CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20bb18778 Bijlage 5 behorende bij 21bb2532 over Samenvatting en beantwoording van de zienswijzen

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 24. Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Rotterdam Central District’.18.168 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De impact op de omgeving neemt daardoor ook toe. Reactie: In het ambitiedocument Delftseplein, dat de basis vormde voor de tenderprocedure, was een maximale hoogte van 140 meter opgenomen voor de nieuwbouw en een maximaal volume van 41.000 m2 b.v.o. In het ontwerpbestemmingsplan was 21

uitgegaan van een groter bouwvolume, maar dat is nadien weer aangepast tot 41.000 m2 b.v.o. De hoogte is verlaagd naar 130 meter, zie ambtshalve wijziging A2. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de randvoorwaarden uit het ambitiedocument. Het bouwvolume voor Tree House voldoet bovendien aan de slankheidsregels van de Hoogbouwvisie 2019. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze gegrond te verklaren en de oppervlakte van de nieuwe ontwikkeling op het Delftseplein in de toelichting en de regels te wijzigen naar 41.000 m2, zie W8 in het raadsvoorstel. 10.14 Bezonningsstudie is onzorgvuldig met betrekking tot referentiemodellen Reclamant is van mening dat de bezonningsstudie onzorgvuldig is uitgevoerd. Hiertoe voert reclamant aan dat het onderzoek is gebaseerd op het schaduwbereik van de geplande hoogbouw en de gemiddelde bezonningsduur (zoals in de Hoogbouwvisie 2019). Er wordt ten onrechte van absolute getallen uitgegaan. Reclamant stelt dat in de bezonningsstudie het referentiemodel van 2019 ten onrechte is vergeleken met het referentiemodel van 2011. Het onderzoek gaat dus uit van bouwplannen uit 2011 die nooit zijn gerealiseerd, er wordt dus niet uitgegaan van de werkelijke situatie. De resultaten van de onderzoeken geven hierdoor onjuiste cijfers. Het onderzoek is naar mening van reclamant bovendien niet objectief omdat is gerekend met inconsistente modellen.

De verklaringen of uitleg over het gebruik van de referentiemodellen zijn vaag, niet controleerbaar en transparant. Reactie: Het bezonningsonderzoek is uitgevoerd door een extern bureau met grote expertise op het gebied van bezonningsonderzoek. De referentiemodellen, waaraan reclamant refereert, worden alleen gebruikt voor de berekening van de schaduweffecten op de buitenruimte, zoals vastgelegd in de Hoogbouwvisie 2019. Het referentiemodel met de planologische situatie in 2011 voor de ‘basiskwaliteit’ en het referentiemodel met de planologische situatie in 2019 voor de ‘representatieve ruimtes’. Bepalend voor deze referentiemodellen is wat er in 2011 en 2019 in bestemmingsplannen mogelijk was. Alle bouwvolumes in vigerende bestemmingsplannen (in de genoemde referentiejaren) zijn daarom in de referentiemodellen opgenomen. Voor grote delen van Rotterdam Central District bestond de bijzondere situatie dat er zowel in 2011 als 2019 geen bestemmingsplan was. Uitzonderingen daarop waren in beide jaren het bestemmingsplan Weenapoint en het bestemmingsplan Weena-oost (waarin de maximale bouwhoogte van 150 meter voor Delftse Poort, de Unileverlocatie en de Weenatoren zijn vastgelegd). Tot 2018 golden er voor gebieden, waarvoor geen bestemmingsplan bestond, stedenbouwkundige bepalingen in de Bouwverordening.

Er is op basis de stedenbouwkundige bepalingen in de Bouwverordening gekeken naar de destijds maximaal toegelaten bouwhoogtes. Die zijn door de gemeente berekend op basis van het stratenpatroon dat in 2011 aanwezig was. Deze berekende bouwhoogtes zijn overgenomen in het referentiemodel 2011. In 2019 waren deze stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening vervallen. Daarom is voor de delen van Rotterdam Central District, waar ook in 2019 geen bestemmingsplan aanwezig was (of inmiddels een omgevingsvergunning voor bouwen voor was verleend), de maximale hoogte aangehouden die elders in het gebied (Weena-Oost) en ten zuiden van het Weena ook werd gehanteerd: 150 meter. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 22

10.15 Bezonningsstudie is onzorgvuldig met betrekking tot de meetpunten Reclamant stelt dat de bezonningsstudie onzorgvuldig is uitgevoerd omdat de meetpunten foutief zijn. Zo is de kap van Rotterdam Centraal niet meegenomen, ontbreken meetpunten op de huizen in de Provenierswijk en de meetpunten op de huizen is op 0,75 meter geplaatst waardoor de hinder op de hoger gelegen appartementen niet is gemeten. Reactie: Er zijn meer dan duizend meetpunten gebruikt om de bezonning bij ruim 600 woningen in de Provenierswijk te onderzoeken. Dit geeft een representatief beeld van de schaduwwerking van de hoogbouw op de gevels de woningen. Appartementen op hoger gelegen verdiepingen zullen doorgaans meer in de zon liggen dan de onderste woonlaag. Aanvullend op het bezonningsonderzoek bij het ontwerpbestemmingsplan Rotterdam Central District, is nader onderzocht of er toch afwijkingen hierop voorkomen. Daarbij zijn ook meetpunten op de hogere verdiepingen bekeken. Het resultaat is opgenomen in het geactualiseerde bezonningsonderzoek bij dit bestemmingsplan. De conclusie, dat wordt voldaan aan de Provenierswijkregel, blijft ongewijzigd. Reclamant spreekt van ontbrekende meetpunten, met een specifieke verwijzing naar het hoekhuis bij het station. Daar was aan de voorzijde een meetpunt (1027) geplaatst maar niet aan de achterzijde (stationszijde).

Dit komt doordat op de begane grond een garage aanwezig is. De eerste woonlaag is echter op de 1e verdieping gesitueerd. In het geactualiseerde bezonningsonderzoek zijn ook de hoger gelegen verdiepingen meegenomen, waardoor ook deze effecten bekend zijn. Reclamant geeft ten onrechte aan dat de kap van het station Rotterdam Centraal zou ontbreken in het onderzoek. De stationskap is wel in de 3D-modellen en de daarmee in de verrichte berekeningen meegenomen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze gegrond te verklaren en in het bezonningsonderzoek meetpunten toe te voegen op de 1e en 2e etage, zie W9. 10.16 Bezonningsstudie is onzorgvuldig met betrekking tot de schemertijd Reclamant stelt dat in de bezonningsstudie ten onrechte is uitgegaan dat op 21 juni op 20:00 uur al sprake is van schemertijd. Reactie: In de Hoogbouwvisie 2019 staat bij rekenmethode in hoofdstuk 3.7 onder meer: "Voor de berekening van het gemiddeld aantal resterende zonuren in de representatieve ruimtes en basiskwaliteit hanteren we een raster van 0,5 meter bij 0,5 meter. De gemiddelde bezonning wordt uitgevoerd met een stapgrootte van 5 minuten en getoetst op de data 21 juni en 21 september binnen het aangegeven tijdsbestek.

De gemiddelde bezonningsafname in gebieden met een basiskwaliteit wordt per straat beoordeeld ten opzichte van de planologische mogelijkheden op referentiedatum 2011*." Doordat in gebieden (straten/pleinen) grote verschillen aanwezig zijn met betrekking tot bezonning en de wijziging daarvan ten gevolge van hoogbouw, en het verloop van de schaduw gedurende de dag, is deze methode zeer geschikt om de bezonning te kwantificeren en te beoordelen. Voor de volledigheid wordt tevens de plaatselijke 23

bezonningsduur, zonder middeling, weergegeven in bijlagen 1 en 2 van het bezonningsonderzoek en zijn afbeeldingen vervaardigd van het schaduwverloop gedurende de getoetste dagen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 10.17 Uitkomsten onderzoek in strijd met regels Reclamant stelt dat de regels die gelden voor aangewezen sunspots en referentiegebieden niet in acht worden genomen, namelijk dat op aangewezen plaatsen geen verslechtering dan wel een verslechtering van maximaal 2 uur mag plaatsvinden, en dat de aangegeven basiskwaliteit niet wordt behaald. De geplande torens hebben effect op de directe omgeving, onder andere op het Schiekadeblok en Rotterdam Centraal. Reactie: In de toets van de randvoorwaarden voor de bezonning conform de Hoogbouwvisie 2019 zijn ook de schaduweffecten op de buitenruimte in het Rotterdam Central District berekend. De toekomstige bezonning van het Stationsplein voldoet aan de voorwaarde van de ‘representatieve ruimte’ Stationsplein/Kruisplein. Ook wordt voldaan aan de voorwaarde voor de basiskwaliteit voor de overige openbare ruimten. Het (dak van) het stationsgebouw en het Schiekadeblok zijn geen representatieve ruimtes. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 10.18 Rotterdam Centraal overschaduwd Reclamant merkt op dat Rotterdam Centraal voor uren in de schaduw wordt gezet.

De zonnecellen op het dak zullen hierdoor significant minder duurzame energie voor het station genereren en daarnaast zal het voor de reizigers en bezoekers van het station niet fijn vertoeven zijn op de perrons. De CO2-reductie van de kap zal aanzienlijk lager uitvallen (waarschijnlijk meer dan 50%) dan de ongeveer 8% reductie die door NS is gecommuniceerd. Dit gaat in tegen de gewenste energietransitie en -ambitie van de gemeente Rotterdam in. Reactie: Het Stationsplein is aangewezen als ‘representatieve ruimte’ in de Hoogbouwvisie 2019. Op deze locatie wordt voldaan aan de voorwaarden voor representatieve ruimtes en voor de overige buitenruimten in Rotterdam Central District. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 10.19 Onomkeerbare milieueffecten voor Provenierswijk Reclamant stelt dat de extra schaduwhinder op de woningen in de Provenierswijk, negatieve effecten hebben op het woon- en leefklimaat en leidt tot onomkeerbare negatieve (milieu)effecten. Zo zouden de kosten voor gas en elektriciteit stijgen, wordt de gezondheid en het geluk van de bewoners aangetast, vermindert de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de straten, flora en fauna zal lastiger overleven door afname van zonlicht en de bewoners kunnen niet meedoen aan verduurzamingsplannen zoals het plaatsen van zonnepanelen.

24

Reactie: Alle aspecten afwegend, waarvoor uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden dat in de bijlagen bij het bestemmingsplan is opgenomen, komt de gemeente tot de conclusie dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad door de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 10.20 Provenierswijk zes maanden in schaduw Reclamant stelt aan de hand van een eigen bezonningsstudie, uitgevoerd in 20082009, dat niet aan de eisen van bezonning wordt voldaan. Met name in de wintermaanden is sprake van veel schaduwhinder. Reclamant merkt op dat de schaduwwerking van de kap van Rotterdam CS en de nieuw beoogde ontwikkelingen bij Unilever en Delftse Poort niet in haar eigen onderzoek zijn meegenomen. Met de beoogde ontwikkelingen erbij blijft voor groot gedeelte van Provenierswijk 1,5 uur zon over, als je tenminste het geluk hebt dat je huis recht naar de zon gericht is. Ook met het referentiemodel van 2011 blijkt dat de ‘basiskwaliteit’ niet voldoet op de Molenwaterweg (als gevolg van het Schiekadeblok). Er wordt niet voldaan aan de beloftes om naar de cumulatie van torens te kijken. Verder gaan de toekomstige torens bij Pompenburg volgens reclamant ook een grote invloed hebben op de ochtendzon op Provenierswijk.

Daarvan zal de schaduw (langer dan een uur) vooral in de maanden van maart tot en met september vallen. Gesteld wordt door de gemeente dat Pompenburg niet bij het RCD hoort. Echter: een gedeelte van Pompenburg – waar de meest geplande torens komen – hoort bij het bestemmingsplan Provenierswijk-Bentincklaan. Hierdoor is de gemeente volgens reclamant wel verplicht om Provenierswijk mee te nemen in de bezonningsstudies omtrent de ontwikkelingen van Pompenburg daar het een nieuwe ontwikkeling binnen het bestemmingsplan betreft. Reclamant stelt dat de bezonningsregel voor de Provenierswijk ook voor de ontwikkeling Pompenburg geldt. Reactie: De bezonningsonderzoeken zijn uitgevoerd conform de uitgangspunten die in de Hoogbouwvisie 2019 en het Stedenbouwkundigplan Central District Rotterdam zijn geformuleerd. Onderdeel van deze uitgangspunten is de periode waarin de schaduweffecten worden bekeken. De wintermaanden zijn niet maatgevend. In deze periode kan er op zonnige dagen inderdaad meer schaduw op de woningen vallen. Deze schaduw wordt niet alleen veroorzaakt door de hoogbouw in Rotterdam Central District, maar ook door de bestaande bebouwing van de Provenierswijk.

De opmerking in het bezonningsonderzoek over overschrijding van de norm voor de ‘basiskwaliteit’ als gevolg van het Schiekadeblok verwijst naar het feit dat in deze berekening de planologische ruimte zoals deze in 2019 is opgenomen voor het Schiekadeblok is opgenomen. Dat is een fictief groot bouwvolume (zie referentiemodel 2019) dat niet zal worden gerealiseerd. Het stedenbouwkundig model 2a, dat bij de door de gemeenteraad vastgestelde Nota van Uitgangspunten voor het Schiekadeblok hoort, toont een veel minder massief volume. Bij het bezonningsonderzoek voor het Schiekadeblok zal daarom sprake zijn minder schaduwwerking op de Molenwaterweg.

25

De bezonningsregel voor de Provenierswijk geldt alleen voor ontwikkelingen die vallen binnen de Structuurvisie Rotterdam Central District uit 2011 en geldt daarom niet voor nieuwe ontwikkelingen in Pompenburg. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren 11 Reclamant 11 11.1 Vigerende bestemmingsplannen ontbreken Reclamant merkt op dat van de vijf genoemde vigerende bestemmingsplannen in paragraaf 1.3 van de toelichting er zeker drie niet actueel zijn en één niet benoemd is. De meest recente bestemmingsplannen van Lijnbaankwartier (2019), Weenapoint (2012) en Provenierswijk-Bentincklaan (2015) zijn niet meegenomen in de onderzoeken omtrent dit ontwerpbestemmingsplan. Hierdoor worden belangrijke, actuele zaken omtrent onderzoeken, (milieu)effecten en beperkingen die benoemd zijn in deze actuele bestemmingsplannen niet juist meegenomen of genegeerd. Het bestemmingsplan, inclusief het m.e.r.-beoordelingsbesluit, is hierdoor gebaseerd op oude informatie. Reactie: De bestemmingsplannen die door reclamant worden opgesomd, zijn recente bestemmingsplannen die grenzen aan het bestemmingsplangebied van Rotterdam Central District. De bestemmingsplannen die genoemd zijn in paragraaf 1.3 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan, zijn de geldende bestemmingsplannen binnen de plangrenzen van het bestemmingplan Rotterdam Central District.

Dit is slechts een opsomming van (delen van) de bestemmingsplannen die door middel van het nieuwe bestemmingsplan worden geactualiseerd. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.2 Recente onderzoeksrapporten gebaseerd op onjuiste gegevens De onderzoeksrapporten van het ontwerpbestemmingsplan zijn niet gebaseerd op de laatste, recente onderzoeksrapporten zoals je zou mogen verwachten. Bijvoorbeeld: Bij de Wateradvies-bijlage heeft men in het onderzoek o.a. niet het onderzoek ‘Grondwater Stationsplein – verandering in grondwaterstand door realisatie van ondergrondse objecten’ van 6 juli 2010 meegenomen, zoals ook niet het (grond)water-onderzoek voor Kruisplein (behorend tot plangebied RCD) uit het BesluitMER Weenapoint 2011. Reactie: In het wateradvies is aangegeven dat in de directe omgeving sprake is van barrièrewerking voor de grondwaterstroming. De door reclamant genoemde rapporten gaan over vergelijkbare modelberekeningen die zijn bekeken bij het opstellen van het wateradvies voor bestemmingsplan Rotterdam Central District. De resultaten met betrekking tot de barrièrewerking zijn vergelijkbaar met de conclusie uit het wateradvies. De nieuwe ontwikkelingen zullen door deze barrièrewerking geen significante invloed hebben op de grondwaterstanden. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

26

Naar aanleiding van deze zienswijze is geconstateerd dat de Watertoets geactualiseerd dient te worden, zie ambtshalve wijziging A5. 11.3 Onderzoeken zijn niet compleet Reclamant merkt op dat een aantal onderzoeken in de bijlagen van het ontwerpbestemmingsplan RCD niet compleet zijn. Zo constateert ProRail in 9.2.2.: “dat in conceptversie bestemmingsplan diverse relevante punten als ‘PM’ zijn opgenomen; hierdoor is concept niet volledig en is het voor ProRail derhalve niet mogelijk het concept ontwerpbestemmingsplan op een goede wijze te beoordelen.” Reactie: De reactie van ProRail is een reactie ten tijde van het ambtelijk vooroverleg dat wordt gevoerd met vaste overlegpartners. In het concept-ontwerpbestemmingsplan ontbraken toen nog bijlagen. Het ontwerpbestemmingsplan dat ter inzage heeft gelegen, was compleet en voorzien van alle bijlagen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.4 Onjuiste aannames akoestisch onderzoek Reclamant stelt dat onderzoeken onvindbaar zijn waardoor er met aannames is gewerkt. De onderzoeksresultaten zijn hierop ten positieve aangepast. Reclamant meent dat dit het geval is bij het akoestisch onderzoek. Dit onderzoek gaat uit van onjuiste aannames en kan daarom niet worden gebruikt.

Een voorbeeld van een onjuiste aanname is de standaardaftrek van 10 dB als gevolg van het geluidsisolerende effect van de overkapping van Rotterdam Centraal Station. Reclamant verwijst naar paragraaf 6.3.1 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan waarin is vermeld dat de bouwplantekeningen en documenten waaruit de geluidsisolerende waarde van de overkapping moet blijken, niet voorhanden zijn. Daarop wordt op basis van een expert judgement een aanname gedaan van de isolatiewaarde voor de overkapping, namelijk 10 dB(A). Deze aanname is worst case, in werkelijkheid zal de geluidsisolerende werking hoger uitvallen. Reclamant merkt op dat dit “expert judgement” in twijfel wordt getrokken door ProRail en het spoorse ingenieursbureau (brief van 28 april 2005 aan de gemeente). Bovendien wordt in het PlanMER uit 2005 vermeld dat de zijkanten van de kap (in oostelijke richting) wel 8 dB meer geluidsoverlast geeft en dat de maximale toelaatbare waarde van 55 dB op de woningen overschreden. Reclamant stelt dat zij veel geluidsoverlast zal ervaren door het nieuwe Rotterdam Centraal Station en door de megafoonwerking van de overkapping.

Tevens stelt het PlanMER 2005 dat bij hoge bebouwing dicht langs het spoor in RCD “vanwege de geluidsreflectie tegen deze gebouwen de geluidsbelasting aan de noordzijde van de spoorbaan toenemen.” De geluidreflectie van Tree House van wel meer dan 65 dB – volgens het Ambitiedocument Tender Delftseplein (blz. 32) - zal extra hard naar de huizen van de bewoners op Proveniersplein gekaatst worden. Reactie: In het akoestisch onderzoek is uitgerekend welke geluidbelasting te verwachten is op de locatie waar nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan. Op basis van expert judgement met instemming van de DCMR en ProRail is in het akoestisch onderzoek gerekend met 10 dB geluidreductie vanwege de kap uit het centraal station.

27

Om antwoord te kunnen geven op de vraag of de bouw van het Tree House geluid vanaf het spoor weerkaatst richting de Provenierswijk is het akoestisch rapport is aangevuld. In bijlage 14 en 15 van het Akoestisch rapport (bijlage 8 bij het bestemmingsplan) zijn de resultaten van de zijn aanvullende onderzoeken toegevoegd naar de reflectie van het Tree House als gevolg van railverkeerslawaai en het emplacement. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidstoename op de Provenierswijk als gevolg van de realisatie van het Tree House verwaarloosbaar klein is (paragraaf 5.6.1 en 5.6.2 van het akoestisch rapport). Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Naar aanleiding van deze zienswijze is het akoestisch rapport aangevuld met een onderzoek naar de reflectie van geluid als gevolg van het planologisch mogelijk maken van het Tree House. Zie ambtshalve wijziging A6. 11.5 Eerdere onderzoeken zijn genegeerd Reclamant stelt dat belangrijke informatie uit eerdere onderzoeksrapporten niet is meegenomen bij de onderzoeken voor het ontwerpbestemmingsplan of wordt genegeerd. Dit geldt voor de meeste onderzoeken naar de milieueffecten in het ontwerpbestemmingsplan, zoals dat in het PlanMER 2011 belangrijke informatie staat over (zeer) beschermde flora/fauna (zoals vleermuizen).

Deze informatie is niet meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan én de daarbij behorende verleende kapvergunning voor de zes monumentale bomen op Delftseplein. Reactie: Ecologisch onderzoek geeft inzicht in de actuele aanwezigheid van de soort. Voor onderzoeksgegevens wordt aangenomen dat deze drie jaar geldig zijn. De onderzoeksgegevens van 2011 geven derhalve geen inzicht in actuele aanwezigheid van de soorten. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een flora- en faunatoets uitgevoerd waaruit blijkt dat de bomen geen functie hebben voor beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.6 Bouwvolumes inconsistent Relamant merkt op dat in ontwerpbestemmingsplan andere metrages zijn opgenomen voor de te ontwikkelen torens dan in het wateradvies en de flora- en faunatoets. Hierin staan kleinere volumes voor het Tree House en de Unilevertoren opgenomen, respectievelijk 42.000 en 20.000 m2 in plaats van 44.500 en 25.000 m2. Reactie: Zie de reactie op zienswijze 10.13 voor de aanpassing van het bouwvolume van het Tree House. Er wordt aangenomen dat in de zienswijze per abuis de locatie van het kantoor van Unilever wordt genoemd, waar Delftse Poort wordt bedoeld. Het volume van de uitbreidingsruimte van het gebouw Delftse Poort is opgehoogd van 20.000 m2 b.v.o. naar 25.000 m2 b.v.o.

Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze gegrond te verklaren en het wateradvies (zie ook A5) en de flora- en faunatoets aan te passen naar de definitieve volumes en deze aangepaste onderzoeken toe te voegen aan het bestemmingsplan, zie W10 28

11.7 Onjuist aantal verkeersbewegingen als invoergegevens onderzoeken Reclamant meent dat voor de onderzoeken naar verkeersbeweging, luchtkwaliteit, (stikstof), effect op Natura 2000-gebieden, afvalwater, externe veiligheid wordt uitgegaan van onjuiste bouwvolumes. Zo wordt er bij de berekening van de verkeersbewegingen volgens reclamant alleen rekening gehouden met de 3 torens in plangebied en niet met meer ontwikkelingen in het plangebied zelf of in de vigerende plangebieden. Een hoger aantal verkeersbewegingen is van invloed op de invoergegevens voor de onderzoeken naar luchtkwaliteit en effect op Natura 2000gebieden. Reactie: De verkeerscijfers zijn ontleend aan het verkeersmodel van het bestaande en verwachte woning- en kantoorprogramma. Deze basis is aangevuld met projectspecifieke verkeerscijfers die passen bij de nieuwbouw die in het bestemmingsplan wordt voorgesteld. De verkeerscijfers houden wel rekening met de ontwikkelingen in en in de nabijheid van Rotterdam Central District bijvoorbeeld de toekomstige ontwikkeling van het Schiekadeblok en Pompenburg (naar huidige stand van zaken). Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.8 Uitgangspunten berekeningen Reclamant stelt dat in het onderzoek naar externe veiligheid wordt uitgegaan van 100 m2 en 2,4 personen per woning en 3,68 voor het aantal verkeersbewegingen.

Het Tree House bestaat echter uit 320 woningen van 45 t/m 75 m2. Na onderzoek blijkt dat de meeste woningen gemiddeld niet veel groter zijn dan 85 m2. Met andere woorden: Dit betekent dat er meer mensen in een hoge toren bevinden en zich per auto bewegen dan gesteld. Hierdoor is er meer stikstofuitstoot in de omgeving en in Natura 2000-gebieden. Er bevinden zich in werkelijkheid straks meer mensen in het plangebied dan als uitgangspunt wordt genomen in de berekeningen. Reclamant merkt op dat de cumulatie met andere toekomstige torens in de berekeningen nog niet eens is meegenomen. Reactie: In het onderzoek naar externe veiligheid is uitgegaan van 100 m2 per woning, dit is een bruto maat. Binnen de bruto maat zijn ook oppervlakten voor gezamenlijke ruimten, liften, trappenhuizen, buitenmuren etc. opgenomen. Het is nog onduidelijk hoeveel woningen in het Tree House worden gemaakt. Het Besluit hogere grenswaarden gaat uit van 320 woningen, maar dit is het absolute maximum. In het onderzoek naar externe veiligheid is gerekend met 2,4 mensen per woning omdat dit het kental is voor het aantal personen per woning (Handreiking Risicoanalyse Transport). Zowel de oppervlakte van de gemiddelde woning als het aantal mensen per woning zijn aannames. Reclamant stelt dat de oppervlakte van de gemiddelde woning te hoog is ingeschat waardoor er zich meer mensen in het Tree House bevinden.

De inschatting van 100 m2 per woning en 2,4 personen per woning levert gemiddeld een realistische aanname op van de toename van de populatie ter plaatse van het Tree House. Er kunnen ook kleinere woningen worden gerealiseerd maar daarvan is het aannemelijk dat er gemiddeld geen 2,4 mensen wonen. Het groepsrisico stijgt 29

door de ontwikkelingen van 0,4 maal de oriëntatiewaarde naar 0,47 maal de oriëntatiewaarde en blijft dus ruim onder de oriëntatiewaarde. In het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) project Rotterdam Centrum wordt uitgegaan van 3,68 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Reclamant stelt dat het aantal verkeersbewegingen te laag is ingeschat omdat er mogelijk kleinere woningen in het Tree House komen dan 100 m2. Dit zou als gevolg hebben dat er meer woningen in het Tree House komen en dat daardoor sprake is van meer bewoners en meer verkeersbewegingen. In de boekhouding van het NSLproject Rotterdam Centrum zijn voor het Tree House echter 320 woningen opgenomen, het maximaal aantal dat op deze locatie is toegestaan. Daarmee is de bijdrage van deze nieuwe toren aan de verslechtering van de luchtkwaliteit worst-case meegenomen in de boekhouding. Het aantal van 3,68 ritten per woning per dag is gemiddeld voor een binnenstedelijke situatie. In het geval van Rotterdam Central District dat dichtbij het openbaar vervoer ligt, en gezien de Rotterdamse MobiliteitsAanpak, is 3,68 verkeersbewegingen per woning per etmaal een hoge inschatting. Dit betekent dat de stelling van reclamant dat er met te weinig extra verkeer rekening is gehouden, niet klopt. Stikstofdepositie wordt berekend met het rekenmodel AERIUS.

Voor woningen is het aantal van 3,68 ritten per etmaal gehanteerd overeenkomstig de boekhouding het NSL-project Rotterdam Centrum. Zowel het verkeersmodel ten behoeve van het akoestisch onderzoek als de invoergegevens voor het berekenen van het groepsrisico houden rekening met de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Rotterdam Central District maar ook met de ontwikkeling van het Schiekadeblok en Pompenburg. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Naar aanleiding van deze zienswijze is geconstateerd dat er per 15 oktober 2020 een nieuwe versie van het rekenmodel AERIUS. Wij stellen u voor om het stikstofonderzoek te actualiseren. De conclusie van het onderzoek, dat de ontwikkelingen in het bestemmingsplan geen nadelige effecten hebben op Natura-200 gebieden, blijft ongewijzigd. Zie ambtshalve wijziging A7. Naar aanleiding van deze zienswijze stellen wij u voor om de tekst in paragraaf 6.6.1 van de toelichting van het bestemmingsplan met betrekking tot het NSL aan te passen vanwege het gewijzigde oppervlak van het Tree House. Dit verandert niets aan de conclusie dat het bestemmingsplan voldoet aan het IBM project Rotterdam Centrum en daarmee aan de wet luchtkwaliteit. Zie ambtshalve wijziging A8.

11.9 Kengetallen externe veiligheid onjuist Reclamant stelt dat de uitgangpunten voor de berekening van het aantal mensen dat aanwezig is in kantoren en horeca te laag wordt ingeschat, vooral in de avond en nachtperiode. Het aantal mensen rondom het spoorgebied is veel hoger dan gesteld. Daarnaast zijn er ’s avonds/’s nachts meer mensen in het gebied aanwezig; juist wanneer er meer transporttreinen met gevaarlijke substanties rijden.  In de horeca zijn in avond/nacht (c.q. van 18.30-08.00 uur) 0% mensen aanwezig. Dit lijkt niet realistisch. De meeste horeca is tot 01.00 uur open en zit tot dan vol met mensen. 30

 

Kantoren worden overdag 100% overdag bemenst en 0% in de avond (18.3008.00 uur). In deze moderne tijd van 24-uurs economie is dit niet realistisch en aannemelijk woningen 50% aanwezigheid overdag. Dit is tegenwoordig niet meer realistisch. Door Covid-19 werken én wonen de meeste mensen sinds Covid-19 100% thuis, dus dit heeft ook effect van het aantal mensen aanwezig in de woningen.

Reactie: Voor horeca is een inschatting gemaakt van de aanwezigen omdat nog niet duidelijk is welk soort horeca, voornamelijk in het Schiekadeblok en Pompenburg, in de toekomst gerealiseerd wordt. In de berekening zit een overschatting van de horeca op de daguren (alle uren tussen 8:00 uur en 18:30 uur op 100%) en een onderschatting van diezelfde horeca in de avond en nacht (tussen 18:30 uur en 8:00 uur op 0%). Reden hiervoor is dat het rekenmodemodel geen onderscheid kan maken tussen avond (18:30-23:00 uur) en nacht (23:00-8:00 uur). De overschatting op de dag valt in de etmaalberekening weg tegen de onderschatting in de avond/nacht. De aannames voor aanwezigheid in kantoren en woningen zijn gebaseerd op de (Handreiking Risicoanalyse Transport). Met Covid-19 houdt deze wettelijke handreiking geen rekening. Bij groepsrisicoberekeningen wordt uitgegaan van een langdurige meerjarenverwachting met betrekking tot de aanwezigheidsdichtheden. In de avond- en nachtperiode passeren meer wagons met gevaarlijke stoffen dan overdag. De reden hiervoor is dat er dan gemiddeld minder mensen in de nabije omgeving van het spoor verblijven dan overdag omdat kantoren, scholen en horeca dicht zijn. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

11.10 Zeer kwetsbare bestemmingen in RCD Reclamant stelt dat volgens de Externe Veiligheid-bijlage van het ontwerpbestemmingsplan er geen (zeer) kwetsbare bestemmingen binnen het risicogebied aanwezig zijn; dit heeft invloed op de groepsrisico-berekeningen. Volgens reclamant zijn er wel degelijk (zeer) kwetsbare bestemmingen aanwezig in RCD: zo zitten er in het Groothandelsgebouw en aan de Schiekade (vlak bij het spoor) kinderdagverblijven. Verder is binnen 125 meter in Provenierswijk ook een verzorgingstehuis voor zeer kwetsbare psychiatrische patiënten en ouderen op Provenierssingel aanwezig. Ook zijn er in en langs het plangebied zeker 10 scholen aanwezig. Deze (zeer) kwetsbare objecten worden niet getoond in de Risicokaart, waartoe de gemeente verantwoordingsplicht heeft om deze up-to-date te houden. Reactie: In het onderzoek externe veiligheid, dat ten behoeve van het bestemmingsplan is opgesteld, staat dat er geen nieuwe zeer kwetsbare bestemmingen mogelijk gemaakt mogen worden in de zone van 140 meter vanaf de rand van het spoor. Dit laat onverlet dat er naast het spoor wel al zeer kwetsbare bestemmingen aanwezig zijn. De gemeente Rotterdam gebruikt de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) als informatiebron voor de groepsrisicoberekeningen. Hierin zijn alle bestemmingen (zeer kwetsbaar, kwetsbaar en niet-kwetsbaar) opgenomen en met deze informatie

31

wordt de populatie in beeld gebracht. De groepsrisicoberekening is daarom, ondanks de niet actuele Risicokaart, op basis van de juiste gegevens gemaakt. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.11 Provenierswijk niet meegenomen in groepsrisico Reclamant stelt dat de Provenierswijk ten onrechte geen onderdeel is van het groepsrisico. Het bestemmingsplan Provenierswijs-Bentincklaan stelt: “De populatie aan weerszijden van het spoor (ten noorden het plangebied ProvenierswijkBentincklaan, ten zuiden RCD) maakt deel uit van hetzelfde groepsrisico. Dit betekent dat het berekende groepsrisico in de plansituatie Provenierswijk-Bentincklaan gelijk is aan het berekende groepsrisico van RCD en dit de waarde is van 2,3 maal de oriëntatiewaarde.” Reactie: Het is niet expliciet vermeld in het onderzoek Externe Veiligheid, maar de Provenierswijk is wel meegenomen in het groepsrisicomodel. De populatie van de Provenierswijk zit in alle groepsrisicoberekeningen van alle ruimtelijke scenario’s en deze zijn uitgevoerd conform de Handleiding Risicoanalyse Transport. In het externe veiligheidsonderzoek voor het bestemmingsplan Provenierswijk-Bentincklaan is gerekend met de ontwikkelingen van het bestemmingsplan Rotterdam Central District (dat is ook inclusief Schiekadeblok) en is het groepsrisico 2,3 maal de oriënterende waarde.

Deze conclusie is ook getrokken in het externe veiligheidsonderzoek voor Rotterdam Central District. In dit onderzoek zijn echter nog twee scenario’s doorgerekend, namelijk de bijdrage aan het groepsrisico als gevolg van de ontwikkelingen in bestemmingsplan RCD (van 0,4 naar 0,47 maal de oriëntatiewaarde) en het toekomstige groepsrisico inclusief worst case aanname voor de ontwikkeling van Pompenburg (3,2 maal de oriëntatiewaarde). Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.12 Groene daken Reclamant merkt op dat in de bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat groene daken niet worden meegeteld als compensatie voor de verharding. Dit is niet in lijn met andere ontwerpbestemmingsplannen waarin groene daken continu als oplossing en/of maatregel worden gebruikt als compensatie voor verharding om zo te voldoen aan de duurzaamheidsregels. Reactie: Een groen dak is niet zondermeer geschikt voor de berging van regenwater. Dus een groen dak kan niet zomaar worden meegeteld als compensatie voor verharding. Elk groen dak levert wel een bijdrage aan duurzaamheidsdoelen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Naar aanleiding van deze zienswijze bleek dat de watertoets die ter inzage lag, een conceptversie was. Wij stellen u voor om de watertoets aan te vullen en toe te voegen aan het bestemmingsplan.

Zie ambtshalve wijziging A5.

32

Uit de watertoets blijkt dat, als gevolg van het mogelijk maken van een nieuw gebouw door middel van bestemming ‘Gemengd-2’, watercompensatie noodzakelijk is. Aan de bebouwingsnormen van ‘Gemengd-2’ wordt toegevoegd dat er in het gebouw tenminste 87 m3 waterberging wordt gerealiseerd. Zie ambtshalve wijziging A9. 11.13 Te weinig groen in plangebied Reclamant merkt op dat er een (water)compensatieplicht bestaat. Met deze wateropgave mag, op grond van het ontwerpbestemmingplan, groen worden vervangen voor water zonder dat hiervoor een vergunningplicht geldt. De hoeveelheid groen kan volgens reclamant dus nog kleiner worden dan is vermeld in het ontwerpbestemmingsplan. Dit voldoet niet aan de ambitie “meer groen in de stad”. Reactie: In de regels mag groen worden omgezet in water maar ook de bestemmingen ‘Verkeer – Wegverkeer’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ bieden deze flexibiliteit. Het omzetten van groen in water is niet zondermeer in tegenspraak met de ambitie ‘meer groen in de stad’. Ook water kan bijdragen aan een groene leefomgeving, meer biodiversiteit en een goede ecologische structuur. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.14 Verdwijnen groen heeft invloed op fauna Reclamant stelt dat het verdwijnen van groen als gevolg van de wateropgave een negatief effect heeft op het leef- en/of foerageergebied van de aanwezige (beschermde) fauna.

Reactie: Uit de Flora- en faunatoets blijkt dat effecten op beschermde soorten uitgesloten zijn. Het verdwijnen van groen kan leiden tot negatieve effecten op flora en fauna in het algemeen maar leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.15 Ontbreken uitvoerig flora- en faunaonderzoek Reclamant is van mening dat er vanaf 2004 nooit een serieus (veld) onderzoek is gedaan conform de Wet natuurbescherming naar de aanwezigheid van beschermde flora en/of fauna in RCD. Volgens reclamant geeft de gemeente zelf regelmatig aan dat er onderzoek moet worden gedaan en dat er ontheffingen moeten worden aangevraagd bij de Provincie Zuid-Holland vanwege de aanwezig (of groot vermoeden van) (zeer) beschermde flora en fauna. Reactie: In de flora- en faunatoets die is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan is geconcludeerd, op basis van veldonderzoek, dat er, naast het Unilevergebouw, geen andere potenties zijn voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het ecologisch onderzoek voldoet aan de eisen. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning zal opnieuw onderzoek worden gedaan in het kader van de Wet natuurbescherming naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Op basis van dat onderzoek zal worden beoordeeld of er een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming nodig is. Op grond van de resultaten van het flora- en 33

faunaonderzoek dat voor dit bestemmingsplan is uitgevoerd, is de verwachten dat een ontheffing van de Wnb niet nodig is vanwege een gebrek aan potentie voor vaste rusten verblijfsplaatsen. Naar aanleiding van deze zienswijze is aanvullend veldonderzoek gedaan naar de plint onder het spoor naast de locatie waar het Tree House is bestemd. Deze plint zal worden gesloopt ten behoeve van het nieuwe gebouw. Geconcludeerd is dat de gevel van de plint ongeschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Wij stellen u voor om het flora- en faunaonderzoek aan te vullen met de bevindingen uit het aanvullende veldonderzoek. Zie ambtshalve wijziging A10. 11.16 Salamitactiek en MER Reclamant merkt op dat het ontwerpbestemmingsplan niet alle (hoogbouw)ontwikkelingen in RCD bevat. Zo is het Schiekadeblok, het Groothandelsgebouw en Weenapoint/First/The Modernist uit het plangebied gehaald zonder dat dit goed is gemotiveerd. Hierdoor wordt de milieueffecten van heel RCD niet integraal onderzocht. Dit wekt volgens reclamant de schijn dat wordt beoogd om de milieueffecten te verkleinen om bepaalde waarden binnen bepaalde normen te krijgen.

De “weggeknipte” hoogbouwontwikkelingen en/of gebieden grenzen aan dit plangebied waardoor ook die ontwikkelingen invloed hebben op het milieu in (de omgeving van) het plangebied. Reclamant stelt dat het plangebied niet kleiner mag worden gemaakt om zodoende dit plangebied los te koppelen van de overige hoogbouwontwikkelingen en bijvoorbeeld de directe omgeving zoals de Provenierswijk en Pompenburg. Ook de hoogbouw ontwikkeling in ZoHo wordt niet meegenomen. Reclamant verwijst in haar zienswijze naar het bezwaar tegen het m.e.r.beoordelingsbesluit dat als bijlage bij de zienswijze is gevoegd. Reclamant voegt er nog aan toe dat bij de m.e.r.-beoordeling getoetst dient te worden op alle aspecten van bijlage III van de MER-richtlijn. Deze criteria moeten cumulatief en in samenhang worden beoordeeld. Reclamant is van mening dat deze beoordeling niet is gemaakt op basis van de richtlijn. Er is slechts geconstateerd dat bepaalde volume grootheden niet worden geraakt. In deze overweging zijn ook nog eens, zonder dit te motiveren, essentiële projecten niet meegenomen omdat deze niet in dit ontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen.

Volgens de richtlijn mag dit niet en moet de conclusie zijn dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij dit ontwerpbestemmingsplan moet worden vernietigd en dat er alsnog een MER opgesteld moet worden alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld Reactie: De plangrenzen van het bestemmingsplangebied zijn zorgvuldig gekozen. In de Structuurvisie RCD is al aangegeven dat de gebiedsontwikkeling wordt uitgewerkt in meerdere bestemmingsplannen. De plangrenzen van dit bestemmingsplan zijn dan ook niet ingegeven vanuit de gedachte om ontwikkelingen op te knippen, maar bepaald aan de hand van de faseringsindeling. De gemeente is van oordeel dat de ontwikkelingen die reclamant noemt, geen samenhang vertonen met de ontwikkelingen die het bestemmingsplan RCD mogelijk maakt, en dat derhalve geen sprake is van het opknippen van ontwikkelingen met als 34

doel geen MER te hoeven maken. De ontwikkelingen moeten los van elkaar worden bezien, ze zijn niet afhankelijk van elkaar in de uitvoering of in de fasering. Er is ook geen sprake van een bepaalde volgorde dat de ontwikkelingen uitgevoerd moeten worden. Het is bijvoorbeeld niet zo dat het Schiekadeblok niet wordt ontwikkeld als het Tree House er niet komt, of andersom. Daarnaast maken de ontwikkelingen geen deel uit van dezelfde grondexploitatie en is er geen financiële afhankelijkheid tussen de verschillende ontwikkelingen. Voor de, door reclamant genoemde, ontwikkelingen geldt dat voor de ontwikkellocaties nabij de Conradstraat, het Schiekadeblok, Pompenburg en het Zomerhofkwartier nog geen concrete uitwerkingen zijn opgesteld. Bovendien is nog onduidelijk wanneer de genoemde ontwikkelingen planologisch worden vastgelegd, dan wel worden gerealiseerd. Samengevat vertonen de ontwikkelingen geen samenhang met het bestemmingsplan RCD en bovendien zijn de ontwikkelingen, de omvang ervan en de milieueffecten, onvoldoende voorzienbaar op grond waarvan bij de ontwikkelingen in het bestemmingsplan RCD hiermee rekening zou moeten worden gehouden. Het m.e.r.beoordelingsbesluit gaat dus uit van juiste uitgangspunten. Er is geen sprake van het opknippen van ontwikkelingen om tot gunstigere resultaten te komen.

Het m.e.r.beoordelingsbesluit is niet in strijd met de eisen van bijlage III van de MER-richtlijn. Los daarvan, heeft de gemeente wel onderzocht wat de milieueffecten zijn van de totale beoogde gebiedsontwikkeling van RCD. Ten behoeve van de gebiedsontwikkeling van Rotterdam Central District is in 2011 een structuurvisie vastgesteld. De milieueffecten van de totale gebiedsontwikkeling zijn destijds in beeld gebracht door middel van een planMER. De structuurvisie vormt het kader voor vervolgbesluiten zoals gedetailleerdere uitwerking van de ontwikkelingen in bestemmingsplannen. Vanwege verschillende redenen (fasering, financieel, organisatorisch) wordt de gebiedsontwikkeling van RCD via meerdere bestemmingsplannen mogelijk gemaakt. Het totaal van de ontwikkelingsruimte in de afzonderlijke bestemmingsplannen valt binnen het totaal dat is onderzocht in de structuurvisie en in de planMER. Daarmee blijft de conclusie uit de visie, dat door verdichting in Rotterdam Central District negatieve effecten kunnen worden verwacht door toename van meer bewoners, werknemers en autoverkeer maar dat de totaal ontwikkeling past binnen de wettelijke milieunormen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.17 Salamitactiek in relatie tot het groepsrisico De Provincie Zuid-Holland uit volgens reclamant ook kritiek op het toepassen van salamitactiek.

De gemeente heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op deze kritiek. Door deze salamitactiek wordt het groepsrisico verdrievoudigd, waardoor er levens in gevaar komen. Dat mag volgens reclamant niet het gevolg zijn van het “wegknippen” van ontwikkelingen uit het plangebied. Reactie: De Provincie Zuid-Holland heeft tijdens het vooroverleg gevraagd om de stijging van het groepsrisico met in achtname van de ontwikkelingen in het Schiekadeblok en Pompenburg te motiveren. In hun zienswijze blijkt geen kritiek op vermeende salamitactiek. Als gevolg van het toevoegen van bebouwing stijgt het groepsrisico, daarom is in het bestemmingsplan aandacht besteed aan de effecten van een 35

incident op het spoor en door regels op te nemen met betrekking tot zelfredzaamheid, ontvluchtingsmogelijkheden en schuilgelegenheden. De stijging van het groepsrisico door de totaalontwikkeling van RCD, Schiekadeblok en Pompenburg naast het spoor is toegelicht in paragraaf ‘Verantwoording groepsrisico’ in het ontwerpbestemmingsplan. Tijdens de periode dat het bestemmingsplan ter inzage lag, is ontwerpbestemmingsplan ook aangeboden aan de Provincie voor advies. De Provincie is akkoord met de motivering voor de stijging van het groepsrisico. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.18 Wand 200-meter torens Weena-zuid Reclamant merkt op dat ook niet aan de onderzoekplicht is voldaan als het gaat om het vigerende bestemmingsplan Lijnbaankwartier-Coolsingel. Daar wordt een wand van torens van 200 meter mogelijk gemaakt, maar ook daarvan zijn de cumulatieve milieueffecten niet onderzocht als je kijkt naar verhouding, verkeersbewegingen, stikstof, afvalwater en bezonning. Reactie: In de zienswijzenbeantwoording van bestemmingsplan Rotterdam Central District wordt niet ingegaan op de inhoud van omringende bestemmingsplannen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze voor kennisgeving aan te nemen. 11.19 Milieueffecten The Modernist niet meegenomen Reclamant merkt op dat de torens van de ontwikkeling The Modernist is verhoogd van 100 naar 125 meter.

Deze extra meters zijn niet onderzocht toen de ontwikkeling destijds mogelijk werd gemaakt. De cumulatieve milieueffecten van de extra meters worden hierdoor genegeerd. Deze extra meters zorgen tevens voor negatieve milieueffecten in dit plangebied, denk aan afvalwater, aantasting van foerageergebied van vleermuizen, extra verkeer over de Weena, extra schaduwhinder etc. Deze effecten worden niet meegenomen of benoemd in het ontwerpbestemmingsplan. Reactie: De aanpassing van de ontwikkeling The Modernist betreft een beperkte afwijkingen van het bestemmingsplan “Weenapoint”. De omvang van het project in relatie tot wat er al mogelijk is gemaakt in het bestemmingsplan is zeer beperkt. Er is geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking vanwege deze aanpassing. De ophoging van de toren is meegenomen in de verkeerscijfers en het bezonningsonderzoek dat voor dit bestemmingsplan is uitgevoerd. De wijziging van de bouwhoogte leidt niet tot extra verharding of aantasting van de flora en fauna. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.20 Niet transparant over hoogbouw en extra woningen Reclamant stelt, samengevat, dat de gemeente niet transparant is over de hoogbouw die mogelijk wordt gemaakt met het ontwerpbestemmingsplan.

Zo worden er woningen in het gebouw van Nationale Nederlanden mogelijk gemaakt tot 151 meter, zijn er gesprekken over een woontoren boven het Albeda-college aan het Weena en wordt er straks een (woon)toren toegestaan van 200 meter op het

36

Groothandelsgebouw. De eerste vergunningen voor meerdere woonappartementen in het Groothandelsgebouw zijn al aangevraagd. Reactie: In bestemmingsplan Rotterdam Central District worden woningen mogelijk gemaakt in de nieuwe ontwikkeling Tree House en ter plaatse van het huidige kantoor van Unilever. In bestemmingsplan Rotterdam Central District zijn geen woningen mogelijk gemaakt in het gebouw Delftse Poort (Nationale Nederlanden), wel is de mogelijkheid akoestisch onderzocht. In de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen dat er toekomstige ontwikkelingen denkbaar zijn aan de Conradstraat en ter plaatse van het Albeda College. Voor ontwikkelmogelijkheden aan deze zijde van het station wordt een aanvullende stedenbouwkundige studie verricht en worden in dit bestemmingsplan geen concrete ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Zie ook de reactie op zienswijze 3.2. Er zijn geen vergunningen verstrekt voor de ontwikkeling van woningen in het Groot Handelsgebouw. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.21 Tree House voldoet niet normen voor externe veiligheid Volgens reclamant kan het Tree House volgens de normen van externe veiligheid niet worden gerealiseerd. Reactie: Uit het onderzoek naar de externe veiligheid blijkt dat het Tree House niet valt binnen de plaatsgebonden risicocontour en dat het groepsrisico onder de oriënterende waarde blijft.

Wel ligt het Tree House binnen het plasbrandaandachtsgebied. Op basis van het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat het gebouw moet voldoen aan de constructieve eisen uit de Regeling Bouwbesluit 2012. Deze eisen zorgen ervoor dat in geval van een plasbrand het gebouw zodanig ontworpen is dat iedereen tijdig en veilig kan ontvluchten. Daarmee voldoet het Tree House aan de normen voor externe veiligheid. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.22 Tree House voldoet niet aan normen voor geluid Volgens reclamant kan het Tree House volgens de geluidnormen en het gemeentelijke ontheffingenbeleid niet worden gerealiseerd. Reactie: Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het Tree House een overschrijding heeft van de maximaal toegestane geluidwaarden op de lagere verdiepingen als gevolg van het emplacement. Daarom is in de regels uitgesloten dat op deze bouwlagen woningen mogen worden gebouwd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt tevens dat bij een deel van de woningen geen sprake zal zijn van een geluidluwe gevel of buitenruimte. Daarmee voldoet het plan niet aan Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam. In de woningen is wel sprake van een goed akoestisch klimaat.

In het ontwerpbesluit hogere waarden Wet geluidhinder is aangegeven dat voor het Tree House afgeweken wordt van de voorwaarden uit het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder. Er is gemotiveerd dat ondanks het ontbreken van een geluidluwe gevel of buitenruimte, 37

wonen deze locatie een hoogstedelijke kwaliteit heeft en bijdraagt aan de woningopgave. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.23 Afspraak over hoogte Tree House wordt niet nagekomen Reclamant stelt dat er niet aan de afspraken met de Provenierswijk wordt voldaan. Zo wordt de belofte van wethouder Hulman (2006) dat het Tree House maximaal 130 meter hoog wordt, niet nagekomen. Wethouder Simons heeft overigens in 2018 gezegd dat met de bouw van het Tree House rekening wordt gehouden met de Provenierswijk en de toren daarom wordt verlaagd van 150 naar 140 meter. Reclamant doet dit af als fake news. Reactie: De maximale hoogte van Tree House, 140 meter, was gebaseerd op het schema met de maximale bouwhoogten in de Structuurvisie Rotterdam Central District. Zie de reactie op zienswijze 3.1 en ambtshalve wijziging A2. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.24 Randvoorwaarden uit Ambitiedocument Tree House niet opgevolgd Reclamant stelt dat het Tree House niet voldoet aan de randvoorwaarden die zijn beschreven in het ambitiedocument voor deze ontwikkeling. Gaandeweg de procedure is het gebouw gegroeid en dus in tegenspraak met de tender. Het Tree House wordt massiever dan de gemeente zelf in haar voorwaarde heeft gesteld en heeft daarmee een grotere impact op de omgeving, waaronder meer schaduw.

Reactie: Zie de reactie op zienswijze 10.13 Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.25 Windhinderonderzoek voldoet niet aan eisen Reclamant stelt dat het winderhinderonderzoek niet aan de gestelde eisen van het ambitiedocument tender Delftseplein voldoet. Zo is er geen windtunnelonderzoek uitgevoerd, terwijl in het ambitiedocument staat dat moet worden aangetoond dat het gebouw voldoen aan de comfort-eisen in de buitenruimte, inclusief de gebruikers van perron 1; dit is ook nodig voor het krijgen van een vergunning van NS/ProRail om te kunnen bouwen in de nabijheid van het spoor. Hier is geen rekening mee gehouden in het windhinderonderzoek. Daarmee is het onderzoek onvolledig. Reactie: Er is een computersimulatie gedaan op basis van het op dat moment bekende ontwerp van Tree House en de globale volumes voor eventuele nieuwbouw op de locaties Delftse Poort en het Unilevergebouw. Dit onderzoek is uitgevoerd volgens ‘NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’. In het stadium van het bestemmingsplan betreft het een globale toetsing van het windklimaat op straat en op het perron. Het windklimaat op perron 1 is niet expliciet benoemd in de rapportage maar is wel onderzocht. Uit het windonderzoek blijkt dat op perron 1 een afname te verwachten is van de windhinder door de afschermende 38

werking van het Tree House, Bij de uitwerking van de ontwerpen van de gebouwen, zal een gedetailleerder onderzoek plaatsvinden om windhinder op straat en het perron inzichtelijk te maken. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.26 Procedure Tree House verkeerd doorlopen Reclamant is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan door middel van een verkeerd doorlopen procedure tot stand is gekomen. Hierdoor zijn er onduidelijkheden ontstaan met betrekking tot de maatvoering en plaats van het Tree House. Daarnaast heeft de gemeente zich middels de tender en de daarna tot stand gekomen overeenkomst met Provast civielrechtelijk gebonden terwijl de juiste bestemmingsplanprocedure inclusief inspraak van burgers, indiening zienswijze én motivering van de afwegingen in het bestemmingsplan niet waren doorlopen. Reactie: Zie de reactie op zienswijze 10.8. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.27 Geen scheiding tussen Tree House ontwikkelaar en gemeente Reclamant is van mening dat er geen passende functiescheiding is tussen de verplichtingen voor de initiatiefnemer en die van het bevoegd gezag. Hierdoor ontstaat er een belangenconflict. De gemeente wil kosten wat het kost dat het Tree House gerealiseerd wordt en dan andere hoogbouwontwikkelingen doorgaan, ongeacht of er effecten optreden voor mens, dier, huizen en omgeving.

Reactie: Door middel van de onderzoeken bij dit bestemmingsplan is inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn van de bouw van Tree House. Daarmee kan de gemeenteraad een afweging maken tussen de verschillende belangen. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.28 Verkeerde proces Reclamant verwijst in haar zienswijze naar het bezwaar tegen het m.e.r.beoordelingsbesluit dat als bijlage bij de zienswijze is gevoegd. Reclamanten meent dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit vernietigd moet worden merkt op dat in het kader van het m.e.r.-beoordelingsproces de wettelijk geborgde checks and balances niet zijn nageleefd. Zij wijzen erop dat gemeente zelf het voorzitterschap en zwaarwegende stemrechten van het bestuur van DCMR bekleedt waardoor B&W niet heeft gehandeld overeenkomstig hun wettelijke verplichting. Reactie: De DCMR zorgt voor een onafhankelijke toetsing van de milieuonderzoeken en de voorbereiding van het m.e.r.-boordelingsbesluit dat het college van B&W vaststelt. Met deze passende scheiding wordt voorkomen dat de gemeente Rotterdam zijn eigen besluit voorbereidt en vaststelt.

39

Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

11.29 Ook MER-plicht onder drempelwaarde Reclamant verwijst in haar zienswijze naar het bezwaar tegen het m.e.r.beoordelingsbesluit dat als bijlage bij de zienswijze is gevoegd. Reclamant meent dat er nog altijd een MER nodig kan zijn, ook als de drempelwaarden niet worden overschreden, maar wel belangrijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Er worden grote bomen gekapt en beschermde vleermuizen verdreven. Reclamant onderbouwt met bijlagen waarom er volgens haar sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten. Reclamant stelt dat er belangrijke negatieve effecten te verwachten zijn op het gebied van geluid, (grond)water, aantasting cultureel erfgoed en externe veiligheid. Ook zijn er negatieve effecten te verwachten als het gaat om geluid als het gevolg van een verleende omgevingsvergunning bij CS, bezonning, flora en fauna en lucht, stikstof en Natura2000. Reclamant verwijst naar (1) het bezwaarschrift tegen een tijdelijke expeditie-ruimte voor het laden en lossen van Rotterdam CS, waar zij uitgebreid ingaat op het onderwerp geluid, (2) de bijlage over bezonning, (3) het bezwaarschrift tegen de kapvergunning van de bomen op het Delftseplein waar wordt ingegaan op flora en fauna en (4) naar een bijlage over de aspecten lucht, stikstof en Natura2000.

Reactie: Reclamant stelt terecht dat een MER nodig kan zijn, ook als de drempelwaarden niet worden overschreden, maar wel belangrijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Voor bestemmingsplan Rotterdam Central District is geconcludeerd dat de ontwikkelingen bij elkaar opgeteld onder de drempelwaarde liggen. In het m.e.r.beoordelingsbesluit is op basis van de resultaten van de uitgebreide milieuonderzoeken geconstateerd dat voor dit bestemmingsplan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te voorzien. Daarom is voor dit bestemmingsplan geen MER nodig. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.30 Ambities in strijd met beleid Reclamant merkt op dat in het ontwerpbestemmingsplan wordt verwezen naar diverse rijks-, provinciale en gemeentelijke doelen omtrent wonen, leven en milieu. Reclamant stelt dat deze doelen en ambities niet gelden voor de Provenierswijk. Sinds de start van de RCD-ontwikkelingen in 2004 ervaart de Provenierswijk (onomkeerbare) negatieve milieueffecten. Reclamant stelt dat de Provenierswijk nooit serieus wordt meegenomen in onderzoeken, worden bij onderzoeken uitgegaan van de autonome situatie en worden alle negatieve effecten onder de bank geschoven. Zo is dat ook gebeurd met veel onderzoeken die aan eerdere ontwikkelingen ten grondslag liggen dan aan dit ontwerpbestemmingsplan.

Reclamant geeft in haar zienswijze een aantal voorbeelden. De ontwikkelingen die dit ontwerpbestemmingsplan mogelijk maken, verergeren de al bestaande milieuproblematiek in de Provenierswijk. De doelen en ambities om een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving te waarborgen, gelden niet voor de Provenierswijk. Reactie: 40

In het kader van dit bestemmingsplan is al het beleid dat van toepassing is op Rotterdam Central District betrokken. Daarnaast zijn onderzoeken uitgevoerd naar milieuaspecten. Dit uitgebreide onderzoek is toegevoegd aan het bestemmingsplan en op sommige onderdelen geactualiseerd. Alle aspecten afwegend, komt de gemeente tot de conclusie dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat belangen van omwonenden niet onevenredig wordt geschaad door de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 11.31 Onomkeerbare milieueffecten voor Provenierswijk Reclamant stelt dat de extra schaduwhinder op de woningen in de Provenierswijk, negatieve effecten hebben op het woon- en leefklimaat en leidt tot onomkeerbare negatieve (milieu)effecten. Zo zouden de kosten voor gas en elektriciteit stijgen, wordt de gezondheid en het geluk van de bewoners aangetast, vermindert de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de straten, flora en fauna zal lastiger overleven door afname van zonlicht en de bewoners kunnen niet meedoen aan verduurzamingsplannen zoals het plaatsen van zonnepanelen. Reactie: Zie de reactie op zienswijze 10.19. Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren.

11.32 Geen nut en noodzaak voor kantoren Reclamant is van mening dat er geen noodzaak meer is om dit ontwerpbestemmingsplan vast te stellen vanwege de situatie rondom Covid-19. Kantoren worden veel minder nuttig omdat via een digitale verbinding kan worden gewerkt. Daarmee wordt leegstand heel reëel. Tegelijkertijd hebben bewoners van een woning meer behoefte aan afgescheiden ruimtes. De markt voor kantoren krimpt en er ontstaat een markt voor grotere woningen, het liefst met tuin. Reactie: In de jaren voor de uitbraak van de corona/Covid-19-crisis zijn veel bedrijven naar het Rotterdam Central District gekomen vanwege de uitstekende bereikbaarheid per openbaar vervoer en aanwezigheid van voorzieningen en andere bedrijven. Vanwege deze goede locatie hebben de gemeente en de provincie Zuid-Holland het Rotterdam Central District aangewezen als prioritair concentratiegebied voor kantoren. Hoewel momenteel niet goed is te voorzien hoe de kantorenmarkt zich op korte termijn ontwikkelt, blijkt er nog steeds behoefte te blijven aan nieuwe kwalitatieve kantoren bij een openbaarvervoerknooppunt. In de optiek van de gemeente is er daarom sprake van een evenwichtige ontwikkeling omdat in Rotterdam Central District er een relatief beperkte toevoeging komt aan kantoren en er ook veel woningen mogelijk worden gemaakt, in dit bestemmingsplan en andere (toekomstige) bestemmingsplannen.

Voorstel: Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Bezonning Onderstaande zienswijzen hebben betrekking op de bezonning. Reclamant 11 heeft dezelfde bijlage bij de zienswijze gevoegd als de reclamant 10 ten aanzien van 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7180f33a-b8fa-4973-9439-2092e846a965