Bijlage Stadsoevers - toelichting.pdf
Tekst van het document
3.2.2 Verkeer en infrastructuur Infrastructuur Het plangebied wordt in hoofdzaak ontsloten vanaf de Jan Vermeerlaan /Borchwerf en via de Kade vanaf de Burgemeester Freijterslaan. Door een plaatselijk verbod voor vrachtverkeer op de Jan Vermeerlaan, tussen de Van Goghstraat en Scherpdeel, wikkelt een belangrijk deel van het verkeer zich in de huidige situatie af via de Industriestraat en Westelijke Havendijk in noordelijke richting, onder meer in de richting van afrit 20 op de A17 (Industrieterrein Borchwerf). Daarnaast wikkelt het verkeer zich via de Kade af in de richting van afrit 19 op de A17 (Roosendaal West) en afrit 23 op de A58 (Roosendaal Oost). In de huidige situatie geldt in het plangebied formeel een 50 km/h-regime en wordt het langzaam verkeer, in afwijking van de richtlijnen van Duurzaam Veilig, gemengd met het autoverkeer
23 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
afgewikkeld. Binnen of aan de rand van het plangebied is geen openbaar vervoer aanwezig. Daarnaast is overal in het plangebied sprake van langsparkeren op de rijbaan en op eigen terrein. Openbaar vervoer Binnen of aan de rand van het plangebied is geen openbaar vervoer aanwezig. Op loopafstand van het plangebied (150 – 600 m) ligt een bushalte aan de Van Goghlaan waar stadsbus 31 (Westrand-Kortendijk) een halte heeft met een halfuursfrequentie. Daarnaast passeert buslijn 35 (Station NS – Belder – Keulsveld) tijdens de spitsuren met een halfuursfrequentie. De halte Burgemeester Freijterslaan (nabij Kade) wordt aangedaan door streeklijn 122 (BoZ - Breda) 1 maal per uur, stadslijn 33 (Oud Gastel – Ziekenhuis – Tolberg West) 2 maal per uur en buurtbus 191 (Station NS –Bergen op Zoom) 1 per uur. Het NS-station is hemelsbreed op korte afstand gelegen (400-800 m). De spoorlijn vormt ogenschijnlijk een barrière naar het station. Voor autoverkeer is het station te benaderen via de spoorwegovergang van de Kade (afstand 1.100-1.800 m). Voetgangers kunnen de passerelle gebruiken, die speciaal is gerealiseerd als verbinding tussen de binnenstad en Stadsoevers. Fietsverkeer In de huidige situatie maakt veel fietsverkeer gebruik van het plangebied. Dit zijn logisch gezien de belangrijke toeleidingswegen naar het centrumgebied. Daarnaast zorgt het ROC voor aanzienlijke fietserstromen.
Deze maken vooral gebruik van de Jan Vermeerlaan /Borchwerf, Scherpdeel en de Kade. Parkeren Door het ruime profiel van diverse wegen in het plangebied, kan er langs de weg worden geparkeerd. De meeste parkeergelegenheid is gesitueerd op de bedrijfspercelen zelf. Belangrijk is voorts de grootschalige parkeervoorziening nabij het Herstaco-stadion. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid laat te wensen over. Immers, het gecombineerde gebruik door vrachtverkeer en langzaam verkeer, heeft conflictsituaties tot gevolg. Daarnaast is het wegonderhoud voor een gedeelte achterstallig, hetgeen nadelig is voor een veilige verkeersafwikkeling. 3.2.3 Groen, water en ecologie Het plangebied ligt in het stedelijk weefsel van Roosendaal en beslaat voornamelijk een bedrijventerrein, plaatselijk afgewisseld met groen. Het oostelijke en westelijke deel van het plangebied wordt gescheiden door de Roosendaalse Vliet. Groen De Roosendaalse Vliet, Scherpdeel en Wipwei bepalen het ruimtelijk karakter van het plangebied. Roosendaalse Vliet De Roosendaalse Vliet is een oude historische lijn in het plangebied. De lijn wordt begeleid door bomenrijen. Het water in de Roosendaalse Vliet stroomt in noordelijke richting de stad uit en mondt uit op het Volkerak. De Roosendaalse Vliet heeft sterk ingeboet aan economische waarde.
De bedrijfsmatige betekenis van de Roosendaalse Vliet is nagenoeg geheel verloren gegaan. Scherpdeel Het Scherpdeel bepaalt de westelijke grens van het plangebied. Doordat de achterzijde van de woningen in west grenst aan het Scherpdeel is deze zijde met groen afgeschermd van het plangebied. Er bevindt zich een brede watergang met groene grasbermen en aansluitend bosschages. Wipwei De Wipwei betreft een voormalig bedrijvenperceel, dat reeds lange tijd niet is bebouwd. Het perceel is omzoomd met enkele bomen. Het perceel is voorzien van een grasmat die regelmatig wordt gemaaid. Openbare ruimte De openbare ruimte in het plangebied is uiterst efficiënt en doelmatig ingericht. De representativiteit is laag. Op enkele plaatsen is begeleidende beplanting aanwezig. De ruimtelijke vitaliteit van de openbare ruimte is nog maar zeer beperkt.
