t_Commandoterrein Vaststelling.pdf
Tekst van het document
Toelichting
1 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
2 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 INLEIDING 5 1.1 Aanleiding 5 1.2 Doel 5 1.3 Ligging plangebied 5 1.4 Geldende bestemmingsregeling 6 1.5 Leeswijzer 6 Hoofdstuk 2 BELEIDSKADER 7 2.1 Europees beleid 7 2.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water 7 2.2 Rijksbeleid 7 2.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 7 2.2.2 Nationaal bestuursakkoord water 8 2.2.3 Waterwet 9 2.2.4 Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT2) 10 2.3 Provinciaal beleid 10 2.3.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant', Visie op de Brabantse leefomgeving 10 2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening - Partiele herziening 2014 10 2.2.3 Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie 2019) 11 2.2.4 Concept Interim Omgevingsverordening 11 2.3.5 Cultuurhistorische Waardenkaart 12 2.4 Beleid waterschap 14 2.5 Gemeentelijk beleid 15 2.5.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 15 Hoofdstuk 3 Beschrijving plangebied 17 3.1 Ligging van het kazerneterrein 17 3.2 Historische en stedenbouwkundige beschrijving van het plangebied 17 3.3 Functionele analyse 22 3.4 Groen en water 23 3.5 Verkeer 23 Hoofdstuk 4 Onderzoeken 25 4.1 Bedrijven- en milieuzonering 25 4.2 Luchtkwaliteit 28 4.3 Geur 29 4.4 Externe veiligheid 31 4.5 Stikstofdepositie 34 4.6 Geluid 36 3 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
4.7 Bodem 4.8 MER 4.9 Belemmeringen 4.10 Stiltegebieden 4.11 Water 4.11.1 Aanleiding 4.11.2 Proces 4.11.3 Beleid 4.11.4 Huidige situatie 4.11.5 Toekomstige situatie 4.12 Flora en fauna 4.13 Cultuurhistorie, archeologie en monumenten 4.13.1 Geomorfologische situatie 4.13.2 Bodemkundige situatie 4.13.3 Archeologie 4.13.4 Monumenten Hoofdstuk 5 VISIE OP HET PLANGEBIED Hoofdstuk 6 JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 6.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) 6.3 Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling 6.3.1 Uitgangspunten en doelstellingen 6.3.2 Opbouw regels 6.3.3 Flexibiliteitsregels 6.4 Bestemming Maatschappelijk - Militaire Zaken 6.5 Bestemming Verkeer Hoofdstuk 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Hoofdstuk 8 OVERLEG EN INSPRAAK 8.1 Overleg 8.2 Inspraak 8.3 Resultaten overleg en inspraak
4 van 57
37 38 39 39 40 40 40 40 40 41 41 44 44 44 45 47 49 51 51 51 52 52 52 53 53 54 55 57 57 57 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Hoofdstuk 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding In Roosendaal bevindt zich aan de Parabaan 10, de Engelbrecht van Nassaukazerne. De Engelbrecht van Nassaukazerne is de thuisbasis van het Korps Commando Troepen (hierna: KCT). Door de groei van het KCT, maar ook door de noodzaak om diverse maatregelen te treffen ter verhoging van de veiligheid van de kazerne, dient het kazerneterrein doorontwikkeld te worden. Daarnaast wordt met het oog op de toekomst landelijk een revitaliseringsprogramma doorgevoerd voor diverse defensielocaties waaronder ook de Engelbrecht van Nassaukazerne. Hierdoor zullen naast het uitbreiden van de huidige kazerne ook de bestaande gebouwen en de terreininrichting (deels) worden herontwikkeld en verduurzaamd. Om in deze toenemende ruimtevraag te kunnen voorzien is in opdracht van het Ministerie van Defensie een perceel aangekocht direct grenzend aan het huidige kazerneterrein. Dit perceel heeft ingevolge het bestemmingspan 'Kortendijksestraat-Zundertseweg' nog een agrarische bestemming, een bestemming die nog herinnert aan het oorspronkelijk op die locatie gevestigde agrarische bedrijf. Daarnaast heeft Defensie ook de woning met gronden aan de Parabaan 16 aangekocht. Ook deze gronden zullen na de sloop van de woning en bijgebouwen bij het defensieterrein worden getrokken.
Een belangrijke doelstelling voor Defensie is om de beveiliging van het kazerneterrein op een hoger niveau te krijgen. Daartoe is een verzoek ingediend om een strook grond aan de noordzijde van het terrein, grenzend aan de Parabaan in eigendom te mogen verwerven, zodat de afstand van de aldaar gesitueerde gebouwen en de erfscheiding groter wordt. Naast het creëren van een grotere afstand geeft dit ook mogelijk ruimte voor bezoekers om te parkeren. Dit leidt tevens tot een afname van het aantal verkeersbewegingen op het kazerneterrein. De gemeente wil de groei van het KCT en de toenemende veiligheidseisen graag faciliteren. Om die reden is de gemeente voornemens om een strook grond direct ten noorden van de kazerne te verkopen. Als gevolg daarvan komt de rijbaan aan de Parabaan te vervallen. Ook zal het fietspad worden verlegd. De gemeente heeft daarbij voorwaarden gesteld ten aanzien van de bereikbaarheid van het in het gebied aanwezige bergbezinkbassin. De afstand die ten opzichte van deze voorziening in acht moet worden genomen en de noodzaak tot bereikbaarheid, bepalen in belangrijke mate de omvang en de vorm van de gronden, die verkocht worden.
1.2 Doel Doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een nieuwe juridische regeling, waarbij het terrein van het KCT in voldoende mate de komende jaren kan doorontwikkelen en waarbij de gewenste nieuwbouw en versterking van de militaire functie mogelijk worden gemaakt. Naast een juridische regeling voor het bestaande kazerneterrein worden de nieuw aangekochte gronden ook betrokken bij het bestemmingsplan en is de plangrens hierop aangepast. Hierdoor is er een logisch plangebied ontstaan voor het gehele kazerneterrein en wordt voorzien in een eenduidige bestemmingsregeling.
