CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[21bb003990] Bijlage behorende bij 21bb3989 over Onderzoek Een uurtje langer, een onderzoek naar sluitingstijden in de Rotterdamse horeca

Commissie Mobiliteit, Haven, Economie en Klimaat (2022-2026) 28 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Economie31.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ook zijn de gemeenten bezig om ruimte te bieden aan creatieve concepten en kwalitatief hoogwaardige horeca. Tot slot bieden verschillende gemeenten ondernemers de mogelijkheid om incidentele ontheffingen te krijgen waarmee langer opengebleven of meer geluid gemaakt mag worden. Behalve overeenkomsten is er een ook aantal verschillen te benoemen. In de gemeenten bestaan verschillende definities en benamingen van de typen horeca. In Den Haag worden bijvoorbeeld drie soorten horeca onderscheiden terwijl er in Amsterdam en Utrecht respectievelijk zes en zeven horeca categorieën bestaan. In Rotterdam bestaan vijf typen horeca. Binnen de G4 heeft alleen Utrecht vrije sluitingstijden voor een groot deel van de horeca. Overigens ontstond bij het verschijnen van het horecakader 2018 zoveel weerstand tegen de plannen voor uitbreiding van de horeca dat de verantwoordelijke wethouder deze plannen vooralsnog heeft opgeschort. Opvallend is ook dat er in Amsterdam vanwege slechte ervaringen juist voor gekozen is om minder nachthoreca in de binnenstad toe te staan en meer in te zetten op kwalitatief hoogwaardige horeca. 22

Over het geheel genomen kan er vooral gesproken worden over nuanceverschillen. Alle gemeenten zijn op zoek naar balans tussen het creëren van een aantrekkelijke binnenstad voor toeristen en ondernemers waarbij regelmatig spanning ontstaat voor wat betreft leefbaarheid, openbare orde en overlast. We zien daarbij dat de gemeenten ervoor kiezen om op gerichte plekken ruimte te bieden aan de horeca en deze op andere plekken juist te beperken.

2.5 Ervaringen uit het buitenland Een groot deel van de gevonden onderzoeken zijn gericht op de invloed van alcoholconsumptie op incidenten en openbare orde. De gedetailleerde resultaten van de onderzoeken zijn te vinden in bijlage 2. Hieronder volgt een korte samenvatting van de belangrijkste uitkomsten. In 2009 is een metastudie verschenen waarin de effecten van het versoepelen van openingstijden van bars en clubs sinds 1965 zijn beschouwd (Stockwell & Chikritzhs, 2009). In elf van de veertien wetenschappelijke publicaties zijn er significante resultaten gevonden die wijzen op een ongunstig of gunstig effect van ruimere openingstijden. Stockwell en Chikritzhs concluderen dat een verruiming van de openingstijden van bars en clubs leidt tot verhoogde alcoholconsumptie en daaraan gerelateerde schadelijke effecten. In de verschillende onderzoeken, die hoofdzakelijk van Britse en Australische oorsprong zijn, komt naar voren dat een beperking van de openingstijden leidt tot een afname van de alcoholconsumptie, alcoholgerelateerd geweld en gerelateerde incidenten voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid. Ook het aantal ziekenhuisopnames verminderde in gebieden waar de schenktijden verkort werden. Op plekken waar de sluitingstijden werden verlengd of vrijgegeven, werden vaak tegenovergestelde significante resultaten gemeten.

Er is ook een aantal studies waarin geen significante veranderingen gemeten werden nadat de sluitingstijden werden verlengd. Stockwell & Chikritzhs merken echter op dat deze studies vaak methodologisch zwak zijn. Om overmatig alcoholgebruik tegen te gaan, zijn in Groot-Brittannië in 2005 de openingstijden uitgebreid van 11 uur ’s avonds naar 5 uur ’s ochtends. Het idee was dat er sprake zou zijn van overmatig alcoholgebruik als gevolg van de beperkte openingstijden. Uit verschillende onderzoeken is echter gebleken dat het aantal geweldsdelicten en incidenten niet is veranderd door het ingevoerde beleid (e.g. Durnford et al., 2008; Babb, 2007; Hough & Hunter, 2008; Humphreys et al., 2013). Opgemerkt wordt dat weinig horecagelegenheden gebruik maken van 24-uursvergunningen. Sinds de invoering van de nieuwe sluitingstijden sluiten de pubs, cafés en discotheken gemiddeld genomen maar ongeveer 30 minuten later dan voorheen. Veel gelegenheden gaan nog steeds om 23:00 uur dicht, omdat er na dit tijdstip te weinig vraag is. In Noorwegen hebben onderzoekers aangetoond dat per 1 uur verruiming in de sluitingstijden van ‘natte’ horeca, er een stijging is van 4,8 geweldsdelicten per 100.000 inwoners per kwartaal (Rossow & Norstrom, 2011). Het beperken van de sluitingstijden leidt tot het tegenovergestelde effect, namelijk een afname van de geweldsincidenten.

In Australië kwam uit onderzoek naar voren dat restrictie van verkoopuren voor alcohol wordt geassocieerd met een vermindering van het aantal alcoholgerelateerde incidenten (Atkinson et al., 2018). Op basis van het onderzoek wordt gesteld dat er 12,3 procent minder alcoholgerelateerde incidenten plaatsvinden wanneer horecagelegenheden om 3 uur ’s nachts sluiten in plaats van 5 uur. Bij een nog eerdere sluitingstijd werden de effecten groter.

23

Economie en toerisme Behalve de invloed van sluitingstijden op alcoholconsumptie en incidenten, is er ook onderzoek gedaan naar de combinatie van het uitgaansleven en toerisme. Giordana et al (2018) hebben een onderzoek uitgevoerd naar de wisselwerking tussen het nachtleven, toerisme en economie waarbij een aantal Franse steden is vergeleken met Barcelona. Verschillende door de auteurs bekeken studies tonen aan dat de ontwikkeling van het nachtleven samengaat met een exponentiële groei in temporele conflicten tussen partijen die dezelfde ruimte gebruiken (werkenden, slapenden en feestvierders). Dit zorgt voor spanningen, met name rondom geluidsoverlast en alcoholconsumptie in de publieke sfeer en leidt regelmatig tot geweldsconflicten en vandalisme. Toerisme zou deze problemen radicaliseren: normaal gesproken zijn de conflicten gemarkeerd door een werkweek/weekendritme, maar door het toerisme worden de conflicten intenser en uitgebreid naar de gehele week. Wickham (2012) heeft beleidsonderzoek gedaan naar de nachteconomie (in Londen) en de effecten van ingezette beleidsmiddelen. In het onderzoek worden verschillende beleidsmaatregels beoordeeld.

Wickham concludeert onder andere dat: schenktijden naast de beschikbaarheid van alcohol ook de stroom mensen richting specifieke locaties en straten in de stad beïnvloeden en venstertijden niet bewezen effectief zijn tegen kroegentochten en niet automatisch tot minder criminaliteit leiden.

2.6 Betekenis voor de Rotterdamse context In de gemeenteraad van Rotterdam wordt net zoals in veel plaatsen in Nederland, de discussie gevoerd over het verruimen of vrijgeven van de sluitingstijden in de horeca. Volgens voorstanders hoort bij een wereldstad als Rotterdam een bruisend en actief nachtleven, wat hen inziens bereikt zou kunnen worden door onder andere een ruimer openingstijdenbeleid. Daartegenover staat de opvatting dat het uitbreiden van de openingstijden een grotere belasting met zich meebrengt voor ordehandhavers en mogelijk tot meer overlast leidt voor omwonenden. Via literatuuronderzoek is onderzocht wat er tot nu bekend is over de gevolgen van (wijzigingen in) het sluitingstijdenbeleid op de openbare orde, veiligheid en alcoholgebruik. Op basis van de geanalyseerde onderzoeken kan geen eenduidig antwoord gegeven worden op de vraag of verruiming of ontheffing van sluitingstijden zorgen voor een toename in het aantal (alcoholgerelateerde) incidenten en omgevingsoverlast. Hoewel in verschillende internationale publicaties een negatieve correlatie is gevonden tussen het verruimen van de openingstijden en het aantal alcoholgerelateerde incidenten en/of de ervaren overlast, is het duidelijk dat grote verschillen in lokale context en uitgaanscultuur zich lastig laten vertalen naar algemeen geldende waarheden.

De context varieert per gemeente waardoor er sprake is van lokale variëteit. Bovendien is er ook een groot aantal pilots in Nederland uitgevoerd waarin positieve effecten van het verruimen ervaren is. Daar dient de kanttekening bij geplaatst te worden dat de situatie in kleine gemeenten in Nederland niet vergelijkbaar is met een grootstedelijke context. Toch zien we dat ook binnen de grotere steden verschillende keuzes worden gemaakt. Zo gelden in Utrecht en Groningen vrijgegeven sluitingstijden en heeft Amsterdam een pilot uitgevoerd met nachthoreca aan de rand van de stad. De ervaringen met pilots in Nederland tonen aan dat in veel gemeenten een verruiming van de sluitingstijden niet tot aanzienlijk meer incidenten of inzet van politie in uitgaansgebieden hoeft te leiden. Omwonenden ervaren vaak meer overlast, maar ervaren vaak niet een verslechterd veiligheidsgevoel als gevolg van de verruimde of aangegeven sluitingstijden. Ondernemers zijn meestal positief over de pilots en ervaren meer vrijheid. Zij waarderen met name de grotere flexibiliteit. Uit verschillende pilots blijkt overigens dat wanneer er sprake is van vrijgegeven sluitingstijden veel ondernemingen niet veel langer 24

openblijven dan voorheen. Zij sluiten regelmatig rond de reguliere sluitingstijden die in een gemeente van kracht zijn. Er lijkt daarmee een relatief kleine groep ondernemers te zijn die daadwerkelijk gebruik wil maken van een 24-uursvergunning. Dat de pilots positief worden beoordeeld, blijkt ook uit het gegeven dat de pilots vaak worden omgezet in regulier beleid. Methodologisch gezien, kan er een aantal kanttekeningen gemaakt worden bij de uitkomsten van de pilots. Zo wordt vaak extra toezicht gehouden door de politie en zijn er in veel gevallen voorwaarden verbonden aan deelname door ondernemers, waardoor de ondernemers meer maatregelen nemen met betrekking tot beveiliging en overlast. Tevens is het onduidelijk wat de gevolgen op de langere termijn zijn en valt het niet met zekerheid vast te stellen dat de waargenomen verschillen na verruiming (mede) het gevolg zijn van andere lokale maatregelen. Het is daarom de vraag in hoeverre de resultaten valide en betrouwbaar zijn. Hoewel dit literatuuronderzoek niet direct tot antwoorden leidt, kan er wel een aantal punten ter overweging worden meegegeven bij het ontwikkelen van nieuw beleid. Ten eerste kan er gedacht worden aan een ander model van sluitingstijden.

In de literatuur zijn zeven verschillende modellen geïdentificeerd waarbij telkens een keuze wordt gemaakt tussen het al dan niet differentiëren van de sluitingstijden tussen verschillende typen horeca in het weekend en doordeweeks. Daarbij zou de gemeente ook kunnen denken aan het differentiëren naar gebieden in plaats van enkel naar vergunningen. In verschillende gemeenten zijn er uitgaansgebieden aangewezen waar ruimere of vrije sluitingstijden gelden. In Amsterdam is er bewust voor gekozen om tien 24-uursvergunningen te verlenen aan initiatieven buiten het centrum. De initiatieven worden zowel ambtelijk als inhoudelijk getoetst waarmee Amsterdam inzet op hoogwaardige horeca die iets toevoegt aan het bestaande aanbod. Vanwege de positieve ervaringen is de proef uitgebreid. Andere maatregelen waaraan gedacht kan worden, is het verruimen van de sluitingstijden met daaraan gekoppeld een venstertijd of alcoholstop. Bij een venstertijd mogen vanaf een bepaald tijdstip geen nieuwe klanten meer worden binnengelaten. Bij een alcoholstop wordt er vanaf een bepaalde tijd voor sluiten geen alcohol meer geschonken. De gedachte is dat deze maatregelen bijdragen aan een meer gespreid vertrek. Er zijn echter ook negatieve effecten gevonden van het instellen van een venstertijd, zoals rijvorming en veel verplaatsingen vlak voor de venstertijd.

Hoofdzaak blijft dat er beleid wordt gemaakt dat aansluit bij de behoeften van betrokkenen waarbij vanuit de gemeente een afweging gemaakt kan worden welke belangen prioriteit krijgen. Daarvoor is het noodzakelijk dat goed in beeld wordt gebracht wat de behoeftes en wensen van de verschillende betrokkenen zijn. Het is duidelijk dat de baten en lasten per actor variëren. De horeca heeft baat bij meer omzet; de gemeente bij een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemers, bewoners en toeristen; handhavers bij minder ordeproblemen; terwijl de omwonenden minimale overlast verwachten. Het afwegen van deze verschillende belangen vereist een zorgvuldige afweging door de gemeente, rekening houdend met de lokale context. Het in het kader van dit onderzoek uitgevoerde behoeftenonderzoek kan daarbij deels inzicht geven in die behoefte.

25

3.

Behoeften en gebruik vergunning ondernemers avondvergunning In dit hoofdstuk wordt bekeken op welke manier ondernemers die een horecaonderneming met een avondvergunning (vergunning categorie type 2) uitbaten, hun vergunning gebruiken en welke behoeften er onder deze ondernemers bestaan voor wat betreft de sluitingstijden. Daarbij bekijken we in hoeverre het huidige beleid aansluit bij de behoeften en welke wijzigingen in het beleid gewenst zijn. Tevens is gekeken naar de behoefte aan 24-uursvergunningen onder deze groep en in hoeverre ondernemers bereid zijn daarvoor aan extra voorwaarden te voldoen. In dit hoofdstuk worden telkens de resultaten uit de enquête gepresenteerd via figuren die vervolgens worden aangevuld met de kwalitatieve data uit de interviews. Wanneer in dit hoofdstuk wordt gesproken over ondernemers of respondenten, dan worden daarmee ondernemers met een horecavergunning categorie 2 bedoeld die de vragenlijst hebben ingevuld.

3.1 Achtergrondgegevens De uitkomsten van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op interviews en enquêtes afgenomen onder ondernemers met een avondvergunning. Het totale bestand met vergunninghouders bestaat uit 1.726 ondernemingen met een horecavergunning. De totale populatie ondernemingen met een avondvergunning komt na aftrek van de 24-uursvergunningen, correctie voor vervuiling in het databestand en het filteren van niet-relevante ondernemingen uit op 1.237 ondernemingen (zie ook bijlage 1 voor de onderzoeksverantwoording). Van deze ondernemers hebben er 261 de vragenlijst volledig ingevuld. De valide respons voor deze groep komt daarmee op 21,1 procent. In figuur 3.1 is een overzicht gegeven van de respondenten, onderverdeeld naar het soort onderneming.

Figuur 3.1: soort onderneming (meerdere antwoorden mogelijk) Bron Risbo (eigen bewerking)

Het grootste deel van de respondenten (110 respondenten) is eigenaar of uitbater van een restaurant. De op één na grootste categorie bestaat uit bars en cafés (76 respondenten), gevolgd door lunchrooms/koffiezaken (34 respondenten), eetcafés (28 respondenten) en fastfoodzaken (25 27

respondenten). In de categorie ‘anders’ (66 respondenten) zijn verschillende kleine soorten horeca samengevoegd. Het betreft voornamelijk paracommerciële instellingen zoals stichtingen, en sportverenigingen waar de horeca-activiteiten een bijzaak zijn maar niet de reden van het bestaan van de onderneming vormen. Ongeveer negen op de tien ondernemingen (87,9 procent) die deelgenomen hebben, beschikt over een drankvergunning. In figuur b3.1 in de bijlage is een overzicht gegeven van het soort onderneming van respondenten naar gebied waar deze gevestigd zijn. We zien daarbij een ongeveer gelijke verdeling tussen de verschillende gebieden, waarbij het grootste gedeelte bestaat uit restaurants gevolgd door bars/cafés.

3.2 Huidige sluitingstijden en beleid In deze paragraaf wordt ingegaan op reguliere en/of huidige sluitingstijden. Hiermee wordt bedoeld de sluitingstijden die de ondernemer zelf hanteert voor de horecagelegenheid en dus niet de uiterste sluitingstijden die de vergunning toestaat. Uit de interviews blijkt een verschil tussen de reguliere openingstijden van restaurants, koffiezaken en eetcafés enerzijds en snackbars, afhaalrestaurants en cafés anderzijds. Zo sluiten cafés meestal doordeweeks (zondag t/m donderdag) rond 1 uur ‘s nachts en in het weekend (vrijdag en zaterdag) om 2 uur ’s nachts. Zij houden dus de uiterste toegestane sluitingstijden van de avondvergunning aan. Snackbars en afhaalrestaurants hanteren dezelfde sluitingstijden. De sluitingstijden van restaurants en eetcafés liggen ongeveer rond 11 of 12 uur ’s avonds, voor koffiezaken ligt het sluitingsuur wat vroeger (rond 6 uur). De ondernemers is daarnaast gevraagd in hoeverre zij tevreden zijn met de huidige sluitingstijden (zie figuur 3.2).

Figuur 3.2: Tevredenheid met de huidige sluitingstijden naar type onderneming (n & %) (Bron: Risbo, eigen bewerking)

Over het geheel genomen is iets minder dan driekwart van de ondernemers (zeer) tevreden met de bestaande sluitingstijden van de onderneming. Ongeveer tien procent (9,8%) is neutraal gestemd. Iets minder dan één op de zes ondernemers is (zeer) ontevreden (17%) met de bestaande sluitingstijden. Wanneer we kijken naar de verschillen tussen de soort ondernemingen dan valt op dat ondernemers met 28

een restaurant, eetcafé of lunchroom/koffiezaak vaker dan gemiddeld (zeer) tevreden zijn met de bestaande sluitingstijden. Ondernemers die een bar/café of snackbar/fastfood onderneming uitbaten zijn juist vaker (zeer) ontevreden. Dit kan zeer waarschijnlijk verklaard worden door de aard van de onderneming en tot hoe laat klandizie aanwezig is. Op basis van de sluitingstijden die de respondenten ingevuld hebben, blijkt dat cafés en bars tot later openblijven dan restaurant en lunchrooms. Uit de interviews komt hetzelfde beeld naar voren. Veruit het grootste deel van de ondernemers is tevreden met de huidige sluitingstijden. Zij geven aan dat de huidige vergunning genoeg ruimte biedt om hun bedrijfsactiviteiten zonder belemmering uit te kunnen voeren. Voor een groot gedeelte van de respondenten geldt dan dat hun huidige sluitingstijden (ruim) onder de uiterste sluitingstijden liggen die binnen de vergunning toegestaan zijn. Dit zijn voornamelijk restaurants en lunchrooms/koffiezaken. Uitbaters van dit soort ondernemingen geven aan dat het bezoek dat uit eten gaat of gaat lunchen ruim voor één of twee uur ’s nachts weer naar huis is. Een enkele restauranthouder geeft aan dat flexibele sluitingstijden gewenst zijn om later op de avond nog extra activiteiten te kunnen programmeren, zoals livemuziek. Hiervoor kan een verlaatje of geluidje gebruikt worden.

Wanneer wordt gekeken naar de tevredenheid met de sluitingstijden in combinatie met de locatie van de onderneming, valt een aantal zaken op (zie bijlage 4, figuur b3.2). Zo lijken ondernemers met een horecagelegenheid in Rotterdam-Oost vaker dan ondernemers op andere locaties (zeer) tevreden te zijn met de huidige sluitingstijden. Daarnaast springt het gebied Rotterdam-Zuid eruit als een locatie waar ondernemers een in verhouding grotere ontevredenheid kennen met de huidige sluitingstijden (26 procent). De gebieden West en Noord en Centrum kennen ook een aandeel ondernemers die ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden (respectievelijk 14 procent en 16,5 procent). Er is de ondernemers gevraagd hoe vaak zij eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijd die zij hebben vastgesteld voor hun onderneming (zie bijlage 4, figuur b3.3a). Meer dan de helft van de respondenten gaat nooit eerder dicht dan de reguliere sluitingstijden. Ongeveer een vijfde van de respondenten (18,8 procent) gaat één keer per maand of minder eerder dicht terwijl meer dan een kwart van de respondenten (25,7 procent) twee tot drie keer per maand of vaker eerder sluit. Met name restaurants lijken vaker eerder te sluiten dan de reguliere sluitingstijden voorschrijven.

Meer dan vier op de tien respondenten (42,2 procent) met een restaurant gaat één keer per maand of vaker eerder dicht dan de reguliere sluitingstijd. Eén op de vijf van de restaurants (20,2 procent) gaat één keer per week of vaker eerder dicht. Tijdens de gesprekken met ondernemers wordt dit beeld bevestigd. Verschillende ondernemers, met name restauranthouders, geven aan dat zij eerder sluiten dan de vergunning toestaat omdat langer openblijven niet rendabel is. Volgens deze ondernemers wegen het aantal klanten dat zij zouden ontvangen bij een latere sluitingstijd niet op tegen de (personele) kosten. In andere woorden: er is onvoldoende animo om de uiterste sluitingstijden die de vergunning toestaat te hanteren. De ondernemers is vervolgens gevraagd op welke dagen zij eerder sluiten, indien dit voorkomt (zie figuur 3.3). Ondernemers gaan het vaakst eerder dicht op zondag (18,3 procent), maandag (19,8 procent) en dinsdag (19,2 procent). Op de uitgaansavonden, donderdag, vrijdag en zaterdag gaan ondernemers veel minder vaak eerder dicht. Dit duidt erop dat ondernemers voornamelijk eerder sluiten vanwege een 29

gebrek aan klanten. Over het algemeen is het horecabezoek ‘s avonds in het weekend groter dan doordeweeks.

Figuur 3.3: Weekdagen waarop ondernemers eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijd (meerdere antwoorden mogelijk) (percentage van totaal antwoorden) Bron: Risbo, eigen bewerking

Daarnaast is er ook gekeken naar hoe vaak ondernemers eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijden per gebied (zie bijlage 4, figuur b3.3b). Een kwart van de ondernemers uit de gebieden West en Noord, Zuid en Oost geven aan 2 tot 3 keer per maand of vaker eerder te sluiten. Voor ondernemers in het Centrum is dit percentage het kleinst: 19 procent van de ondernemers sluit in het Centrum 2 tot 3 keer per maand of vaker eerder dan de reguliere sluitingstijd. Vier van de zes ondervraagde ondernemers met horeca in Hoek van Holland geven aan 1 keer per week of vaker eerder te sluiten. Het lijkt dus waarschijnlijk dat horeca in niet-uitgaansgebieden relatief vaker eerder sluiten dan horeca in uitgaansgebieden. Tot slot is gekeken naar in hoeverre horecaondernemers tevreden zijn in verhouding met hoe vaak zij eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijden (zie bijlage 4, figuur b3.4). Zo blijkt dat ondernemers die (zeer) ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden van hun onderneming bijna nooit eerder sluiten. Dit zou kunnen betekenen dat deze ondernemers ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden omdat zij langer open zouden willen blijven, gezien er waarschijnlijk tot sluitingstijd nog voldoende animo is.

Mogelijkheden binnen het bestaande systeem Aan de respondenten is gevraagd in hoeverre zij bekend zijn met de mogelijkheden om langer open te blijven en meer geluid te produceren door gebruik te maken van incidentele ontheffingen, het zogenaamde verlaatje en geluidje. In Rotterdam kunnen ondernemers met een avondvergunning vijftien keer per jaar tot 07:00 ’s ochtends openblijven door gebruik te maken van een verlaatje. Tienmaal per jaar kunnen ondernemers een incidentele ontheffing voor het maken van geluid ontvangen. Met een geluidje worden de geluidsnormen verruimd tot de reguliere sluitingstijd. Tot slot kunnen horecainrichtingen met een drankvergunning gebruik maken van een afkoelhalfuurtje. Dit houdt in dat gasten 30

tot een half uur na de vergunde openingstijden in de horeca-inrichting hun drankje mogen opdrinken waarna zij de onderneming rustig dienen te verlaten. Door te toetsen in hoeverre ondernemers bekend zijn met deze mogelijkheden en in hoeverre de inrichting van dit systeem voldoet, kan bekeken worden in hoeverre er daadwerkelijk behoefte is aan ruimere openingstijden onder een deel van de ondernemers of dat zij ook al geholpen zouden zijn bij een verruiming van het bestaande systeem. In figuur 3.4 staat weergegeven in hoeverre ondernemers bekend zijn met het verlaatje, geluidje en afkoelhalfuurtje en zo ja, of zij hier voor hun onderneming gebruik van maken.

Figuur 3.4: Bekendheid met mogelijkheden afkoelhalfuurtje, verlaatje en geluidje Bron: Risbo, eigen bewerking

Iets minder dan de helft van de respondenten geeft aan niet bekend te zijn met het afkoelhalfuurtje. Eerder bleek dat ongeveer 90 procent van de respondenten over een drankvergunning beschikt en gebruik zou kunnen maken van een afkoelhalfuurtje. Mogelijk is dat horeca-inrichtingen die al eerder sluiten dan op basis van de vergunning mogelijk is, niet bekend zijn met deze regeling. Voor hen is het afkoelhalfuurtje immers niet relevant. Van de 119 respondenten die bekend zijn met het afkoelhalfuurtje (52,2 procent van het totaal), geven er 59 (25,9 procent) aan hier ook gebruik van te maken. Ruim 80 procent van de respondenten is bekend met de mogelijkheid om incidenteel langer open te blijven. Iets meer dan één op de vijf respondenten (21,3 procent) geeft aan het verlaatje ook daadwerkelijk te gebruiken. Bijna de helft van de respondenten (48,6 procent) is wel bekend met het verlaatje maar zet deze niet in. Een vijfde (20,1 procent) van de respondenten is niet bekend met het verlaatje. Het geluidje is eveneens relatief bekend bij ondernemers. Twee derde (65,5 procent) van de respondenten geeft aan te weten wat een geluidje is. Ongeveer één op de vijf respondenten (19,4 procent) maakt ook daadwerkelijk gebruik van het geluidje. Een groter deel kent het geluidje wel maar maakt hier geen gebruik van (46,1 procent).

Een derde van de respondenten (34,5 procent) weet niet wat een geluidje is.

31

Wanneer wordt gekeken naar bekendheid met het afkoelhalfuurtje (zie bijlage 4, figuur b3.5a), valt op dat meer dan de helft van de ondernemers met een bar/café aangeven hiervan gebruik maken. Daarnaast maakt ook bijna de helft van de eetcafés gebruik van het afkoelhalfuurtje. Een groot deel van de ondernemers met een restaurant (52,4 procent), lunchroom/koffiezaak (84 procent) en fastfood restaurant (55,5 procent) weten niet wat een afkoelhalfuurtje is. Deze resultaten zijn in lijn met de verwachtingen dat een bar en (eet)café meer gebruik zal maken van afkoelhalfuurtjes, omdat zij vaker onderdeel zijn van uitgaanshoreca. Eenzelfde beeld is te zien in het gebruik van verlaatjes (zie bijlage 4, figuur b3.5b): een groot deel van de ondernemers met een bar/café (62,7 procent) en ondernemers met een eetcafé (39,3 procent) geven aan gebruik te maken van verlaatjes. En hoewel relatief gezien restaurants, lunchrooms/koffiezaken en fastfood restaurants meer bekend zijn met verlaatjes dan met afkoelhalfuurtjes, maken zij daar niet veel gebruik van in verhouding met de andere horecagelegenheden (respectievelijk 23,6 procent, 20,6 procent, en 0 procent). Een groot deel van de ondernemingen met een avondvergunning heeft beperkte kennis van verlaatjes of maakt hier geen gebruik van.

En hoewel het geluidje in verhouding minder bekend is onder de ondernemers van de verschillende typen horeca dan het verlaatje, wordt het door bars/cafés (36,5 procent) en door eetcafés (32,1 procent) het meest gebruikt (zie bijlage 4, figuur b3.5c). In het algemeen kan er gesteld worden dat bars en (eet)cafés het meest gebruik maken van de mogelijkheden binnen het bestaande systeem. Aan de respondenten is vervolgens gevraagd wat zij vinden van het systeem van verlaatjes en geluidjes. De ondernemers is gevraagd in hoeverre de verlaatjes en geluidjes praktisch zijn, of het er genoeg zijn en of de respondenten verbetersuggesties hebben. Verlaatjes De overgrote meerderheid van de ondernemers (87,4 procent) die bekend zijn met de verlaatjes vindt het een praktisch instrument. Iets meer dan één op de tien respondenten (12,6 procent) is het daar niet mee eens en vindt de verlaatjes onpraktisch. Deze 26 respondenten is gevraagd naar de redenen waarom zij de verlaatjes niet praktisch vinden (zie bijlage 4, figuur b3.6). Bij het beantwoorden van de vraag konden zij meerdere redenen opgeven. 16 respondenten vinden dat het aantal verlaatjes te beperkt is. Tien respondenten zijn van mening dat het niet interessant is om tot later open te blijven als de geldende geluidsnormen niet gelijktijdig verruimd worden.

Andere redenen zijn dat het aanvraag proces niet efficiënt wordt bevonden (7 respondenten), er moeizaam contact is met de gemeente (5 respondenten) of er werden andere redenen benoemd (8 respondenten). Uit de opmerkingen blijkt dat een deel van de ondernemers het systeem verouderd vinden. Zij pleiten voor een app waarmee verlaatjes aangevraagd kunnen worden. Ook geeft een deel aan dat het praktisch zou zijn als de verlaatjes na 22:00 aangevraagd kunnen worden omdat het soms moeilijk is om daarvoor in te schatten hoe druk het op een avond wordt. Een respondent merkt op dat uitgaan steeds later start en dat de verlaatjes daarop aangepast zouden moeten worden. Aan alle respondenten die bekend zijn met het verlaatje is gevraagd wat zij zouden willen veranderen aan dit systeem (figuur 3.5).

32

Figuur 3.5: Gewenste veranderingen omtrent verlaatjes (meerdere antwoorden mogelijk) Bron: Risbo, eigen bewerking

Bijna twee derde van de respondenten (121 respondenten) geeft aan niks te willen veranderen aan het systeem. Vijfentwintig respondenten zijn voorstander van een onbeperkt aantal verlaatjes. Een iets kleiner deel (16 respondenten) geeft aan meer verlaatjes te willen. Veertien respondenten geven aan tevreden te zijn indien er een alternatief systeem voor de verlaatjes in de plaats komt. Het merendeel van de ondernemers die de verlaatjes ook daadwerkelijk gebruiken, wilt niets veranderen aan het systeem (zie bijlage 4, figuur b3.7). Een klein deel van de ondernemers die verlaatjes gebruiken, geeft aan graag meer of een onbeperkt aantal verlaatjes te willen (30,2 procent). Meer dan een kwart van de respondenten die verlaatjes gebruiken (28,6 procent) geeft aan een alternatief systeem te willen. Uit de interviews met ondernemers ontstaat het beeld dat de meeste ondernemingen met een avondvergunning weinig tot geen gebruik maken van verlaatjes. Ondernemers geven hiervoor als reden dat het niet rendabel is om langer open te blijven. De verlaatjes worden enkel ingezet bij feestjes, maar dit gebeurt zelden (bijvoorbeeld twee keer per jaar voor een gesproken ondernemer met restaurant). Geen enkele gesproken ondernemer gebruikt vijftien verlaatjes, het maximaal toegestane aantal verlaatjes dat in een jaar gebruikt kan worden.

Een ondernemer doet de suggestie dat de gemeente het aanvragen van verlaatjes kan vergemakkelijken door middel van een app, waarbij het verlaatje wordt afgegeven na het invoeren van een unieke code.

33

Geluidjes

Figuur 3.6: Gewenste veranderingen omtrent geluidjes en geluidsbeleid Bron: Risbo, eigen bewerking

Vragend naar de gewenste veranderingen met betrekking tot de geluidjes, zien we hetzelfde beeld als bij de verlaatjes. Het overgrote deel van de respondenten (176 respondenten) heeft geen behoefte om veranderingen aan te brengen omtrent de geluidjes. 36 keer hebben ondernemers geantwoord dat zij een ruimere geluidsnorm wensen wanneer zij een geluidje inzetten. Een iets kleiner deel van de ondernemers (32 respondenten) zou structureel meer geluid willen mogen produceren. Andere antwoorden bestaan uit geluidjes tot een later tijdstip geldig (14 respondenten), meer of een onbeperkt aantal geluidjes (respectievelijk 19 en 12 respondenten) of andere wensen (12 respondenten). Figuur 3.7 laat zien dat het merendeel van de ondernemers die de geluidjes ook daadwerkelijk gebruiken, iets wilt veranderen aan het systeem (73,3 procent). Bijna een vierde van de ondernemers die gebruikt maakt van geluidjes, zou graag een ruimere geluidsnorm willen wanneer zij een geluidje inzetten. Het overgrote deel van de ondernemers die geen gebruik maken van een geluidje maar het wel kennen, geeft aan niets te willen veranderen aan het beleid.

