20bb17092 Bijlage 1 behorende bij 20bb17094 - ontwerpbestemmingsplan Cool
Tekst van het document
Provinciaal beleid
Het provinciaal waterbeleid maakt onderdeel uit van het Omgevingsbeleid vastgelegd in Visie ruimte en mobiliteit. 5.1.3
Regionaal beleid
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.
40
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
Het enige oppervlaktewater in het plangebied is de Westersingel. Deze heeft een vast peil van NAP – 2,40 m. Aanvoer van water in de Westersingel vindt plaats door middel van een spuileiding onder vrij verval vanuit de Rotteboezem. Het stroomt vervolgens zuidwaarts richting het gemaal Eendrachtsweg dat het water uitmaalt en loost op de Nieuwe Maas. 5.3.2
Grondwater
Voor grondwater liggen er een aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de peilbuizen blijkt dat de kleinste ontwateringsdiepte in het plangebied 80 centimeter is. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte groter/kleiner is dan 80 centimeter zal niet/wel snel grondwateroverlast in het plangebied optreden. Er zijn uit "Cool" geen klachten over het grondwater bekend. 5.3.3
Waterkering
Langs de zuidgrens van het plangebied loopt de primaire waterkering. Aan de oostzijde loopt een regionale waterkering. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd. In het BARRO (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is vastgelegd hoe de zones van primaire waterkeringen moeten worden weergegeven op de verbeelding van een bestemmingsplan. Het waterstaatswerk moet worden bestemd met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". De beschermingszone moet worden bestemd als "vrijwaringszone - dijk", of "vrijwaringszone - overig". Ook de regionale waterkering in het bestemmingsplangebied moeten conform provinciaal beleid worden bestemd als "Waterstaat - Waterkering" en de beschermingszone als "vrijwaringszone - dijk" of "vrijwaringszone - waterstaatswerk". In hun advies merkt het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard op dat voor de regionale waterkering een nieuwe legger in ontwerp is vastgesteld. Als deze wordt vastgesteld voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld moet de nieuwe leggerzonering in het bestemmingsplan worden opgenomen. Deze (primaire en/of secundaire) waterkeringen en de beschermingszones aan weerszijden daarvan hebben de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" gekregen. 5.3.4
Riolering
Het bestemmingsplangebied ligt in rioleringsdistrict 9 (centrum). In het plangebied ligt een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District 9 voert het afvalwater af naar AWZI Dokhaven. Bij extreme regenval kan ook water rechtstreeks op de Maas worden geloosd. Ook zijn er een aantal overstorten aanwezig die uitkomen op de Westersingel.
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
Het gebied Cool heeft een wateropgave blijkt uit de analyse die gemaakt is in het kader van de herijking van het Waterplan 2. Door klimaatverandering kunnen in de toekomst vaker hevige regenbuien voorkomen. Creëren van opvangmogelijkheden voor regenwater is gewenst. In het bestemmingsplan zijn geen nieuwe ontwikkelingen opgenomen die gekoppeld kunnen worden aan de wateropgave. Wel maakt het bestemmingsplan het mogelijk om in gebieden met de bestemming "Groen" nieuw water aan te leggen Andere mogelijkheden voor het creëren van meer waterberging zijn bijvoorbeeld:
41
Groene daken in combinatie met waterberging op het dak; Waterpasserende verharding met daaronder bijvoorbeeld infiltratiekratten. Het toepassen van waterpasserende verhardingen zorgt voor een duurzame afvoer van regenwater naar de ondergrond en een afname van de belasting van het riool bij regenbuien. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de grondwaterstand. Daar waar sprake is van houten paalfunderingen is het belangrijk dat de grondwaterstand niet te veel varieert. In Cool is een aantal openbare binnentuinen. Hier kan water worden gebufferd wat vervolgens in droge perioden weer gebruikt kan worden. In de toekomst zullen in Cool nog ontwikkelingen plaatsvinden. Het is van belang om dan synergie te zoeken tussen de ruimtelijke ontwikkelingen en de wateropgave die er is in de wijk. In elk geval hoort daarbij het opvangen van regenwater op het eigen terrein. Ook is het toevoegen van meer groen gewenst om het stedelijk hitte-eiland effect tegen te gaan. 5.4.2
Grondwater