1.3 Ligging plangebied Het kazerneterrein is gelegen ten oosten van de A58. Het plangebied is gelegen tussen de woonwijken 'Kortendijk' en 'Langdonk' en wordt begrensd door de Burgemeester Schneiderlaan, de Commandobaan en de perceelsgrens van de kazerne met de achtertuinen bij de (woon)bebouwing aan de Kortendijksestraat.
5 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Afbeelding: Ligging plangebied
1.4 Geldende bestemmingsregeling Voor het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Kortendijksestraat-Zundertseweg'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2013.
1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst, waarbinnen de planvorming plaatsvindt. Met name het planologisch beleid op provinciaal en gemeentelijk niveau komt aan bod. In hoofdstuk 3 wordt de bestaande situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 worden alle onderzoeken behandeld met betrekking op het plangebied. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van het plan, waarbij met name de planologische aspecten en de visie ten aanzien van de ontwikkeling van het plangebied aan de orde komen. Hoofdstuk 6 bevat de juridische planbeschrijving, waarin de juridische aspecten van het bestemmingsplan worden beschreven. In hoofdstuk 7 wordt kort ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 8 is plaats ingeruimd voor korte toelichting op het gehouden wettelijke overleg (artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening) en de inspraak op het voorontwerpbestemmingsplan.
6 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Hoofdstuk 2 BELEIDSKADER 2.1 Europees beleid 2.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) in werking getreden. De KRW gaat uit van een stroomgebiedsbenadering waarbij voor Nederland de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems van belang zijn. Het doel van de KRW is dat al het water in de Europese Unie in 2015 in 'goede chemische toestand’ en een 'goede ecologische toestand' moet verkeren. De KRW stelt eisen aan de chemische kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater en de ecologische kwaliteit van oppervlaktewater. In het gebied West Brabant is onder regie van Waterschap Brabantse Delta per waterlichaam bepaald wat de knelpunten en de KRW-doelen zijn. Waterschap en gemeenten leggen de KRW-maatregelen in bestuurlijke besluiten vast. De maatregelen zijn opgenomen in de "deelstroomgebiedsbeheersplannen" voor de Maas en de Schelde. De KRW is in 2005 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving en al vanaf 2000 in Europa van kracht. Van belang is dat bij initiatieven tenminste voldaan wordt aan het stand-still principe. Dit houdt in dat een ingreep (uitvoering van het ruimtelijk plan) de toestand van het watersysteem niet mag verslechteren, tenzij beargumenteerd kan worden dat dit wegens 'een hoger doel' niet anders kan. Om dit te bereiken dienen in relatie tot de KRW de volgende vragen te worden beantwoord: 1. 2. 3.
Is het project riskant? Zijn er relevante chemische gevolgen? Biedt de ontwikkeling kansen om het ecologisch doel dichterbij te brengen?
2.2 Rijksbeleid 2.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; <0000> met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; <0000> waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; <0000> met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; <0000> waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
<0000> dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; <0000> waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; <0000> dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.
7 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: <0000> Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. <0000> Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. <0000> Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: <0000> Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit <0000> Ruimte voor overgang naar een circulaire economie <0000> Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden <0000> Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen
2.2.2 Nationaal bestuursakkoord water Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekent. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: <0000> Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. <0000> Toepassen van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, met als eerste insteek het vasthouden van water. <0000> Toepassen van de trits schoon houden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken, <0000> Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Voor glastuinbouw geldt een norm van T=50 (bui die eens in de 50 jaar voorkomt).
En voor akkerbouw en grasland geldt respectievelijk T=25 en T=10. In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water dient in de toekomst ondermeer de wateropgave (zowel in het stedelijk als ook in het landelijk gebied) te worden uitgewerkt. Hierbij zijn de genoemde werknormen, die afhankelijk zijn van het grondgebruik, maatgevend. Ten behoeve van deze wateropgave kan in de toekomst ruimte voor waterberging benodigd zijn binnen de bestemmingsplangrenzen. Op basis van de thans beschikbare informatie is echter hiervoor nog geen ruimtelijke reservering voorzien. In voorkomende gevallen zal de gemeente deze mogelijke functieveranderingen door middel van een nieuw bestemmingsplan mogelijk maken. De watertoets zal dan worden doorlopen, het betreffende 'plangebied' zal worden besproken in het waterpanel en er zal een waterparagraaf worden opgesteld. Op deze wijze is het aspect water ook in de toekomst op een zorgvuldige wijze ingebed in het bestemmingsplan. Indien sprake is van nieuw verhard oppervlak, wordt op basis van de werknormen in het 'Nationaal Bestuursakkoord Water' is voor het stedelijk gebied T=100 geëist. Het is het meest voor de handliggend (vaak eenvoudig mogelijk door toestaan van peilstijging tot aan het maaiveld) dat deze wordt meegenomen in de aan te leggen infiltratie / retentievoorziening.
Het is echter toegestaan om deze retentie te realiseren in groenstroken en op straat, indien er geen afwenteling plaatsvindt op 8 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
andere gebieden en geen wateroverlast optreedt in woningen en bedrijven. Dit laatste is vaak alleen mogelijk als er sprake is van een nieuwe ontwikkeling. In voorliggend plan is dit het geval. In de waterparagraaf wordt hier nader op ingegaan.
2.2.3 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland worden vervangen door deze Waterwet en de zes verschillende vergunningen worden opgenomen in één vergunning. Met de Waterwet hebben het rijk, waterschappen, provincies en gemeenten moderne wetgeving in handen om integraal waterbeheer te realiseren, om te zorgen voor waterveiligheid en om watervervuiling, wateroverlast en watertekorten tegen te gaan. Ook verplicht de Waterwet waterschappen en gemeenten om hun taken en bevoegdheden onderling af te stemmen, in het bijzonder voor de riolering en de zuivering van afvalwater. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Verder kunnen waterbeheerders via waterakkoorden afspraken maken met andere overheden over het te voeren waterbeheer.
