bijlage 7 bij toelichting nota van zienswijzen inclusief verslag.pdf
Tekst van het document
er is voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen de voorwaarde opgenomen dat er een aansluiting moet zijn met een bestaand agrarisch bouwvlak (beperking) d. de maximale oppervlakte voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen is 3 ha in plaats van 1 ha (verruiming) e. de maximale hoogte wordt 4 m in plaats van 2,5 m. Per saldo willen wij de mogelijkheid van een afwijking voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor een maximale oppervlakte van 3 ha aansluitend op een agrarisch bouwvlak binnen de bestemming Agrarisch met waarden – 2 handhaven. Bij een gebruik ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen willen wij de belangen van de agrariërs in het gebied kunnen blijven afwegen tegen de belangen van natuur en landschap ter plaatse. Een beperking tot maximaal 1 ha en handhaving van een maximale hoogte zou op voorhand te veel beperkingen opleveren voor de gebruiksmogelijkheden van de daarvoor in aanmerking komende agrarische percelen. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan23
23
regels
37 69
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. 2.40 Reclamant 39 Zienswijze: Verzocht wordt om medewerking aan de omzetting van de thans geldende agrarische bestemming naar een woonbestemming Overwegingen: In een ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het verzoek kan voldoen aan de regels van de Interim omgevingsverordening die gelden voor de omzetting van een agrarische bestemming in een woonbestemming. Om die reden kan aan het verzoek medewerking worden verleend. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan26
2.41 Reclamant 40 Zienswijze: Reclamant spreekt zijn zorg uit over de toename van goederenvervoer met gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Overwegingen: De zienswijze is buiten de termijn ingediend. Reclamant is nog in de gelegenheid gesteld te motiveren waarom hij niet binnen de termijn heeft gereageerd. Reclamant heeft hier geen verschoonbare redenen voor aangevoerd. Conclusie: De zienswijze is niet ontvankelijk.
26
Verbeelding en regels
40 69
3. Ambtshalve aanpassingen
A. Ambtshalve aanpassingen In het bestemmingsplan worden ambtshalve de volgende wijzigingen doorgevoerd. Aanleiding hiertoe waren ingekomen verzoeken, tussentijdse ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht. Voor zover nodig worden de verbeelding, regels en de plantoelichting hierop aangepast. 3.1 In de regels en de verbeelding wordt de aanduiding geluidzone spoorweglawaai opgenomen aansluitend aan het bestemmingsplan Bulkstraat. De geluidzone in het bestemmingsplan Bulkstraat is ten onrechte niet doorgetrokken binnen het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Wouw27 3.2 Nabij het kasteel van Wouw zal de waterloop worden verlegd. Dit wordt aangegeven op de verbeelding. In de toelichting wordt een aanvulling opgenomen van de cultuurhistorische betekenis hiervan28 3.3 Het gebied Moerstraatseweg 16 (waterwingebied) wordt uit het bestemmingsplan gehaald en is in een apart bestemmingsplan opgenomen29 3.4 Het wijzigingsplan d.d.
