CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Verbindingsweg Tolberg_toelichting.pdf

Gemeenteraad 21 november 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 7a: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg22.130 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Foto Willem Dreesweg

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 28

3.3

FUNCTIONELE ANALYSE VAN HET GEBIED

3.3.1

Functionele hoofdstructuur

Buiten de bebouwde kom wordt het plangebied zoals gezegd gebruikt als agrarische grond en als waterbeheeringsgebied (Rissebeek). Binnen de bestaande bebouwde kom heeft het plangebied een belangrijke functie. De Thorbeckelaan en Willem Dreesweg vormen op dit moment de belangrijkste verkeersaders van de wijk, respectievelijk naar het zuiden en oosten. Aangezien de Willem Dreesweg de spoorweg gelijkvloers kruist, zorgt dit voor opstoppingen. Voor fietsers is er vanuit het buitengebied wel de mogelijkheid om via de Thorbeckelaan de wijk Tolberg in te rijden. Er is echter geen doorlopende fietsstructuur richting het oosten van de wijk. Bij de Fazantberg buigt het bestaande fietspad af naar het links, waardoor vanaf de Willem Dreesweg geen fietsverkeer meer mogelijk is. Fietsverkeer naar het oosten zal via de huidige tunnelpassage bij de Dubbelberg het spoor moeten passeren. Hierdoor vormt de spoorlijn een extra barrière tussen het westelijk en oostelijk gedeelte van de wijk Tolberg. Het landbouwverkeer maakt gebruik van de huidige infrastructuur om de kavels te bereiken.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 29

4.0

ONDERZOEKEN

In enkele onderzoeken wordt uitgegaan van verkeerstellingen. Hierover merken we het volgende op: “Eind 2020 is een aanvullend onderzoek gedaan naar het 'Voorkeursalternatief'. Dit is een aangepaste variant op basis van 2b (in het rapport staat 2a maar dit moet 2b zijn omdat hier een tunnel in is meegenomen), hierin is ook de locatie van het ziekenhuis meegenomen. Op basis van het voorkeursalternatief zijn de milieuonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd op basis van het verkeersmodel (gegevens) uit 2019. Ten tijde van het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan waren de gegevens niet ouder dan vijf jaar. Naar aanleiding van de zienswijze is nogmaals gekeken naar de verkeersgegevens. Het Roosendaal verkeersmodel is pas begin 2024 afgerond. Op basis van het nieuwe model kan worden geconcludeerd dat de nieuwe verkeerscijfers, waarin ook het nieuwe ziekenhuis is opgenomen, lager zijn dan het oude verkeersmodel. Dit komt omdat nu ook rekening is gehouden met een aantal trends zoals thuiswerken en digitalisering ten opzichte van het vorige verkeersmodel. De onderzoeken zijn niet aangepast op deze nieuwe, lagere cijfers. De onderzoeken zijn daarmee uitgegaan van een worstcase scenario. Op basis van die onderzoeken kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de normen.”

4.1

BEDRIJVEN- EN MILIEUZONERING

4.1.1

Toetsingskader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van milieugevoelige objecten (die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk zijn) tot de grens van de inrichting.

4.1.2

Beoordeling en conclusie

4.2

LICHTKWALITEIT

In het plangebied wordt een nieuwe verbindingsweg mogelijk gemaakt. Dit is geen milieubelastende activiteit zoals bedoeld in de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het is eveneens geen milieugevoelig object. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen plan.

Het wonen in het buitengebied is een keuze, waar je bewust kiest voor ruimte, natuur en rust. In de nachtelijke uren past daar geen verlichting bij. Roosendaal volgt op dit moment de landelijke richtlijn “NPR 13201+A1:2018” om het openbaar gebied te verlichten. Deze richtlijn hanteert ook het principe dat wegen in het buitengebied niet worden verlicht, tenzij. Een en ander hangt af van type weg, verkeersveiligheid, sociale veiligheid en comfort. De toevoeging ‘tenzij’ heeft betrekking op situaties, waarbij de verkeers- of sociale veiligheid het noodzakelijk maakt om toch verlichting toe te passen.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 30

Om het buitengebied toch weer meer naar een donkertegebied te brengen, heeft de gemeente sinds 2016 alle conventionele hoge druk natrium lampen en PLL witte lampen vervangen door Golden Green LED verlichting. Door een combinatie van Groene LED met Rode LED, ontstaat een verlichting die overeenkomt met maanlicht, maar naast herkenbaarheid ook een goede kleurweergave heeft. Deze verlichting wordt anno 2024 niet meer toegepast en/of aangebracht. De kleurtemperatuur die vanaf heden op alle wegen in Roosendaal wordt toegepast is 3000 K(elvin), dit is een warm witte kleur. Verder wordt, indien verlichting toch noodzakelijk mocht zijn, ter plaatse van de kruising van de Rissebeek van de verbindingsweg verlichting toegepast die niet uitstraalt naar de beek en de bijbehorende oevers. Bij de inrichting van de verbindingsroute wordt, overeenkomstig de Wet natuurbescherming (per 1 januari Omgevingswet) ruime aandacht gegeven aan de vormgeving van de passage, zodat compensatie niet noodzakelijk is.

4.3

LUCHTKWALITEIT

4.3.1

Toetsingskader

Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde.

4.3.2

Beoordeling

Door Stantec B.V. is een onderzoek uitgevoerd naar de mate van luchtverontreiniging als gevolg van de geplande ontwikkeling van de aanleg van de verbindingsweg. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Hierbij is voor de verschillende onderzochte stoffen gekeken naar de beoordelingsjaren 2023 en 2030. Uit de berekeningen van het onderzoek blijkt dat de maximaal berekende jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de beide beoordelingsjaren ruimschoots lager is dan de gestelde grenswaarde (te weten 40 μg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 μg/m3 voor PM2,5). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie NO2 is maximaal 5 dagen in het beoordelingsjaar 2023 en maximaal 4 dagen in het beoordelingsjaar 2030, waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden.

