CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20bb18774 Bijlage 1 behorende bij 21bb2532 over Rotterdam Central District ontwerpbestemmingsplan

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 24. Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Rotterdam Central District’.35.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.

41

Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico Rotterdam, vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juli 2011. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Rotterdam probeert deze ambitie in drie stappen te bereiken: 1. 2. 3.

Door te streven naar een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Als dat niet haalbaar is wordt er naar gestreefd het GR niet toe te laten nemen. Indien dit niet realistisch is, wordt bezien of het mogelijk is om door middel van maatwerk tot een zo verantwoord mogelijk GR te komen.

Inhoudelijke afweging groepsrisico De kerngedachte bij de verantwoording is: hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording en daarmee ook de inhoudelijke betrokkenheid van het bestuur en de omvang van de te nemen maatregelen. Bij de verantwoording groepsrisico worden drie categorieën onderscheiden: licht, middel en zwaar. De zwaarte uit zich in de omvang van de onderbouwing, de inzet van betrokken partijen, de mate van betrokkenheid van het bestuur en de voorgeschreven maatregelen ten behoeve van hulpverlening en rampvoorbereiding. De hoogte van het groepsrisico bepaalt in welke categorie een besluit wordt geplaatst. Het vernieuwende in deze aanpak is een directe koppeling tussen de ernst en de omvang van risico's en de zwaarte en uitgebreidheid van het verantwoordingsproces en de bestuurlijke afweging. Ten behoeve van een goede beoordeling moet ook gekeken worden naar de omvang van de stijging van het groepsrisico, het maatgevende ongevalsscenario, kenmerken van de populatie en de capaciteit van hulpverlening. Een zware en middelzware verantwoording worden uitgewerkt in een verantwoordingsdocument waarvan het bestuur in het kader van de besluitvorming expliciet op de hoogte wordt gebracht.

Voor de onderverdeling in licht, middel en zware verantwoording worden de volgende grenzen gehanteerd voor de waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Licht

Het groepsrisico is groter dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde maar kleiner dan of gelijke aan 0,3 maal de oriënterende waarde

Middel Het groepsrisico is groter dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde maar kleiner dan of gelijk aan 1,0 maal de oriëntatiewaarde Zwaar

Het groepsrisico is groter dan 1,0 maal de oriëntatiewaarde

Categorie-indeling verantwoording

Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

42

6.8.1

Onderzoek risico externe veiligheid

Door het centrum van Rotterdam loopt de spoorverbinding met Gouda. Het station Rotterdam Centraal wordt, behalve voor passagierstreinen, ook gebruikt voor doorgaande goederentreinen, een deel daarvan vervoert gevaarlijke stoffen. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is de externe veiligheidssituatie van het spoorvervoer van gevaarlijke stoffen van belang. Binnen het plangebied zijn de ontwikkellocaties Delftseplein, Delftse Poort en Unilever meegenomen. Buiten het plangebied worden in de komende jaren de locaties Schiekadeblok en Pompenburg ontwikkeld. Deze ontwikkelingen worden meegenomen in het eindbeeld van 2030. Uitvoeringsovereenkomst tussen Rijk en Rotterdam Voor de ontwikkelingen in het RCD is een structuurvisie en een milieueffectrapport (MER) gemaakt. Als onderdeel van het MER is een extern veiligheidsonderzoek verricht. Het RCD behoort tot de Nationale Sleutelprojecten (NSP) van het Rijk. Dit zijn grote infrastructurele spoorprojecten in gebieden waar ook grote gebiedsontwikkelingen plaatsvinden. In de Uitvoeringsovereenkomst (UOK) van 31 maart 2006 is tussen het Rijk en Rotterdam een bestuurlijke afspraak gemaakt over de maximale hoogte van het groepsrisico. Afgesproken is dat het groepsrisico voor het RCD gebied niet hoger zal zijn dan 5,4 maal de oriënterende waarde met een inspanningverplichting van 15% reductie.

De afspraken uit de bestuursovereenkomst zijn door de Minister van VROM in een brief van 13 augustus 2008 nogmaals bevestigd aan de toenmalige Wethouder Baljeu van Rotterdam. De Minister schrijft in die brief dat de in de UOK afgesproken risicoruimte randvoorwaardelijk zal gelden voor het Basisnet Spoor. Door het Ministerie van I&M is op 3 februari 2011 aan Rotterdam schriftelijk medegedeeld dat indien het Basisnet wettelijk wordt vastgelegd, het groepsrisico valt binnen de afspraken in de UOK. Groepsrisico gebiedsontwikkeling RCD Door het college van B&W is op 27 september 2011 een expliciet besluit genomen ten aanzien van het groepsrisico van de RCD gebiedsontwikkeling. Het college heeft besloten dat het toekomstige groepsrisico na realisatie van de bouwlocaties van RCD niet meer mag bedragen dan 5,2 maal de oriënterende waarde, gelet op het belang van de ontwikkelingen en de maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en hulpverlening. 6.8.2

