t_Commandoterrein Vaststelling.pdf
Tekst van het document
26 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Conclusie Voor wat betreft de geplande uitbreiding van het terrein van de kazerne is het wenselijk rekening te houden met de situering van functies met een milieu-uitstoot aan de zuidzijde van de locatie waar deze grenst aan bestaande woningen. De geluidsbelasting in de omgeving vanwege de Engelbrecht van Nassaukazerne Er is onderzoek verricht naar de te verwachten geluidsbelastingen, die veroorzaakt worden door het gebruik van de kazerne. In dit onderzoek komen de volgende aspecten aan de orde: <0000> het inventariseren van alle relevante geluidbronnen, evenals de alle relevante bedrijfssituaties; <0000> het bepalen van de relevante geluidvermogenniveaus van de representatieve geluidbronnen. Deze bronvermogens zijn gebaseerd op metingen door derden, literatuur- en ervaringsgegevens; <0000> het, met behulp van een overdrachtsmodel, bepalen van de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de omliggende woningen en andere gevoelige bestemmingen; <0000> het toetsen van de bepaalde geluidbelastingen aan de van toepassing zijnde richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau; <0000> het globaal aangeven van voorzieningen/maatregelen indien niet kan worden voldaan aan de richtwaarden.
De volgende conclusies vloeien voort uit het onderzoek: <0000> Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit de rekenresultatenblijkt dat voldaan wordt aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit stap 2 uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Miilieuzonering’, zoals deze gelden voor een gemengd gebied. <0000> Maximale geluidniveaus Uit de rekenresultaten blijkt dat de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode de richtwaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode uit stap 2 uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, zoals dit geldt voor een gemengd gebied, met 4 dB overschreden worden. De overschrijding wordt veroorzaakt door parkeeractiviteiten in de nachtperiode op een reeds bestaand parkeerterrein (het gaat dan om het gedurende de nachtperiode starten van auto's en/of het sluiten van aanschroefdelen van auto's). Indien op het deel van de inrichting, dat in onderstaande afbeelding grafisch is aangeduid, in de nachtperiode de zojuist genoemde activiteiten niet plaatsvinden, zal er geen sprake meer zijn van een overschrijding van grens- en richtwaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode.
<0000> Verkeersaantrekkende werking De voorkeursgrenswaarde uit de 'Schrikkelcirculaire' van 50 dB(A) etmaalwaarde door het verkeer van en naar de inrichting op de openbare weg wordt ter plaatse van de woning Cameedijk 13 met maximaal 1 dB overschreden. Een geluidsbelasting van 51 dB(A) etmaalwaarde voor de verkeersaantrekkende werking wordt toelaatbaar geacht omdat de geluidbelasting vanwege de 27 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
maatgevende weg 14 dB meer bedraagt dan de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking. Bovendien bedraagt de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde maximaal 1 dB en bedraagt gezien de staat van de woning de geluidwering van de betreffende woning minimaal 16 dB. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.2 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: <0000> de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; <0000> het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; <0000> de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; <0000> de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; <0000> de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; <0000> het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.
Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: <0000> als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); <0000> als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); <0000> als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); <0000> als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of <0000> het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: <0000> voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; <0000> voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.
Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 28 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Situatie ter plaatse Met het bestemmingsplan wordt nieuwbouw zoals bijvoorbeeld in de vorm van een legeringsgebouw of een kantoor mogelijk gemaakt. Deze functies behoren niet rechtstreeks tot de categorieën die genoemd zijn in de Regeling ‘Niet in betekenende mate’. Om die reden is middels de NIBM-tool bepaald of er vanuit luchtkwaliteit aandachtspunten gelden voor de planvorming. Voor het totale plangebied wordt op drukke dagen rekening gehouden met een verkeersaantrekkende werking van circa 1.000 motorvoertuigbewegingen. De uitbreiding die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, voorziet slechts in een deel van deze verkeersbewegingen. Worst-case is het totale aantal verkeersbewegingen doorgerekend.
Uit de NIBM tool blijkt dat de bijdrage van het verkeer niet in betekenende mate bijdraagt. Vanuit het aspect luchtkwaliteit geldt daarmee geen nadere onderzoeksplicht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.3 Geur Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) 29 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object). De Wgv stelt gemeenten in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geurbeleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. Gemeentelijk geurbeleid De gemeente Roosendaal heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld.
Dat betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Het plangebied is conform de wet gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom. Ter plaatse geldt dan een geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht en een afstandsnorm van 100 meter voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Situatie ter plaatse Met het bestemmingsplan wordt het mogelijk om militaire gebouwen te realiseren, waaronder legeringsgebouwen en/of kantoren. Dit zijn geurgevoelige functies in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Belang omliggende veehouderijen In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Krampenloop 23 op circa 1.250 meter van het plangebied. Gelet op de afstand in relatie tot de geuremissie kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied voldaan wordt aan de geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht of aan de vaste afstand. Agrarische bedrijven worden bovendien niet beperkt in hun bedrijfsvoering, mede omdat andere geurgevoelige objecten op kortere afstand zijn gelegen. Woon- en leefklimaat In afbeelding 2 (bron: Atlas Leefomgeving) is de GES score (gezondsheidseffectscreening-score) voor geur in beeld gebracht. Het plangebied heeft een GES score 1 (goed).
Hieruit blijkt dat 0-5% van de mensen die gevraagd wordt in een enquête aangeeft dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als goed te kwalificeren is.
30 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
GES-score geur (Atlas Leefomgeving)
Conclusie Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.4 Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – in dezen de gemeente en de provincie – afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
31 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Voor de risico-inventarisatie is uitgegaan van de navolgende informatiebronnen: <0000> Professionele risicokaart provincie Noord-Brabant; <0000> Informatie gemeente Roosendaal (RRGS); <0000> Regeling Basisnet. In de volgende afbeelding is een deel van de EV-signaleringskaart weergegeven van gemeente Roosendaal. De ligging van het plangebied is hierin weergegeven.
Risicobronnen en plangebied (bron: EV-signaleringskaart)
Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, zijn het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) en de professionele risicokaart geraadpleegd. Het RRGS is en centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De professionele risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Hieruit blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen is gelegen. In de nieuwe functies wordt bovendien geen opslag van gevaarlijke stoffen voorzien. Transportassen Met het in werking treden van de Wet basisnet is ook Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg, vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen.
Wat de berekening van het groepsrisico betreft, dient voor bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en dergelijke die ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen van de in de Regeling basisnet genoemde transportassen, uit te worden gegaan van de in de bijlage vermelde vervoerscijfers. Die vervoerscijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het vervoer. Bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit dient het groepsrisico te worden verantwoord. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het basisnet weg, water en/of spoor, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor basisnet weg geldt bijvoorbeeld dat daar waar in bijlage I de afstand ‘0’ is vermeld, het
32 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden, moet voor sommige transportassen rekening worden gehouden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor bijvoorbeeld een rijksweg wordt de 30 meter voor het PAG gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In het Bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen binnen een PAG moet voldoen. Als binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 m van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd.
Het invloedsgebied kan dus verder reiken dan 200 meter. Als dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied, dan moeten wel maatregelen worden overwogen. Bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). Ook hier gelden geen beperkingen voor ruimtegebruik voor het (plan)gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas. In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante transportroutes: <0000> De Rijksweg A58; <0000> Het spoortraject Roosendaal - Bergen op Zoom/Essen. Rijksweg A58 Op korte afstand van het plangebied is de A58 gelegen. Over deze rijksweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit traject van de A58 (B114) heeft geen PR 10-6 contour. Het traject heeft wel een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten uit de buitenste rijstrook. Dit plasbrandaandachtsgebied overlapt een deel van het plangebied. Omdat er binnen dit deel geen ontwikkelingen worden voorzien en het dus uitsluitend gaat om een bestaande situatie, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Het plangebied ligt ongeveer voor de helft binnen de 200 meter-zone van de rijksweg.
Dit is de zone waar conform artikel 8 van het Bevt ingegaan dient worden op de waarde van het groepsrisico. Omdat er binnen deze zone van 200 meter geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, waar (extra) personen verblijven, kan volstaan worden met de reeds bekende informatie Voor het naastgelegen bestemmingsplan ‘Langdonk’ is in 2011 een QRA uitgevoerd. Op basis van het risicoplafond van 4.000 transporten GF3, bedraagt het groepsrisico 1,11 x OW. Uit tellingen in 2019 bleek dat het aantal transporten brandbare gassen per jaar circa 3.600 is.
33 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Omdat er geen ontwikkelingen worden voorzien binnen het gebied van 200 meter en het groepsrisico als gevolg van het plan niet toeneemt, wordt het niet zinvol geacht om in te gaan op maatregelen. Een beschrijving van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is wel noodzakelijk. Hiervoor wordt aangesloten bij de standaard verantwoording en het standaard advies. Het spoortraject is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Daarom zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en is het groepsrisico niet beschouwd. Omdat het plangebied wel is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische scenario’s, kan volstaan worden met een zogenaamde beperkte verantwoording waarbij aandacht wordt besteed aan hulpverlening, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Om te bepalen of er in het plangebied of in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd.
Hieruit is gebleken dat het plangebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van planologisch relevante leidingen met gevaarlijke stoffen. Verantwoording groepsrisico
Omdat het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van twee transportroutes dient een verantwoording groepsrisico te worden opgesteld. Omdat voor de beschreven risicobronnen een beperkte verantwoordingsplicht volstaat, wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording en het standaard advies, zoals opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Conclusie Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.5 Stikstofdepositie Toetsingskader Natura 2000-gebieden zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden in Nederland zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Het is verboden zonder vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Dit programma heeft tot doel de effecten van stikstofdepositie op beschermde waarden weg te nemen en ruimte voor ontwikkeling te creëren door:
34 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
<0000> <0000>
emissie van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) te verminderen (bronmaatregelen), en (herstel)maatregelen in de Natura 2000-gebieden.
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan dat het PAS niet als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten. De passende beoordeling van het PAS bevat niet de vereiste motivering om depositieruimte uit te geven voor toestemmingsbesluiten en om activiteiten toe te staan zonder toestemmingsbesluit. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een mogelijk significant effect door depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een project dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Situatie ter plaatse Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op circa 8,3 kilometer. Het gaat om het Natura-2000 gebied Brabantse Wal. Het plan genereert in twee fases stikstof. In de aanlegfase en in de gebruiksfase. Aanlegfase In de aanlegfase veroorzaakt het gebruik van mobiele werktuigen, zoals bouwkranen, graafmachines, vrachtwagens en dergelijke stikstof. Het gehanteerde rekenjaar is 2021. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle bouwwerkzaamheden in 2021 worden uitgevoerd.
Wanneer een deel van de bouw plaatsvindt in een ander jaar, is dit alleen maar gunstiger voor de hoogste hoeveelheid emissie in een jaar. Voor de aanlegfase (bouwfase) is rekening gehouden met een geschat verbruik van 30.000 liter brandstof per jaar. Als uitgangspunt wordt aangehouden dat de mobiele werktuigen uit stageklasse IIIA komen, hetgeen reëel wordt geacht gezien economische en technische levensduur van de mobiele werktuigen. Het verbruik van 30.000 liter is als volgt verdeeld: <0000> 130-560 kW, bouwjaar 2006, 20.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 20 liter brandstof per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 1.000 uur. <0000> 75- 130 kW, bouwjaar 2007, 10.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 10 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 1.000 uur. Deze mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron. De totale emissie bedraagt circa 340 kg NOx in het rekenjaar 2021. In werkelijkheid worden mogelijk ook stageklasse IV mobiele werktuigen ingezet, die ook een lager gemiddelde brandstofverbruik kennen. Daarnaast is rekening gehouden met 400 vrachtwagenbewegingen per jaar voor het afleveren en ophalen van materiaal en materieel en 30 motovoertuigbewegingen licht verkeer per etmaal voor het bouwpersoneel.
De rijroute is ingevoerd tot de A58, daar waar het (vracht)verkeer met zekerheid zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is een worst-case benadering. Uit de berekeningen blijkt dat de aanlegfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt voor het rekenjaar 2021. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze notitie gevoegd. Gebruiksfase De gebruiksfase is de fase waarin de functies worden gebruikt. Voor het kazerneterrein, een inrichting, is in het verleden nooit een Wnb-vergunning verleend. Om die reden wordt de totale bedrijfsvoering van het terrein meegenomen in deze beoordeling. Het gasverbruik in m3 per jaar bedraagt PM m3 per jaar voor het gehele kazernetrerrein. De nieuwe gebouwen zullen niet worden aangesloten op het gasnetwerk, waardoor de emissie van stikstof uitsluitend veroorzaakt wordt door de verkeersaantrekkende werking. Voor het gasverbruik is uitgegaan van een emissie van 200 kg NOx/jaar, wat overeenkomt met een verbruik van meer dan 200.000 m3 per jaar. Worst-case is uitgegaan van de totale verkeersaantrekkende werking van het gehele kazerneterrein op een drukke dag. De berekening is uitgevoerd voor het rekenjaar 2021. De rijroute is ingevoerd tot de Strausslaan, omdat de personenauto’s daar met zekerheid op zullen gaan in het heersende
35 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
verkeersbeeld. De totale emissie NOx als gevolg van deze verkeersaantrekkende werking bedraagt circa 14 kg NOx per jaar. Uit de berekeningen blijkt dat de gebruiksfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Conclusie en voorwaarden Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar, bij de genoemde uitgangspunten. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van deze uitgangspunten in het onderzoek blijkt dat er geen Wnb-vergunning nodig is voor het aspect stikstof. Op dit moment is nog geen aannemer in beeld en kunnen de exacte werkzaamheden nog lastig worden overzien. Indien ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de ureninzet wezenlijk anders wordt ingeschat, wordt aanbevolen om een actualisatie te verrichten van de Aerius-berekening. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.6 Geluid Toetsingskader In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en industrieterreinen. Situatie ter plaatse Met het bestemmingsplan wordt de doorontwikkeling mogelijk van het kazerneterrein en kan nieuwe bebouwing zoals voor legering of kantoren worden gerealiseerd. Een legeringsgebouw is geen geluidsgevoelige functie als bedoeld in de Wet geluidhinder. Omdat er evengoed overnacht wordt, is het vanuit een goede ruimtelijke ordening wel wenselijk om de geluidsbelasting op deze functie in beeld te brengen. De OMWB heeft voor de gemeente Roosendaal geluidskaarten opgesteld, waarin globaal de geluidsbelasting is op te maken. Wegverkeer In onderstaande afbeelding is de geluidsbelasting van de meest bepalende wegen opgenomen. Voor het kazerneterrein geldt dat de delen nabij de A58 en de B. Schneiderlaan een geluidsbelasting hebben van meer dan 63 dB. Het overige deel van het plangebied heeft een geluidsbelasting die ligt tussen de 53 en 63 dB. Dit is een geluidsbelasting die ligt binnen de te verlenen hogere grenswaarden in geval van geluidsgevoelige objecten (Wet geluidhinder).
Door te werken met afscherming van gebouwen, gevelwering, afstand houden tot de geluidsbron zijn voldoende mogelijkheden om een goed binnenklimaat te kunnen realiseren. Deze geluidsbelasting wordt derhalve aanvaardbaar geacht voor de voorziene functies.
36 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Railverkeer Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van het spoor. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van het spoor ruim onder de 48 dB is gelegen. Vanuit spoorlawaai gelden derhalve geen belemmeringen. Gezoneerde industrieterreinen Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Een hogere waarden procedure is niet noodzakelijk, omdat er formeel niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder.
4.7 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van het bestemmingsplan speelt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Situatie ter plaatse Voor dit bestemmingsplan zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Het onderzoek heeft betrekking op de locaties waar de nieuwe ontwikkelingen worden voorzien, te weten Parabaan 16 (oktober 2017) en het perceel C10740 (maart 2018). Voor deze onderzoeken wordt verwezen naar de bijlage. Op het perceel van Parabaan 16 zijn enkele verhoogde waardes aangetroffen in de bovengrond en in het grondwater. Geadviseerd wordt om voor de bodemsanering van de aangetoonde PAK verontreiniging (ter hoogte van een ondergrondse olietank) in de grond een Plan van Aanpak ter accordering in te dienen bij het bevoegd gezag. De sanering van het perceel Parabaan 16 wordt na de sloop van de woning uitgevoerd.
37 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek voor het perceel C10740 zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt redelijkerwijs geen bezwaren met betrekking tot de voorgenomen verwerving van de locatie te verwachten. Conclusie Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan wordt aanvullend onderzoek verricht.
4.8 MER Toetsingskader Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit Mer) in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag dient te bepalen in hoeverre de activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen hebben, ook wanneer de activiteiten (ruimschoots) onder de drempelwaarden zijn gelegen. Voor deze toetst wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r-beoordeling noodzakelijk; <0000> Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een milieueffectrapportage. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: <0000> De kenmerken van het project; <0000> De plaats van het project; <0000> De kenmerken van de potentiële effecten. Situatie ter plaatse Met dit bestemmingsplan wordt nieuwbouw mogelijk gemaakt zoals legeringsgebouwen en kantoren.
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. <0000> Het plan kan gerekend worden tot de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2). In artikel 1.1.1, lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat het begrip stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De bijbehorende drempelwaarde is een oppervlakte van 100 hectare of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. <0000> In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied. <0000> In de milieuparagraaf zijn de verschillende milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door onderhavig plan geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen.
Hoewel de drempelwaarde niet wordt gehaald, dient toch bepaald te worden of sprake is van relevante milieueffecten. Een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus aan de orde. In het onderstaande wordt hier beknopt op ingegaan. Kenmerken van het project Het project maakt nieuwbouw mogelijk in de vorm van gebouwen voor legering, kantoren, kantine, opslag enzovoorts. Met het project wordt met name een verkeersaantrekkende werking naar het plangebied gerealiseerd. Voor het overige gelden er geen noemenswaardige milieueffecten naar de omgeving toe. De extra verkeersaantrekkende werking is beperkt en betreft maximaal 200 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
38 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Plaats van het project Het plangebied is gelegen in binnenstedelijk gebied en ligt dus in een omgeving waar verstedelijking reeds heeft opgetreden. Het plangebied is reeds bebouwd en voorheen in gebruik als bedrijfsperceel. Het gebied heeft geen cultuurhistorische waarde. Gebieden, die deel uit maken van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen op ruime afstand. De kenmerken van de potentiële effecten Ten aanzien van de kenmerken van de potentiële effecten kan het volgende worden opgemerkt: <0000> De functies belemmeren omliggende woningen niet (zie akoestisch onderzoek); <0000> Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging (zie hoofdstuk 4); <0000> Het plan kent vanuit stikstofdepositie geen significante effecten op Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 5); <0000> Het plan realiseert een verkeersaantrekkende werking die past binnen de omgeving en waarbij het omliggende weggennet toereikend is; <0000> Er zijn geen nadelige effecten op de waterhuishouding in de omgeving; <0000> Het plan maakt geen risicobron mogelijk in het kader van externe veiligheid of zorgt niet voor een significante toename van het groepsrisico; <0000> Het plan leidt niet tot significante effecten op beschermde flora- en faunasoorten in of in de omgeving van het plangebied; PM: Check gemeente <0000> Het plan heeft geen onevenredige effecten op cultuurhistorie of archeologie;
<0000> De voorziene functies zijn geen bodembelastende functie voor de bodemkwaliteit. Uit de uitgevoerde onderzoeken en motiveringen blijkt dat het plan geen onevenredige milieueffecten heeft op de omgeving. Een m.e.r-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het plan wordt gerekend tot de activiteiten genoemd in de D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Het plan ligt onder de drempelwaarde van 100 hectare of een bvo van 200.000 m2. Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredige milieueffecten op de omgeving. Er is derhalve geen m.e.r-beoordeling of milieueffectrapportage noodzakelijk.
4.9 Belemmeringen Er zijn geen belemmeringen zoals kabels en leidingen die de beoogde ontwikkelingen van de Engelbrecht van Nassaukazerne in de weg staan.
4.10 Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied.
39 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
4.11 Water 4.11.1 Aanleiding Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd. Het doel van de watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Er wordt met name ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en de beschrijving van de maatregelen die worden getroffen.
4.11.2 Proces Sinds het voorjaar van 2003 worden in de gemeente Roosendaal alle nieuwe gemeentelijke ruimtelijke plannen besproken in het “Waterpanel Roosendaal”. De werkwijze van het waterpanel is vastgelegd in het “Handboek bij de watertoets bij de Gemeente Roosendaal”. Naast enkele gemeentelijke afdelingen nemen het waterschap en de vaste adviseurs van de Gemeente Roosendaal eenmaal per kwartaal deel aan het overleg. Het waterschap levert in dit overleg alle relevante waterhuishoudkundige informatie over het projectgebied en haar omgeving aan. Aan de hand van opmerkingen en aanvullingen van de waterbeheerder formuleert de gemeente een waterparagraaf bij de RO-procedure. Ook wordt de waterbeheerder de mogelijkheid geboden om tijdig zijn zienswijze te geven op concepten. Indien de gemeente in de definitieve waterparagraaf afwijkt van het advies van het waterschap, wordt deze afwijking in de waterparagraaf expliciet gemotiveerd. Voor het opstellen van een waterparagraaf heeft het waterschap Brabantse Delta een “checklist Watertoets (maart 2006)" opgesteld. Deze checklist is opgenomen in het door het waterschap opgestelde document “Op weg naar het waterschap”. In het geval van bestemmingsplannen geldt daarnaast de bijlage 'Aandachtspunten voor de toetsing van plankaart en voorschriften'.
Alle in de checklist genoemde aspecten zijn beoordeeld en afgewogen en indien relevant beschreven in de waterparagraaf.
4.11.3 Beleid Voor het rijksbeleid en het beleid van het waterschap wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van deze toelichting.
4.11.4 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van de kern van Roosendaal. Het gebied is gelegen tussen de woonwijken 'Kortendijk' en 'Langdonk'. Riolering Het gedeelte van het plangebied gelegen ten noorden van de Kortendijksestraat is gelegen in rioleringsgebied C7. In dit rioleringsgebied is een verbeterd gescheiden rioolstelsel aanwezig. Het gedeelte van het plangebied gelegen ten zuiden van de Kortendijksestraat is gelegen in rioleringsgebied A3 waar een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied zijn geen categorie A-watergangen aanwezig, wel liggen er binnen het plangebied een aantal sloten. Het plangebied ligt in het stroomgebied van de Molenbeek. Uitbreidingslocatie Engelbrecht van Nassaukazerne De uitbreidingslocatie van de Engelbrecht van Nassaukazerne is momenteel geheel onbebouwd. Het maaiveld van de kazerne varieert van circa 4,9 m + NAP op het noordelijk deel van het terrein tot 6,5 m +NAP op het zuidelijk deel van het terrein.
40 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Bodemopbouw en grondwater Op basis van de afkoppelkansenkaart van de gemeente Roosendaal zijn de bodemgesteldheid en grondwaterstanden geschikt voor infiltratie van regenwater. In het kader van het Waterhuishoudkundig plan is nader veldonderzoek gedaan. Hierin zijn de navolgende bevindingen opgenomen. Bodemopbouw Uit de boorbeschrijvingen kan worden afgeleid dat op de locatie tot minimaal 3,0 m-mv overwegend een matig siltig, zeer fijn zandige deklaag aanwezig is. In enkele boringen is een zwak zandige leemlaag aangetroffen. De aangetroffen bodemopbouw komt goed overeen met de regionale kenmerken van het gebied. Grondwaterstanden Uitgaande van de fluctuatie (tussen GHG en GLG) in een nabij gelegen TNO-peilbuis en op de onderzoekslocatie gemeten grondwaterstanden wordt verwacht dat de GHG en de GLG op de onderzoekslocatie respectievelijk circa 4,7 en 3,7 m +NAP bedragen. Verwacht wordt dat de gemiddelde grondwaterstand circa 4,2 m +NAP bedraagt. Doorlatendheid Op basis van de doorlatendheidsmetingen wordt verwacht dat de doorlatendheid van de onverzadigde zone (op een traject van circa 0,7 - 1,5 m-mv) over het algemeen matig tot slecht is en overwegend <0,1 m/dag bedraagt waar de bodem uit zeer fijn zand bestaat. Daar waar de bodem uit matig fijn zand bestaat wordt verwacht dat de doorlatendheid redelijk goed is en 4 à 5 m/dag bedraagt.
Verwacht wordt dat de doorlatendheid van de verzadigde zone tussen 2 en 3 m-mv, overwegend matig tot redelijk is en 0,8 tot 1,5 m/dag bedraagt.
4.11.5 Toekomstige situatie Engelbrecht van Nassaukazerne Het Ministerie van Defensie is voornemens op basis van een structuurplan te komen tot een herinrichting van het kazerneterrein. Dit leidt tot een andere positionering van gebouwen en functies. <0000> Binnen de grenzen van het kazerneterrein dient voldoende berging te worden gerealiseerd. De berging dient vertraagd te lozen op het aanwezige schoonwaterriool. <0000> Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de neerslag die afvloeit van ‘schone’ oppervlakken afzonderlijk ingezameld te worden. Voor het kazerneterrein geldt dat het huishoudelijk afvalwater middels een aparte vuilwaterleiding dient te worden afgevoerd naar het vuilwaterriool van het VGS-stelsel. <0000> Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Een en ander dient langs privaatrechtelijke weg te worden geregeld.
4.12 Flora en fauna Toetsingskader In een bestemmingsplan worden de beschermde natuurwaarden planologisch-juridisch veiliggesteld en wordt de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de aanwezige natuurwaarden. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. Soortbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet. Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijk beschermde plant- en diersoorten en de effecten van een ruimtelijke ingreep hierop. Gebiedsbescherming is geregeld via de Natuurbeschermingswet en de Wet ruimtelijke ordening. Vergelijkbaar met het onderzoek naar beschermde soorten, geldt voor alle bestemmingsplannen dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke gebiedsbescherming in of nabij het plangebied. Ook dienen eventuele effecten van een ruimtelijke ingreep op beschermde gebieden in kaart te worden gebracht. Bestaande situatie Het plangebied ligt in de kern van Roosendaal en maakt geen deel uit van natuurgebieden die beschermd zijn krachtens de Natuurbeschermingswet 1998. Ook maakt het plangebied geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
41 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Onderstaand wordt ingegaan op de gebieden die onderdeel zullen gaan uitmaken van het kazerneterrein. Voor deze gebieden is een tweetal rapportages vervaardigd met het oog op de natuurwaarden en de bescherming van soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze rapportages zijn beide vervaardigd door Ecogroen. De 'Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal' dd. 29 januari 2020. Deze rapportage heeft betrekking op de twee percelen die op onderstaand kaartje zijn aangegeven.
Resultaten en effectbeoordeling <0000> Binnen beide gebieden is geschikt leefgebied aanwezig voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart. <0000> Binnen beide gebieden zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Van onmisbare foerageergebieden en/of vliegroutes is evenmin sprake. Wel wordt mogelijk de beplanting langs de Burgemeester Schneiderlaan gebruikt als (hetzij niet essentieel) vliegroute door vleermuizen. <0000> Binnen beide gebieden zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen of te verwachten. Wel zijn enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen of te verwachten zoals winterkoning, houtduif, tjiftjaf, heggenmus, zwartkop, groenling, roodborst en merel. <0000> Binnen beide gebieden zijn geen verblijfplaatsen of onmisbare foerageergebieden van beschermde vissen, reptielen of ongewervelden (niet-zijnde vlinders) aangetroffen of te verwachten die bescherming genieten. Advies <0000> Vervolgonderzoek naar alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart is noodzakelijk om de functie van de planlocaties voor deze soorten in kaart te brengen. Indien deze soorten worden aangetroffen is afhankelijk van welke werkzaamheden uitgevoerd worden, een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
<0000> Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is noodzakelijk op het moment dat provincie Noord-Brabant bevoegd gezag is. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek en welke werkzaamheden uitgevoerd worden, is mogelijk ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk. <0000> Werkzaamheden die broedbiotopen van alle aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de verwachte soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode 15 november tot 15 februari en middels een veldbezoek een controle uit te voeren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. <0000> Bij de geplande werkzaamheden kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een vrijstelling verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is.
<0000> Om lichtverstoring op de mogelijk aanwezige vliegroute langs de Burgemeester Schneiderlaan te voorkomen adviseren we als bovenwettelijke maatregel om toekomstige verlichting op planlocatie 42 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
aan te passen aan vleermuizen. Lichtverstoring kan voorkomen worden door de volgende maatregelen te nemen: <0000> Toekomstige inrichtingswerkzaamheden die plaatsvinden in het gebied ten oosten van het huidige kazerneterrein in de actieve periode van vleermuizen bij daglicht uitvoeren. <0000> Voor buitenverlichting gericht naar de beplanting langs de Burgemeester Schneiderlaan kan gebruik worden gemaakt van amberkleurige verlichting en wordt de lichtsterkte verlaagd tot wat minimaal noodzakelijk is door te werken met een dim-regime. Onderzoek natuurwaarden bebouwing Parabaan 16 te Roosendaal dd. 9 november 2017 Ook is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van natuurwaarden van de te slopen bebouwing op het perceel Parabaan 16.
Soortbescherming <0000> In het plangebied zijn geen (vaste) verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Schade aan onmisbare vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen is niet te verwachten. <0000> In het plangebied is één jaarrond beschermde nestlocatie van de huismus aangetroffen. Overige jaarrond beschermde nesten ontbreken. <0000> In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende broedvogels van bebouwing en struweel aangetroffen en of te verwachten zoals merel, ekster, kauw, spreeuw en houtduif. <0000> In het plangebied zijn geen flora, amfibieën, grondgebonden zoogdieren, reptielen, vissen en ongewervelden aangetroffen of te verwachten die bescherming genieten binnen de provincie Noord-Brabant. Eindconclusies en aanbevelingen <0000> Voor het verwijderen van jaarrond beschermde nesten van de huismus is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. <0000> Bij de planning van renovatie- of sloopwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de broedperiode van de huismus om zo verstoring in de meest kwetsbare perioden te voorkomen. <0000> Voorafgaand aan de renovatie- of sloopwerkzaamheden moet de bebouwing ongeschikt gemaakt worden voor het nestelen van de huismus. De meest geschikte periode voor uitvoering van de werkzaamheden is van oktober tot en met februari (weersafhankelijk).
<0000> Er dienen ruim voor aanvang van de werkzaamheden minimaal twee alternatieve verblijfplaatsen voor de huismus gerealiseerd te worden. <0000> Alle bovenstaande maatregelen moeten plaatsvinden in overleg met en onder begeleiding van een vogeldeskundige. <0000> Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren met een provinciale vrijstelling verloren gaan. <0000> Werkzaamheden die broedbiotopen van alle aanwezige vogels beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of nesten of eieren van broedvogels worden beschadigd of vernield, ongeacht de datum. 43 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
4.13 Cultuurhistorie, archeologie en monumenten 4.13.1 Geomorfologische situatie Het plangebied ligt ten zuidoosten van de oudste kern van Roosendaal, nabij de splitsing van de Zundertseweg en de Kortendijksestraat. De ondergrond in het gebied maakt deel uit van het zuidelijke zandgebied van West-Brabant. De ondergrond bestaat uit leemrijk pleistoceen zand, dat vanaf 2 miljoen jaar geleden werd afgezet door voorlopers van Rijn en Maas. De jongste afzettingen bestaan uit dekzand dat in de laatste fase van het glaciaal (120.000-10.000 jaar geleden) werd afgezet en gerekend wordt tot de Formatie van Boxtel. Hoewel het plangebied binnen de bebouwde kom van Roosendaal ligt en niet aardkundig is gekarteerd, kan door extrapolatie van gegevens worden gesteld, dat sprake is van een afwisseling van terrasafzettingswelvingen en –vlakten, gevormd in een landschap van kleine beken. De belangrijkste daarvan is de noord-zuid stromende Roosendaalse Beek of Molenbeek. In de laatste IJstijd werden door de wind ook dalvormige laagtes uitgeblazen, die in het holoceen met veen bedekt raakten. Ten oosten van Roosendaal ligt een dergelijk gebied.
4.13.2 Bodemkundige situatie
Afbeelding: Het plangebied rood omlijnd op de reconstructiekaart van de voormalige veenbedekking. Het veen is lichtgrijs weergegeven. In blauw de beken en waterlopen (naar Leenders 1996).
Hoewel de bebouwde kom van Roosendaal bodemkundig niet gekarteerd werd, kunnen beschikbare gegevens wel geëxtrapoleerd worden. Buiten het gebied komen eerdgronden voor, dat zijn oude landbouwgronden die door opbrengen van mest een humeuze bovenlaag of esdek hebben gevormd dat tenminste 50 cm dik is. Een eerder uitgevoerd booronderzoek door ADC heeft aangetoond dat er op het oostelijke deel van het plangebied inderdaad sprake is van een esdek. Voor het grootste deel zal het gebied echter bestaan uit podzolgronden met een humeuze laag van minder dan 50 cm. Voor het gebied rond Roosendaal is historisch-landschappelijk onderzoek verricht. Op basis van de studie van K.Leenders kan worden geconcludeerd, dat het plangebied deel uitmaakte van een groot veengebied, dat in de Late Middeleeuwen werd ontgonnen, het zogenaamde “Vlaamse Moer”. Deze
44 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
veengebieden ontstonden op slecht doorlatende leemrijke zandgronden, met name vanaf de Bronstijd (ca. 2500 v.Chr.). Het veen bedekte grote delen van West-Brabant en bereikte plaatselijk een grote dikte. In de boringen van het ADC werd een AC-profiel aangeboord, wat betekent dat de jongere humeuze laag (het akkerdek of A-horizont) direct op de moederbodem (dekzand of C-horizont) ligt. De natuurlijke top van het dekzand (B-horizont) ontbrak, evenals resten van de venige ondergrond, die na de turfwinning zou overblijven. Dit betekent dat de top van de natuurlijke ondergrond onder het veen door grondbewerking werd opgenomen in de akkerlaag.
4.13.3 Archeologie Historie De kerk van Roosendaal werd in 1268 gebouwd als een centrale voorziening voor de omliggende Hulsdonk, Langdonk en Kalsdonk. Tezelfdertijd ontwikkelde zich een wegenstructuur van Wouw naar de Roosendaalse kerk (Heirweg) en van daaruit naar Breda en Zundert. Vermoedelijk waren de oudere nederzettingen via noord-zuid gerichte wegen verbonden met de route Bergen op Zoom-Westelaar-Nispen-Breda. Het gebied was te tijde van de veenontginningen zeer nat. Ten oosten van de kern Roosendaal lag het grote veengebied Vlaamse Moer of Vlamingenmoer, dat een rechthoekige vorm van 2,7 x 10,8 km had. Het werd kort na 1250 in concessie gegeven aan Vlamingen, die er stelselmatig een ontginning startten. Het veen werd droog en toegankelijk gemaakt door het graven van vaarten en sloten. De Doorlechtste Vaart en de Rucphense Vaart waren de grootste kanalen, van waaruit het veen naar de Roosendaalse Vliet werd getransporteerd. De Rucphense Vaart kreeg in de 15de eeuw een aftakking naar de zuidelijke moeren bij Essen, de Eldersche Vaart. De Vlaamse Moeren werden in een aantal blokken verdeeld en verder ontgonnen. Resten van deze opsplitsing zijn nog herkenbaar ten noordoosten van Kalsdonk, richting Zegge. In het zuidelijke deel is minder van deze structuur bewaard omdat hier de bebouwing van Roosendaal overheen kwam te liggen.
Ook was het veenpakket hier waarschijnlijk minder dik. De resten van de Vlaamse Moer gelden als een van de fraaiste landschappelijke relicten van de voormalige turfwinning in de streek. Het plangebied Kortendijksestraat e.o. ligt in de zuidwestelijke hoek van het voormalige Vlaamse Moer. Na de turfwinning restte een schraal zandlandschap, waar zich heide ontwikkelde of waar hooi en graslanden ontstonden. Door intensieve bemesting konden op de wat hogere zandgronden akkers aangelegd worden. De omgeving van Roosendaal heeft echter een gedeeltelijke ontvolking gekend in de 16de en 17de eeuw. Pas in de 18de en vooral de 19de eeuw steeg het aantal inwoners. In het begin van de 19de eeuw was in feite nog sprake van een agrarisch dorp. Vanaf het einde van de 19de eeuw vond een explosieve groei plaats. Aan het agrarische gebruik in het plangebied kwam een einde in 1937, toen de Engelbrecht van Nassaukazerne werd opgericht. De wijk Kortendijk werd in de jaren ’70 en ’80 aangelegd. De oudste betrouwbare kaarten zijn de kadastrale kaart van 1811-1831 en de topografische kaart van 1840. Opvallend hierop is het regelmatige patroon van rechthoekige akkers en weilanden aan de noordzijde van de Burgerhoutsestraat en de Kortendijksestraat. Parallel aan deze straten werd (op het einde van de 18de eeuw?) het ‘Achterstraatje’ aangelegd. De huidige Voorstraat en de Parabaan zijn er relicten van.
Volgens de kadastrale kaart stonden er verspreid aan de Achterstraat en de Kortendijksestraat boerderijen. Vermoedelijk werden deze in de tweede helft van de 18de eeuw gebouwd. Twee ervan vielen binnen het plangebied; het betreft een boerderij/woning onder het plangebied van het bergbezinkbassin en een ter hoogte van Kortendijkseweg 95/95a.
45 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Afbeelding: Het plangebied op de topografische kaart van 1840.
Reeds bekende archeologische waarden Binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied zijn geen archeologische vondsten bekend. Evenmin zijn er gegevens bekend in de archeologische werkgroep van de Heemkundekringen. Dit is echter ook een gevolg van het ontbreken van enige vorm van kartering, veldlopen, waarnemingen,etc. ADC Archeoprojecten voerde in 2008 een verkennend booronderzoek uit op het oostelijke deel van het plangebied (uitbreidingslocatie commandokazerne). Dat onderzoek toonde aan dat er sprake was van een esdek van meer dan 50 cm dikte op een ondergrond van dekzand. Er werden geen sporen meer van veen of van het natuurlijke zandoppervlak aangetroffen. Evenmin werden archeologische indicatoren gevonden (zoals houtskool, scherven, puin). Archeologische waardebepaling Het plangebied kent een lage archeologische trefkans. Dit wordt bepaald door een combinatie van de historische en bodemkundige gegevens. In principe zouden er prehistorische sporen te verwachten zijn, met name Meso- en Neolithicum van vóór de veenvorming. Echter, de aard van het esdek en het aangetroffen AC-profiel tonen aan dat het terrein na de veenontginningen werd geploegd en bewerkt, waarbij de natuurlijke overgang van zand naar veen geheel werd opgenomen in de A-horizont. Waarschijnlijk was het veen hier niet erg dik en lag het zand niet diep.
Resten van de inspoelingshorizont (B-horizont) ontbreken, evenals resten van veraard veen die over zouden blijven na de veenwinning. Waarschijnlijk is het terrein aanvankelijk hooiland geweest en pas veel later, na de introductie van kunstmest, akker. Geconcludeerd wordt, dat door bodembewerking na de 17de-18de eeuw het natuurlijke oppervlak, waarop oude sporen zouden kunnen liggen, vergraven werd. Er geldt dus een zeer lage trefkans voor sporen uit de Prehistorie. Vanaf de Bronstijd tot de 13de eeuw was het gebied onderdeel van de Vlaamse Moer. Vanwege het veen kon het gebied niet bewoond worden. Dat betekent dat er géén bewoningssporen te verwachten zijn uit deze periodes. Voor de tijd ná de 13de eeuw geldt eveneens een lage trefkans. Er zijn geen aanwijzingen dat zich in de late middeleeuwen boerderijen in het gebied hebben bevonden. De relatieve hoge grondwaterstand en de geringe vruchtbaarheid maakte dergelijke terreinen alleen geschikt als heide of hooiland.
46 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Pas voor de periode na 1750 trad voor Roosendaal een zekere welvaart op. Aangenomen wordt dat in die tijd landbouw tot ontwikkeling kwam vanuit de belangrijkste straten. Het ‘Achterstraatje’ dateert uit deze periode. Er was een boerderij in het noordelijk deel van het plangebied, maar daarvan zijn alle sporen verloren gegaan bij de bouw van het bergbezinkbassin. Conclusie De conclusie luidt dat er in het plangebied sprake is van een lage archeologische waarde. Aansluitend op het beleid van de gemeente Roosendaal zoals vastgelegd in de erfgoedverordening, is op terreinen met een lage archeologische trefkans geen nader onderzoek verplicht. Mochten tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan zal Defensie conform de regelgeving handelen.