24 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Water Bodemsoort De deklaag in het plangebied heeft een dikte variërend van 0 tot 15 m en bestaat uit fijn, leemhoudend en humeus zand. De bodem is tot op een diepte van circa 5 m onder het maaiveld doorlatend. De bodem en de ontwateringsdiepte zijn niet geschikt om afgekoppeld water te kunnen infiltreren in de bodem. Maaiveldhoogte en grondwater De maaiveldhoogte van het plangebied varieert tussen NAP +1,5 m en NAP +3,0 m. Het gebied ligt niet in grondwaterbeschermingsgebied. De grondwaterstroming vindt plaats in de richting van de Nieuwe Roosendaalse Vliet. Deze heeft een drainerende werking op het plangebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland geldt ter plaatse van het plangebied grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hier van nature varieert tussen 0,4 m en 0,8 m onder het maaiveld, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m onder het maaiveld ligt. Momenteel treedt in het plangebied periodiek wateroverlast op. Oppervlaktewater Het plangebied ligt in vrij afwaterend gebied; waterstanden worden niet gereguleerd door middel van gemalen. Centraal in het plangebied ligt de Roosendaalse Vliet, deze gaat ten noorden van het plangebied over in het Mark-Vlietkanaal. De afvoer van overtollig oppervlaktewater vindt plaats in noordelijke richting.
De Roosendaalse Vliet heeft een functie voor de scheepvaart, de waterbodem is in 2008 gebaggerd. Aan de noordwestzijde van het plangebied bevindt zich de Molenbeek, die in het verleden deels is gedempt. Direct ten zuiden van het plangebied vervolgt de Molenbeek haar oorspronkelijke loop. De waterkwaliteit van het oppervlaktewater is onbekend. In het plangebied wordt momenteel jaarrond een waterpeil van NAP +0,4 m gevoerd. Riolering Het plangebied ligt in de rioleringsgebieden A1, A2, A3 en E1. De gemeente Roosendaal is beheerder van het rioolstelsel. Het riool in het plangebied bestaat grotendeels uit een gemengd stelsel, enkel rioleringsgebied A2 bestaat uit een gescheiden stelsel. Zowel de Roosendaalse Vliet als de Molenbeek ontvangen water van riooloverstorten van het gemengde rioolstelsel. 3.3 Functionele analyse van het gebied 3.3.1 Functionele hoofdstructuur Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie de volgende functies te onderscheiden: <0000> industrie en bedrijvigheid; <0000> wonen; <0000> maatschappelijke voorzieningen; <0000> water en groen. 3.3.2 Industrie en bedrijvigheid Het plangebied is te omschrijven als een ouder bedrijventerrein met een gemêleerd karakter. In het noordoosten grenst het plangebied aan het bedrijventerrein Borchwerf, aan de westzijde aan de woonwijk West en aan de oostzijde aan het spooremplacement.
Het plangebied wordt gekenmerkt door een verouderde bedrijfsstructuur. De gevestigde bedrijven variëren van milieucategorie 1 tot en met 4, waarbij de zwaardere bedrijven met name aan de oostzijde van het plangebied zijn of waren gevestigd. De bedrijvigheid bestaat nagenoeg geheel uit industrie, overslag en /of groothandelsbedrijven, distributiebedrijven en opslag. Enkele bedrijven zijn voorzien van een bedrijfswoning. Ten oosten van het plangebied zijn het voormalige Wubbenterrein en Herstaco-stadion met bijbehorende kantoren gelegen. 3.3.3 Wonen Aan de kruising Scherpdeel /Jan Vermeerlaan is het woonwagencentrum Scherpdeel gelegen. Dit woonwagencentrum is gerealiseerd in 1986 en omvat vier standplaatsen.
25 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
3.3.4 Maatschappelijke voorzieningen Aan de zuidoostzijde van het plangebied is het Kellebeekcollege gesitueerd. Het gebouw biedt plaats aan een school voor middelbaar beroepsonderwijs, een gezondheidscentrum en aan een kinderdagverblijf. 3.3.5 Water en groen Centraal in het plangebied stroomt de Roosendaalse Vliet via het Kadeplein en de Zwaaikom in noordelijke richting de stad uit, om vervolgens uit te monden op het Volkerak. In de Jan Vermeerlaan is een beweegbare brug over de Roosendaalse Vliet opgenomen. De Roosendaalse Vliet heeft een beperkte functie voor de scheepvaart. Aan de westzijde van het plangebied ligt langs Scherpdeel een groen- en waterzone. Deze zone heeft een functie als waterberging en als ecologische verbinding.
26 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Hoofdstuk 4 Onderzoeken Het plangebied heeft te maken met milieubelasting vanuit diverse aspecten. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn vooral de aspecten geluidshinder, geurhinder van bedrijven en externe veiligheid. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft in het kader van het bestemmingsplan Stadsoevers diverse onderzoeken uitgevoerd. Deze zijn opgenomen in bijlage 1 tot en met 4 bij deze toelichting. In dit hoofdstuk komen de relevante conclusies voor het bestemmingsplan aan de orde. Daarnaast is ook de toetsting aan de Ladder voor duurzame verstedelijking in dit hoofdstuk opgenomen. 4.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of vice versa: <0000> een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; <0000> rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt. Onderzoek Omgevingstype plangebied Het plangebied sluit aan bij de bestaande woningen. Daarnaast is er sprake van een duidelijke scheiding tussen het woongebied en de bedrijven door de Jan Vermeerlaan en door de Westelijke en Oostenlijke Havendijk. Het grootste gedeelte van het gebied is daarom aan te merken als een rustige woonwijk. De geprojecteerde woningen in het noorden van het plangebied liggen echter direct langs de hoofdinfrastructuur, waardoor het omgevingstype gemengd gebied als uitgangspunt kan worden gehanteerd.
