CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering bij wijzigingsbesluit (Geanonimiseerd)

Commissie 17 september 2026, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5: Raadsvoorstel Omgevingsplanwijziging Bredaseweg 88 Roosendaal21.795 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). Beoordeling en conclusie In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen , andere agrarische bedrijven of industriële bedrijven met een bepaalde geuruitstraling. Geurhinder als gevolg van industrie of overige milieubelastende activiteiten is derhalve niet aan de orde. Hieruit volgt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het onderdeel geur en dat veehouderijen of andere bedrijvigheid niet in de belangen worden geschaad. 4. 12 Geluid Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3. 5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg , spoorweg of industrieterrein (artikel 3. 18 lid 1 Bkl).

De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen , spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7. 11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen , onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3. 20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar , groter is dan 1. 000 motorvoertuigen per etmaal.

De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel. Dit P 45/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 aandachtsgebied | is | het | gebied | langs | het | wegennetwerk | waarbinnen | (zonder | rekening | te | houden | met afschermende | objecten) | de | geluidbelasting | hoger | is dan | de | standaardwaarde | van | 53 | dB | voor | het | Lden. Op | grond | van | de | instructieregel | gelden | er | voor | de | geluidbelasting | door | gemeentewegen | ter | hoogte | van geluidgevoelige | gebouwen | binnen | het | geluidaandachtsgebied | een | standaardwaarde | van | 53 | dB | voor | het | Lden | en een | grenswaarde | van | 70 | dB | voor | het | Lden. | Een | geluidbelasting | tot | de | standaardwaarde | is altijd | toelaatbaar. | Een geluidbelasting | tot | de | grenswaarde | is alleen | toelaatbaar | als er | geen | mogelijkheden | bestaan | om | de | geluidbelasting gelijk | of | lager | dan | de | standaardwaarde | te | laten | zijn.

| In | de | motivering | van | het | besluit | tot | wijzigen | van | het omgevingsplan | (waarmee | de | geluidbelasting | door | het | verkeer | op | de | gemeentewegen | ter | hoogte | van | de geluidgevoelige | gebouwen | voor | het | eerst | wordt | toegestaan) | moet | dit worden | beschreven. | Daarnaast | moet | in het omgevingsplan | de | waarde | van | het | gezamenlijke | geluid | ter | hoogte | van | deze | geluidgevoelige | gebouwen | worden vastgesteld. | Dit | is | de | gesommeerde | geluidbelasting | door | alle | geluidbronnen | (wegverkeer | , | industrie | en railverkeer). Naast | het | vaststellen | van | het | gezamenlijke | geluid | moet | in de | motivering | ook | worden | aangegeven | in hoeverre | het gecumuleerde | geluid | aanvaardbaar | is. Dit | gecumuleerde | geluid | is niet | hetzelfde | als | het | gezamenlijke | geluid. | Bij het | berekenen | van | het | gecumuleerde | geluid | wordt | ook | de | geluidbelasting | van | het | industrielawaai | , wegverkeerslawaai | en | railverkeerslawaai | gesommeerd | , maar | deze | deelbijdragen | worden | dan | éérst | gecorrigeerd voor | de | verschillende | mate | van | hinderbeleving | tussen | deze | verschillende | geluidsoorten.

| Tot | slot | moeten | ook | de akoestische | gevolgen | door | het | veranderen | van | de | verkeersintensiteit | of | de | geluidoverdracht | binnen | het aandachtsgebied | door | het | bouwen | of | slopen | van | gebouwen | of | bouwwerken | bij | het | vaststellen | van | de | wijziging van | het | omgevingsplan | worden | gemotiveerd. Beoordeling Door | Aveco | de | Bondt | is akoestisch | onderzoek | uitgevoerd | naar | het | aspect | geluid | ten | behoeve | van | onderhavige omgevingsplanwijziging. | Rapportage | van | dit | onderzoek | is | als | bijlage | toegevoegd. | Nieuwe | woningen | dienen | te worden | aangemerkt | als | nieuwe | geluidgevoelige | gebouwen | in de | zin | van | het | Besluit | kwaliteit | leefomgeving | (Bkl). Doel | van | het | onderzoek | in het | kader | van | de | Omgevingswet | , is te | toetsen | of | wordt | voldaan | aan | de | regels | uit | het Besluit | kwaliteit | leefomgeving. | Er | is ook | rekening | gehouden | met | het | (onder | de | Wet | geluidhinder | vastgestelde) geluidbeleid | van | de | gemeente | Roosendaal. Uit | de | resultaten | blijkt | dat | het | geluid | door | gemeentewegen | ten | hoogste | 56 | L den | is. | Dit | is | hoger | dan | de standaardwaarde | van | 53 | L den , maar | overschrijdt | de | grenswaarde | van | 70 | L den niet.