Dit akkoord is vormvrij en kan over alle onderwerpen van waterbeheer gaan. Ook biedt de wet de mogelijkheid om tot bestuurlijke afspraken te komen tussen een waterschap en een gemeente. Deze laatste mogelijkheid is procedureel eenvoudiger. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wm bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Organisatie waterbeheer De Waterwet kent formeel slechts twee waterbeheerders: het rijk, als de beheerder van de rijkswateren, en de waterschappen, als de beheerders van de overige wateren. Deze laatsten zijn daarnaast ook verantwoordelijk voor het zuiveringsbeheer. Provincies en gemeenten zijn formeel geen waterbeheerder, maar hebben wel waterstaatkundige taken. Zo blijft de provincie voorlopig bevoegd gezag voor drie categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties: de openbare drinkwaterwinning, ondergrondse energieopslag en industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar.
Op gemeenten rust een hemel- en grondwaterzorgplicht, zoals deze in januari 2008 via de Wet gemeentelijke watertaken is vastgelegd in de Wet op de waterhuishouding. De Waterwet regelt daarnaast ook de onderlinge toezichtverhoudingen van de verschillende betrokken overheden. Provincies houden toezicht op waterschappen en gemeenten en waar nodig kan de provincie gebruik maken van instructies of aanwijzingen. Een provincie of het rijk kan met besluiten of handelingen optreden in plaats van een waterschap of een gemeente. In situaties waarin bovenregionale belangen of internationale verplichtingen spelen, kan de minister van Verkeer en Waterstaat de toezichtinstrumenten benutten. Waterwet in Europees verband Nederland maakt deel uit van vier Europese stroomgebieden: de Rijn, de Eems, de Schelde en de Maas. De Waterwet sluit hierop aan. In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen rijkswateren en niet-rijkswateren (regionale wateren). Voor beide categorieën worden via het nationale waterplan respectievelijk de regionale waterplannen, strategische structuurvisies vastgesteld, waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid en de maatregelenprogramma's zijn vastgelegd. Deze zijn richtinggevend voor het ruimtelijke ordeningsbeleid en zorgen zo voor een versterking van de relatie tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening. De plannen worden een keer per zes jaar herzien.
9 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
De waterschappen en de diensten van Rijkswaterstaat stellen vervolgens operationele waterbeheerplannen vast, waarin wordt aangegeven welke maatregelen zij in de komende periode zullen uitvoeren.
2.2.4 Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT2) Het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen is een planologische kernbeslissing die de hoofdlijnen bevat van het rijksbeleid voor militaire terreinen en complexen. Het SMT2 dateert van mei 2005, is nog steeds vigerend c.q. niet vervangen door een recenter nota. In de nota is aangegeven dat kazernes met legering (zoals de Engelbrecht van Nassaukazerne) veelal in het landelijk gebied zijn gelegen aan de rand van de stedelijke bebouwing. Zij hebben directe relaties met oefen- en schietterreinen en zijn daarom uit het oogpunt van ruimtelijke ordening van belang. Om de bedrijfsvoering zo doelmatig mogelijk te laten verlopen is de huisvestiging zo efficiënt mogelijk geconcentreerd. Door de concentratie van legeringsactiviteiten in minder kazernes zijn deze relatief belangrijker geworden. Verandering van functies dienen op de bestaande kazernes te worden opgevangen en dit kan leiden tot meer nieuw- en verbouwactiviteiten. Het uitbreiden van de Engelbrecht van Nassaukazerne voldoet aan dit laatste uitgangspunt. De toename van personeel of verschuiving van personeel wordt opgevangen op de bestaande kazernes waaronder die in Roosendaal.
2.3 Provinciaal beleid 2.3.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant', Visie op de Brabantse leefomgeving Toetsingskader De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. De wet regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Beoordeling Met de ruimte die het bestemmingsplan biedt, kan de kazerne een bijdrage leveren in de energietransitie door de kazerne verder te elektrificeren. Daarnaast kan er verder invulling gegeven worden aan het defensie revitaliseringsprogramma voor de kazerne, waarbij nieuwbouw (nagenoeg) energieneuraal, cyclisch en remontabel uitgevoerd dient te worden. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de omgevingsvisie.
2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening - Partiele herziening 2014 Toetsingskader Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 (hierna: de structuurvisie) vastgesteld. Deze structuurvisie is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Noord-Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Beoordeling Het plangebied ligt volledig in de stedelijke structuur, meer in het bijzonder het deel daarvan dat is aangeduid als stedelijk concentratiegebied. In deze gebieden wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen.
10 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Dit plan betreft een bestaande militaire kazerne die op de huidige locatie verder wordt doorontwikkeld. Daarmee is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met het bepaalde in de structuurvisie. Conclusie De ontwikkeling past binnen het beleid van structuurvisie. In de Verordening ruimte is dit beleid verder uitgewerkt in bindende regels die in acht genomen moeten worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hierop wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.
2.2.3 Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie 2019) Toetsingskader Provinciale Staten hebben in juli 2015 de Verordening ruimte 2014 geheel opnieuw vastgesteld. De laatste wijziging van de Verordening is in januari 2019. In de tussentijd is tevens de naam gewijzigd in 'Verordening ruimte Noord-Brabant' (hierna: de verordening). De verordening is één van de instrumenten die de provincie kan inzetten om de doelen uit de Structuurvisie RO (SVRO) te realiseren. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning de regels uit deze verordening toepassen. De verordening onderscheidt vier structuren (gekoppeld aan de Structuurvisie RO) die Brabant dekkend zijn. Ieder ruimtelijk oppervlak in Brabant valt onder één van deze structuren en kan niet onder meerdere structuren tegelijk vallen. Per structuur is uitgewerkt welke functies, onder welke voorwaarden, ontwikkeld kunnen worden. Aanvullend zijn er 25 aanduidingen in de verordening opgenomen. Deze aanduidingen kunnen over één of meerdere structuren heen liggen. Beoordeling Het plangebied ligt volledig binnen de structuur 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het beleid van de provincie is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen.
Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in beginsel vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Dit plan waarbij sprake is van uitbreiding van de bestaande Engelbrecht van Nassaukazerne op naastgelegen gronden van de kazerne, is in overeenstemming met het bepaalde in de verordening Conclusie Het plan is in overeenstemming met de regels die in de verordening zijn gesteld.
2.2.4 Concept Interim Omgevingsverordening Toetsingskader Op 10 september 2019 hebben Gedeputeerde Staten het concept van de Interim omgevingsverordening vastgesteld en aangeboden aan Provinciale Staten. De besluitvorming over de Interim omgevingsverordening heeft op 25 oktober 2019 plaatsgevonden. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn schematisch weergegeven in het Nu-Straks overzicht, dat als bijlage in de toelichting is opgenomen. Op hoofdlijnen gaat het om: <0000> een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen; <0000> aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; <0000> aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Beoordeling
11 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
In de Interim omgevingsverordening is het plangebied aangeduid als 'stedelijk gebied'. Dit betreft dus geen verandering ten opzichte van hetgeen is bepaald in de Verordening ruimte. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de regels die in de Interim omgevingsverordening zijn gesteld.
2.3.5 Cultuurhistorische Waardenkaart De Provincie Noord-Brabant heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld in 2000. Deze kaart is dynamisch en wordt regelmatig aangepast. Inmiddels is de geactualiseerde provinciale CHW in ontwerp gereed, die recentelijk ter inzage heeft gelegen. Vaststelling vindt reactie na vaststelling van de CHW in het college van Gedeputeerde Staten in november 2010. Het verschil met de huidige CHW is het benoemen en begrenzen van het provinciaal cultuurhistorisch belang. Hiervoor zijn 21 cultuurhistorische landschappen en de hierin gelegen cultuurhistorische vlakken geselecteerd en begrensd. De huidige CHW is hiervoor de basis geweest. Tegelijkertijd zijn 16 archeologische landschappen geselecteerd en begrensd. Van al deze landschappen zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De bestaande beschrijvingen van de cultuurhistorische vlakken zijn geactualiseerd. De overige waarden zijn overgenomen van de vorige CHW of betreffen de bestanden van derden. Roosendaal valt in de regio West-Brabantse Venen. De CHW bestaat uit een aantal onderdelen: <0000> <0000>
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
historische bouwkunst: dit zijn de ‘monumenten’ uit het dagelijks taalgebruik; historische stedenbouw: dit betreft de combinatie van de historisch gegroeide ruimtelijke structuur en de historische bebouwing. Het kan gaan om een gehucht, dorp, stad, woonwijk of industrieel complex.Selectie en waardering heeft plaatsgevonden op basis van de historische waarde van de structuur en de bebouwing en de onderlinge samenhang daarvan, de herkenbaarheid van beide elementen en de samenhang met de historisch-landschappelijke omgeving. Een gedeelte van het plangebied is qua historische stedenbouw als hoog gekwalificeerd. historische geografie: aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving; historisch groen: de groenelementen en structuren die door ingrepen van de mens ontstaan; historische zichtrelaties, hieronder vallen: molenbiotopen, schootsvelden, eendenkooien en zichtrelaties; archeologische monumenten: deze kaartlaag bestaat uit de Archeologische Monumenten Kaart Noord-Brabant (AMK); indicatieve archeologische waarden, naast de hierboven genoemde archeologische monumenten zijn op de cultuurhistorische waardenkaart indicatieve archeologische waarden af te lezen.
De gemeente Roosendaal zal zelf een Cultuurhistorische Waardenkaart presenteren via internet, waarbij de Provinciale CHW is verfijnd en ondersteund wordt met aanvullende gegevens zoals bijvoorbeeld luchtfoto’s uit 1934, 1958, 1975 en 1985. Op basis van deze gemeentelijke verfijning zal de Provinciale CHW worden aangepast. Omdat deze kaart ten tijde van dit bestemmingsplan nog niet gepresenteerd is op het internet, wordt de provinciale CHW van 2006 gebruikt, die te zien is op de afbeelding hieronder.
12 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 Beoordeling In de CHW 2006 heeft het gebied geen specifieke aanduiding gekregen. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de CHW.
13 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
2.4 Beleid waterschap Het plangebied behoort tot het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Dit waterschap zorgt voor veilige dijken en kades, zuivert rioolwater, verbetert en bewaakt de kwaliteit van het oppervlaktewater en regelt de hoogte van het water in Midden- en West-Brabant. Bij de uitvoering van deze taken werkt het waterschap samen met inwoners, agrariërs, bedrijven, de gemeenten en anderen. Hierbij houdt het rekening met de belangen van de samenleving en bereid het zich voor op toekomstige ontwikkelingen. Keur Waterschap Brabantse Delta 2015 De keur van het waterschap is een verordening met wettelijke voorschriften die gelden voor alle oppervlaktewaterlichamen en keringen, op het gebied van waterkwantiteit en –kwaliteit, die in beheer zijn bij het waterschap. De keur is een aanvulling op de Waterwet met verschillende gebods- en verbodsbepalingen. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen hanteert het waterschap beleidsregels, waaronder de Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater (2016). Hierin staat aangegeven in welke situaties een watervergunning kan worden verleend, waarop een aanvraag wordt getoetst en welke voorwaarden aan de watervergunning worden verbonden.
Zo zijn er regels met betrekking tot: <0000> handelingen in waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones; <0000> handelingen in rivieren, beken en sloten en de daarbij behorende onderhoudsstrook; <0000> waterstaatkundige werken als gemalen, sluizen, stuwen et cetera; <0000> de scheepvaart; <0000> uitbreidingen met een toename van > 2.000 m2 verhard oppervlak. Op planniveau is het van belang om rekening te houden met eventuele compensatie voor de uitbreiding van verhard oppervlak. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 1. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; 2. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of; 3. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. 4. De toename van verhard oppervlak groter dan 2.000 m2 tot en met 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De voorziening voldoet aan de volgende eisen: 1.
De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); 2. De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van minimaal 4 cm te hebben; 3. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan staan doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021. Ook beschrijft het waterschap hoe ze inspeelt op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het plan is opgezet vanuit de maatschappelijke toegevoegde waarde van het waterbeheer. Bij de beschrijving van de doelen van het waterbeheer komen de volgende invalshoeken aan bod: <0000>
Risico's beheersen: Het werk van het waterschap is gericht op het beheersen van risico's voor de mensen, de bedrijven en het (water)milieu en zo de kwaliteit van leven te behouden en waar nodig te verbeteren voor de huidige en toekomstige generaties. Deze invalshoek gaat - 24 - uit van de huidige gebruiksfuncties en van de gemaakte afspraken over acceptabele risico's (vastgelegd in wet- en regelgeving of in convenanten).