Het omgevingstype gemengd gebied kan tevens worden gehanteerd voor het zuidelijk deel van het plangebied en de directe omgeving van de havenkom. In het zuidelijk deel van het plangebied is door de aanwezigheid van diverse functies namelijk sprake van een gemengd gebied. In de directe omgeving van de havenkom wordt gestreefd naar functiemenging. Richtafstanden bedrijven In de omgeving van het plangebied wordt voor onderstaande bedrijven niet voldaan aan de richtafstand uit de VNG-publicatie: <0000> Sensus Operations C.V. <0000> Suiker Unie Specialiteiten-fabriek (Van Gilse) <0000> Stadion <0000> ABS Hoppenbrouwers <0000> Flopac <0000> Jongmans Metaal Voor alle bedrijven wordt, uitgaande van de grens van het plangebied, niet aan de richtafstand voor geluid voldaan. De eerste twee bedrijven maken deel uit van het gezoneerde industrieterrein Borchwerf/Stationsgebied. Het onderdeel geluid van deze bedrijven is daarom reeds berekend in het akoestisch onderzoek, waarvan het aspect industrielawaai is beschreven in paragraaf 4.5.3. Voor Sensus Operations C.V. wordt tevens niet voldaan aan de richtafstanden voor geur, gevaar en stof. Voor Suiker Unie Specialiteitenfabriek wordt tevens niet voldaan aan de richtafstand voor geur. Voor ABS Hoppenbrouwers wordt voldaan aan de richtafstand voor geur, omdat het bouwvlak van de
27 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
toekomstige geurgevoelige bestemmingen op voldoende afstand van de Jan Vermeerlaan is gesitueerd. Het aspect geur is nader toegelicht in paragraaf 4.3. Op basis van de risicokaart is voor alle bedrijven geconcludeerd dat er met betrekking tot gevaar geen belemmering is voor het plan. In het plangebied ligt aan het Kadeplein 4 een gasstation. Uit de risicokaart volgt dat vanwege het gasstation een veiligheidsafstand van 25 meter geldt. Deze afstand is opgenomen op de verbeelding, zodat wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze afstand worden gesitueerd. Daadwerkelijke milieubelasting Conform de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kan, indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Voor de bedrijven die niet aan de richtafstand voldoen, is nader onderzoek gedaan (zie ook bijlage 1). Op basis van de huidige bedrijfsvoering van Suiker Unie Specialiteitenfabriek en Sensus is er met betrekking tot geur en stof geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. De bedrijven Sensus en Suiker Unie Specialiteitenfabriek maken onderdeel uit van het gezoneerde industrieterrein.
Voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein kan ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige objecten niet worden voldaan aan de maximaal te verlenen hogere waarde. Na overleg is besloten gebruik te maken van de Interimwet Stad- en milieubenadering. Het stadion maakt geen onderdeel uit van het gezoneerd industrieterrein, maar voor het stadion is in het bestemmingsplan geregeld dat ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen voldaan moet worden aan de volgende grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: <0000> 55 dB(A) in de dagperiode <0000> 50 dB(A) in de avondperiode <0000> 45 dB(A) in de nachtperiode Op basis van het vigerende bestemmingsplan Spoorhaven 1e fase is het mogelijk geluidgevoelige objecten te realiseren op het perceel op de hoek Industriestraat/Borchwerf. Het stadion is derhalve geen belemmering voor het plan. Voor de bedrijven ABS Hoppenbrouwers, Flopac en Jongmans Metaal is nader onderzoek gedaan naar de akoestische milieurechten. Op basis van de rapportage, die onderdeel uitmaakt van bijlage 1, zijn maatwerkvoorschriften opgelegd bij de bedrijven ABS Hoppenbrouwers en Flopac. De bedrijven ABS Hoppenbrouwers, Flopac en Jongsmans Metaal vormen daarom geen belemmering voor het plan. Conclusie De ligging van de gevoelige functies in het gebied is afgestemd op de bedrijven in de omgeving.
De bestaande milieuruimte van de bedrijven wordt gerespecteerd. Op enkele plaatsen aan de noordzijde van het gebied kan voor nieuwe woningen niet worden voldaan aan geldende grenswaarden voor industrie lawaai. In het belang van intensief ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit worden met toepassing van de Interimwet stad- en milieubenadering hogere waarden vastgesteld. Binnen het plangebied zijn kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogelijk, hiervoor is de staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging opgenomen. 4.2 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fij stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
28 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
stof toetsing van grenswaarde geldig stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ vanaf 2015 (NO2) 1) Fijn stof (PM2.5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Vanaf 2015 2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ vanaf 11 juni 2011 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ vanaf 11 juni 2011 <0000> De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval. <0000> Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien: <0000> de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); <0000> de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); <0000> bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); <0000> de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); <0000> het voorgenomen besluit is genoemd in of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). NIBM In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: <0000> een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); <0000> een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Op basis van de verkeersbewegingen die zijn opgenomen in het akoestisch onderzoek is door de OMWB een luchtkwaliteitsberekening uitgevoerd (zie bijlage 2). Conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 zijn de concentraties van luchtverontreinigende stoffen NO2 en fijn stof PM10 en PM2,5 op 5 meter (van de wegrand) van de wegen in het plangebied berekend. De berekende concentraties zijn de concentraties die worden veroorzaakt vanwege de verkeersbewegingen op de weg. Hieruit blijkt dat berekende concentraties NO2, PM2,5 en PM10 ruim onder de grenswaarden blijven en dat voldaan wordt aan de Wet milieubeheer (zie tabel 4.2).