22-2-2021 voor de locatie Herelsestraat 173 wordt alsnog in het bestemmingsplan opgenomen30 3.5 Bij de formulering van de maximale inhoud van de woning binnen de woonbestemming wordt de sloop-bonus regeling aanvullend in de regels opgenomen31 3.6 De regels over buitenopslag bij niet agrarische bedrijven worden gewijzigd opgenomen ter voldoening aan het bepaalde in de Interim omgevingsverordening32 3.7 Oppervlakte bijgebouwen bij woonbestemming mag in voornoemde gevallen 200 m2 zijn 33 3.8 Zones vliegbasis Woensdrecht zijn thans op een juiste wijze vermeld op verbeelding en in de regels 34
27
Regels en verbeelding Verbeelding en toelichting 29 verbeelding 30 verbeelding 31 regels 32 regels 33 regels 34 Verbeelding en regels 28
41 69
8. Op pagina 132 wordt aangegeven dat de glastuinbouw slechts zeer beperkt aanwezig is in twee gebiedjes zonder bijzondere ruimtelijke-visuele aspecten. Deze tekst is onjuist gezien de waarden in het gebied. Hier wreekt zich ook de onvoldoende inventarisatie van de waarden van het gebied. 9. Op pagina 133 wordt gesproken over cumulatie. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden. 10. De tabel 5.2 op pagina 134 geeft een samenvatting weer, welke conflicteert met eerdere beschreven effecten in de MER over TOV en glastuinbouw. De beoordelingscriteria dienen te worden kenbaar gemaakt en op een objectieve wijze te worden vastgesteld. 11. Op pagina 140: de aanwezige TOV bevat stellingenteelt en veroorzaakt waterverstoring. Daarnaast wordt door het gebruik van substraat de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloed. 12. Ten aanzien van de passage op pagina 141 wordt aangegeven dat de waterkwaliteit wel degelijk verslechtert door extra bemesting van containers. De beoordeling is subjectief en bevat geen beoordelingscriteria. 13. Op pagina 143 ten aanzien van figuur 5.7 wordt aangegeven dat het gebied Hopmeer verdroogt, zelfs in de winter staan de waterputten laag. Trekroutes zijn al gewijzigd door permanente teeltondersteunende voorzieningen. 14.
Ten aanzien van pagina 145 wordt opgemerkt dat voor een van de kwekerijen een vergunning is verleend voor een put waaruit 20.000 liter per uur uit gepompt mag worden. 15. Op pagina 146 is ten onrechte weggelaten de lichthinder door kassen en glastuinbouw in de groenblauwe mantel, waar Natura 200 en het woon- en leefgebied van bewoners wordt aangetast 16. Op pagina 147 is versnippering niet genoemd als significant in de tabel. Ook optische verstoring is niet genoemd als significant 17. Op pagina 150-152 is geen melding gemaakt van de aanwezige assimilatieverlichting in de kassen binnen het plangebied, laat staan van het effect op het Natuurnetwerk. De criteria om dit te beoordelen dienen vastgesteld te worden en het effect dient alsnog vastgesteld te worden 18. Op pagina 154 is de beoordeling van beschermde plannen en dierensoorten veel te mager 19. Op pagina 164 heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar lichthinder. Ten onrechte wordt opgemerkt dat er geen eenduidige relatie zou zijn tussen ervaren lichthinder en afstand tot de kassen 20. Op pagina 166 wordt de beoordeling als subjectief aangemerkt aangezien geen onderzoek heeft plaatsgevonden en de beoordeling dus niet is gebaseerd op feiten. Ten onrechte wordt gesteld dat mogelijk mitigerende maatregelen niet in het bestemmingsplan geregeld kunnen worden 21.
De conclusie op pagina 168 dat de toename van TOV niet leidt tot wezenlijke toename van hinder is niet juist. In tabel 5.20 dienen de effecten op de gezondheid te worden genoemd 22. Op pagina 171 wordt aangegeven dat het bestemmingsplan grotendeels conserverend is. Dat is onjuist. Het gebied wordt afgeschaald van Agrarisch met waarden 3 naar agrarisch met waarden 2 en de Groenblauwe mantel wordt onvoldoende meegewogen in de MER Overwegingen: 1. De afstand tussen deze percelen en de dichtstbijzijnde begrenzing van het Natura 2000-gebied is 1,5 km.