In de wijk staat een aantal huizen met houten paalfunderingen. De aandachtspunten hier zijn grondwateronderlast en paalrot. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Waterveiligheid binnendijks Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring. Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1/4.000 of 1/10.000 per jaar. Dit betekent dat deze waterkering is ontworpen om een waterhoogte te keren met een terugkeertijd van gemiddeld eens per 4.000/10.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks (bij een dijkdoorbraak) zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire waterkering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Hieruit blijkt dat van het binnendijkse gedeelte van "Cool" bij een dijkdoorbraak zal overstromen, waarbij de waterstand op het maaiveld kan oplopen tot circa 4 meter. 5.4.4
Riolering
De lange termijn visie van de gemeente Rotterdam gaat voor het centrum van Rotterdam uit van het realiseren van voldoende waterberging en het vertraagd afvoeren van regenwater. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Voor toekomstige ontwikkelingen moet er rekening mee worden gehouden dat de gemeente Rotterdam eist dat hemelwater op het eigen terrein wordt vastgehouden. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI.
42
Hoofdstuk 6 6.1
M ilieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.
43
6.2.1
Plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als gemengd woongebied. Dit houdt in dat in principe binnen het plangebied alleen activiteiten in de milieucategorieën 1, 2 en 3 zijn toegestaan. In dit plan zijn bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 toegestaan. De aanwezige inrichting voor de productie van warm water voor het stadsverwarmingsnet is gelegen op het gezoneerd industrieterrein "Blekerhof". Bij besluit van 10 april 2019 hebben gedeputeerde staten besloten tot het doorvoeren van een technische aanpassing bij de ketels, zodat deze niet meer tegelijkertijd kunnen worden aangezet, een wijziging van de bedrijfstijden van de ketels en een verzoek tot wijziging van de geluidvoorschriften. De zonering is niet meer nodig en er wordt een maatbestemming "specifieke vorm van bedrijf - elektriciteitscentrale" opgenomen voor de aanwezige inrichting. 6.2.2
Conclusie
In het plangebied van bestemmingsplan "Cool" en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.
6.3
Milieu effectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.3.1
Plangebied
Toetsing bestemmingsplan aan m.e.r.-beoordelingsplicht In het bestemmingsplan "Cool" zal het aantal woningen toenemen, vooral door de transformatie van kantoren naar woningen (circa 700 woningen). Daarnaast wordt onder voorwaarden door wijzigingsbevoegdheden de nieuwbouw van woningen mogelijk gemaakt (circa 300 woningen). Een groei met circa 1.000 woningen wordt tijdens de planperiode voorzien. Daartegenover staat dat het programma aan kantoren binnen het plangebied in deze periode per saldo met circa 60.000 m2 zal afnemen. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkelingen echter ruim onder de drempelwaarden (o.a. 2.000+ nieuwe woningen in een aaneengesloten gebied) van deze activiteit blijven. Daarom kan (met een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Tevens zal hiervoor een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen.
Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de drie criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:
44
1. Kenmerken van het project als omvang, cumulatie met andere projecten, gebruik natuurlijke hulpbronnen, productie afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen (i.v.m. stoffen/technologieën). Motivering: dit bestemmingsplan maakt de transformatie van kantoren naar woningen en de nieuwbouw van woningen in de vorm van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk. Het vorige bestemmingsplan bood deze mogelijkheden ook al. In dit bestemmingsplan zijn deze nog ongebruikte mogelijkheden opnieuw onderzocht. Er is geen sprake van cumulatie met een andere ontwikkeling in de omgeving, geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder of (bedoeld) risico van ongevallen. 2. Plaats van het project (de kwetsbaarheid van het milieu in het gebied waarop het project effect kan hebben), bijvoorbeeld een natuurgebied. Motivering: de ontwikkelingsmogelijkheden hebben geen effecten op gevoelige gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland. 3. Kenmerken van het potentiële effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur frequentie en onomkeerbaarheid). Motivering: er worden geen (grote) negatieve effecten op het milieu verwacht, ook niet voor wat betreft het bereik, de waarschijnlijkheid, de duur en frequentie van de mogelijke effecten.