| Gebleken | is dat | de | Bredaseweg maatgevend | is voor | de | overschrijding | van | de | standaardwaarde. | Het | geluid | door | rijkswegen | bedraagt | ten | hoogste 50 | L den . Hiermee | is voldaan | aan | de | standaardwaarde | van | 50 | L den . Er | gelden | verder | geen | aanvullende | voorwaarden ten | aanzien | van | het | geluid | door | rijkswegen. | Het | gecumuleerd | geluid | is ten | hoogste | 57 | L cum . Als | het | geluid | wordt gekwalificeerd | volgens | de | methode | Miedema | dan | is de | kwalificatie | ‘matig’. | In | een | stedelijke | woonomgeving | is dit geen | onaanvaardbaar | woon- | en | leefklimaat. | Het | gezamenlijk | geluid | is hetzelfde | als | het | gecumuleerd | geluid | L cum en | bedraagt | ten | hoogste | 57 | L den . Voor | de | vijf woningen | langs | de | Bredaseweg | is de | benodigde | geluidwering | van | de gevels | ten | hoogste | 24 | dB. | Elke | woning | heeft | ten | minste | één | geluidluwe | gevel | waar | het | geluid | niet | hoger | is dan | de standaardwaarde. | Hiermee | is voldaan | artikel | 5. 78ab | Bkl.

Uit | het | akoestisch | onderzoek | volgt | dat | om | het | plan | voor | de | realisatie | van | de | nieuwe | geluidgevoelige | gebouwen mogelijk | te maken | , in het | omgevingsplan | meer | geluid | door | gemeentewegen | toegestaan | dient | te | worden | dan | de standaardwaarden | uit | het | Besluit | kwaliteit | leefomgeving. | Het | geluid | door | gemeentewegen | is bij de | vijf woningen aan | de | Bredaseweg | ten | hoogste | 56 | L den . De | gemeente | Roosendaal | heeft | (nog) | geen | beleidsregels | vastgesteld waarin | voorwaarden | zijn | opgenomen | voor | het | toestaan | van | geluid | onder | de | Omgevingswet. | Hoewel | geluidbeleid dat | door | een | gemeente | is vastgesteld | om | te hanteren | onder | de | Wet | geluidhinder | (vóór | 1 januari | 2024) | niet | zonder meer | de | beleidsregels | weergeeft | dat | een | gemeente | wil | hanteren | onder | de | Omgevingswet | , geeft | het | ‘oude’ datum | 1 april 2026 | P 46/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 geluidbeleid Wgh wel een indicatie van de voorwaarden die kunnen worden gesteld. Het treffen van geluidreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen om te voldoen aan de standaardwaarde stuit op overwegende bezwaren van verkeerskundige , financiële en stedenbouwkundige aard. Er wordt voldaan aan het subcriterium dat sprake is van het “opvullen van een open plaats”.

Ook heeft elke woning in het plan tenminste één geluidluwe zijde. Omdat het geluid niet meer bedraagt dan 5 dB boven de standaardwaarde (voorkeurswaarde) , behoeft de indeling van de woningen niet kritisch te worden bezien. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief , indien voor de vijf nieuwe geluidgevoelige gebouwen langs de Bredaseweg in het omgevingsplan meer geluid door gemeentewegen toegestaan wordt (56 L den ) dan de standaardwaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (53 L ). den 4. 13 Activiteiten en milieuzonering Toetsingskader In de Omgevingswet staat het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ centraal (afgekort: ETFAL). Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan de balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies. Voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten dient te worden voorkomen ten behoeve van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

Bij het beoordelen of sprake is van balans tussen milieubelastende activiteiten en daarvoor gevoelige functies werd tot 1 januari 2024 veelvuldig gebruik gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Er wordt gewerkt aan een opvolger van deze handreiking , maar deze is momenteel nog niet beschikbaar. Uitgangspunt van de systematiek van activiteiten en milieuzonering is dat voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies leidt tot balans tussen deze verschillende functies binnen een gebied. Op deze manier kan gestreefd worden naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omdat de opvolger van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ momenteel nog niet beschikbaar is , kan voor de beoordeling gebruik worden gemaakt van de VNG-handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze handreiking zijn richtafstanden voor verschillende bedrijfstypen opgesteld welke aanvaardbaar worden geacht ten opzichte van milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals woningen) , waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijf)activiteiten betreffende geluid , geur , stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In de handreiking zijn bedrijven ingedeeld in verschillende milieucategorieën , waarbij geldt: hoe hoger de milieucategorie , hoe zwaarder de milieubelasting.

De richtafstanden tussen bedrijven en milieuhinder gevoelige bestemmingen nemen dus toe naarmate een bedrijf in een hogere milieucategorie wordt ingedeeld. Beoordeling Onderhavige omgevingsplanwijziging maakt de realisatie van woningen mogelijk , waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als ‘rustige woonwijk’. Het plangebied wordt immers hoofdzakelijk omgeven door bestaande woningen. Richtafstanden gelden derhalve onverkort en zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. P 47/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Het | plangebied | bevindt | zich | nabij | de | richtafstand | van | enkele | omliggende | milieubelastende | functies. | Onderstaande tabel | geeft | hier | een | overzicht | van.

| Hierbij | is gemeten | vanaf | de | grens | van | het | plangebied | tot | de | grens | van | de milieubelastende | functie. | Uit | de | tabel | is af | te lezen | dat | voor | alle | omliggende | milieubelastende | functies | aan | de richtafstanden | kan | worden | voldaan. | Een | goed | woon- | en | leefklimaat | ter | plaatse | van | het | plangebied | is daarmee gewaarborgd. | Omgekeerd | betekent | dit | ook | dat | onderhavige | ontwikkeling | omliggende | milieubelastende | functies niet | in hun | bedrijvigheid | belemmert. | Bovendien | geldt | dat | de | bestaande | tussenliggende | woningen | maatgevend zijn | voor | omliggende | hindergevende | milieubelastende | activiteiten. | Vanwege | het | beëindigen | van | de | huidige bedrijfsmogelijkheden | / milieubelastende | activiteiten | ter | plaatse | van | het | plangebied | vindt | overigens | tot | slot | een verbetering | van | het | woon- | en | leefklimaat | plaats | voor | de | bestaande | omliggende | woningen. Milieubelastende | functie | Locatie | Max.

| Richtwaarde | Afstand | tot milieucategorie | VNG | plangebied Horeca | Bredaseweg | 49 | 1 | 10 | meter | 20 | meter Bedrijf | Bredaseweg | 55/57 | 2 | 30 | meter | 30 | meter Horeca | Bredaseweg | 62/64 | 1 | 10 | meter | 40 | meter Detailhandel | Monseigneur | 1 | 10 | meter | 50 | meter Frenckenstraat | 14 Conclusie Binnen | het | plangebied | is met | betrekking | tot | milieuzonering | een | goed | woon- | en leefklimaat | verzekerd. | Het | initiatief belemmert | omliggende | milieubelastende | activiteiten | daarnaast | niet | in hun | bedrijfsvoering. 4. 14 | Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid | beschrijft | de | risico’s | die | ontstaan | als | gevolg | van | opslag | , productie | , gebruik | en | vervoer | van gevaarlijke | stoffen | en | windturbines. | De | hoofdlijnen | van | het | wettelijk | kader | omtrent | de | externe | veiligheid | zijn opgenomen | in instructieregels | in afdeling | 5. 1. 2 Bkl. De | paragrafen | 5. 1. 2. 2 tot en | met | 5. 1. 2.

6 van | het | Bkl | gaan | over het | toelaten | van | beperkt | kwetsbare | , kwetsbare | en | zeer | kwetsbare | gebouwen | en | beperkt | kwetsbare | en | kwetsbare locaties | in verband | met | het | externe | veiligheidsrisico | van | een | activiteit | die | op | een | locatie | is toegelaten | op | grond van | een | omgevingsplan | of een | omgevingsvergunning | voor | een | buitenplanse | omgevingsplanactiviteit. In bijlage | VII | van | het | Bkl | zijn | activiteiten | aangewezen | als risicobronnen. | Deze | risicobronnen | zijn | van | belang | voor de | regels | over | het | plaatsgebonden | risico | en | aandachtsgebieden. | Het | betreft | de | volgende | activiteiten: • | Activiteiten | met | gevaarlijke | stoffen | bij bedrijven. | Dit | zijn verschillende | milieubelastende | activiteiten | uit het Besluit | activiteiten | leefomgeving. • | Het | basisnet | vervoer | gevaarlijke | stoffen | (weg | , water | en | spoor). • | Buisleidingen | met | gevaarlijke | stoffen | die | zijn aangewezen | als milieubelastende | activiteit | in het | Besluit activiteiten | leefomgeving. • | Windturbines | die | zijn aangewezen | als milieubelastende | activiteit | in het | Besluit | activiteiten | leefomgeving.

Plaatsgebonden | risico Grenswaarden | en | standaardwaarden | voor | het | Plaatsgebonden | Risico | (PR) | ten | aanzien | van | (zeer) | (beperkt) kwetsbare | gebouwen | en | (beperkt) | kwetsbare | locaties | zijn | opgenomen | in artikel | 5. 6 tot | en | met | artikel | 5. 11a | van het | Bkl. | Grenswaarden | voor | kwetsbare | en | zeer | kwetsbare | gebouwen | en | kwetsbare | locaties | (art. | 5. 7 lid 1 | Bkl) worden | in een | Omgevingsplan | in acht | genomen. | Met | standaardwaarden | voor | beperkt | kwetsbare | gebouwen | en locaties | wordt | in een | omgevingsplan | rekening | gehouden | (art. | 5. 11 | Bkl). | Voor | het | plaatsgebonden | risico | gelden | , afhankelijk | van | de | activiteit | , vastgestelde | afstanden | of te berekenen | afstanden | (bijlage | VII | Bkl). datum | 1 april 2026 | P 48/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a , z. d. ). Aandachtsgebieden zijn er voor brand , explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen , zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied , dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4. 90 tot en met 4. 96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen , zoals scholen , kinderdagopvang , en verzorgingstehuizen , geldt altijd een voorschriftengebied , en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen , bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel ; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen , maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5. 1. 2. 3 Bkl ; Veiligheid rond opslaan , herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5. 1. 2. 4 Bkl ; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5. 1. 2. 5 Bkl) ; • • • Beoordeling De beoogde woningen worden op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangemerkt als kwetsbare gebouwen. Om die reden moet het aspect omgevingsveiligheid worden beoordeeld. Uit inventarisatie van eventuele risicobronnen op basis van de Atlas Leefomgeving volgt echter dat het plangebied zich niet bevindt binnen een aandachtsgebied (van risicovolle milieubelastende activiteiten , transportroutes of buisleidingen) of voorschriftengebied. Een nadere verantwoordingsplicht voor deze aspecten ten aanzien van het externe veiligheidsrisico is derhalve niet aan de orde.

De Rijkswegen A17 en A58 en de spoorlijn hebben geen aandachtsgebied dat reikt tot plangebied. Wel ligt het plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Seveso inrichting SABIC Innovative Plastics in Bergen op Zoom. Omdat het bedrijf op meer dan 15 , km afstand ligt , hoeft hier ruimtelijk gezien geen rekening mee worden gehouden (zie artikel 5.12 , vierde lid van het Bkl). P 49/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 • Veiligheid rond luchthavens (par. 5. 1. 2. 6 Bkl). Uitsnede kaartbeeld risicovolle milieubelastende activiteiten , transportroutes en buisleidingen met het plangebied aangeduid met gele ster. Bron: atlasleefomgeving.nl , 2024. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4. 15 Trillingen Toetsingskader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In het Bkl is het onderwerp geregeld in paragraaf 5. 1. 4. 4. Het omgevingsplan moet voldoen aan de bepalingen van het Bkl. In de Bruidsschat is het onderdeel trillingen geregeld in paragraaf 22. 3. 5. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. Trillingsgevoelige gebouwen of een gedeelte van een gebouw zijn gebouwen met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. • • • • Een trillingsgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied in een gebouw. Het betreffen dezelfde functies als hiervoor genoemd. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald P 50/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 voorkomende trillingen. De Omgevingswet en de Bkl leggen vast welke meet- en rekenbepalingen gelden voor trillingen. Deze zijn vastgelegd in een ministeriële regeling. In het omgevingsplan kunnen regels opgenomen worden voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Hiermee kan worden vastgelegd welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. De SBR-richtlijn vormt een belangrijk hulpmiddel voor het meten en beoordelen van trillingen.

Met deze richtlijn kunnen trillingbronnen worden getoetst om te bepalen of deze voldoen aan de wettelijke normen. Beoordeling en conclusie Nieuwe woningen dienen te worden aangemerkt als nieuwe trillinggevoelige gebouwen (met daarin trillinggevoelige ruimten) in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het aspect trillingen is , voor het opstellen van een omgevingsplan , echter niet van toepassing op verkeer op wegen , vaarwegen en spoorwegen. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen milieubelastende activiteiten aanwezig die trillingshinder veroorzaken. Bovendien heeft de gemeente Roosendaal geen aanvullende regels ten aanzien van trillingen vastgelegd in het omgevingsplan. In onderhavig geval betreffen bronnen van trillingen binnen en in de omgeving van het plangebied voornamelijk verkeer over de weg en (tijdelijke) bouwactiviteiten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan echter , gelet op de aard en omvang van het initiatief en de ligging van het plangebied in een rustige stadsbuurt , worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan als gevolg van trillingen. 4. 16 Windhinder en bezonning Toetsingskader De aspecten windhinder en bezonning zijn aspecten van de fysieke leefomgeving.

Hierdoor vormt het onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2. 4 en 4. 2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor deze aspecten van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Beoordeling en conclusie Gelet op de aard en omvang van het initiatief , de opzet van de verkaveling en situering van de bouwvlakken , de afstand tot de omliggende bestaande woningen en de situering binnen de directe omgeving , zijn de aspecten windhinder en bezonning voor onderhavige omgevingsplanwijziging en woningbouwontwikkeling niet relevant en worden er geen eisen gesteld ten aanzien van het uitvoeren van een windhinderonderzoek of bezonningsstudie. 4.

17 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger ; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar ; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar ; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom ; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten , die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. A. B. C. D. E. P 51/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Beoordeling | en | conclusie Ter | plaatse | van | het | plangebied | zijn | geen | planologisch | relevante | buisleidingen | , hoogspanningsverbindingen | of straalpaden | aanwezig. | Indien | nodig | zal | in een | later | stadium | van | onderhavig | project | een | KLIC-melding | worden uitgevoerd. | Het | aspect | kabels | en leidingen | staat | de beoogde | omgevingsplanwijziging | niet | in de | weg. 4.

18 | Overige | aandachts- | en | beperkingsgebieden Toetsingskader Een | beperkingengebied | is een | breed | verzamelbegrip | en | wordt | in de | Omgevingswet | gedefinieerd | als een | gebied dat | bij of krachtens | de | wet | (door | Rijk | of | provincie) | is aangewezen | , waar | vanwege | de | aanwezigheid | van | een | werk of object | , regels | gelden | over | activiteiten | die | gevolgen | hebben | of kunnen | hebben | voor | dat | werk | of | object. | De beperkingen | kunnen | een | vergunningplicht | inhouden | , of bestaan | uit algemene | regels. Beoordeling | en | conclusie Het | plangebied | is niet | gelegen | in | een | beperkingengebied | waarvoor | regels | gelden | die | gevolgen | hebben | voor onderhavige | omgevingsplanwijziging. 4. 19 | Gezondheid Toetsingskader De | Omgevingswet | bevat | instrumenten | die overheden | kansen | bieden | om | de leefomgeving | op een | gezonde | manier te beïnvloeden. | Door | de | integrale | benadering | van | de | leefomgeving | via | de | instrumenten | van | de | Omgevingswet | , kan | gezondheid | eerder | een | plek | krijgen | in de | ruimtelijke | afweging. | Daarmee | kan | gezondheid | een | meer | sturende rol krijgen. | De | Omgevingswet | bevat | de | volgende | artikelen | die | ingaan | op | het | thema | gezondheid: • | In | artikel | 1. 3 | staan | de | maatschappelijke | doelen | van | de | wet.

| Een | van | die | doelen | is een | gezonde | fysieke leefomgeving. | Een | gezonde | leefomgeving | ervaren | bewoners | als | prettig | , nodigt | uit tot | gezond | gedrag | en | biedt bescherming | tegen | negatieve | omgevingsinvloeden. • | In | artikel | 3. 3 | staat | dat | het | bevoegd | gezag | in | de | omgevingsvisie | rekening | moet | houden | met | het voorzorgsbeginsel | en | andere | milieubeginselen. • | In | artikel | 2. 1 | lid | 4 | staat | dat | het | bevoegd | gezag | bij | de | evenwichtige | toedeling | van | functies | (in | het omgevingsplan) | in ieder | geval | rekening | houdt | met | het | belang | van | het | beschermen | van | de | gezondheid. • | Over | gezondheid | in de | omgevingsvergunning | gaan | de | artikelen | 5. 32 | en 5. 42 | lid 4 van | de | Omgevingswet | en | de artikelen | 8. 101 | en | 8. 102 | van | het | Besluit | kwaliteit | leefomgeving | (Bkl). | Deze | artikelen | zien | op | het | lozen | op | een oppervlaktewaterlichaam | of zuiveringtechnisch | werk | en | milieubelastende | activiteiten. Beoordeling Conform | artikel | 1. 3 sub | a Omgevingswet | is het | bereiken | en | in | stand | houden | van | een | veilige | en | gezonde | fysieke leefomgeving | en | een | goede | omgevingskwaliteit | een | belangrijk | maatschappelijk | doel | van | de | Omgevingswet.

| De aspecten | veilige | en | gezonde | fysieke | leefomgeving | en | een | goede | omgevingskwaliteit | hangen | nauw | met | elkaar samen. | Gelet | op | de | centrale | rol van | het | gezondheidsaspect | binnen | de | Omgevingswet | dient | dit aspect | breed | te worden | gemotiveerd. Omdat | het | bereiken | en | in | stand | houden | van | een | gezonde | fysieke | leefomgeving | een | belangrijk | doel | is van | de Omgevingswet | bevat | het | Bkl | (paragraaf | 5. 1. 4) een | aantal | instructieregels | die | specifiek | de | bescherming | van | de gezondheid | en | het | milieu | tot | doel | hebben. | De | instructieregels | hebben | onder | andere | betrekking | tot de | aspecten geluid | , geur | , trillingen | , luchtkwaliteit | en | bodem. | Ook | voldoende | groen | en | speel- | en | sportvoorzieningen | kunnen bijdragen | aan | (een | gevoel | van) | een | gezonde | fysieke | leefomgeving. In paragrafen | 4.6 , 4.10 | , 4.11 | , 4. 12 | en | 4. 15 | worden | de | aspecten | bodem | , luchtkwaliteit | , geur | , geluid | en | trillingen behandeld. | Concluderend | volgt | uit de | afzonderlijke | behandeling | van | de | gezondheid | gerelateerde | aspecten | van | de fysieke | leefomgeving | een | afgewogen | evenwichtige | toedeling | van | functies | aan | locaties. datum | 1 april 2026 | P 52/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4.

| 0 Conclusie Alle milieuthema’s zijn afzonderlijk behandeld in onderhavige ruimtelijke motivering. Voor alle aspecten kan worden geconcludeerd dat het aspect gezondheid in voldoende mate is afgewogen. De thema’s vormen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling en gesteld kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 20 Duurzaamheid Toetsingskader Duurzaamheid is in de Omgevingswet geborgd via artikel 1. 3 en 2. 1. In artikel 1. 3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet als volgt verwoord: “Deze wet is , met het oog op duurzame ontwikkeling , de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu , gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit , en doelmatig beheren , gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften”. • • Artikel 2. 1 Ow geeft vervolgens aan dat bestuursorganen van een gemeente , provincie , Rijk of Waterschap hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met het oog op de doelen van deze wet , zoals dus ook de belangrijke doelen neergelegd in artikel 1. 3 Ow. Artikel 1. 3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.

6 Ow , namelijk dat men voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling geborgd voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving. Het vergt een in de wet voorziene samenhangende benadering vanaf het begin van de besluitvorming van alle relevante belangen: ruimte , water , natuur , gezondheid en wonen. Het belangrijkste instrument voor duurzame ontwikkelingen is de Omgevingsvisie van de gemeente. In deze visie worden de duurzaamheidsdoelen benoemd. Deze doelen spelen een belangrijke rol bij het afwegen van nieuwe ontwikkelingen. Ook is het mogelijk om in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen en daarbij strengere grenswaarden op te nemen dan de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geformuleerde landelijke normen. Beoordeling belangrijkste de waarin omgevingsvisie de is duurzaamheid van aanzien ten instrument Het duurzaamheidsdoelstellingen worden benoemd. In paragraaf 3. 4. 2 is toegelicht dat met onderhavige ontwikkeling een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de doelstellingen uit de omgevingsvisie “De verbonden stad”. Meer specifiek volgt uit de omgevingsvisie de opgave het terugdringen van CO2-uitstoot via een energietransitie.

Roosendaal wil in lijn met nationale en regionale ambities in 2050 zo goed als CO2- neutraal zijn , en in 2030 halverwege. Roosendaal ligt in 2050 in een afvalloze regio waar afval wordt gewaardeerd als grondstof en waar de economie circulair is ingericht. Roosendaal heeft een schone leefomgeving waar zoveel mogelijk duurzame energie wordt opgewekt , warmte wordt bespaard en via groene daken verkoeling en CO2-opvang wordt gerealiseerd. Een flink aantal zaken is vastgelegd in de Regionale Energiestrategie (RES) , de zonnevisie en het programma Verduursamen , of wordt gerealiseerd via het warmtenet van het DER (Duurzaam Energiebedrijf Roosendaal) en het duurzaam inrichten van nieuwe woongebieden. Voor onderhavige ontwikkeling zijn verder geen planspecifieke duurzaamheidsambities vanuit de gemeente Roosendaal van toepassing. In relatie de Regionale Energie Strategie wordt ingezet op een klimaatneutrale toekomst door middel van het duurzaam opwekken van elektriciteit. Onderhavig initiatief levert bijvoorbeeld een bijdrage aan de energietransitie doordat de woningen volgens de laatste duurzaamheidsvereisten en gasloos P 53/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 gerealiseerd | worden.

| Om | zorg | te dragen | voor | een | duurzame | leefomgeving | wordt | met | onderhavige | ontwikkeling onder | meer | aandacht | besteed | aan | klimaatadaptieve | maatregelen | zoals | beschreven | in paragraaf | 4. 4 en | 4. 5. Met onderhavig | plan | wordt | zodoende | een | bijdrage | geleverd | aan | de | gestelde | duurzaamheidsambities | van | de | gemeente Roosendaal. Conclusie Met | onderhavig | initiatief | wordt | invulling | gegeven | aan | een | duurzame | leefomgeving. 4. 21 | Kostenverhaal Op | grond | van | de | Omgevingswet | is een | gemeente | verplicht | om | kosten | in rekening | te brengen | die | zij maakt | voor nieuwe | bouwplannen. | Het | in | rekening | brengen | van | deze | kosten | heet | het | verhalen | van | kosten | ofwel | het kostenverhaal. | Uitgangspunt | is dat | de | kosten | die | gemaakt | worden | voor | de | omgevingsplanwijziging | voor | rekening komen | van | de | initiatiefnemer. Daar | waar | nodig | zal | op | basis | van | artikel | 13. 18 | het | publiekrechtelijke | kostenverhaal | worden | verrekend | door | middel van | een | kostenverhaalsbeschikking | (artikel | 13. 18 | Ow). | Tevens | worden | voor | het | in behandeling | nemen | van | en | de procesbegeleiding | kosten | gerekend. | Deze | bedragen | zijn | opgenomen | in de | gemeentelijke | legesverordening.

Tussen | de | gemeente | Roosendaal | en | de | initiatiefnemer | is een | anterieure | overeenkomst | opgesteld | , waardoor | het plan | voor | de | gemeente | een | kostenneutrale | ontwikkeling | is. De | economische | uitvoerbaarheid | van | het | plan | wordt hiermee | gewaarborgd. datum | 1 april 2026 | P | 54/59 referentie | 241070_AdB_RAP_0001_v4. | 0 5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de beoogde omgevingsplanwijziging) nader onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4. Het initiatief is bovendien niet strijdig met de geldende beleidskaders (hoofdstuk 3). Daarnaast wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en is in paragraaf 4. 21 de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond. Concluderend is met het plan sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het volgende hoofdstuk wordt nader toegelicht op welke wijze uitwerking plaats vindt in een omgevingsplanwijziging. P 55/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 6 Uitwerking in het omgevingsplan 6. 1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het omgevingsplan is vertaald.

Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 6. 2 Opbouw van de regels Onderhavig omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan via de STOP-TPOD methodiek. Het omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal. Toch vormt het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan van de totale gemeente. Onderhavig omgevingsplan dient in samenhang met de bruidsschat gelezen te worden. De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De functies en activiteiten zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. P 56/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 7 Participatie Participatie wil zoveel zeggen als het vroegtijdig deelnemen van inwoners en andere belanghebbenden aan besluitvormingsprocessen. Vroegtijdig wil zeggen voorafgaand aan de besluitvorming zelf ; dus voordat een ontwerpbesluit is vastgesteld of voordat een aanvraag is ingediend.

Omgevingsdialoog In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden , zodat omwonenden en andere belanghebbenden tijdens de planvorming betrokken zijn. Het (geanonimiseerde) verslag van de gevoerde omgevingsdialoog en de verstuurde informatiebrief naar de omwonenden is als bijlage 7 opgenomen. Het plan is positief ontvangen , de binnengekomen reacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het plan. Vaststellingsprocedure De zienswijzetermijn liep voor een termijn van 6 weken van 22 december 2025 tot en met 2 februari 2026. Er zijn geen zienswijzen ingekomen. De gemeente Roosendaal wil dit plan als een eerste pilot-plan gebruiken voor de STOP-TPOD methodiek. Het plan wordt gewijzigd vastgesteld als STOP-TPOD plan. P 57/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 1 Project-mer-beoordeling P 58/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 2 Weging van het waterbelang P 59/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek P 60/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 4 Quickscan fysieke leefomgeving – natuur P 61/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 5 Stikstofdepositieonderzoek P 62/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4.

0 Bijlage 6 Akoestisch onderzoek P 63/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 7 Verslag omgevingsdialoog P 64/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0 Bijlage 8 Verdiepend onderzoek gierzwaluw en vleermuizen P 65/59 datum 1 april 2026 referentie 241070_AdB_RAP_0001_v4. 0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1964/documents/54108