4.3.3

Conclusie

Doordat de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden, levert het milieuaspect luchtkwaliteit geen belemmering op voor de aanleg van de Verbindingsweg Tolberg te Roosendaal.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 31

4.4

EXTERNE VEILIGHEID

4.4.1

Toetsingskader

4.4.2

Beoordeling

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt.

Een weg is geen gevoelig object, waardoor eventuele risicobronnen uit de omgeving geen negatieve impact hebben op het gebruik van de weg. Aangezien er geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaatsvindt, kan de weg ook niet worden aangemerkt als gevaarlijk object en vormt de weg geen risico op het gebruik van gevoelige objecten uit de omgeving. Zoals uit navolgende uitsnede uit de risicokaart blijkt, zijn er hiernaast geen bestaande risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig.

Figuur: Uitsnede risicokaart

4.4.3

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. In het kader van het vooroverleg wordt het bestemmingsplan ter beoordeling toegezonden aan de veiligheidsregio.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 32

4.5

GELUID

4.5.1

Toetsingskader

4.5.2

Beoordeling

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige gebouwen (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een (spoor)weg en/of industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen.

Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig object ligt in een door deze wet aangewezen geluidzone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Aangezien met de ontwikkeling een nieuwe weg met bijbehorende rotondes en kruispunten wordt aangelegd en in het oostelijk deel van het plangebied een tunnel onder de spoorweg wordt gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk vanwege de geluidgevoelige objecten die hierbij in de buurt liggen. Het onderzoek is uitgevoerd door Stantec B.V. en als bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. Hierna zijn de belangrijkste conclusies aangehaald. Resultaten Verbindingsweg Tolberg Uit de berekeningen blijkt dat vanwege het verkeer op de verbindingsweg Tolberg ter plaatse van de bestaande woningen niet leidt tot een overschrijding van de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Het vaststellen van hogere waarden is voor de verbindingsweg dan niet nodig. Resultaten reconstructiesituaties De ontwikkeling maakt niet alleen de verbindingsweg mogelijk, ook is binnen de ontwikkeling sprake van 4 reconstructiegebieden: • Reconstructiegebied 1: aansluiting Verbindingsweg Tolberg - Huijbergseweg. • Reconstructiegebied 2: verlenging Thorbeckelaan tot aan Verbindingsweg Tolberg.

• Reconstructiegebied 3: aansluiting Verbindingsweg Tolberg op bestaande Thorbeckelaan en Rietgoorsestraat. • Reconstructiegebied 4: fysieke wijzigingen aan de Thorbeckelaan en Willem Dreesweg. Gedeelte ter hoogte van de bestaande woningen aan de Fagotberg/Fazantberg tot aan de net voorbij de nieuw aan te leggen rotonde met de aansluiting van de Bergrand op de Willem Dreesweg. Binnen reconstructiegebied 1 zijn geen bestaande woningen aanwezig. Voor de reconstructiegebieden 2 en 3 blijkt uit de berekeningen dat ter plaatse van meerdere bestaande woningen de geluidtoename vanwege de fysieke wijziging van de Thorbeckelaan en de Willem Dreesweg afgerond 2 dB of meer bedraagt. De gemeente Roosendaal kiest ervoor om het asfalttype SMA-NL8 G+ aan te leggen (waar nodig) bij de verlening van de Thorbeckelaan en ter plaatse van de wijziging van de route Thorbeckelaan – Willem Dreesweg. Het aanleggen van dit asfalttype wordt de geluidtoename zodanig gereduceerd dat er geen sprake meer is van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder. Het vaststellen van hogere waarden is dan ook niet aan de orde.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 33

Doelmatigheidscriterium Het kan zijn dat een geluidreducerende maatregel vanuit financieel oogpunt niet doelmatig is. Het aantonen of een bepaalde maatregel financieel doelmatig is wordt bepaald middels het zogenoemde ‘doelmatigheidscriterium’. De wettelijke grondslag hiervan is beschreven in de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Het doelmatigheidscriterium werkt met een systeem van reductiepunten (het ‘budget’) en maatregelpunten (de ‘kosten’). Een maatregel is als ‘doelmatig’ vanuit financieel oogpunt aan te merken in het geval het aantal maatregelpunten lager is dan het aantal reductiepunten. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het financieel doelmatig is om het asfalttype SMA NL8 G+ aan te brengen op de verlengde Thorbeckestraat en de verlegging van de Thorbeckestraat - Willem Dreesweg. Resultaten cumulatieve geluidbelasting In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidsituatie bepaald vanwege het weg- en railverkeerslawaai. Voor wegverkeerslawaai zijn naast de al onderzochte wegen ook de omliggende lokale wegen en de Rijksweg A58 meegenomen. Daarnaast is het railverkeer dat over de spoorlijn Roosendaal - Antwerpen betrokken bij het beoordelen van de cumulatieve geluidsituatie. De cumulatieve geluidbelastingen zijn berekend op de naar de weg gekeerde gevels van de bestaande woningen.

Uit de berekeningen blijkt dat de cumulatieve geluidsituatie in de toekomstige situatie vanwege het weg- en railverkeer over het algemeen gelijk blijft of zelfs afneemt ten opzichte van de autonome situatie. De reden hiervoor is dat de gemeente Roosendaal het asfalttype SMA-NL8 G+ gaat aanleggen bij de verlenging van de Thorbeckelaan en ter plaatse van de wijziging van de route Thorbeckelaan – Willem Dreesweg. De MKM-milieuclassificatie, behorende bij de berekende cumulatieve geluidbelasting, varieert van ‘goed’ tot ‘slecht’ voor zowel de autonome als in de toekomstige situatie.

4.5.3

Conclusie

4.6

BODEM

4.6.1

Toetsingskader

4.6.2

Beoordeling

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er voor de ontwikkeling van de verbindingsweg geen belemmeringen gelden vanuit akoestisch oogpunt.

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd.

Door Stantec B.V. is een bureauonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de actuele milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. De conclusies van het onderzoek worden hieronder weergegeven.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 34

Rondom of binnen het plangebied bevinden zich enkele nog niet onderzochte bodembedreigende activiteiten, met name onder- en bovengrondse benzine- en brandstoftanks en aan land- en tuinbouw gerelateerde activiteiten. Voor zover bekend wordt geen asbest verwacht ter plaatse van de onverharde percelen in het buitengebied. Ter plaatse van de wegen kunnen funderingslagen voorkomen die asbest bevatten, maar dat is op basis van het bureauonderzoek niet vast te stellen.