43 69
2. De kaartjes op bladzijde 74 en 75 geven respectievelijk de ligging op de Vlaamse natuurgebieden aan en op de ligging van de Vogelrichtlijngebieden, de Habitatrichtlijn-gebieden en de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnen samen. Duidelijk is dat de kortste afstand tussen de percelen N 462 en N 463 betrekking heeft op het Vogelrichtlijngebied. 3. De inventarisatie is beperkt tot het Natura 2000 gebied en de daarbij behorende instandhoudingsdoelen. Paragraaf 3.6.2 gaat namelijk over de Natura 2000 gebieden. 4. Op bladzijde 80 is in het exemplaar dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is genoemd en is gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl een toelichtende tekst opgenomen namelijk: figuur 3.26 Groenblauwe mantel (bron: via https:/noord-brabant.tercera-ro.nl/MapViewer/) 5. Op pagina 82 is een inventarisatie en beschrijving opgenomen. Op deze pagina’s is nog geen overzicht van de maatregelen opgenomen. In de opzet van de MER is eerst een beschrijving opgenomen. 6. De conclusie dat de lichtemissie vooral wordt bepaald door de A 58 is gebaseerd op de verspreiding van licht over het plangebied. Er is op figuur 3.40a duidelijk aangegeven dat sprake is van aanzienlijke lichtemissie vanaf de glastuinbouw Wouwse Plantage. 7.
“grondgebonden” is hier tussen haakjes geplaatst, zodat hiermee duidelijk wordt gemaakt dat binnen de genoemde agrarische bestemmingen zowel grondgebonden als niet grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan. 8. De conclusie dat bestaande glastuinbouw beperkt aanwezig is, is gerelateerd aan de totale omvang van het plangebied. De conclusie dat de glastuinbouw in het plangebied op een beperkt aantal plaatsen aanwezig is, is juist. Op de plaatsen waar de glastuinbouw wel aanwezig is, is er inderdaad sprake van een aanzienlijke invloed van deze glastuinbouw op de omgeving. 9. Op pagina 133 wordt gewezen op het effect van “cumulatie”. De mogelijkheden voor uitbreiding en omschakeling van agrarische bedrijven, glastuinbouw, kwekerijen, teeltondersteunende voorzieningen en maatregelen mogelijk binnen het vergunningenstelsel kunnen een negatief effect geven op de landschappelijke waarden. Dit cumulatieve effect is daarmee onderkend. 10. De tabel 5.2 op bladzijde 134 geeft de invloed weer van de verschillende mogelijkheden en ontwikkelingen die in het voornemen (het ontwerpbestemmingsplan) mogelijk zijn gemaakt. Het effect van uitbreiding van bestaande kwekerijen, TOV en werken in het vergunningenstelsel wordt als negatief beoordeeld. Er is rekening gehouden met het feit dat geen uitbreiding van glastuinbouwbedrijven kan plaatsvinden.
In de tabel is de uitbreidingsmogelijkheid van TOV c.a. eveneens als negatief vermeld, evenals het cumulatief effect in de laatste kolom. 11. Inderdaad moet worden onderkend dat de aanwezige TOV een negatief effect kan hebben op de grondwaterhuishouding en de waterkwaliteit. Dat is ook vermeld op pagina 141. 12. Op pagina 141 wordt verwezen naar het effect op het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied. Het gaat hier om een gebiedsaanduiding en dat bevindt zich niet in de omgeving van de kwekerijbedrijven in Wouwse Plantage. Wij wijzen hier op het onderscheid tussen permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn ter plaatse niet toegestaan en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen alleen met een afwijking. 13. Het effect van verdroging van het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen wordt onderkend op pagina 145.