Dit blijkt uit de milieuonderzoeken die ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Het bestemmingsplan zorgt niet voor een significante toename van verkeer, en draagt daarmee ook niet in betekenende mate bij aan een toename van geluid en luchtverontreiniging (zie de conclusie in de paragrafen 6.4.4 en 6.5.2). Het bestemmingsplan leidt niet tot een verandering ten opzichte van de huidige situatie bij bodemverontreiniging en externe veiligheid (zie de conclusies in de paragrafen 6.6.1 en 6.7.1). Ten slotte wordt ten aanzien van watercompensatie geen extra verharding aangebracht, omdat het om transformatie van bestaande panden gaat en sloop/nieuwbouw van gebouwen (zie voor de conclusie in de paragraaf 5.4). Conclusie Uit de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen (grote) negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Op basis hiervan heeft het college van B&W besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan ook niet noodzakelijk is. Het besluit is bijgevoegd als Bijlage 7.
6.4
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.
Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting
45
terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan "Cool" is geluidsonderzoek verricht op een aantal locaties waar thans geen geluidsgevoelige functies zijn gevestigd. Deze functies waren in het vorige bestemmingsplan planologisch al wel mogelijk, maar bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moeten deze locaties op grond van de Wet geluidhinder als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de locaties W01, W02 en W03 aan de Westblaak en W04 en W05 aan de Witte de Withstraat. Voor de locaties WB01 en WB02 was in het vorige bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een woongebouw. Deze mogelijkheid is akoestisch opnieuw onderzocht. 6.4.1
Wegverkeer
Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven. Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied
Stedelijk- -gebied
Aantal rijstroken
1 of 2
3 of meer
1 of 2
3 of 4
5 of meer
200 meter
350 meter
250 meter
400 meter
600 meter
Zonebreedte
Buiten-
-stedelijk-
-gebied
Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 decibel (dB). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (snelwegen worden altijd als buitenstedelijk gezien) en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn weergegeven in de onderstaande tabel
46
47
Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige situaties per zoneplichtige weg
Uit de tabel blijkt dat de voorkeurswaarde (48 dB) op alle onderzochte locaties vanwege één of meerdere wegen wordt overschreden. Daarbij wordt de maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor nieuwe woningen (63 dB) op locatie W01 vanwege de Karel Doormanstraat met maximaal 3 dB overschreden en op locatie WB02 vanwege de Schiedamsedijk inclusief tramverkeer met maximaal 5 dB. Geluidbelasting 30 km/u-wegen Voor de 30 km/u-wegen geldt geen toetsingsverplichting aan de normen van de Wet geluidhinder. Dit is omdat door de lagere rijsnelheid de geluidsbelasting vanaf deze wegen al is beperkt. De geluidsbelasting vanaf 30 km/u-wegen is echter wel van belang bij de afweging ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Bij relevante wegen die direct langs de nieuwe situaties liggen dient de geluidsbelasting te worden berekend. De geluidbelastingen mogen conform artikel 110g van de Wgh met 5 dB worden gecorrigeerd. Er zijn twee relevante 30 km/u-wegen namelijk Witte de Withstraat en Boomgaardsstraat. Het verkeer op de Witte de Withstraat veroorzaakt op locatie W04 een geluidsbelasting van 56 dB. Deze geluidsbelasting is acceptabel in stedelijk gebied, aangezien deze locatie kan worden uitgevoerd met een geluidsluwe gevel. Het verkeer op de Boomgaardsstraat veroorzaakt op locatie W05 een geluidsbelasting van 56 dB.
Deze geluidsbelasting is acceptabel in stedelijk gebied, aangezien deze locatie kan worden uitgevoerd met een geluidsluwe gevel. 6.4.2
Railverkeer
Tram Door het plangebied rijden de tramlijnen 4, 7, 8, 20, 21, 23, 24 en 25. Metro De metrolijnen A t/m E liggen binnen het plangebied. Conform de Regeling zonekaart spoorwegen
48
geluidhinder hebben deze metrolijnen een geluidszone van 25 meter. Echter, omdat deze spoortrajecten binnen het plangebied ondertunneld zijn, wordt de geluidsbelasting vanwege deze spoorlijnen door het tunnellichaam afgeschermd. Vanwege deze trajecten wordt daarom geen geluidsbelasting bij de ontwikkellocaties verwacht. Metrolawaai is daarom niet van belang voor dit bestemmingsplan. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is daarom geen onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege deze metrolijnen. Wel is in het geluidsonderzoek aandacht besteedt aan trillingen. 6.4.3
Cumulatie
Er is sprake van cumulatie bij meerdere zoneplichtige geluidbronsoorten ten gevolge waarvan de voorkeurswaarde wordt overschreden. In het akoestisch onderzoek is alleen sprake van de zoneplichtige geluidbron wegverkeer. Cumulatie is derhalve niet van toepassing. 6.4.4
Conclusie
Op alle onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege een stedelijke weg voor nieuwe woningen (63 dB) wordt daarbij op locatie W01 vanwege de Karel Doormanstraat met maximaal 3 dB overschreden en op locaties WB02 vanwege de Schiedamsedijk inclusief tramverkeer met maximaal 5 dB. Voordat kan worden besloten de hoogst berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen moet eerst worden bekeken of door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. 6.4.4.1 Maatregelen Bronmaatregelen In het akoestisch onderzoek is aangegeven dat maatregelen aan de geluidsbron, zoals vermindering van (vracht)verkeer, snelheidsverlaging en/of toepassing van stillere wegdekken kunnen worden overwogen. Gelet op de (toekomstige) ontwikkelingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied is een vermindering van (vracht)verkeer op de wegen die op de onderzochte locaties een overschrijding van de voorkeurswaarde veroorzaken niet aan de orde. Invoering van een 30 km/uur-regiem op diverse stedelijke wegen in het gebied behoort, gelet op de verkeersfunctie van deze wegen, tot de mogelijkheden en kan, naast een verbetering van de verkeersveiligheid, leiden tot een afname van de geluidbelasting met circa 4 dB.
Bovendien worden deze wegen daarmee gedezoneerd waardoor een toetsing van deze wegen aan de normen van de Wgh niet meer aan de orde is. De stillere asfalttypes zijn veelal slijtagegevoeliger dan DAB en ze kunnen veelal op wegen met hellingen, bochten of kruispunten (wegens wringend, optrekkend en afremmend verkeer) niet of slechts op een deel van de weg worden toegepast. Ze zijn daardoor minder effectief. Op de onderzochte wegen met tram (Eendrachtsweg, Eendrachtplein, Coolsingel, Erasmusbrug, Vasteland) is vanwege een groot aantal kruisingen een stiller asfalt op veel plaatsen verkeerskundig niet mogelijk en de geluidreductie is beperkt. Overdrachtsmaatregelen Hierbij kan worden gedacht aan afstandsvergroting en/of afschermende maatregelen. Aangezien de ontwikkelingen binnen de (bebouwingsgrenzen van de) bestaande bebouwing plaatsvinden is een afstandsvergroting niet aan de orde. De onderhavige wegen en tramsporen bevinden zich in een stedelijk gebied. Het plaatsen van een geluidscherm langs deze wegen is vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk/wenselijk.