29 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Tabel 4.2: Hoogste berekende concentraties luchtverontreinigende stoffen
locatie
NO2 jaargemiddelde (µg/m3)
Grenswaarden 40,0 Contourpunt 29 15,9 Contourpunt 20 15,8 Contourpunt 15,316,8511,2 9
PM10 jaargemiddelde (µg/m3) 40,0 16,8 16,9
PM10 etmaalgemiddelde NO2,5 aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde jaargemiddelde concentratie van PM10 (µg/m3) groter is dan 50 µg/m3 35 25 5 11,2 5 11,2
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.3 Geur In het plangebied worden nieuwe geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. Daarom is onderzoek gedaan naar de mogelijke geurbelasting van het plangebied door bedrijven in de omgeving. Dit onderzoek is opgenomen als onderdeel van het rapport 'Bedrijven en milieuzonering Stadsoevers' dat is opgenomen in bijlage 1. Onderzoek Sensus Voor dit bedrijf is een revisiemilieuvergunning verleend op 9 juli 2002 (met een corrigerende beschikking van 5 augustus 2003). Aan de vergunning zijn (onder andere) voorschriften ter beperking van de geuremissie verbonden. In de considerans van de milieuvergunning is vermeld: <0000> een richtwaarde van 2 ge/m3 als 98 percentiel (de richtwaarde is de geurconcentratie waarbij het percentage gehinderden groter wordt dan 12%); <0000> een grenswaarde van 4 ge/m3 als 98 percentiel (de grenswaarde is de geurconcentratie waarbij het percentage gehinderden groter wordt dan 20% of ernstige hinder waarschijnlijk is). Ingevolge de milieuvergunning van 2002 heeft het bedrijf geuremissiebeperkende maatregelen moeten treffen. Dat heeft het bedrijf inmiddels gedaan, zodat nu wordt voldaan aan voorschrift 3.1.6, waarin is bepaald dat de geurcontour van 2 ge/m3 als 98 percentiel moet liggen, zoals in figuur 4.1 met de contour met het cijfer '2' is weergegeven.
Deze contour loopt over de hoek Westelijke Havendijk - Jan Vermeerlaan en vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
Figuur 4.1 Geurcontour Sensus (bron: OMWB)
30 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Van Gilse In december 2013 is vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting (milieu), het verhogen van de uitlaat van een natwasser, het plaatsen van twee proceswatertanks en het plaatsen van twee opslagtanks voor eindproducten. In onderstaande figuur is geurbelasting weergegeven door verhoging van het lozingspunt naar 24 m. De geurcontour van Van Gilse reikt niet tot aan het plangebied en vormt dan ook geen belemmering (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2 Geurcontour Van Gilse (bron: OMWB)
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.4 Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: <0000> bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; <0000> vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
31 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
4.4.1 Bevi-bedrijven Toetskingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende inrichtingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied (zie figuur 4.3): <0000> Wubben Oliebewerking B.V. (Borchwerf) <0000> Emplacement <0000> Gasontvangsstation/Inrichting PNEM (geen Bevi)
Figuur 4.3 Ligging plangebied (blauw) ten opzichte van risicobronnen (bron: OMWB)
Wubben Oliebewerking B.V. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van Wubben. Uit een eerder uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse (28-04-2011) blijkt dat het invloedsgebied 1.426 m bedraagt. Tevens blijkt dat er geen PR 10-6-contour is. Aan de normen voor het plaatsgebonden risico wordt zodoende voldaan. Het maximaal berekende groepsrisico (GR) in de huidige situatie bedraagt minder dan 0,01 * de oriënterende waarde. Het plangebied ligt op een afstand van circa 800 m van Wubben Oliebewerking B.V. Vanwege de grote afstand tot de risicobron en het al vastgestelde lage groepsrisico (minder dan 0,01 * de oriënterende waarde) kan kwalitatief worden vastgesteld dat het groepsrisico bij vaststelling van het bestemmingsplan Stadsoevers waarschijnlijk niet significant zal toenemen. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van Wubben ligt, is het groepsrisico verantwoord. Voor de verantwoording is in het kader van het bestemmingsplan advies gevraagd aan de Veiligheidsregio
32 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Midden- en West-Brabant. De verantwoording en het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Midden- en West-Brabant zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid in bijlage 3. Spoorwegemplacement Prorail heeft in 2013 de vergunning voor het emplacement Roosendaal voor zover het activiteiten met voor externe veiligheid relevante gevaarlijke stoffen betreft ingetrokken. Het invloedsgebied als gevolg van het emplacement (3 km) is hierdoor komen te vervallen. Het emplacement is derhalve niet meer relevant voor het plangebied Stadsoevers. Gasontvangstation/Inrichting PNEM Deze inrichting valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen waardoor voor deze inrichting geen plaatsgebonden risico of groepsrisico hoeft te worden vastgesteld. Wel geldt voor deze inrichting een veiligheidsafstand van 25 m conform het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze afstand is opgenomen op de verbeelding, zodat wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze afstand worden gesitueerd. Conclusie en maatregelen Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Hierbij is aandacht besteed aan het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Middenen West-Brabant. De verantwoording groepsrisicio en het standaardadvies zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid in bijlage 3.
4.4.2 Transport gevaarlijke stoffen Toetsingskader In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes is de circulaire RVGS per 31 juli 2012 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BEVT worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Vooruitlopend op de vaststelling van het BEVT wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Onderzoek Vaarwegen en autowegen Het plangebied ligt op meer dan 200 m van een vaarweg en van de A17 (wegvak B99) waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Spoorwegen Het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied ligt binnen 200 m van het spoor waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gelet op de korte afstand van het plangebied ten opzichte van de risicovolle transportroute is conform het Bevt een risicoberekening uitgevoerd voor de bepaling van het groepsrisico. Tevens moet het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied beschouwd worden. Plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied Bijlage II bij het rapport externe veiligheid dat is opgenomen in bijlage 3 (tabel Basisnet spoor uit de Regeling basisnet) geeft aan dat de veiligheidszones (komt overeen met het maximale plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar) voor de spoorvakken gelegen langs het plangebied variëren van 0 tot 21 m. In figuur 4.4 is weergegeven voor welke spoorvakken welke veiligheidsafstanden gelden.