4.6.3

Conclusie

In het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de beoogde aanpassingen in het bodemgebruik van het plangebied geen wijzigingen betreffen naar een gevoeliger gebruik. Een bodemonderzoek in het kader van de bestemmingsplanprocedure zou daarom niet noodzakelijk zijn. Inmiddels hebben er enkele wijzigingen in het wegontwerp en de bijbehorende bestemmingen plaatsgevonden. Mogelijk dat hiervoor nog voor enkele groenstroken een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is uitgesteld na de procedure van het voorontwerp bestemmingsplan, maar zal onderdeel uitmaken van het ontwerp bestemmingsplan. Bij de verwijdering van paden, (half)verhardingen en eventuele funderingsmaterialen wordt in het onderzoek aanbevolen om de milieuhygiënische- (en civieltechnische) kwaliteit van de onderliggende bodem te bepalen, alsook van de vrijkomende bouwstoffen, asfalt en grond. Het is aan te bevelen c.q. noodzakelijk om voorafgaand aan toekomstige activiteiten zoals graven en bouwen, bijvoorbeeld voor de realisatie van de weg, bodemonderzoek uit te voeren. Deze onderzoeken (in het kader van de omgevingsvergunning of voor het bepalen van arbeidshygiënische risico’s) zijn echter pas in een later stadium aan de orde.

4.7

WATER

4.7.1

Toetsingskader

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet stelt integraal waterbeheer centraal op basis van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen oppervlaktewater en het gebruik van water. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Waterwet eist dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt uitgevoerd volgens een door het waterschap vast te stellen projectplan, een waterstaatkundig besluit waartegen rechtsbescherming open staat. De Waterwet is opgenomen in de Omgevingswet.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 35

De integratie van de regelgeving uit de Waterwet in de Omgevingswet bestaat niet alleen uit het verplaatsen van artikelen uit de Waterwet naar de Omgevingswet. Met de opname in de Omgevingswet zijn de regels van de Waterwet gecombineerd met andere wetgeving over onder meer milieu, infrastructuur en bodem.

De Keur De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. In de Keur zijn verbodsbepalingen opgenomen, waarmee inbreuk van derden op het watersysteem kunnen worden voorkomen. Voor wijzigingen in de natte infrastructuur en voor obstakels en activiteiten op onderhoudsstroken langs leggerwateren kan in uitzonderingsgevallen een vergunning van de Keur worden verleend. Onder wijzigingen in de natte infrastructuur vallen o.a.: - De aanleg van nieuwe of het dempen van bestaande oppervlaktewaterlichamen; - Het wijzigen van het profiel van bestaande oppervlaktewaterlichamen; - Het verbinden van oppervlaktewaterlichamen; - Het aanbrengen van werken, zoals duikers, buizen, stuwen, steigers, bruggen en taludafwerking; - Het aanbrengen dan wel verwijderen van (opgaande) beplanting en boomgroepen. Het streefbeeld van de Omgevingswet is om de regels over de fysieke leefomgeving te bundelen in één regeling per overheidsniveau om zo de toegankelijkheid en het overzicht van deze regels te vergroten. Daartoe introduceert de Omgevingswet, naast het omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Provinciale staten resp. het algemeen bestuur van een waterschap dienen één omgevingsverordening resp.

waterschapsverordening vaststellen die regels bevatten over de fysieke leefomgeving. De waterschapsverordening heeft alleen betrekking op het watersysteem binnen het beheergebied van het waterschap en op wegen, voor zover die bij het waterschap in beheer zijn. Bij de inwerking treding van de Omgevingswet wordt de Keur omgezet naar een waterschapsverordening.

Waterschapsbeleid Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Roosendaal. Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 36

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van ruimtelijke (her)ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zoals het hydraulisch neutraal ontwikkelen. Aanvullend op de Keur heeft het waterschap haar eigen algemene regels vastgelegd in de “Algemene regels waterschap Brabantse Delta”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater” van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen maken bij het beoordelen van het toegenomen verhard oppervlak onderscheid in de mate van toename van het verhard oppervlak. De grenswaarden voor het toenemen aan verhard oppervlak waaraan getoetst wordt zijn: • < 500 m²; • Tussen de 500 m² en 10.000 m²; • 10.000 m². Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren.

Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen te worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Beleid gemeente Roosendaal Sinds 23 december 2019 geldt in de gemeente Roosendaal het verbreed gemeentelijk rioleringsplan Roosendaal 2020-2023 (VGRP). In het VGRP is het beleid opgenomen van de gemeente met betrekking tot het stedelijk water en het afvalwater. Hierin zijn de zorgplichten van de gemeente uitgewerkt tot ambities voor de komende jaren. In het VGRP zijn ook beleidsregels opgenomen die relevant zijn voor de herontwikkeling. Op particuliere percelen waarop een herontwikkeling wordt uitgevoerd is er een plicht om wateroverlast te voorkomen. Om dit te garanderen moet er bij de herontwikkeling een waterberging worden gerealiseerd van 60 mm voor het volledige toekomstig verhard oppervlak. Daarnaast als er wordt gekozen voor een vertraagde afvoer op de riolering dient het systeem er minimaal 24 uur over te doen om de volledige berging te lozen op het rioolstelsel van de gemeente.

4.7.2

Beoordeling

Huidige waterhuishouding Het plangebied is voornamelijk in gebruik als agrarische gronden. Binnen de huidige kom is het plangebied al in gebruik als bestaande infrastructuur. Ten tijde van droge of natte perioden zal het regenwater infiltreren dan wel verdampen binnen het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied/ grondwaterbeschermingszone, Keur beschermde gebieden en/of waterbergingsgebied. Enkele bestaande watergangen worden door het plangebied. Het betreft in totaal 12 B-watergangen en één A-watergang.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 37

Daarnaast lopen enkele watergangen parallel aan het plangebied. De ligging van deze watergangen is terug te vinden in de uitgebreide waterparagraaf, die als bijlage bij deze toelichting is toegevoegd.