Ontvangersmaatregelen Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (norm voor de geluidsluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een adequate akoestische inrichting van het plan en een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name
49
(hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toegestane geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar. 6.4.4.2 Ontheffingsbeleid Rotterdam Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidsbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB. Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidskwaliteit hebben, ook als de geluidsbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai.
De nieuwbouwwoningen en de transformatiewoningen worden bij het toepassen van het Ontheffingenbeleid als twee verschillende categorieën gezien. Bij de bestaande (kantoor)gebouwen op de locaties W01, W02 en W03 zijn de locatie, oriëntatie en vormgeving een gegeven. Deze woningen kunnen allemaal na transformatie over een geluidluwe gevel aan de achterzijde van het gebouw beschikken (op een klein gedeelte van W01 na). De locaties W04 en W05 beschikken aan twee zijden over geluidsluwe gevels. Voor de locaties WB01 en WB02 gaat het om nieuwbouwwoningen, waarbij de locatie, de oriëntatie en de vormgeving nog vrij is. WB01 beschikt aan de zuid- en zuidwestzijde van het gebouw op alle bouwlagen over een geluidsluwe gevel. WB02 is ter plaatse van enkele bouwlagen geluidsbelast op de meest noordoostelijke hoek van de locatie. Vanwege de positionering van de appartementen ten opzichte van de aanwezige geluidbronnen, beschikken niet alle woningen over een geluidsluwe gevel. De buitenruimten (balkons en terrassen) van de woningen kunnen echter worden voorzien van een gesloten borstwering en een geluidabsorberend plafond. Dit leidt tot een reductie van de geluidbelasting met 3 dB. Hierdoor beschikt een significant deel van de voorziene woningen alsnog over een gevel met een maximale belasting van 53 dB en daarmee conform het Rotterdamse ontheffingenbeleid over een geluidluwe gevel.
Het Rotterdamse ontheffingenbeleid biedt ook een mogelijkheid om af te wijken van de voorwaarde omtrent de geluidluwe gevel/buitenruimte. In dat geval moet ingezet worden op een zo optimaal mogelijke leefomgeving. Voor de voorziene woningen geldt, dat zij op korte afstand gelegen zijn van een parkachtige omgeving. Gesteld wordt, dat daarmee voldaan wordt aan een zo optimaal mogelijke leefomgeving. Hierbij wordt tevens opgemerkt, dat de te realiseren woningen passen binnen het gemeentelijk beleid om binnen bestaand stedelijk gebied de woningvoorraad uit te breiden. De gemeente Rotterdam kiest er in deze gevallen bij het bestemmingsplan "Cool" voor van haar beleid af te wijken dat nieuwe woningen over een geluidluwe gevel dienen te beschikken. De motivering daarvoor is als volgt: er wordt een groot belang gehecht aan de nieuwbouw van woningen in het centrum; dat de nieuwe woningen geen goede geluidskwaliteit zullen hebben wordt gecompenseerd door de ligging in een levendig centrumgebied, met een grote nabijheid tot allerlei voorzieningen. op loopafstand van deze locaties liggen diverse parken.
In dit bestemmingsplan is voor de locatie WB02 opgenomen dat de woningen aan de zijde van de Schiedamsedijk dienen te beschikken over een geluidsluwe gevel en buitenruimte en tenminste één slaapkamer dient aan de geluidsluwe zijde te worden gesitueerd (andere geluidsgevoelige ruimten dienen zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde te worden gesitueerd).
50
6.4.4.3 Hogere waarden Vanwege de bovenstaande redenen zal aan het college worden voorgesteld de hoogste berekende geluidsbelasting van een geluidsbron (een weg, een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein) op een locatie als hogere waarde vast te stellen. Deze hogere waarde geldt dan als maximaal toegestane geluidsbelasting vanwege de betreffende geluidsbron op de betreffende locatie. Een uitzondering hierop vormen de situaties waarin de hoogste berekende geluidsbelasting hoger is dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. Bij gevels waar dit speelt kan mogelijk de geluidsbelasting worden teruggebracht door het aanbrengen van een vliesgevel (een geluidscherm aan de woningen), of een loggia of binnenbalkon. Een andere mogelijkheid om bij een overschrijding van de wettelijk maximale geluidsbelasting woningen te kunnen realiseren is het toepassen van een 'dove gevel'. Deze goed geïsoleerde gevels hoeven niet aan de normen uit de Wet geluidhinder voor de geluidsbelasting op de gevel te worden getoetst (maar moeten wel aan de norm voor de binnenwaarde voldoen). Procedure hogere waarde Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het weg- en railverkeerslawaai tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd.
De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Deze waarden dienen bij het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan "Cool" als hogere waarden te worden aangevraagd (zie Bijlage 3).
51
Tabel: aan te vragen hogere waarden * De maximaal berekende geluidsbealsting op deze locatie is hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbealsting van 63 dB voor nieuwe woningen vanwege een stedelijke weg. In het bestemmingsplan moet dan worden opgenomen dat op deze locatie één of meerdere gevels met een geluidsbelasting hoger dan 63 dB als een dove gevel wordt uitgevoerd of moet middels een nader akoestisch onderzoek worden aangetoond dat eventueel met maatregelen (bijvoorbeeld toepassing van vliesgevel) de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB niet wordt overschreden.
Ontheffingsbeleid Rotterdam De beoogde woningen op alle onderzochte locaties kunnen beschikken over minimaal één geluidluwe gevel, en indien van toepassing over een geluidluwe buitenruimte, en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam.
52
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
53
6.5.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen hoofdzakelijk vormen van transformatie van functies. Door de afdeling Verkeer & Vervoer is onderzocht wat het effect van deze mogelijke ontwikkelingen op het aantal verkeersbewegingen per etmaal is. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan "Cool" blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde.
De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. De bestemmingen "Centrum - 1", "Centrum - 2", "Centrum - 3" en "Centrum - 4" staan nieuwe kinderdagverblijven niet toe. In de regels bij deze bestemming is opgenomen dat een nieuw kinderdagverblijf niet is toegestaan binnen 50 meter vanaf de rand van de volgende wegen: Westblaak, Schiedamsedijk en Vasteland. Door het ontbreken van ontwikkelingen is er in de plansituatie geen verslechtering van de luchtkwaliteit ten opzichte ven de huidige situatie. Dit betekent dat omdat in de huidige situatie reeds aan de grenswaarden wordt voldaan ook in plansituatie aan de grenswaarden wordt voldaan. 6.5.2
Conclusie
Het bestemmingsplan "Cool" zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan "Cool".
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
54
6.6.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft is het plangebied onderverdeel in twwe gebieden. In het plangebied is er in de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) sprake van een door loodwitfabrieken sterk beïnvloede antropogene bodemlaag. Als gevolg van stadsvernieuwing zijn een beperkt aantal locaties op lood gesaneerd volgens de leeflaagmethode. In de bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld met loodwit vervuilde ophhoglaag verontreinigd. Het bestemmingsplan "Cool" voorziet niet in nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn. Het milieuaspect bodemverontreiniging speelt geen rol bij de functiewijzigingen van bestaande panden, en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Op basis van de indicatieve Bodemkwaliteitskaart is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locaties waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt thans al schoon genoeg is voor de woonfunctie.
6.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo
55
laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.1
Conclusie
Er is nagegaan of er ten behoeve van het bestemmingsplan "Cool" onderzoek gedaan moet worden naar externe veiligheid. De conclusie is dat dit niet nodig is. In of rond het plangebied is namelijk geen sprake van: de aanwezigheid van LPG tankstations, waardoor er ook geen sprake is van transport van LPG, overige transporten van gevaarlijke stoffen via weg, water of rail (het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas vindt op ruim 220 meter van het zuidelijkste punt van het plangebied plaats. Dit is meer dan de norm van 200 meter voor ruimtelijke ordeningsbeperkingen. Aan de afstanden uit het beleidskader bebouwingsvrije zone Nieuwe Maas/Nieuwe Waterweg wordt voldaan); een vliegveld in de buurt, ondergrondse leidingen, zoals hogedruk aardgastransportleidingen met een druk van 20 bar of meer (de Eneco leidingen van 1, 5 of 8 bar geven geen RO-belemmering in de buurt, de leidingen in de Witte de Withstraat en de Schiedamsedijk hebben een druk lager dan 8 bar, waardoor de aanwezige zonering van 4 meter aan weerzijden voldoende is), bedrijven in de nabije omgeving die een risicobron vormen. Kortom, in en om het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan "Cool".
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.
56
6.8.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen kerngebieden. Grenzend aan de oostzijde van het plangebied (buiten het plangebied) is de bomenrij langs de Schiedamsedijk aangemerkt als Groene Wijkdooradering 6.8.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Voor het bestemmingsplan "Cool" is de Wet natuurbescherming relevant. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas en Boezems Kinderdijk, beiden op circa 9 km afstand tot het plangebied. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van tenminste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreffen de gebieden Nieuwkoopse Plassen & De Haek, de Biesbosch en Solleveld & Kapittelduinen). De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000 gebieden.
Dit blijkt uit de berekeningen (voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase) van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, vanwege de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Deze berekeningen zijn uitgevoerd met de Aerius Calculator 2.0. Voor de aanlegfase zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Volgens opgave wordt er, voordat de nieuwe ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden, eerst circa 11.000 m2 b.v.o. gesloopt; Voor het slopen en bouwrijp maken wordt uitgegaan van het kental van 0,077 kg NOx per m2 bvo hetgeen overeenkomt met 865 kg NOx voor dit programma, dit slopen duurt 3 jaar en de uitstoot is dan 288 kg NOx/jaar; per nieuwbouw woning uitstoot 3 kg NOx inclusief bouwverkeer in de directe omgeving (opgaand in het verkeersbeeld), dus 2.292 kg NOx (764 nieuwbouw woningen) verdeeld over 3 bouwjaren is dat 764 kg/jaar; wat betreft de uitstoot van NOx kan de functieverandering (transformatie) van een niet woonfunctie naar een woning worden vergeleken met de renovatie/verbouwing van een woning, dan wel met het realiseren van een aanbouw of bijgebouw bij een woning. Hoewel er bij het uitvoeren van dergelijke werkzaamheden NOx zal worden uitgestoten zal dit, gelet de inzet van de aard en duur van de bouwmachines, zeer beperkt zijn in vergelijking met de realisatie van een nieuwe woning. Het is ondoenlijk om deze geringe uitstoot te kwantificeren.
Ook valt niet te voorspellen in welk jaar deze werkzaamheden plaats zullen vinden, maar aangenomen mag worden dat dit in de komende 10 jaar gelijkmatig over de tijd verdeeld zal zijn. Om deze redenen wordt aangenomen dat de zeer beperkte stikstofuitstoot door transformatie verwaarloos zal zijn in de berekening waarin in 764 nieuwbouw woningen worden gerealiseerd. Voor de gebruiksfase zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: De nieuwe woningen worden niet aangesloten op het aardgas, hier vindt dan ook geen uitstoot van stikstofoxiden plaats. Worst case wordt aangenomen dat de te transformeren kantoren naar woningen hun aardgasaansluiting behouden maar niet meer aardgas gebruiken dan in de kantoorsituatie, dus geen toename van uitstoot van NOx ; De transformatie van kantoren naar woningen levert in het centrumgebied van Rotterdam niet meer verkeersbewegingen per etmaal op, om deze reden is deze transformatie in de berekening niet
57
meegenomen; Voor de 764 nieuwbouw woningen wordt uitgegaan van het CROW kental van 4,7 motorvoertuigritten per dag per woning. Deze motorvoertuigen leggen 550 m af voordat zij opgaan in het algemene verkeersbeeld van de Westblaak en het Vasteland. De samenstelling is 98% licht verkeer en 2% middelzwaar verkeer. De NOx uitstoot is door Aerius Calculator berekend op 36,8 kg per etmaal voor zwaar verkeer en 238 kg voor het lichte verkeer. Resultaten en conclusie A. Het resultaat van de berekening van stikstofdepositie in de aanlegfase is, dat er geen bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden is van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar; B. Het resultaat van de berekening van stikstofdepositie in de gebruiksfase is, dat er geen bijdrage aan de stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden is van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar. Uit deze voortoets blijkt dat er geen (significante) stikstofdepositie wordt veroorzaakt door het bestemmingsplan, en dat een passende beoordeling niet vereist is. Het bestemmingsplan "Cool" is daarmee uitvoerbaar. Het meest nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, op korte afstand ten zuiden van het plangebied. Het meest nabijgelegen Belangrijk Weidevogelgebied is Polder Schieveen, op circa 4,4 kilometer ten noordwesten van het plangebied.
De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze NNN-gebieden. Daarvoor zijn deze ontwikkelingen te beperkt van omvang en liggen ze op te grote afstand van deze gebieden. 6.8.3
Soortbescherming
Vogelrichtlijn Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Dit betreffen enkele waarnemingen van Huismus, Grote gele kwikstaart en Gierzwaluw. Van Gierzwaluw zijn bezette nesten bekend aan de Witte de Withstraat. Andere waarnemingen van bezette nesten van Gierzwaluw zijn bekend in de Jacobusstraat en de Oude Binnenweg. Tijdens het veldbezoek op 8 februari 2019 is een roepende man Huismus waargenomen in de Zwarte Paardenstraat. Het bestemmingsplangebied is geschikt voor Huismus en Gierzwaluw.
Bebouwing met openingen zoals dakpannen, dilatatievoegen of boeiborden bieden geschikt habitat voor voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig. Geschikt functioneel leefgebied (foerageergebied en schuilplaatsen) voor Huismus is aanwezig in de vorm van beplantingen in binnentuinen van woonblokken, lage boen in de straten en groen in bakken in de winkelstraten. Voor overige vogels met jaarrond beschermde jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in gebouwen is het plangebied ongeschikt. Het plangebied is ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Dichte bosschages of hoge bomen in een relatief rustige omgeving zijn niet aanwezig, het plangebied ligt in hoogstedelijk gebied. In het plangebied is broedhabitat aangetroffen voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze zogeheten Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het bestemmingsplangebied kunnen soorten verwacht worden zoals Spreeuw, Koolmees, Pimpelmees, Zwarte kraai en Ekster. Nesten van ekster
58
zijn op meerdere locaties waargenomen in hoge bomen in binnentuinen. Binnen het plangebied is één waarneming bekend van de aandachtssoort Huismus. Er zijn geen andere waarnemingen van aandachtssoorten. Habitatrichtlijn Vleermuizen In de natuurdatabase zijn in het plangebied waarnemingen van vleermuizen bekend. Dit betreffen waarnemingen van foeragerende en overvliegende Gewone dwergvleermuizen en Ruige dwergvleermuizen. Naast deze waarnemingen is een paarverblijfplaats van Ruige dwergvleermuis bekend aan de Oldebarneveltstraat. Deze waarnemingen vormen echter geen compleet beeld van de aanwezige populaties vleermuizen. De meerderheid van de waarnemingen hebben betrekking tot een onderzoek uit 2013. In nagenoeg het hele plangebied is geschikt leefgebied voor vleermuizen aanwezig, maar zijn geen waarnemingen bekend. Naast Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis is het plangebied tevens potentieel geschikt voor de gebouwbewonende soorten Laatvlieger en Tweekleurige vleermuis. Laatstgenoemde soort is in Nederland relatief zeldzaam en waarnemingen zijn schaars. Geschikte locaties voor vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is aanwezig in de aanwezige bebouwing. Nagenoeg alle bebouwing binnen het plangebied is geschikt voor vleermuizen.