aanleiding tot het maken van een aanvulling of correctie op het MER, bijvoorbeeld om een aantal zaken wat verder uit te diepen of nadere accenten te leggen. Vaststellen vergunningen inclusief motivering De bevoegd gezagen stellen de definitieve vergunningen vast. Daarbij geven zij aan hoe rekening is gehouden met de in het MER beschreven milieugevolgen en wat de overwegingen zijn met betrekking tot de in het MER beschreven alternatieven, de zienswijzen en het advies van de Commissie voor de m.e.r.

Bekendmaken besluiten De definitieve besluiten worden bekendgemaakt en ter inzage gelegd voor een periode van 6 weken. Tegen de definitieve besluiten kunnen belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend tegen de ontwerpbesluiten, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, evenals de belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend. De Raad van State is een onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land. Dit betekent dat zij het hoogste rechterlijke college is dat een uitspraak kan doen over een geschil tussen burger en de overheid. Evaluatie Het bevoegd gezag evalueert de werkelijk optredende milieugevolgen en neemt zo nodig maatregelen om de gevolgen voor het milieu te beperken.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

6

Procedure en besluitvorming Planologische inpassing De planologische inpassing van het voornemen vindt plaats via een omgevingsvergunning met een afwijkingsmogelijkheid van het bestemmingsplan (Wabo, artikel 2.12, lid 1 onder a ). In dit geval wordt er niet afgeweken van de bestemde zone voor windenergie, maar enkel van een aantal bestemmingsplanregels. Zie hiervoor tevens paragraaf 2.5.

Inspraak en advies De publicatie van het voorliggende MER en de uitvoeringsbesluiten is bedoeld om eenieder te informeren over het initiatief, de uitkomsten van het milieuonderzoek en de procedures. Eenieder kan inspreken en zienswijzen kenbaar maken. Zie voor de inspraaktermijn en de andere relevante informatie de openbare kennisgeving bij dit MER. Zoals hiervoor aangegeven zal de Commissie voor de m.e.r. een advies geven over het MER. Dit advies wordt betrokken bij de definitieve besluitvorming.

Initiatiefnemer en bevoegd gezag Initiatiefnemer project De initiatiefnemer van Windpark Maasvlakte 2 is Eneco. De initiatiefnemer stelt het MER op en is verantwoordelijk voor het aanvragen van de benodigde toestemmingen. Tabel 1.1 Contactpersoon initiatiefnemer Initiatiefnemer

Eneco

Contactpersoon

S. Bakker

E-mailadres

Maasvlakte2@eneco.com

Bevoegd gezag De Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat de rijkscoördinatieregeling (RCR) van toepassing is voor windenergieprojecten van meer dan 100 MW en dat het Rijk in dat geval bevoegd gezag is voor het coördineren van de te nemen besluiten. Aangezien het voornemen uit een windpark met meer dan 100 MW bestaat is het Rijk ook in eerste instantie bevoegd gezag voor Windpark Maasvlakte 2. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) ziet af van haar bevoegdheid, waardoor deze bij de gemeente Rotterdam ligt. De Provincie Zuid-Holland heeft reeds eerder van haar bevoegdheid t.a.v. windenergieprojecten afgezien, middels een bestuursakkoord waarin is vastgelegd dat de bevoegdheid in beginsel ligt bij de gemeente waarbinnen het project zich bevindt. Om die reden is het college van B&W van de gemeente Rotterdam bevoegd gezag voor het project Windpark Maasvlakte 2. Met het college van B&W als bevoegd gezag voert de gemeente de regie over de vergunningprocedure. De gemeente moet ervoor zorgen dat in de procedure alle belangen worden betrokken en moet daarnaast waarborgen dat alle bewoners en belanghebbenden in de vergunningprocedure kunnen participeren. Ook beslist het college over de omgevingsvergunning. Op 18 juni 2020 heeft de gemeenteraad een coördinatiebesluit genomen, wat betekent dat besluiten die vallen in het zogeheten ‘Mandje 1’(eerste ronde van

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

7

besluiten) ten behoeve van Windpark Maasvlakte 2 door de gemeente gecoördineerd worden. Besluiten worden daarmee gezamenlijk ter inzage gelegd. De betreffende besluiten zijn hieronder weergegeven. Tabel 1.2 Contactgegevens bevoegd gezag Bevoegd gezag

Gemeente Rotterdam

Adres

Postbus 70012

Postcode

3000 KP

Plaats

Rotterdam

Overige vergunningen Naast de Omgevingsvergunning voor onder andere de activiteiten ‘Bouw’, ‘Milieu’ en ‘afwijken bestemmingsplan’ zijn er nog andere vergunningen of ontheffingen nodig voor het Windpark. Dit betreft onder meer vergunning & ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) en een vergunning in het kader van de Waterweg (watervergunning). Het bevoegd gezag voor de Wnb is Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland. Voor de watervergunning is dit Rijkswaterstaat.