Toekomstige waterhuishouding Afvalwater In het plangebied wordt de mogelijkheden qua nieuwe bebouwing niet uitgebreid. Indien eventueel sprake zou zijn van realisatie van een functie met afvalwater (recreatie), dan dient aangetoond te worden in de aanwezige riolering voldoende ruimte aanwezig is om het afvalwater te bergen. Nieuwe bebouwing maakt het bestemmingsplan echter niet direct mogelijk. Waterbezwaar regenwater De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe verbindingsweg, enkele aanpassingen aan de bestaande infrastructuur en een tunnel onder de bestaande spoorwegovergang door. In onderstaande tabel is de oppervlakteverdeling in de bestaande en toekomstige situatie opgenomen. Hieruit blijkt dat er een verhardingstoename is. Oppervlaktes

Huidige situatie [m2]

[Toekomstige situatie [m2]

Verharding (100% verhard) 22.320 44.540 Tunnelbak (100% verhard) 7.368 Landbouwgrond (0% verhard) 148.711 94.767 Water (0% verhard) 14.120 17.314 Groen (0% verhard) 36.683 57.575 Totaal 221.834 221.834 Verhard oppervlak 22.320 52.178 Met een toename van het verhard oppervlak van 29.858 m² valt de planontwikkeling binnen de grenswaarde van meer dan 10.000 m2. Vanuit de Algemene Regel van het waterschap Brabantse Delta is er een verplichting tot aanleg van een bergingsvoorziening. De gemeente Roosendaal hanteert echter een zwaarder wegend beleid voor watercompensatie. De gemeente gaat uit van het volledige toekomstig verhard oppervlak. Met een toekomstig verhard oppervlak van 52.178 m2 is er vanuit de gemeente een verplichting tot het aanbrengen van een bergingsvoorziening volgens de norm 60 mm/m2. Voor het plangebied is de volgende rekensom te maken: 52.178 m2 * 60 mm = 3.131 m3. Advies behandeling regenwater (RWA) De bergingsopgave zal invulling krijgen door naast de weg aan één en/of beide zijden een greppel aan te brengen. Het hemelwater van de verharding zal afstromen naar deze greppel. Door het opvangen en langzaam infiltreren van het regenwater naar het grondwater via de aangrenzende greppels wordt voorkomen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wijzigt. De greppel mag niet direct worden aangesloten op het oppervlaktewater van het waterschap.

Er moet namelijk een doorlaat worden gemaakt die het water afvoert met de norm van 1,5 l/s/ha. Daarnaast kan er ook worden gekozen om de greppel niet te koppelen met het oppervlaktewater en het water volledig te laten infiltreren in de bodem.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 38

Er is in het plangebied voldoende ruimte naast de weg beschikbaar om greppels aan te brengen. Aan de waterbergingseis kan volledig invulling worden gegeven. Bij een verdere uitwerking van het plan dient de berging meer gedetailleerd te worden gedimensioneerd. Advies kruisingen met oppervlaktewater De nieuwe verbindingsweg zal het bestaande oppervlaktewater in enkele situaties kruisen. Het is noodzakelijk dat het bestaande watersysteem niet wordt gescheiden. De bestaande B-watergangen worden verbonden met een duiker. Bij de bestaande A-watergang wordt een brug aangelegd. Advies tunnelbak Voor de oversteek van de weg met het spoor zal een tunnel onder het spoor worden aangelegd. Het hemelwater in de grotendeels open tunnelbak kan verpompt worden naar een buffer waaruit het zal infiltreren en afvoeren naar het watersysteem van het waterschap. Een andere optie is, in overleg met de gemeente, afvoer van het hemelwater naar het gemeentelijk rioolstelsel. Advies oppervlaktewater Voor deze ontwikkeling moeten enkele watergangen plaatselijk worden gedempt. Vanuit het waterschap geldt het beleid dat elke m3 gedempte berging moet worden gecompenseerd in het watersysteem van het waterschap. Dit kan door het graven van nieuwe A/B-watergangen en/of het verbreden van bestaande watergangen.

4.7.3

Conclusie

In het kader van het verbeteren van de ontsluiting voor de wijk Tolberg is gekozen voor de aanleg van een nieuwe verbindingsweg, tussen het gebied De Bulkenaar en de wijk Tolberg ten zuidwesten van Roosendaal. Door de ontwikkeling is er sprake van een verhardingstoename van 29.858 m3. Het totaal toekomstig verhard oppervlak bedraagt 52.178 m2. Op basis van het maatgevende beleid van de gemeente Roosendaal is een watercompensatie nodig van 3.131 m3. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar waarin deze waterberging kan worden aangebracht door greppels langs één en/of beide zijden van de randweg. Om te voldoen aan de watertoets dient deze waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta en aan de gemeente Roosendaal voor een wateradvies. De uitkomsten hiervan worden te zijner tijd verwerkt in deze toelichting.

4.8

FLORA EN FAUNA

4.8.1

Quickscan Flora en Fauna

Toetsingskader De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 39

Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving. Door Eco Assist is een quickscan Flora- en Faunawetgeving uitgevoerd. Doel van deze quickscan is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis deze hebben voor de verdere uitvoering van het initiatief. Verder wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hierna kort samengevat.

Beoordeling gebiedsbescherming Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’ ligt op ongeveer 4 kilometer ten westen van het plangebied. Vanwege de afstand tussen het plangebied en dit beschermde natuurgebied zijn negatieve effecten door geluidsverstoring, visuele verstoring of verdroging als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Gezien de afstand en de aard en duur van de werkzaamheden worden negatieve effecten van stikstofuitstoot en -depositie op daarvoor gevoelige habitattypen en de leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen als nihil ingeschat. Sinds 1 juli 2021 is daarnaast de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt. Op het aspect stikstof in de gebruiksfase wordt in paragraaf 4.9 nader ingegaan. Bij de Rissebeek doorkruist het plangebied het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De weg kruist op hoogte met behulp van een brug de NNB. Het oostelijke deel van het plangebied grenst aan het NNB, maar doorkruist deze niet. Verlichting van de weg, zowel in de aanleg- als gebruiksfase, kan leiden tot verstoring van nachtactieve dieren.

Bemaling tijdens de aanleg van de weg en spoortunnel kan leiden tot verdroging van het NNB. Een nadere toetsing in de vorm van een effecttoets (Nee-tenzij-toets) is noodzakelijk (zie volgende subparagraaf).

Beoordeling soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig die mogelijk gekapt dienen te worden ten behoeve van de ingreep en die onderdeel uitmaken van een rijbeplanting van tenminste 20 bomen. Het betreft de zomereiken aan het Roosendaalswegje en de Thorbeckelaan. Doordat deze bomen buiten de bebouwde kom staan en niet uitsluitend bestaan uit populieren of wilgen is er sprake van effecten op bomen, die vallen onder het gedeelte beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is hierdoor op deze bomen van toepassing. De bomen aan de Willem Dreesweg zijn alle populieren, die wel vrijgesteld zijn van de bescherming als houtopstand onder de Wet natuurbescherming (Wnb).

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 40

Bij de civiel technische uitwerking van de verbindingsweg dient rekening te worden gehouden met de ‘hoofdgroenstructuur’ van de gemeente Roosendaal, zoals deze is opgenomen op de bomenkaart. Als een rijbeplanting van tenminste 20 bomen dient te worden gekapt, dan dient hiervoor mogelijk in het kader van de Wnb of toekomstige Omgevingswet een vergunning te worden aangevraagd. Planten Er zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen in het plangebied of omgeving. Er zijn ook geen groeiplaatsen aanwezig voor beschermde muurplanten. Vogels De steenuil is bekend uit de omgeving van het plangebied. Nest-indicerend gedrag is waargenomen bij de Oostlaarstraat ten noorden van de A58. Door de afstand tot het plangebied en de tussengelegen snelweg is niet te verwachten dat eventueel daar nog broedende steenuilen een essentieel leefgebied hebben binnen het plangebied. Het is op basis van het uitgevoerde Flora en Fauna onderzoek niet uit te sluiten of er territoria van steenuilen aanwezig zijn bij de boerderijen welke dichter bij de toekomstige weg gelegen zijn. De kerkuil is niet bekend uit de NDFF maar het plangebied en de omgeving daarvan is wel potentieel geschikt als nestplaats voor de kerkuil. Daarnaast kunnen in de omliggende boerderijen nestplaatsen van de kerkuil aanwezig zijn. De grote gele kwikstraat is bekend uit de omgeving van het plangebied.

Waarnemingen uit 2019 concentreren zich rondom het brugje bij het Molenbeekpad. Geschikte broedplekken voor de grote gele kwikstaart, welke vaak onder bruggen, in nissen of tussen boomwortels op oevers broedt van stromende beken of kanalen, zijn niet aanwezig binnen het plangebied of binnen de verstoringszone van de werkzaamheden. De aanwezigheid van nesten van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 is redelijkerwijs uitgesloten in het plangebied. Buizerds, gierzwaluwen, haviken, huismussen, kerkuilen, ooievaars, sperwers, en torenvalken kunnen gebruik maken het plangebied om te foerageren. Door het ontbreken van bijzonder waardevol foerageergebied voor deze soorten in het plangebied ten opzichte van het omliggende gebied is er ook geen sprake van functioneel leefgebied van deze soorten binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten dan ook niet waargenomen in het plangebied. Verder kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in landelijk gebied en bosschages gebied broeden, zoals kievit, houtduif en merel. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en verblijfplaatsen uit categorie 1 t/m 4 is binnen het plangebied uitgesloten. De voorgenomen ingreep heeft daarnaast geen negatief effect op functioneel leefgebied van dergelijke broedvogelsoorten.

Enige uitzondering daarop zijn de steenuil en kerkuil. Als deze vaste rust- en verblijfplaatsen hebben in of nabij de boerderijen nabij het plangebied kan het plangebied onderdeel uitmaken van hun functioneel leefgebied. Dat is het leefgebied dat noodzakelijk is voor het goed functioneren van de nestplaatsen. Steenuilen moeten al hun voedsel kunnen verzamelen in een straal van 500 m rondom hun nestplaats.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 41

De nieuwe ontsluitingsweg kan leiden tot ruimtebeslag op het foerageergebied en versnippering daarvan. Daarnaast kan het risico op aanrijdingen sterk toenemen ten gevolge van de toename in verkeersdrukte. Kerkuilen kunnen tot meer dan 5 km van hun nestplaats verwijderd foerageren. Daarmee zijn significante effecten van de weg op foerageergebied van deze soort redelijkerwijs uitgesloten. Wel kan de weg leiden tot verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de kerkuil als deze aanwezig zijn binnen 75 m van de grenzen van het plangebied. Met name in de rustige gebieden is het daarmee wenselijk een nader onderzoek naar de kerkuil uit te voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten op minder dan 75 m van het plangebied aan te tonen dan wel uit te sluiten. Voor te verwachten soorten uit categorie 5 zijn in de directe nabijheid van het plangebied voldoende alternatieve nestmogelijkheden aanwezig die niet verloren gaan ten gevolge van de voorgenomen ingreep. Vleermuizen Het wordt uitgesloten dat het plangebied essentieel foerageergebied is voor vleermuizen. Er zijn in het plangebied geen gebouwen aanwezig. De bomen in het plangebied zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn dan ook uitgesloten.

Wel zijn mogelijk vaste vliegroutes aanwezig, namelijk de eikenlanen bij het Roosendaalswegje en de Thorbeckelaan, de populieren aan de Willem Dreesweg en de Rissebeek. Als de bomen worden gekapt of meer aangelicht worden dan in de huidige situatie, kunnen deze vliegroutes ongeschikt worden. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van vaste vliegroutes van vleermuizen is in dat geval noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek van de meeste beschermde grondgebonden zoogdieren geen sporen aangetroffen die wijzen op hun aanwezigheid. Sommige soorten kunnen wel voorkomen. Kleine marterachtigen zijn lastig waar te nemen. Dichte begroeiing rondom de agrarische percelen, de Rissebeek en de houtwallen zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen. De aanwezigheid van deze soorten kan daarom niet worden uitgesloten. De houtwallen en delen met ruigtevegetaties kunnen ook dienstdoen als vaste rust- en verblijfplaatsen van de wezel, hermelijn en bunzing. Door de voorgenomen ontwikkeling kunnen deze functies verdwijnen. Het plangebied is ook marginaal geschikt voor verschillende soorten waarvoor in Noord-Brabant een provinciale vrijstelling geldt, zoals de egel en verschillende soorten (spits)muizen. Reptielen De aanwezigheid van beschermde reptielen is uitgesloten in het plangebied.

Amfibieën De aanwezigheid van beschermde amfibieën is uitgesloten in het plangebied. Vissen De aanwezigheid van beschermde vissoorten is uitgesloten in het plangebied. Vlinders en libellen De aanwezigheid van beschermde vlinders en libellen is uitgesloten in het plangebied.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 42

Overige ongewervelden De aanwezigheid van beschermde overige ongewervelden is uitgesloten in het plangebied.

Conclusie De ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant. Het is noodzakelijk een nee-tenzij-toets uit te voeren. Sommige in het gebied voorkomende bomen zijn beschermd. De kap van deze bomen moet worden gemeld en er geldt een herplantingsplicht binnen drie jaar na kap van de bomen. Aanvullend onderzoek naar steenuilen, kerkuilen, vleermuizen en kleine marterachtigen is noodzakelijk en is gereed. De resultaten van dit onderzoek zijn in de volgende sub-paragraaf opgenomen.

4.8.2

Nader onderzoek, in kader van de Wet natuurbescherming

Toetsingskader In de Quickscan Flora en Fauna is aangegeven dat de voorgenomen werkzaamheden mogelijk een negatief effect kunnen opleveren voor de steenuil, kerkuil, kleine marterachtigen en vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort daadwerkelijk gebruik maakt van het projectgebied en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Het onderzoek naar de steenuil heeft plaatsgevonden in het broedseizoen van 2023. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in het voorjaar en de kraamperiode van 2023. Het nader onderzoek naar marterachtigen heeft meegelopen met de andere onderzoeken, daarnaast heeft monitoring met wildcamera’s plaatsgevonden in de voortplantingsperiode van 2023. De onderzoeksrapportage, uitgevoerd door Eco-assist, is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hierna kort samengevat.

Beoordeling •

• • • • •

Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten of territoria van de steenuil en kerkuil aangetroffen. De aanwezigheid daarvan in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van bunzing, hermelijn en wezel is binnen het plangebied eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis, maar betreft geen essentieel foerageergebied. Het Roosendaalsbaantje en de Willem Dreesweg vormen beschermde vaste vliegroutes voor gewone dwergvleermuizen. Met de uitvoering van de ingreep wordt de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden met betrekking tot de aantasting van essentiële vliegroutes van de gewone dwergvleermuis. Binnen het plangebied zijn geen bijzondere natuurwaarden of functies voor beschermde soorten aangetroffen welke niet te behouden dan wel te effectief te mitigeren zijn. Daarmee vormt het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 43

Aanbevelingen • Voor de aanleg van de verbindingsweg dient een mitigatieplan opgesteld te worden met maatregelen waarmee negatieve effecten op de vaste vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, en daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming, zoveel mogelijk voorkomen worden. Hierin dient tevens vastgelegd te worden op welke wijze bij de ingreep rekening gehouden wordt met het broedseizoen van algemene broedvogels en hoe invulling wordt gegeven aan de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (Artikel 1.11). • Het is aan te bevelen bij de mitigatie gebruik te maken van bewezen effectieve maatregelen uit het kennisdocument voor de gewone dwergvleermuis van BIJ12 (BIJ12, 2017). Bij gebruikmaking van deze maatregelen uit het kennisdocument is de kans het grootst dat ontheffing wordt verleend voor het onderdeel soortbescherming en de maatregelen als voldoende geacht worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Conclusie Het aspect ‘Flora en Fauna’ vormt geen belemmering voor de haalbaarheid.

4.8.3

Nee-tenzij-toets

Toetsingskader Uit quickscan Flora en Fauna blijkt dat het plangebied deels binnen en/of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt. Als gevolg hiervan kan er sprake zijn van negatieve effecten ten gevolge van externe werking van werkzaamheden, of gebruik, in het gedeelte van het plangebied nabij het NNB. Het NNB is het Brabantse gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hierdoor is het noodzakelijk om in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een Nee-tenzijtoets uit te voeren. Eco Assist heeft deze toets uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hierna kort samengevat.

Beoordeling De ingreep vindt grotendeels plaats buiten het NNB. Ten gevolge van de ingreep vindt mogelijk een tijdelijke verstoring plaats in een beperkt gedeelte van het totale gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNB ter hoogte van de Kleine Aa. Wel is het belangrijk dat verdroging van de hier aanwezige gevoelige natuurtypen ‘N16.04 Vochtig bos met productie’ en ‘N03.01 Beek en Bron’ wordt voorkomen. Mogelijk dienen daartoe extra compenserende maatregelen getroffen te worden als effecten met het optimaliseren van de bemalingsmethode niet voorkomen kunnen worden. Daarnaast leidt de uitbreiding van de weg tot ruimtebeslag op een gedeelte van het NNB met een oppervlakte van 0,06 ha met natuurbeheertype N16.04 Vochtig bos met productie. In overleg met de provincie is besloten om dit financieel te compenseren. Bij het kruisen van het tracé met de Rissebeek zijn negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB ook niet uitgesloten. De beek zelf heeft hier momenteel een onnatuurlijk karakter met steile oevers en op de oevers een vegetatie van algemene soorten van voedselrijke omstandigheden. Ook het kruiden- en faunarijkgrasland is nog erg voedselrijk en nog niet erg kruiden- en faunarijk. Hierdoor zijn negatieve effecten op het NNB nog relatief eenvoudig te mitigeren door een herbegrenzing van het NNB waarmee ruimtebeslag wordt gecompenseerd.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 44

De beek kan worden ontzien door het toepassen van een overgang in plaats van de aanleg van een duiker. Als de overgang ruim vormgegeven wordt zodat ook de oevers doorlopen en uitstraling van de verlichting naar de beek voorkomen wordt, worden versnipperende effecten van de weg sterk beperkt. Omdat de weg door het NNB komt te liggen op een plaats waar nu weinig verstoring aanwezig is en nauwelijks verstoring door geluid en verlichting is het noodzakelijk de uitstraling van verlichting en geluid naar het NNB te beperkten. Anders zijn significant negatieve effecten op de kwaliteit van het NNB als leefgebied voor planten maar natuurlijk voornamelijk dieren niet uitgesloten. Wel is de verwachting dat met maatregelen deze effecten sterk beperkt worden.

Conclusie De exacte effecten van de verbindingsweg op het NNB kunnen nader bepaald worden als het ontwerp van de weg verder uitgewerkt is en ook het bemalingsadvies is opgesteld. Naar verwachting zijn compenserende maatregelen noodzakelijk om de negatieve effecten op het NNB zoveel mogelijk te voorkomen. In overleg met de provincie is besloten om de oppervlakte financieel te compenseren.

4.8.4

Mitigatieplan

Uit de uitgevoerde ecologische onderzoeken is naar voren gekomen dat de aanleg van de verbindingsweg mogelijk negatieve effecten heeft op de vaste vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, laatvliegers en ruige dwergvleermuizen. Er is dan sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming (per 1 januari 2024 de verbodsbepalingen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving). Daarom is een omgevingsvergunning benodigd, waarvoor een mitigatieplan is opgesteld. Het mitigatieplan “Mitigatie en compensatie voor de vliegroute van de gewone dwergvleermuis” is als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd. De conclusies van het onderzoek worden hieronder weergegeven. Uit het mitigatieplan blijkt dat diverse maatregelen noodzakelijk zijn alvorens met de aanleg van de verbindingsweg mag worden begonnen, zoals: - Werken buiten kwetsbare periodes - Alternatieve vliegroutes aanbieden - Vermijden lichtverstoring - Opstellen ecologisch werkprotocol - Geen werkzaamheden uitvoeren na zonsondergang en voor zonsopkomst. - Alle werkzaamheden die een negatief effect kunnen hebben op de gewone dwergvleermuis moeten aantoonbaar worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van de gewone dwergvleermuis. - De deskundige stelt een ecologisch werkprotocol op.

- Voordat de ingreep plaatsvindt dient een ontheffing in het kader van de Omgevingswet te worden aangevraagd en te worden goedgekeurd. Om te voorkomen dat bomen, die onderdeel zijn van de essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis, worden gekapt zonder dat de ontheffing is verleend en aan de voorwaarden is voldaan, is een verbodsbepaling opgenomen.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 45

4.9

STIKSTOF

4.9.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb, per 1 januari 2017) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. Voor de Wet natuurbescherming heeft de Europese regelgeving als uitgangspunt gediend. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend.

4.9.2

Beoordeling en conclusie

Bijna in alle Natura 2000-gebieden zijn beschermde habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor stikstof. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming. Om de eventuele toename van de stikstof te kunnen berekenen is gebruik gemaakt van het softwareprogramma AERIUS. Er is onderzoek verricht naar de gebruiks- en realisatiefase van de verbindingsweg Tolberg. Beide stikstofonderzoeken zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er op Nederlandse Natura 2000-gebieden geen bijdrage aan de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend.

4.10

CULTUURHISTORIE, ARCHEOLOGIE EN MONUMENTEN

4.10.1 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waardenkaart In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig zijn. Uit navolgende uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie blijkt dat het plangebied ligt binnen enkele cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Het provinciaal cultuurhistorisch belang bestaat uit 5 kaartlagen: regio's, cultuurhistorische landschappen, cultuurhistorische vlakken, archeologische landschappen en complexen van cultuurhistorisch belang. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit en om de meest waardevolle gebieden en ensembles.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 46

Regio Het plangebied ligt binnen ‘West-Brabantse Venen’. In de periode 1250-1750 hebben hier grootschalige veenafgravingen plaatsgevonden. Dit heeft de bewoningsgeschiedenis en de inrichting en vormgeving van het huidige landschap in belangrijke mate bepaald. Roosendaal ontwikkelde zich tot een groot handelscentrum. Door de turfvaarten ontstonden lange, rechte bomenrijen. De gronden rondom de stad werden steeds meer als landbouwgrond gebruikt. Het stedelijk gebied van Roosendaal is vooral bepaald door de omliggende rijks- en spoorwegen en minder door een relatie met het omliggende cultuurlandschap. Buiten het stedelijk gebied is nog steeds sprake van een sterk agrarisch karakter.

Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant

Overige cultuurhistorische informatie Enkele van de wegen die worden doorkruist door de nieuwe verbindingsweg, zoals de Huijbergseweg en het Roosendaalswegje, zijn lijnen van redelijk hoge waarde. Voor beide wegen geldt dat het gaat om de historische bomenrijen die langs de weg liggen. Met onderliggend plan verdwijnen wel enkele van de bomen, maar de bomenrijen zelf blijven behouden, zij het dus met een korte onderbreking. Ook de Thorbeckelaan, waarbij aansluiting wordt gevonden door de nieuwe weg, geldt als lijn van redelijk hoge waarde. De aanpassingen hieraan vinden vooral plaats in het gebruik ervan, waarbij de weg wordt herontwikkeld naar een fietspad. De ruimtelijke structuur blijft gehandhaafd.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.10.2 Archeologie Toetsingskader In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 47

De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden.

Beoordeling Ten behoeve van de ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Hierna volgt een samenvatting van het onderzoek. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart gemaakt. De archeologische verwachting is gebaseerd op de landschappelijke ligging en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen. In het plangebied worden een dekzandrug, terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand, twee beekdalen, historische wegen en twee historische erven verwacht. Ter plaatse van de dekzandrug geldt een hoge archeologische verwachting op archeologische resten/of sporen uit de periode Laat-Paleolithicum-Late-Middeleeuwen. Ter plaatse van de terrasafzettingswelvingen bedekt met dekzand geldt een middelhoge archeologische verwachting, theoretisch gezien vanaf het Midden-Paleolithicum. In de omgeving van het plangebied zijn nog geen vondsten van Midden-Paleolithicum bekend, maar wel vondsten en/of sporen uit het Neolithicum, de IJzertijd/Romeinse Tijd, Romeinse Tijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Deze zijn gerelateerd aan het voorkomen van hogere terreindelen, al dan niet in de nabijheid van een beekdal. In het plangebied worden twee beekdalen verwacht, het dal van de Rissebeek en de Molenbeek.

Ter plaatse van de beekdalen geldt een lage archeologische verwachting op nederzettingen. Wel kunnen verdedigingswerken en water-gerelateerde vondsten aanwezig zijn, zoals visfuiken, boten en rituele deposities. Hiervoor geldt een middelhoge archeologische verwachting. Aanwijzingen voor oversteekplaatsen zijn er op basis van historische kaarten echter niet.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 48

Bron: Transect

Op basis van historische kaarten worden ten slotte twee historische erven in het plangebied verwacht. Hier is de archeologische verwachting op huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd en mogelijk de Late-Middeleeuwen hoog. Archeologische resten worden verwacht direct onder de A-horizont (vermoedelijk 30 cm -Mv, bij hoge enkeerdgronden vanaf 50 cm -Mv). In welke mate nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Ter plaatse van de ontgrondingen kan het archeologische niveau al verstoord zijn geraakt. Afhankelijk van de diepte van de verstoring kunnen mogelijk nog wel diepe grondsporen aanwezig zijn. Met de aanleg van de huidige wegen kan de bodemopbouw zijn aangetast, maar tot op welke diepte is niet bekend omdat geen aanlegtekeningen voorhanden zijn. Ter plaatse van de sloten naast de bestaande wegen is het archeologische niveau vermoedelijk al aangetast. Hierna zijn kort de adviezen uit het onderzoek weergegeven: • Ter plaatse van de dekzandrug wordt geadviseerd een dubbelbestemming archeologie op te nemen met een onderzoeksgrens van 500 m2 en dieper dan 30 cm-mv. • Ter plaatse van de terrasafzettingswelvingen met dekzand wordt geadviseerd een dubbelbestemming archeologie op te nemen met een onderzoeksgrens van 1000 m2 en dieper dan 30 cm-mv.

• Ter plaatse van het beekdal wordt geadviseerd een dubbelbestemming archeologie op te nemen met een onderzoeksgrens van 1000 m2 en dieper dan 30 cm-mv. • Ter plaatse van de historische huisplaatsen wordt geadviseerd om een dubbelbestemming archeologie op te nemen met een onderzoeksgrens van 50 m2 en dieper dan 30 cm-mv.

Conclusie De voorgenomen ingrepen zijn in alle archeologische verwachtingszones gepland. Met de voorgenomen ingrepen bestaat de kans dat eventuele archeologische resten en/of sporen worden verstoord. Daarom wordt daarvoor een vervolgonderzoek aanbevolen. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd langs het gehele tracé (3,4 km) als een verkennend booronderzoek dat als doel heeft om de opbouw en de mate van intactheid van de bodem in kaart te brengen. Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek kan de archeologische verwachting waar mogelijk worden bijgesteld.

4.11

M.E.R.-BEOORDELING

Toetsingskader Een bestemmingsplan kan in Nederland op twee manieren m.e.r.-plichtig worden, namelijk op grond van het Besluit m.e.r. en wanneer voor het plan een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Omdat het bestemmingsplan dat door de gemeente Roosendaal vastgesteld gaat worden moet voldoen aan de Nederlandse wetgeving, vindt toetsing van het bestemmingsplan aan deze wetgeving plaats. Besluit m.e.r. Om te bepalen of een plan m.e.r.-plichtig is op grond van het Besluit m.e.r., moet eerst beoordeeld worden of de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt een activiteit is als genoemd in de onderdelen C of D van de bijlage van het Besluit m.e.r..

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 49

In onderdeel C 1.2 is de aanleg van een autosnelweg of autoweg en in onderdeel C 1.3 de aanleg van een weg met vier of meer rijstroken als activiteit genoemd. In onderdeel D is alleen de wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg (onderdeel D 1.1.) dan wel van een weg een weg bestaande uit vier of meer rijstroken of verbreding van een weg tot een weg met vier of meer rijstroken (onderdeel D 1.2) als activiteit opgenomen. De nieuwe verbindingsweg betreft in ieder geval geen autosnelweg en evenmin een weg bestaande of vier of meer rijstroken. Beoordeeld is verder of de verbindingsweg moet worden gekwalificeerd als een autoweg. Daar is geen sprake van. Om als autoweg aangemerkt te worden dient de weg onder andere door verkeerslichten geregelde kruispunten te bevatten. De kruispunten op de verbindingsweg hebben dat niet. De ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan verbindingsweg Tolberg geen activiteit mogelijk maakt zoals opgenomen in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Daarmee is een verdere toetsing aan het Besluit m.e.r niet nodig. Voor het bestemmingsplan behoeft dan ook geen MER te worden opgesteld op grond van het Besluit m.e.r.

Stantec | 20220287 Bestemmingsplan Verbindingsweg Tolberg 50

5.0

VISIE OP HET PLANGEBIED

5.1

INLEIDING

Dit hoofdstuk gaat allereerst in op de bereikbaarheid van de wijk Tolberg en noodzaak van de aanleg van de verbindingsweg. Daarna wordt de uitgevoerde Tracestudie van de verbindingsweg beschreven en volgt een onderbouwing van de voorkeursvariant. In de paragraaf 'omschrijving plan' wordt de voorgenomen ontwikkeling allereerst in zijn geheel beschreven, waarna specifiek wordt ingegaan op verschillende deelgebieden (lees: kruispunten) van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1657/documents/45115