Transport gevaarlijke stoffen over rail

Het maximale aantal transporten van gevaarlijke stoffen per categorie en per traject is vastgelegd in de Regeling basisnet. Het betreft in dit geval delen van de spoortracés Rotterdam-Lombardijen tot Rotterdam-CS en Rotterdam-CS tot Rotterdam-Blijdorp. Plaatsgebonden risico In de toekomst is de plaatsgebonden risico (PR) 10-6 contour dezelfde als in de huidige situatie, de ligging van de spoorbundel verandert niet (Regeling basisnet). Het plafond van het plaatsgebonden risico (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten vanaf het midden van het spoor en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR plafond van spoortracés Rotterdam-Lombardijen tot Rotterdam-CS en Rotterdam-CS tot Rotterdam-Blijdorp) bedraagt volgens de Regeling basisnet maximaal 7 meter (gemeten uit het midden van het spoor). Aangezien de spoorbundel in het plangebied breder is dan 7 meter is er in de bestaande situatie geen knelpunt ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten en ook niet ten aanzien van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Groepsrisico Voor het berekenen van het groepsrisico is een rekenmodel gemaakt met het in de Handleiding risicoanalyse transport (HART) voorgeschreven programma RBM-II (versie 2.3). Uitgangspunten voor de risicoberekening zijn: Ÿ de verdeling van het overige transport over dag/nacht is 33%/67%; Ÿ vervoer 7 dagen per week;

43

Ÿ

de modellering is overeenkomstig de parameters die in de Regeling basisnet zijn voorgeschreven voor dit spoorvak (bijlage van de Regeling basisnet: “Bijlage 2: Tabel Basisnet Spoor”), belangrijk hierbij is dat de rijsnelheid overal kleiner dan 40 km/uur, behalve op het spoortraject tussen het Schiekadeblok en de ingang van de Willemsspoortunnel waar de toegestane snelheid groter is dan 40 km/uur. De huidige aanwezigheid in het studiegebied is geïnventariseerd. Er is onderscheid gemaakt tussen bewoners, werkenden (kantoren en commerciële functies), voorzieningen, horeca (evenementen) en onderwijs. Het aantal aanwezigen in de bouwblokken het studiegebied in de dag- en de nachtperiode berekend conform de Handleiding risicoanalyse transport. Huidige situatie Het groepsrisico bedraagt in de huidige ruimtelijke situatie 0,40 maal (40% van) de oriëntatiewaarde. Toekomstige situatie bestemmingsplan In de plansituatie wordt in totaal maximaal 119.500 m2 programma aan het gebied toegevoegd. In de worstcase situatie zijn dat in totaal 1195 woningen (1 per 100 m2) en geen andere functies. Het groepsrisico neemt toe ten opzichte van de huidige ruimtelijk situatie en bedraagt 0,47 maal de oriëntatiewaarde.

Toekomstige situatie omringende ontwikkelingen In de toekomst kan, rekening houdend met de ontwikkelingen binnen de plangebieden Schiekadeblok en Pompenburg, het groepsrisico toenemen tot (indicatief) 3,2 maal (320% van) de oriëntatiewaarde. Deze waarde voldoet aan de UOK afspraak (groepsrisico wordt niet hoger dan 5,4 maal de oriënterende waarde met een inspanningverplichting van 15% reductie). Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter vanaf de rand van het spoor. Van de voorgenomen ontwikkelingen ligt alleen de ontwikkeling aan het Delftseplein binnen het plasbrandaandachtsgebied. Maatregelen zijn noodzakelijk op grond van het Bouwbesluit. Zeer kwetsbare bestemmingen In het "Externe veiligheidsbeleid" (2013) van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) is een onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare objecten.

Volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (artikel 1, eerste lid, onderdeel l) worden zowel een groot kantoorgebouw (groter dan 1500 m2) als een kinderdagverblijf als kwetsbare objecten aangemerkt. Dit terwijl vanuit zelfredzaamheid een wezenlijk verschil bestaat tussen kantoorpersoneel en kinderen in de leeftijd van 0 tot 8 jaar. Om daar een nuance in te maken wordt door de VRR onderscheid gemaakt in de functie die een bestemming heeft. Zo wordt door de VRR een kantoorpand als kwetsbaar aangemerkt en een kinderdagverblijf als "zeer” kwetsbaar. Dit vanwege het verschil in de mate van zelfredzaamheid van de beide gebruikersgroepen. Zelfredzaamheid bij rampen en crises wordt als volgt gedefinieerd: “zelfredzaamheid is het vermogen van burgers om zichzelf en anderen te helpen voor, tijdens en na crises”. De geoperationaliseerde definitie is als volgt verwoord: “Preventieve en repressieve handelingen van burgers om zichzelf voor te bereiden op, en zichzelf en anderen in veiligheid te brengen tijdens een fysiek onveilige situatie’ Onder zelfredzame personen worden doorgaans de volgende personen verstaan: - Werkzame personen in en rondom gebouwen (bedrijven, verzorgingstehuizen, inrichtingen, instellingen, scholen (leeftijd van 16 jaar en ouder)) - Scholieren en studenten (leeftijd van 12 jaar en ouder).

- Leerlingen regulier basisonderwijs (leeftijd van 8 t/m 12 jaar). - Personen die zich buiten bevinden en zich zonder hulp van derden kunnen redden c.q. uit het effectgebied weg kunnen vluchten. Onder beperkt/niet-zelfredzame personen kunnen doorgaans de volgende personen worden verstaan:

44

- Kinderen in de leeftijd van 0 tot 8 jaar (KDV/MKD + speciaal en regulier onderwijs). - Leerlingen van speciaal en aangepast basisonderwijs (4 t/m 13 jaar). - Patiënten in (gesloten en/of open) psychiatrische inrichtingen. - Patiënten en bewoners van zieken-, verpleeg- en verzorgingstehuizen; - Minder validen: alle leeftijden (geestelijk en lichamelijk). De VRR hanteert in de externe veiligheidsadvisering in ieder geval de volgende uitgangspunten: - De VRR vindt het niet wenselijk om “zeer” kwetsbare objecten binnen de 100% letaliteitcontour (Azone) van het worstcase scenario (hitte- en drukeffecten) toe te staan. Personen die beperkt/nietzelfredzaam zijn kunnen niet op eigen gelegenheid het gebouw en het gebied ontvluchten. Hierdoor is de kans dat deze personen gewond raken of komen te overlijden groter dan personen die wel zelfredzaam zijn. - De VRR vindt het niet wenselijk om (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 100% letaliteitcontour (A-zone) van het meest geloofwaardige scenario (hitte- en drukeffecten) zonder noodzakelijke maatregelen toe te staan. - De VRR vindt het niet wenselijk om binnen de 100% letaliteitcontour (A-zone) van het worstcase scenario (toxisch) bestemmingen met grote groepen mensen die buiten verblijven te realiseren (sportvelden, recreatie- en evenemententerreinen).

Door de ontwikkelsnelheid van het incident is er voor de aanwezige personen een beperkte vluchtmogelijkheid. De 100% letaliteitcontour bepaalt het gebied waar 100% van de aanwezigen kan komen te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. In dit bestemmingsplan ligt de 100% letaliteitcontour op 140 meter van de rand van het spoor. Dit betekent voor alle bestaande en nieuwe gebouwen binnen deze zone dat er geen bestemmingen zijn toegestaan waar personen zijn ondergebracht die beperkt of niet zelfredzaam zijn. 6.8.3

Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico van de huidige situatie is 0,40 maal de oriëntatiewaarde. Als gevolg van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan stijgt het groeprisico naar 0,47 maal de oriëntatiewaarde. Omdat het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor groter is dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde en kleiner is dan de 1 maal de oriëntatiewaarde, valt de verantwoording van het groepsrisico in de categorie 'middel'. Het advies van de VRR, voor zover ruimtelijk relevant, is verwerkt in de regels. Aan de regels van de ontwikkeling Delftseplein (Gemengd-2) is toegevoegd dat het bouwwerk moet voldoen aan de constructieve eisen uit artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Deze eisen gelden tot 30 meter vanuit het spoor en vanaf het maaiveld tot minimaal 30 meter hoog. Hierbinnen valt onder andere ook dat er minimaal 1 uitgang van het gebouw van het spoor afgekeerd dient te zijn. Deze eisen zorgen ervoor dat in geval van een ongeval op het spoor, waarbij een plasbrand ontstaat, het gebouw zodanig ontworpen is dat iedereen het tijdig en veilig kan ontvluchten. In het Treehouse zijn geen functies toegestaan waar mensen wonen of verblijven die niet zelfredzaam zijn. Binnen de bestemming wonen is het mogelijk dat er jonge kinderen wonen maar er mag vanuit worden gegaan dat zij daar onder toezicht van een volwassene zijn.

Langs het hele spoor over een breedte van 140 meter zijn geen functies toegestaan waar zeer kwetsbare groepen verblijven. In regel 31.3 is opgenomen dat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen 120 meter vanaf het spoor een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem en lekwerende voorzieningen bij raam- en deuropeningen, dan wel een tijdelijke vluchtruimte dienen te hebben. Daarmee wordt de zelfredzaamheid van de mensen die in deze gebouwen verblijven vergroot. Hiermee is het groepsrisico van dit bestemmingsplan volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.

45

Het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling Schiekadeblok en Pompenburg kan stijgen naar 3.2 maal de oriënterende waarde. Ook in deze bestemmingsplannen worden extra maatregelen voorgesteld om de effecten van een ongeval op het spoor te verkleinen. Binnen het plasbrandaandachtsgebied worden constructieve eisen gesteld en binnen de 100% letaliteitscontour worden geen bestemmingen waar zeer kwetsbare groepen verblijven, toegestaan. De VRR wordt in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming.

6.9

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; Ÿ het behouden en ontwikkelen van natuur, Ÿ het behouden en herstellen van de biodiversiteit, Ÿ het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en Ÿ het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn.

Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.9.1

Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Geen van de ontwikkellocaties is aangemerkt als een kerngebied binnen de Rotterdamse Natuurkaart.

46

6.9.2

Natuurnetwerk Nederland

Dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft de Oude Maas op een afstand van circa 1,8 km ten zuidoosten van het plangebied. Het meest dichtbij gelegen landdeel van het NNN bevindt zich op circa 1,7 kilometer ten oosten van het bestemmingsplangebied, dit betreft het gebied De Esch. Het meest nabij gelegen Belangrijk Weidevogelgebied is de Polder Schieveen, op ca. 5,8 km ten noordwesten van het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen binnen NNN-gebieden en Belangrijke Weidevogelgebieden. Derhalve kunnen negatieve effecten op deze natuurgebieden uit worden gesloten. 6.9.3

Natura 2000-gebieden

De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas, op ca. 9,2 km afstand tot het bestemmingsplangebied en Boezems Kinderdijk op circa 12 km afstand. De aanleg en het gebruik van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan RCD kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator 2019 is een berekening uitgevoerd voor de beoogde eindsituatie met bijhorende verkeersgeneratie en de aanlegfase, om inzicht te geven in de eventuele bijdrage van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets blijkt dat tijdens de aanlegfase 543 NOx wordt uitgestoten. Tijdens de gebruiksfase is er uitstoot van NOx door het verkeer maar geen uitstoot van de nieuwe gebouwen omdat die niet worden verwarmd doormiddel van aardgas. De conclusie is dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase in de omliggende Natura 2000-gebieden geen bijdrage van stikstofdepositie is als gevolg van de emissie van het plan, ofwel niet meer dan 0,00 mol/ha/jr. De ontwikkelingen van het bestemmingsplan RCD hebben gezamenlijk geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Van verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten of een significant verstorend effect op soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, is geen sprake. 6.9.4

Soortbescherming Vogelrichtlijn

Jaarrond beschermde nesten In het bestemmingsplangebied zijn waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Dit betreffen twee waarnemingen van een foeragerende slechtvalk. Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten. In het plangebied ontbreekt bebouwing met geschikte nestplaatsen zoals dakpannen daken, ruimten in stenen gevels, grotere nissen of nestkasten. Nestplaatsen van slechtvalk zijn niet in het plangebied aanwezig. Voor een soort als huismus ontbreekt tevens geschikt functioneel leefgebied in de vorm van kruidenrijke vegetaties, hagen en/of bosschages. Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. De bomen binnen het gebied staan niet in dichte groepen, staan veelal in open terrein en in een zeer druk hoogstedelijk milieu wat aanwezigheid van boombewonende soorten uit sluit. Het plangebied wordt gebruikt als jachtgebied voor slechtvalk, echter heeft dit op voorhand geen essentiële functie. Niet jaarrond beschermde nesten In het plangebied is broedhabitat aangetroffen voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze zogeheten Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

In het bestemmingsplangebied kunnen soorten verwacht worden zoals zwarte kraai en ekster. Nestplaatsen van deze soorten zijn aangetroffen in bomen binnen het gebied. Algemene vogels Naast deze soorten kunnen algemene vogelsoorten in het bestemmingsplangebied verwacht worden, zoals de houtduif en verschillende soorten meeuwen.

47

6.9.5

Soortbescherming Habitatrichtlijn

Vleermuizen In het bestemmingsplangebied zijn gewone dwergvleermuizen (foeragerend) en een overdag ter plaatse zijnde ruige dwergvleermuis op een gevel waargenomen. Het plangebied is geschikt voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis en in mindere mate voor tweekleurige vleermuis. Tweekleurige vleermuis is in Nederland zeer zeldzaam maar aanwezigheid is niet uitgesloten. Het merendeel van de bebouwing heeft ruimten achter betonplaten, spleten in betonconstructies, ruimten in aanhechtingen tussen verschillende bouwmaterialen en een beperkt deel van de bebouwing heeft stenen muren met een luchtspouw. In de bebouwing is potentie aanwezig voor de functies zomer-, paar-, kraam-, of (massa)winterverblijfplaats. Het bestemmingsplangebied is redelijkerwijs ongeschikt voor boombewonende vleermuizen. De bomen staan in sterk verlicht habitat en hebben geen scheuren en holten die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Functioneel leefgebied voor vleermuizen is verspreid door het plangebied zeer marginaal aanwezig. Aaneengesloten groenstructuren en kleinere groenstructuren zonder verlichting zijn afwezig. Foerageergebied is hoofdzakelijk aanwezig langs de randen van de spoorlijn en het station. Vliegroutes van vleermuizen kunnen aanwezig zijn langs bomenrijen en bebouwing.

Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren uit de Habitatrichtlijn, zoals bever, noordse woelmuis en otter. Geschikt habitat in de vorm van sterk begroeide oevers en houtopstanden ontbreekt, of het plangebied ligt buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten. Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor habitatrichtlijnsoorten reptielen en amfibieën, zoals rugstreeppad, heikikker, kamsalamander en muurhagedis. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt of het plangebied ligt buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten. Vissen Open water is in het bestemmingsplangebied afwezig wat de aanwezigheid van vissen uit sluit. Overige soortgroepen Vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van overige habitatrichtlijnsoorten (zoals rivierrombout, gevlekte witsnuitlibel en groene glazenmaker) worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied. 6.9.6

Nationaal beschermde soorten

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is redelijkerwijs ongeschikt voor nationaal beschermde zoogdieren die zijn vrijgesteld van ontheffing. Geschikt habitat voor grotere zoogdieren is niet aanwezig. Het plangebied is wel geschikt voor vrijgestelde nationaal beschermde soorten. In het plangebied kunnen soorten als egel en verschillende soorten (spits)muizen worden verwacht. Vissen Open water is in het bestemmingsplangebied afwezig wat de aanwezigheid van vissen uit sluit. Reptielen en amfibieën Het plangebied is redelijkerwijs ongeschikt voor nationaal beschermde reptielen en amfibieënzowel vrijgesteld als niet vrijgesteld van ontheffing. Geschikte voortplantingswateren zijn afwezig en geschikte groenstructuren om te schuilen zijn tevens afwezig. Planten Tijdens het veldbezoek zijn binnen het bestemmingsplangebied geen beschermde planten aangetroffen. Oude (kalkrijke) muren die geschikt zijn voor muurplanten zijn afwezig. Geschikt habitat voor overige beschermde soorten is tevens afwezig. Het groen in het plangebied bestaat enkel uit (laan)bomen, gemeentelijk groen (groenperken) en gazon. Overige soortgroepen Overige nationaal beschermde soorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied.

48

6.9.7

Ontwikkelingen

Delftseplein Delftseplein is nu nog een weg met aangelegen trottoir en groenperken met aangeplante vaste planten en bomen (platanen). In de bomen zijn enkele oude nesten van Houtduif aanwezig. Potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van habitatrichtlijnsoorten, vogels met jaarrond beschermde nesten of niet vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn afwezig. Delftse Poort Deze mogelijke toekomstige ontwikkeling betreft een opbouw op bestaande bouw bestaande uit glas, metaal en gevelplaten. De constructie is aan de buitenzijde volledig dicht, openingen in de bebouwing zijn niet aanwezig. Potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van habitatrichtlijnsoorten, vogels met jaarrond beschermde nesten of niet vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn afwezig. Locatie Unilever Ter plaatse van het huidige kantoor van Unilever en de TIO hogeschool is het mogelijk uit te breiden. In de bebouwing zijn potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Op meerdere plekken zijn tussen de gevelplaten of aanhechtingen van verschillende materialen spleten in de bebouwing aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk bij het aanvragen van een omgevingsvergunning.

Potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van overige habitatrichtlijnsoorten, vogels met jaarrond beschermde nesten of niet vrijgestelde nationaal beschermde soorten zijn afwezig. Bij ruimtelijke ontwikkelingen die binnen een bestaande bestemming vallen, zoals sloop en nieuwbouw van woningen, renovaties of het herinrichting, dient voorafgaand nog flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. 6.9.8

Conclusie

Voor de ontwikkeling ter plaatse van Unilever wordt op basis van de aangetroffen potenties en de reeds bekende ontwikkelingen nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming nodig geacht. Ontwikkelingen die binnen bestaande bestemmingen plaats vinden dienen op projectniveau getoetst te worden aan de relevante natuurwetgeving. Het bestemmingsplan, met inbegrip van bovenstaande, is ‘uitvoerbaar’ vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

6.10

Windhinder

Met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) is een indicatief onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de geplande bebouwing in Rotterdam Central District. Hiermee is het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing beoordeeld. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Ÿ In de bestaande situatie heerst er plaatselijk een matig tot slecht windklimaat. Ÿ Bij het Delftseplein wordt vanwege de nieuwe ontwikkeling een groot gebied met een slecht windklimaat verwacht evenals een relatief groot gebied met een beperkt risico op windgevaar. In de huidige situatie is het windklimaat hier grotendeels goed voor doorlopen. Ÿ Door de mogelijkheid voor hoogbouw ter plaatse van het huidige kantoor van Unilever wordt in het loopgebied rondom de mogelijk nieuwe hoogbouw plaatselijk een matig windklimaat voor doorlopen verwacht. In de huidige situatie is het windklimaat hier goed. Bij de huidige hoofdentree blijft het windklimaat goed. Ÿ Nergens in het plangebied wordt een overschrijding van het gevaarcriterium verwacht.

49

Ÿ

Een verbetering van de windsituatie kan worden verkrgen middels aanpassingen in de bouwmassa en de terreininrichting. Dit kan desgewenst in een later stadium nader worden onderzocht. Bij de ontwikkeling van het Tree House is op de verbeelding aangegeven waar een luifel is toegestaan. Bij de verdere uitwerking van het gebouw wordt op een gedetailleerder niveau naar het windklimaat gekeken om te bepalen hoe groot de luifel moet worden.

6.11

Bezonning

Voor dit bestemmingsplan zijn voor de bezonning de regels uit de Hoogbouwvisie en de afspraken met de Provenierswijk als uitgangspunt genomen. In de Hoogbouwvisie zijn regels voor de bezonning van openbare ruimtes vastgelegd. In de visie zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. In de gebieden en plekken die zijn aangewezen als de zogenaamde sunspot, mag bij hoogbouw géén vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden. Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden. In dit bestemmingsplan liggen 2 locaties die als 'representatieve ruimte' zijn aangemerkt, het Kruisplein en het Hofplein. Het overige openbare gebied binnen de hoogbouwzone heeft een basiskwaliteit waar maximaal 2 uur verslechtering van de bezonning mag optreden. Met betrekking tot de gevolgen van de bezonning als gevolg van nieuwe hoogbouw, voor de woningen in de Provenierswijk is in het stedenbouwkundige plan van het RCD 2008 opgenomen dat er tussen 21 maart en 23 september maximaal 1 uur extra schaduw op deze woningen mag vallen.

6.11.1 Conclusie Aan de hand van de uitgevoerde bezonningssimulaties wordt het volgende geconcludeerd: Ÿ In de gebieden die in de hoogbouwvisie zijn aangewezen als 'representatieve ruimte' wordt met de voorgeschreven rekenmethode het minimaal aantal zonuren gewaarborgd Ÿ In de meeste straten rondom de geplande hoogbouw geldt het criterium 'basiskwaliteit'. De Provenierswijk valt buiten het te toetsen gebied van de hoogbouwvisie. Gezien de ligging in het potentiële invloedsgebied van de geplande hoogbouw is de Provenierswijk echter voor de volledigheid in de beoordeling van het gebied met een 'basiskwaliteit' meegenomen. De toegevoegde schaduw ten gevolge van de geplande hoogbouw in het bestemmingsplangebied blijft in deze gebieden conform de rekenmethode van de hoogbouwvisie binnen de grenswaarde van 2 uur. Ÿ De schaduwwerking van de geplande hoogbouw in het bestemmingsplangebied voldoet aan de eisen zoals beschreven in hoofdstuk 3.7. van de hoogbouwvisie Rotterdam 2019. Ÿ Geen van de getoetste woningen in de Provenierswijk valt in de toetsingsperiode langer dan een uur in de schaduw van de geplande hoogbouw. De schaduwwerking van de geplande hoogbouw voldoet hiermee aan de leidraad voor de bezonning van de woningen in de Provenierswijk.

50

Hoofdstuk 7

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017 - 2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

51

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

In dit bestemmingsplan worden 3 ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Op het Delftseplein wordt de bouw van een toren (44.500m2) mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn er uitbreidingsmogelijkheden opgenomen ter plaatse van de huidige gebouwen Delftse Poort (25.000m2) en Unilever (50.000m2). Binnen deze ontwikkelingen zijn kantoren en woningen mogelijk met in de plint een mix van functies. De ontwikkeling Delftseplein is in de grondexploitatie Ontwikkellocaties RCD opgenomen waarmee financiële uitvoerbaarheid ervan is aangetoond. Voor de percelen met daarop Delftse Poort en het kantoor van Unilever geldt dat deze eerder zijn bestemd in andere bestemmingsplannen. Dit bestemmingsplan voorziet in een actualisatie van deze locaties. Voor beide locaties zijn uitbreidingsmogelijkheden opgenomen die voor rekening en risico van eigenaren / derden kan worden uitgevoerd, uiteraard in samenhang met het wettelijk verplichte gemeentelijke kostenverhaal.

52

Hoofdstuk 9 9.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

Ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan is uitvoerig gesproken met de belanghebbenden van elk gebouw binnen de bestemmingsplangrens. Dit waren onder andere gebouweigenaren, bewoners, gebruikers en ontwikkelaars. Met hen is gesproken over het huidige gebruik en omvang van de gebouwen en de wensen voor de toekomst. In een aantal informele ronden is het bestemmingsplan met en door hen ingevuld en aangescherpt. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging wordt getracht een informatiemoment te organiseren waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.

9.2

Vooroverleg

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: Ÿ GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie Ruimte en Milieu; Ÿ Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; Ÿ VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; Ÿ TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet; Ÿ Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; Ÿ K.P.N. Telecom; Ÿ N.V. Nederlandse Gasunie; Ÿ Ministerie Infrastructuur en Milieu; Ÿ Inspectie Leefomgeving en Transport; Ÿ Rotterdam The Hague Airport; Ÿ Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; Ÿ Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Ÿ Rijkswaterstaat West-Nederland; Ÿ Rijksluchtvaartdienst; Ÿ Luchtverkeersleiding Nederland; Ÿ Prorail; Ÿ Evides; Ÿ Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) ; Ÿ Metropoolregio Rotterdam Den Haag; Ÿ Monet, beheerder telecommunicatiemasten; Ÿ VWS Pipelinecontrol. Er is een reactie ontvangen van de in de volgende paragrafen genoemde overlegpartners. 9.2.1

TenneT

TenneT geeft aan dat er binnen de grenzen van dit plan noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer heeft. Zij hebben geen opmerking op genoemd plan. Reactie: De gemeente Rotterdam neemt de reactie ter kennisgeving aan. 9.2.2 Ÿ

Prorail

ProRail constateert dat de bestemming “Spoor” op de gronden ter plaatse van de Schimmelpenninckstraat is gewijzigd naar de bestemming “Bedrijf”. ProRail verzoekt u de bestemming “Spoor” op deze gronden te laten liggen. Dit onder andere in verband met de bereikbaarheid van het spoor en de lopende gesprekken om het eigendom van (een deel) van deze gronden te verkrijgen.

53

Reactie: Voor deze locatie is de bestemming "Verkeer - Spoorverkeer" niet de juiste bestemming. Uitbreiding van de sporen op deze locatie is niet wenselijk. Prorail wenst in de toekomst een deel van de gronden te gebruiken voor opslag en toegang tot het spoor. Deze functies zijn opgenomen in de bestemming "Bedrijf" zodat er geen belemmering is voor toekomstig gebruik door Prorail. Ÿ ProRail constateert dat in de conceptversie van het bestemmingsplan diverse relevante punten als “PM” zijn opgenomen. Hierdoor is het concept ontwerpbestemmingsplan op dit moment niet volledig en is het voor ProRail derhalve niet mogelijk het concept ontwerpbestemmingsplan op een goede wijze te beoordelen. Op het moment dat alle PM vermeldingen zijn ingevuld zal ProRail het plan nogmaals beoordelen en uw gemeente van haar bevindingen op de hoogte stellen. Reactie: Wij nemen deze opmerking ter kennisgeving aan. Ÿ ProRail verzoekt u zorg te dragen dat zowel in de regels als op de verbeelding alle sporen en bijbehorende voorzieningen de bestemming Verkeer - Spoorverkeer hebben. Reactie: De sporen en bijbehorende voorzieningen op het spoor zijn bestemd als "Verkeer - Spoorverkeer". Wij nemen deze opmerking voor kennisgeving aan.

Ÿ Prorail geeft aan dat bij de ontwikkeling op het Delftseplein, in verband met het borgen van de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, het waterpeil niet mag wijzigen. Tevens dient de gemeente te borgen dat alle werkzaamheden geen invloed zullen hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voorzieningen. Ÿ tevens dient geborgd te worden dat ProRail te allen tijde haar eigendommen, de spoorbaan en alle bijbehorende voorzieningen ongehinderd kan bereiken op de wijze en met het materieel zoals dat ook nu het geval is. Ÿ gezien het schetsontwerp niveau van de ontwikkelaar verwacht ProRail dat er forse ingrepen gedaan dienen te worden die ProRail raken. Denk hierbij onder andere aan het slopen van de volledige plint voor de tijdelijke situatie, het tijdelijk uitplaatsen van technische installaties en het realiseren van een damwand. ProRail verzoekt uw gemeente derhalve om betrokken en geïnformeerd te worden bij alle stadia van de hoogbouwontwikkeling. Reactie: De belangen van NS en ProRail (samen te noemen: de spoorse partijen) zijn langs verschillende lijnen geborgd in het ontwikkel en realisatieproces.

De gemeente en de spoorse partijen werken samen aan de ontwikkeling van het Delftseplein op basis van een samenwerkingsovereenkomst die te zijner tijd wordt opgevolgd door een uitvoeringsovereenkomst. Hierin zijn alle eisen en wensen van zowel NS als ProRail, die in Programma's van Eisen vastgelegd met betrekking tot de bouwfase en fase na oplevering, geborgd. Via de privaatrechtelijke contractvorming tussen de gemeente en projectontwikkelaar Provast is juridisch geborgd dat het bouwplan voldoet aan de eisen die genoemde partijen aan de ontwikkeling stellen. Daarnaast zijn werkzaamheden in de onmiddellijke nabijheid van de spoorse infrastructuur krachtens de spoorwetwet vergunningsplichtig. NS en ProRail zijn gedurende de ontwikkel- en de bouwfase deelnemer aan overlegvormen met de gemeente én ontwikkelaar Provast. Dit garandeert dat er hoogfrequent toetsing plaatsvindt op het borgen van de spoorse belangen in de planontwikkeling. Ten behoeve van besluitvorming is op directieniveau een stuurgroep ingericht waaraan de gemeente, ProRail en NS deelnemen. Ÿ Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de nabijheid van de spoorbaan dient rekening gehouden te worden met het bepaalde in de Spoorwegwet, waarnaar wij u kortheidshalve verwijzen. Reactie: Wij nemen deze opmerking voor kennisgeving aan.

Ÿ Ten behoeve van het aspect Trillingen is in de regels bij enkele bestemmingen onderstaande tekst opgenomen. ProRail verzoekt u deze tekst van toepassing te verklaren op alle bestemmingen. “Trillingshinder spoorverkeer Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen kan alleen worden verleend wanneer er is aangetoond dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden met betrekking tot het aspect trillingshinder vanwege spoorverkeer” Gezien het feit dat het concept ontwerpbestemmingsplan een nieuwe ontwikkeling (Delftseplein)

54

mogelijk maakt in de directe nabijheid van de spoorbaan, verzoekt ProRail u tevens in een aparte Trillingsparagraaf in de Toelichting (niet als sub-paragraaf onder “Geluid”) het aspect trillinghinder te onderzoeken. Reactie: Het onderwerp 'Trillingen' is in paragraaf 6.5 apart beschreven. In de regels van alle bestemmingen naast het spoor is de door Prorail voorgestelde tekst toegevoegd. 9.2.3

Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond

Ÿ

Voor de bouwwerken gelegen binnen het zogeheten plasbrandaandachtsgebied (30 meter vanaf de buitenste spoorstaaf van het spoor), geldt dat zij dienen te voldoen aan artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Reactie: In de regels van de bestemming "Gemengd-2" is opgenomen dat het gebouw dient te voldoen aan artikel 2.4 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Ÿ Diverse (beperkt) kwetsbare objecten (zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi) vallen binnen de 'Wo letaliteitscontour van het meest geloofwaardige scenario van het spoor (120 meter vanaf de buitenste spoorstaaf). Construeer die objecten in geval van een verbouwing/herontwikkeling zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden. Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een object geschikt om enkele uren in te schuilen. Reactie: In artikel 31.3 is opgenomen dat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen 120 meter vanaf het spoor moeten voldoen aan bovenstaande eisen. Ÿ Het is van belang dat de hulpdiensten in geval van een incident op het spoor, met eventuele escalatie richting de omliggende objecten, op kunnen treden.

Daarvoor dienen de objecten in het effectgebied (tweezijdig) bereikbaar te zijn voor hulpdiensten en dient er voldoende bluswater aanwezig te zijn. Voor de verdere uitwerking hiervan verwijs ik u naar de 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid" van de VRR. Reactie: Bovengenoemde zaken worden bekeken bij de afgifte van omgevingsvergunning en zijn nu geen onderdeel van het bestemmingsplan. Ÿ Een deel van de objecten gelegen binnen de 1% letaliteitscontour van de meest geloofwaardige scenario's heeft een bestemming waarbij een BHV-organisatie vereist is. Voor die objecten geldt dat het wenselijk is dat de BHV-organisatie op de hoogte is van de scenario's die op kunnen treden en weet hoe te handelen in geval van een incident. Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Voor de overige functies en objecten is het van belang om zorg te dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'. Reactie: Aan dit aspect zal in de verdere ontwikkeling aandacht worden besteed.

Alle betrokken partijen, waaronder ontwikkelaar Provast en eindbelegger CBRE zijn zich als eerstelijns belanghebbenden ten volle bewust van het belang van veiligheid in alle opzichten en in alle fasen van de ontwikkeling en realisatie. 9.2.4 Ÿ

Provincie Zuid Holland

De provincie Zuid Holland stelt dat in hun ruimtelijk beleid als uitgangspunt heeft dat nieuwe detailhandelsontwikkelingen plaatsvinden binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken. RCD is aansluitend aan het bestaande winkelconcentratiegebied van het centrum van Rotterdam. Binnen het centrum van Rotterdam kunnen alle detailhandelsbranches worden toegelaten en is er in principe ruimte voor dynamiek en innovatie. Het is op basis van het plan en de toelichting niet duidelijk hoeveel nieuwe (planologische) detailhandel er met dit plan mogelijk wordt gemaakt. De provincie vraagt hierover helderheid te verschaffen. Voor zover de toevoeging aan detailhandel een omvang heeft

55

van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlak, dient ook een advies van de Adviescommissie detailhandel Zuid-Holland aangevraagd te worden. Reactie: In paragraaf 4.1.2 Detailhandel is nader ingegaan hoeveel detailhandel er fysiek in het bestemmingsplangebied aanwezig is en hoeveel vierkante meter er planologisch wordt toegevoegd. De totale toevoeging is minder dan 4000m2, een advies van de Adviescommissie detailhandel is niet noodzakelijk. Ÿ De provincie Zuid Holland vraagt om een extra verduidelijking van de stijging van het groepsrisico met in acht name dat het dit plan een onderdeel is van een groter geheel, dat ook de ontwikkeling van het Schiekadeblok en Pompenburg omvat, wat uiteindelijk zal gaan resulteren in een overschrijding van ruim 3 maal de oriëntatiewaarde. Omdat in dit grotere geheel van ruimtelijke ontwikkelingen het provinciaal belang groepsrisico in het geding is, is het van belang om ook in dit plan te sturen op een maximale inspanning van het bevoegd gezag (de gemeenteraad) om het groepsrisico te beheersen. Reactie: In paragraaf 6.8.3 Verantwoording groepsrisico is het groepsrisico van dit bestemmingsplan verantwoord.

56

Bijlagen

57

Bijlage 1

Archeologie

58

Bijlage 2

Hogere Waarden

Invoegen pm

59

Regels

60

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

plan:

Het bestemmingsplan Rotterdam Central District met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP1033CentralDist- van de gemeente Rotterdam. 1.2

Bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanbouw (uitbouw)

Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5

Afhaalpunt

Een locatie waar de consument uitsluitend via internet bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van bestelde goederen gedurende een korte termijn plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ten verkoop en/of overige activiteiten. 1.6

Archeologisch deskundige

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.7

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.8

Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9

Bebouwingspercentage

Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.10

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond

Het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" dat als bijlage regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader. 1.11

Belwinkel

Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 1.12

Beperkt kwetsbare objecten

a. woningen, kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover deze objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; b. sporthallen, zwembaden, speeltuinen; c. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren;

61

d. andere objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; e. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval. 1.13 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.14

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15

Bouwaanduidingen

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.16

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.17

Bouwgrens

De grens van een Bouwvlak. 1.18

Bouwlaag

Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdstuk 2 anders is bepaald. 1.19

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.20

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.21

Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)

Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.22

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.23

Bijgebouw

Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel.

62

1.24

Cultuur en ontspanning

Voorzieningen op het gebied van cultuur, kunst, spel en ontspanning, zoals een atelier, creativiteitscentrum, dansschool, kookstudio, muziekschool, galerie, museum, wellness. 1.25

Dakterras

Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk waarvan de bouwhoogte minimaal 1,2 meter bedraagt. 1.26

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, ondergeschikt verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.27

Dienstverlening

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, (waaronder ook een afhaalpunt) waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.28

Dove gevel

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits deze niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In dit verband wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2. 1.29

Gevaarlijke stoffen

Stoffen of preparaten die krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.30

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.31

Gebruiksoppervlakte

Het gebruiksoppervlakte (gbo) is gelijk aan het Bruto vloeroppervlak (b.v.o.), minus - gevels en dragende wanden; - de vloeroppervlakken waarboven de vrije hoogte minder is dan 1,5 meter, met uitzondering van vloeren onder de trappen; - trapgaten, liftschachten of vide's groter dan 4 m2.

63

1.32

Geluidluwe gevel

Een gevel waarbij de geluidsbelasting afkomstig van: - wegverkeer niet meer bedraagt dan 53 dB(A) etmaalwaarde; -spoor-, tram- en metroverkeer niet meer bedraagt dan 55 dB(A) etmaalwaarde; -horeca-inrichting (inclusief terras) niet meer bedraagt dan 50 dB(A) etmaalwaarde. 1.33

Geluidsgevoelige objecten

Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidgevoelig kan worden beschouwd. 1.34

GGD

Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond. 1.35

Hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.36

Hoog-risico biologisch laboratorium

Een biologisch laboratorium met een biologische veiligheidsklasse 3 of hoger zoals bedoeld in het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond". 1.37

Horeca

Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank. 1.38

Hotel

Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.39

Kap

Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.40

Kantoren

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.41

Kleinschalige speeltoestellen

Speeltoestellen niet hoger dan 4 meter. 1.42

Kwetsbare objecten

a. woningen, met uitzondering van: 1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare; 2. dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 1. kantoorgebouwen en hotels met een b.v.o. van meer dan 1500 m² per object;

64

2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk b.v.o. meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal b.v.o. van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. 1.43 Maaiveld De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.44

Maatschappelijke voorzieningen

Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. 1.45

Milieudeskundige

De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.46

NAP

Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.47

Nieuw hoog-risico biologisch laboratorium

Nieuwvestiging van een hoog-risico biologisch laboratorium of uitbreiding van een bestaand (hoogrisico biologisch) laboratorium met een hoog-risico biologisch laboratorium. 1.48

Oorspronkelijke zij- resp. achtergevel

De zij- resp. achtergevel van een gebouw op het tijdstip van eerste oplevering van het gebouw. 1.49

Openbare nutsvoorzieningen

Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.50

Openbaar toegankelijk gebied

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b. van de Wegenverkeerswet 1994, openbaar water, alsmede ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van de zogenaamde brandpaden voor de achterontsluiting van tuinen voor langzaam verkeer. 1.51

Peil (straat-)

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. 1.52

Recreatieve voorzieningen

Voorzieningen op het gebied van recreatie en sport.

65

1.53

Straatmeubilair

Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.54

Uitstekende delen aan gebouwen

Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.55

Verhuurbaar vloeroppervlak (v.v.o.)

Het verhuurbaar vloeroppervlak is de verhuurbare gebruiksruimte. 1.56

VRR

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

66

Artikel 2

wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2

de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=5195d3e3-a17a-49ed-9004-28e7dfc2b44d