Leeswijzer Dit MER bestaat uit 17 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het beleidskader en wordt de nut en noodzaak van windenergie beschreven. Hoofdstuk 3 geeft de achtergrond van de locatie weer. Hoofdstuk 4 presenteert de inrichtingsalternatieven voor Windpark Maasvlakte 2. Hoofdstuk 5 licht toe hoe effecten van de alternatieven in beeld worden gebracht (het beoordelingskader). Hoofdstuk 6 tot en met 14 beschrijven per milieuaspect de effecten die optreden. In hoofdstuk 15 worden de alternatieven met elkaar vergeleken, waarna in hoofdstuk 16 het voorkeursalternatief aan bod komt. Hoofdstuk 17 sluit af met het benoemen van leemten in kennis en informatie en geeft een voorzet voor evaluatie en monitoring van milieueffecten.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

8

BELEIDSKADER Inleiding Dit hoofdstuk schetst het beleidskader van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam waarbinnen het initiatief wordt ontwikkeld. Het beleidskader is relevant aangezien dit enerzijds de achtergrond schetst van het windenergiebeleid in Nederland en anderzijds kaders bevat voor de concrete ruimtelijke ontwikkeling van windenergie op de beoogde locatie.

Europees en rijksbeleid Europese doelstellingen In Europees verband is afgesproken om in 2020 14% van het totale energieverbruik in Nederland duurzaam te realiseren. Dit is vastgelegd in de EU-richtlijn 2009/28/EG. De Europese Commissie is ook al begonnen met de ontwikkeling van beleidsopties voor de periode na 2020. Daartoe is door de EU in juni 2011 de “Energieroutekaart 2050” gepresenteerd. Deze geeft een doorkijk naar 2050 en de in de tussentijd te nemen stappen om tot een verdere verduurzaming van de energiemarkt en een verdere CO2-reductie (80-95%) te komen. Rijksdoelstellingen De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen, aldus het Energierapport – Transitie naar Duurzaam (2016). Energie is een noodzakelijke voorwaarde voor het functioneren van de samenleving in alle facetten. Afnemers moeten kunnen rekenen op betrouwbare energie tegen concurrerende prijzen. Met het oog op het klimaat en de afnemende beschikbaarheid van fossiele brandstoffen is een overgang naar een duurzame energiehuishouding nodig. De energiesector in Nederland is verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen.

Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse energievoorziening betekent een forse inspanning. Deze ambities sluiten aan bij in Europees verband geformuleerde doelstellingen waaraan de lidstaten zich gecommitteerd hebben. Deze EU-doelstelling voor duurzame energie bedraagt 14% van het finale energiegebruik in 2020. De EU-doelstelling vertaald naar de door Nederland gehanteerde systematiek komt neer op 17% vermeden primaire opwekking. Met andere woorden, 17% van de in Nederland opgewekte energie dient in 2020 uit een duurzame bron, zoals windenergie, afkomstig te zijn. Het Kabinet Rutte 2 heeft in haar regeerakkoord “bruggen slaan” (oktober 2012) opgenomen om een doelstelling van 16% voor duurzame energie na te streven. Deze ambitie is in het afgesloten Energieakkoord4 echter bijgesteld naar 14% in 2020 en 16% in 20235. Hierbij zet het Rijk in op een mix van duurzame energiebronnen, waarvan windenergie er één is.

4

Energieakkoord voor duurzame groei, Sociaaleconomische Raad (SER), september 2013 De rechtbank in Den Haag heeft besloten dat de Staat meer moet doen om de uitstoot van broeikasgassen in Nederland te verminderen. De Staat moet ervoor zorgen dat de uitstoot in Nederland in 2020 ten minste 25% lager is dan in 1990. De stichting Urgenda had de rechtbank om een uitspraak verzocht. (Rechtbank Den Haag, C/09/456689 / HA ZA 13-1396, 24-06-2015) 5

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

9

Het aandeel hernieuwbare energie bedroeg in 2019 slechts 7,4% van het nationale energieverbruik. De Europese doelstelling voor Nederland is 14% hernieuwbare energie in 2020. Om dit doel te bereiken zijn forse investeringen nodig. In het Energieakkoord zijn concrete afspraken gemaakt over een verdere groei van investeringen en productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen: 6000 megawatt operationeel windvermogen op land in 2020 en doorgroei in de periode daarna; 4450 megawatt wind op zee operationeel in 2023. Op dit moment is het totaal opgestelde vermogen aan windenergie op land ongeveer 4.420 MW6 waar dat op zee ongeveer 1.000 MW is.7 In het Energieakkoord is afgesproken dat het vermogen op zee groeit tot minimaal 4.500 MW in 2023 en circa 11.000 MW in 2030. Klimaatakkoord Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Het is de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van Parijs (2015). Het ontwerp van het Klimaatakkoord uit december 2018 bevat een samenhangend pakket aan maatregelen dat moet resulteren in een CO2-reductie van tenminste 49% in 2030 ten opzichte van het jaar 1990. In het klimaatakkoord zijn verdere afspraken gemaakt voor de sectoren Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik en Mobiliteit.