33 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Het plangebied ligt buiten de aangegeven veiligheidszones. Hiermee wordt voldaan aan de veiligheidsafstand uit de Regeling basisnet. Daarnaast is er ook sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 m. Binnen deze zone kan bij een ongeval stof uit een tankwagen vrijkomen en in brand vliegen. Het plangebied ligt buiten deze zone, waardoor het aspect plasbrandaandachtsgebied niet aan de orde is.
Figuur 4.4 Veiligheidsafstanden spoorlijn (bron: OMWB)
Groepsrisico Vanuit het Basisnet is in het verleden (ca. 2009) berekend dat het maximale groepsrisico 1,9 keer de oriënterende waarde bedraagt. Dit is gebaseerd op een homogene verdeling van de bevolking in het gebied tussen het RBC-stadion en de Kade. In dit gebied waren woningen, bedrijvigheid en een megabioscoop voorzien. Inmiddels is in meer recente berekeningen uitgegaan van de werkelijk (bestemde) situatie waarbij dit gebied als bedrijvigheid is gemodelleerd met een specifiek gebied bestemd voor onderwijs ter plaatse van het EKP. Het gebied voor de bedrijvigheid is gemodelleerd met een dichtheid van 40 personen per hectare en de locatie bestemd voor onderwijs is gemoduleerd met 500 personen. Daarnaast geldt ter plaatse van het voormalige douanekantoor de bestemming wonen. Hier zijn 50 appartementen voorzien met 120 personen. Op basis van de hierboven aangegeven aanpassingen bedraagt het maximale groepsrisico in de huidige situatie 2,3 keer de oriënterende waarde. De berekening van het groepsrisico is opgenomen in de rapportage externe veiligheid (bijlage 3). Met de nieuwe ontwikkeling aan de westzijde van de Vliet (500 woningen) bedraagt het groepsrisico circa 2,3 keer de oriënterende waarde. Er is geen toename van het groepsrisico als gevolg van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan “Stadsoevers”.
De aanpassing van de bevolking (minder woningen) ten westen van de Vliet, waar dit plan betrekking op heeft, heeft geen significante invloed op het eerder vastgestelde groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico is in de huidige en toekomstige situatie gelegen boven de oriënterende waarde. Voor het onderdeel transport is, vanwege de overschrijding van de oriënterende waarde, een volledige verantwoording van het groepsrisico
34 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
afgelegd. Hiervoor is in het kader van het bestemmingsplan advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. De verantwoording en het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Midden- en West-Brabant zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid in bijlage 3. Conclusie en maatregelen Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Hierbij is aandacht besteed aan het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Middenen West-Brabant. Het gemeentebestuur wordt op deze wijze nadrukkelijk betrokken bij het aspect externe veiligheid in dit plangebied in relatie tot de gewenste ontwikkelingen. Dit bouwt voort op de eerdere (uitvoerige) aandacht die bij de vorige planvorming door het gemeentebestuur aan externe veiligheid is besteed. De verantwoording en het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Midden- en West-Brabant zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid in bijlage 3. 4.4.3 Buisleidingen Toetsingskader Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek Nabij het plangebied zijn twee hogedruk aardgasleidingen gelegen (zie figuur 4.5). Om de risico's van de aargasleidingen in en rondom het plangebied te bepalen zijn er risicoberekeningen uitgevoerd, zie zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid die is opgenomen in bijlage X.
Plaatsgebonden risicocontour Beide leidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour die groter is dan 10-6 per jaar. Er wordt voldaan aan de normen voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het groepsrisico van de hogedruk aardgasleiding Z-529-03 bedraagt 0,343 * de oriënterende waarde. Voor de leiding Z-529-05 bedraagt het groepsrisico minder dan 0,1 * de oriënterende waarde. Vanwege de leidingen is het groepsrisico verantwoord. Voor de verantwoording is het kader van het bestemmingsplan advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. De verantwoording en het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Midden- en West-Brabant zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid in bijlage 3.
35 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Figuur 4.5 Ligging hogedruk aardgasleidingen nabij het plangebied (OMWB)
Conclusie en maatregelen Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Hierbij is aandacht besteed aan het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Middenen West-Brabant. De verantwoording en het Standaardadvies 2016 van de Brandweer Midden- en West-Brabant zijn opgenomen in de rapportage externe veiligheid in bijlage 3. 4.4.4 Brandweereisen voor bereikbaarheid Vanuit de Brandweer wordt voorgeschreven dat de afstand tussen woonwagens minimaal 5 m bedraagt ter voorkoming van brandoverslag en voldoende tijd om personen in naastgelegen woonwagens te informeren over brand in een naastgelegen woonwagen. Voorts zal bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan aandacht worden besteed aan de volgende aspecten in relatie tot de brandweer. <0000> Bereikbaarheid 1. De Jan Vermeerlaan is een hoofduitrukroute. Voor de inrichtingseisen van een hoofduitrukroute c.q. een gebiedontsluitingsweg wordt verwezen naar de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. 2. De overige wegen in het plangebied dienen te zijn ingericht als erftoegangswegen als bedoeld in de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. 3. Bij de verkeersluwe inrichting moeten knelpunten worden voorkomen met bereikbaarheid van objecten voor de brandweer. <0000> Bluswatervoorzieningen 1.
Het gebied kan op basis van de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening worden gekenmerkt als woonwijk met meerdere woonlagen waarin woonfuncties, gemengd, bedijfsfuncties, logies enzovoorts, waarbij wordt uitgegaan van A-bluswater op maximaal 40 m afstand van de toegang van een woongebouw of utiliteitsgebouw. 2. Voor grondgebonden woningen wordt uitgegaan van B-bluswaster op maximaal 200 m. 3. C-bluswater is in het plangebied aanwezig in de vorm van de Roosendaalse Vliet, waarbij uitgegaan wordt van opstelplaatsen bij de Vlietburg en het Zwaaigat. 4.5 Geluid Toetsingskader Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, indien dat plan mogelijkheden biedt voor:
36 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
<0000>
de nieuwbouw van woningen of andere geluidsgevoelige functies (functies zoals genoemd in artikel 82, lid 2 van de Wet geluidhinder juncto artikel 4, lid 2 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en artikel 106, lid 1 onder e van de Wet geluidhinder); <0000> de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; <0000> functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via ontheffings- of wijzigingsbevoegdheid). Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: <0000> wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen; <0000> wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/h geldt. Door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai op het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan Stadsoevers. 4.5.1 Wegverkeerslawaai Voor de berekeningen van de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai is uitgegaan van de prognose van de verkeersintensiteiten voor het jaar 2020, zoals deze zijn opgenomen in de verkeersmilieukaart van de gemeente Roosendaal van 2009. Voor een overzicht van de beschouwde wegen voor dit onderzoek en een aantal gebruikte wegverkeerskenmerken wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek, dat is opgenomen in bijlage 4.
Uit het verrichte akoestisch onderzoek blijkt sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde 48 Lden ten gevolge van de: <0000> Jan Vermeerlaan/ Borchwerf (op het meest noordelijke deel van het plangebied); <0000> Westelijke Havendijk (op het uiterste noordoosten van het plangebied); <0000> Rijksweg (op het noordwestelijke deel, ter plaatse van het woonwagencentrum). Er is geen sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden voor de gemeentelijke wegen en de ontheffingswaarde van 53 dB Lden vanwege de rijksweg. Omdat er feitelijk geen maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting vanwege de betreffende wegen tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren, worden hogere waarden aangevraagd. Conclusie en maatregelen Ten gevolge van enkele wegen wordt in een deel van het plangebied de voorkeursgrenswaarde overschreden. Er zijn geen maatregelen mogelijk om de geluidbelasting van deze wegen tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren. De maximale ontheffingswaarde wordt echter nergens overschreden. Voor de delen van het plangebied waar de voorkeurswaarde wordt overschreden, worden hogere waarden aangevraagd. Daarmee staat het aspect wegverkeerslawaai de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
4.5.2 Spoorweglawaai De geluidbelasting van het spoor is berekend op het gehele plangebied met behulp van horizontale geluidcontouren op een hoogte van 4,0 m. De berekende geluidbelastingen als gevolg van het spoorwegverkeer zijn opgenomen in bijlage V van het akoestisch onderzoek in bijlage 4. De maximaal berekende geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen bedraagt 54 dB Lden. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden wordt daarmee voor geen enkele woning overschreden. Conclusie Het aspect spoorweglawaai vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.5.3 Industrielawaai Voor industrielawaai wordt uitgegaan van het gezoneerde industrieterrein Borchwerf. De bedrijven aan de Oostelijke Havendijk behoren ook tot het gezoneerde industrieterrein. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt in vrijwel het gehele plangebied overschreden. Omdat er feitelijk geen maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting vanwege industrieterrein Borchwerf tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren, kunnen voor deze bouwvlakken hogere waarden verleend worden.
37 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Aan de noord- en oostzijde van het plangebied wordt ook de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) overschreden, zoals weergegeven in figuur 4.6. Een overzicht van de berekeningsresultaten is opgenomen in bijlage VI van het akoestisch onderzoek in bijlage 4. Voor de bouwvlakken die een hogere geluidbelasting hebben dan de maximale ontheffingswaarde wordt gebruik gemaakt van de Interimwet Stad- en milieubenadering, waarbij afgeweken kan worden van de maximaal te verlenen hogere waarden. Door het aanvragen van hogere waarden voor alle woonblokken is er geen sprake van noodzakelijke afscherming en is de bouw van woningen in Stadsoevers niet afhankelijk van elkaar. Wel zal het realiseren van aaneengesloten bebouwing aan de noord- en oostzijde een verbetering opleveren voor het woonklimaat ter plaatse van de achterliggende bebouwing.
Figuur 4.6 Geluidbelasting industrielawaai (rood betekent een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A).
Conclusie en maatregelen Voor vrijwel het gehele plangebied wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) overschreden. Er worden voor alle bouwvlakken hogere waarden toegepast. In de regels wordt daarnaast voor de Vlietblokken een minimum van 80% aangesloten bebouwing opgenomen om de woonkwaliteit voor het achterliggende gebied te verbeteren. Stap 3 besluit industrielawaai
38 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
De ligging van het plangebied nabij een aantal bronnen op het industrieterrein maakt het noodzakelijk, in het belang van intensief ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit, bij een aantal nieuwe woningen af te wijken van de geldende uiterste grenswaarde voor industrielawaai. Door toepassing van de Interimwet stad- en milieubenadering zijn hier in het kader van het geldende bestemmingsplan Spoorhaven fase 1 hogere waarden voor vastgesteld. Ook voor het voorliggende plan Stadsoevers zijn hogere waarden door toepassing van de Interimwet noodzakelijk. Er wordt dan ook een aanpassing van het geldende Stap 3 besluit voorbereid. Het ontwerp van dit besluit wordt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. 4.6 Bodem Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in functiewijzigingen. Gelet op deze functiewijziging moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie en moet worden nagegaan of er sprake is van gevallen van ernstige verontreiniging waarvoor saneringsmaatregelen moeten worden getroffen. Uit oude onderzoeken blijkt dat een groot deel van het plangebied wordt aangemerkt als verdacht en in mindere of meerdere mate is verontreinigd. Voor verschillende percelen is bekend dat hier bodemsanering plaats dient te vinden. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan hoeven niet alle bodemonderzoeken uitgevoerd te zijn. Wel dient in de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan rekening gehouden te worden met de noodzakelijke gegevens van de oude saneringsexploitatie van Spoorhaven zijn geraadpleegd.
Op basis van deze saneringexploitatie is in 2007 een raming van de saneringskosten gemaakt voor het gehele gebied met uitzondering van die delen die niet onderzocht zijn. De raming uit 2007 wordt geactualiseerd op basis van de meest recente onderzoeksgegevens. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Nader onderzoek zal op een later tijdstip worden uitgevoerd en waar nodig zullen passende maatregelen worden getroffen. 4.7 Belemmeringen Er zijn geen belemmeringen zoals molenbiotopen en straalpaden aanwezig in het plangebied. 4.8 Water Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder (in dit geval het Waterschap Brabantse Delta). De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
39 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
In de 'Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater' van de Brabantse waterschappen (zie hoofdstuk 2.3) is het uitgangspunt opgenomen dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Huidige situatie Algemeen Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van Roosendaal en beslaat voornamelijk een bedrijventerrein, plaatselijk afgewisseld met groen. Het oostelijke en westelijke deel van het plangebied wordt gescheiden door het oppervlaktewater van de Oude Haven. Bodem en grondwater De deklaag in het plangebied heeft een dikte variërend van 0 tot 15 m en bestaat uit fijn, leemhoudend en humeus zand. De bodem is tot op een diepte van circa 5 m onder het maaiveld doorlatend. De bodem en de ontwateringsdiepte zijn niet geschikt om afgekoppeld water te kunnen infiltreren in de bodem. De maaiveldhoogte van het plangebied varieert tussen NAP +1,5 m en NAP +3,0 m. Het gebied ligt niet in grondwaterbeschermingsgebied.
De grondwaterstroming vindt plaats in de richting van de Oude Haven en de watergang Scherpdeel/Oude Beek, deze hebben een drainerende werking op het plangebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland geldt ter plaatse van het plangebied grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand hier van nature varieert tussen 0,4 m en 0,8 m onder het maaiveld, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m onder het maaiveld ligt. Momenteel treedt in het plangebied periodiek wateroverlast op. Door Sensus wordt grondwater opgepompt uit het eerste watervoerende pakket en benut in het productieproces. Oppervlaktewater Het plangebied ligt in vrij afwaterend gebied; waterstanden worden niet gereguleerd door middel van gemalen. In het plangebied is in de huidige situatie circa 26.000 m2 aan oppervlaktewater aanwezig. Centraal in het plangebied ligt de Oude Haven, deze gaat ten noorden van het plangebied over in het Mark-Vlietkanaal. Aan de westzijde van het plangebied ligt de watergang Scherpdeel/Oude Beek, deze watert via een duiker onder de A17 af op de Engebeek aan de westzijde van Roosendaal. De afvoer van overtollig oppervlaktewater vindt plaats in noordelijke richting. De Oude Haven heeft een functie voor de scheepvaart, de waterbodem is in 2008 gebaggerd.
Aan de noordwestzijde van het plangebied bevindt zich de Engebeek, welke in het verleden deels is gedempt en verlegd. Direct ten zuiden van het plangebied vervolgt de Molenbeek haar oorspronkelijke loop. Het is niet bekend wat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater is. In het plangebied wordt momenteel jaarrond een waterpeil van NAP +0,4 m gevoerd in de Engebeek en NAP 0,00 m in de Oude Haven. Waterkwantiteit Het regenwater in het plangebied wordt afgevoerd naar het gemengde rioolstelsel. Enkele bedrijven aan de Westelijke Havendijk lozen het regenwater rechtstreeks op de Oude Haven. Veiligheid en waterkeringen In (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied ligt in de rioleringsgebieden A1, A2, A3 en E1, de gemeente Roosendaal is beheerder van het rioolstelsel. Het riool in het plangebied bestaat grotendeels uit een gemengd stelsel, enkel rioleringsgebied A2 bestaat uit een gescheiden stelsel. Zowel de Oude Haven als de Molenbeek ontvangen water van riooloverstorten van het gemengde rioolstelsel.
40 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Toekomstige situatie Algemeen Aan de westkant van het plangebied wordt een recreatieve zone gerealiseerd die tevens fungeert als ecologische verbindingszone en voorziet in de waterberging voor zowel de naastgelegen wijk Westrand als voor de ontwikkeling binnen Stadsoevers. Waterkwantiteit In de nieuwe situatie zal in het plangebied circa 31.500 m2 aan oppervlaktewater aanwezig zijn. Dit betekent een toename van circa 550 m2 aan oppervlaktewater ten opzichte van de huidige situatie. Het verhard oppervlak in het plangebied neemt af ten opzichte van de bestaande situatie: van circa 142100m² naar circa 130120m². Aanleg van retentie voor het bergen van regenwater is niet nodig. Regenwater zal rechtstreeks worden afgekoppeld naar de Oude Haven of Scherpdeel. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: <0000> hemelwater vasthouden voor benutting; <0000> (in-) filtratie van afstromend hemelwater; <0000> afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; <0000> afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Waterberging Volkerak-Zoommeer Het Volkerak-Zoommeer wordt in extreme situaties ingezet als waterberging.
