CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 21 juli 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 44 - Vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied Wouw29.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

is onder voorwaarden toegestaan in het landelijk gebied (gemengd landelijk gebied en groen blauwe mantel samen). Ook toename van de oppervlakte dierenverblijf is onder voorwaarden toegestaan. Alleen zorgvuldige veehouderijen mogen hiervan gebruik maken. Verder gelden de volgende voorwaarden: • • • •

•

inpasbaarheid is in de omgeving vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving; voeren van een zorgvuldige dialoog met omgeving gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief; landschappelijke kwaliteitsverbetering op minimaal 10% van het bouwvlak; voldoen aan (boven)wettelijke eisen ten aanzien van fijnstof en geur: Geur: aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, Fijn stof: aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3 binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.

Om te mogen uitbreiden moet een score van 7,25 gehaald worden op de zogenaamde “Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij” (BZV). In gebieden waarvoor de aanduiding “beperkingen veehouderij” is opgenomen is de uitbreiding, vestiging en omschakeling naar niet- grondgebonden veehouderijen uitgesloten. Ook is in die

27

gebieden de toename van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde bij niet grondgebonden veehouderijen niet toegestaan. Conclusie voor het bestemmingsplan: Uitbreiding, vestiging en omschakeling is alleen mogelijk als de Interim omgevingsverordening hiervoor ruimte biedt. In dit bestemmingsplan wordt voldaan aan de bepalingen van de Interim omgevingsverordening. Eisen stalsysteem De provincie zet sterk in op een verlaging van de stikstofemissies uit veehouderijen en stelt daarom in IVO eisen aan de stikstofemissie. Voor bestaande stallen geldt dat het vanaf 1 januari 2021 verboden is huisvestingssystemen te gebruiken, voor zover deze: •

•

zijn gerealiseerd op basis van een omgevingsvergunning, onderdeel milieu of melding die langer dan 20 (rundvee) of 15 jaar (overig vee) geleden onherroepelijke zijn geworden, respectievelijk zijn ingediend; èn niet voldoen aan de vereisten van bijlage 2 bij de IVO.

Uitzondering hierop waren bedrijven die meedoen aan de stoppersregeling ammoniak. Niet voldoen aan de landelijke emissie-eisen van het Besluit emissiearme huisvesting was tot 1 januari 2020 nog toegestaan op basis van het landelijk afgesproken gedoogbeleid, vastgelegd in de Stoppersregeling onder het Actieplan ammoniak. Bedrijven dienden op 1 januari 2020 gestopt te zijn óf, indien ze toch doorgaan uiterlijk op die datum te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Uitzondering zijn ook bedrijven die op 19 juli 2017 (op bedrijfsniveau) voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Op basis van het Besluit zijn verouderde stallen nog toegestaan, indien via intern salderen alsnog wordt voldaan aan de emissie-eisen van het Besluit. Voor deze groep van bedrijven geldt dat tot 1 oktober 2022 de tijd hebben om hun stalsystemen aan te passen. Bij het realiseren van een nieuwe stal moet deze op dierplaatsniveau voldoen aan de stikstofemissieeisen zoals opgenomen van bijlage 2 van de Interim Omgevingsverordening. Conclusie voor het bestemmingsplan: De regels voor het stalsysteem hebben een rechtstreekse doorwerking op vergunningsniveau. In het bestemmingsplan zullen hiervoor geen regels worden opgenomen

Tijdelijk verbod geitenhouderij De provincie heeft een verbod ingesteld op nieuwe, uitbreiding van bestaande en omschakeling naar geitenhouderijen. Dit omdat onderzoek heeft aangetoond dat er een verhoogde kans is op longontsteking voor mensen die in een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij wonen.

28

Het is onbekend waardoor dit verhoogde risico ontstaat zodat vervolgonderzoek nodig is naar de oorzaak van dit risico. De resultaten van dat onderzoek komen pas op termijn beschikbaar. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het verbod zal in het bestemmingsplan worden opgenomen

Mestbewerking Op een bouwperceel voor een veehouderij is mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest. De provincie wil dat mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (mestbewerking voor derden) plaatsvindt op een daartoe geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Op het perceel van veehouderijen is de mestbewerking van elders geproduceerde mest in beginsel niet mogelijk. Hierop zijn twee uitzonderingen: •

•

voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton/jaar. In de gevallen waarbij er een verdere bewerking van de mest plaatsvindt, moet worden voldaan aan het vereiste dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water teneinde vrachtbewegingen te beperken; als nevenfunctie op een veehouderij gevestigd in gemengd landelijk gebied: onder voorwaarden vestiging van een niet-agrarisch bedrijf voor mestbewerking mogelijk. De voorwaarden betreffen onder andere dat de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd, dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water en dat de ontwikkeling inpasbaar moet zijn in de omgeving. Deze uitzondering geldt niet voor veehouderijen gevestigd binnen de Groenblauwe mantel of in Beperkingen Veehouderij.

Conclusie voor het bestemmingsplan: Als gekozen wordt om mestverwerking toe te staan in het bestemmingsplan, dan dienen de regels van de Interim omgevingsverordening te worden gevolgd. In dit bestemmingsplan wordt geen mogelijkheid geboden aan een collectief van mestverwerking Glastuinbouw De provincie streeft naar concentratie van glastuinbouw in daarvoor speciaal aangewezen gebieden; de glastuinbouwvestigingsgebieden en de doorgroeigebieden glastuinbouw. De ontwikkelingsmogelijkheden voor solitaire glastuinbouwbedrijven buiten die gebieden zijn daarom beperkt. Concentratie leidt tot een aantal synergievoordelen zoals de mogelijkheid om producten gezamenlijk aan- en af te voeren, in- en verkoop te bundelen en milieuproblemen gezamenlijk aan te pakken. Er is een doorgroeigebied aangewezen ten zuidoosten van Wouwse Plantage (Julianaweg) Voor de glastuinbouwbedrijven in het plangebied zijn daarom voor het grootste deel de regels voor de solitaire glastuinbouwbedrijven relevant. Op de status van doorgroeigebied voor glastuinbouw en de verhouding met de groenblauwe mantel die eveneens van toepassing is op dit gebied, wordt later in deze toelichting ingegaan.