Hierin is onder andere vastgesteld dat in 2030 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen afkomstig moet zijn. Deze energie dient onder meer te komen van windenergie op zee en land, en zonne-energie op daken en velden. Ook zijn de Regionale Energiestrategieën (RES) geïntroduceerd die de sectoren Elektriciteit en de Gebouwde omgeving aangaan. RES Elke gemeente, provincie of waterschap werkt op dit moment binnen zijn RES regio samen met stakeholders aan een regionale energiestrategie. De RES is een instrument om gezamenlijk te komen tot keuzes voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energie-infrastructuur. In 2021 zal elke RES regio zijn eerste strategie presenteren waarbij ook een “bod” wordt gemaakt voor de hoeveelheid hernieuwbare energie die er tot 2030 gerealiseerd gaat worden.

Windenergie ten opzichte van andere energiebronnen Volgens het rijksbeleid zijn de belangrijkste vormen van hernieuwbare energie in Nederland windenergie, zonne-energie, bio-energie en aardwarmte.8 Een kleine rol spelen waterkracht, omgevingswarmte (warmtepompen in woningen) en energie uit potentieel verschil zoet-zout (osmose-energie of ‘blue energy’). Hoewel grijze energie uit fossiele energiebronnen in de komende decennia nodig blijft, zal hernieuwbare energie een steeds groter onderdeel gaan uitmaken van de energiemix.

6

https://windstats.nl/statistieken/, geraadpleegd op 07-10-2019 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/windenergie-op-zee, geraadpleegd op 07-102019 8 http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/meer-duurzame-energie-in-de-toekomst 7

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

10

De realisatie van windenergie is interessant vanuit het oogpunt van ruimtebeslag op de vierkante meter en het multifunctionele gebruik van de ruimte, als ook vanuit het oogpunt van kostprijs. Geconcludeerd kan worden dat windenergie een belangrijk aandeel heeft in het behalen van de Europese en Nederlandse doelstellingen op het gebied van duurzame energie en CO 2-reductie, maar dat deze doelstellingen niet gehaald kan worden met windenergie alleen. Er is een energiemix nodig waarbij duurzame energie, en windenergie in het bijzonder, een steeds belangrijker aandeel zal krijgen. Het potentieel van windenergie is groot, maar vanwege de ruimtelijke inpassing is het op een aantal plekken, met name op land, beperkt.

Belangrijkste beleid voor windenergie Europees beleid In 2007 zijn de regeringsleiders van de EU-lidstaten overeengekomen om een ambitieus klimaatplan te starten: ‘2020 Climate & Energy Package’. Het doel is om het broeikaseffect te bestrijden en de afhankelijkheid van energieleveranciers te verminderen. De doelstellingen voor 2020 zijn:9 •

het energieverbruik in de hele EU met 20 procent terugdringen

•

de uitstoot van kooldioxide (CO2) met 20 procent verminderen t.o.v. 1990

•

het aandeel van de verbruikte energie dat afkomstig is uit hernieuwbare energiebronnen als zon, wind, water en aardwarmte vergroten tot 20 procent

Voor 2030 zijn er inmiddels nieuwe doelstellingen geformuleerd zoals 40% C02-reductie, 32% duurzame energie10 en 27% energiebesparing. Om de doelstellingen te halen wordt er afgesproken hoeveel elk land gaat bijdragen. Zoals aangegeven in paragraaf 2.2 is in Europees verband afgesproken om Nederland in 2020 14% van het totale energieverbruik duurzaam te realiseren.

Rijksbeleid Om de Europese en Nederlandse doelstellingen te halen wat betreft C02-reductie en aandeel hernieuwbare energie van het totale energieverbruik, zal windenergie een belangrijke rol spelen. In het Energierapport 2011 staat dat windenergie op land de komende jaren één van de meest kostenefficiënte technieken is om hernieuwbare energie te produceren. Als doelstelling wordt uitgegaan van een gerealiseerd vermogen van 6.000 MW in 2020. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte” (SVIR, maart 2012) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie wordt in het SVIR aangemerkt als een nationaal belang. Het Rijk stelt op het gebied van energie dat voor de opwekking en het transport van energie voldoende ruimte gereserveerd moet worden. Het aandeel van duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening moet omhoog. 9

https://www.europa-nu.nl/id/vg9pi5ooqcz3/energiebeleid In juni 2018 door het Europees Parlement verhoogd van 27 naar 32%

10

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

11

Voor grootschalige windenergie is in de SVIR het volgende opgenomen: “Rijk en provincies zorgen voor het ruimtelijk mogelijk maken van de doorgroei van windenergie op land tot minimaal 6.000 MW in 2020. Niet alle delen van Nederland zijn geschikt voor grootschalige winning van windenergie. Het Rijk heeft in de SVIR gebieden op land aangegeven die kansrijk zijn op basis van de combinatie van landschappelijke en natuurlijke kenmerken, evenals de gemiddelde

windsnelheid.

Binnen

deze

gebieden

gaat

het

Rijk

in

samenwerking met de provincies locaties voor grootschalige windenergie aanwijzen. Hierbij worden ook de provinciale reserveringen voor windenergie betrokken. Deze gebieden zullen nader worden uitgewerkt in de rijksstructuurvisie “Windenergie op Land”. In Figuur 2.1 zijn de gebieden weergegeven die het rijk in de SVIR aanduidt als kansrijk voor de ontwikkeling van grootschalige windenergie. Onder grootschalige windenergie worden verstaan: windenergieprojecten van 100 MW of meer opgesteld vermogen. Het plangebied van Windplan Maasvlakte 2 ligt in een gebied dat als kansrijk voor windenergie wordt betiteld. Figuur 2.1 Kansrijke gebieden voor grootschalige windenergie

Bron: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, 2012 (vervaardiging kaartmateriaal Pondera Consult)

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

12

Structuurvisie Windenergie op Land De doelstelling van de Structuurvisie Windenergie op Land (SvWOL, april 2014) is zodanige ruimtelijke voorwaarden te scheppen dat begin 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW aan windturbines op land operationeel is. Daarvoor worden drie aspecten gepresenteerd: 1.

Visie: bundeling in gebieden die geschikt zijn voor plaatsing van grote turbines en daarmee andere gebieden vrijhouden van grootschalige windenergie. Bij het ruimtelijk ontwerp van windturbineprojecten aansluiten bij de hoofdkenmerken van het landschap.

2.

Aanwijzen van concrete gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windturbineparken. Het kabinet zal initiatieven voor windturbineparken met een omvang van ten minste 100 MW toetsen aan deze gebieden.

3.

Taakverdeling tussen Rijk en provincies bij het ruimtelijk mogelijk maken van windenergie, en de prestatieafspraken die daarover met het IPO zijn gemaakt.11 Verder wordt ingegaan op beleidsonderwerpen die van groot belang zijn voor het slagen van de doelen voor windenergie, zoals de stimuleringsregeling SDE+ en het landelijke elektriciteitsnet.

De keuze voor locaties is gemaakt door gebieden te selecteren binnen de ‘kansrijke gebieden’ uit het SVIR in overleg met de provincies, rekening houdend met het provinciale beleid (anno 2012). Provincies hebben gebieden aangewezen op basis van hun ruimtelijke mogelijkheden. Vooral de aanwezigheid en benutbaarheid van havens- en industriegebieden, grote wateren, grootschalige cultuurlandschappen en/of infrastructuur (waaronder waterstaatswerken) zijn voor individuele provincies daarbij doorslaggevend. Deze selectie van gebieden is onderzocht in een planMER en Passende beoordeling. Op basis van de bestuurlijke afspraken tussen het kabinet en de provincies en de inhoudelijke informatie uit het planMER zijn 11 gebieden in de structuurvisie opgenomen (zie Figuur 2.2). Dit zijn de gebieden Eemshaven, Delfzijl, N33, Drentse Veenkoloniën, Wieringermeer, IJsselmeer Noord, Noordoostpolderdijk, Rotterdamse Haven, Goeree-Overflakkee, Krammersluizen en Flevoland. Het plangebied Windplan Maasvlakte 2 komt overeen met (een deel van) één van deze gebieden en daarmee aangewezen als concreet gebied geschikt voor grootschalige windenergie.

11

De verdeling van de doelstelling van 6.000 MW over de provincies betekent voor Zuid-Holland een taakstellend vermogen van 735,5 MW in 2020.

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

13

Figuur 2.2 Structuurvisie Windenergie op land

Bron: Structuurvisie Windenergie op land, 2014, Ministerie Infrastructuur en Milieu

Provinciaal beleid Windenergie De gezamenlijke provincies hebben met het Rijk afgesproken om 6000 MW aan windenergie op land te realiseren voor eind 2020. Voor Zuid-Holland is de opgave om hiervan 735,5 MW aan windturbines te plaatsen. Daarmee draagt de provincie bij aan de doelstelling van het Nationaal Energieakkoord dat 14% van de energie eind 2020 duurzaam wordt opgewekt. De opgave om 735,5 MW aan opgesteld vermogen te realiseren is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie (Visie Ruimte en Mobiliteit). De locaties waar de provincie plaatsing van

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

14

windturbines toestaat, zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Deze locaties zijn het resultaat van een afweging tussen eisen vanuit windenergie en voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit. De provincie heeft daarbij een voorkeur voor locaties die aansluiten bij grootschalige infrastructuur, grote bedrijventerreinen of op grote scheidslijnen tussen land en water. Windturbines kunnen in principe alleen worden gebouwd op locaties die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Het Haven- en industrieel gebied van de Rotterdamse Haven is in het provinciaal beleid aangewezen als concentratiegebied voor windenergie waar een opgesteld vermogen van 300 MW in 2020 is beoogd, als onderdeel van de doelstelling voor een totaal opgesteld vermogen van 735,5 MW eind 2020. Op grond van het meest recente coalitieakkoord is deze doelstelling overigens doorgelegd naar 2023. Figuur 2.3 Locaties windenergie Provinciaal beleid

Bron: Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland

Ruimtelijk Stiltegebieden De regelgeving met toelichting over de stiltegebieden (milieubeschermingsgebieden voor stilte) en de kaarten met de begrenzing van de gebieden zijn te vinden in de Omgevingsverordening. De grenzen van deze gebieden zijn zo dusdanig vastgesteld dat het geluid in de gebieden het grootste deel van de tijd 40 decibel niet overstijgt. Dit is echter geen harde norm, omdat er ook omstandigheden kunnen zijn waarbij het geluid toch hoger ligt.

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

15

Beschermingscategorieën In de provinciale Omgevingsverordening zijn verschillende gebieden opgenomen met een beschermingscategorie 1 of 2. Beschermingscategorie 1 betreft gebieden die zo bijzonder, waardevol en kwetsbaar zijn, dat de instandhouding en verdere ontwikkeling van de aanwezige waarden voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Hieronder vallen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Kroonjuwelen cultuurhistorie. Ruimtelijke ontwikkelingen in en direct grenzend aan deze categorie gebieden met bijzondere kwaliteit, zijn alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan deze kwaliteit. Binnen beschermingscategorie 2 vallen gebieden met specifieke waarden die de provincie in stand wil houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. Hieronder vallen weidevogelgebieden, openbare recreatiegebieden en groene buffers. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van de specifieke waarden naast de generieke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.

Gemeentelijk beleid Duurzame energie Het programma “Duurzaam 2015 – 2018” van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de ambitie om Rotterdam het inspirerende voorbeeld te laten zijn voor andere deltasteden in de wereld. Hierbij wordt vooral ingezet op de volgende drie speerpunten: 1. Werken aan een groene, gezonde en toekomstbestendige stad; 2. Schone energie tegen lagere kosten; 3. Streven naar een sterke en innovatieve economie. Hierbij is decentrale duurzame energieopwekking essentieel voor het verduurzamen van de Rotterdamse energievoorziening. Specifiek voor windenergie heeft de gemeente zich ten doel gesteld om in 2025 350 MW aan windvermogen binnen de Rotterdamse gemeentegrenzen te hebben opgesteld. 300 MW hiervan wordt voorzien in het Havengebied. Convenant realisatie windenergie in de Rotterdamse haven (2009) Momenteel staat er in het havengebied zo’n 150 MW aan opgesteld vermogen windenergie. Windenenergie wordt namelijk gezien als belangrijk middel in het halen van de verschillende duurzaamheidsdoelstellingen. Ook de zeewering van de Tweede Maasvlakte is een belangrijke locatie binnen het havengebied voor het realiseren van ambities op duurzame energie van de provincie Zuid-Holland, gemeente Rotterdam, het Havenbedrijf Rotterdam en de Rijksoverheid.

In het Convenant Realisatie Windenergie in de Rotterdamse haven (2009) is opgenomen dat in 2020 minimaal 150 MW aan nieuw windvermogen in openbaar havengebied moet zijn opgesteld. De partijen hebben destijds uitgesproken dat het havengebied zich goed leent voor de toepassing van windenergie, onder voorwaarde dat windenergie geen belemmering vormt voor het functioneren van het HIC-gebied. De partijen hebben afgesproken dat initiatieven vanuit de markt om meer windenergie te realiseren actief gestimuleerd zal worden.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

16

Leidraad windenergie Om het initiëren en ontwikkelen van nieuwe locaties te stimuleren heeft de gemeente de “Leidraad Windenergie 2016 – 2020” opgesteld met onder meer handvaten om windturbines en opstellingen ruimtelijk in te passen. De Leidraad Windenergie gaat specifiek over het traject dat volgt op de vaststelling waar een windpark kan komen: over de invulling van de locatie, hoe en op welke wijze. Naast de technische-, ruimtelijke-, milieu- en veiligheidsaspecten die de invulling van de locatie bepalen, is vooral het participatieproces met omwonenden en andere stakeholders in de Leidraad van groot belang voor een zorgvuldige invulling van een locatie. Onderdeel van het proces met de omgeving is de naleving van een Participatieplan & Communicatieplan, waarin wordt omschreven welke stakeholders op een locatie een belangrijk rol spelen en hoe daar in het ontwikkelproces mee om wordt gegaan. Een dergelijk plan wordt door initiatiefnemer opgesteld en met de gemeente Rotterdam nader afgestemd. In het participatieplan wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de NWEA-gedragscode waarin onderscheid wordt gemaakt tussen procesparticipatie en financiële participatie. Procesparticipatie gaat over het betrekken van de omgeving bij het project.

Voor Windpark Maasvlakte 2 wordt dit onder andere gedaan door verschillende stakeholdergesprekken en het organiseren van thematafels met als doel het project waar mogelijk te verbeteren. Financiële participatie gaat over een financiële bijdrage vanuit het windpark, voor Windpark Maasvlakte 2 onder andere door het instellen van verschillende fondsen (onder andere een omgevingsfonds en een natuurfonds), waaraan in samenspraak met de omgeving nadere invulling zal worden gegeven. Ruimtelijk wordt in de Leidraad onder andere belang gehecht aan de vormgeving van een windturbine (terughoudend kleurgebruik, beperken verlichting) en windturbineopstellingen (lijnopstellingen, zelfstandig herkenbaar, aansluiten bestaand landschap). Bestemmingsplan In het bestemmingsplan Maasvlakte 2 (vastgesteld 2018) is de locatie van het voornemen eveneens opgenomen als locatie voor windenergie. Het gebied voor windenergie zoals dat is vastgelegd in het bestemmingsplan Maasvlakte 2 betreft het plangebied voor onderhavig project-MER. Het bestemmingsplan geeft naast een aangewezen zone voor windenergie verschillende bestemmingsplanregels waar een windpark (binnen de ruimte van het bestemmingsplan) aan moet voldoen.

In de tenderfase zijn de mogelijkheden voor een windpark binnen het bestemmingsplan onderzocht en is geconcludeerd dat de haalbaarheid van een windpark binnen de (uitvoerings-)ruimte die het bestemmingsplan biedt beperkt is. Dit MER onderzoekt om die reden alternatieven die afwijken van de ruimte die het bestemmingsplan biedt (zie ook paragraaf 4.3.1). Het planMER dat ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan is opgesteld heeft reeds onderzoek gedaan naar de effecten van windenergie op de betreffende locatie. Aandachtspunten die daaruit naar voren zijn gekomen betreffen: •

High Impact Zone (HIZ);

•

Natuurwaarden;

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

17

•

Dijkveiligheid;

•

Recreatie (strand).

Conclusie beleid Zoals in voorgaande paragrafen naar voren is gekomen, sluit de locatie aan op doelstellingen en beleid op verschillende niveaus. De locatie is aangewezen als locatie voor de ontwikkeling van duurzame energie. Op Rijksniveau: •

Is de locatie in de SVIR onderdeel van een gebied dat is aangewezen voor de realisatie van grootschalige windenergie;

•

Is de locatie in de SWOL onderdeel van een gebied waar meer dan 100 MW aan opgesteld vermogen windenergie gerealiseerd mag worden;

Op provinciaal niveau: •

Is de locatie al in de Nota Wervelender (2011) opgenomen als locatie voor windenergie, als onderdeel van het havengebied;

•

Is de locatie in de provinciale structuurvisie 2012 (en actualisatie 2014) als onderdeel van het Rotterdamse havengebied opgenomen als locatie waar 300 MW windenergie gerealiseerd moet worden (conform havenconvenant);

•

Is de locatie opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit (sinds 2019: Omgevingsvisie) en Verordening Ruimte (2014) (sinds 2019: Omgevingsverordening) als locatie voor windenergie (eveneens als onderdeel van het havengebied)

Op gemeentelijk niveau •

Is er een convenant gesloten om 300 MW aan windenergie in het Rotterdamse Havengebied te realiseren. De locatie Maasvlakte 2 is onderdeel van dit convenant en moet een significante bijdrage leveren aan de 300 MW doelstelling (2009).

•

Is de locatie vastgesteld als locatie voor windenergie in het bestemmingsplan Maasvlakte 2 (2018). Voor het bestemmingsplan (inclusief windenergie) is destijds een PlanMER opgesteld.

Bovenstaande overzicht van beleidsstukken en bestuurlijke afspraken geeft weer dat de locatie van groot belang is voor de duurzame energiedoelstellingen op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. De achterliggende informatie die ten behoeve van de besluitvorming omtrent bovenstaande stukken is opgesteld, geeft in alle gevallen weer dat de realisatie van windenergie op de betreffende locatie mogelijk is.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

18

VOORNEMEN EN ALTERNATIEVEN Inleiding Dit hoofdstuk bevat de beschrijving van het voornemen en de te onderzoeken alternatieven. Vervolgens wordt de referentiesituatie beschreven en het beoordelingskader voor de effectbeoordeling van de alternatieven uiteengezet.

Voorgenomen activiteit Inleiding Eneco is voornemens een windpark met alle bijbehorende civiele en elektrische voorzieningen te realiseren op de harde en zachte zeewering van de Maasvlakte 2. Het windpark wordt aangeduid als Windpark Maasvlakte 2. Het initiatief geeft uitvoering aan de doelen en ambities ten aanzien van duurzame energie zoals opgenomen in het Havenconvenant en wordt ondersteund door zowel rijk, provincie als gemeente. Het plangebied van Windpark Maasvlakte 2 bestaat uit de aangewezen zone voor windenergie zoals die is vastgelegd in het bestemmingsplan Maasvlakte 2 (2018). In onderhavig figuur is het plangebied opgenomen. Figuur 3.1 Plangebied

Bron: Pondera Consult

Het laatste stuk van de zone voor windenergie uit het bestemmingsplan op de Harde Zeewering (in figuur 3.1 omcirkeld), maakt geen onderdeel uit van het plangebied voor Windpark

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

19

Maasvlakte 2. Op en rond deze zone zijn reeds veel andere activiteiten aanwezig. Het gaat daarbij onder andere om verschillende aanlandingsplaatsen van stroomkabels van toekomstige offshore windparken en de bijbehorende elektrische infrastructuur. Daarnaast wordt er ter hoogte van deze locatie voorrang verleend aan andere toekomstige ontwikkelingen. Om die reden is in het voortraject (tenderfase) reeds geconcludeerd dat windenergie op dit laatste stuk harde zeewering niet haalbaar is en om die reden geen onderdeel uitmaakt van het plangebied voor Windpark Maasvlakte 2.

Onderdelen voornemen Het windpark bestaat uit de volgende onderdelen: •

Windturbines met een in de bodem gefundeerde mast voorzien van gondel met drie rotorbladen (zie ook de tekening in figuur 3.2);

•

Ondergrondse elektriciteitskabels tussen turbines onderling en naar een nieuw aansluitpunt op het nationale net inclusief benodigde schakel-, meet- en transformatorstations;

•

Het aanpassen of aanleggen van toevoer- en onderhoudswegen en opstelplaatsen voor de bouwkranen.

Aanleg- en exploitatiefase Aanlegfase De realisatie van het windpark zal een periode van ongeveer 2 jaar in beslag nemen. Dit betekent echter niet dat er op alle plekken gedurende deze periode bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Onder de bouw van het windpark wordt, naast de realisatie van de windturbines zelf, ook alle bijbehorende voorzieningen verstaan zoals; aanpassing van bestaande wegen, aanleg van nieuwe ontsluitingswegen ten behoeve van het windpark, aanvoer van bouwmaterialen, realisatie van kraanopstelplaatsen, inkoopstation en de installatie van de kabels naar het inkoopstation. In principe zijn de (aanpassingen aan) toegangswegen en kraanopstelplaatsen tijdelijk. Exploitatiefase Een windpark heeft na oplevering een technische levensduur van minimaal 25 jaar welke door onderhoud en vervanging is te verlengen. Voor de harde zeewering worden windturbines in eerste instantie voor een periode tot 2040 toegestaan, voor de zachte zeewering zal dit voor onbepaalde tijd zijn. Gedurende de exploitatiefase zijn de activiteiten, naast de in bedrijf zijnde windturbines, beperkt tot het verrichten van benodigde reparaties en periodiek verrichten van inspecties en onderhoud. Na de exploitatiefase worden de windturbines in principe verwijderd in overleg met de betreffende bevoegde gezagen.

Windturbines Een windturbine zet de energie uit wind om in elektriciteit door de draaiing van de rotorbladen via een generator. De belangrijkste onderdelen van de windturbine zijn (zie Figuur 3.2): •

Het fundament: middels het fundament is de windturbine verankerd in de bodem. Ook verlaat de kabel via dit fundament de windturbine. Deze kabel verbindt de windturbines met het inkoopstation;

•

De mast, met onderin de mast de transformator die opgewekte elektriciteit naar het spanningsniveau van de kabel brengt, die de elektriciteit verder transporteert;

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

20

•

De gondel waarin zich de generator (omzetten van de draaiing van de rotorbladen in elektriciteit) bevindt en waar de rotor aan bevestigd wordt;

•

Drie rotorbladen.

Figuur 3.2 Onderdelen windturbine

rotorblad gondel

mast

fundament

De aansturing van de windturbine vindt automatisch plaats door een computer. Het functioneren van de windturbine en de prestatie kan op afstand worden gevolgd en indien wenselijk worden bijgestuurd. Het controlesysteem kan een windturbine automatisch stilzetten bij geconstateerde afwijkingen of ongunstige windomstandigheden. De windturbine kan tevens handmatig gestopt worden met de aanwezige start/stop-schakelaar en de diverse aanwezige noodstopschakelaars. De windturbines voldoen aan de internationale norm voor windturbines IEC-61400-1. Op grond van deze norm bevat de windturbine diverse veiligheidssystemen om ervoor te zorgen dat bij falen van onderdelen of bij extreme weersomstandigheden de windturbine niet beschadigd. Onder andere bevat de windturbine een remsysteem dat ervoor zorgt dat de rotorbladen uit de wind worden gedraaid bij te hoge windsnelheden. Daarnaast is er een bliksembeveiliging die ervoor zorg draagt dat inslaande bliksem buiten kwetsbare delen van de windturbine naar de grond leidt. De windturbines worden daarnaast uitgerust met ijsdetectie (en eventueel preventie) om ijsafval te voorkomen. De meeste windturbines gaan in bedrijf bij windsnelheden van ongeveer 3 m/s (2 Beaufort) en gaan uit bedrijf bij windsnelheden tussen de 26-34 m/s (10-12 Beaufort), de windsnelheid ter hoogte van de rotor is daarbij bepalend.

Omdat deze omstandigheden niet afhankelijk zijn van dag of nacht zijn de windturbines in principe, bij voldoende wind, 24 uur per dag en 7 dagen per week in bedrijf (situatie zonder mitigerende maatregelen).

719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

21

Naast windturbines bevat de voorgenomen activiteit ook de benodigde infrastructuur: (tijdelijke) opstelplaatsen, toevoerwegen, een inkoopstation en kabels voor aansluiting op het hoogspanningsnet. Dit is hieronder achtereenvolgens beschreven.

Civieltechnische en elektrische infrastructuur Naast de feitelijke constructie van de windturbines is voor een windpark infrastructuur nodig. Deze infrastructuur bestaat uit civieltechnische en elektrische werken. Civieltechnische werken zijn wegen, funderingen en (kraan)opstelplaatsen voor de constructie en het onderhoud van de windturbines. De elektrische werken bevatten de kabels voor zowel het transport van de elektriciteit en eventuele bouwwerken voor correcte aansluiting op het bestaande elektriciteitsnetwerk. Onder deze bekabeling vallen ook kabels (veelal glasvezel) voor aansluiting van de windturbines op het internet via het SCADA 12 informatiesysteem. Voor correcte inpassing in het elektriciteitsnetwerk is bij een aansluitpunt op het hoogspanningsnet een transformatorstation en inkoopstations benodigd. Civieltechnische infrastructuur Windturbines bestaan uit meerdere onderdelen van grote afmetingen en worden gebouwd met behulp van grote hijskranen. Voor het transport van de onderdelen en de plaatsing van de hijskraan zijn opstelplaatsen en transportwegen bij elke windturbine nodig. Hiervoor zijn verschillende typen voertuigen nodig en ieder type voertuig stelt weer specifieke eisen met betrekking tot ruimte en ondergrond.

De werken bestaan uit zowel vaste werken die tijdens de gehele looptijd van het project aanwezig zijn als tijdelijke werken die alleen tijdens de bouwfase aanwezig zijn. Naast de daadwerkelijke windturbines zijn er meerdere vaste werken benodigd voor het functioneren van een windpark: •

De bij de windturbines behorende funderingen;

•

Opstelplaatsen voor de kraan ten behoeve van de opbouw van de windturbine en eventueel onderhoud en reparatie;

•

Wegen en overgangen voor transport naar de windturbines vanaf het openbare wegennet.

Funderingen Voordat de windturbines geplaatst kunnen worden, wordt er op elke windturbinelocatie een fundering gebouwd. Het type fundering verschilt tussen de harde en de zachte zeewering. Harde zeewering Op de harde zeewering heeft Eneco als fundatie gekozen voor een terp van gewapende grond, om zo de invloed op de stabiliteit van de zeewering tijdens de uitvoering en exploitatie te minimaliseren. De voordelen van een terp van gewapende grond zijn: •

De benodigde afgraving van de zeewering is relatief beperkt in vergelijking met andere ontwerpopties;

•

Tijdens de aanleg is geen tijdelijke damwand nodig waardoor trillingen en grondontspanning tijdens aanbrengen en verwijderen van de damwand niet zullen optreden;

12

Het supervisory control and data acquisition (SCADA) is een systeem via het internet waarmee windturbines in realtime kunnen worden gecontroleerd, onderzocht en beheerd.

Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief

Pondera Consult

22

•

Het funderingsblok komt slechts beperkt in het dijklichaam te staan waardoor integriteit van het dijklichaam makkelijker te waarborgen is;

•

Een terp van gewapende grond zorgt voor een verzwaring van de kering ter plaatse van de windturbine.

Figuur 3.3 Terpfundatie op de harde zeewering (bron: RHDHV)

Zachte zeewering De beheerder van de zeewering heeft de sterke wens uitgesproken om zo min mogelijk permanente verharding toe te voegen aan de zachte zeewering. Daarom kiest Eneco hier voor het toepassen van een monopile, de belangrijkste afwegingen hierbij zijn: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=f8651d03-eeea-43f4-b72e-47a587d3a4e8