14 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
<0000>
<0000>
<0000>
Duurzame ontwikkeling: Het waterbeheer is ook gericht op het ondersteunen van een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Het gaat dan om het gebruik van de openbare ruimte en economische en natuurontwikkelingen. Werken aan een robuust beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen is van toegevoegde waarde voor al deze ontwikkelingen. Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend: Er zijn diverse maatschappelijke ontwikkelingen die om verantwoorde keuzes vragen. Dit plan geeft aan welke rol het waterschap kiest in verschillende maatschappelijke thema's, zoals energie en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Ook wil het waterschap de maatschappelijke betrokkenheid vergroten. Effectief en efficiënt: Het waterschap streeft naar een goede kwaliteit van het werk tegen zo laag mogelijke kosten en een minimale kwetsbaarheid. Samenwerking met diverse partnerorganisaties en het stimuleren van initiatieven van burgers en ondernemers zijn daarbij van groot belang.
De langetermijnstrategie uit het voorgaande beheerplan wordt voortgezet voor de verschillende thema's, zoals waterkwaliteitsverbetering, vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding. Daarnaast geven diverse ontwikkelingen aanleiding tot nieuwe accenten, waaronder het Deltaprogramma. Nieuwe accenten in het plan zijn: <0000> de versterking van de primaire en regionale keringen (de dijken langs de Rijkswateren en langs de regionale rivieren); <0000> inzet op waterbewustwording van watergebruikers: het waterschap wil investeren in het vergroten van inzicht in eigen handelingsperspectief; <0000> helder zijn over de beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruiksfuncties; <0000> een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van optimaliseren peilbeheer en inrichtingsmaatregelen); <0000> dynamisch waterbeheer: flexibel beheer op basis van actuele informatie over de situatie in het gebied en de regionale verschillen daarin. Anders dan het vorige waterbeheerplan beschrijft dit plan niet alleen het beheer van het watersysteem, maar ook het beheer van de zuiveringen en de bijbehorende transportstelsels. De algemene term 'waterbeheer' kan daarbij dus breed worden opgevat. Via het uitvoeren en opstellen van een watertoets worden de diverse beleidskaders gewaarborgd.
Ook voor het onderliggende plan is een watertoets uitgevoerd.
2.5 Gemeentelijk beleid 2.5.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 In de Structuurvisie Roosendaal 2025 wordt aangegeven dat Roosendaal in 2025 een stad van mensen, van wonen en van (net)werken zal zijn. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. De Structuurvisie 2025 van de gemeente Roosendaal is in meerdere opzichten een trendbreuk met het verleden. In de eerste plaats is de structuurvisie sinds de Wet ruimtelijke ordening 2008 een wettelijke verplichting. Roosendaal moet een structuurvisie hebben die aangeeft wat het ruimtelijk beleid is en op welke wijze het ruimtelijk beleid zal worden uitgevoerd. Ten tweede is deze structuurvisie opgesteld in een tijd van economische crisis. Die heeft ertoe geleid dat de haalbaarheid en de betaalbaarheid van de ruimtelijke ordening centrale begrippen in het ruimtelijk beleid zijn geworden.
De vanzelfsprekendheid dat er vraag is naar gronden voor woningen, winkels en kantoren, is er niet meer. Roosendaal heeft te maken met een overschot aan bijvoorbeeld kantoor- en winkelruimte. Tot slot is er maatschappelijk een fundamenteel ander idee ontstaan over het functioneren van de gemeente. De gemeente is niet langer de dominante partij in maatschappelijke ontwikkelingen, maar 15 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
onderdeel van een netwerkmaatschappij waarin de gemeente een rol op zich neemt. Op het gebied van ruimtelijke ordening wil de gemeente een uitnodigende partij voor maatschappelijke partners zijn. Het antwoord van Roosendaal op al deze ontwikkelingen worden in deze structuurvisie in twee beleidsuitgangspunten geformuleerd: <0000> een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal; <0000> een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling. De duurzame ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt tot fundamentele keuzes: <0000> bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten; <0000> zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is; <0000> gebruik maken van de kwaliteit van de locatie; <0000> leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groen-blauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières; <0000> de kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven; <0000> de identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basisstructuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving; <0000> groen/blauwe
hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied; <0000> het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer; <0000> (regionaal) ruimte creëren voor speerpunten/topsectoren van economisch beleid; <0000> het aanbod van sociaal-maatschappelijke en detailhandelsvoorzieningen in wijken en dorpen behouden, waar mogelijk door concentratie en bundeling van voorzieningen; <0000> het optimaliseren van infrastructurele verbindingen en het beter benutten van de multimodale ontsluitingsmogelijkheden (weg, water, spoor, buis) van Roosendaal; <0000> benutten van de strategische ligging van Roosendaal en West-Brabant in de Vlaams Nederlandse Delta; <0000> bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren; <0000> bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte. De haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling wordt ondersteund door de volgende keuzes: <0000> niet meer programma in ontwikkeling nemen dan dat de markt kan opnemen; <0000> economische druk op de markt genereren door voorzichtig te programmeren; <0000> eerst bestaande programma’s benutten en pas daarna aan nieuwe beginnen.
