CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 21 juli 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 44 - Vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied Wouw29.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Paragraaf 2.5.9 Beleidsnota Toekomst voor het verleden De beleidsnota 'Toekomst voor het verleden' uit 2007 is een integrale nota over alle aspecten van de fysiek-ruimtelijke aspecten van de cultuurhistorie: • • • •

monumentale gebouwen; historische stedenbouw (structuren); archeologie; historisch groen.

Deze nota vormt het uitgangspunt van het College voor de uitvoering van de daarin neergelegde beleidsvoornemens. De nota omvat alleen tastbare cultuurhistorische waardevolle aspecten in of bovenop de bodem van de gemeente Roosendaal. Deze aspecten kunnen bestaan uit (delen van) gebouwen, archeologische vondsten, waardevolle archeologische gebieden en vanuit cultuurhistorische overweging waardevol

53

groen, zoals monumentale bomen of historische parken. De nota gaat dus niet in op de roerende zaken zoals museale stukken en niet op klederdrachten, dialecten, kunst- en cultuuruitingen en dergelijke. Monumenten en ruimtelijke kwaliteitszorg Monumentenzorg is nauw verweven met andere beleidssectoren. Een gebouw vormt altijd een onderdeel van een stads- of dorpsbeeld. Zonder de omgeving verliest een gebouw veel van zijn monumentale waarde. Stedelijke structuren, historische verkavelingen en stratenpatronen zijn belangrijk. Dit leidt tot het volgende belangrijke uitgangspunt van deze monumentennota: De komende jaren wil de gemeente zich meer gaan toeleggen op de samenhang van het monument en de omgeving waarin het monument gesitueerd is. Dit betekent niet, dat individuele bescherming van monumenten niet meer aan de orde is, maar dat meer aandacht wordt geschonken aan de omgeving van het monument. Ook zal méér aandacht worden geschonken aan stedenbouwkundige structuren. De gemeente Roosendaal bezit momenteel 63 rijksmonumenten (inclusief complexen) en 298 gemeentelijke monumenten. Conclusie voor het bestemmingsplan: De monumenten worden in het bestemmingsplan voorzien van een specifieke aanduiding Archeologie De dynamiek in de vorm van bouwlocaties, infrastructurele werken en intensivering van de landbouw maakt dat het bodemarchief onder druk staat.

De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) heeft berekend dat bijna eenderde deel van de archeologische vindplaatsen in de laatste vijftig jaar door bodemingrepen is verdwenen, terwijl maar 2% daarvan is onderzocht. Mede om die reden werd in 1992 door de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta (ook wel Malta genoemd) ondertekend. De archeologische bescherming wordt geregeld op basis van een stelsel van archeologische aandachtsgebieden met indicaties van (lagere of hogere) waarden. De provincie heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant opgesteld met een waardering van mogelijke archeologische gebieden waarvan de bescherming in het bestemmingsplan middels een aanlegvergunning geregeld dient te worden. Aangezien de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed wordt gedecentraliseerd, dienen de gemeenten binnen dit kader hun eigen beleid te ontwikkelen. Roosendaal heeft geen eigen dienst of een specifieke archeologiemedewerker. Om toch voldoende geëquipeerd te zijn met deskundigheid is de gemeente in 2007 een samenwerkingverband aangegaan met de gemeente Bergen op Zoom. Ook is in de beleidsnota de wens uitgesproken te komen tot een archeologische waardenkaart. De informatie die daaruit wordt verzameld, geeft een gemeentedekkend overzicht over het archeologische erfgoed in de gemeente.

De archeologische waardenkaart maakt onderdeel uit van de cultuurhistorische waardenkaart. De gemeente Roosendaal beschikt over een Beleidskaart archeologie.

54

Conclusie voor het bestemmingsplan: De archeologische waarden worden verwerkt in het bestemmingsplan, zodat voldoende bescherming daarvan gewaarborgd is. Historisch groen Er is een gemeentedekkend overzicht van monumentale bomen in Roosendaal. Er staan ongeveer 240 bomen staan op deze lijst. Deze inventarisatie is uitstekend geschikt om 1 op 1 tot ‘historisch groen’ te bestempelen en als zodanig waarde aan toe te kennen. Alle monumentale bomen die op de gemeentelijke lijst staan, zijn beschermd. Deze bomen mogen niet gekapt worden. Recentelijk is de waardevolle bomenkaart aangevuld. Conclusie voor het bestemmingsplan: De monumentale bomen worden aanvullend op het bestemmingsplan bij gemeentelijke verordening beschermd. Zij zijn niet van een specifieke aanduiding voorzien op de verbeelding. Cultuurhistorische Waardenkaart

Een Cultuurhistorische Waardenkaart is een onmisbaar instrument om in een oogopslag een groot aantal waardevolle cultuurhistorische gegevens beschikbaar te hebben. In navolging van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant zal ook de gemeente Roosendaal een Cultuurhistorische Waardenkaart voor het gemeentelijk grondgebied opstellen. Deze kaart biedt ook onmisbare informatie bij het realiseren van bouwprojecten en de cultuurhistorische paragraaf in toelichtingen van bestemmingsplannen. Conclusie voor het bestemmingsplan: De cultuurhistorische waardenkaart is de basis voor de aanduidingen in de Interim omgevingsverordening. De op grond daarvan geldende aanduidingen zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Prioriteit krijgt daarbij de bescherming en versterking van cultuurhistorische waarden. De cultuurhistorische waardekaart heeft in voorkomend geval daar een goede onderbouwing voor.

Paragraaf 2.5.10 Erfgoedkaart gemeente Roosendaal In 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders -voortvloeiend uit de beleidsnota Toekomst voor het verleden- de Erfgoedkaart vastgesteld.

Wat is de erfgoedkaart?

1. De erfgoedkaart is een dynamisch document met informatie inzake cultuurhistorie: het is een verzameling van gegevens die deels al beschikbaar zijn, maar erg verspreid, waardoor het overzicht ontbreekt. Het gaat om de volgende gegevens: archeologie, historisch-geografische elementen en structuren, historische stedenbouw (structuren, rijks- en gemeentelijke monumenten).

55

2. Het document is van belang voor het nemen van ruimtelijke beslissingen, het opstellen van structuurvisies en bestemmingsplannen. Het is een afwegingskader waarbij het aspect cultuurhistorie in brede zin bij ruimtelijk ordeningsbeleid betrokken wordt. Het belang van de erfgoedkaart dient bezien te worden in het licht van landelijke ontwikkelingen. Aandacht voor cultuurhistorie in bestemmingsplannen en de wijze waarop daarmee bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden wordt, heeft een relatie met het door de vorige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in gang gezette project MoMo (modernisering monumentenzorg). Kenmerkend voor MoMo is een integratie van monumentenbeleid/cultuurhistorie met ruimtelijke ordening. Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument waarin aandacht geschonken dient te worden aan en bescherming dient plaats te vinden van cultuurhistorische waarden.

Inhoud van de erfgoedkaart De erfgoedkaart bestaat uit een aantal kaarten en een verklarende en beschrijvende toelichting. In de inleiding van de erfgoedkaart wordt aangegeven dat het product niet alleen een inventarisatie betreft van de binnen de gemeente aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden, maar ook een waardering bevat. Ook wordt aangegeven dat de gemeente beleid zal maken (mede) op basis van de gegevens van de cultuurhistorische inventarisatie en waardering. Deels gebeurt dit trouwens al, omdat de gemeente beschikt over een (rijks- en gemeentelijke) monumentenlijst en een lijst met beschermde bomen. In de Erfgoedverordening zijn de ondergrenzen voor de noodzaak voor archeologisch onderzoek vastgesteld. Bestemmingsplannen dienen te worden voorzien van een archeologische paragraaf in de toelichting en een doorvertaling van relevante archeologische waarden in de regels (door middel van een dubbelbestemming Waarde - archeologie). In hoofdstuk 2 wordt een exposé gegeven van de wording en het gebruik van het landschap. Daarbij wordt ook ingezoemd op de invloed van de mens op het landschap in de verschillende perioden van de geschiedenis. Daarbij komen aan de orde: de agrarische bedrijfsvoering, de turfwinning, de infrastructuur, de religieuze artefacten, nijverheid en industrie. In de hoofdstukken 3 en 4 wordt ingegaan op archeologie.

Daarbij worden in hoofdstuk 3 vooral de reeds aanwezige (geregistreerde) waarnemingen en vondstmeldingen bij elkaar gezet, waarna in hoofdstuk 4 de archeologische verwachtingenkaart wordt toegelicht. De basis van deze verwachtingenkaart is het geomorfologische landschap gecombineerd met de historische geografie. Opgemerkt wordt dat de archeologische verwachtingskaart in de nabije toekomst zeker nog verfijnd zal moeten worden. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de historisch-geografische structuren en de historische groenstructuren. De verschillende interessante gebieden en objecten worden benoemd, in het kort beschreven en gewaardeerd (redelijk hoog-hoog-zeer hoog).

Het gaat daarbij om: •

de nederzettingen (o.a. de kernen, Groot Kal(f)sdonk, Borteldonk, Vroenhout en dergelijke);

56

• •

• • •

de akkers, weidegebieden en woeste gronden en turfwinningsgebieden infrastructuur: belangrijke wegen van oude oorsprong, waarvan de loop nog iets vertelt over de ontwikkeling van het landschap c.q. die een belangrijke verbindingen vormen (bijvoorbeeld verbindingen tussen Bergen op Zoom en Breda die door Roosendaal lopen); kastelen, buitenplaatsen en landgoederen zoals de gronden van het kasteel van Wouw, landgoed Wouwsche Plantage, Landgoed Visdonk en dergelijke; historische groenstructuren en zichtlijnen: het gaat hier vooral om houtwallen en beplantingen van wegen in het buitengebied, alsmede om bossen en parken; historische (steden)bouwkunde: stedenbouwkundige structuren die samenhangende eenheden van gebouwen en structuren vormen die als beschermenswaardig moet worden aangemerkt. Het gaat om: de wederopbouwwijk Kalsdonk, het gebied rondom de Boulevard Antverpia, de Parklaan en omgeving en het stationsgebied (woonwijk) in Roosendaal.

Daarnaast zijn opgenomen: de rijksmonumenten alsmede de gemeentelijke monumenten en de monumentale bomenlijst. De Erfgoedkaart bevat daarmee een totaal inzicht in de bekende archeologische, historischgeografische en historisch bouwkundige waarden en biedt daardoor een goed fundament van cultuurhistorische en archeologische gegevens die kunnen dienen als één van de onderzoeksmomenten bij het nemen van ruimtelijke beslissingen. Op deze wijze wordt reeds geanticipeerd op de verdere uitvoering van de MoMo (modernisering monumentenzorg).. Opgemerkt wordt dat de kaart een dynamisch karakter heeft. Dit geldt met name ook voor het aspect archeologie. Weliswaar bevat de kaart een archeologische verwachtingskaart, maar dat betekent niet dat daarmee het aspect archeologie definitief en voor altijd is vastgelegd. De gemeente heeft sinds september 2007 een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Bergen op Zoom. De stadsarcheoloog van Bergen op Zoom levert binnen het kader van deze overeenkomst in opdracht van de gemeente voor ieder bestemmingsplangebied een op maat gesneden archeologische paragraaf aan. Daarmee wordt de archeologische kennis verder uitgebreid en verdiept. De nieuwste inzichten zullen vervolgens verwerkt worden in de erfgoedkaart.

Conclusie voor het bestemmingsplan: De Erfgoedkaart werkt aanvullend op de monumentenlijst en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Deze bevat een onderbouwing voor het aspect “archeologie” en biedt daarnaast aanvullende informatie voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. Ter bescherming van de archeologische waarden is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming voorzien. Voor de bescherming van de cultuurhistorische waarden is primair uitgegaan van de cultuurhistorische aanduidingen in de Interim omgevingsverordening.

Paragraaf 2.5.11 Waterplan Roosendaal Het Waterplan is een samenwerkingsproduct van de gemeente Roosendaal, het Waterschap Brabantse Delta, de Waterleidingmaatschappij Brabant Water en provincie Noord-Brabant. Het Waterplan vormt de opstap naar een intensieve en efficiënte samenwerking vanuit het besef dat alleen op deze manier de veelal integrale waterproblemen aangepakt kunnen worden. Het Waterplan is een vrijwillige planvorm die geen wettelijke verankering kent. De doelstellingen uit dit Waterplan dienen dan ook vertaald te worden in de gemeentelijke plannen die wel een juridische grondslag kennen. Het Waterplan vervult in dat opzicht de functie van Koepelplan op gemeentelijk niveau.

57

Middels de geldende kwaliteitsdoeleinden wordt in alle deelstroomgebieden een meer duurzaam en veerkrachtig functionerend systeem nagestreefd. Binnen de gestelde termijnen van het geldende beleid wil het waterplan bijdragen aan het realiseren van de volgende doelstellingen: • • • • • • •

de waterkwaliteit voldoet aan de bij wet geregelde minimumnorm en de negatieve invloed van de waterketen hierop is geminimaliseerd; het systeem voldoet aan de gestelde veiligheidsnormen voor inundatie; de ambities die voortvloeien uit het streven naar de basisinspanning en het waterspoor zijn gerealiseerd; grootschalige barrières voor faunapassages in het watersysteem zijn geslecht doordat invulling wordt gegeven aan de ecologische verbindingszone uit het geldende beleid; nieuwe activiteiten worden op duurzame wijze ingepast in het watersysteem en de invloed van bestaande bebouwing is geminimaliseerd; de verwachte klimaatsverandering wordt opgevangen middels een systeemgerichte toepassing van het credo 'vasthouden, bergen, afvoeren'; de mogelijkheden voor duurzame drinkwaterwinning worden in stand gehouden en bij bewoners en bedrijven is een duurzaam gebruik van (drink)water algemeen geaccepteerd.

Boven op de doelstellingen die voortvloeien uit het geldende beleid en al voor een deel gerealiseerd zijn, worden vanuit dit Waterplan extra ambities geformuleerd “de na te streven kwaliteit”. Deze verschillen per stroomgebied. In de waterparagraaf in hoofdstuk 4 wordt hierop nader ingegaan. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het bestemmingsplan moet voldoende ruimte bieden om de maatregelen die voortvloeien uit het waterplan mogelijk te maken.

2.5.12 Verbreed Gemeentelijke rioleringsplan 2020–2023 Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan. In het verbreed GRP wordt de integratie van de zorgplichten hemelwater, afvalwater en grondwater, waarvan hemelwater en grondwater een nieuwe zorgplicht zijn, vormgegegeven. In de Wet gemeentelijke watertaken, in werking per 1 januari 2008, worden naast de traditionele gemeentelijke zorg voor afvalwater expliciet zorgplichten benoemd voor hemelwater en grondwater. Er wordt uitgegaan van de verantwoordelijkheid van de perceelseigenaar voor maatregelen op het eigen terrein. Indien in het bebouwd gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand, dan krijgt de gemeente een zorgplicht. Deze gemeentelijke zorgplicht geldt alleen als het gaat om maatregelen die doelmatig zijn en niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap of provincie behoren. In het VGRP 2020-2023 is opgenomen: • Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; • Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) te voorkomen; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; • Hoe inzicht verkregen wordt in overlast door hoge grondwaterstanden in de gemeente.

De missie van de gemeente is te zorgen voor een duurzame en doelmatige invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater ter bescherming van de volksgezondheid, behoud van droge voeten en een goede waterkwaliteit.

58

In het VGRP 2020-2023 zijn de speerpunten voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde speerpunten te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringvervanging of hydraulische en / of milieumaatregelen, ullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met behulp van het VGRP 2020-2023 worden de volgende speerpunten benoemd: • Werken aan klimaatbestendigheid; • Werken aan een goede waterbalans tussen bebouwd en landelijk gebied; • Werken aan waardevol water.

Conclusie voor het bestemmingsplan: In dit bestemmingsplan wordt aansluiting gezocht bij de wateraspecten uit het beleid van Rijk, provincie en gemeente. Het bestemmingsplan zal geen beperkingen op gaan leveren om het beleid uit het VGRP te kunnen vormgeven. Bij het toestaan van (binnenplanse) ontwikkelingen neemt het belang van realisering van het VGRP een aspect van afweging in.

Paragraaf 2.5.13 Beoordelingskader initiatieven buitengebied Op 22 december 2009 is door het college van burgemeester en wethouders de nota “Beoordelingskader Initiatieven Buitengebied” vastgesteld. Dit beleidsdocument is vervaardigd omdat de gemeente frequent wordt geconfronteerd met verzoeken om medewerking te verlenen aan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, waarbij het in de meeste gevallen gaat om het kunnen bouwen van (nieuwe) woningen. Om niet steeds op adhocbasis hierover besluitvorming tot stand te moeten brengen is ervoor gekozen een afzonderlijk toetsingskader te creëren op basis waarvan concrete verzoeken kunnen worden beoordeeld. De nota betekent overigens geen belangrijke koerswijziging voor de gemeentelijke opstelling in dit soort situaties, maar kan eerder worden gezien als een formalisering van bestendig gevoerd beleid. Al jarenlang wordt namelijk uiterst terughoudend omgegaan met het toestaan van nieuwe woningbouwmogelijkheden buiten de daarvoor aangewezen woonkernen. In de nota zijn linten aangewezen waarlangs eventueel nieuwe invullingen met woningbouw tot de mogelijkheden zouden kunnen behoren. Daarnaast biedt de nota ook ruimte voor de toepassing van meer algemene regelingen, zoals bijvoorbeeld van provinciale zijde zijn geïntroduceerd. Te denken valt hierbij aan de regelingen voor landgoederen, buitenplaatsen en Ruimte voor Ruimte.

Conclusie voor het bestemmingsplan De Nota biedt niet op voorhand input voor extra woningbouw- of anderszins planologische bestemmingen in dit bestemmingsplan

59

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie plangebied Hoofdstuk 3.1 Ruimtelijke en landschappelijke karakteristiek Paragraaf 3.1.1 Landschap: geomorfologie en bodem Het plangebied maakt deel uit van de pleistocene dekzanden van westelijk Noord-Brabant. De bodemopbouw bestaat overwegend uit jonge en oude dekzanden (Formatie van Boxtel) met lemige of venige inschakelingen, op fluviatiele en eolische afzettingen van de Formatie van Stramproy, of op oudere fluviatiele afzettingen (Formatie van Waalre). Kenmerkend binnen de formatie van Waalre is het voorkomen van dikke leemlagen (laagpakket van Tegelen) die in het uiterste westen, bij Bergen op Zoom, dagzomen. De bovenste dekzanden zijn vrij dun en werden afgezet in de eindfase van de laatste ijstijd, circa 11.000 tot 10.000 v.Chr. De oudere dekzanden bevatten soms meerdere venige horizonten, gevormd tijdens warmere perioden tijdens het Weichselien (laatste ijstijd). Een dergelijke horizont werd bij Oud Gastel aangetroffen en is gedateerd op meer dan 30.000 v.Chr. Tijdens de vorming van de jonge dekzanden vond ook winderosie plaats, waardoor op veel plaatsen de dekzanden uiterst dun zijn en de oudere afzettingen bijna aan het oppervlak liggen. Geomorfologisch is in het gebied vooral sprake van dekzandwelvingen en dekzandruggen. Centraal in het gebied stroomt de Smalle Beek of Wouwse Beek. Deze is vrij diep in het landschap ingesneden.

Ten noorden van het dorp Wouw wordt het beekdal breder. Dit gedeelte heeft in de late middeleeuwen onder invloed gestaan van inbreuken vanuit de zee (via het huidige Volkerak). In het zuidoosten van het plangebied bevinden zich de bovenlopen van de Rissebeek (de Bieskensloop en Haiink Beekje). Ten westen van Heerle bevindt zich een oude waterloop (Running) die mogelijk een gegraven veensloot is. Gedurende het Holoceen werd het klimaat warmer en steeg de grondwaterspiegel. De beekdalen werden opgevuld met leem, veen en venig zand. Op de gronden met een slechte afwatering, vaak in combinatie met dikke pleistocene klei op geringe diepte, ontstond veen. De veengroei is begonnen in het laat Mesolithicum (6500 v.Chr.) en bereikte zijn piek in de Bronstijd. Het veen werd pas op grote schaal afgegraven vanaf de dertiende eeuw. De historisch-geograaf Leenders reconstrueerde de veenbedekking in de late middeleeuwen op basis van landschapsrelicten en historische bronnen. Hieruit blijkt dat bijna de helft van het onderhavige plangebied ooit met veen was bedekt: met name het zuidelijke deel tussen Wouwse Plantage en Nispen, en het noordoostelijke gebied rond Moerstraten. Het dorp Wouw en de direct omringende gronden vormden toen een eiland in een omgeving die grotendeels door veen werd gedomineerd.

De bodem in het plangebied is daarom ook grotendeels gevormd door het afgraven van het veen en (op het “eiland” ) door bemesting van landbouwgronden. Overheersend zijn de laar- en veldpodzolgronden met een humeus (landbouw)dek van maximaal 50-60 cm. De veldpodzolen komen meest voor in de ontveende gebieden. In de dorpen en gehuchten liggen de enkeerdgronden, de oude akkers met een humeus dek van meer dan 50 cm dikte, met name op de dekzandruggen en welvingen. Een gedetailleerdere bodemkaart van het dorp Wouw en omgeving is gemaakt door Van Oosten. Deze toont nog beter de locatie van de beste akkergronden. In het zuiden, ter hoogte van de Westelaarsestraat, bevindt zich een zeer grote waaiervormige structuur die een relict is van de veenontginning die hier van noord naar zuid plaatsvond. Na de veenontginningen werden sommige onvruchtbare gronden met bos beplant. Dat gebeurde in de Wouwse Plantage (vroege zestiende eeuw). Het bos bedekt daar zowel de westelijker gelegen stuifzandbodems als de oostelijke voormalige venen. Tevens ontstond er in de negentiende eeuw het dorp Wouwse Plantage. Op enkele kleine zandwelvingen na, bestond heel dit gebied ooit uit veen.

60

De enkeerd- of landbouwgronden rond Wouw en Heerle gelden nog steeds als de beste in de hele regio. Het agrarische gebruik is hier altijd gebleven en de dorpen zijn slechts weinig gegroeid. Landschappelijk is het een ‘apart’ gebied, anders dan het westelijker voormalige veengebied van de Bergse Heide en de oostelijker gelegen dalgronden van Roosendaal.

61

Conclusie voor het bestemmingsplan: Het buitengebied van Wouw heeft vanwege de overwegend goede bodemstructuur nog een belangrijke landbouwkundige functie. Deze belangrijke landbouwkundige functie wordt gewaardeerd maar ook beschermd. Ingrepen in het landschap die kunnen leiden tot verlies van de landbouwkundige gebruikswaarde worden tegengegaan.

62

Afbeelding 14 Geologie en geomorfologie

Paragraaf 3.1.2 Bodemkundige situatie Op de dekzanden vormde zich in de loop van eeuwen door uit- en inspoeling natuurlijke bodemprofielen. Rondom Wouw bestaan de gronden overwegend uit zogenaamde podzolgronden met een dunne humeuze bovenlaag. Onder de bebouwde kom van Wouw en direct ten zuiden ervan worden ook dikke eerdgronden aangetroffen. Dat geldt eveneens voor een noord-zuid gerichte strook aan de oostzijde van het dorp Heerle. Deze gronden zijn ontstaan door eeuwenlange bemesting. Door het jaar in jaar uit opbrengen van dierlijke mest, gemengd met heideplaggen of ander strooisel, ontstond een dikke donkere bovenlaag. Dergelijke gronden zijn kenmerkend voor oude bouwlanden. Elders in het plangebied komen kalkloze zandgronden voor, met name in het beekdal van de Smalle Beek. De huidige bodemkaart toont uiteraard niet de historische veenbedekking van het gebied. Uit eerdere studies (Leenders) blijkt dat een groot deel van oorsprong bedekt was met veen, zoals de Wouwse Plantage en het gebied van Moerstraten. Samen maken deze verdwenen venen ruim de helft van het Wouwse buitengebied uit.

63

Afbeelding 15 Bodemkaart

Bodem (de roze tinten geven gronden weer met een podzolprofiel, de bruine tinten geven dikke eerdgronden weer (bron: Archis 2)

Historie

Uit historisch geografisch onderzoek (Leenders) is duidelijk geworden dat het gebied tussen Bergen op Zoom en Roosendaal in de loop der eeuwen grote veranderingen heeft ondergaan. Het landschap werd vóór de 13de eeuw gekenmerkt door een afwisseling van heide, bossen en uitgestrekte venen. Het gebied van Wouw en Heerle vormde samen met Roosendaal een ‘eiland’ dat aan alle kanten

64

omringd werd door veen. In het zuiden was dat het moeras van de latere Wouwse Plantage, in het westen het Halsters Laag en in het noorden het Hollandveen van het latere Kruisland. Ook aan de oostzijde van Roosendaal lagen grote moerasvlakten. Het veen is vanaf 1250 op grote schaal ontgonnen en afgegraven; het bos verdween en maakte plaats voor akkers en weilanden. De namen Heerle en Wouw wijzen op bos in een nat milieu, veroorzaakt door onderliggende leemlagen. Het is niet precies bekend wanneer dit gebied werd ontgonnen en bevolkt. Vanwege de geïsoleerde ligging en een relatief ontbreken van archeologische vondsten uit de Middeleeuwen lijkt een late ontwikkeling voor de hand te liggen. Anderzijds was het gebied rond 1300 al zodanig ingericht, dat een ontwikkeling nog vóór de veenontginningen van 1250 van start moet zijn gegaan.

Afbeelding 16 Het “eiland van Wouw” omgeven door veenmoeras (grijs) met grenzen plangebied (bron: Leenders 1996)

65

Het 'eiland van Wouw' omgeven door veenmoeras (grijs), met grenzen plangebied (bron: Leenders, 1996) De oorsprong van Wouw kan teruggaan tot de late twaalfde eeuw. De gehuchtnamen Oostlaar en Westlaar markeren de uitgestrektheid van het voormalige bosgebied. Heerle is waarschijnlijk in de dertiende eeuw ontstaan als boshoeve. Aan de oostzijde zijn de langgerekte smalle percelen van de vroegste ontwikkelingsfase nog zichtbaar aanwezig. Eén van de historische elementen is het kasteel van Wouw, dat gesitueerd is tussen de beekdalen. Het is één van de oudste ronde burchten in ons land (late dertiende eeuw) en gaat misschien terug op een twaalfde eeuwse versterking. Een ander element is het versterkte huis ‘Altena’ ten westen van het kasteel, waar al in 1392 vermelding van wordt gemaakt. In de tweede helft van de dertiende eeuw had het gebied al een aanzienlijk economisch belang. In 1287 werd het nauwgezet verdeeld tussen de heren van Breda en Bergen op Zoom. Conclusie voor het bestemmingsplan: De historische structuur en ontstaansgeschiedenis is nog steeds zichtbaar in het landschap. Het is belangrijk deze historisch landschappelijke structuur te beschermen en weer terug te brengen. Bij de keuze van de bestemmingen, de bestemmingsomschrijving, de gebruiksregels en de flexibiliteitsbepalingen wordt hiermee rekening gehouden.

Paragraaf 3.1.3 Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke c.q. landschappelijke hoofdstructuur van het buitengebied van Wouw is het resultaat van de voortdurende wisselwerking tussen het natuurlijke milieu en de talloze menselijke ingrepen. In eerste instantie is de abiotische factor (geomorfologie, bodem en water) bepalend geweest, daarna heeft de mens steeds sterker zijn stempel op het landschap gedrukt. Ondanks de ligging in een grootstedelijke omgeving heeft het buitengebied van Wouw haar landelijke karakter grotendeels weten te behouden. In het Landschapontwikkelingsplan zijn - op grond van de geologische ondergrond, het huidige grondgebruik en het landschapsbeeld - vier landschapstypen onderscheiden die qua aard en verschijningsvorm ieder een samenhangend geheel vormen.

•

Het hoevenlandschap met beken

•

Het oude veenontginningslandschap

•

Het jonge heideontginningslandschap

•

Het gesloten boslandschap op de Brabantse Wal

66

Afbeelding 17 Landschappelijke hoofdstructuur

(bron: Landschapsontwikkelingsplan)

De eerste drie landschapstypen liggen op de overgang van de hoger gelegen Brabantse Wal naar het lager gelegen dekzandgebied. Het dekzandgebied helt geleidelijk af in noordelijke richting. Op de Brabantse Wal ontspringen diverse beken die brede dalen in het landschap hebben ingesleten. De dalen van de Smalle Beek, de Bieskens loop en het Haiinkbeekje zijn duidelijk herkenbaar.

Ad 1. Het hoevenlandschap met beken Dit landschap is te vinden op de hogere gronden langs de beken. Het zijn de oudste in cultuur gebrachte gronden, ontstaan door jarenlange ophoging met potstalmest. Het karakter van dit landschap wordt bepaald door de verspreide hoeves met hooggelegen bouwlanden en grasland in de lagere delen. Bebouwing is in gehuchten om de bouwlanden geconcentreerd. Voorbeelden zijn Hazelaar, Vijfhoek, Wouwse Hil en Westelaar. Vroeger was dit landschap kleinschalig door de singelbeplantingen langs de perceelgrenzen. Nu is het een open glooiend landschap, met een los patroon van verspreide erven en slingerende wegen, soms begeleid door laanbeplantingen. In de beekdalen is plaatselijk waardevol microreliëf aanwezig. Het hoevenlandschap wordt doorsneden door de beekdalen van de Smallebeek en het Loopje. Het beekdal van de Smallebeek vormt een natuurlijke scheiding tussen de dicht bij elkaar liggende

67

dorpskernen van Wouw en Heerle. Beide beekdalen herbergen nog goed zichtbare beekdalglooiingen.

Conclusie voor het bestemmingsplan: Het hoevenlandschap met beken krijgt een speciale bescherming. Dat gebeurt zowel bij de toekenning van de bestemmingen, de bestemmingsomschrijving, de gebruiksregels en de flexibiliteitsbepalingen. Ad. 2. Het oude veenontginningslandschap Op laaggelegen plaatsen ontstonden in een ver verleden veengebieden doordat de waterafvoer stagneerde. De veengronden werden vergraven voor de turfwinning en na de vervening (kleinschalig) verkaveld en in gebruik genomen voor de landbouw. De turfvaarten zijn relicten van de vervening. Bij de Wouwse Plantage zijn de oude veenontginningsgronden bebost en als landgoed ontwikkeld. Bij Moerstraten worden de oude veengronden voornamelijk gebruikt voor vollegrondstuinbouw en boomteelt. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het oude veenontginningslandschap heeft gezorgd voor de kenmerkende bebossing in Wouwse Plantage en de vollegrondtuinbouw en bosteelt in Moerstraten. Deze gebruiksfuncties kunnen worden gecontinueerd en worden in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Ad. 3. Het jonge heideontginningslandschap Deze gebieden zijn pas vanaf het begin van de twintigste eeuw in cultuur gebracht. Ze worden gekenmerkt door een grootschalige landbouwgronden met rationele blokverkaveling met gras- en bouwlanden afgewisseld door grote eenheden bos.

Conclusie voor het bestemmingsplan: Binnen deze gebieden kan de agrarische functie zich verder ontwikkelen

Ad.4. Gesloten boslandschappen op de Brabantse Wal Op de Brabantse Wal liggen uitgestrekte bosgebieden afgewisseld door kleine landbouwenclaves rond de aanwezige dorpen. Aan de oostzijde markeren de Kraggeloop en de Smalle Beek de grens tussen Wal en het dekzandgebied. De bosgebieden zijn van oudsher aangelegd voor houtproductie en de jacht. Conclusie voor het bestemmingsplan: De bosgebieden zullen vooral een natuurbestemming krijgen eventueel aangevuld met de bestemming Bos buiten de Natura 2000-begrenzing

Paragraaf 3.1.4 Landschapsstructuur en landschappelijke waarden In het plangebied liggen meerdere landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle gebieden en waarden, namelijk:

68

• • • • •

(landgoed) Wouwse Plantage; Beekdalen van de Smalle Beek en het Loopje; Halstersche Laag; Coöperatieve zuivelfabriek Wouw; Landgoed Altena;

De eerste vier waardevolle gebieden worden op provinciaal niveau als cultuurhistorisch of aardkundig vlak beschermd.

Conclusie voor het bestemmingsplan: In navolging van de Interim omgevingsverordening zullen de eerste vier gebieden op de verbeelding in de regels worden voorzien van een aanduiding “overige zone” en zullen gerichte bestemmingsomschrijving en regels worden opgenomen.

(Landgoed) Wouwse plantage In het zuidwesten van het plangebied ligt het landgoed Wouwse Plantage. Het 800 hectare groot landgoed bestaat uit een voor Nederland uniek complex gebouwen en een gebied met uitgestrekte productiebossen met naald- en loofhout, bouwland en grasland, relicten van zandverstuivingen, heide en lange dreven met laanbeplanting van beuk. De rationele inrichting en de groepen rododendrons, parkbomen en tot vijvers omgevormde vennen zorgen plaatselijk voor een parkachtig karakter. Zowel de gebouwde omgeving (landhuis, boerderijen, werkplaatsen, dienstwoningen en voormalige steenfabriek) als de landschappelijke structuren (zandwegen, lanenstructuur, de Zoom) worden in de provinciale Interim omgevingsverordening als belangrijk gewaardeerd. Het landhuis en de landschappelijke inrichting zijn bovendien als rijksmonument beschermd Beekdalen van de Smalle beek en het Loopje Ten westen van de kern Wouw ligt een stelsel van kleine beekdalen dat naar Noord-Brabantse normen opvallend diep is ingesneden onder invloed van de aanwezigheid van stugge keien van de Formatie van Waalre in de ondergrond. In het open landschap zijn duidelijk zichtbare beekdalinsijdingen en beekdalglooiingen te zien.

Geomorfologisch verschillen deze beekdalen duidelijk van andere beekdalen in Midden- en Oost-Brabant, vanwege het voorkomen van stugge klei van Formatie van Waalre in de diepe ondergrond. De aardkundige waarden van deze beekdalen worden in de provinciale Interim omgevingsverordening benoemd en als waardevol gewaardeerd. Hiernaast worden de percelering, de zandwegen en het microreliëf op de Looikensakker en De Donken op de Cultuurhistorische Waardenkaart genoemd. Halstersche Laag Het Halstersche Laag is een voormalig veengebied in de laagte tussen Halsteren en Heerle. Het Halstersche Laag is een drassige laagte aan de oostkant van de Brabantse Wal, die als inundatiegebied een belangrijk onderdeel vormde van de verdedigingslinie Bergen op ZoomSteenbergen. In het noordoosten van het gebied vormde het Oudlands Dijkje de grens van het inundatiegebied. Een gedeelte van dit gebied ligt in het plangebied en wordt in de Interim omgevingsverordening als cultuurhistorisch vlak genoemd. Vanuit fort De Roovere lopen meerdere zichtrelaties door het plangebied. De herinnering aan het vroegere moeras wordt in stand gehouden

69

door de natte graslanden, plaatselijk bestaand uit zeer smalle strookvormige percelen, en broekbossen. De restanten van de Zuiderwaterlinie zijn als provinciaal waardevol aangeduid. Coöperatieve Zuivelfabriek Wouw De voormalige coöperatieve Zuivelfabriek Wouw uit 1890 wordt als complex van cultuurhistorische waarde beschermd in de Interim omgevingsverordening. Het complex bestaat uit verschillende opstallen (directeurswoning, kantoor, woonhuis, pakhuizen etc.) Landgoed Altena De bossen bij het pompstation bij Heerle bevatten de restanten van het middeleeuwse kasteel Altena. De vorm van de mogelijk dubbele omgrachting is herkenbaar aan de rondlopende sloten. Het kasteelterrein is aangewezen als beschermd monument. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het landgoed Altena is in het bestemmingsplan bestemd als Bos. In de gebruiksregels zijn aanvullende regels opgenomen om de historische structuur te beschermen.

Overige waarden Verspreid over het plangebied liggen historische lijnstructuren. Verschillende wegen worden op de Cultuurhistorische Waardenkaart zeer hoog gewaardeerd. Verder bestaan op een drietal plekken historische zichtrelaties. Alle niet benoemde structuren en elementen zijn zichtbaar op figuur 3.7. Deze structuren zijn alle lager gewaardeerd dan de afzonderlijk behandelde cultuurhistorische uitingen.

Paragraaf 3.1.5 Aardkundige waarden In en rond het plangebied ligt een provinciaal aangeduid aardkundig waardevol gebied; Beekdalen van de Smalle Beek en het Loopje, en onderstaande tabel. Beekdalen van de Smalle beek en het Loopje Ten westen van de kern Wouw ligt een stelsel van kleine beekdalen dat naar Noord-Brabantse normen opvallend diep is ingesneden onder invloed van de aanwezigheid van stugge kleien van de Formatie van Waalre in de ondergrond. In het open landschap zijn duidelijk zichtbare beekdalinsnijdingen en beekdalglooiingen te zien. Geomorfologisch verschillen deze beekdalen duidelijk van andere beekdalen in Midden- en Oost-Brabant, vanwege het voorkomen van de stugge klei in de ondergrond.

Aardkundige waarden (bron: Provincie Noord-Brabant, www.kaartbank.brabant.nl)

70

Tabel 2 Aaardkundige waarden

71

Afbeelding 18 Aardkundig waardevolle gebieden

Conclusie voor het bestemmingsplan: De desbetreffende gebieden worden in navolging van de Interim omgevingsverordening op een bijzondere manier beschermd middels de aanduiding “overige zone”. Paragraaf 3.1.6 Cultuurhistorie, archeologie en monumenten Cultuurhistorie Geomorfologische situatie Het landschap van West-Brabant werd in het Pleistoceen en Holoceen gevormd (2 miljoen jaar tot 10.000 jaar geleden). De estuariene en fluviatiele afzettingen uit het Pleistoceen worden gerekend tot de Formaties van Waalre en Stamproy. De bovenste lagen van de Formatie van Waalre bestaat voornamelijk uit klei die relatief dicht aan het oppervlak ligt. Het zand- en kleioppervlak helt geleidelijk af in noordelijke en noordwestelijke richting. Het wordt doorsneden door een aantal beken die van zuid naar noord lopen. Aan het einde van de laatste IJstijd (Weichelien) werd zand over het gebied verplaatst. Er ontstonden laagten waar zand werd uitgeblazen en zanddekken waar het weer werd gedeponeerd. Deze dekzanden worden tot de Formatie van Boxtel en het Laagpakket van Wierden gerekend. Door het dichtstuiven van riviergeulen ontstonden diverse kleinere aftakkingen van de beken. In de lage terreinen vormde zich veen. Vanaf het begin van het Holoceen verbeterde het klimaat en steeg het grondwaterpeil. Onder invloed van een sterk toenemende vegetatie ontstond veengroei. In de Bronstijd (vanaf ca.

3000 v.Chr.) begonnen zich in West-Brabant grote aaneensluitende veengebieden te vormen. Het veen bedekte ooit een groot deel van het plangebied. Alleen op die plaatsen waar de wind dekzandruggen had gevormd, staken droge ‘donken’ boven het veen uit.

72

In het noorden bestond het landschap overwegend uit veen, doorsneden door noordwaarts stromende beken. In de Middeleeuwen nam de invloed van de zee sterk toe waardoor er mariene afzettingen op het veen gevormd werden. Dit proces werd versneld doordat de mens het veen begon af te graven, wat een maaiveldverlaging tot gevolg had. Na stormvloeden en dijkdoorbraken ontstonden uitgestrekte getijdenvlakten met kleiafzettingen. De oude beeklopen werden opnieuw gevormd en kregen het karakter van getijdegeulen. Vanaf 1250 werd overal in het gebied veen ontgonnen. Van de veenbedekking rest thans vrijwel niets meer. De veenontginningen kenmerken zich nu door hun relatieve lage ligging ten opzichte van de dekzandruggen en vaak door de regelmatige rechthoekige kavelstructuren. Bodemkundige situatie Op de dekzanden vormden zich in de loop van eeuwen door natuurlijke processen podzolgronden: veldpodzolen in relatief vlakke lage delen van het landschap en laarpodzolen met een dunne humeuze bovenlaag in de hoger gelegen terreinen. Rond de nederzettingen werd sinds de 11de eeuw bemest met heideplaggen en stalmest, waardoor het maaiveld geleidelijk steeg. Wanneer het plaggendek dikker is dan 50 cm, spreekt men van hoge zwarte enkeerdgronden. Veel esdekken zijn minder dan 50 cm dik en behoren tot de zandgronden met een relatief late bemesting, ook wel akkereerdgronden genoemd.

Vaak is een oudere podzol door ploegen in de akker opgenomen en resteert een AC-profiel.

Archeologie In het gebied zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd en er zijn bovendien veel vondstmeldingen. Ze onderstrepen de hoge archeologische waarde in het plangebied. Vondsten en vindplaatsen dateren uit het Neolithicum, IJzertijd, Romeinse tijd en volle-late Middeleeuwen. Het onderzoek in het tracé van de waterleiding Wouw-Nispen, dat het gebied doorsneed, toonde aan dat het gebied intensief bewoond werd op de dekzandruggen, maar nauwelijks daarbuiten. In de Romeinse tijd bestond er een nederzetting ter zuiden van Wouw in het gebied Ouborg. Andere Romeinse sporen zijn bekend van de Roosendaalsebaan en uit de omgeving van pompstation Altena. De opgraving op de Hoogt (Bulkstraat) leverde een nederzetting uit de ijzertijd op die niet op de dekzandrug lag maar aan de rand ervan, op de overgang naar een beekdal. Dit gebied werd ook in de twaalfde eeuw bewoond. De opgraving van het kasteel van Wouw is een goed voorbeeld van een versterking in een beekdal (twaalfde-eeuwse moerasburcht) in de buurt van een nederzetting. De vondst van een houten burcht onderstreept de archeologische waarde van de beekdalen, waar organische resten zoals hout goed bewaard bleven. De archeologische waarden zijn vooral gekoppeld aan de dekzandruggen en welvingen.

Daarnaast is gekeken naar de agrarische gronden, de enkeerdbodems, omdat deze door hun dikte een goede bescherming bieden voor onderliggende archeologische sporen. Dit heeft samen geleid tot drie zones met een hoge archeologische trefkans: het oude akkergebied van Heerle, de akkers van Wouw en het kasteelterrein. Deze laatste is tevens beschermd als een Archeologisch Rijksmonument. Terreinen met een middelhoge verwachting zijn vooral verbonden aan de dekzandruggen en de beekdalen. Dit betreft grote aaneengesloten oppervlakken tussen Heerle en Wouw, ten noorden en ten noodwesten van Wouw. Tenslotte zijn er gebieden met een lage verwachting. Dit zijn vooral gronden die tot 1250 met veen bedekt waren en waar de kans op het vinden van bewoningssporen erg klein is. Het gaat om het gebied rond Moerstraten en ruim een derde deel van het plangebied ten zuiden van de Westelaarsestraat. Alleen de daarin gelegen dekzandruggen met de dorpen Moerstraten en Wouwse Plantage hebben daar nog een middelhoge verwachting, aangezien er een kans is dat deze gronden

73

ook tijdens het veen droog en bewoonbaar waren. Ook is hier nog een geringe kans op het aantreffen van vondsten uit de steentijden. Onder Wouwse Plantage hebben een of meer ‘stenen kameren’ gestaan: de eerste stenen boerderijen aan de rand van het ontgonnen veen. De moervaart en enkele beken in het zuidelijke gebied zijn eveneens aangeduid met een middelhoge trefkans voor sporen vanaf de late middeleeuwen.

Afbeelding 19 Archeologische waarden

74

Archeologische waarden in het plangebied. Rood= hoge trefkans Groen= middelhoge trefkans

Archeologisch rijksmonument

Afbeelding 20 Bovenste twee afbeeldingen: Kasteel van Wouw, daaronder landgoed Wouwse Plantage , kasteelweide en landgoed Altena

75

Het kasteelterrein, liggend op de zogenaamde Kasteelweide ten noorden van de Waterstraat, is sinds 1978 een beschermd archeologisch Rijksmonument. De plaats herbergt een zeer groot aantal houten en stenen funderingen, grachten en putten van het kasteel en zijn bijgebouwen, daterend uit de 11de t/m de 17de eeuw, direct onder het huidige maaiveld. De begrenzing van het monument wordt gevormd door een aantal sloten aan de zuid-, west- en noordzijde en door de Smalle Beek aan de oostzijde. Binnen dit terrein zijn grondwerkzaamheden niet toegestaan zonder vergunning van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (RCE). Het Rijk is derhalve bevoegd gezag. Na een grootschalig archeologisch onderzoek van 2016 tot 2018 is inzicht verkregen in de bouwgeschiedenis maar ook in de oorspronkelijke omvang van het kasteelcomplex. Het complex blijkt aanmerkelijk groter te zijn dan het beschermde monument. Aan alle zijden, vooral aan de oostzijde, steekt het kasteelterrein flink uit buiten de beschermde contour. Deze extra terreindelen zijn in 2020 door de gemeente Roosendaal aangekocht en worden thans heringericht. Het huidige kasteelterrein bestaat dus uit een door het Rijk beschermd gedeelte en uit delen die daar buiten steken maar thans geen monumentale bescherming hebben.

Overigens is het beekdal, inclusief het kasteelterrein, op de gemeentelijke archeologische waardenkaart in zijn geheel aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde. In het vigerende bestemmingsplan is dit vertaald in een dubbelbestemming waarde-archeologie. Sinds 2018 wordt gewerkt aan een herinrichting van de kasteelweide inclusief de nieuw aangekochte delen. Dit is een plan van Waterschap de Brabantse Delta in samenwerking met de gemeente Roosendaal en de Stichting Kasteel van Wouw die de gronden in erfpacht heeft. In januari 2018 verleende de provincie Noord-Brabant een subsidie in het kader van het provinciaal milieu- en waterplan Noord-Brabant, klimaatrobuuste zoetwatervoorziening Deltaplan Hoge Zandgronden. Het doel van dit plan is meerledig: • • • •

een betere fysieke bescherming van de monumentale resten (de funderingen) door ophogingen met zand; het verhogen van de grondwaterspiegel door verplaatsen van de stuw en het scheppen van een retentiegebied door het gedeeltelijk uitgraven van de grachten; het beter zichtbaar maken van de cultuurhistorische waarden van het gebied, door het opnieuw opwerpen van de aarden wallen, permanent blootleggen van stenen funderingen en het deels uitdiepen van de grachten; het verbeteren van de EVZ structuur door het uitgraven van nieuwe wadi’s en poelen rondom het kasteelcomplex.

Het plan doorloopt thans de diverse vergunningsfasen en moet voor 2022 gerealiseerd zijn.

Korte ontwikkelingsschets Het kasteelterrein gaat terug tot de 11de of vroege 12de eeuw, toen er een ronde houten structuur was in de vorm van een militaire verdedigingspost. Omstreeks het midden van de 13de eeuw werd een rond terrein omgeven door een gracht en (waarschijnlijk) een houten palissade. In het midden stonden enkele stenen gebouwen. Naast deze primitieve burcht stond een bakstenen woontoren. Op het einde van de 13de eeuw, mogelijk kort na 1287, werd de palissade vervangen door een stenen ringmuur zodat een echte stenen ronde waterburcht met een diameter van 43 meter ontstond. Iets later werd de woontoren herbouwd. Buiten de ronde gracht groef men een tweede ringgracht die aan de zuidzijde ook een kleine voorburcht omsloot. De zo ontstane ronde burcht met voorburcht en grachten was een typisch voorbeeld van een 13de-eeuws verdedigbaar kasteel.

76

In de loop van de 14de en 15de eeuw werden veel gebouwen vernieuwd, zowel in de ronde burcht als op de voorburcht.

afbeelding 21 Het kasteel in zijn 14e eeuwse vorm. De rode stippellijn is de contour van het Rijksmonument. Deze volgt min of meer het beloop van de sloten (blauwe lijnen). De groene contour is de begrenzing van de toekomstige inrichting

De EVZ poelen ten noorden en zuiden van de kasteelweide zijn hier niet weergegeven. Omstreeks 1488 besloot de heer van Bergen op Zoom, Jan III van Glymes, de burcht tot zijn woonverblijf te verbouwen. Naar ontwerp van bouwmeester Anthonis Keldermans werd het kasteel omgeven door een moderne fortificatie, bestaande uit wallen en grachten. Deze ‘kasteelfortificatie’ had een omvang van meer dan 5 hectare en was de grootste van die tijd in de Nederlanden. De hoge wallen verbonden vier stenen hoektorens en twee toegangspoorten. Buiten de wallen lagen grachten van 40 meter breedte en 3 meter diepte.

77

Het kasteel werd in 1583 belegerd en ingenomen. In 1605 kwam het definitief in Staatse handen. Vanwege de gevaarlijke ligging werd besloten tot ontmanteling. In 1620 werden de grachten weer gedempt met de grond van de wallen. De bebouwing ging vanaf 1676 geleidelijk tegen de vlakte. In 1911 stond er nog een boerderij maar ook die werd afgebroken. In 1934 liet de eigenaar van de grond de nog aanwezige funderingen uitbreken en afvlakken. Er was sindsdien alleen een platte weide. In 1991 kocht de toenmalige gemeente Wouw de weide aan. Die was 4 hectare groot en omvatte dus niet de oorspronkelijke grootte van het kasteelcomplex. Zo bleef de grond ten oosten van de (inmiddels gekanaliseerde) Smalle Beek in particulier eigendom, evenals stukken aan de andere zijden. De gemeente liet in 1997 een landschapsparkje op de kasteelweide aanleggen. Dit parkje heeft de ondergrond echter nooit voldoende kunnen beschermen tegen vorst en erosie door landbouwgebruik. Het parkje is in 2016 tijdens het archeologisch onderzoek weer verwijderd.

78

afbeelding 22Het kasteel in zijn 16e eeuwse vorm. De rode stippellijn is de contour van het Rijksmonument. De oorspronkelijke grachten steken ver uit buiten deze contour. De groene contourlijn is de begrenzing van de toekomstige inrichting.

De EVZ poelen ten noorden en zuiden van de kasteelweide zijn hier niet weergegeven. Herinrichting Het herinrichtingsplan beoogt het gedeeltelijke uitgraven van de 40 meter brede grachten tot ongeveer 40% van hun oorspronkelijke diepte. Met dit zand worden de historische wallen weer opnieuw opgeworpen. Alle grond binnen de wallen wordt met zand tenminste 50 cm opgehoogd. Om de zichtbaarheid en uitstraling van het monument te vergroten, is er voor gekozen om de meest robuuste onderdelen, de hoektorens en de twee poorten, op maaiveldhoogte zichtbaar te maken. Dit gebeurt door het opmetselen van de resten met twee lagen nieuwe bakstenen en natuurstenen, conform advies van de RCE. Over de buitengracht komt aan de oostzijde een nieuwe brug (een lichte constructie van staal en hout) en aan de westzijde een aarden dam. Rondom de nieuwe buitengrachten komt een wandelpad en naast dit wandelpad wordt een 10 meter brede wadi-strook aangelegd ter verbetering van de EVZ. Ten noorden en zuiden van het kasteel worden enkele poelen gegraven. Een belangrijke ingreep is de verlegging van de Smalle Beek (thans A-sloot) in oostelijke richting. Deze komt aan de oostzijde van de gracht en het wandelpad te liggen. Het huidige toegangspad (zijpad van de Boomhoefstraat) blijft gehandhaafd maar krijgt een bocht naar de nieuwe toegangspoort/brug.

Het beheer en reguliere onderhoud van de site zal in de toekomst worden verzorgd door de pachter, Stichting Kasteel van Wouw, en het waterschap Brabantse Delta. De gemeente zal de Stichting ondersteunen in het onderhoud.

Advies Vanuit de RCE (Rijksdienst) wordt aanbevolen om de contouren van het kasteel in zijn oorspronkelijke vorm aan te wijzen als beschermd archeologisch Rijksmonument (contourvergroting, zie afbeelding onder). Dat houdt in dat aan de oostzijde een grote driehoek extra wordt aangewezen en aan de zuid-, west- en noordzijden stroken van enkele tientallen meters. Dit is thans eenvoudig mogelijk omdat die gronden in eigendom bij de gemeente zijn gekomen. Deze aanbeveling zal vanuit de gemeente worden gedaan zodat de RCE de procedure zelf kan opstarten. Aansluitend hierop wordt dezelfde contour te gebruikt voor de aanduiding “kasteelterrein” in de verbeelding van het bestemmingsplan. Verder is de huidige bestemming “agrarisch” van het plangebied afgehaald. Plangebied betekent hier: de volledige contour van 5 ha inclusief de omliggende EVZ stroken (met uitzondering van de poelen aan de noord- en zuidzijde) zoals door de groene lijnen in onderstaande tekening begrensd. Na de herinrichting is een agrarisch gebruik niet meer mogelijk De bestemming blijft dan cultuurhistorie en natuur: een wandelpark-achtige aanleg met zichtbare historische relicten en een EVZ-functie. Op die manier kan (ook) via het bestemmingsplan gezorgd worden voor een zekere bescherming van het monumentale geheel. Een derde aspect geldt de herinrichting.

Het opwerpen van de wallen, verhogen van de gronden en plaatsen van de brug zal in 2021 gerealiseerd worden. Het opmetselen van de poorten en torens zal meer tijd vergen. Om de toeristische aantrekkelijkheid van het kasteel te vergroten, wordt ook de mogelijkheid van een bezoekerscentrum overwogen. Dit betekent dat er op termijn de behoefte zal zijn

79

om op het terrein een klein gebouw te zetten, vergelijkbaar met “De Schaft” op Fort de Roovere te Bergen op Zoom. De RCE heeft overigens al geadviseerd dat het opbouwen van een structuur ofwel bouwwerk op deze plek een belangrijke versterking van het aspect ‘beleving’ kan betekenen. Ook zal er behoefte zijn aan een te bouwen bergplaats voor de grasmaaiers en werktuigen van de Stichting. Het bestemmingsplan bidet daarvoor de mogelijkheid..

afbeelding 23 de rode stippellijn is de huidige contour van het Rijksmonument. De groene contourlijn is gehanteerd voor de toekomstiuge aanduiding "kasteelterrein" in de verbeelding van het bestemmingsplan.

De EVZ poelen ten noorden en zuiden van de kasteelweide zijn hier niet weergegeven, maar maken in feite geen deel uit van het kasteelterrein.

80

Monumenten Het buitengebied is rijk aan monumentale gebouwen. Binnen het plangebied worden monumenten in een tweetal gradaties onderscheiden. Het betreft de Rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten. Daarnaast beschikt de gemeente over een gemeentelijke bomenkaart en is in de Erfgoedkaart een kaart met historische groenstructuren opgenomen. In het plangebied Buitengebied Wouw zijn de volgende monumenten aanwezig: Monumenten

Heerle Bergsebaan 39 (GM) Bergsebaan 57-57a (GM) Bergsbaan 71(GM) Herelsestraat 173 (GM) Herelsestraat 185 (GM) Herelsestraat 198 (RM) Herelsestraat 215 (GM) Moerstraatseweg 14 (GM) Waterstraat 10 (GM) Zoomvlietweg 5 (GM) Moerstraten Diefhoekstraat 12 (GM) Hellegatseweg 19 (GM) Hellegatseweg 31 (GM) Moerstraatsebaan (oorlogsmonument) (GM) Steenbergsestraat 6 (GM) Wouw

81

Akkerstraat 11 (RM) Akkerstraat 15 (GM) Akkerstraat 16 (GM) Boomhoefstraat 26 (GM) Plantagebaan 75 (GM) Spellestraat bij 44 (Mariadevotiekapel) (RM) Spellestraat 51 (GM) Wouwse Plantage Plantagebaan 98 (GM) Plantagebaan 225 (GM) Plantagecentrum 1 t/m 14 (RM) Westelaarsestraat 234 (GM) Westelaarsestraat 26 (GM) Westelaarsestraat 35 (GM) Westelaarsestraat 56 (GM) Westelaarsestraat 58 (GM)) Hoofdstuk 3.2 Functionele analyse Het huidige grondgebruik verschilt sterk met dat van een eeuw geleden. Het grootste deel van het buitengebied is vandaag de dag in agrarisch gebruik. Naast de agrarische grondgebruiksvormen bepalen het voorkomen van burgerwoningen, bedrijvigheid (niet agrarisch), recreatieve en infrastructurele voorzieningen het huidige grondgebruik. De volgende vormen van grondgebruik kunnen worden onderscheiden:

Paragraaf 3.2.1 Agrarisch De landbouw is een zeer belangrijke grondgebruiker in het buitengebied. Binnen het plangebied bevinden zich op dit moment circa 112 agrarische bedrijven, onder te verdelen in: •

35 veehouderijen • 19 met als hoofdtak melkvee • 3 met als hoofdtak varkens • 7 met als hoofdtak vleesvee • 4 paardenhouderijen • 2 schapenhouderijen;

• • •

54 akkerbouwbedrijven/kwekerijen 7 gemengde bedrijven (akkerbouw/veeteelt) 16 agrarisch verwante bedrijven.

82

Daarnaast zijn er 8 maneges in het plangebied gevestigd.

Het aantal agrarische bedrijven is fors afgenomen gedurende de afgelopen decennia. In 1996 waren er nog 235 agrarische bedrijven gevestigd in het plangebied. De agrarische bedrijven liggen verspreid over het gehele plangebied zonder echte clusters. Er is een relatief groot aandeel akkerbouw/kwekerijen een relatief weinig intensieve veeteelt. De glastuinbouw is geconcentreerd op twee locaties: ten westen van Heerle op de grens met Bergen op Zoom en ten oosten van Wouwse Plantage. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het provinciaal vestigingsgebied glastuinbouw. Rondom de kwekerijen liggen teeltondersteunende voorzieningen. Het plangebied is niet in een stalderingsgebied gelegen zoals aangeduid in de Interim Omgevingsverordening. Uitbreiding of bouw van stallen is daardoor niet gebonden aan de verplichte sloop van andere stallen. Wel liggen er, verspreid in het plangebied, gebieden met de provinciale aanduiding Beperking veehouderij (figuur 3.31). Hierbinnen gelden beperkingen ten aanzien van uitbreiding van veehouderijen: bedrijven mogen alleen en onder voorwaarden uitbreiden als ze grondgebonden zijn. Dat maakt dat in de praktijk niet-grondgebonden bedrijven (voorheen intensieve veehouderijen genoemd) niet uit kunnen breiden.

Deze beperkingen zijn in hoofdlijnen opgelegd in en rondom de gebieden die aangewezen zijn als Natura 2000-gebied of onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant. Conclusie voor het bestemmingsplan: De desbetreffende bedrijven zullen alle met een passende bestemming en een passend bouwvlak worden bestemd. De ontwikkelingsmogelijkheden en het gebruik van de gronden zijn afhankelijk van de waarden van het gebied. Voor de ontwikkelmogelijkheden van de veehouderijen en de omschakelingsmogelijkheden worden de regels uit de Interim omgevingsverordening gevolgd. Voor de bescherming van de Natura 2000 gebieden is bepaald dat per saldo geen toename van stikstofemissie mag plaatsvinden.

Paragraaf 3.2.2 Recreatie en toerisme Het waardevolle cultuurlandschap en de natuurgebieden in combinatie met de cultuurhistorische trekkers zoals de Wouwse Plantage zorgen voor een goed uitgangspunt voor een bloeiende recreatieve sector in de gemeente. Het aanbod aan recreatieve voorzieningen in het buitengebied is dan ook divers. In het plangebied ligt een aantal horecavoorzieningen, campings/vakantieparken, bed & breakfasts, maneges, een natuurpoort, een golfbaan (Wouwse Plantage) en een museum (Brandweermuseum Wouwse Plantage). De recreatieve voorzieningen zijn vooral in het oostelijk deel van het plangebied rondom Heerle en in het zuidelijk deel van het plangebied rondom Wouwse Plantage gelegen. In aanvulling op deze voorzieningen kent het buitengebied meerdere fiets-, wandel- en ruiterroutes. De natuurgebieden zijn toegankelijk voor extensieve vormen van recreatie. Ook het agrarisch landschap wordt als uitloopgebied extensief recreatief gebruikt. De belangrijkste recreatieve trekpleister vormt Landgoed Wouwse Plantage. Het landgoed omvat een complex van twaalf gebouwen waaronder het kasteel, het jachthuis, de prinsenhof en een aantal grote en kleine boerderijen. In één van de gebouwen is een brandweermuseum gevestigd. In de omgeving van Wouwse Plantage ligt de 18-holes golfbaan van golfclub Wouwse Plantage.

Binnen de begrenzing van het plangebied liggen twee grote campings (Herelseheide met een oppervlak van ruim 10 ha en Wouwse Plantage met een oppervlak van ruim 8 hectare) en twee

83

kleinschalige kampeerterreinen (Heemshoeve en ‘t Schouwke). Tot slot liggen verspreid over het buitengebied een aantal recreatiewoningen. In aanvulling op de genoemde dag- en verblijfsrecreatieve voorziening kent het buitengebied talrijke fiets-, wandel- en ruiterroutes. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van bestaande verharde en onverharde wegen en speciaal daarvoor bestemde routes. Door het buitengebied lopen de landelijke lange-afstands-fietsroute (LF-13) en – wandelroute (LAW-11). Daarnaast is sprake van talrijke middellange en korte wandel- en fietsroutes onder meer op landgoed Wouwse Plantage en vanuit de kernen en campings. In de bossen van Wouwse Plantage bevindt zich een onbemand bezoekerscentrum, waarin een permanente tentoonstelling is ingericht over het landgoed en dat als startplaats dient voor diverse wandelroutes. Voor toeristisch autoverkeer is er de ANWB-route de Zeven Heerlijkheden. Dit betreft een circa 100 km lange route die zowel Wouw als Wouwse Plantage aandoet. Voor het toekomstperspectief van de recreatieve sector is een aantal maatschappelijke ontwikkelingen van belang: de toename aan vrije tijd van burgers (vooral ouderen), de afname van de gemiddelde gezinsgrootte (met als gevolg vaker en kortere vakanties), de sterke individualisering (met hoge eisen aan kwaliteit en variatie als gevolg) en de groei van het natuurtoerisme.

Zowel het regionale als gemeentelijke beleid is gericht op het versterken van de toeristische recreatieve sector.

Conclusie voor het bestemmingsplan: De bestaande recreatieve voorzieningen zullen alle positief worden bestemd. Het bestemmingsplan voorziet niet in grootschalige nieuwe voorzieningen of grootschalige uitbreiding van bestaande voorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1301/documents/34718