20bb18774 Bijlage 1 behorende bij 21bb2532 over Rotterdam Central District ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
In het bestemmingsplan zijn voor het mogelijk maken van de Mixone de volgende functies in de plint van de gebouwen opgenomen: horeca, recreatieve voorzieningen, dienstverlening en niet geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen. De plint bestaat in principe uit de begane grond, uitzonderingen hierop zijn specifiek aangegeven in de regels. 4.1.2
Detailhandel
In de nota Detailhandel Rotterdam 2017 is opgenomen dat RCD valt onder de noemer 'functionele mix zones'. Rotterdam Central District is geen typisch winkelgebied. Om die reden is ervoor gekozen om in de plint van slechts enkele gebouwen naast de bestaande detailhandel, nieuwe detailhandel toe te voegen. In de Weenaflat is nu 300 m2 detailhandel aanwezig. In Weenaflat wordt naast de bestaande detailhandel 155 m2 nieuwe detailhandel toegevoegd. In de plint van het Weenahuis wordt 490 m2 nieuwe detailhandel toegestaan, op het Unileverplot 500 m2 en in Delftse Poort 1500m2. De uitbreiding van detailhandel die in het bestemmingsplan wordt voorgesteld, past binnen het gemeentelijk detailhandelsbeleid omdat per pand geringe toevoegingen zijn toegestaan om de levendigheid van de plint versterken maar waarbij de winkelfunctie zeker niet de boventoon zal voeren in RCD. De toevoeging van detailhandel past tevens binnen de ontwikkelingsdoelstelling uit de Structuurvisie Rotterdam Central District. Rotterdam Central District zal in de toekomst verder verdicht worden zodat er meer mensen gaan wonen en werken. Om deze mensen te kunnen voorzien in hun dagelijkse behoeften is uitbreiding van detailhandel noodzakelijk. Grootschalige winkels zijn niet toegestaan in RCD daarom is, op een uitzondering na, de maximale grootte van een vestiging 350 m2.
23
4.1.3
Horeca
In het Horecagebiedsplan Centrum 2019-2021 is aangegeven dat rondom het Stationsplein, Kruisplein, Groot Handelsgebouw, Conradstraat en het Weena nieuwe horeca ontwikkeld mag worden. In de bestemmingen van de aan deze straten gelegen gebouwen is de functie horeca opgenomen. Ter plaatse van Weena 95-115 moet de bestaande horeca geconsolideerd worden. Op deze locatie is nu één horecavestiging aanwezig. In de regels van "Wonen-3" is opgenomen dat er één vestiging van maximaal 300 m2 is toegestaan.
4.2
Beschrijving per locatie met bijbehorende juridische regeling
In dit bestemmingsplan is ervoor gekozen om elk gebouw te voorzien van een 'eigen' bestemming om op deze manier een op het object toegeschreven juridische regeling te kunnen schrijven. Op onderstaande afbeelding zijn alle gebouwen in het bestemmingsplangebied van west naar oost genummerd. Het nummer van de locatie komt overeen met het nummer van de subparagraaf waarin, naast een korte beschrijving van het gebouw, uitleg over de bijbehorende regels is opgenomen.
4.2.1
Weenahof
Geheel westelijk in Rotterdam Central District ligt op de hoek van het Weena en de Statenweg het Weenahof, gebouwd in de jaren 80 van de vorige eeuw. Het Weenahof is een appartementencomplex met ongeveer 200 koop- en huurappartementen. Het grootste gedeelte van de begane grond en de eerste verdieping zijn in gebruik met commerciële functies zoals kantoren en dienstverlening. Op de begane grond is ook 'Miniworld Rotterdam' gevestigd. Aan de westvleugel staat een apart wooncomplex waarbij geen kantoren op de eerste etage zijn toegestaan. Ter plaatse van Weenapad 13, 15, 17, 19, 21 en 23 zijn ook woningen op de begane grond toegestaan. Het gebouw heeft de woonbestemming 'Wonen - 1' gekregen, waarbij is opgenomen dat op de begane grond (de Mixone) ook andere functies zijn toegestaan. Op de eerste verdieping zijn naast woningen ook kantoren toegestaan. Voor de oostvleugel van het gebouw is opgenomen (met een functie-aanduiding op de verbeelding) dat hier een hotel is toegestaan op de eerste drie verdiepingen. Bewoners en gebruikers van het Weenahof kunnen parkeren in parkeergarage onder de voormalige schaatsbaan. 4.2.2
Schaatsbaan
De voormalige schaatsbaan, gelegen tussen het Weenahof en het spoor, is midden jaren 70 van de vorige eeuw gebouwd. De schaatsbaan is in 1996 gesloten. Nu wordt er in de hal geparkeerd, de 2 parkeerlagen in de schaatshal worden gehuurd door het Groot Handelsgebouw. Onder de schaatsbaan zijn 2 ondergrondse parkeerlagen, die horen bij het Weenahof. Deze voormalige schaatsbaan heeft de bestemming 'Verkeer - Parkeergarage' gekregen. 4.2.3
Albeda College
De onderwijsinstelling van Albeda (Weena 743) ligt tussen het Weenahof en het Groot Handelsgebouw.
24
Het gebouw is geheel in gebruik voor onderwijs en heeft de bestemming 'Maatschappelijk' gekregen. Ten behoeve van een flexibele invulling van het gebouw is tevens opgenomen dat kantoren en bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan. De oprijlaan van het Groot Handelsgebouw loopt 'door' het gebouw heen en is op de verbeelding aangeduid met de functieaanduiding 'luchtbrug'. 4.2.4
Groot Handelsgebouw
Voor het Groot Handelsgebouw wordt een separaat bestemmingsplan opgesteld 4.2.5
Station Rotterdam Centraal
Het hart van het Central District is het station 'Rotterdam Centraal'. Op 13 maart 2014 is het nieuwe station officieel geopend. De sporen zijn overdekt met een kap van 140 meter breed, 250 meter lang en een hoogte van 12 meter. Gelijktijdig met het treinstation zijn ook een ondergronds metrostation en een ondergrondse fietsenstalling onder het Stationsplein gebouwd. Het station heeft een uitgang aan de Provenierswijk en de hoofduitgang, onder een grote kap van 50 meter hoogte, aan de centrumzijde. In het station zijn verschillende functies aanwezig zoals detailhandel, horeca en kantoren. Het station is bestemd als 'Verkeer - Openbaar vervoerstation'. Binnen deze bestemming zijn de functies opgenomen die binnen het station plaatsvinden. De luifel van het station is met een bouwaanduiding in de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen. De treinsporen zijn bestemd als 'Verkeer-Spoorverkeer', met de functieaanduiding 'railverkeer' is deze bestemming opgenomen in de bestemming 'Verkeer - Openbaar vervoerstation'. De plek van de logistieke ruimte/plint onder perron 1 is opgenomen onder 'Gemengd - 9'.
25
4.2.6
Delftse Poort
Het kantorencomplex Delftse Poort is in 1991 opgeleverd. Het is ontworpen door architect A. Bonnema. Het gebouw was tot mei 2009 het hoogste kantoorgebouw van Nederland. Het iconische gebouw is 150 meter hoog en heeft 41 verdiepingen. Delftse Poort heeft de bestemming 'Gemengd 3' gekregen. Binnen deze bestemming zijn onder andere kantoren toegestaan, vergaderfaciliteiten en een hotel. Tot en met de vijfde verdieping van het gebouw zijn de functies van de 'Mixone' toegestaan, aangevuld met de functie showroom, die uitsluitend op de begane grond is toegestaan. Aanpalend aan de horeca op de 3e/4e verdieping is een terras toegestaan op het dak. Maximaal 1500 m2 van de begane grond mag in gebruik genomen worden voor detailhandel, met maximaal 350 m2 b.v.o. per vestiging, met uitzondering van één vestiging aan het Weena, waarvoor een b.v.o. van 1150 m2 is toegestaan. In de regels is aangegeven dat uitbreiding van 25.000 m2 b.v.o. is toegestaan met een maximale hoogte van 150 m2, binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Verder is in de regels de bestaande overkraging van 4,5 meter aan de zijde van het Weena opgenomen. 4.2.7
Central Post
Het voormalige stationspostkantoor 'Central Post' uit 1959 is ontworpen door de architecten E.H. en H.M. Kraaijvanger. De markante vormgeving heeft ervoor gezorgd dat het gebouw een rijksmonument is (zie verder onder paragraaf 3.4.1) In 2009 is het gebouw door Claus en Kaan architecten herontwikkeld tot een verzamelgebouw. Het gebouw bestaat uit 14 verdiepingen en twee kelderetages met parkeerplaatsen. Central Post heeft de bestemming 'Gemengd - 4' gekregen. Binnen deze bestemming zijn onder andere kantoren, bedrijven (tot en met categorie 2) en vergaderfaciliteiten toegestaan. Op de begane grond zijn de functies van de 'Mixone' toegestaan waarbij een uitzondering gemaakt is voor recreatieve voorzieningen. Deze zijn ook in de kelder en op de eerste verdieping toegestaan. Op dit moment is op de begane grond, kelder en de eerste verdieping een sportschool gevestigd. De parkeervoorziening aan de achterzijde van het gebouw op het laadperron is bestemd als 'Verkeer - Parkeergarage'. 4.2.8
Unileverplot
Op locatie van het 'Unileverplot' ligt het gebouw van Unilever alsmede de hogeschool Tio. Het Unilevergebouw is ontworpen door architect J. Hoogstad en gebouwd in 1992. De hoofdvorm van het kantoorgebouw is een kubus, die is opgebouwd uit een plint van twee bouwlagen. Op de plint liggen 8 kantoorlagen in de vorm van een kruis en een vierkante bekroning die steunt op een rij stalen kolommen met een maximale hoogte van 40 meter. Voor de hoofdingang, op de hoek van het Weena en de poortstraat staat het kunstwerk 'Corporate entity' van Wessel Couzijn. Het kunstwerk is op verzoek van Unilever vervaardigd en in 1963 onthuld. Destijds stond het beeld bij het hoofdkantoor aan het Burgemeester s'Jacobsplein. In 1992 is het beeld verplaatst naar het nieuwe hoofdkantoor van Unilever aan het Weena. De Hogeschool Tio bestaat uit een gebouw van 3 bouwlagen met daaronder een parkeergarage. De Hogeschool en het Unilevergebouw zijn gezamelijk bestemd als 'Gemengd - 5'. In deze bestemming zijn, vanaf de eerste verdieping, kantoren en vergaderfaciliteiten toegestaan. Woningen zijn ook mogelijk vanaf de eerste verdieping, mits voorzien van een 'Geluidluwe gevel' en aan de zijde van het Delftseplein is aangetoond dat er geen overschrijding van de maximale geluidbelasting is. De functies van de Mixone, inclusief detailhandel (maximaal 500m2) zijn toegestaan op de begane grond.
De Hogeschool is een geluidgevoelige maatschappelijke bestemming. In de bestemmingsregeling is opgenomen dat deze functie alleen is toegestaan aan de zijde van de Delftsestraat. Het is mogelijk om binnen het bouwvlak van de bestemming 'Gemengd - 5' het gebouw uit te breiden met 50.000 m2 tot een hoogte van maximaal 150 meter met inachtname van de hoogbouwregels uit de Hoogbouwvisie 2019.
26
Verder is in de bestemmingsregeling de bestaande overkraging van 4,5 meter aan de zijde van het Weena opgenomen. 4.2.9
Weenacenter
Het Weenacenter is een woontoren naast het hoofdkantoor van Unilever. Deze toren is (in 1990) door dezelfde architect ontworpen als het kantoor van Unilever. De woontoren heeft de bestemming 'Wonen - 2' gekregen, is 100 meter hoog en bestaat uit 124 appartementen verdeeld over 34 bouwlagen. 4.2.10 Weenatoren De Weenatoren (bijnaam Peperbus), ontworpen door Klunder Architecten, is in 1990 opgeleverd. Het gebouw was het op moment van oplevering het hoogste woongebouw van Rotterdam. Het gebouw telt 33 verdiepingen, 13 met kantoren en 18 met woningen. De begane grond wordt gebruikt als entreehal met brievenbussen, voor de lift, de fietsenstalling en technische ruimtes. Het gebouw staat ten opzichte van de omringende bebouwing 10 meter uit de rooilijn. Deze situering is niet alleen zo gekozen om het gebouw naast de metrobuis te kunnen funderen, maar ook om een begrenzing aan te geven van het Weena naar het Hofplein. De entree op de begane grond ligt een stuk terug vanaf het Weena gezien, waardoor er een onderdoorgang ontstaat voor voetgangers. Het gebouw heeft de bestemming 'Gemengd - 6' gekregen. Binnen deze bestemming zijn kantoren toegestaan tot en met de dertiende verdieping en woningen vanaf de veertiende verdieping. Verder is in de bestemmingsregeling de bestaande overkraging van 4,5 meter aan de zijde van het Weena opgen 4.2.11 Weenahuis Het Weenahuis (ontworpen door H.
Klunder) is het eerste kantoorgebouw dat boven een bestaande metrotunnel is gebouwd. Hiervoor was een overkluizingsconstructie met een lengte van 40 meter nodig. Het Weenahuis is gebouwd als kantoor maar is enkele jaren geleden grotendeels verbouwd en in gebruik genomen als hotel met 174 kamers. Het gebouw heeft de bestemming 'Gemengd - 7' gekregen. Binnen deze bestemming zijn kantoren en hotel toegestaan. Het Weenahuis is aan de zijde van het Weena 37 meter hoog. Aan de achterzijde ligt een parkeergarage ten behoeve van de bewoners van de Weenatoren en werknemers/hotelgasten van het Weenahuis. De parkeergarage bestaat uit 3 lagen waarbij de bovenste parkeerlaag op het dak van de garage ligt. Aan de zijde van het Weena is een overkraging van minimaal 4,5 meter hoog verplicht. Op de begane grond zijn tevens de functies van de 'Mixone' toegestaan inclusief detailhandel. Maximaal 490 m2 van de begane grond mag in gebruik genomen worden voor detailhandel, met maximaal 350 m2 b.v.o. per vestiging 4.2.12 Weenaflat De Weenaflat ligt het meest oostenlijk in het plangebied. Het witte gebouw, ontworpen door C. Dam, is 37 meter hoog. Op de begane grond zijn winkels, horeca en dienstverlening aanwezig. De eerste bouwlaag bestaat uit kantoren en woningen en daarboven bevinden zich bouwlagen met appartementen. Onder het gebouw ligt een parkeergarage met 80 parkeerplaatsen.
Het gebouw is bestemd als 'Wonen - 3'. Binnen deze bestemming zijn woningen op de eerste verdieping en hoger toegestaan. Kantoren zijn toegestaan op de begane grond en de eerste verdieping. Op de begane grond zijn tevens de functies van de 'Mixone' toegestaan, inclusief detailhandel.. Detailhandel is gemaximeerd tot 455 m2, met maximaal 350 m2 b.v.o. per vestiging. In het horecagebiedsplan is aangegeven dat uitbreiding van horeca niet wenselijk is. In de regels is opgenomen dat er één horecavestiging op de begane grond is toegestaan. Verder is in de bestemmingsregeling de bestaande overkraging van 3 meter aan de zijde van de Schiekade opgenomen.
27
4.2.13 Ontwikkeling Delftseplein In de structuurvisie uit 2011 is het Delftseplein aangeven als ontwikkellocatie. Op dit moment is de ontwikkellocatie een pleintje waaraan de taxistandplaats ligt en een aantal kiss & ride plekken. De tram rijdt er door de middenberm. Aan de noordzijde wordt de ontwikkellocatie begrensd door het eerste perron van het Centraal Station en een aantal bedrijfsruimtes die in de plint van het perron zijn opgenomen. Voorlangs loopt een laad- en losstraat ten behoeve van de bevoorrading van het station. Aan het oostzijde van het plein ligt verzamelgebouw Central Post. Op 19 december 2017 is het 'Ambitiedocument tender Delftseplein' vastgesteld door B&W. In het tenderdocument zijn de ambities en randvoorwaarden voor een gebouw aan het Delftseplein opgeschreven. Als afsluiting van de tenderprocedure heeft in maart 2020 definitieve gunning plaatsgevonden aan ontwikkelaar Provast met het planconcept Tree House. Het gebouw is maximaal 44.500 m2 en bestaat uit maximaal 320 woningen en 15.000m2 kantoor. De plint is onderdeel van de Mixone en bestemd voor bijvoorbeeld horeca, dienstverlening, cultuur en ontspanning en vergaderfaciliteiten. Aan de voorzijde krijgt het gebouw op 9 meter hoogte een luifel. Op het westelijke deel, aan de zijde van het Centraal Station staat op de 'rotterdamse laag' van 30 meter een toren tot 140 meter hoog.
Dit gebouw heeft de bestemming 'Gemengd - 2' gekregen. De buitenruimte om het nieuwe gebouw heeft de bestemming 'Gemengd - 9' gekregen. Rondom het nieuwe gebouw op het Delftseplein wordt de buitenruimte aangepast vanwege een goede aansluiting op de laad- en losplekken onder het station en de horeca in het Tree House. De hele omgeving is bestemd als 'Gemengd - 9'. Binnen deze bestemming is het mogelijk om het maaiveld te verhogen tot maximaal 5 meter ten behoeve van openbaar gebied en terrassen. Tevens zijn de functies dienstverlening, bedrijven en functies ten behoeve van het spoor toegestaan. Aan de westzijde van het Tree House is een kiosk toegestaan van 32 m2 en aan de oostzijde liggen op het maaiveld de hellingbaan voor de fietsenstalling en de inrit voor de bevoorrading van het station. Op de grens tussen Gemengd - 9 en Verkeer - Spoorverkeer is een scheidingswand toegestaan van maximaal 3 meter hoog. 4.2.14 Toekomstige ontwikkelingen Conradstraat Aan de westzijde van de stationsterminal ligt de locatie Conradstraat. De locatie is ingeklemd tussen het eerste perron aan de noordzijde en de kiss- en ridestrook aan de zuidzijde. In de structuurvisie is aan de locatie aan de Conradstraat een ontwikkelruimte toegedicht van 60.000m2 ten behoeve van kantoren en voorzieningen.
Ontwikkeling van deze locatie is complex gezien de nabijheid van de ondergrondse metrotunnel en de ligging nabij het spoor. Vanwege de ligging tegenover het monumentale Groot Handelsgebouw en de aansluiting op de stationskap zal een nieuw gebouw zorgvuldig moeten ontworpen. Omdat het nu geen concrete ontwikkelingen zijn, is de locatie bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Hoogbouwzone Het plangebied ligt in de hoogbouwzone, het is voorstelbaar dat in de toekomst bestaande panden worden opgehoogd. Hierover hebben reeds verkennende gesprekken plaatsgevonden met het Albeda College.
4.3
Juridische planbeschrijving overig
4.3.1
Gemengd - 8
Alle gebouwen hebben een unieke bestemming 'Maatschappelijk', 'Gemengd' of 'Wonen' gekregen. Het gebouw met adres Kruisplein 20A heeft 2 functies, het is de uitgang van de Kruispleingarage en er is horeca in gevestigd. Het gebouw is bestemd als 'Gemengd - 8'. 4.3.2
Groen
28
Structurele groengebieden zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.3.3
Maatschappelijke voorzieningen
Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen, kunstinstellingen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn. In dit bestemmingsplan zijn deze functies aangegeven als 'niet geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen'. 4.3.4
Parkeerregeling
Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 34.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.
Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen.
Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.3.5
Verkeersbestemmingen
29
De hoofdweg in het plangebied heeft de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming 'Verkeer - Verkeersweg' zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen. De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, groen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). Binnen de bestemming "verkeer - Verblijfsgebied" ligt ter plaatse van het Kruisplein een bouwvlak waar het gebouw staat dat dient als uitgang van de Kruispleingarage, op het Stationsplein is een bouwvlak aangenomen waar de ingang van de fietsenstalling is. Het station is opgenomen als 'Verkeer - Openbaar vervoerstation' en de sporen als 'Verkeer Spoorverkeer'. Voor het station is de maximale oppervlakte aan voor winkels, horeca en dienstverlening onder de sporen niet gelimiteerd.
Onder de kap van het station is de maximale oppervlakte hiervoor toegestaan, van 950 m2. 4.3.6
Werken aan huis
In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten. 4.3.7
Leiding - Water
Om de belangen van de belangrijkste waterleidingen in het plangebied te borgen is, daar waar een belangrijke waterleiding ligt, op de verbeelding de dubbelbestemming 'Leiding - Water' opgenomen. De hierbij behorende regels zijn opgenomen in' Artikel 23' van de bestemmingsplanregels.
30
Hoofdstuk 5
Water
5.1
Beleidskader
5.1.1
Waterplan 2
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018. 5.1.2
Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2016-2020 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de grondwater- en rioleringstaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. Voor de planperiode 2016-2020 heeft Rotterdam vier doelen geformuleerd: Beschermen van de volksgezondheid door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren en verwerken van hemelwater. Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied. Rotterdammers van dienst zijn en bewustwording tot stand brengen over hun rol in het stedelijk watersysteem door actief communiceren en de Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven handelingsperspectieven te laten zien.
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard. Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van HHSK, peilbesluiten en de leggers. Rode draad in het plan is een doelmatig en duurzaam waterbeheer in directe verbinding met de omgeving. Op basis van de Keur verleent het waterschap vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. De gemeente Rotterdam is de rioolbeheerder.
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
31
In het bestemmingsplangebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat verbonden is met het stedelijke watersysteem. Wel loopt in het gebied een duiker die de Provenierssingel verbindt met de Westersingel. 5.3.2
Grondwater
De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied groter dan de vereiste 0,80 meter. In de huidige situatie is er geen sprake van grondwateroverlast. In de huidige situatie is in het plangebied en in de directe omgeving al sprake van barrièrewerking voor de grondwaterstroming. In de omgeving loopt de ondergrondse metrolijn en is veel bebouwing met een 1-laagse kelder. De ontwikkeling van de huidige plannen zal daarom dan ook geen significante invloed hebben op de grondwaterstanden. 5.3.3
Waterkering en waterveiligheid
In het plangebied liggen geen waterkeringen. De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde binnendijks niet significant toe vergeleken met de totale aanwezige waarde die beschermd wordt door de primaire waterkering. Bij een overstroming zal het nodig zijn om te evacueren. Midden in het centrum van Rotterdam is het lastig om te evacueren naar hoger gelegen gebeid, maar in het gebied zelf is voldoende hoogbouw om verticaal te kunnen evacueren. 5.3.4
Riolering
In dit bestemmingsplangebied ligt deels een gemengd rioolstelsel. Dit houdt in dat zowel regenwater als huishoudelijk afvalwater wordt opgevangen en via één rioolstelsel naar AWZI Dokhaven wordt afgevoerd. Het Centraal Station heeft een verbeterd gescheiden rioolstelsel waarbij het regenwater afgevoerd wordt naar de Essenburgsingel. De afvoer van regenwater en afvalwater kan via het gemengde stelsel de waterkwaliteit van de omringende singels beïnvloeden. Bij hevige regen is de capaciteit van het rioolstelsel onvoldoende om alles af te voeren naar de RWZI. Overstorten zullen dan in werking treden, zodat rioolwater verdund met neerslag op het oppervlaktewater wordt geloosd.
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
Door de ontwikkelingen kan de verharding toenemen met 900 m2. Hierdoor ontstaat een compensatie verplichting die door het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard is berekend. De toename van de verharding moet gecompenseerd worden met de aanleg van 20m2 open water of het realiseren van 86,67 m3 waterberging. 5.4.2
Grondwater
De invloed van de bouwmogelijkheden in dit bestemmingsplan hebben slechts een gering effect op de grondwaterstand. 5.4.3
Riolering
Door uitvoering van de plannen kan de hoeveelheid rioolwater toenemen met 33,6 m3/uur. De belasting van regenwater op het rioolstelsel zal juist afnemen door de verplichting om regenwater eerst te bergen op eigen terrein. Voor het bepalen van de afvoer van afval- en hemelwater dient een rioolplan te worden opgesteld. Geadviseerd wordt om hiervoor tijdig een overleg te organiseren tussen de ontwikkelende partij, de waterbeheerder en de rioolbeheerder. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI.
32
5.4.4
Klimaatkansen
In het plangebied is sprake van een wateropgave. Daarom wordt gezocht naar mogelijkheden voor waterberging binnen het centrum. In overleg met het Hoogheemraadschap kan worden uitgezocht of in het plangebied ruimte is voor aanvullende waterberging, meer dan direct nodig is voor de neerslag die in het plangebied valt. Het plan biedt verder mogelijkheden voor nuttig gebruik van regenwater en het beperken van hittestress.
33
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieu effectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1
Plangebied
In dit bestemmingsplan worden 3 ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bouw van een toren op het Delftseplein (44.500m2) wordt mogelijk gemaakt, verder zijn uitbreidingsmogelijkheden opgenomen ter plaatse van de huidige gebouwen Delftse Poort (25.000m2) en Unilever (50.000m2). In totaal is een uitbreiding mogelijk van 119.500m2. Binnen deze ontwikkelingen zijn kantoren en woningen mogelijk. Voor de nieuwbouw op het Delftseplein is in de plint van het gebouw een mix van functies toegestaan en de locatie voor de logistieke afwikkeling van alle stationsactiviteiten. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
34
6.2.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
De bedrijfsvloeroppervlakte van nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan is minder dan 200.000 m2 en het aantal te realiseren woningen is lager dan 2000. Het bestemmingsplan is om die reden niet formeel m.e.r.-beoordelingsplichtig. Wel is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen (grote) negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet noodzakelijk. Het college heeft, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de vormvrije m.e.r.beoordeling, vanwege het bestemmingsplan Rotterdam Central District geen grote negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd en wordt opgenomen als bijlage bij dit plan.
6.3
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1
Plangebied
Voor de gebiedstypering wordt gebruik gemaakt van de kaart bij het boekje Bedrijven en Milieuzonering Rotterdam. Rotterdam Central District is getypeerd als een gemengd woongebied. In een gemengd woongebied, dat gelijk is aan een overgangsgebied, zijn bedrijven mogelijk tot en met categorie 3.1.
De indicatieve afstand tussen bedrijven van categorie 3.1 en woningen is 30 meter.
35
In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. De bedrijvenlijst is opgenomen in de bijlage van de regels. In de praktijk kunnen bedrijven tot en met categorie 2 door de beperkte omvang meestal zonder problemen gecombineerd worden met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven en groothandels in vuurwerk en munitie. Dit zijn eveneens activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking niet als passend gezien. Daarom zijn deze bedrijven niet toegestaan. 6.3.2
Conclusie
In Rotterdam Central District zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd.
6.4
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.
Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan 'Rotterdam Central District' maakt het mogelijk dat op drie locaties nieuwe woningen kunnen worden toegevoegd, dan wel dat het bestaande gebouw deels getransformeerd kan worden tot woningen. Deze locaties plot Unilever en de nieuwbouw Delftseplein moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Voor dit plan zijn de wettelijke geluidbronnen wegverkeer en railverkeer relevant. De aspecten industrielawaai en luchtvaartlawaai zijn voor dit bestemmingsplan niet van belang.
De beoogde ontwikkelingen liggen namelijk niet binnen de geluidzone van een industrieterrein of een luchtvaartterrein. In de directe omgeving van de ontwikkellocaties ligt het spoorwegemplacement van ProRail waaraan middels een Wet milieubeheervergunning een geluidruimte is toegekend. Daarom is in het akoestisch onderzoek ingegaan op het aspect geluid afkomstig van dit emplacement.
36
6.4.1
Wegverkeer
Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maximaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. In het akoestisch rapport zijn voor alle relevante wegen de weekdaggemiddelde verkeersintensiteiten opgenomen die worden verwacht bij realisatie van alle mogelijke ontwikkelingen van het bestemmingsplan en de wijde omgeving van het plangebied. De verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op een standaard verkeersbewegingen terwijl het Rotterdamse mobiliteitsbeleid inzet op schonere auto's en reeds een afname van het autogebruik in het centrum zichtbaar is.
De geluidbelastingen vanwege de Schiekade inclusief trams, Pompenburg inclusief trams, Coolsingel inclusief trams, Heer Bokelweg inclusief trams, Hofplein inclusief trams, Schiestraat, Delftsestraat, Kruiskade, Kruisstraat, Henegouwerlaan, Statenweg en Beukelsweg zijn onderzocht en liggen ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Voor de overige wegen blijkt dat bij elke ontwikkellocaties de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege één of meerdere stedelijke wegen wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij vanwege het Delftseplein inclusief tramverkeer ter plaatse van Unilever overschreden. 6.4.2
Railverkeer
De ontwikkellocaties liggen vlakbij het Centraal Station en het spoor. Het railverkeerslawaai overschrijdt bij elke ontwikkellocatie de voorkeurswaade van 55 dB, de maximaal toegestane waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Metro In het bestemmingsplan ligt de metrohalte Rotterdam Centraal en de ondergrondse verbinding met metrohalte Blijdorp en Stadhuis. Conform de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder hebben deze metrolijnen een geluidszone van 25 meer. Echter, omdat deze spoortrajecten binnen het plangebied ondertunneld zijn, wordt de geluidsbelasting vanwege deze spoorlijnen door het tunnellichaam afgeschermd. Vanwege deze trajecten wordt daarom geen geluidsbelasting bij de ontwikkellocaties verwacht. Metrolawaai is daarom niet van belang voor dit bestemmingsplan. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is daarom geen onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege deze metrolijnen. 6.4.3
Emplacement Prorail
De richtwaarde van 50 dB(A) wordt op de ontwikkellocaties als gevolg van de activiteiten op het emplacement van ProRail overschreden. Daarbij wordt op ontwikkellocatie Delftseplein de grenswaarde van 55 dB(A) met maximaal 2 dB overschreden. Daarom is het uitgesloten om aan de zijde van het treinspoor tot 30 meter boven het maaiveld woningen te realiseren in het Tree House. Gelijktijdig aan het opstellen van het bestemmingsplan wordt de WM-vergunning van het emplacement van ProRail aangepast op de nieuwe situatie.
37
6.4.4
Hogere waarden
Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidsbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Van woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidskwaliteit hebben, ook als de geluidsbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai. Wegverkeer De gecumuleerde geluidbelasting inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh is vanwege de zoneplichtige wegen bij de locaties per bouwlaag berekend. Hieruit blijkt dat ontwikkellocatie Delftseplein aan de noord- en westzijde geluidluw is locatie Unilever niet beschikt over een geluidluwe gevel Railverkeer Uit de rekenresultaten blijkt dat alle ontwikkellocaties vanwege railverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe zijde beschikken.
Plot Unilever Ter plaatse van het kantoor van Unilever en de hogeschool TIO is de bestemming 'Wonen' toegestaan. Woningen zijn er nu nog niet. In de regels is opgenomen dat aan de zijde van het Delftseplein geen woningen mogen worden gerealiseerd tussen het maaiveld en 11,5 meter omdat hier de maximaal toegestane geluidbelasting wordt overschreden. Omdat er geen zicht is op een concrete ontwikkeling is hier aan toegevoegd dat van dit verbod mag worden afgeweken indien wordt aangetoond in een akoestisch onderzoek dat de maximaal toegestane geluidbelasting niet wordt overschreden. Voor nieuwe woningen geldt: ze dienen te beschikken over 1 geluidluwe gevel of er dient anderszins te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning. Hiermee wordt voldaan aan het Ontheffingenbeleid
Delftseplein De ontwikkeling Delftseplein omvat maximaal 320 woningen met een oppervlakte van 45 m2 tot 75 m2. Deze woningen zijn 1- of 2-zijdig (op een hoek) georiënteerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurswaarde aan alle zijden van het Treehouse wordt overschreden. De maximaal toegestane geluidbelasting wordt overschreden aan de zijde van het spoor. In de regels wordt vastgelegd dat aan deze zijde vanaf het maaiveld tot 30 meter hoog geen woningen mogen komen. De voorkeurswaarde wordt aan alle vier de zijden van het Treehouse overschreden daarom wordt een besluit hogere waarden aangevraagd. Het Ontheffingenbeleid Rotterdam schrijft voor dat een hogere waarde verleend wordt indien de woning aan 1 zijde een geluidluwe gevel en buitenruimte heeft. De woningen in het Tree House hebben dit niet vanwege spoor- tram- en wegverkeerslawaai. De locatie kent, afgezien van de geluidbelasting, een hoogstedelijke kwaliteit. De aanwezigheid van kwalitatief excellent openbaar vervoer en de veelheid aan voorzieningen compenseren het ontbreken van de geluidluwe gevel en buitenruimte. Het plan levert daarnaast een belangrijke bijdrage aan de woningbouwopgave.
De gemeente Rotterdam schijft in haar Kwaliteitsbeleid woningen, onderdeel kleine woningen, dat er binnen het 'centrum stedelijk wonen' een toename is van kleine huishoudens voor een doelgroep die bewust kiest om centraal te wonen nabij voorzieningen en werk. Het Treehouse voorziet in deze behoefte. Een belangrijke kwaliteit van de woningen is dat zij allen, ongeacht de oppervlakte, beschikken over privé buitenruimte, in de vorm van een balkon. De locatie van het Treehouse is geluidbelast maar dit weegt niet op tegen de voordelen van wonen in de binnenstad met een ruim aanbod aan stedelijke voorzieningen in en nabij het gebouw en dichtbij allerlei vormen van openbaar vervoer. Om eigen autobezit te ontmoedigen en het gebruik van de fiets te stimuleren, worden er geen autoparkeerplaatsen gerealiseerd maar wel stallingsmogelijkheden voor fietsen. De gevel en raampartijen zijn voldoende geïsoleerd om een goed geluidsniveau in de woningen te garanderen. Maar er zijn geen middelen om de geluidbelasting van de buitenruimtes voor de
38
woningen te verlagen zonder de levendige uitstraling van het bijzondere ontwerp van het gebouw aan te tasten.
6.5
Trillingen
Bij de realisatie van de woningen op locaties nabij het spoor zal aandacht besteed moeten worden aan trillinghinder en contactgeluid. Trillingen ten gevolge van de passages van de metrostellen en NS-treinen zijn goed op te vangen door maatregelen aan de bron, maatregelen in overdracht en bij de ontvanger. In de regels van de bestemmingen waar nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan, is toegevoegd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen kan alleen worden verleend wanneer er is aangetoond dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden met betrekking tot het aspect trillingshinder vanwege spoorverkeer.
6.6
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:
er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De
39
beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg met meer van 10.000 motorvoertuigen per etmaal. De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.6.1
Plangebied
Een van de projecten die in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen is het project Rotterdam Centrum. Dit in-betekenende-mate (IBM) project is niet één grote ruimtelijke ontwikkeling, zoals bij de meeste andere NSL-projecten wel het geval is, maar een samenvoeging van alle nieuwbouwprojecten (bestemmingsplannen, bouwplannen) die sinds 2009 in het centrum van Rotterdam zijn gerealiseerd of tot 1-1-2021 (ontwerp-plannen) zijn voorzien. Op die datum treedt de Omgevingswet in werking en houdt het NSL op te bestaan. Omdat het verkeer in deze projecten van en naar de nieuwe bebouwing over dezelfde wegen rijdt en deze projecten ongeveer in dezelfde periode worden gerealiseerd is het wettelijk verplicht om deze projecten voor wat betreft luchtkwaliteit als één project te beschouwen. Een bestemmingsplan dat één of meerdere van deze projecten mogelijk maakt mag daarom een beroep op het NSL-project Rotterdam Centrum, voor zover er nog ruimte voor stedenbouwkundige programma's beschikbaar is. Voor NSL projecten geldt dat er niet getoetst wordt aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In onderstaande tabel is de toegekende NSL programmaruimte voor het IBM project Rotterdam Centrum weergegeven en omgerekend naar verkeersbewegingen.
Programma
Factor verkeersbewegingen
5. 000 woningen
3,68 per woning per dag
2
315.000 m kantoren
2
Aantal verkeersbewegingen per dag 18.400
1,17 per 100 m per dag
3.685
145.000 m2 voorzieningen 8,12 per 100 m2 per dag
11.774
Totaal beschikbaar
33.859
Door de gemeente Rotterdam wordt een boekhouding bijgehouden van de reeds toegekende programmaruimte voor projecten die gerealiseerd zijn sinds 2009 en projecten waarvoor programmaruimte is gereserveerd en waarvan de uitvoering voor 1-1-2021 wordt gestart. De stand van zaken (anno juni 2020) in deze boekhouding is dat de tellerstand op 24.345 uitgegeven verkeersbewegingen per dag staat. Dit betekent dat er nog 9.514 (33.859 min 24.345) verkeersbewegingen per dag te vergeven zijn aan nieuwe projecten. De ontwikkelingen (projecten) binnen RCD hebben een omvang van maximaal 119.500 m2 b.v.o (Delftseplein 44.500, Delftse Poort 25.000 en Unilever 50.000). De theoretische worstcase invulling, wat betreft de hiermee gepaard gaande maximale aantal verkeersbewegingen, is dat de ontwikkelingen louter en alleen uit woningen bestaan hetgeen betekent dat er dan 1.195 woningen zouden komen van 100 m2 per woning. Deze 1.195 woningen genereren (factor 3,68) maximaal 4.398 verkeersbewegingen per dag en passen binnen het nog uit te geven quotum van 9.514. De Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang is van toepassing omdat op het Weena meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal rijden aan het einde van de planperiode. Binnen 50 meter van het Weena zijn geen kinderdagverblijven gevestigd en worden ook nergens toegestaan in de regels. 6.6.2
Conclusie
De ontwikkelingen die het bestemmingsplan RCD mogelijk maakt voldoen aan het IBM project Rotterdam Centrum en daarmee aan de wet luchtkwaliteit. Tevens voldoet het bestemmingsplan aan de Beleidsregel buitenklimaat.
40
6.7
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.1
Conclusie
Uit Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam blijkt dat in RCD de contactzone (de bovenste meter van de bodem) slechts zeer licht verontreinigd is. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is mogelijk licht verontreinigd. Het bestemmingsplan voorziet in nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn. Op basis van de indicatieve Bodemkwaliteitskaart is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locaties waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt thans al schoon genoeg is voor de woonfunctie. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning is nader bodemonderzoek noodzakelijk. Het milieuaspect bodemverontreiniging speelt geen rol bij de functiewijzigingen van bestaande panden en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
6.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.