Nieuwe ontwikkelingen van kantoren en winkels voorlopig bevriezen; <0000> flexibel en kleinschalig programmeren en faseren; <0000> intensiveren en beter benutten van de bestaande voorraad van stedelijke functies (woningen, bedrijventerreinen, kantoren, maatschappelijk vastgoed); <0000> toepassen van de SER/ duurzaamheidsladder bij ruimtelijke ontwikkelingen. <0000> uitnodigen, samenwerken en regisseren in plaats van voorschrijven. Verruim de mogelijkheden van bestemmingsplannen (plan vooruit). De ruimtelijke keuzes en uitgangspunten zijn in deze structuurvisie vertaald naar de verschillende onderdelen van de ruimtelijke ordening en ondersteund door kaarten met de hoofdstructuren. In de uitvoeringsparagraaf wordt vervolgens aangegeven op welke manier het beleid en de voorgenomen ruimtelijke programma’s kan worden gerealiseerd. Daarbij zijn de bovengenoemde uitgangspunten meegenomen. Beoordeling De uitbreiding van de commandokazerne door inzet van omliggende gronden past in de filosofie van de Structuurvisie, waarin intensivering en benutting van bestaand stedelijk gebied worden gestimuleerd. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de gemeentelijke Structuurvisie. 16 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Hoofdstuk 3 Beschrijving plangebied 3.1 Ligging van het kazerneterrein De Engelbrecht van Nassaukazerne is gelegen aan de Parabaan, aan de oostzijde van de rijksweg A58 in het zuidoosten van Roosendaal. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Commandobaan aan de westzijde, aan de noordzijde wordt het terrein begrensd door de Burgemeester Schneiderlaan en de Parabaan en aan de oostzijde door de Burgemeester Schneiderlaan. De perceelsgrens van de kazerne met de achtererven van de bestaande woningen aan de Kortendijksestraat begrenst het plangebied aan de zuidzijde. Het plangebied zelf bestaat voornamelijk uit de Engelbrecht van Nassaukazerne met de daarop aanwezige bebouwing en terreininrichting en de aangekochte gronden aan de Burgemeester Schneiderlaan, de gronden aan de Parabaan 16 en de van de gemeente aangekochte gronden aan de Parabaan. Aldus ontstaat een 'logisch' door wegen en aan de zuidzijde door achtererven omsloten perceel. Omgeving Het plangebied ligt tussen de woonwijken Kortendijk en Langdonk. Een deel van het plangebied wordt dan ook begrensd door de woningen uit die wijk. Ten zuiden van de Kortendijksestraat bevinden zich enkele sportvelden. De Burgemeester Schneiderslaan is de ontsluitingsweg van de wijken Langdonk en Kortendijk en maakt onderdeel uit van het binnenstedelijk hoofdwegennet.
3.2 Historische en stedenbouwkundige beschrijving van het plangebied Het kazerneterrein was tot de bouw van de kazerne in de periode 1937-1938 in gebruik als agrarisch gebied, gelegen naast de ongeveer in dezelfde jaren aangelegde Ceintuurbaan (later Rondweg, thans: A58). Het gebied ligt ten noorden van de Kortendijksestraat (oorspronkelijk Kortendijk genaamd). Deze straat vormde van oudsher een belangrijke radiaal van en naar het centrum van Roosendaal. Aan de Kortendijkstraat was omstreeks 1900 langzaam een lintvormige uitbreiding van Roosendaal tot stand gekomen. In de lintvormige bebouwing die hier werd opgericht, waren diverse agrarische bedrijven aanwezig, waaronder tuinbouwbedrijven. Aan het overwegend agrarische gebruik van de gronden die nu vallen in het plangebied van dit bestemmingsplan kwam een einde in 1937, toen de Engelbrecht van Nassaukazerne werd opgericht. De oudste betrouwbare kaarten zijn de kadastrale kaart van 1811-1831 en de topografische kaart van 1840. Opvallend hierop is het regelmatige patroon van rechthoekige akkers en weilanden aan de noordzijde van de Burgerhoutsestraat en de Kortendijksestraat. Parallel aan deze straten werd (op het einde van de achttiende eeuw?) het ‘Achterstraatje’ aangelegd. De huidige Voorstraat en de Parabaan zijn er relicten van.
Volgens de kadastrale kaart stonden er verspreid aan de Achterstraat en de Kortendijksestraat boerderijen. Vermoedelijk werden deze in de tweede helft van de achttiende eeuw gebouwd.
17 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Afbeelding: kadastrale kaart van 1811 - 1831
Begin jaren '70 van de vorige eeuw is de Rijksweg A58 ongelijkvloers gemaakt. Sindsdien is de Kortendijksestraat alleen nog via een fietstunnel (Visdonktunnel) verbonden met het centrum. Met de bouw van de wijken Langdonk en Kortendijk (in de periode eind jaren '60 en jaren '70) werd aan de oostzijde van het kazerneterrein een stedelijke ontsluitingsweg aangelegd: de Gordelweg (later: Burgemeester Schneiderlaan). Hiermee kreeg het kazerneterrein ook aan de oost- en noordelijke zijde een duidelijke begrenzing. Wel was er aanvankelijk nog een behoorlijke buffer tussen het kazerneterrein en de nieuwe infrastructuur: ertussen lagen nog agrarische gronden (tuinbouw). Het agrarisch gebruik van deze gronden kwam evenwel in de loop der jaren onder druk te staan toen het gebied steeds meer onderdeel ging uitmaken van het stedelijk gebied.
Afbeelding: luchtfoto plangebied 1958
18 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Afbeelding: luchtfoto plangebied 1975: totstandkoming wijk Kortendijk
Afbeelding: Luchtfoto plangebied 2011
Commandokazerne De Engelbrecht van Nassaukazerne werd in 1937-1938 gebouwd ten behoeve van de huisvesting van een grensbewakingsbataljon. De kazerne maakte deel uit van een serie identieke kazernes waarvan de meeste langs de landsgrenzen zijn gerealiseerd. Het betrof een zogenaamde 'Boostkazerne'. Dit type kazernes werd ontworpen in de jaren '30 door kapitein der genie August Gerard Marie Boost (1900-1985). De kazernes werden allemaal gebouwd in deze periode.
19 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Een belangrijke reden om meer kazernes te bouwen, was een wijziging van de Dienstplichtwet in 1938. De dienstplicht werd verlengd naar 11 maanden. Hierdoor nam de behoefte aan kazernegebouwen toe en moest het aantal bijna verdubbeld worden. Ook speelde toenemende oorlogsdreiging vanuit Duitsland een rol. Door internationale ontwikkelingen had het de voorkeur om langs de oost-zuidgrens van Nederland kazernes te bouwen. Uitzondering hierop waren de kazernes in Ede, Ermelo en Bussum. De toenmalige minister van Oorlog gaf Boost op 15 augustus 1937 de opdracht om 16 standaardkazernes te ontwerpen. Werden in de periode daarvóór individuele ontwerpen gemaakt, in der jaren '30 ontbraken de tijd en het geld. Boost ontwierp gestandaardiseerde kazernes die modern waren volgens vaste opzet. Het ontwerp van Boost werd vervolgens nog beoordeeld door de architecten prof. ir. Richard Schoemaker en prof. Nico Landsdorp. De kleinere kazernes bestonden uit een poortgebouw met ingang tot de kazerne en doorgang naar exercitieterrein. In het poortgebouw bevonden zich de officiers-, onderofficiers- en manschappen-kantines alsmede sportzaal, stafbureaus, wacht- en celruimte. Rondom de appelplaats werden symmetrisch in U-vorm drie legeringsgebouwen en een ketelhuis/keukengebouw geplaatst.