Dit betreft de situatie met grote hoeveelheden hemelwater, grote waterafvoer via de grote rivieren in combinatie met afsluiting van diverse keringen. In die situatie kunnen in het achtergebied, zoals West-Brabant, hogere waterstanden ontstaan. Het peil in de Oude Haven kan hierdoor stijgen tot NAP +1,32 m. Ter voorkoming van calamiteiten worden in die situatie maatregelen getroffen, zoals inzet van extra materieel voor het wegpompen van water, zodat de omliggende gronden zo veel mogelijk droog blijven. De betrokken overheidsorganen hebben afspraken gemaakt en zijn zich bewust van de effecten van de beschreven situatie voor het gebied in West-Brabant. Water in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
41 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
4.9 Flora en Fauna Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Onderzoek: ecologische quick scan Door Regelink is in oktober 2015 een ecologische quick scan voor het plangebied (destijds begrensd door de Industriestraat, inmiddels verkleind en begrensd door de Oostelijke Havendijk) uitgevoerd. Deze quick scan is opgenomen als bijlage 5. De resultaten van dit onderzoek zijn hierna samengevat. Gebiedsbescherming Natuurbeschermingswet Het Natura 2000 - gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is "Brabantse Wal". Dit gebied ligt op een afstand van meer dan 8 kilometer van het plangebied. Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied (bijvoorbeeld aanwezigheid stedelijk gebied en grote wegen) zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verreikende effecten. In de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde Natuurmonumenten aanwezig. Vervolgstappen in het kader van de natuurbeschermingswet 1998 zijn voor dit project dan ook niet nodig.
Nationaal Natuurnetwerk/ Ecologische Hoofdstructuur Het plangebied is geen onderdeel van het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen ecologische hoofdstructuur). Ook liggen er geen onderdelen van het Nationaal Natuurnetwerk in de directe omgeving van het plangebied. Groenblauwe mantel De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de Groenblauwe mantel van de provincie Noord-Brabant. Aantasting van de Groenblauwe mantel is dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming Door de ontwikkeling van het plangebied zijn mogelijk negatieve effecten te verwachten op: <0000> Vleermuizen (10 soorten); <0000> Huismus; <0000> Alpenwatersalamander en kleine modderkruiper. Voor broedvogels geldt dat werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden (ongeveer 15 maart tot 15 juli). Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het dan aan te raden het aanwezige snoeiafval en de vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, ten einde de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken.
42 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
Figuur 4.7 Potentiële vliegroutes en verblijfplaatsen
In figuur 4.7 zijn de potentiële vliegroutes en verblijfplaatsen van beschermde soorten weergegeven: <0000> Rood: plangebied <0000> Geel: Potentiële vliegroutes voor vleermuizen. <0000> Blauw: Gebouwen met potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen. Conclusie Op basis van het voorgaande dient vervolgonderzoek plaats te vinden naar vleermuizen en huismussen vanwege de sloop van bebouwing en het verwijderen van vegetatie. Afhankelijk van de daadwerkelijke ingreep aan de watergangen moet een vervolgonderzoek uitgevoerd worden voor amfibieën en vissen. Soortgericht onderzoek vleermuizen, huismus, Alpenwatersalamander en kleine modderkruiper Naar aanleiding van de resultaten van de quick scan is het plangebied door Regelink in de periode van 8 september 2015 tot en met 28 september 2016 geïnventariseerd op vleermuizen, huismus, Alpenwatersalamander, en kleine modderkruiper. Het onderzoeksrapport uit oktober 2016 is opgenomen als bijlage 6. De resultaten van dit onderzoek zijn hierna samengevat. Vleermuizen In het plangebied zijn in de onderzochte gebouwen vijf paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aanwezig. Bij sloop van de bestaande bebouwing verdwijnen deze verblijfplaatsen.
Daarnaast is in de bomen op de parkeerplaats op de hoek van de Wethouder Lanenstraat en Westelijke Havendijk een paarverblijfplaats van zowel de gewone dwergvleermuis als gewone grootoorvleermuis aanwezig. Bij de kap van de bomen verdwijnen deze verblijfplaatsen. Er werden geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren. Effecten hierop zijn dan ook niet te verwachten. Het is niet uitgesloten dat een of enkele gewone dwergvleermuizen de paarverblijfplaatsen ook gebruiken als winterverblijfplaats. Gedurende het onderzoek werd een essentiële vliegroute waargenomen bij Borchwerf 2 en de Industrielaan. Daarnaast is een essentieel foerageergebied aanwezig van gewone dwergvleermuizen
43 - 83
NL.IMRO.1674.2087STADSOEVERS-0601
bij Scherpdeel. Wanneer de geleidende groenelementen verwijderd worden of hier extra verlichting geplaatst wordt kunnen deze functies verdwijnen. In de toekomstige functie van het plangebied kan een leefgebied van vleermuizen ontstaan dat dezelfde functie heeft als nu het geval is. Voorwaarden hierbij zijn dat het foerageergebied aan de Scherpdeel behouden blijft en niet extra verlicht wordt, en de vliegroute bij Borchwerf 2 en de Industrielaan in stand gehouden wordt. Daarnaast moeten de nieuwe gebouwen geschikt gemaakt worden als vaste rust- en verblijfplaats voor gewone grootoorvleermuis en gewone dwergvleermuizen. Huismus De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten of essentieel leefgebied van huismussen binnen het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten ten gevolge van de ingreep zijn derhalve ook uitgesloten. Alpenwatersalamander en kleine modderkruiper De aanwezigheid van Alpenwatersalamanders en kleine modderkruipers binnen het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten ten gevolge van de ingreep zijn derhalve ook uitgesloten. Conclusie en aanbevelingen De beoogde ontwikkeling heeft een negatief effect op de lokaal aanwezige populaties van de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis.