Motivering bij wijzigingsbesluit (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
Met deze woningen worden er geschikte woningen gecreëerd voor middeninkomens en wordt doorstroming op de woningmarkt op gang gebracht , noodzakelijk voor een evenwichtige woningmarkt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het beschikbaar komen van geschikte woningen voor kwetsbare inwoners en ouderen op andere locaties. Conclusie Het planvoornemen draagt bij aan het realiseren van de speerpunten uit de woonzorgvisie van de gemeente Roosendaal. 3. 4. 6 Welstandsnota Roosendaal 2013 Toetsingskader Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan (artikel 4. 19 Omgevingswet). In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Als de regels over het uiterlijk van de bouwwerken uitleg nodig hebben , moet de gemeenteraad beleidsregels vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan de regels voldoet. In het omgevingsplan kan vervolgens naar deze beleidsregels verwezen worden. Artikel 22. 29 lid 1 onder b van de bruidsschat bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand , beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
Tijdelijke bouwwerken , niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De Welstandsnota Roosendaal 2013 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij aanvragen omgevingsvergunning. In de Welstandsnota worden verschillende beoordelingskaders waar bouwplannen aan moeten voldoen uiteengezet. Een plan moet namelijk passen binnen het heersende straatbeeld en het aanzien van de gemeente. Hierbij wordt gekeken naar de ligging van het gebied en het soort gebied. Beoordeling Het plangebied is gelegen in ‘gewoon’ en ‘bijzonder’ welstandsgebied. In bijzondere gebieden is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. De conceptaanvraag voor onderhavig voornemen is op 7 februari 2024 voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Uit de beoordeling volgt dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Ten tijde van de concrete bouwaanvraag zal definitief worden beoordeeld of het bouwplan past binnen de redelijke eisen van welstand. P 27/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Uitsnede niveaukaart met plangebied rood omcirkeld. Bron: Welstandsnota Roosendaal 2013. Conclusie Onderhavig planvoornemen voldoet aan de redelijke eisen van welstand. P 28/59 datum referentie 1 april 2026 241070_AdB_RAP_0001_v4.
0 4 | Gevolgen | voor | de | fysieke | leefomgeving | en | toetsing instructieregels 4. 1 | Inleiding In dit hoofdstuk | wordt | ingegaan | op | de | gevolgen | voor | de | fysieke | leefomgeving. | Er | wordt | beschreven | op | welke | wijze rekening | is gehouden | met | diverse | aspecten | van | de | fysieke | leefomgeving | en | de | evenwichtige | toedeling | van | functies aan | locaties | (ETFAL). | Deze | aspecten | sluiten | aan | op | en | dekken | de | onderdelen | zoals | genoemd | in | artikel | 1. 2 Omgevingswet. | Indien | noodzakelijk | zijn deze | aspecten | nader | gemotiveerd | met | een | onderzoek. | Rapportages | van deze | onderzoeken | zijn | opgenomen | in de | bijlagen. 4. 2 | M. e. r. ‐beoordeling Toetsingskader Gemeenten | en | provincies | moeten | bij | bouwprojecten | beoordelen | of | een | m. | e. r. -beoordeling | nodig | is. Met onderhavig | planvoornemen | wordt | woningbouw | binnen | het | besluitgebied | mogelijk | gemaakt. | Dit kan | leiden | tot | een m. e. r. (-beoordelings)plicht. | Wetgeving | omtrent | de | milieueffectrapportage | (m. | e. r. ) is opgenomen | in afdeling | 16. 4 van | de | Omgevingswet | en | in hoofdstuk | 11 | en | bijlage | V bij het | Omgevingsbesluit.
| In artikel | 16.34 | , tweede | lid van | de Omgevingswet | is aangegeven | dat | onder | een | plan | of | programma | , als | bedoeld | in | artikel | 2 , onder | a , van | de | SMB- richtlijn | (richtlijn | 2001/42/EG | (Strategische | milieubeoordeling) | , in ieder | geval | wordt | verstaan | een | omgevingsvisie | , een | programma | , een | omgevingsplan | en | een | voorkeursbeslissing. | Het | bevoegd | gezag | zal | per | specifiek | geval | na moeten | gaan | of er | sprake | is van | een | plan | of programma | in de | zin | van | de | SMB-richtlijn. Bij het | wijzigen | van | het | omgevingsplan | kan | het | plan | kaderstellend | zijn | voor | ontwikkelingen | die | milieueffecten kunnen | hebben. | Projecten | die | in bijlage | V | bij het | Omgevingsbesluit | (Obl) | staan | zijn | plan-mer-plichtig. | Projecten die | niet | opgenomen | zijn | in bijlage | V Omgevingsbesluit | zijn plan-mer-beoordelingsplichtig.
| Indien | projecten | wel voorkomen | in bijlage | V Obl | maar | onder | de | drempelwaarden | vallen | van | kolom | 2 uit | bijlage | V Obl | dan | is een | plan- mer-beoordeling | toelaatbaar | indien: • | het | plan | een | kleine | wijziging | van | een | plan | of programma | is ; • | het | plan | gaat | over | een | klein | gebied | op | lokaal | niveau | én | als | voor | dat | plan | of programma | een | bestuursorgaan van | een | gemeente | het | bevoegd | gezag | is. In alle overige | gevallen | dient | een | plan-mer | procedure | gevolgd | te | worden. Beoordeling Onderzocht | dient | te worden | of er belangrijke | nadelige | milieugevolgen | kunnen | optreden. | Op | basis | van | een | project- mer-beoordeling | (zie | bijlage | 1) | dient | de | gemeente | een | separaat | besluit | te nemen | omtrent | het | al dan | niet | opstellen van | een | milieueffectrapportage | en | het | doorlopen | van | een | m. | e. r. -procedure. | Gelet | op | de | aard | en | omvang | van | het planvoornemen | zullen | de | potentiële | effecten | , in relatie | tot | de | kenmerken | en | de | plaats | van | het | plan | , dusdanig beperkt | zijn | dat | deze | geen | belangrijke | nadelige | milieugevolgen | hebben | die | het | doorlopen | van | een | m. e. r. - procedure | noodzakelijk | maken.
Conclusie Aanzienlijke | milieueffecten | zijn | uitgesloten | , er is geen | milieueffectrapportage | benodigd. datum | 1 april 2026 | P | 29/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 4. 3 Ladder duurzame verstedelijking Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5. 129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8. 0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5. 129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand): Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein , een zeehaventerrein , een woningbouwlocatie , kantoren , een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling , wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling ; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Voor de toepassing van het tweede lid , onder b , wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist ; en nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. b. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte , de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging , heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 1. 2. a. b. 3. a. 4.
Beoordeling De toets aan de ladder voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is beleidsneutraal vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) omgezet naar de Omgevingswet. Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord , dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord , dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. b. c. d. e. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken , deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein P 30/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 met | een | ruimtebeslag | van | meer | dan | 500 | m² | of in een | gebouw | met | een | bruto-vloeroppervlakte | groter | dan | 500 | m² | , deze | ontwikkeling | in beginsel | als een | stedelijke | ontwikkeling | dient | te worden | aangemerkt. De | voorgenomen | ontwikkeling | betreft | een | omgevingsplanwijziging | om | binnen | het | plangebied | de | realisatie | van | 9 grondgebonden | woningen | mogelijk | te maken. | Deze | ontwikkeling | is gelet | op | het | aantal | woningen | niet | als ‘stedelijke ontwikkeling’ | te classificeren. | De | ‘ladder | voor | duurzame | verstedelijking’ | hoeft | niet | verder | doorlopen | te | worden. Conclusie Onderhavige | ruimtelijke | ontwikkeling | is niet | aan | te merken | als | een | ‘stedelijke | ontwikkeling’. | Het | doorlopen | van de | laddertoets | is niet | verder | van | toepassing. 4. 4 | Water(toets) | en | klimaatadaptatie Toetsingskader In ruimtelijke | plannen | dient | aandacht | besteed | te | worden | aan | waterhuishoudkundige | aspecten. | Daarbij | staan | naast een | duurzaam | waterbeheer | de | integrale | afweging | en | het | creëren | van | maatwerk | voorop.
| Water | moet | altijd bekeken | worden | in | het | licht | van | het | watersysteem | of | stroomgebied | waarin | een | stad | of een | dorp | ligt. Een | goede afstemming | van | waterbeleid | en | ruimtelijke | ordening | , ook | in | het | direct | aangrenzende | gebied | , is | daarom noodzakelijk. | Artikel | 5. 37 | van | het | Bkl | stelt | dat | in een | omgevingsplan | rekening | wordt | gehouden | met | de | gevolgen voor | het | beheer | van | watersystemen. | Naast | de | specifieke | regels | als | gesteld | in paragraaf | 5. 1. 3 Bkl over | onderdelen van | het | watersysteem | in | het | omgevingsplan | , worden | voor | een | duiding | van | de | gevolgen | voor | het | beheer | van | het watersysteem | , de | opvattingen | van | het | waterschap | dat | is belast | met | het | beheer | van | die watersystemen | betrokken. Het | is aan | het | bevoegd | gezag | om | te | bepalen | hoe | andere | bestuursorganen | bij de | besluitvorming | worden | betrokken bij de | weging | van | het | waterbelang. | Zodoende | is de | oorspronkelijke | watertoets | niet | langer | voorgeschreven | en | is de | gemeente | vrij om | hier | zelf | invulling | aan | te geven. | Ten | slotte | zijn | de | regels | van | art. | 5. 165 | Bkl | van | belang | met betrekking | tot | het | lozen | van | (industrieel) | afvalwater | in het | openbaar | vuilwaterriool. | Artikel | 5.
165 | Bkl | schrijft | voor in welke | gevallen | het | omgevingsplan | lozingen | van | industrieel | afvalwater | mag | toestaan. | Gemeenten | kunnen | voor sommige | lozingen | specifieke | regels | stellen. | Met | de | bevoegdheid | tot | het | stellen | van | maatwerkvoorschriften | kan de | gemeente | voor | specifieke | bedrijven | zo | nodige | aanvullende | eisen | stellen | die | passen | bij de | bedrijfssituatie. Beleid | provincie | Noord-Brabant Vigerend | provinciaal | beleid | is het | Regionaal | waterprogramma | (RWP) | Noord-Brabant | 2022-2027. | Het | programma heeft | als | doel | te zorgen | voor | een | regionaal | watersysteem | dat | bijdraagt | aan | een | gezond | , veilig , aantrekkelijk | , concurrerend | en | bereikbaar | Noord-Brabant. | Het | RWP | geeft | invulling | aan | het | op | orde | houden | van | de basis | van | het natuurlijk | water- | en | bodemsysteem | en | is mede | gebaseerd | op | wettelijke | regels | en | beleid. | Dit | is onder | andere vastgelegd | in de | wettelijk | omschreven | rollen | en | taken | in het | waterbeleid | in Nederland | , dat uitgaat | van | de | Europese Kaderrichtlijn | Water | (KRW). | Het | RWP | is een | verplicht | programma | onder | de | omgevingswet. | In de | RWP | staan | ook een | aantal | richtlijnen | voor | operationeel | grondwaterbeleid.
| Bij | onttrekking | uit | een | strategische zoet(grond)watervoorraad | geldt | een | compensatie-eis. | Dit | betekent | dat | het | onttrokken | zoete | grondwater | weer aangevuld | dient | te | worden. | Deze | geldt | niet | voor | freatische | grondwateronttrekkingen | uit | de | deklaag. | Opslag | van hemelwater | in | de | bodem | ten | behoeve | van | andere | doeleinden | dan | gietwater | , bijvoorbeeld | voor | waterberging | , wordt | gezien | als lozing | in de | bodem | die | moet | voldoen | aan | de | eisen | van | het | Besluit | activiteiten | leefomgeving | (Bal). Beleid | waterschap | Brabantse | Delta Het | plangebied | ligt | in | het | beheergebied | van | waterschap | Brabantse | Delta | en | het | vigerend | beleid | is de Waterschapsverordening. | In beginsel | is het | verboden | om | zonder | omgevingsvergunning | neerslag | door | toename van | verhard | oppervlak | tot | afvoer | naar | een | oppervlaktewaterlichaam | te | laten | komen. | Dit | verbod | is van | toepassing tenzij: datum | 1 april 2026 | P 31/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 • | De | toename | van | verhard | oppervlak | maximaal | 500 | m 2 is ; • | De | toename | van | verhard | oppervlak | bestaat | uit een | groen | dak ; • | De | toename | van | verhard | oppervlak | tussen | 500 | m 2 en | 10.
000 | m 2 is en | er | compenserende | maatregelen | zijn getroffen | om | versnelde | afvoer | tegen | te gaan. Bij ontwikkelingen | waarbij | de | toename | van | het | verhard | oppervlak | 500 | m² | of groter | is wordt | er door | het | waterschap retentie | geëist. | Uitbreidingen | van | verhard | oppervlak | tussen | de | 500 | m² | en | 10. 000 | m² | dienen | te | voldoen | aan | de Algemene | Regels | waterschap | Brabantse | Delta. | Voor | uitbreidingen | groter | dan | 10. 000 | m² | geldt | sowieso | een vergunningplicht. | Voor | het | afkoppelen | van | verhard | oppervlak | < 10. 000 | m² | wordt | er vanuit | het | waterschap | geen retentie | geëist. Beleid | gemeente | Roosendaal De | gemeente | is verantwoordelijk | voor | de | inzameling | en | het | transport | van | stedelijk | afvalwater | en | voor | de inzameling | en | verwerking | van | afvloeiend | hemelwater. | In de | omgevingswet | is ook | vastgelegd | dat | de | gemeente | de zorg | heeft | voor | het | treffen | van | maatregelen | in openbaar | gebied | om | nadelige | gevolgen | van | de | grondwaterstand (in samenhang | met | de | bestemming) | te voorkomen | of te | beperken. | De | gemeente | Roosendaal | heeft | haar | beleid geformuleerd | in het | Water- | en | Rioleringsprogramma | 2024 | – | 2027 | Roosendaal.
De | gemeente | streeft | naar | een | klimaatbestendige | leefomgeving | en | kijkt | naast | wateroverlast | verder | naar klimaatthema’s | als | droogte | , hittestress | en | biodiversiteit. | Bij ruimtelijke | ontwikkelingen | wordt | de | samenhang tussen | water | en | bodem | steeds | meer | een | sturend | element. Belangrijke | uitgangspunten | voor | de | gemeente | zijn: • | Voorkomen | dient | te | worden | dat | hemelwater | direct | wordt | afgevoerd | uit | het | plangebied. | Extreme | buien worden | bij voorkeur | bovengronds | in plaats | van | ondergronds | en | op | eigen | terrein | verwerkt. | Het | hemelwater dat | binnen | de | particuliere | perceelsgrenzen | neerkomt | dient | ook | binnen | deze | grenzen | geborgen | te | worden. Van | hieruit | kan | het | vertraagd | worden | afgevoerd | of overstorten | naar | het | openbaar | gebied | dat | binnen | of buiten de | perceelgrens | ligt. De | gemeente | hanteert | de | voorkeursvolgorde | hergebruiken | – | bergen | en | infiltreren | op eigen | terrein | – tijdelijke | opslag | in openbaar | gebied | – afvoer | naar | oppervlaktewater | – afvoer | naar | gescheiden riolering | – afvoer | naar | gemengde | riolering. • | Bij ontwikkelingen | wordt | verlangd | dat | een | berging | van | 60 mm | t. o. v.
het | totale | perceeloppervlak | (verhard | én onverhard | terrein) | binnen | het | plangebied | wordt | gerealiseerd. | De | berging | dient | na | 24 | uur | weer | leeg | zijn. • | Om | grondwateroverlast | te beperken | , hanteert | de | gemeente | een | minimale | ontwateringsdiepte | van | 070 , | m ten | opzichte | van | de | gemiddeld | hoogste | grondwaterstand | bij secundaire | wegen | en | nieuwbouwwoningen | met kruipruimte. | Voor | nieuwbouw | zonder | kruipruimte | volstaat | een | ontwateringsdiepte | van | 030 , | m. • | Om | wateroverlast | in | panden | te | beperken | , | wordt | van | de | initiatiefnemer | verlangd | dat | bij | nieuwe ontwikkelingen | het | vloerpeil | ten | minste | 020 , | m | en | indien | technisch | haalbaar | 030 , | m | boven | de | kruin | van | de weg | wordt | aangelegd. Beoordeling De | integratie | van | water | in ruimtelijke | plannen | vindt | plaats | via | de | zogenaamde | weging | van | het | waterbelang. Concreet | betekent | dit | dat | een | plan | een | zogenaamde | waterparagraaf | dient | te bevatten | , die | keuzes | ten | aanzien van | de | waterhuishoudkundige | aspecten | gemotiveerd | beschrijft. | Daarin | is het | wateradvies | van | de | waterbeheerder meegenomen.
| Door | middel | van | een | watertoets | (onder | de | Omgevingswet: | ‘Weging | van | het | waterbelang’) | is onderzocht | hoe | binnen | het | plangebied | met | de | waterhuishouding | (waterveiligheid | , | oppervlaktewater | , hemelwater | , grondwater | , waterkwaliteit | en | afvalwater) | dient | te worden | omgegaan. | Rapportage | hiervan | is als bijlage | toegevoegd | bij deze | toelichting. datum | 1 april 2026 | P 32/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 Uit de weging van het waterbelang volgt dat de herontwikkeling uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is , mits er waterbergingsvoorzieningen worden aangelegd en wordt voorkomen dat door de ontwikkeling extra wateroverlast ontstaat. Bij de verdere planuitwerking zal hier nader invulling aan worden gegeven. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal concreet worden aangetoond hoe wordt voldaan aan de waterhuishoudkundige eisen. Hieronder zijn de belangrijkste aspecten toegelicht: De waterbergingseis van de gemeente is leidend en bedraagt 60 mm ten opzichte van het totale perceeloppervlak , ongeacht verhard of onverhard terrein. Bij een oppervlak van het plangebied van circa 2 (totale oppervlak plangebied minus perceel bestaande woning) betekent dat een 1. 870 m 3 waterbergingsopgave van 112 m.
Gelet op de beoogde inrichting van het plangebied is het aannemelijk dat deze waterbergingsopgave gerealiseerd kan worden binnen het plangebied. Aangezien het gehele plangebied eigen terrein blijft en daarmee niet openbaar , kan de waterbergingsopgave in de particuliere percelen en het naastgelegen parkeerterrein worden gerealiseerd. Afwenteling naar openbaar terrein dient te allen tijde te worden voorkomen. Op particulier terrein kan waterberging bijvoorbeeld worden gerealiseerd in de vorm van een groenblauw dak , onder de woning of met een waterberging in de tuin. Op het gedeelde parkeerterrein kan ook waterberging worden gerealiseerd zoals oppervlakkige waterberging in de groene ruimte of op de bestrating of onder de verharding middels infiltratiekratten of waterberging in de wegfundering. De bodemopbouw ter hoogte van het plangebied bestaat uit matig fijn tot fijn zand en is waarschijnlijk relatief goed doorlatend. De representatief hoge grondwaterstand wordt geschat op 090 , m onder maaiveld. Op basis van de bodemopbouw en het grondwaterniveau is infiltratie van neerslag mogelijk , maar om grondwateroverlast te voorkomen dient mogelijk een drainageleiding te worden aangebracht. De omgeving van het plangebied is zeer gevoelig voor wateroverlast door extreme neerslag.
Het is van belang dat er geen extra wateroverlast als gevolg van de ontwikkeling ontstaat en de woningen op voldoende hoogte aan te leggen. De vloerpeilen dienen minimaal 20 cm boven de kruin van de weg te worden aangelegd en bij voorkeur 30 cm boven het straatpeil , om wateroverlast bij extreme neerslag te voorkomen. De ontwateringsdiepte voldoet aan de gemeentelijke eis , dus is er geen aanvullende ophoging ter voorkoming van grondwateroverlast nodig. De omgeving van het plangebied is relatief gevoelig voor hittestress. Geadviseerd wordt om maatregelen te nemen tegen hittestress , zoals voldoende schaduwrijke plekken. Het afvalwater uit het plangebied moet worden aangesloten op het gemengde rioolstelsel onder de Bredaseweg. Hemelwater dat in het plangebied valt , dient zo veel mogelijk te worden verwerkt in de waterbergingsvoorzieningen en moet kunnen overstorten naar het aanliggende rioolstelsel onder de Bredaseweg. • • • • • • • • • Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer , kan tijdens toekomstige bouwwerkzaamheden rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw , Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater.
Bij nieuwbouw wordt in verband met de waterkwaliteit geadviseerd gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en uitlogende bouwmaterialen , zoals zink , koper , lood en zacht PVC , achterwege te laten , tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Deze stoffen kunnen zich immers ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de herontwikkeling op basis van een afgewogen ‘weging van het waterbelang’ uit het oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar is. P 33/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 4. 5 Groen en klimaatadaptatie Toetsingskader De gemeente heeft in het beleidskader “Roosendaal Natuurstad” haar ambities vastgelegd op het gebied van vergroening en klimaatadaptatie , met als belangrijkste doel het realiseren van een klimaatbestendig en een mede daardoor aangenamer en aantrekkelijker Roosendaal. Vanaf 2020 moeten gemeenten klimaatadaptief handelen en in 2050 moet Roosendaal klimaatadaptief zijn. Deze verplichting combineert Roosendaal met meer vergroening zodat Roosendaal en de omliggende dorpen samen een aantrekkelijke , groene gemeente vormen waar mensen graag willen wonen , werken en verblijven. Roosendaal Natuurstad richt zich op de thema's: droogte , hittestress en wateroverlast.
Deze investeringen benutten wij tegelijk om de biodiversiteit in woonwijken , buitengebied en op bedrijventerreinen te versterken en de luchtkwaliteit te verbeteren. Deze uitvoeringsagenda geeft normen aan waar her- en nieuwe ontwikkelingen in de openbare ruimte aan moeten voldoen ten aanzien van: Bestrijden van droogte , hittestress en wateroverlast ; Borging van waterveiligheid voor zover nodig ; en Verbetering van biodiversiteit en luchtkwaliteit (laatste behoort niet alleen tot de scope van Roosendaal Natuurstad). 1. 2. 3. De gemeente Roosendaal heeft een waarderingssysteem in het leven geroepen om de score voor een reconstructie of nieuwe inrichting van de openbare ruimte te bepalen. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn bijvoorbeeld het afkoppelen van regenwater , wadi’s en waterbergingsvijvers , typen halfverharding , introduceren van verschillende typen planten en bomen , maar ook zitplekken in de zon en schaduw en beweegaanleidingen , wandelroutes en groene daken. Uitsnede Bomenkaart met het plangebied rood omcirkeld. Bron: Gemeente Roosendaal , 2024. Beoordeling Waardevolle bomen en structureel groen (hoofdstructuur) Binnen het plangebied staan geen waardevolle of monumentale bomen zoals opgenomen op de Bomenkaart van de gemeente Roosendaal. Ook is er binnen het plangebied geen sprake van hoofdgroenstructuren.
P 34/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Aandacht voor groen vindt tot slot plaats doordat in het plan veel ruimte bestaat voor zowel publieke als particuliere groenvoorzieningen , zoals opgenomen in het ontwerp woningbouwplan in paragraaf 2. 2. Het gaat hierbij enerzijds om groen in de vorm van tuinen bij de woningen en anderzijds om groen in de openbare/gedeelde ruimte en rondom de beoogde parkeerplaatsen. Uitsnede Hoofdgroenstructuurkaart met het plangebied rood omcirkeld. Bron: Gemeente Roosendaal , 2024. Klimaatadaptatie Om zorg te dragen voor een duurzame leefomgeving wordt met onderhavige ontwikkeling aandacht besteed aan klimaatadaptie in de vorm van het opvangen en vasthouden van hemelwater in waterbergende voorzieningen. Op particulier terrein kan waterberging worden gerealiseerd in de vorm van groenblauwe daken , onder de woningen of in de tuinen. In de openbare ruimte kan waterberging worden gerealiseerd in de vorm van oppervlakkige waterberging in de groene ruimte of onder de verharding middels infiltratiekratten of in de wegfundering. Bij de verdere planuitwerking zal hier nader invulling aan worden gegeven. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal concreet worden aangetoond hoe wordt voldaan aan de waterhuishoudkundige eisen.
Hoewel het beleidskader “Roosendaal Natuurstad” van toepassing is op alle (her)ontwikkelingen in de openbare ruimte , wordt ook met onderhavige ontwikkeling op eigen/particulier terrein een bijdrage geleverd aan de beschreven uitgangspunten voor de volgende thema’s: Droogte: Uit de droogtestresskaart behorende bij de Klimaateffectatlas volgt dat er voor het plangebied geen risico aanwezig is op droogtestress. Door middel van het opvangen en vasthouden van hemelwater in waterbergende voorzieningen kan droogte binnen de ontwikkeling worden voorkomen ; Hittestress: Verharde gebieden als wegen en huizen warmen overdag op en blijven ’s nachts beduidend warmer dan landelijke gebieden. Dit wordt het stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Verharding speelt hierin een belangrijke rol , hoe meer een buurt verhard is des te groter de kans op een hitte-eiland. Andersom vermindert de aanwezigheid van groen het hitte-eiland effect. Groen zorgt voor verdampingskoeling en biedt schaduw. Uit de watertoets volgt dat de omgeving van het plangebied relatief gevoelig is voor hittestress. Dit is het gevolg van een hoog percentage verhard oppervlak en het gebrek aan groen (weinig verkoeling door schaduw). De temperatuur tijdens een zomerse dag ligt op circa 14 , °C tot 18 , °C boven de temperatuur in het landelijk gebied.
Bij de verdere planontwikkeling is het van belang dat nader invulling wordt gegeven aan maatregelen om hittestress binnen het plangebied tegen te gaan , zoals voldoende koele en schaduwrijke • • P 35/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 plekken. Hiervoor is zoals beschreven in paragraaf 2. 2 met onderhavige omgevingsplanwijziging reeds voldoende rekening gehouden ; Wateroverlast: Een van de klimaateffecten is dat korte maar hevige buien naar verwachting steeds vaker zullen voorkomen. Dit klimaateffect heeft een grote impact in bewoond gebied. Uit de watertoets volgt dat de omgeving van het plangebied gelet op de Klimaateffectatlas gevoelig is voor wateroverlast. Uitgangspunt van het ontwerp is daarom dat er binnen het plan voldoende waterbergend vermogen aanwezig zal zijn om wateroverlast te beperken. Bij de verdere planuitwerking zal hier nader invulling aan worden gegeven. Er zal zo sprake zijn van minder afvoer naar het hemelwaterriool/oppervlaktewater en meer mogelijkheden voor een natuurlijke verwerking van regenwater. Door klimaatverandering stijgt bovendien de zeespiegel en neemt de neerslag toe. De overstromingsdieptekaart behorende bij de Klimaateffectatlas geeft een goed beeld van de blootstelling bij een overstroming. Uit deze kaart volgt dat hier binnen het plangebied echter geen sprake van zal zijn.
• Door middel van bovengenoemde maatregelen wordt een bijdrage geleverd aan de ambities uit het beleidskader “Roosendaal Natuurstad”. Uit oogpunt van het aspect ‘klimaatadaptatie’ wordt het plan daarmee uitvoerbaar geacht. Conclusie Uit oogpunt van het aspect groen en klimaatadaptatie wordt het plan uitvoerbaar geacht. 4. 6 Bodem Toetsingskader Het beschermingsniveau voor de bodem blijft hetzelfde onder de Omgevingswet. De zorgplicht verplicht iedereen bij (dreigende) bodemverontreiniging of aantasting tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd. Dit gaat zowel om het voorkomen als het ongedaan maken van verontreinigingen en aantastingen. Met de komst van de Omgevingswet verandert dit niet. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur , wonen en industrie. Deze basisvormen zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5. 89K Bkl , art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving , het omgevingsplan , een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa , paragraaf 2.3.6a.2) ; Regels over graven in de bodem (paragraaf 3. 2. 21 en 3.2.22Bal) ; Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) ; Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen , (paragraaf 2. 3. 6a. 5). • • • • P 36/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4.
0 Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Beoordeling Aangetoond zal moeten worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde functie. Derhalve is door Aveco de Bondt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het bodemonderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en het beoordelen of de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik. Rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de grond voldoet aan de toelaatbare kwaliteit voor de mogelijke bouw van een bodemgevoelig gebouw. Ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van het buitenterrein zijn er daarom geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling. De op het onbebouwde terreindeel aangetroffen maximaal licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding om aanvullend onderzoek uit te voeren. De bodemkwaliteit ter plaatse van de huidige bebouwing is overigens nog niet bekend en moet nog worden onderzocht door middel van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en eventueel de NEN 5707 na de sloop van deze bebouwing. Conclusie De bodem is geschikt voor de beoogde functie.
De bodemkwaliteit vormt geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers. De bodemkwaliteit ter plaatse van de huidige bebouwing moet nog worden onderzocht na sloop van de bebouwing. Geadviseerd wordt om een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden op te nemen in de omgevingsvergunning om voor start van de (bouw)werkzaamheden , maar na de sloop , aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond. 4. 7 Erfgoed Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee Uitsnede Archeologische beleidskaart met het plangebied aangeduid met rode cirkel. Bron: Erfgoedroosendaal , 2024). P 37/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten (zoveel mogelijk in de bodem) en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd , archeologische monumenten , (voorbeschermde) rijksmonumenten , beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Beoordeling Archeologie Er is geen archeologische dubbelbestemming van toepassing op het plangebied. Op basis van de ‘Archeologische beleidskaart’ van de gemeente Roosendaal ligt het plangebied binnen een gebied aangemerkt met een ‘lage verwachting’. Voor gebieden met een lage archeologische verwachting zijn bodemingrepen in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij MER-plichtige projecten en/of een planoppervlak behelzen van 1 hectare of meer. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake. Cultuurhistorie Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het besluitgebied gelegen is in de cultuurhistorische regio ‘West- Brabantse Venen’. In de West-Brabantse Venen heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst.
Hieraan herinneren de (relicten van) turf en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht , landgoederen , landbouwgronden en productiebossen aangelegd. De voornaamste ontwikkelstrategieën betreffen het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio , de relicten van de veenontginningsgeschiedenis gebruiken als inspiratiebron voor toekomstige ontwikkelingen zodat deze structuren weer zichtbaar worden in het landschap , de cultuurhistorische waarden van de West-Brabantse Venen in hun samenhang verder ontwikkelen , beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten en het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief. Het planvoornemen is niet dusdanig van schaal dat hieraan kan worden bijgedragen. Op het regionale schaalniveau biedt onderhavige omgevingsplanwijziging geen specifieke aanknopingspunten om invulling te geven aan het cultuurhistorische ambities voor de regio. De provincie Noord-Brabant heeft in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Hierop staan de bepalende elementen aangegeven. In het kader van de historische geografie betreft de Bredaseweg een lijn van hoge waarde.
De voorgenomen plannen doen echter geen afbreuk aan deze waarde. Aan weerszijden van het plangebied is langs de Bredaseweg reeds sprake van bebouwing. Door deze bebouwing binnen het plangebied te continueren , blijft het straatbeeld op eenzelfde wijze begeleid. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorische waardevolle elementen (monumenten , beeldbepalende panden of beschermde stadsgezichten) gelegen in de directe omgeving van het plangebied. P 38/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart met het plangebied aangeduid met zwarte cirkel. Bron: Provincie Noord-Brabant , 2024). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect erfgoed geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4. 8 Verkeer en parkeren Toetsingskader De verkeersgeneratie van functies , het afwikkelen van het verkeer door de gemeente en het voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij functies zijn van belang bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Verkeers- en parkeeroverlast moet voorkomen worden. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze onderwerpen op hun gevolgen voor de leefomgeving beoordeeld te worden. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie die het planvoornemen met zich meebrengt dienen de kengetallen van het CROW te worden geraadpleegd. De cijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad en woonmilieu.
Het plangebied is gelegen binnen de zone ‘buiten centrumring’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied. Beoordeling Verkeer Met het plan wordt voorzien in 9 grondgebonden koopwoningen. Uitgaande van het gemiddelde verkeersgeneratiekencijfer voor tussen/hoekwoningen binnen de zone ‘rest bebouwde kom’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied (71 , mvt/etmaal per woning) , zorgt het plan voor een verkeersgeneratie van (71 , x 9 =) 639 , mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. De verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de bestaande wegenstructuur. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie bijlage 6) is op basis van de verkeersgegevens van de gemeente Roosendaal voor de omliggende P 39/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 wegen de verwachte etmaalintensiteit (mvt/etmaal) voor het jaar 2034 berekend (zie tabel). Gelet op de aanwezige capaciteit van de omliggende wegen en de beperkte verkeerstoename als gevolg van onderhavige ontwikkeling worden derhalve geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Gelet op de afstand van het plangebied tot het centrum van Roosendaal zijn voorzieningen op loop-/fietsafstand te bereiken. Ook per openbaar vervoer is het plangebied goed bereikbaar door middel van bushaltes in de directe omgeving en het treinstation van Roosendaal.
Parkeren In het kader van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de benodigde parkeerplaatsen duurzaam kan worden voorzien. De besluitvorming over het benodigd aantal parkeerplaatsen bij de (her)ontwikkeling van locaties of functiewijzigingen vraagt om een uniforme aanpak. Parkeernormen zijn een hulpmiddel bij het realiseren van een duurzaam aanbod aan parkeervoorzieningen. Het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt bepaald door de geldende ‘Nota Parkeernormen’. De parkeernormen in Roosendaal zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeercijfers van het CROW. Binnen het plangebied worden 9 grondgebonden woningen toegevoegd (binnen het segment ‘koop , lagere prijsklasse’). Daarvoor geldt binnen de zone ‘buiten centrumring’ een parkeernorm van 15 , per woning. De parkeerbehoefte bedraagt derhalve 135 , parkeerplaatsen. Op eigen terrein wordt voorzien in 14 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en voldoet het planvoornemen aan het gemeentelijke parkeerbeleid. Conclusie Er wordt voorzien in voldoende ruimte om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. P 40/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 4.
9 Ecologie/Flora en Fauna/natuur Toetsingskader Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden , onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn , Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000- gebieden , de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten.
Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten , het vaststellen van maatregelen om de Natura-2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen , beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Beoordeling Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is door Veldbiologische Werken een ‘Quickscan Omgevingswet Fysieke Leefomgeving – natuur’ uitgevoerd. Voor het aspect Fysieke leefomgeving – natuur dient formeel aangetoond te worden dat er met de activiteit geen beschermde natuur en/of flora en fauna wordt geschaad of gedood. Om aantoonbaar te maken of in het plangebied beschermde flora- en fauna aanwezig is of mogelijk aanwezig kan zijn , is de quickscan een eerste opname , het verkennend onderzoek. Met de quickscan wordt tevens een advies gegeven ten aanzien van ecologisch waardevolle componenten in het plangebied en mogelijkheden om deze te consolideren en te versterken. Rapportage van de uitgevoerde quickscan is opgenomen in de bijlagen. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied valt buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van ca. 7 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.
Significante negatieve effecten op Natura-2000 gebied kunnen zijn: oppervlakteverlies , versnippering , verontreiniging , verdroging , verstoring door geluid , verstoring door trilling , optische verstoring , verstoring door mechanische effecten en beschadiging van beschermde flora en fauna. Afgaande op de inrichting van het plangebied en de binnen het plangebied mogelijk aan te treffen flora en fauna en de ligging van het plangebied heeft het plangebied vooralsnog geen kernwaarden die aansluiten bij of ondersteunend zijn aan de (kern)waarden van Natura-2000 gebieden. Nader onderzoek naar de effecten van de werkzaamheden binnen beschermd gebied of op beschermde flora / fauna hoeft niet te worden uitgevoerd omdat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de Natura-2000 gebieden en geen duidelijke kernwaarden heeft voor profielsoorten. Wel dient een stikstofdepositieberekening te worden gemaakt om na te gaan welke toename van stikstof in het gebied te verwachten is ten aanzien van Natura-2000 en hoe de verplichte reductie van emissie bij bouw zo minimaal als mogelijk kan worden gehouden (Emissiereductieplicht Bkl). Stikstof Met de invoering van de Omgevingswet is de Wet natuurbescherming komen te vervallen. Dit houdt in dat het beschermen van natuurwaarden nu onder andere terechtkomt in het omgevingsplan.
Bij een wijziging van een omgevingsplan moet een afweging gemaakt worden over een Natura 2000-activiteit. Hieronder wordt het volgende verstaan: “activiteit , inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied , maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten P 41/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied”. Middels een AERIUS-berekening dient aangetoond te worden of er in de realisatie- en gebruiksfase sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. In 2024 is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek naar de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000- gebieden uitgevoerd. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Uit de berekeningen volgt dat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 000 , mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Brabants Natuur Netwerk Nabij het plangebied binnen een afstand van circa 1.
700 meter bevinden zich natuurbeheertypen van (bijzondere) deelgebieden in het Brabants Natuur Netwerk , evenals een ecologische verbindingszone. Het Brabants Natuurnetwerk kent een externe werking , daarmee wordt bedoeld dat ingrepen in het plangebied effect kunnen hebben op soorten flora en fauna in het Brabants natuurnetwerk. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ingreep binnen het plangebied vallen redelijkerwijs geen effecten te verwachten die van invloed zijn op de doelstellingen van de Provinciale omgevingsverordening of anderszins Provinciaal natuurbeleid ten aanzien van soortbescherming binnen het Brabants Natuurnetwerk. Houtopstanden Binnen het plangebied staan geen waardevolle of monumentale bomen op de lijst van de gemeente Roosendaal. Soortenbescherming Uit de bevindingen van het veldonderzoek , het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Noord-Brabant , blijkt dat bij uitvoering van de voorgenomen ingrepen redelijkerwijs schade kan worden veroorzaakt aan beschermde soorten. Nader onderzoek is noodzakelijk naar de functionaliteit van het omliggende gebied ten opzichte van het plangebied voor de gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. In algemene zin moet de Zorgplicht in acht worden genomen.
Voor de gierzwaluw geldt dat deze soort gebruik kan maken van de omliggende gebouwen. Om zicht te krijgen op de aanwezigheid van de gierzwaluw dient verdiepend onderzoek plaats te vinden naar deze soort nabij het plangebied. Op basis van het veldonderzoek en op basis van bronnen en literatuuronderzoek kan aanwezigheid van verblijfsplaatsen van boombewonende vleermuissoorten in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen echter in nabijgelegen bebouwing aanwezig zijn (op een afstand van minimaal 10 meter). Voor verdiepend onderzoek uit naar gebouwbewonende vleermuizen nabij het plangebied om uitsluitsel te verkrijgen. Het plangebied biedt mogelijkheden als foerageergebied , maar vormt geen essentieel foerageergebied door het ontbreken van bijvoorbeeld waterpartijen. Resultaten verdiepend onderzoek gierzwaluw en vleermuizen Veldbiologische Werken heeft verdiepend onderzoek naar de gierzwaluw en vleermuizen uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd als bijlage 8. Hierna worden de belangrijkste conclusies behandeld. Bij het verdiepend onderzoek naar de gierzwaluw werden binnen het plangebied geen nestlocaties aangetroffen. Er zijn enkel gierzwaluwen hoog overvliegend boven het plangebied waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen laag overvliegende gierende gierzwaluwen waargenomen.
Er is geen sprake geweest van nest-indicerend gedrag binnen het plangebied. Er zijn geen invliegers waargenomen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Met deze constateringen is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat vaste nest- , rust- of P 42/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 verblijfsplaatsen | van | gierzwaluwen | worden | geschaad | of | verstoord | bij verwezenlijking | van | de | voorgenomen ingreep. | Een | vergunning | voor | de | Omgevingswet | t. a. v. gierzwaluw | is niet | aan | de orde. De | Gewone | dwergvleermuis | gebruikt | het | plangebied | als vliegroute | , tussen | de bomen | door | heen | en | weer | vliegend | , zowel | richting | noord | als zuid. | Binnen | het | plangebied | wordt | gefoerageerd | nabij | de | bomen | en | ten | zuiden | van | het plangebied. | Bij | het | avondonderzoek | op | 22-09-2025 | werden | 4 | gewone | dwergvleermuizen | uitvliegend waargenomen | vanuit | de | kantpannen | vanaf | de | zuidzijde | van | Bredaseweg | 88. | Het | gebouw | aan | de | Bredaseweg | 88 blijft behouden | en | wordt | niet | geschaad | tijdens | de | werkzaamheden. | Binnen | het | plangebied | werd | ook | paar/balts waargenomen | op | 02-09-2025.
De | tussenruimte | tussen | de | bomen | binnen | het | plangebied | dient | als hoofdvliegroute | en | is n gebruik | genomen | door alle | waargenomen | soorten. | Deze | vliegroute | wordt | ook | gebruikt | als | foerageergebied | door | vooral | gewone dwergvleermuis. | Gedurende | de | paar-/balts | periode | is | het | baltsgedrag | rond | de | bomen | slechts | eenmalig waargenomen | , | er | is voldoende | alternatief | in | de | omgeving | van | het | plangebied | aanwezig | (bijvoorbeeld | de laanbomen | aan | de | Strausslaan/ | Beethovenlaan). | Een | vergunning | voor | de | Omgevingswet | t. a. v. vleermuizen | is niet aan | de | orde | , mits | preventieve | maatregelen | worden | gerealiseerd. | Deze | zijn hieronder | benoemd. • | Voer | de | werkzaamheden | overdag | uit ; • | Voorkom | verstoring | van | de | vliegroute: | bijvoorbeeld | plaats | geen | bewakingsverlichting | die | de hele | nacht aanstaat | in de | periode | 15 | april | – | 1 oktober. | Het | heeft | de | voorkeur | om | met | een | signaleringslamp | te werken | die | aanspringt | bij onraad | ; • | Richt | geen | bouwverlichting | op | Bredaseweg | 88 | te | Roosendaal | achtergevel | in verband | met | de | daar aanwezige | zomerverblijfsplaats/(klein) | winterverblijf.
| Richt | de | bouwverlichting | niet | op | de | omliggende woningen | om | verstoring | te | voorkomen | ; • | Houdt | de | afvliegopening | in het | gebouw | Bredaseweg | 88 | te | Roosendaal | vrij , plaats | geen | bouwboord | of materieel | voor | deze | gevel | ; • | Realiseer | nieuwe | groen | en | creëer | de | alternatieve | vliegroutes | op | de | aangegeven | plaatsen | in | de ontwerpschets | (zie | kaart | 4) mede | door | voldoende | donkerte | te waarborgen | door | bijvoorbeeld | te werken met | speciale | vleermuisvriendelijke | ledverlichting | en/of | armaturen | welke | geen | restlicht | veroorzaken | ; • | Gebruik | vleermuisvriendelijke | verlichting | (rood-/amberkleurig) | om | verstoring | van | het | foerageergebied en | de | vliegroutes | te | voorkomen. | Blokkeer | de | bestaande | vliegroute | binnen | het | plangebied | niet | met machines | of andere | structuren. Er zijn enkele | aanbevelingen | voor | het | project. | Het | project | betreft | nieuwbouw. | Vanuit | een | ecologisch | perspectief wordt | voorgesteld | om | in | de | nieuwbouwwoningen | enkele | vleermuis- | , huismus- | , en | gierzwaluwneststenen | te verwerken | (natuurinclusief | bouwen).
| Dit | is geen | verplichting | vanwege | het | feit | dat | er | geen | nestlocaties | zijn aangetroffen | binnen | het | plangebied | , maar | het | helpt | de | populaties | van | deze | soorten | blijvend | te | ondersteunen. Conclusie Het | initiatief | heeft | geen | negatieve | invloed | op | de | natuurwaarden | , mits | ten | aanzien | van | de | gewone | dwergvleermuis mitigerende | maatregelen | worden | toegepast | tijdens | de bouw. 4. 10 | Luchtkwaliteit Toetsingskader Overheden | dragen | bij nieuwe | ontwikkelingen | zorg | voor | een | evenwichtige | toedeling | van | functies | aan | locaties. | Op grond | van | de | algemene | zorgplicht | voor | het | woon- | en | leefmilieu | dienen | overheden | de | gevolgen | van | een ontwikkeling | voor | de | luchtkwaliteit | af te wegen. | Dit wordt | met | de | invoering | van | de | Omgevingswet | gewaarborgd in het | Bkl (paragraaf | 5. 1. 4. 1 Kwaliteit | van | de buitenlucht). datum | 1 april 2026 | P | 43/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 Bij nieuwe | ontwikkelingen | dient | getoetst | te | worden | of | de | rijksomgevingswaarden | voor | luchtkwaliteit | worden overschreden. | Daarnaast | dient | te worden | getoetst | aan | mogelijk | aanwezige | omgevingswaarden | die | provincies | en gemeenten | hebben | vastgesteld.
| Eveneens | heeft | het | Rijk | aandachtsgebieden | vastgesteld | waar | de rijksomgevingswaarden | voor | luchtkwaliteit | reeds | worden | overschreden | of de | achtergrondconcentratie | dermate hoog | is , dat | bij | toevoeging | van | een | nieuw | project | alsnog | een | rijksomgevingswaarde | overschreden | kan | worden. Binnen | deze | aandachtsgebieden | verzamelen | gemeenten | en | provincies | gegevens | voor | de | monitoring | van | de luchtkwaliteit. Indien | een | ontwikkeling | ‘niet | in betekende | mate’ | (NIBM) | bijdraagt | aan | een | verslechtering | van | de | luchtkwaliteit | , vormen | de | omgevingswaarden | voor | luchtkwaliteit | geen | belemmering | voor | de | ontwikkeling. | Een | project | of activiteit | draagt | niet | in betekenende | mate | bij als | de | toename | van | de | concentratie | NO | 2 en | PM | 10 niet | hoger | is dan 3 12 , µg/m. | Dit kan | op | twee | manieren | getoetst | worden: • | Een | ontwikkeling | valt | onder | de | standaardgevallen | , binnen | de | grenzen | van | artikel | 5. 54 | van | het | Bkl. | Deze standaardgevallen | beslaan | de | ontwikkeling | van | een | beperkt | aantal | veelal | woningen | , kantoren | of | een combinatie | van | beiden | ; • | Het | maken | van | een | berekening | met | de | NIBM-tool | om | aan | te tonen | dat | de | toename | minder | bedraagt | dan | 12 , µg/m.
| 3 Als | de | gemeente | activiteiten | toelaat | , | die | leiden | tot | gebruik | van | wegen | , | vaarwegen | of | spoorwegen (verkeersaantrekkende | werking) | of waarvoor | luchtregels | staan | in het | Besluit | activiteiten | leefomgeving | (Bal) | moet worden | voldaan | aan | de | omgevingswaarden. | Dit | volgt | uit artikel | 5. 51 | van | het | Bkl. | Verder | is het | aan | de | gemeente om | beoordelen | of er nog | extra | maatregelen | nodig | zijn om | de | luchtkwaliteit | op | een | aanvaardbaar | niveau | te krijgen. De | gemeente | kan | dit | doen | door | lokale | omgevingswaarden | te | formuleren. | De | gemeente | dient | bij | nieuwe ontwikkelingen | zorg | te | dragen | voor | een | evenwichtige | toedeling | van | functies | aan | locaties. | Op | grond | van | de algemene | zorgplicht | voor | het | woon- | en | leefmilieu | dient | de | gemeente | de | gevolgen | van | een | ontwikkeling | voor | de luchtkwaliteit | af te wegen. Beoordeling De | beoogde | ontwikkeling | betreft | de | realisatie | van | 9 | grondgebonden | woningen. | Gesteld | kan | worden | dat | dit | plan in verhouding | tot | de | wettelijke | ondergrens | voor | onderzoek | , gelegen | op | de | bouw | van | 1500 | woningen | , niet | in betekenende | mate | (NIBM) | bijdraagt | aan | het | verslechteren | van | de | luchtkwaliteit.
| Het | plangebied | is daarnaast | niet gelegen | in een | door | het | Rijk | aangewezen | aandachtsgebied | (artikel | 5. 51 | Bkl) | voor | stikstofdioxide | (NO) | 2 | en/of fijnstof | (PM). 10 In het | kader | van | een | evenwichtige | toedeling | van | functies | aan | locaties | is een | indicatie | van | de | luchtkwaliteit | ter plaatse | van | het | plangebied | gegeven. | Dit | wordt | gedaan | aan | de | hand | van | het | Centraal | Instrument | Monitoring Luchtkwaliteit | (CIMLK) | , sinds | 1 januari | 2023 | het | nieuwe | instrument | voor | de | ondersteuning | van | monitoring | van | de luchtkwaliteit. | Het | dichtstbijzijnde | maatgevende | meetpunt | ligt | direct | ten | oosten | van | het | plangebied | aan | de Strausslaan | (Receptor | wegverkeer: | 20164788_3636). | Hieruit | volgt | dat | in 2023 | ter | plaatse | de | jaargemiddelde concentraties | NO: 2 | 182 , | µg/m³ | , PM | 10 : 169 , | µg/m³ | en | PM | 25 , : 89 , µg/m³ | bedragen. | De | concentraties | blijven | hiermee ruim | onder | de | gestelde | grenswaarden | , zoals | opgenomen | in artikel | 2. 4 en | 2. 5 | Bkl | (NO: | 2 40 | µg/m³ | , PM | 10 : 40 | µg/m³ en | PM | 25 , : 25 µg/m³). | Daarmee | kan | worden | gesteld | dat | met | betrekking | tot | luchtkwaliteit | binnen | het | plangebied sprake | is van | een | goed | woon- | en | leefklimaat.
Conclusie Geconcludeerd | kan | worden | dat | het | aspect | luchtkwaliteit | geen | belemmering | vormt | voor | onderhavige omgevingsplanwijziging. datum | 1 april | 2026 | P | 44/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 4. 11 Geur: agrarisch en milieubelastende activiteiten Toetsingskader Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen , zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten , de mengvoederindustrie , horeca , rioolwaterzuiveringsinstallaties , slachterijen , en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel , dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8. 5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het Bkl staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag.