toelichting bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Paragraaf 3.2.3 Wonen en niet-agrarische bedrijven Het buitengebied wordt van oudsher ook gebruikt voor bewoning. Enerzijds in de vorm van agrarische bedrijfswoningen, anderzijds in de vorm van burgerwoningen. Burgerwoningen zijn geconcentreerd in de kleine dorpen en buurtschappen die tot de meest oorspronkelijke bebouwing in het buitengebied horen. Door de afname van het aantal agrarische bedrijven worden (voormalige) agrarische bedrijfswoningen in toenemende mate bewoond door mensen die geen directe economische binding hebben met het landelijk gebied. Naast agrarische bedrijvigheid komt in het buitengebied ook in bescheiden mate niet-agrarische bedrijvigheid voor. Deze is voor een deel gericht op de agrarische sector, bijvoorbeeld in de vorm van loonwerkbedrijven en agrarische handelsbedrijven. Daarnaast komen bedrijven voor die niet aan de agrarische sector zijn gerelateerd en (dus) geen functionele binding met het buitengebied hebben. Binnen de begrenzing van het bestemmingsplan liggen ook twee kleine bedrijventerreinen: het bedrijventerrein aan de Boerenweg en het bedrijventerrein De Wijper. De aanwezige bedrijfsactiviteiten vallen voor het merendeel onder de milieucategorieën 1, 2, 3.1 en 3.2. Het bedrijventerrein aan de Boerenweg huisvest diverse zwaardere milieucategorieën (tot met milieucategorie 5.2).
Dit terrein, waarop afvalverwerkingsbedrijven zijn gesitueerd, grenst aan het op Bergs grondgebied gesitueerde regionale vuilstortplaats De Kragge.
84
Conclusie voor het bestemmingsplan: De bestaande bedrijven worden positief bestemd zonder grote uitbreidingsmogelijkheden. Omschakeling naar niet-agarische bedrijvigheid wordt in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt binnen de regels in de Interim-omgevingsverordening. Dat betekent dat omschakeling alleen kan tot maximaal categorie 2-bedrijven, een sanering of hergebruik van gebouwen plaatsvindt en overigens ook een landschappelijke versterking plaatsvindt.
Paragraaf 3.2.4 Natuur De natuur- en bosgebieden in het buitengebied vormen een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke hoofdstructuur. Het grootste bos- en natuurgebied is de Brabantse Wal in het zuidwesten van hetbuitengebied. De Wal bestaat uit een groot aaneengesloten bos- heide- en vennengebied dat zich uitstrekt over een veel groter gebied dan het buitengebied van Wouw. Vanwege de aanwezige natuurwaarden (onder meer het voorkomen van de Boomleeuwerik, de Nachtzwaluw, de Wespendief en de Zwarte Specht) is het gebied aangemeld en in concept aangewezen als Natura-2000 gebied. Binnen de begrenzing van dit bestemmingsplan bestaat het grootste deel van het natuurgebied uit het landgoed Wouwse Plantage. Dit oude landgoed (dat zijn oorsprong heeft in 1504) bestaat uit gemengde bossen, landbouwgronden, een relict van een zandverstuiving (Borgvlietsche duinen) en lange beukenlanen in de vorm van een ster. Ten noorden van de Wouwse Plantage ontspringt de Smallebeek welke in (noord)oostelijke richting met het reliëf mee afstroomt. Verspreid in het beekdal liggen kleine natuurterreinen met actuele en potentiële natuurwaarden voor kleine zoogdieren, dagvlinders en amfibieën. In het uiterste noordwesten van het buitengebied bevindt zich de Dassenplas. Rond deze laaggelegen plas liggen vochtige graslanden en elzenbossen met potentiële natuurwaarden.
In het zuidoosten van het buitengebied ligt het natuurgebied Hopmeer. In dit gebied komen onder meer enkele bijzondere graslandvegetaties voor. Tot slot zijn het Pottersbos en het bosgebied rond waterwingebied Altena belangrijke natuurgebieden in het buitengebied. Conclusie voor het bestemmingsplan: De genoemde gebieden zullen alle worden voorzien van de bestemming Bos of de bestemming Natuur. Binnen de regels van het bestemmingsplan worden activiteiten geweerd die kunnen leiden tot achteruitgang van de bestaande landschappelijke waarden.
Ook buiten de bovengenoemde natuurgebieden zijn natuurwaarden aanwezig. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om agrarische gebieden die op een aantal plaatsen tevens het leefgebied vormen voor kwetsbare soorten zoals amfibieën, dagvlinders, bijzondere plantensoorten of (struweel)vogels. Conclusie voor het bestemmingsplan: Bij de bestemmingsomschrijving worden de bestaande landschappelijke en natuurwaarden nadrukkelijk beschermd. Daarnaast wordt in de regels hieraan aandacht besteed. Hoofdstuk 3.3 Verkeer en infrastructuur Het Wouwse buitengebied wordt goed ontsloten door de A58 die het gebied doorkruist en daarnaast door een aantal regionale ontsluitingswegen: de Bergse Baan, de Moerstraatseweg, de Plantagebaan,
85
de Roosendaalsebaan, de Westelaarsestraat en de Waterstraat. De overige wegen hebben een lokaal karakter met een belangrijke ontsluitingsfunctie voor het agrarisch gebied en de diverse dorpen. Daarnaast is sprake van een vrij uitgebreid stelsel van fiets- en voetpaden. Ook de spoorlijn tussen Roosendaal en Bergen op Zoom ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. Conclusie voor het bestemmingsplan: De bestaande wegenstructuur wordt vastgelegd. Het bestemmingsplan staat de aanleg van nieuwe wegen binnen de agrarische bestemmingen niet toe.
Hoofdstuk 3.4 Water Op de Brabantse Wal ontspringen diverse beken die zich via het lager dan de Brabantse Wal gelegen dekzandlandschap (meer in het noorden gelegen) hebben ingesneden. De dalen van de Smalle Beek, de Bieskensloop en het Haiinkbeekje zijn duidelijk herkenbaar. Het plangebied maakt onderdeel uit van het KRW-waterlichaam 'de Zandmaas'. De in het plangebied KRW-waterlichamen zijn de Cruijslandse Kreken en de Zoom & Bleekloop. Conclusie voor het bestemmingsplan: De waterhuishouding in het plangebied wordt vastgelegd en beschermd.
86
Afbeelding 24 Waterlopen en KRW-waterlichamen (bron: Provincie Noord-Brabant)
Hoofdstuk 3.5 Overige functies Ten zuidwesten van Wouw ligt aan de Akkerstraat staat Molen de Arend, een korenmolen uit 1811 van het type ronde stenen bergmolen. De vlucht van de wieken bedraagt 26,1 meter. De molen is aangewezen als rijksmonument. Rond de molen ligt een molenbiotoop, een cirkelvormige zone van 400 m gerekend vanaf de molen. De zone is van belang voor de windvang van de molen en voor het zicht op de molen. Het biotoop staat ook aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart. Bij nieuwe bebouwing in de zone mogen geen belemmeringen optreden voor de windvang van en het zicht op de molen. Conclusie voor het bestemmingsplan: In het bestemmingsplan is een vrijwaringszone opgenomen om de molenbiotoop te beschermen
87
Afbeelding 25 Molen De Arend, Akkerstraat Wouw
88
Hoofdstuk 4 ONDERZOEKEN Hoofdstuk 4.1 Bedrijven- en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009). Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype
‘rustige woonwijk’* in meters 1
10
2
30
3.1
50
3.2
100
4.1
200
4.2
30
5.1
500
5.2
700
5.3
1000
6
1500
Tabel 2 Bedrijven en milieuzonering
* indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (Zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3.).
89
De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: •
Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. •
Het omgevingstype gemengd gebied
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Situatie ter plaatse Het plangebied betreft overwegend een rustig buitengebied, waar woningen en agrarische functies, gecombineerd met bos en natuur voorkomen. Het gebied tussen de A58 en spoorlijn (hoofdinfrastructuur) en rondom de kern Heerle kent relatief veel bedrijfsbestemmingen. Afhankelijk van de exacte locatie kan sprake zijn van een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG Brochure Het bestemmingsplan Buitengebied Wouw is een consoliderend plan, waarbij de huidige functies worden vastgelegd. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen aan de orde In de bedrijvenlijst zijn de milieurelevante bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied weergegeven. Hieruit blijkt dat de aanwezige bedrijfsactiviteiten voor het merendeel onder milieucategorie 1, 2, 3.1 en 3.2 vallen. Bestaande bedrijven in en om het plangebied zullen moeten voldoen aan de opgelegde milieuvoorschriften, zodat de (geur)hinder die een bestaand bedrijf veroorzaakt bij naburige bedrijven of woningen een acceptabel niveau heeft. Uitbreiding van bestaande bedrijven in het plangebied zal slechts mogelijk zijn indien de beoogde bedrijfsactiviteiten daar milieuhygiënisch, onder andere qua geur, acceptabel zijn.
Een bedrijf dat uitbreidt, zal moeten voldoen aan de bepalingen in het bestemmingsplan en aan de milieuvoorschriften die verbonden zijn aan het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) of aan de eigen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Toelichting De bedrijven opgenomen in de bedrijvenlijst zijn ten tijde van de verlening van de milieuvergunning/omgevingsvergunning voor het aspect milieu of de behandeling van de melding in het kader van de algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 8:40 Wet milieubeheer getoetst aan de fysieke bestaande situatie waarbij per milieuaspect een afweging is gemaatk met het oog op de omgeving. Bij vergunningplichtige bedrijven in het kader van milieu is de milieubelasting op basis daarvan door middel van voorschriften begrensd. Bij meldingsplichtige bedrijven zijn eventueel, naast algemeen geldende voorschriften, maatwerkvoorschriften gesteld.
90
Vestiging van nieuwe bedrijven in en om het plangebied zal slechts mogelijk zijn indien de beoogde bedrijfsactiviteiten daar milieuhygiënisch, onder andere qua geur, acceptabel zijn. Nieuwe bedrijven moeten voldoen aan de bepalingen in het bestemmingsplan en aan de milieuvoorschriften die verbonden zijn aan het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) of aan de eigen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu.
Conclusie voor het bestemmingsplan: Binnen de regels van het bestemmingsplan is de oppervlakte van de niet agrarische bedrijven vastgelegd. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om af te wijken van de vastgelegde oppervlakte en 15 % uit te breiden. Het is onder voorwaarden mogelijk om een agrarische bestemming te wijzigen en te bestemmen voor een niet agrarisch bedrijf. In beide gevallen dient te worden voldaan aan de richtafstanden van de Brochure bedrijven en milieuzonering. Voor bestaande agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch aanverwante bedrijven geldt een uitbreidingsmogelijkheid van 25 %
Hoofdstuk 4.2 Luchtkwaliteit Toetsingskader
Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: • • • • • •
de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’.
Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: • • •
•
•
als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen
91
of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm). Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: •
•
•
voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie.
In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.
Situatie ter plaatse In dit geval gaat het om de vaststelling van een conserverend bestemmingsplan, dat wil zeggen dat in het plan de huidige functies worden vastgelegd en dat er geen sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent voor het aspect luchtkwaliteit dat er naast de autonome groei niet wordt vooruitgelopen op eventuele ingrijpende ruimtelijke ontwikkelingen, aangezien daartoe geen concrete plannen bestaan. Het is aannemelijk dat de concentratie van stoffen in de buitenlucht als gevolg van het plan per saldo gelijk blijft. Gelet op artikel 5.16, eerste lid, sub b van de Wm is vaststelling van een conserverend bestemmingsplan mogelijk, waarbij toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet aan de orde is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen.
Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden.
92
Conclusie voor het bestemmingsplan: Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4.3 Geur Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).
De Wgv stelt gemeenten in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geurbeleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. Afwegingen hierbij zijn het leefklimaat, de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen en de beperking voor ruimtelijke ontwikkelingen. Gemeentelijk geurbeleid De gemeente Roosendaal heeft besloten geen eigen geurbeleid te gaan vaststellen. Dat betekent dat geen eigen geurnormen en -afstanden dan die welke zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zullen zijn. Situatie ter plaatse Belang omliggende veehouderijen In het plangebied bevinden zich diverse veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Het onderhavig bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan dat geen ontwikkeling van nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk maakt. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden de veehouderijen niet verder beperkt in de mogelijkheden.
Woon- en leefklimaat In de volgende afbeelding is een uitsnede van een gemeentedekkend onderzoek opgenomen, dat de OMWB heeft uitgevoerd in opdracht van gemeente Roosendaal. Uit dit onderzoek blijkt dat het
93
grootste gedeelte van het plangebied is aangeduid met een achtergrond geurbelasting, die lager is dan 3,5 OuE/m3. Dit komt in een niet-concentratiegebied overeen met een goede tot zeer goede milieukwaliteit, zoals te zien is in de tabel. Het (noord)oostelijke deel van het plangebied kent een relatief hoge achtergrond geurbelasting in verband met de aanwezigheid van meerdere intensieve veehouderijen. Dit beeld is normaal voor het buitengebied.
Achtergrondbelasting geur (OMWB)
94
Tabel: Woon- en verblijfsklimaat versius geurgehinderden versus geurbelasting in een nietconcentratiegebied
Conclusie voor het bestemmingsplan: Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4.4 Externe veiligheid Inleiding
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. Bevi-bedrijven Het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) verplicht het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.
95
Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Voor LPG-tankstations geldt aanvullend de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPGtankstations. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations. Transport externe veiligheid Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Basisnet Water of Basisnet Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlagen in de regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor sommige transportassen moet tevens rekening worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
Regeling Bouwbesluit, artikel 2.4 lid 2 Een geheel of gedeeltelijk in een plasbrandaandachtsgebied te bouwen bouwwerk dat tevens een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen is, voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.5 tot en met 2.9. In het bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen in een PAG moet voldoen. Indien binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Zodoende kan het invloedsgebied verder reiken dan 200 meter. Indien dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied, moeten wel maatregelen worden overwogen, bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Structuurvisie Buisleidingen Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft een Structuurvisie Buisleidingen opgesteld. Deze visie richt zich op buisleidingtransport van aardgas, olie en olieproducten, chemicaliën en CO2,
96
voor de komende 20 jaar. I&W hanteert in eerste instantie het bundelingprincipe; nieuwe buisleidingen komen naast bestaande. Zodoende ontstaan er buisleidingstroken met ruimte voor 4 tot 8 verschillende leidingen. Uitgangspunt is dat de stroken maximaal 70 m breed zijn waar het kan. De Structuurvisie Buisleidingen en bijbehorende MER zijn op 29 oktober 2012 door I&M aangeboden aan de Tweede Kamer. Op 1 juli 2014 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte, Barro) voor “buisleidingen van nationaal belang” in werking getreden. Onder “Titel 2.9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen” is onder meer opgenomen dat: “Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé laat, ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat voorkeurstracé geldende bestemmingsplan, geen nieuwe activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang.” Een ruimtelijke vrijwaring van bebouwing op de stroken is door het Ministerie voldoende geacht. Deze ruimte is meestal binnen iedere gemeente aanwezig. De gemeenten hebben de mogelijkheid gekregen om de, door I&M voorgestelde stroken, binnen een zoekgebied van 250 m vanaf de voorgestelde leidingstrook te schuiven.
Voorwaarde was wel dat de stroken zodanig gekozen moesten worden dat het optreden van planschade vrijwel niet aanwezig is (voor nieuwe leidingexploitanten) en dat de stroken aansloten bij de aangrenzende gemeenten. De buisleidingenstraat is geen onderdeel van de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 omdat deze al bij wet is geregeld en in de buisleidingenstraat ook andere buisleidingen dan alleen buisleidingen van nationaal belang zijn toegestaan. Een aantal leidingenstroken in de regio Midden- en West-Brabant betreffen leidingenstroken die reeds via het Structuurschema Buisleidingen 1985, het streekplan van de provincie en de gemeentelijke bestemmingsplannen ruimtelijk verankerd zijn of waren. Situatie ter plaatse Het plangebied is conserverend van aard. Een nieuw bestemmingsplan is een nieuwe situatie in het kader van externe veiligheid en dient daarom opnieuw te worden afgewogen. Voor de risico-inventarisatie is uitgegaan van de EV-signaleringskaart. Op de volgende afbeelding is een uitsnede van de EV-signaleringskaart opgenomen. Binnen en in de omgeving van het plangebied liggen meerdere relevante risicobronnen. Het gaat om: 1. diverse risicovolle inrichtingen en installaties; 2. het transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Sloehaven-Roosendaal West en Roosendaal West- Essen; 3. het transport van gevaarlijke stoffen over de A58; 4.
het transport van gevaarlijke stoffen over de A17; 5. transport van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke routes; 6. diverse leidingen met gevaarlijke stoffen, waaronder hogedruk aardgasleidingen Z529, een DOW-propyleenleiding, een DPO-leiding en leidingen in de buisleidingenstraat alsmede in een leidingenstrook in het zuidelijk deel van het plangebied
97
Ligging risicobronnen en plangebied
98
1. Diverse risicovolle inrichtingen en installaties
In en rondom het plangebied komt een aantal risicovolle inrichtingen voor. Het gaat om de volgende inrichtingen:
•
Camping Herelse Heide;
•
Meerdere propaantanks;
•
Een LPG-tankstation aan Plantagebaan 170 te Wouwse Plantage (buiten plangebied);
•
Tankstation aan de Molensingel 70 te Wouw (buiten plangebied);
•
SABIC.
Camping Herelse Heide
Aan de Gareelweg 11 te Heerle bevindt zich camping Herelse Heide. De camping beschikt over een ondergrondse propaantank van 20 m3, waardoor de inrichting een Bevi-inrichting is. De PR 10-6 contour van de inrichting bedraagt 40 meter en ligt net buiten de perceelsgrens, maar niet over gebouwen of (beperkt) kwetsbare bestemmingen. Het invloedsgebied is op basis van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) 150 meter. Omdat er binnen dit invloedsgebied beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn, is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk op basis van artikel 13 van het Bevi.
Meerdere propaantanks In het plangebied bevinden zich meerdere propaantanks. Propaantanks worden gerekend tot het Activiteitenbesluit. In tabel 3.28 van het Activiteitenbesluit (zie onderstaand) worden veiligheidsafstanden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten genoemd voor dergelijke situaties.
Tankstation aan de Molensingel 70
99
Aan de Molensingel 70 te Wouw, buiten het plangebied, is een tankstation gevestigd. Het tankstation had in het verleden een vergunning voor de verkoop van LPG, maar deze is ingetrokken per 8 december 2016. Derhalve valt het tankstation niet meer onder de vigeur van het Bevi. Toetsing aan het Bevi is derhalve niet aan de orde. Vanuit externe veiligheid gelden er geen aandachtspunten voor het bestemmingsplan.
SABIC
SABIC Innovative Plastics B.V. aan de Plasticslaan 1 vervaardigt chemische producten. Op basis van de EV-signaleringskaart is bepaald dat het plangebied op een afstand van ca. 5 kilometer van de inrichtingsgrens van Sabic ligt. Het invloedsgebied van Sabic bedraagt ca. 8.700 meter en ligt hierdoor over het plangebied. Uit de QRA, behorende bij de Wm-aanvraag van Sabic, blijkt dat het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar niet buiten de inrichtingsgrens ligt. Er blijkt sprake te zijn van een groepsrisico dat ruim onder de oriëntatiewaarde ligt. Het maximaal berekende groepsrisico (GR) bedraagt 0.002 van de oriëntatiewaarde. Omdat het bestemmingsplan conserverend is, zal er geen sprake van een toename van de aanwezige personen zijn. Hierdoor mag worden gesteld dat er geen toename van het groepsrisico bij vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Wouw zal ontstaan. Er zijn geen belemmeringen voor het plangebied. In de verantwoording van het groepsrisico wordt kort ingegaan op het toxisch scenario als gevolg van SABIC. 2. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject SloehavenRoosendaal West en Roosendaal West- Essen (B)
In het plangebied is het spoortraject Sloehaven-Roosendaal gelegen, hetgeen een transportroute van gevaarlijke stoffen is. Bijlage II tabel Basisnet spoor uit de Regeling basisnet geeft aan dat de veiligheidszones (komt overeen met het maximale plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar) voor dit spoorvak 0 meter bedraagt. Het spoortraject heeft geen plasbrandaandachtsgebied. De vervoerde stoffen over dit traject zijn als volgt:
Stofgroep
Omschrijving
Jaarintensiteit
Invloedsgebied
(m)
A
Brandbare gassen
10.300
460
B2
Toxische gassen
600
995
100