29

Vestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf in het landelijk gebied (gemengd landelijk gebied en groenblauwe mantel samen) zijn niet toegestaan. Uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare netto glas als is aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is om de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf voor langere termijn te waarborgen. Bij het toestaan van uitbreidings- of wijzigingsmogelijkheden is toetsing aan de NNB van belang. Artikel 3.16 van de Interim omgevingsverordening bevat een bepaling die ziet op de bescherming van het NNB en de externe werking van andere ontwikkeling voor de ecologische waarden van gebieden die in het NNB zijn gelegen. Conclusie voor het bestemmingsplan: In hoofdstuk 5 wordt de keuze om geen gebruik te maken van de mogelijkheden van een doorgroeigebied nader verantwoord. Voor het overige worden de regels voor het toestaan en uitbreiden van glastuinbouwbedrijven gevolgd. Permanente teeltondersteunende voorzieningen (TOV) Gemengd landelijk gebied In de Interim omgevingsverordening is in gemengd landelijk gebied uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf toegestaan als dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is. Aan de oppervlakte van permanente teeltondersteunende voorzieningen worden geen beperkingen gesteld.

Wel worden beperkingen gesteld aan de oppervlakte van een kas ten behoeve van grondgebonden teeltbedrijven. Deze mag in gemengd landelijk gebied ten behoeve van een grondgebonden teeltbedrijf ten hoogste 5.000 m² zijn . Vanwege het glastuinbouwconcentratiebeleid is er een maximum gesteld aan de omvang van ondersteunende kassen om te voorkomen dat er sluipenderwijs een zelfstandig glastuinbouwbedrijf ontstaat. Groenblauwe mantel Binnen de Groenblauwe mantel is de bouw van kassen uitgesloten en mogen nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen ten hoogste 3 hectare oppervlak hebben. Gebieden met bijzondere aanduidingen Binnen gebieden met bijzondere aanduidingen zoals aardkundig waardevol en cultuurhistorisch vlak worden permanente teeltondersteunende voorzieningen uitgesloten. Dergelijke voorzieningen zijn noch vanuit landschappelijk oogpunt noch vanuit het oogpunt van beheersing van waterhuishouding en voorkoming van uitputting van de gronden wenselijk. Conclusie voor het bestemmingsplan: In hoofdstuk 5 wordt de keuze voor het toestaan van permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen nader onderbouwd.

Thema’s Water (afdeling 2.1 rechtstreeks werkende regels en paragraaf 3.2.2 instructieregels) In de IOV zijn diverse (beschermings)maatregelen opgenomen ten aanzien van waterbelangen. Zo zijn er rondom de waterwingebieden grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

30

opgenomen, zijn waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging aangewezen (zie kopje “klimaat”) en zijn eisen gesteld ten aanzien van waterveiligheid (zie kopje “klimaat”) en waterkwaliteit. Dat laatste ook vanuit de (Europese) Kaderrichtlijn Water. De waterbelangen geven beperkingen en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht ten aanzien van waterbelangen om negatieve effecten op voorhand te voorkomen. In een waterwingebied geldt een algemeen verbod op het oprichten van locatiegebonden milieubelastende activiteiten, werkzaamheden op of in de bodem en het gebruik of aanwezig hebben van (potentieel) schadelijke, het toepassen van uitloogbare materialen en het gebruiken als parkeerterrein of voor evenementen.

Binnen grondwaterbeschermingsgebied geldt dat activiteiten die schadelijk (kunnen) zijn voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater zijn verboden: een locatiegebonden milieubelastende activiteit, het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen, de toepassing van IBC-bouwstoffen, de aanleg van een buisleiding, opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen, een begraafplaats of uitstrooiveld, activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen. Binnen boringsvrije zone gelden geen absolute verboden, wel voorwaarden gesteld aan activiteiten die een risico geven voor schade aan de beschermende kleilaag. Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven benoemde waterbelangen

Conclusie voor het bestemmingsplan: In het buitengebied Wouw ligt het waterwingebied op het voormalig Landgoed Altena bij Heerle. Daaromheen is een gebied aangeduid als 25-jaarszone kwetsbaar. Verder zijn diverse reserveringsgebieden voor waterbergingsgebied in het plangebied te vinden. Deze worden alle van een passende regeling voorzien.

31

Afbeelding 7 Water in de Interim omgevingsverordening

Gebiedsgericht beleid Natuurnetwerk Brabant (paragraaf 3.2.3) De provincie heeft beschermde natuurgebieden aangewezen, het Natuur Netwerk Brabant (NNB), een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang, zoals de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden, de rivieren en beken. Binnen en rondom deze gebieden gelden beperkingen voor en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen om negatieve effecten op NNB te voorkomen. Het doel van het NNB-

32

beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Het NNB bestaat uit: • •

•

•

bestaande natuur- en bosgebieden; gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere nietnatuurbestemming is verdwenen; nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; ecologische verbindingszones

Het provinciale beleid is erop gericht om het NNB in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door: • • • •

het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname); inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting); realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).

Op basis van het rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in het natuurnetwerk is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen. Juist daarmee ontstaan ook kansen voor de realisering en versterking van het natuurnetwerk. Hiervoor zijn de door Rijk en provincies opgestelde “Spelregels EHS beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS” (20 augustus 2007) van belang. Deze spelregels zijn in de verordening nader uitgewerkt.

Aantasting van NNB gebied (ruimtebeslag) is niet zondermeer mogelijk en moet door middel van een zogenaamde “nee-tenzij afweging” worden afgewogen: 1. er moet sprake zijn van een groot openbaar belang; 2. er mogen voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant; 3. er mogen geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen; 4. de negatieve effecten moeten waar mogelijk worden beperkt; 5. bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan de compensatieregels 6. uitvoering en monitoring zijn verzekerd. Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat: 1. gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten; 2. een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen; 3. tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen.

33

Voor de compensatie geeft de provincie twee opties: fysiek (aanleg nieuwe natuur) of financieel (bijdrage aan het provinciale Groenfonds). Fysieke compensatie moet plaatsvinden binnen het NNB in wel aangewezen naar nog niet gerealiseerd NNB gebied (ecologische verbindingszones vallen hier ook onder). Naast ruimtebeslag moeten ook andere negatieve effecten, zoals verdroging, verstoring door geluid of licht, betreding e.d.(de zogenaamde externe werking), worden afgewogen en indien wezenlijk worden gecompenseerd. Anders dan bij ruimtebeslag is hiervoor geen “nee-tenzij” afweging nodig. De provincie maakt een expliciete uitzondering voor externe effecten optredend vanwege de verspreiding van stoffen door de lucht of water. Hiervoor vindt een afweging plaats in het kader van andere wet- en regelgeving. Conclusie voor het bestemmingsplan: Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven benoemde natuurbelangen. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: 1. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; 2. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; 3.

staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. In de keuze van bestemmingen, de bestemmingsomschrijving, de opname van overige zones in het bestemmingsplan en de voorwaarden voor toepassing van de flexibiliteitsbepalingen is aandacht besteed aan de bescherming van de NNB Groenblauwe Mantel

De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden aangewezen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied: de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) past minder bij het karakter van deze gebieden.

Daarom gelden binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan.

34

Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar,zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het

Afbeelding 8 Natuur en landschap in de Interim omgevingsverordening

35

Conclusie voor het bestemmingsplan: De agrarische gebieden die in de Interim-omgevingsverordening als Groen blauwe mantel zijn aangewezen, krijgen een aparte bestemming, namelijk Agrarisch met waarden -2. Binnen die bestemming is bij de bestemmingsomschrijving, de bouwregels, de gebruiksregels, de regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden en bij de flexibiliteitsbepalingen aandacht besteed aan de status van Groenblauwe mantel. Bij het toestaan van andere functies staat de bescherming en de ontwikkeling van de Groenblauwe mantel voorop en wordt bij het toestaan van nieuwe ontwikkelingen gestreefd naar het versterken ervan.

Aardkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden (paragraaf 3.2.4)

De provincie heeft aanvullend op de rijksbeschermde gebieden en waarden (Unesco werelderfgoederen, Rijksmonumenten, Beschermde stads en dorpsgezichten en archeologische monumenten) aardkundig waardevolle gebieden, cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische landschappen aangewezen. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen bedoeld om negatieve effecten op de waarden in deze gebieden te voorkomen. Voor activiteiten met een verstorend effect geldt een vergunningplicht. Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven aardkundige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het gebied van de Smalle Beek te Wouw is een aardkundig waardevol gebied en zal door middel van een zone-aanduiding als zodanig worden bestemd en beschermd. Prioriteit ligt bij bescherming van deze aardkundige waarden. Wat dit betekent in het bestemmingsplan wordt in hoofdstuk 5 nader verantwoord.

Klimaat (afdeling 3.3) Om beter in te kunnen spelen op de klimaatveranderingen en met name de verwachte toename van overstromingen en verwachte toename van droogte heeft de provincie waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging aangewezen om meer ruimte te geven aan water. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen bedoeld om negatieve effecten op de waterbelangen in deze gebieden te voorkomen. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van het waterbergend vermogen van het gebied.

Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven beschreven waterbelangen. Conclusie voor het bestemmingsplan: De reserveringsgebieden liggen verspreid over het gebied en zullen door middel van een specifieke zone worden beschermd

36

Afbeelding 9 Reserveringsgebieden in de Interim omgevingsverordening

Duurzame energie (afdeling 3.4). De provincie wil ruimte bieden voor het opwekken van duurzame energie, maar wel onder randvoorwaarden omdat windturbines en zonneparken grote invloed hebben op de omgevingskwaliteit. De provincie stelt regels aan kleine windturbines (mast tot 25 meter hoog), middelgrote windturbines (mast van 25 tot 60 meter hoog) en grote windturbines (mast vanaf 60 meter). De bouw van windturbines met een hoogte van minder dan 25 meter is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Ten aanzien van (middel)grote windturbines moet onderzocht worden op welke plekken de plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving. In het algemeen geldt dat hierbij zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige polderlandschap de voorkeur. Een plan dat de nieuwvestiging van windturbines mogelijk maakt bevat de onderbouwing dat de ontwikkeling past bij de maat en schaal van het gebied. Om verrommeling tegen te gaan zijn er geen mogelijkheden voor de ontwikkeling van solitaire windturbines. Er moet minimaal sprake zijn van drie windturbines in een lijn- of clusteropstelling.

Omdat de ontwikkeling van windturbines in beginsel een tijdelijk karakter heeft, is het belangrijk dat er door de ontwikkeling geen planologische rechten ontstaan die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. Daarom is aan de ontwikkeling van windturbines in landelijk

37

gebied de voorwaarde verbonden dat deze uitsluitend gerealiseerd kunnen worden met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan waaraan een maximale gebruikstermijn van 25 jaar is verbonden. Hierbij moet zijn verzekerd dat de windturbines na afloop van deze periode worden verwijderd en dat de situatie van voor de realisatie van windturbines wordt hersteld. Om de betrokkenheid van de inwoners en draagvlak voor duurzame energie te vergroten, geldt dat de ontwikkeling maatschappelijke meerwaarde geeft. Een maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd door de maatregelen die zijn getroffen om de impact van de windturbines op de omgeving te beperken en de bijdrage aan andere maatschappelijke doelen. Dit zijn niet alleen doelen vanuit duurzaamheid maar ook gericht op vergroten van draagvlak bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Ten aanzien van zonneparken heeft het de provincie de voorkeur voor plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied.

Omdat de verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien is er ook een mogelijkheid om onder voorwaarden zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen in landelijk gebied. Belangrijke voorwaarde is dat de noodzaak van de ontwikkeling volgt uit een onderzoek waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie binnen stedelijk gebied en op daken onvoldoende is en dat onderzocht is waar de realisatie van een zonnepark het beste kan. Net als bij windturbines gelden de eisen aan (maatschappelijke) meerwaarde, afstemming en borging van tijdelijkheid. Conclusie voor het bestemmingsplan: In dit bestemmingsplan zijn zonneparken niet rechtstreeks toegestaan

Stedelijke ontwikkeling

Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat het leeuwendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering niet tot de mogelijkheden behoren, en dan in de zogenaamde zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling. Verder regelt de Interim omgevingsverordening dat woningbouw (artikel 4.3) en aanleg van bedrijventerreinen en kantorenlocaties (artikel 4.4 en met 4.6) onderdeel worden van bindende afspraken in de vier regionale ruimtelijke overleggen. Daaraan nemen de gemeenten, waterschappen en de provincie deel. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het gemeentelijk grondgebied is opgedeeld in een tweetal categorieën van deelgebieden: bestaande stedelijk gebied en zoekgebied verstedelijking. De kernen Wouw, Heerle, Wouwse Plantage en Moerstraten zijn aangeduid als kernen in landelijk gebied. Rondom deze kernen zijn de zoekgebieden verstedelijking, kern in landelijk gebied aangeduid. In dit bestemmingsplan wordt geen beleid gevoerd of zijn regels opgenomen om dit zoekgebied verstedelijking nader uit te werken

38

Afbeelding 10 Stedelijk gebied in de Interim omgevingsverordening

Niet-agrarische ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied De Interim omgevingsverordening geeft algemene regels voor een aantal niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. De ontwikkeling van diverse niet-agrarische activiteiten is onder voorwaarden toegelaten in de agrarische gebieden en in de groenblauwe mantel. Om de ruimte voor de agrarische sector ook naar de toekomst toe te bewaren, is het wenselijk strijdige functies te beperken. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, veelal vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. De regels hebben betrekking op het wonen in het buitengebied, waaronder ook de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels en kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties en landgoederen. Daarnaast zijn er regels voor diverse andere niet-agrarische ontwikkelingen. Deze regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van deze ontwikkelingen waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Agrarisch technische en agrarisch verwante bedrijven Vestiging van agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven is in het gemengd landelijk gebied toegestaan tot maximaal 1,5 ha. In de groenblauwe mantel zijn alleen bestaande bedrijven toegestaan. Nieuwvestiging is uitgesloten in de groenblauwe mantel.

Reden daarvoor is blijkens de toelichting op de Interim omgevingsverordening dat dergelijke bedrijven vaak een intensief karakter hebben. In de groenblauwe mantel wordt juist gestreefd naar extensivering.

39

Conclusie voor het bestemmingsplan: In de bestemmingsomschrijving bij Agrarisch met waarden 2 worden agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven uitgesloten, met uitzondering van de bestaande bedrijven. In de overige agrarische bestemmingen zijn deze bedrijven wel toegestaan. In welke mate dat het geval is, wordt verantwoord in hoofdstuk 5. Niet agrarische bedrijven, horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen, recreatiewoningen, dagrecreatie, kleinschalige vrijetijdsvoorzieningen, lawaaisporten en windturbines. In het bestemmingsplan worden de regels uit de Interim omgevingsverordening hiervoor gevolgd. De keuze wordt verantwoord in hoofdstuk 5 van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2.4 Beleid waterschap Paragraaf 2.4.1 Keur waterschap Brabantse Delta In december 2009 zijn de Waterwet en de Keur waterschap Brabantse Delta in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlaktewater, het grondwater en de waterbodem (het watersysteem) en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De keur van het waterschap is een verordening met wettelijke voorschriften die gelden voor alle oppervlaktewaterlichamen en keringen, op het gebied van waterkwantiteit en –kwaliteit, die in beheer zijn bij het waterschap. De keur is een aanvulling op de Waterwet met verschillende gebods- en verbodsbepalingen. Bij het verlenen van watervergunningen hanteert het waterschap verschillende beleidsregels. Waaronder “toepassing Waterwet en Keur”. Hierin staat aangegeven in welke situaties een watervergunning kan worden verleend, waarop een aanvraag wordt getoetst en welke voorwaarden aan de watervergunning worden verbonden. Zo zijn er regels met betrekking tot: • • • • •

handelingen in waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones; handelingen in rivieren, beken en sloten en de daarbij behorende onderhoudsstrook; waterstaatkundige werken als gemalen, sluizen, stuwen ect.; de scheepvaart; uitbreidingen met een toename van > 2000 m2 verhard oppervlak.

Op planniveau is het van belang om rekening te houden met eventuele compensatie voor de uitbreiding van verhard oppervlak > 2000 m2. De compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: • • • •

infiltreren; retentie binnen het plangebied; retentie buiten het plangebied; berging in bestaand watersysteem.

Bij de dimensionering van de retentie-/infiltratievoorziening dient rekening te worden gehouden met het frequentiebereik van neerslaghoeveelheden met een herhalingstijd van 1 tot 100 jaar. De retentiebehoefte is het grootst bij T=100 en hierdoor is deze waarde maatgevend voor de planvorming.

40

Waterkwaliteitaspecten spelen ook een belangrijke rol voor de waterbeheerder. Voor het grootste deel wordt hierin voorzien door landelijke regelgeving in de vorm van AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur). Het beleid van het waterschap blijft beperkt tot enkele specifieke onderdelen. Het waterschap hanteert de meest recente versie van de CIW-nota's. Het waterschap voert eigen beleid op de volgende onderdelen: • •

Grote lozingen die niet onder een AMvB vallen (immissietoets). Kleine lozingen: 1. hemelwater; 2. met geringe milieurelevantie; 3. uit gemengde rioolstelsels.

Bij het opstellen van de watertoets wordt ook gekeken of de keur van toepassing is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet echter niet in wijzigingen en heeft derhalve geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Conclusie voor het bestemmingsplan: Bij het toestaan van ontwikkelingen in het bestemmingsplan wordt de betrokkenheid en de voorafgaande advisering in geval waterbelangen aan de orde zijn, voorgeschreven

Paragraaf 2.4.2 Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan ‘Grenzeloos verbindend’ beschrijft de hooflijnen van het beheer van water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden ze rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met ook voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijk ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het toegegaan van verdroging). Dit doen ze voor de burgers, bedrijven en organisaties in hun werkgebied, vanuit een open bestuurscultuur betrekken ze hen volop bij het waterbeleid, de planontwikkeling en de uitvoering. Eigenaren en gebruikers van (landbouw- en natuur)gronden spelen hierbij een belangrijke rol. De langetermijnstrategie uit het vorige beheerplan wordt voorgezet voor de verschillende thema’s, zoals waterkwaliteit, vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding. Zo vaart het waterschap een toekomstbestendige koers. Daarnaast geven diverse ontwikkelingen aanleiding tot nieuwe accenten, waaronder het Deltaprogramma.

Nieuwe accenten in het plan zijn: • De versterking van de primaire en regionale keringen (de dijken langs de Rijkswateren en langs de regionale rivieren); • Inzet op waterbewustwording van watergebruikers: het waterschap wil investeren in het vergroten van inzicht in eigen handelingsperspectief van burgers en ondernemers; • Helder zijn over beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruikersfuncties; • Een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van optimaliseren peilbeheer en inrichtingsmaatregelen); • Dynamisch waterbeheer: flexibel beheer op basis van actuele informatie over de situatie in het gebied en op regionale verschillen daarin.

41

Het waterschap wil het volgende bereiken: Water maakt het wonen, werken en genieten in Midden- en West-Brabant mogelijk. In één woord samengevat: Leefbaarheid. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). De focus ligt op participatie, hiermee ontstaan kansen door wettelijke taken te combineren met taken en wensen van anderen. Het waterschap heeft in het buitengebied van Wouw als specifiek aandachtspunt de EVZ Smalle Beek, daarnaast bekijken zij de mogelijkheden om de bovenlopen en benedenlopen die de Zoom doorsnijden aan elkaar te verbinden, zowel in het kader van ecologie als in het kader van cultuurhistorie. Paragraaf 2.4.3 De Keur en de Legger De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Afgemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keursregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Conclusie voor het bestemmingsplan: Het waterbeheersplan, de keur en de legger zijn zelfstandig van toepassing. Het bestemmingsplan fungeert hier mede als attentiewaarde.

Hoofdstuk 2.5 Gemeentelijk beleid Paragraaf 2.5.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 Algemeen

In 2025 is Roosendaal een stad van mensen, van wonen, van (net)werken. Een complete en vitale stad. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. In het onderstaande wordt ingegaan op de betekenis van de Structuurvisie voor het voorliggende bestemmingsplan. Er zijn twee beleidsuitgangspunten geformuleerd:

42

-

Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal;

-

Een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling.

De duurzame ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt tot fundamentele keuzes:

•

Bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten;

•

Buitengebied ontzien van verstedelijking; ruimte voor agrarische dynamiek in het noordelijk deel van het buitengebied en toerisme en recreatie in gebieden als Visdonk en Brabantse Wal;

•

Zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is;

•

Gebruik maken van de kwaliteit van de locatie;

•

Leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groen-blauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c. het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied;

•

De kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven

Buitengebied

•

•

De identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basisstructuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving; Groen/blauwe hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied;

•

Het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer;

•

(regionaal) Ruimte creëren voor speerpunten/topsectoren van economisch beleid;

•

Het aanbod van sociaal-maatschappelijke en detailhandelsvoorzieningen in wijken en dorpen behouden, waar mogelijk door concentratie en bundeling van voorzieningen;

•

Het optimaliseren van infrastructurele verbindingen en het beter benutten van de multimodale ontsluitingsmogelijkheden (weg, water, spoor, buis) van Roosendaal;

•

Benutten van de strategische ligging van Roosendaal en West-Brabant in de Vlaams Nederlandse Delta;

43

•

Bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren;

•

Bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte.

De haalbare en betaalbare locale ruimtelijke ontwikkeling wordt ondersteund door de volgende keuzes:

•

Niet meer programma in ontwikkeling nemen dan dat de markt kan opnemen;

•

Economische druk op de markt genereren door voorzichtig te programmeren;

•

Eerst bestaande programma’s benutten en pas daarna aan nieuwe beginnen. Nieuwe ontwikkelingen van kantoren en winkels voorlopig bevriezen;

•

Flexibel en kleinschalig programmeren en faseren;

•

Intensiveren en beter benutten van de bestaande voorraad van stedelijke functies (woningen, bedrijventerreinen, kantoren, maatschappelijk vastgoed); Toepassen van de SER/ duurzaamheidsladder bij ruimtelijke ontwikkelingen.

•

Uitnodigen, samenwerken en regisseren in plaats van voorschrijven. Verruim de mogelijkheden van bestemmingsplannen (plan vooruit).

•

De ruimtelijke keuzes en uitgangspunten zijn in deze structuurvisie vertaald naar de verschillende onderdelen van de ruimtelijke ordening en ondersteund door kaarten met de hoofdstructuren.

Het groene buitengebied

Roosendaal zet primair in op behoud van bestaande kwaliteiten voor natuur, water, landschap en het buitengebied en het ondersteunen van agrarische ontwikkelingen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het weidse open landschap in het noordelijk deel en het parklandschap in het zuidelijk deel van Roosendaal. In het buitengebied is de gemeente één van de stakeholders, naast de agrarische sector en andere landeigenaren, de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Brabantse Delta. Met name de provincie heeft een sterke positie in het beleid in het buitengebied. Het project “Landschap van Allure” voor de Brabantse Wal is als samenhangend beleidsprogramma leidend voor de ontwikkeling van natuur, landschap en recreatie. Aan de zuidzijde van Roosendaal ligt, mede gelet op de ontwikkelingen in de Brabantse Wal, meer de kracht bij de benutting van de natuurlijke kwaliteiten van het buitengebied. Op het gebied van agrarische dynamiek volgt Roosendaal de regionale focus op glastuinbouw en het Agrarisch Food Cluster in Steenbergen en boomteelt in Zundert. Verder heeft de landschappelijke structuur in de noordzijde meer mogelijkheden voor een verdere ontwikkeling van agrarische functies, mogelijk in relatie tot bio-based economie. Wanneer ontwikkelingen de maat en schaal van het

44

buitengebied overstijgen en functies hun grondgebonden relatie kwijt raken is daarvoor geen plek meer in het buitengebied. Beschermen en opwaarderen van waterlopen en beken zijn dragers van het buitengebied en van vitaal belang voor de natuur, landschap en beleving van het buitengebied De agrarische sector is rentmeester en belangrijkste gebruiker in het buitengebied. De gemeente ondersteunt de dynamiek van de agrarische sector in het buitengebied en houdt daarbij rekening met andere belangen. De gemeente ontziet het buitengebied van stedelijke ontwikkelingen. Landgoederen, buitenplaatsen en ruimte-voor-ruimte regelingen worden beperkt in aantal en omvang mogelijk gemaakt. De gemeente participeert actief in het project “Landschap van Allure” in het zuidelijk gedeelte van het buitengebied. Het groene buitengebied en het groene stedelijk gebied blijven met elkaar verbonden. In het zuidelijk gedeelte van het buitengebied ligt de nadruk op het behouden en verbinden van natuur en landschap (zie ook de paragraaf “vermaak”) en worden de mogelijkheden voor recreatief medegebruik en plattelandsontwikkeling verruimd; het noordelijk gebied wordt benut voor verdergaande agrarische ontwikkeling. Het recreatief gebruik van het buitengebied wordt gezoneerd vanuit de dorpen en twee recreatieve poorten (Wouwse Plantage en Visdonk), aansluitend aan de wijkperspectieven.

Conclusie voor het bestemmingsplan: Het bestemmingsplan is een overwegend conserverend plan. Het biedt geen ruimte aan grootschalige nieuwe ontwikkelingen. Ten aanzien van de bescherming van de waarden en belangen van het buitengebied wordt bij de keuze van de bestemmingen, de bestemmingsomschrijving alsmede bij de flexibiliteitsbepalingen rekening gehouden met het streven naar behoud en ontwikkeling van bestaande kwaliteiten, in het bestemmingsplan wordt de dynamiek van de agrarische sector ondersteund binnen de kaders van de bescherming van de bestaande kwaliteiten.

45

Afbeelding 11 Integratiekaart Structuurvisie Roosendaal 2025

Paragraaf 2.5.2 Landschap van Allure Het project 'Landschap van Allure' voor de Brabantse Wal is als samenhangend beleidsprogramma leidend voor de ontwikkeling van natuur, landschap en recreatie. Aan de zuidzijde van Roosendaal ligt, mede gelet op de ontwikkelingen in de Brabantse Wal, meer de kracht bij de benutting van de natuurlijke kwaliteiten van het buitengebied. Op het gebied van agrarische dynamiek volgt Roosendaal de regionale focus op glastuinbouw en het Agrarisch Food Cluster in Steenbergen en boomteelt in Zundert. Verder heeft de landschappelijke structuur in de noordzijde meer mogelijkheden voor een verdere ontwikkeling van agrarische functies, mogelijk in relatie tot een bio-based economie. Wanneer ontwikkelingen de maat en schaal van het buitengebied overstijgen en functies hun grondgebonden relatie kwijt raken is daarvoor geen plek meer in het buitengebied. Beschermen en opwaarderen van waterlopen en beken zijn dragers van het buitengebied en van vitaal belang voor de natuur, landschap en beleving van het buitengebied. De agrarische sector is rentmeester en belangrijkste gebruiker in het buitengebied. De gemeente ondersteunt de dynamiek van de agrarische sector in het buitengebied en houdt daarbij rekening met andere belangen: • •

De gemeente ontziet het buitengebied van stedelijke ontwikkelingen; Landgoederen, buitenplaatsen en ruimte-voor-ruimte regelingen worden beperkt in aantal en omvang mogelijk gemaakt;

46

• • •

•

De gemeente participeert actief in het project 'Landschap van Allure' in het zuidelijk gedeelte van het buitengebied; Het groene buitengebied en het groene stedelijk gebied blijven met elkaar verbonden; In het zuidelijk gedeelte van het buitengebied ligt de nadruk op het behouden en verbinden van natuur en landschap en worden de mogelijkheden voor recreatief medegebruik en plattelandsontwikkeling verruimd; het noordelijk gebied wordt benut voor verdergaande agrarische ontwikkeling; Het recreatief gebruik van het buitengebied wordt gezoneerd vanuit de dorpen en twee recreatieve poorten (Wouwse Plantage en Visdonk), aansluitend aan de wijkperspectieven.

Conclusie voor het bestemmingsplan: De onderbouwing en prioriteitsstelling in het project “Landschap van allure” is van belang voor de keuze van de bestemmingen en de flexibilteitsbepalingen. Dat betekent dat terughoudend wordt omgegaan met uitbreidingsmogelijkheden en functieveranderingen vooral in het zuidelijk deel van de gemeente

Paragraaf 2.5.3 Landschapsontwikkelingsplan Bergen op Zoom & Roosendaal (2004/2005) In 2005 is door de gemeenten Bergen en op Zoom en Roosendaal onder de naam “De Zoom van West-Brabant” een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan vastgesteld. Hierin zijn op van een landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische analyse van waarden voorstellen gedaan voor behoud en versterking van de landschappelijke structuur en waarden van beide gemeenten. In het buitengebied Wouw zijn drie landschapstypen onderscheiden met eigen waarden (zie paragraaf 3.4), aandachtspunten en aanbevelingen. De belangrijkste aanbevelingen zijn:

Afbeelding 12 Aanbevelingen uit Landschapsontwikkelingsplan 2005

47

)

Afbeelding 13 Visiekaart LOP 2005

48

Conclusie voor het bestemmingsplan: De landschappelijke beschrijving en indeling van het buitengebied is de basis voor een gebiedsgericht beleid waarbij de beschrijving een belangrijke voorwaarde is voor de mogelijkheden van bebouwing en functieverandering en het toestaan van aanvullende voorzieningen. Het onderscheid grootschalige blokverkaveling, half open blokverkaveling en de differentiatie van de landschappelijke kenmerken voor de toekenning en situering alsmede de inpassing in het landschap daarvan is mede gebaseerd op de landschappelijke beschrijving. Paragraaf 2.5.4 Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2015 - 2025 'Knooppunt Roosendaal' Algemeen Het gemeentelijke verkeer- en vervoersbeleid is het beleids- en toetsingskader voor de gewenste ontwikkelingen op het gebied van verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal tot 2025. Het geeft de kaders waarbinnen verkeersprojecten worden gedefinieerd en geprioriteerd en verkeersbeleid in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd. In 2025 is het verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal schoner, stiller, zuiniger en slimmer. Onze positie in het landelijke netwerk is sterker en robuuster. Voor onze inwoners, ondernemers en bezoekers zijn wij optimaal bereikbaar, waarbij wordt ingezet op een breed palet aan vervoerswijzen. Multimodaal is een sleutelbegrip en een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van Roosendaal.

De inhoudelijke hoofddoelstelling van het GVVP is: ‘Het bevorderen van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dat noodzakelijk is voor sociaaleconomische activiteiten, waarbij alle vormen van verkeershinder zoveel mogelijk worden beperkt’. Deze algemene hoofddoelstelling wordt aangescherpt door drie kaders: 1. verduurzaming; 2. innovatie; 3. regionale netwerk versterking. Deze drie kaders geven sturing aan de wijze waarop de hoofddoelstelling wordt ingevuld. Hieronder een korte toelichting op de beleidskoers.

Ad. 1: Verduurzaming Lopen en fietsen zijn de meest schone en stille manieren om te verplaatsen. Het lokale leefklimaat en de bereikbaarheid verbetert door hier meer op in te zetten. Deze focus op duurzame mobiliteit wordt concreet vertaald door hier prioriteit aan te geven bij opgaven en ontwikkelingen in de stad en dorpen. Daarnaast is het wenselijk dat het gemotoriseerde verkeer schoner, stiller en zuiniger wordt. Door het elektrisch rijden beter te faciliteren kan de verduurzaming lokaal worden versterkt. Ad. 2: Innovatie Door toepassing van nieuwe slimme (‘smart’) technieken kunnen verkeersproblemen in de toekomst worden voorkomen. Het weggennet wordt beter en efficiënter benut waardoor fysieke en kostbare maatregelen niet noodzakelijk (meer) zijn. Deze ict-technieken worden zowel bij voertuigen als in de infrastructuur toegepast. Auto’s gaan meer en meer ‘communiceren’, zowel onderling als met hun omgeving. Deze slimme mobiliteitsoplossingen zorgen voor beter doorstroming van het verkeer, voor toename van de verkeersveiligheid (afname ongevallen) en voor verbetering van het leefmilieu.

49

Ad. 3: Regionale versterking De positie van Roosendaal in het (boven)regionale en landelijke netwerk moet worden versterkt door het ontwikkelen en verbinden van economische toplocaties, hoog stedelijke zones en multimodale knooppunten en het verbeteren van de fysieke en/of functionele verbindingen met andere stedelijke regio’s. Het gaat hierbij over de afstemming binnen de thema’s als ruimte, verstedelijking, werken, natuur en verkeer en vervoer. Dit is goed voor de werkgelegenheid en het woonklimaat. Bedrijven vestigen zich immers op plekken die goed ontsloten zijn en daar waar veel potentiële arbeidsplaatsen binnen bereik liggen. En, mensen wonen graag op een plek waar werkgelegenheid en goede voorzieningen binnen acceptabele afstand en tijd bereikbaar is. Knooppunten in het netwerk, zoals bijvoorbeeld het stationsgebied en multimodale overslagpunten aan water en spoor (logistiek) hebben in het netwerk een belangrijke positie. De bovenstaande hoofddoelstellingen leiden tot een BTB-proof Roosendaal. Dat wil zeggen een Bereikbaar, Toegankelijk en Bruikbaar Roosendaal voor alle verkeersdeelnemers van de openbare ruimte zoals fietsers, rolstoelrijders, scootmobiels, doven, slechtzienden of mensen met een andere lichamelijke beperking. Bovenstaande doelstellingen, beleidskaders, procestappen en participatietraject hebben geleid tot de formulering van 18 concrete hoofdopgaven.

Deze hoofdopgaven zijn benoemd in het GVVP 2015 – 2025. Conclusie voor het bestemmingsplan Voor het buitengebied is relevant de aanleg van een snelfietsroute Roosendaal - Bergen op Zoom. Hiervoor is in dit bestemmingsplan nog geen ruimtereservering opgenomen. Voor het fietspad wordt een separaat bestemmingsplan opgesteld.

Paragraaf 2.5.5 Notitie nieuwe landgoederen in Roosendaal (2005) Het doel van deze notitie is om een duidelijk toetsingskader te vormen voor de beoordeling van aanvragen voor het realiseren van nieuwe landgoederen. Het beoordelingskader is een nadere uitwerking/invulling van het provinciale beleid op dit punt. In de notitie zijn de gebieden aangegeven die in aanmerking komen voor de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Gebieden die (gedeeltelijk) in het buitengebied van Wouw liggen zijn: •

Het noordelijke deel van de Smalle Beek. Voor dit gebied wordt gestreefd naar een gevarieerd beekdallandschap met een afwisseling van kleine landschapselementen en open (landbouw)gronden. Hier is de aanleg van nieuwe landgoederen in principe mogelijk, echter niet met grote bospercelen.

•

Het grootste deel van het Rissebeekcomplex. In het plangebied gaat het daarbij om de Bieskensloop en Zeepe die met de Rissebeek in verbinding staan. Ook hier geldt als voorwaarde dat geen sprake kan zijn van de aanleg van grote aaneengesloten boscomplexen. Hier kan landgoedontwikkeling bijdragen aan de recreatieve waarde van het gebied en aan de realisatie van waterberging.

•

Een gebied ten westen van Moerstraten. Hier liggen in de oude veenontginningen al enkele landgoederen zoals Stenen Kamer. In dit gebied kan de aanleg van landgoederen bijdragen aan de versterking van het landschappelijke beeld en vergroting van de ecologische waarden. Daartoe moeten de landgoederen een transparante, open opzet krijgen.

50

In het overige deel van het buitengebied is landgoedontwikkeling niet wenselijk omdat in deze gebieden gestreefd wordt naar het behoud van de openheid uit oogpunt van agrarisch gebruik of Naast het aanwijzen van bovenstaande gebieden geeft de notitie een aantal (extra) beeldkwaliteitseisen voor nieuw te ontwikkelen landgoederen die betrekking hebben op de afstand van gebouwen en bos tot aangrenzende (landbouw)percelen en de vorm (bescheiden) en verschijningsvorm van de gebouwen.

Conclusie voor het bestemmingsplan: Nieuwe landgoederen zijn in het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt.

Paragraaf 2.5.6 Notitie kamperen in Roosendaal na 1 januari 2008 In de notitie wordt weergegeven wat de uitgangspunten zijn voor het kamperen in de gemeente na het vervallen van de WOR (Wet Openlucht Recreatie) en welke instrumenten kunnen worden ingezet om dit te regelen. De per 1 januari 2008 bestaande kampeerterrreinen zijn vastgelegd in bestemmingsplannen. Bij de eerstvolgende actualisatie worden eensluitende omschrijvingen in het bestemmingsplan opgenomen, conform de formulering zoals opgenomen in de notitie. Dit betekent dat kamperen enkel is toegestaan op kampeerterreinen waarbij het kampeerseizoen niet langer is begrensd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere kampeerterreinen (ook natuurcampings) en kleinschalige kampeerterreinen (mini-campings). Op een regulier kampeerterrein is het aantal standplaatsen niet gelimiteerd. Voor mini-campings geldt een maximum aantal standplaatsen van 25. Voor een nieuwe mini-camping geldt een koppeling aan een agrarische bedrijfsvoering als voorwaarde. Zo wordt voorkomen dat bij elke burgerwoning in het buitengebied een mini-camping kan worden gestart, waardoor een te zware aantasting van de landschappelijke kwaliteit wordt gemeden. Permanente bewoning op kampeerterreinen is niet toegestaan. Ook komen er geen aparte sta-plekken voor campers. De bestaande kampeerterreinen bieden voldoende mogelijkheden.

Conclusie voor het bestemmingsplan: De mogelijkheid van max 25 kampeerplaatsen blijft voorbehouden aan agrarische bouwvlakken

Paragraaf 2.5.8 Welstandsnota De welstandsnota Roosendaal 2012 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij aanvragen omgevingsvergunning. Door het herzien van de welstandsnota wordt de gebruiksvriendelijkheid voor de gebruiker (burgers, bedrijven en behandelaars) verbeterd. Het bestuur gaat in de nieuwe nota en het daarin omschreven beleid uit van een grotere eigen verantwoordelijkheid van de burger, die voldoende ruimte moet krijgen voor eigen initiatief. In de nieuwe nota wordt een groot deel van de gemeente minimaal getoetst op welstand. Het doel is in deze gebieden slechts het voorkomen van excessen. Tegelijkertijd leeft de wens enige grip te houden op de gebieden (en routes) die het gezicht van de gemeente bepalen en/of een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen In de herziening zijn de criteria voor de kleine bouwwerken vereenvoudigd, waar mogelijk samengevoegd en waar nodig aangepast aan de wettelijke (vergunningvrije) mogelijkheden. Tevens zijn de criteria waar mogelijk positief geformuleerd.

51

Ten aanzien van het buitengebied wordt in de welstandsnota het volgende gesteld. Het buitengebied van Roosendaal bestaat voornamelijk uit weiland, akkerland en in het zuiden bos. Het is een gebied met een grote verscheidenheid, waarin het groen en de oude verkavelingspatronen de hoofdrol op kunnen eisen. De bebouwing staat voornamelijk langs de wegen en bestaat voor het overgrote deel uit boerderijen, woningen en bedrijfsgebouwen. Deze bebouwing staat in de regel vrij op een ruim groen kavel. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op de weg, die met een groene berm een doorgaande lijn vormt. Rooilijnen volgen de weg en verspringen ten opzichte van elkaar. De bedrijfsgebouwen als hallen en schuren staan meestal op het achtererf. De gebouwen zijn individueel en afwisselend. woningen hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw bestaande uit een onderbouw van één tot anderhalve laag met zadeldak of mansardekap. Met name het silhouet van de kappen is bepalend voor het bebouwingsbeeld. Aanbouwen komen veel voor, maar springen niet nadrukkelijk in het oog. Gevels van woningen zijn veelal representatief. De oudere woningen zijn verticaal geleed met staande ramen. De detaillering is zorgvuldig en gevarieerd zonder overdadig te worden. De gevels van woningen zijn van baksteen of vergelijkbaar steenachtig materiaal. De daken van de woningen zijn in de regel gedekt met pannen.

Deze gebouwen zijn vaak voorzien van verbijzonderingen waaronder siermetselwerk, gevellijsten en windveren. Bij de woningen staan vaak schuren en bijgebouwen in een vergelijkbare architectuur. Achter boerderijen staan geregeld agrarische hallen.

Waarde De waarde is vooral gelegen in de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen zoals wegen tussen de weilanden, akkers en afwisselende lintbebouwing.

In het gebied komen diverse cultuurhistorisch waardevolle gebouwen voor. Een deel hiervan is monument. Uitgangspunten Het buitengebied is gewoon welstandsgebied. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, de cultuurhistorische bebouwing en het karakteristieke profiel van de lintwegen. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht geschonken worden aan afwisseling en individualiteit in combinatie met een enigszins terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Criteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging o o o o o

de hoofdbebouwing staat aan de straatzijde de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar de bebouwing met de voorgevel op de weg richten doorzichten naar het landschap behouden bijgebouwen, bedrijfsgebouwen en opslag spelen een onnadrukkelijke rol in het straatbeeld

52

Massa o o o o

gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben in beginsel een eenduidige opbouw met een eenvoudige rechthoekige plattegrond woningen hebben in beginsel een onderbouw van één laag met kap uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en eenvoudig van vorm, met in beginsel een kap met de nok dwars op de weg

Architectonische uitwerking o o o o o o

de architectonische uitwerking en detaillering zijn evenwichtig en afwisselend bedrijfsgebouwen eenvoudig en zorgvuldig detailleren elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen kozijnen, dakgoten en dergelijke uitvoeren met oog voor detail zijgevels van woningen hebben vensters wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume

Materiaal en kleur o o o o o o o

materialen en kleuren zijn degelijk en duurzaam kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omgeving gevels in beginsel uitvoeren in baksteen (eventueel gekeimd) hellende daken dekken met matte keramische pannen of natuurlijk riet grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur aan- en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op de hoofdmassa en aan de voorkant traditioneel uitvoeren erfafscheidingen zijn open van karakter en terughoudend van kleur

Conclusie voor het bestemmingsplan De Welstandsnota heeft een beperkte betekenis voor het bestemmingsplan. Bij de toetsing van een individuele aanvraag heeft de Welstandsnota een functie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1301/documents/34718