34

Figuur 3.7: Gewenste veranderingen omtrent geluidjes en geluidsbeleid naar wel/geen gebruik (n & %) Bron: Risbo, eigen bewerking

Bij het beleid omtrent het maken van geluid, speelt het voorkomen en tegengaan van geluidsoverlast een grote rol. De respondenten is daarom gevraagd of zij bereid zijn om extra maatregelen te nemen ter voorkoming van geluidsoverlast bij een eventuele verruiming van openingstijden (zie figuur 3.8).

Figuur 3.8: bereid tot het nemen van maatregelen t.o.v. geluidsoverlast (aantallen) Bron: Risbo, eigen bewerking

35

Het grootste deel van de respondenten reageert neutraal op de vraag of zij bereid zijn om maatregelen ten opzichte van geluidsoverlast te nemen (105 personen, 40,5 procent). Ongeveer vier op de tien respondenten (41 procent) is (zeer) bereid om maatregelen te nemen ter voorkoming van geluidsoverlast. Een relatief klein deel is (zeer) onbereid om maatregelen te nemen (48 personen, 18,6 procent). Daarnaast is er gekeken naar in hoeverre ondernemers bereid zijn tot het nemen van maatregelen tegen geluidsoverlast wanneer zij langer open mogen blijven per type horeca (figuur 3.9). Ondernemers met een eetcafé (50 procent), bar/café (48 procent) en restaurant (44,6 procent) zijn het meest bereid om maatregelen tegen geluidsoverlast te nemen. Fastfood restaurants zijn het minst bereid om maatregelen te nemen tegen geluidsoverlast, mogelijk omdat er in dit type horeca veelal weinig sprake is van hard geluid door bijvoorbeeld muziek.

Figuur 3.9: bereidheid tot het nemen van maatregelen t.o.v. geluidsoverlast bij verruiming van de sluitingstijden per type horeca (n & %) Bron: Risbo, eigen bewerking

Benoemde verbeterpunten in de interviews voor het horecabeleid Over het algemeen zijn ondernemers tevreden met het huidige horecabeleid van de gemeente Rotterdam. Sommige ondernemers snappen de restricties die de gemeente stelt aan horeca in bepaalde gebieden van de stad en geven aan dat het huidige vergunningenstelsel ervoor zorgt dat er niet te veel horeca in Rotterdam komt. Echter wordt er ook kritiek geuit op het horecabeleid. Zo blijken ondernemers meer behoefte te hebben aan heldere communicatie en heldere (en in hun ogen eerlijke) regels. Bij sommige ondernemers speelt het idee dat het horecabeleid onrechtvaardig is. Zo stelt één van de ondernemers dat oneerlijke concurrentie plaatsvindt, bijvoorbeeld door ondernemers die zichzelf bakker noemen en van alles kunnen verkopen wat zij maar willen, terwijl een horecazaak (die onder de horecawet valt) dit niet kan. Een andere ondernemer heeft moeite met het feit dat bepaalde zaken (in dezelfde straat) wel een 24uursvergunning hebben en zij deze zelf niet krijgen.

36

Specifiek gekeken naar de sluitingstijden, zijn verschillende respondenten voorstander van vrije sluitingstijden. Graag zouden zij zelf de openingstijden van de onderneming willen bepalen, voor alle dagen of alleen in het weekend. Deze respondenten zouden er geen problemen mee hebben als zij hiervoor aan strengere/meer voorwaarden voor uitbating zouden moeten voldoen. Als ondernemers zelf mogen bepalen tot hoe laat zij open zijn, dan hoeven bijvoorbeeld ook verlaatjes niet meer gebruikt te worden. Daarnaast zijn de ondernemers van mening dat wanneer er flexibeler wordt omgegaan met sluitingstijden, dit ook van positieve invloed is op de openbare orde omdat bezoekers meer gespreid naar huis vertrekken. Meer nachtcafés zal volgens een andere ondernemer zorgen voor publiek dat meer verspreid naar huis gaat en wellicht vaker in de buurt een café vindt dat tot laat open is. Nu moet uitgaanspubliek vaak naar de bekende centrale plekken voor nachthoreca en doordat iedereen bij elkaar komt ontstaan er problemen. Een gesproken ondernemer geeft aan dat het oneerlijk is dat ondernemers moeten opdraaien voor individuen die overlast veroorzaken. Ook binnen de verschillende categorieën zien ondernemers mogelijkheden voor verbeteringen. Zo zou er volgens een gesproken ondernemer meerdere typen vergunningen moeten komen, aangezien er nu geen zogenoemde ‘tussenvergunning’ is.

Ook zou er een onderscheid gemaakt kunnen worden tussen natte en droge horeca qua openingstijden en andere regels. Hieronder staat een aantal korte verbeterpunten opgesomd: • Ondernemers zien graag de heffingen en kosten omlaaggaan. Een groot deel van de gesproken ondernemers lijken de kosten die komen kijken bij het uitbaten van een onderneming te hoog en soms ook onnodig te vinden. Als voorbeelden worden aangehaald de kosten voor controles (brandveiligheid, hygiëne), het aanvragen van vergunningen (bijvoorbeeld voor het terras) en het af- en bijschrijven van personeel op de vergunning. • Ondernemers zouden het waarderen als de gemeente in gesprek zou gaan met hen over bepaalde keuzes die worden gemaakt in het beleid. Een aantal ondernemers geeft aan het idee te hebben dat de gemeente onevenredig vaak kiest voor de kant van bewoners. Zo vinden zij dat het belang van bewoners soms boven het belang van ondernemers wordt gesteld, wanneer het bijvoorbeeld gaat om geluidsoverlast. Het is volgens een andere ondernemer moeilijk om hierover in gesprek te gaan met de gemeente omdat het niet eenvoudig is om iemand te spreken over het beleid. • Voorbeeld Leiden: daar geldt de regel dat na een bepaalde tijd mensen niet meer mogen worden binnengelaten (zgn. venstertijd). Als je al binnen bent, mag je blijven. Ga je weg en kom je terug, dan mag je er niet meer in.

3.3 Behoeften en 24-uursvergunning In deze paragraaf wordt onderzocht welke behoeften er bestaan onder ondernemers voor wat betreft de sluitingstijden en welk deel van de ondernemers, onder welke voorwaarden interesse heeft in een 24uursvergunning. De ondernemers is gevraagd of zij behoefte hebben aan een wijziging van de bestaande sluitingstijden (zie figuur 3.10).

37

Figuur 3.10: Behoefte aan wijzigingen sluitingstijden Bron: Risbo, eigen bewerking

Bijna driekwart van de respondenten (72,8 procent) heeft geen behoefte aan een wijziging van de bestaande sluitingstijden. Iets meer dan een vijfde (22,2 procent) van de respondenten zou andere sluitingstijden willen. Een klein deel van de respondenten (5,0 procent) weet niet of zij interesse heeft in andere sluitingstijden. Dit komt in grote lijnen overeen met de mate van tevredenheid met het huidige vergunningenstelsel. Eerder bleek (zie figuur 3.2) dat ruim driekwart van de respondenten (zeer) tevreden is over de huidige sluitingstijden. Meer dan 25 procent van de deelnemers was neutraal tot zeer ontevreden. Aan de 58 respondenten die een wijziging van de sluitingstijden wensen, is gevraagd wat zij precies anders zouden willen zien (figuur 3.11).

38

Figuur 3.11: gewenste wijzigingen sluitingstijden (meerdere antwoorden mogelijk) (aantallen) Bron: Risbo, eigen bewerking

Het grootste gedeelte van de respondenten die de sluitingstijden willen wijzigen, zou tot later open willen blijven in het weekend (33 respondenten). Een iets kleiner deel wenst vrijgegeven sluitingstijden (21 respondenten). Een kleiner deel van de respondenten wil doordeweeks langer open blijven (18 respondenten). Een aantal respondenten weet niet wat ze anders wil (13 respondenten) of wil een ander soort wijziging (5 respondenten). Wanneer er wordt gekeken naar welk type horeca de reguliere sluitingstijden graag gewijzigd zou zien, valt op dat voornamelijk bars/cafés langer open zouden willen blijven in het weekend (zie bijlage 4, figuur b3.8). Een deel van deze ondernemers zou ook graag langer open willen blijven doordeweeks. Daarnaast komt naar voren dat eetcafés ook meer dan andere ondernemingen langer open willen blijven in het weekend en doordeweeks. Fastfood restaurants zijn het meest van alle typen horeca geïnteresseerd in een 24-uursvergunning, met bars/cafés op de tweede en restaurants op de derde plek. Er is gekeken of de wens om iets veranderen aan de sluitingstijden samenhangt met de tevredenheid met de vergunning. Bijna negen op de tien ondernemers die niets wil veranderen aan de huidige sluitingstijden, is tevreden tot zeer tevreden over de huidige sluitingstijden (zie bijlage 4, figuur b3.9).

Ondernemers die wel wijzigingen willen in de sluitingstijden zijn over het algemeen minder tevreden met de huidige sluitingstijden van de onderneming. Vooral ondernemers die doordeweeks en/of in het weekend langer open willen blijven zijn relatief gezien vaker ontevreden (respectievelijk 37,5 procent en 33,4 procent).

39

Overeenkomstig de uitkomsten van de enquête, komt in de interviews naar voren dat de meeste ondernemers tevreden zijn met hun huidige openingstijden. Een aantal ondernemers geeft echter aan interesse te hebben in een verruiming van de openingstijden. Dit varieert van langer openblijven in het weekend (bijvoorbeeld tot 4 uur of 6 uur ’s nachts) tot het zelf bepalen van de openingstijden (vrije sluitingstijden). Interesse in 24-uursvergunning Een belangrijk deel van dit onderzoek bestaat uit het beantwoorden van de vraag hoe groot de behoefte aan 24-uursvergunningen is onder de horeca-inrichtingen met een avondvergunning. In figuur 3.12 staat deze behoefte weergegeven uitgesplitst naar soort horeca. Totaal

92

Bar/Cafe

239 26

Lunchroom

49

7

Eetcafe

22 10

Restaurant

18

24

Fastfood

85 10

Anders

12

15 0%

53 20%

40% Ja

60%

80%

100%

Nee

Figuur 3.12: Interesse in een 24-uursvergunning, naar type horeca (aantallen) Bron: Risbo, eigen bewerking

Over het geheel genomen bestaat bij 72,2 procent van de horeca-inrichtingen geen behoefte aan een 24uursvergunning.5 Dit betekent dat in meer dan een kwart van de gevallen (27,8 procent) deze behoefte wel bestaat. Wanneer de antwoorden uitgesplitst worden naar de verschillende soorten horeca dan valt op dat de behoefte met name groot is onder bars/cafés (34,7 procent), eetcafés (35,7 procent) en fastfoodverstrekkers (45,5 procent)6. Dit komt overeen met de grotere ontevredenheid over de sluitingstijden onder deze groepen ten opzichte van andere groepen (zie figuur 3.2). Er lijkt dus sprake van een verband tussen de tevredenheid met de huidige sluitingstijden en de behoefte aan een 24uursvergunning. Eerder bleek al dat deze (ontevreden) ondernemingen relatief vaak tot de uiterste sluitingstijd geopend zijn en zij minder vaak dan andere ondernemingen eerder sluiten. Logischerwijs leidt dit tot de veronderstelling dat deze horeca-inrichtingen vaker ontevreden zijn omdat zij langer open zouden willen blijven dan toegestaan is onder de huidige vergunning. Er is daarom gekeken naar in hoeverre ondernemers die interesse hebben in een 24-uursvergunning, tevreden zijn met de huidige 5

Een aantal horeca-inrichtingen is door de respondenten gecategoriseerd als een combinatie van meerdere type horeca, denk bijvoorbeeld aan een restaurant waar ook een bar is. Om deze reden is het aantal in de figuur (181) groter dan het aantal respondenten (148). 6 Het beperkte aantal ondernemers met een fastfoodzaak dat heeft deelgenomen aan de vragenlijst is relatief beperkt, de percentages kunnen daardoor vertekenen en zijn mogelijk niet representatief voor alle fastfoodverstrekkers.

40

sluitingstijden (figuur 3.13). Een vierde van de ondernemers die interesse heeft in een 24-uursvergunning is (zeer) ontevreden met de huidige sluitingstijden (25 procent). Een vijfde van de ondernemers die interesse heeft in een 24-uursvergunning is neutraal ten opzichte van de huidige sluitingstijden. Vergeleken met de ondernemers die geen behoefte hebben aan een 24-uursvergunning, is het aandeel ondernemers dat tevreden is met de huidige sluitingstijden aanzienlijk kleiner dan bij ondernemers die wel behoefte hebben aan de 24-uursvergunning (een verschil van bijna 28 procent).

Figuur 3.13: Tevredenheid met huidige sluitingstijden, naar interesse in een 24-uursvergunning (n & %) Bron: Risbo, eigen bewerking

Aangezien er verschillen bestaan in de tevredenheid van horecaondernemers in bepaalde gebieden van Rotterdam, is er gekeken naar in welke gebieden de behoefte voor een 24-uursvergunning het hoogste is (zie bijlage 4, figuur b3.10). Het beeld is in lijn met voorgaande uitkomsten: slechts ongeveer 14 procent van de ondervraagde ondernemers in Oost heeft behoefte aan een 24-uursvergunning, wat een logisch resultaat is gezien het feit dat ondernemers in Oost in verhouding het meest tevreden zijn met de huidige sluitingstijden en zij relatief gezien vaker eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijden. In de gebieden Centrum, West en Noord en Zuid zijn de meeste ondernemers te vinden die een 24-uursvergunning zouden willen uitbaten (respectievelijk 28,4 procent, 20,5 procent en 27,3 procent). Ook dit beeld sluit aan bij eerdere resultaten dat ondernemers in deze gebieden relatief gezien vaker ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden en relatief gezien minder vaak eerder sluiten dan de huidige sluitingstijden. Het is waarschijnlijk dat het voor deze ondernemingen dus rendabel is om een 24-uursvergunning uit te baten, omdat er genoeg klandizie is rond het reguliere sluitingsuur. Om een beter beeld te krijgen is de ondernemers met interesse gevraagd waarom zij interesse hebben in een 24-uursvergunning (zie figuur 3.14).

41

Figuur 3.14: Waarom interesse in 24-uursvergunning (meerdere antwoorden mogelijk) Bron: Risbo, eigen bewerking

De meest voorkomende reden is dat ondernemers verwachten dat het hebben van een 24uursvergunning financieel rendabel is voor hun onderneming. Van de 61 respondenten met interesse in een 24-uursvergunning geven er 39 aan te verwachten dat dit het geval zal zijn. Bijna de helft is van mening dat een 24-uursvergunning aansluit bij de behoeften (30 personen). Iets meer dan een derde geeft aan dat een 24-uursvergunning voor hen interessant is omdat de doorverkoopwaarde van de onderneming daarmee naar verwachting hoger wordt (20 personen). Zes respondenten geven aan dat een 24-uursvergunning hun interesse heeft omdat zij in de nabije toekomst wijzigen willen aanbrengen aan hun exploitatieplan. Dertien personen hebben een andere reden. De eisen die door de gemeente worden gesteld aan het uitbaten van een 24-uursvergunning zijn zwaarder dan voor een avondvergunning. Zo dienen ondernemers met een 24-uursvergunning onder andere camerabewaking te hebben en portiers bij de ingang op te stellen. De ondernemers met interesse in een 24-uursvergunning is gevraagd aan welk van deze maatregelen zij bereid zijn te voldoen.

42

Figuur 3.15: Aan welke voorwaarden voor een 24-uursvergunning is men bereid te voldoen? (meerdere antwoorden mogelijk) Bron: Risbo, eigen bewerking

Bijna alle ondernemers die deze vraag hebben ingevuld (n=58), zou camerabewaking (54 personen) en/of maatregelen ten goede van de openbare orde en tegen overlast willen nemen (49 personen). Het inhuren van portiers of het laten uitvoeren van akoestisch onderzoek wordt door veel minder respondenten genoemd, respectievelijk zesentwintig en zeventien personen. Veertien personen geven aan niet bereid te zijn om aan extra voorwaarden te voldoen. Aan de 194 ondernemers die hebben aangegeven geen interesse te hebben in een 24-uursvergunning is gevraagd waarom zij geen interesse hebben (zie figuur 3.16).

Figuur 3.16: Waarom geen interesse in 24-uursvergunning? (meerdere antwoorden mogelijk) (aantallen) Bron: Risbo, eigen bewerking

43

Van de 194 respondenten die deze vraag hebben beantwoord, geven er 150 (77,3 procent) aan dat zij simpelweg geen behoefte hebben aan een 24-uursvergunning. Bijna een kwart van de respondenten (47 personen, 24,2 procent) verwacht dat er niet genoeg publiek getrokken kan worden om een 24uursvergunning rendabel te maken. Een iets kleiner deel (30 personen, 15,5 procent) ziet af van een 24uursvergunning omdat verwacht wordt dat er in dat geval meer overlastgevend publiek naar de horecainrichting komt. Achtentwintig respondenten (14,4 procent) vinden de eisen voor uitbating van een 24uursvergunning te zwaar en vijftien respondenten vinden de lasten te hoog (7,7 procent). Achttien personen (9,3 procent) hebben andere redenen. De uitkomsten van de enquête worden bevestigd in de interviews. Een deel van de gesproken ondernemers heeft geen behoefte aan een 24-uursvergunning, omdat dit voor hen niet rendabel is. Sommige ondernemers geven aan dat zij wel een 24-uursvergunning zouden willen maar vinden de eisen voor uitbating te zwaar. De extra kosten en/of verplichtingen die komen kijken bij het uitbaten van een 24-uursvergunning vormt een te hoge drempel voor deze ondernemers. Zo vertelt een van de ondernemers (café) dat het aanvragen van een 24-uursvergunning een (financieel) risico is, omdat het niet zeker is of de aanvraag wordt geaccepteerd terwijl het wel ongeveer €2000 kost.

Een andere ondernemer (restaurant) geeft aan al meerdere keren een aanvraag te hebben ingediend, maar meerdere keren te zijn afgewezen.

3.4 Conclusie In dit onderzoek staat de vraag centraal in hoeverre ondernemers met een avondvergunning tevreden zijn met de huidige sluitingstijden en in hoeverre zij behoefte hebben aan andere type vergunningen, zoals een 24-uursvergunning. Achtereenvolgens zullen deze vragen worden beantwoord door middel van het samenvatten van de resultaten uit het vragenlijstonderzoek. Tevredenheid met huidige sluitingstijden Uit de resultaten komt naar voren dat driekwart van de ondervraagde ondernemers tevreden is met de huidige sluitingstijden. Ondernemers die een bar/café of snackbar/fastfood onderneming uitbaten zijn vaker (zeer) ontevreden dan andere ondernemers. Dit kan mogelijk verklaard worden door de aard van de onderneming en tot hoe laat klandizie aanwezig is. Op basis van de sluitingstijden die de respondenten ingevuld hebben, blijkt dat cafés en bars tot later openblijven dan restaurant en lunchrooms. Ondernemers met horecagelegenheden in Zuid, Centrum, West en Noord zijn het minst tevreden met de huidige sluitingstijden. Meer dan de helft van de respondenten gaat nooit eerder dicht dan de vastgestelde sluitingstijden. Een klein deel gaat één keer per maand of minder eerder dicht terwijl ongeveer een kwart van de respondenten twee tot drie keer per maand of vaker eerder sluit.

Uit de resultaten komt naar voren dat met name restaurants eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijden voorschrijven. Op de uitgaansavonden, donderdag, vrijdag en zaterdag gaan ondernemers veel minder vaak eerder dicht dan op andere dagen van de week. Dit duidt erop dat ondernemers voornamelijk eerder sluiten vanwege een gebrek aan klanten. Over het algemeen is het horecabezoek ‘s avonds in het weekend groter dan doordeweeks. Ondernemers in het Centrum sluiten het minst vaak eerder dan de reguliere sluitingstijden, vergeleken met andere gebieden in Rotterdam. Het lijkt dus waarschijnlijk dat horeca in niet-uitgaansgebieden relatief vaker eerder sluiten dan horeca in uitgaansgebieden. Daarnaast blijkt dat ondernemers die (zeer) ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden van hun onderneming bijna nooit 44

eerder sluiten. Dit zou kunnen betekenen dat deze ondernemers ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden omdat zij langer open zouden willen blijven, gezien er waarschijnlijk tot sluitingstijd nog voldoende animo is. Mogelijkheden in het bestaande vergunningenstelsel Meer dan de helft van de respondenten geeft aan niet bekend te zijn met het afkoelhalfuurtje. Ongeveer 90 procent van de respondenten beschikt over een drankvergunning en zou gebruik kunnen maken van een afkoelhalfuurtje. Het is mogelijk dat horeca-inrichtingen die al eerder sluiten dan op basis van de vergunning mogelijk is, niet bekend zijn met deze regeling. Voor hen is het afkoelhalfuurtje immers niet relevant. Ongeveer een vijfde van de respondenten geeft aan gebruik te maken van het afkoelhalfuurtje. Dit zijn vooral ondernemers met een bar/café en/of eetcafés. Dit is in lijn met de verwachting dat een bar en (eet)café meer gebruik zal maken van afkoelhalfuurtjes, omdat zij relatief vaak tot laat open zijn. Ruim 80 procent van de respondenten is bekend met de mogelijkheid om incidenteel langer open te blijven (verlaatje). Iets meer dan één op de vier respondenten geeft aan het verlaatje ook daadwerkelijk te gebruiken. Een groot deel van de ondernemers met een bar/café en ondernemers met een eetcafé maken gebruiken van het verlaatje. Het geluidje is eveneens relatief bekend bij ondernemers.

Twee derde van de respondenten geeft aan te weten wat een geluidje is. Iets meer dan één op de vijf respondenten maakt ook daadwerkelijk gebruik van het geluidje. Ook bij het geluidje zijn het de ondernemers met een bar/café of eetcafé die hiervan het meeste gebruik maken. In het algemeen kan er gesteld worden dat bars en (eet)cafés het meest gebruik maken van de mogelijkheden binnen het bestaande systeem. Dit komt overeen met de bevinding dat bars en cafés tot langer openblijven volgens de reguliere sluitingstijden dan andere ondernemingen en daarom vaker gebruik zullen maken van incidentele ontheffingen dan horeca-inrichtingen die eerder dichtgaan. De overgrote meerderheid van de ondernemers dat bekend is met de verlaatjes vindt het een praktisch instrument en geeft aan niks te willen veranderen aan het systeem. Ongeveer één op de tien respondenten is het daar niet mee eens en vindt de verlaatjes onpraktisch. Een deel van deze respondenten is voorstander van een alternatief systeem. Een iets kleiner deel geeft aan een onbeperkt aantal verlaatjes te willen. En een nog kleiner aantal respondenten geeft aan tevreden te zijn indien er meer verlaatjes per jaar beschikbaar komen. Vragend naar de gewenste veranderingen met betrekking tot de geluidjes, dan zien we hetzelfde beeld als bij de verlaatjes.

Het merendeel van de ondernemers heeft geen behoefte om veranderingen aan te brengen omtrent de geluidjes. Een deel van de ondernemers hebben geantwoord dat zij een ruimere geluidsnorm wensen wanneer zij een geluidje inzetten. Een iets kleiner deel van de ondernemers zou structureel meer geluid willen mogen produceren. Het grootste deel van de respondenten reageert neutraal op de vraag of zij bereid zijn om maatregelen ten opzichte van geluidsoverlast te nemen. Ongeveer vier op de tien respondenten is (zeer) bereid om maatregelen te nemen ter voorkoming van geluidsoverlast. Een relatief klein deel is (zeer) onbereid om maatregelen te nemen. Behoeften en 24-uursvergunning Driekwart van de respondenten heeft geen behoefte aan een wijziging van de bestaande sluitingstijden. Een vijfde van de respondenten zou andere sluitingstijden willen. Een klein deel van de respondenten weet niet of zij interesse heeft in andere sluitingstijden. Dit komt in grote lijnen overeen met de mate van tevredenheid met het huidige vergunningenstelsel. Het grootste gedeelte van de respondenten die de sluitingstijden wil wijzigen, zou tot later open willen blijven in het weekend. Een iets kleiner deel wenst 45

vrijgegeven sluitingstijden of ook doordeweeks langer open te blijven. Vooral ondernemers met een café/bar en/of een eetcafé zouden langer open willen blijven in het weekend en een kleiner deel ook doordeweeks. Fastfoodzaken zijn het meest geïnteresseerd in een 24-uursvergunning, met bars/cafés op de tweede en restaurants op de derde plek. Ondernemers die tevreden zijn met de huidige sluitingstijden, willen over het algemeen minder vaak iets veranderen aan de huidige sluitingstijden dan ondernemers die ontevreden zijn. Vooral ondernemers die doordeweeks en/of in het weekend langer open willen blijven zijn relatief gezien vaker ontevreden. Dit sluit aan bij de bevindingen dat bars/cafés het minst tevreden zijn met de huidige sluitingstijden, relatief gezien minder vaak eerder sluiten dan de reguliere sluitingstijden en het meest gebruik maken van het afkoelhalfuurtje, verlaatjes en geluidjes. Ongeveer een kwart van de ondernemers geeft aan behoefte te hebben aan een 24-uursvergunning. Deze behoefte is, geheel in lijn met voorgaande resultaten, het grootst onder bars/cafés en fastfoodzaken. Dit komt overeen met de grotere ontevredenheid over de sluitingstijden onder deze groepen ten opzichte van andere groepen. Er lijkt dus sprake van een verband tussen de tevredenheid met de huidige sluitingstijden en de behoefte aan een 24-uursvergunning.

Eerder bleek al dat deze (ontevreden) ondernemingen relatief vaak tot de uiterste sluitingstijd geopend zijn en zij minder vaak dan andere ondernemingen eerder sluiten. Logischerwijs leidt dit tot de veronderstelling dat deze horeca-inrichtingen vaker ontevreden zijn omdat zij langer open zouden willen blijven dan toegestaan is onder de huidige vergunning. Bijna een vijfde van de ondernemers die interesse heeft in een 24-uursvergunning is ontevreden met de huidige sluitingstijden. De behoefte aan een 24-uursvergunning is het grootst bij ondernemers in de gebieden Centrum, West, Noord en Zuid. Eerder kwam naar voren dat ondernemers binnen deze gebieden het minst tevreden zijn met de huidige sluitingstijden. Ook dit beeld sluit aan met eerdere resultaten dat ondernemers in deze gebieden relatief gezien vaker ontevreden zijn met de huidige sluitingstijden en relatief gezien minder vaak eerder sluiten dan de huidige sluitingstijden. Het is waarschijnlijk dat het voor deze ondernemingen dus rendabel is om een 24-uursvergunning uit te baten, omdat er genoeg klandizie is rond het reguliere sluitingsuur. De meest voorkomende reden voor de behoefte aan een 24-uursvergunning is namelijk dat ondernemers verwachten dat het hebben van deze vergunning financieel rendabel is voor hun onderneming en aansluit bij hun behoeften.

Ondernemers die geen behoefte hebben aan 24-uursvergunning geven aan dat zij verwachten onvoldoende publiek kunnen trekken om het financieel rendabel te maken.

46

4.

Behoeften en gebruik vergunning ondernemers 24-uursvergunning Op basis van informatie van de gemeente is bekend dat er momenteel 146 24-uursvergunningen zijn uitgegeven (vergunningen van categorie type 3, 4 of 4+). In totaal hebben 26 ondernemers de vragenlijst ingevuld en zijn er zes interviews afgenomen met ondernemers met een 24-uursvergunning. De valide respons bedraagt 17,8 procent. Vanwege de kleine aantallen kunnen de resultaten uit dit hoofdstuk enkel als indicatief beschouwd worden. Om deze reden worden in dit hoofdstuk geen figuren of tabellen gepresenteerd.

4.1 Achtergrondgegevens Uit de vragenlijst blijkt dat van de 26 deelnemers aan de vragenlijst, de meeste zich bevinden in het centrum van Rotterdam (16 ondernemingen). Een kleiner aantal ondernemingen bevindt zich in West en Noord (4 ondernemingen), Rotterdam-Oost (3 ondernemingen) of in andere gebieden (3 ondernemingen). Het grootste gedeelte van de respondenten met een 24-uursvergunning is uitbater van een discotheek (8) of bar/café (9). Daarnaast is heeft een aantal hotels en bedrijven die actief zijn in de evenementenbranche die beschikken over 24-uursvergunning deelgenomen.

4.2 Huidige sluitingstijden en beleid Huidige sluitingstijden De respondenten met een 24-uursvergunning zijn gevraagd naar de sluitingstijden die zij voor hun onderneming hanteren. Er is sprake van grote variatie in de sluitingstijden. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen ondernemers die elke dag tot laat openblijven en ondernemers die ervoor kiezen om alleen in het weekend langer open te blijven dan mogelijk is met een avondvergunning. Deelnemers aan de vragenlijst is gevraagd aan te geven hoe laat zij sluiten. Over het algemeen maakt een groot deel van de respondenten gebruik van de 24-uursvergunning door te sluiten op een tijdstip dat buiten de sluitingstijden van de avondvergunning valt. De gehanteerde sluitingstijden, vooral op de uitgaansavonden, liggen buiten de uiterste sluitingstijden van de avondvergunning. Doordeweeks liggen de sluitingstijden van een deel van de respondenten veel dichter bij de uiterste sluitingstijden van de avondvergunning. Dit lijkt erop te duiden dat de 24-uursvergunning met name wordt benut op vrijdag en zaterdag. Van de respondenten die deze vraag hebben ingevuld zien we dat ongeveer twee derde van de ondernemers doordeweeks (zondag, t/m donderdag) na 01:00 sluit.7 Op vrijdag en zaterdagavond geldt dit voor meer dan driekwart van de respondenten. Ook zien we dat de sluitingstijden in het weekend later zijn dan doordeweeks.

In het weekend sluiten de meeste respondenten de onderneming om vijf of zes uur terwijl doordeweeks een deel van de respondenten ervoor kiest om rond één à twee uur te sluiten. Op een enkele respondent na blijft er niemand 24 uur per dag open. Uit de interviews blijkt ook dat de meeste gesproken ondernemers met een 24-uursvergunning doordeweeks eerder sluiten dan in het weekend (variërend van 02:30 tot 04:00). In het weekend variëren de sluitingstijden van 04:00 tot 06:00. 7

Doordeweeks 01:00 is de uiterste sluitingstijd bij het gebruik van een avondvergunning, voor het weekend is dat 02:00.

47

Gebruik 24-uursvergunning Op basis van de sluitingstijden kan geconstateerd worden dat een groot deel van de respondenten gebruik maakt van de mogelijkheden van de 24-uursvergunning door te sluiten op een tijdstip dat later ligt dan met een avondvergunning toegestaan is. Uit de vragenlijst komt naar voren dat ongeveer de helft van de ondervraagde ondernemers daarnaast gebruik maakt van de flexibiliteit die de 24-uursvergunning hen biedt. Zij blijven langer open dan de reguliere sluitingstijden (dit zijn de sluitingstijden die de onderneming standaard hanteert) wanneer het onverwachts druk is of de programmering daar om vraagt. Ook bij een aantal geïnterviewde ondernemers is de sluitingstijd afhankelijk van de programmering en de drukte. Wel geeft een deel van deze ondernemers aan dat bij langer openblijven, er meer klanten komen die zich misdragen, veelal vanwege dronkenschap. Zo zegt een van de gesproken ondernemers hierover: Dat gebeurt wel eens, tijdens feestdagen, of als het extra druk is. Tot het gezellig blijft, laat ik het zo zeggen. We blijven dan meestal een uurtje langer open. Want als je langer openblijft trek je alleen maar lui aan die je niet wil hebben. Ditzelfde sentiment komt naar voren tijdens gesprekken met verschillende ondernemers met een avondvergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e5d8b84f-d5cc-4b1f-86f1-dfed54b27a01