Het was gebruikelijk om bij grotere kazernes volgens het paviljoensysteem functiescheiding per gebouw aan te brengen. Bij enkele kazernes week hij hier vanaf en werden functies gecombineerd in één gebouw, waarschijnlijk uit kostenoogpunt. Het ontwerp van vier grotere kazernes werd afgeleid van het standaardontwerp waarbij het poortgebouw werd vervangen door aparte gebouwen. Toch waren de standaardontwerpen van de Boostkazernes niet zo standaard. Verschillen ontstonden door verschillende vormen van de kavel waarop gebouwd werd. Ook van de U-vorm werd afgeweken, de vorm is niet altijd U-vormig en ook zijn er verschillen in de lengte van de voorgevel en de lengte van de poten van de U. Ook zijn er verschillen op te merken in de poorten met een rechte latei of halfronde boog. Daarnaast zijn er verschillende uitvoeringen van de ramen boven de uitbouwtjes direct naast de poort. Er mochten namelijk wijzigingen aangebracht worden zodat meer aansluiting werd gevonden bij de plaatselijke bouwtraditie. Ten slotte ontstonden er ook nog verschillen van het standaardontwerp door variaties in de kleur van de metselstenen en kleur van dakpannen (rood in plaats van zwart). Al met al bestaat geen enkel duplicaat van deze 16 kazernes. De architectuurstijl van Boost voor deze kazernes valt onder de noemer van het zakelijk-expressionisme.
De gebouwen hebben zowel kenmerken van de Amsterdamse- en Delftse School en als van het nieuwe bouwen. Bedoeling was om op deze kazernes één bataljon infanterie dan wel één regiment infanterie (regimentsstaf en twee bataljons) te huisvesten. Tijdens de bezetting werd de kazerne in Roosendaal gebruikt als opleidingscentrum van de Kriegsmarine. Mogelijk waren er ook onderdelen van de 9de Duitse Pantserdivisie en van de 'Leibstandaerte Adolf Hitler' in ondergebracht. Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd de kazerne door de Geallieerden gebombardeerd. De brand werd door de Duitsers geblust en de schade viel mee. Twee maanden later staken zich terugtrekkende Duitsers de kazerne in brand. Er was veel schade. Na de oorlog werd de kazerne hersteld, voor zover de middelen dat toelieten en werd de kazerne in 1949 gebruik genomen door het KCT. Als gevolg van de groei van Roosendaal kwam de kazerne, die eerst nog aan de oostzijde van de Ceintuurbaan of rondweg aan de rand van de stad was gesitueerd, allengs steeds meer in het stedelijk gebied te liggen. Ten (zuid)oosten van het kazerneterrein werden in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw de woonwijken Langdonk en Kortendijk gebouwd.
20 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Hoofdingang aan de Commandobaan anno 1965
21 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
In de tweede helft van de jaren negentig van de twintigste eeuw is de toen bestaande bebouwing grotendeels gesloopt en is er een compleet nieuwe kazerne gebouwd, nadat het besluit was genomen dat het KCT Roosendaal als thuisbasis zou behouden. In 2002 werd de nieuwbouw in gebruik genomen. Het huidige architectuurbeeld van de kazerne is sober en enkele gebouwen vertonen een afwijkende architectuur. In het noordelijk deel van de kazerne zijn de gebouwen in een carré-achtige omgeving gesitueerd. De gebouwen in het zuiden vormen een minder samenhangend geheel. In 2005 heeft Defensie ten oosten van de bestaande kazerne een stuk tuinbouwgrond van circa 2,26 ha aangekocht, dat toegevoegd werd aan de kazerne en waarop in de jaren daarna het kazerneterrein verder werd uitgebreid. Omstreeks 2017 ontstond wederom een mogelijkheid om gronden aan te kopen. Het ging om de gronden van een voormalig tuinbouwbedrijf. Deze gronden hadden in het ter plaatse geldende bestemmingsplan Kortendijksestraat-Zundertseweg van 2013 nog een agrarische bestemming gekregen in afwachting van een meer geëigende bestemming voor deze gronden. Ook slaagde het Rijksvastgoedbedrijf er in de woning met bijbehorende gronden Parabaan 16 aan te kopen. Aldus ontstond een logisch afgebakend terrein.
3.3 Functionele analyse Op de gronden van het plangebied is alleen een kazerne gevestigd. In het noordelijk deel van het plangebied zijn op de gronden gelegen tussen de Burgemeester Schneiderlaan en de Parabaan een retentievijver en een bergbezinkbassin gesitueerd. Deze gronden maken ook onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur van Roosendaal. Een bergbezinkbassin is een betonnen bak die onder het maaiveld is aangelegd en heeft als doel om de berging van de riolering van de wijk Kortendijk te vergroten, om overloop van rioolwater in oppervlaktewater te voorkomen. De gemeente moet altijd bij het bassin kunnen komen in verband met onderhoud of eventuele storingen, reden waarom het perceel onbebouwd en ongebruikt dient te blijven. De aangekochte gronden hebben een agrarische bestemming en het perceel Parabaan 16 een woonbestemming.
Hoofdgroenstructuur omgeving Parabaan
22 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
3.4 Groen en water Binnen het plangebied is een groot aantal bomen aanwezig. Hiervan zijn er drie monumentaal. De grond waarop de uitbreiding gerealiseerd wordt, bestaat uit een grasveld met een smalle struweelhaag en een droge greppel. De greppel ligt op de westelijke grens met de huidige bebouwing.
3.5 Verkeer Het plangebied wordt omsloten door de Commandobaan en de Burgemeester Schneiderlaan. De hoofdingang van de kazerne bevindt zich aan de Parabaan, die direct aansluit op de Burgemeester Schneiderlaan. Aan de Commandobaan, parallel gesitueerd aan de A58, was tot de 'grote verbouwing' begin deze eeuw de hoofdingang van de Engelbrecht van Nassaukazerne gesitueerd. Inmiddels is de Commandobaan nu voornamelijk bedoeld als ontsluitingsroute voor langzaam verkeer. Doorgaand autoverkeer is niet meer mogelijk. De kazerne heeft een nood-/crashuitgang aan de Kortendijksestraat. Deze wordt slechts in uiterste gevallen gebruikt. De Kortendijksestraat is een radiaal en maakt deel uit van een veelgebruikte fietsroute van en naar het centrum van Roosendaal, via de Visdonktunnel die aansluit op de Burgerhoutsestraat. De Kortendijksestraat maakt onderdeel uit van het historische stratenpatroon van Roosendaal. Sinds de ontwikkeling van de wijk Kortendijk fungeert de straat vooral als fietsverbinding van en naar de binnenstad vanuit de wijk Kortendijk en in mindere mate vanuit Langdonk. Ook de Parabaan maakt vroeger onderdeel uit van het historisch stratenpatroon (Voorstraat).
Als gevolg van de aanleg van de Ceintuurbaan is de Parabaan afgesneden van de Voorstraat en later aan de andere zijde als gevolg van de aanleg van de Burgemeester Schneiderlaan en de realisering van de woonwijk Kortendijk.
23 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
24 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Hoofdstuk 4 Onderzoeken 4.1 Bedrijven- en milieuzonering Toetsingskader Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in 2009 een geheel herziene uitgave opgesteld. Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. Tabel 1 Milieucategorieën en richtafstanden Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’* 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 1500 * indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijkéén afstandstap kleiner (Zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3.).
De VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemening of ligging nabij drukke wegen een hogere milieubelasting kent. Omgevingstype ‘rustige woonwijk’ Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is (wordt) ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Omgevingstype ‘gemengd gebied’ Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als ‘gemengd gebied’ worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
25 van 57
NL.IMRO.1674.2115COMMANDOTER-0401
Bestaande situatie (huidig kazerneterrein) Het bestaande kazerneterrein kan worden ondergebracht bij SBI-code 8422 (uitgave 2008): Defensie-inrichtingen. De richtafstandenlijst in de VNG-publicatie geeft de volgende richtafstanden: Omgevingstype ’rustige woonwijk’ Omschrijving
sbi-code
Defensie-inrichtingen
8442
Geur (m) 30
Stof (m) 30
Geluid (m) 200 C
Gevaar (m) 100
Grootste afstand 200 D
Milieu cat. 4.1
De C geeft aan dat bij deze milieubelastende activiteiten de voor geluid bepalende activiteiten meestal continu (dag en nacht) in bedrijf zijn; De D geeft aan dat er sprake is van een grote variatie in activiteiten. Aangezien er geen wijziging in de vigerende bestemming plaatsvindt, behoeft er in het kader van bedrijven en milieuzonering geen onderzoek te worden ingesteld naar de milieu-invloed van het bestaande kazernecomplex op de omgeving. Nieuwe situatie (uitbreiding kazerneterrein) De ‘nieuwe situatie’ betreft de uitbreiding van het kazernecomplex op naastgelegen gronden. De milieu-invloed van de activiteiten binnen deze uitbreiding van het complex op de omgeving is niet groot en staat in geen verhouding tot de huidige milieu-invloed van het bestaande kazerneterrein op de omgeving. Gezien de beperkte milieu-invloed getuigt het niet van realiteitszin om hier uit te gaan van SBI-code 8442 en de daarbij behorende richtafstand van 200 meter. Derhalve is in dit advies uitgegaan van een beoordeling van de losse componenten, te weten het kantoor, opslaggebouw en de beide parkeerterreinen. Het legeringsgebouw wordt als niet-milieubelastend beschouwd. Een kantoor wordt ondergebracht bij SBI-code 70: concerndiensten binnen eigen concern. Een gebouw ten behoeve van opslag wordt ondergebracht bij SBI-code 52109.B: opslaggebouwen (verhuur opslagruimte).
Het parkeerterrein, zowel aan de noord- als aan de zuidzijde wordt ondergebracht bij SBI-code 5221.1: autoparkeerterreinen, parkeergarages. De richtafstandenlijst in de VNG-publicatie geeft de volgende richtafstanden (zie ook bijlage 2): Omgevingstype ‘rustige woonwijk’ Omschrijving Overige zakelijke diensten: kantoren Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) Autoparkeerterreinen, parkeergarage
sbi-code
Geur (m)
Stof (m)
Geluid (m)
Gevaar (m)
Grootste afstand
Milieu cat.
70
0
0
10
0
10 D
1
52109.B
0
0
30 C
10
30 C
2
5221.1
10
0
30 C
0
30
2
De C geeft aan dat bij deze milieubelastende activiteiten de voor geluid bepalende activiteiten meestal continu (dag en nacht) in bedrijf zijn; De D geeft aan dat er sprake is van een grote variatie in activiteiten. Ten aanzien van bovenstaande tabel wordt opgemerkt dat voor het parkeren van zware voertuigen zonder koelinstallaties (waaronder militaire vrachtwagens) geen richtafstanden zijn opgenomen. De richtafstanden van 10 meter behorende bij de kantoren en 30 meter behorende bij het opslaggebouw reiken niet over de perceelsgrens van het terrein van de commandokazerne. Vanuit de optiek van bedrijven en milieuzonering is er geen bezwaar tegen het oprichten van kantoren en de opslaggebouwen binnen het kazerneterrein. De richtafstand van 30 meter behorende bij het autoparkeerterrein ten zuiden van de huidige bebouwing reikt over de woningen met bijbehorende tuinen aan de noordzijde van de Kortendijksestraat. In de optiek van bedrijven en milieuzonering is dit een aandachtspunt bij de realisatie van de uitbreiding van de kazerne.