44 69
14. De vergunning is reeds verleend en behoort tot de bestaande situatie. De invloed hierop op de bestaande grondwaterhuishouding en de mogelijkheid om vergunning te verlenen voor verdere uitbreiding wordt nader bezien. 15. Inderdaad, dient de verstoring door glastuinbouw en kwekerijen door middel van lichthinder te worden vermeld.35 16. Het effect van versnippering is in de tabel 5.8 als niet relevant aangemerkt, dat betekent geen sprake van verslechtering of significante verstoring. In deze tabel wordt teruggegrepen op de conclusie op pagina 143 onder “conclusie oppervlakteverlies en versnippering”. Gesteld wordt namelijk dat de planologische bescherming van natuur in het bestemmingsplan borgt dat uitbreiding van bebouwing, stallen, glastuinbouw, kwekerijen, TOV, werken in het vergunningenstelsel en kleinschalige recreatieve voorzieningen alleen maar kan voor zover deze niet zijn gelegen in de bestemming Natuur. Er is daarmee geen sprake van ruimtebeslag of versnippering in Natura 2000 gebieden. 17. Het effect is beschreven van uitbreidingsmogelijkheden van glastuinbouw. De uitbreidingsmogelijkheden zijn evenwel in het plangebied niet aanwezig. Daarmee heeft het voornemen dus geen effect op het Natuurnetwerk op het gebied van lichtverstoring. 18. De effecten voor ruimtebeslag op beschermde soorten zijn beschreven op pagina 154.
Wij roepen in herinnering dat in het bestemmingsplan geen uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouw of voor permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn opgenomen binnen de bestemming Agrarisch met waarden -2. Het is alleen mogelijk om door middel van een binnenplanse afwijking een omgevingsvergunning te verlenen voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Beschreven wordt wat dit in het algemeen kan betekenen voor kwetsbare soorten. Deze afwijkingsmogelijkheid is gebonden aan voorwaarden. 19. Op pagina 164 wordt aangegeven dat uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven, anders dan glastuinbouw, naar verwachting niet leidt tot een wezenlijke toename van lichthinder. Wij lezen hier niet dat er geen eenduidige relatie zou zijn tussen toename lichthinder en afstand. Aangegeven is dat bij 98 % dekafscherming de lichtuitstraling relatief beperkt is. De grens van toename met 1 lux (vergelijkbaar met een lichtsterkte tussen schemering en volle maan) ligt op circa 50 m van het glastuinbouwgebied. 20. De conclusie dat de toename van lichthinder in en rond glastuinbouw als enigszins negatief wordt beoordeeld, is gebaseerd op het feit dat als volgens de wettelijke eisen wordt gewerkt, de lichtuitstraling wordt beperkt tot de bovenzijde. De conclusie is gebaseerd op hetgeen hiervoor onder punt 19 is vermeld.
Wij merken overigens op dat in het bestemmingsplan geen mogelijkheid is opgenomen voor uitbreiding van de bestaande glastuinbouw. 21. Op bladzijde 168 wordt aangegeven dat de uitbreiding van TOV en recreatie niet leidt tot een wezenlijke toename van hinder en daarmee niet tot een wezenlijk negatief effect op de gezondheid. De ontwikkelingen zijn relatief beperkt van aard en verspreid in het buitengebied. Nogmaals merken wij hier op dat de mogelijkheid van permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen de bestemming Agrarisch met waarden -2 alleen binnen het bouwvlak is toegestaan tot een maximale oppervlakte van 5000 m2 en alleen is toegestaan voor grondgebonden bedrijven en dus niet voor glastuinbouwbedrijven. De mogelijkheid van tijdelijke teeltondersteunende
35
Aanpassing MER
45 69
voorzieningen is gekoppeld aan een afwijkingsmogelijkheid. Daarnaast is hier uitsluitend het effect voor de gezondheid beschreven. Nu de mogelijkheid van extra permanente teelondersteunende voorzieningen is beperkt, is de conclusie gerechtvaardigd dat om die reden er geen sprake zal kunnen zijn van de toename van hinder. In de tabel 5.20 zijn de effecten op de gezondheid juist wel degelijk benoemd. 22. Gewezen wordt op de afschaling van Agrarisch met waarden -3 van het gebied ten zuiden van Wouwse Plantage en onvoldoende meewegen van de bescherming van de Groenblauwe mantel. Bij vergelijking van de bouwmogelijkheden tussen Agrarisch met waarden – 3 en agrarisch met waarden -2 . a. Het bouwen van kassen is volledig uitgesloten en was binnen de bestemming Agrarisch met waarden – 3 beperkt tot glastuinbouwbedrijven b. Permanente teeltondersteunende voorzieningen waren binnen de bestemming Agrarisch met waarden – 3 binnen het volledige bouwvlak toegestaan en buiten het bouwvlak met een afwijkingsmogelijkheid tot maximaal 1 ha. Binnen de bestemming Agrarisch met waarden -2 zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen thans binnen het bouwvlak beperkt tot 5000 m2 en buiten het bouwvlak niet toegestaan. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn binnen het bouwvlak toegestaan tot maximaal 5000 m2 en buiten het bouwvlak met een afwijking tot maximaal 3 ha.
In de MER is zowel getoetst aan de waarden in het Natura 2000-gebied als aan de NNB en de Groenblauwe mantel. Om ervoor te zorgen dat een extra toets gedurende de planperiode kan plaatsvinden is de groenblauwe mantel ook nog eens nadrukkelijk als gebiedsaanduiding opgenomen.
Advies commissie MER Op 15 februari 2021 heeft de commissie MER een advies uitgebracht over het ontwerp van de opgestelde Milieueffectrapportage. Het advies is als bijlage bij de toelichting gevoegd.
46 69
Kader De Commissie milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) heeft op 1 maart een toetsingsadvies gegeven over het milieueffectrapport (MER) bij het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Wouw. Onderstaand is een reactie gegeven op het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. en hoe hiermee wordt omgegaan in het vast te stellen bestemmings-plan Buitengebied Wouw. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 7.14 lid 1 onder d van de Wet Milieubeheer. Voor de leesbaarheid is per onderdeel eerst (een samenvatting van) het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. gegeven en vervolgens de reactie hierop. Algemeen Toetsingsadvies Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. stelt in haar toetsingsadvies dat het MER zich vooral richt op de effecten van uitbreidingen of aanpassingen van bestaande agrarische bedrijven, dat dit kan leiden tot negatieve effecten op beschermde natuur, zoals extra stikstofdepositie en verstoring en dat door in het ontwerpbestemmingsplan voorwaarden te stellen aan uitbreidingen, een deel van deze effecten wordt voorkomen. De Commissie m.e.r. constateert ook dat, omdat het plan geen grote nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, er geen alternatieven zijn onderzocht. De Commissie m.e.r. vindt de conclusie dat het plan niet kan leiden tot negatieve effecten op natuur niet volledig onderbouwd. De omvang van de effecten op natuur is onvoldoende uitgewerkt in het MER.
Ook is niet uitgelegd in hoeverre de voorgestelde maatregelen en voorwaarden deze effecten beperken of voorkomen. Dit laatste geldt ook voor andere onderwerpen dan natuur en is daar een verbeterpunt. Het gaat de Commissie m.e.r. met name om: • De effecten van stikstofdepositie; • De effecten van recreatie op beschermde soorten van Natura 2000-gebieden; • De effecten op beschermde soorten in het algemeen; De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan buitengebied Wouw. Daarnaast heeft de Commissie m.e.r. een aantal aanbevelingen/ verbeterpunten. Reactie In het vervolg van deze notitie is per onderwerp een reactie gegeven op het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r., is waar relevant aanvullende informatie en motivatie gegeven en is aangegeven hoe hiermee wordt omgegaan in het vast te stellen bestemmingsplan Buitengebied Wouw.
1) Effecten van stikstofdepositie Toetsingsadvies Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. constateert dat het MER concludeert dat het plan leidt tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofemissie, verdroging en verstoring en dat het bestemmingsplan, om dit te voorkomen, regels bevat waardoor bijvoorbeeld de uitbreiding van een veehouderij niet tot meer ammoniakemissie mag leiden. De Commissie m.e.r. is van mening dat vervolgens in het MER moet worden beoordeeld of de ruimte die het bestemmingsplan geeft voor dergelijke ontwikkelingen, in werkelijkheid ook kan worden ingevuld binnen de randvoorwaarden van wet- en regelgeving. Met andere woorden, of de geboden uitbreidingsruimte in het bestemmingsplan in de praktijk uitvoerbaar is. De omvang van de effecten van met name stikstofdepositie en verstoring zijn echter niet goed uitgewerkt. Ook is niet duidelijk wélke beperkingen of voorwaarden noodzakelijk zijn om tot een uitvoerbaar plan te komen en of de regel in het plan daar invulling aan geeft. Daarnaast sluit het bestemmingsplan wat betreft extern salderen en compenserende maatregelen niet aan op de conclusies in het MER en de passende beoordeling. Op een aantal onderwerpen is daarom een aanvulling van het MER en de passende beoordeling nodig. Effecten van de stikstofdepositie De Commissie m.e.r.
constateert dat de conclusie dat het plan door extra stikstof leidt tot negatieve effecten op Natura 2000- gebieden niet is onderbouwd met een berekening. Hiermee hangt samen dat de huidige situatie, en daarmee de referentiesituatie, niet goed in beeld is gebracht. Ook zijn niet alle activiteiten die tot extra stikstofdepositie kunnen leiden onderzocht. Referentiesituatie Het MER maakt naar mening van de Commissie m.e.r. niet duidelijk of er sprake is van nietbenutte ruimte in de bestaande stallen en wat de omvang hiervan is. Hierdoor is de huidige feitelijke situatie niet gekwantificeerd en is niet inzichtelijk of hier bij de effect-bepaling van het plan rekening mee is gehouden. Ook is niet duidelijk of bestaande bedrijven mogelijkheden hebben de emissie te beperken. Dit kan voor veehouderijen onder andere door toepassing van staltechnieken. Het MER moet per (type) bedrijf laten zien dat er staltechnieken beschikbaar zijn waarmee de emissies zodanig kunnen worden beperkt dat het volledige bouwvlak ingevuld kan worden, terwijl aan de planregels met betrekking tot emissie en depositie wordt voldaan.
Om te bepalen in hoeverre bedrijven de ontwikkelruimte van het plan kunnen gebruiken en het plan dus in de praktijk uitvoerbaar is, is het nodig inzicht te bieden in: • de huidige feitelijke situatie met betrekking tot dieraantallen (de huidige bezetting), • de maximaal mogelijke bezetting in de huidige situatie; • bestaande stalsystemen; • of sprake is van weidegang; • wat beschikbare emissiebeperkende technieken per diercategorie zijn. Hiermee kan onderbouwd worden dat de dieraantallen die het plan mogelijk maakt, gerealiseerd kunnen worden zonder extra stikstofdepositie op daarvoor gevoelig natuur. Activiteiten die kunnen leiden extra stikstofdepositie Het MER stelt volgens de Commissie m.e.r. dat de uitbreiding van bestaande kwekerijen en werken binnen het vergunningenstelsel niet leiden tot een toename van stikstofuitstoot en daarmee tot extra stikstofdepositie. Deze conclusie is niet volledig onderbouwd: niet duidelijk is of rekening is gehouden met de invloed van emissies van NOx. Denk bijvoorbeeld aan uitstoot via verwarming, warmte-krachtkoppeling, verkeer en aanwending van meststoffen. Effecten van de uitbreiding van recreatieve voorzieningen op vermesting en verzuring door stikstof zijn niet op voorhand uit te sluiten, zo staat in het MER. De omvang van deze effecten is niet beschreven, en ook is niet duidelijk welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn.
Uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan In specifieke gevallen laat het plan een toename van ammoniakemissie toe bij uitbreiding van de veestapel. Op het moment van individuele vergunningverlening is dan een passende beoordeling nodig. Echter, al bij het besluit over het bestemmingsplan moet duidelijk zijn of de ontwikkelruimte die het plan biedt, gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat: • noodzakelijke maatregelen of beperkingen om aan wettelijke normen te voldoen, voldoende concreet moeten zijn, • de passende beoordeling bij het bestemmingsplan aantoont dat met deze maatregelen de gewenste ontwikkelingen ook echt uitvoerbaar zijn.
Conclusie De Commissie adviseert in aanvulling op het MER en de passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in beeld te brengen en de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen door: • inzicht te bieden in de huidige feitelijke situatie met betrekking tot dieraantallen, bestaande stalsystemen en beschikbare emissiebeperkende technieken per diercategorie; • aan te tonen hoe de aanwezige veehouderijen de gebruiks- en ontwikkelruimte die het plan biedt, daadwerkelijk in kunnen vullen zonder toename van stikstofdepositie; • te beschrijven wat activiteiten die het plan mogelijk maakt, zoals uitbreiding of aanpassing van bestaande kwekerijen en recreatieve voorzieningen, bijdragen aan de stikstofdepositie en welke mitigerende maatregelen hiervoor nodig zijn; • te onderbouwen dat de voorgestelde maatregelen niet leiden tot negatieve effecten door stikstofdepositie. Extern salderen en compenserende maatregelen Het is volgens de Commissie m.e.r. niet duidelijk hoe de conclusies uit het MER en de passende beoordeling zijn gebruikt bij opstellen van het ontwerpbestemmingsplan. Zo biedt het plan de mogelijkheid tot extern salderen. Omdat extern salderen als mitigerende maatregel wordt beschouwd, moet in dat geval een passende beoordeling worden opgesteld.
De passende beoordeling bij het MER gaat nu niet in op extern salderen. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan mogelijkheden biedt die niet zijn onderzocht in het MER. Het MER spreekt alleen over mitigerende maatregelen, terwijl het ontwerpbestemmingsplan ook de mogelijkheid biedt tot compensatie met inrichting- of beheermaatregelen. Relevant in dit kader is dat wanneer sprake is van compenserende maatregelen, een ADC-toets plaats moet vinden. Ook is relevant dat, mocht er sprake zijn van nadelige effecten op Natura2000-gebieden in België, een grensoverschrijdende procedure doorlopen moet worden. De Commissie adviseert in aanvulling op het MER en de passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming: • te onderbouwen dat alle mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voldoende zijn onderzocht, denk daarbij specifiek aan extern salderen en compenserende maatregelen; • te laten zien hoe de conclusies en mogelijke maatregelen uit het MER en de passende beoordeling een rol hebben gespeeld bij het formuleren van de regels in het ontwerpbestemmingsplan; Reactie op het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r.
Noodzaak in beeld brengen huidige situatie en berekening? Inzicht in de huidige situatie van de veehouderijen is en berekening van het stikstofeffect is niet noodzakelijk voor de constatering van het stikstofprobleem en de noodzaak van aanvullende maatregelen in de het bestemmingsplan. Gezien de reikwijdte van stikstof en de afstand tot stikstofgevoelig Natura2000-gebied zal elke toename van stikstof door uitbreiding van veehouderijen leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebied, zeker
gezien de juridische verplichting om uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheden. Hoe groot het effect is maakt niet uit, elke toename is in potentie een belemmering van de realisatie van stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen. Inzicht in de huidige situatie en berekening van de toename voegt aan deze conclusie niets toe. Ook de aanvullende maatregel en het noodzakelijke effect van de aanvullende maatregel is op voorhand bekend: een stikstofvoorwaarde ter voorkoming van toename van depositie op Natura2000-gebieden. De toename moet 0 zijn. Ook hiervoor voegt een berekening niets toe aan de conclusie. Toename van de veestapel is verboden. In de regels zijn mogelijkheden opgenomen om toch tot een toename te komen. Deze mogelijkheden zijn gekoppeld aan voorwaarden. Voor wat betreft stikstof dient voldaan te worden aan het standstill-beginsel, dat wil zeggen dat de toename gepaard moet gaan met compenserende maatregelen. Hiermee kan worden geconcludeerd dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. De Commissie m.e.r.
stelt terecht dat als kwekerijen en werken binnen het vergunningenstelsel gebruik maken van bronnen met uitstoot van stikstof (zoals verwarming, materieel), dat kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000gebieden. Om dit te voorkomen is in het vastgestelde bestemmingsplan een vergelijkbare stikstofvoorwaarde voor dergelijke activiteiten opgenomen als voor veehouderijen is gedaan. Met een stikstofvoorwaarde wordt toename van stikstofdepositie op voorhand voorkomen en is daarmee geen sprake van negatieve effecten op Natura2000-gebieden. Hoe groot het stikstofeffect is, maakt voor de conclusie, de noodzaak en de werking van de stikstofvoorwaarde niet uit. De uitvoerbaarheid is aan de ondernemer zelf. Noodzaak motivatie uitvoerbaarheid? De gemeente deelt de mening van de Commissie m.e.r. niet over het onvoldoende gemotiveerd zijn van de uitvoerbaarheid van de stikstofmaatregel. In het voornemen (het ontwerpbestemmingsplan) is duidelijk aangegeven dat voor de veehouderijen de depositie van stikstof niet mag toenemen. In de praktijk betekent dat een verbod op toename van vee, tenzij er sprake is van compenserende maatregelen. Eenzelfde bepaling is in het vastgestelde bestemmingsplan opgenomen voor de uitbreiding van andere activiteiten die tot een toename van depositie kunnen leiden. Het is daarmee duidelijk dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.
Immers, als op inrichtingsniveau vaststaat dat geen toename van depositie plaatsvindt, dan kan pas een uitbreiding of aanpassing plaatsvinden. Daarmee is het bestemmingsplan altijd uitvoerbaar, immers tegenover uitbreiding dient vanwege het overbelast zijn van het desbetreffende Natura 2000-gebied, altijd een compensatie plaats te vinden. Om die reden is de uitvoerbaarheid van de stikstofmaatregel dan ook globaal en kwalitatief beschouwd in het MER (in Hoofdstuk bij de conclusies over natuur). Er is niet gerekend aan uitvoerbaarheid. Het is bekend (en beschreven) dat niet alle bedrijven en bedrijfstypen kunnen uitbreiden binnen de stikstofmaatregel. Het is ook bekend (en beschreven) dat de mogelijkheden met de continue aanscherping van de provinciale regelgeving kleiner worden. Toch wil de gemeente planologisch de ruimte bieden en het aan de ondernemers laten of ze wel of geen gebruik hiervan kunnen/willen maken. Bovendien is ook aangegeven dat de uitbreidingsruimte ook benut kan worden voor activiteiten zonder stikstoftoename. Vertaling naar bestemmingsplan: extern salderen en compenseren? De constatering dat MER/Passende beoordeling en bestemmingsplan niet op elkaar aansluiten als het gaat over extern salderen en compenseren klopt.
In het MER en Passende beoordeling is geen rekening gehouden met de mogelijkheden voor extern salderen en compenseren in het ontwerpbestemmingsplan. Extern salderen en compenseren van effecten op Natura2000-
gebieden kan niet op voorhand sluitend in het MER en Passende beoordeling gemotiveerd worden, omdat dit pas uitgewerkt wordt in de vervolgprocedures (vergunningen) voor individuele projecten. In een MER en Passende beoordeling mag dit niet vooruitgeschoven / uitgesteld worden omdat de gemeenteraad niet het bevoegd gezag is voor afweging van extern salderen en compenseren (is de provincie in het kader van de vergunningverlening in het kader van de Wet Natuurbescherming). Voor een sluitende stikstofmotivatie op bestemmingsplanniveau zou het bestemmingsplan geen ruimte mogen bieden voor extern salderen en compenseren. In het vastgestelde bestemmingsplan is de mogelijkheid van externe saldering daarom geschrapt. Noodzaak grensoverschrijdende procedure? Er is geen noodzaak voor een grensoverschrijdende procedure. Voor een sluitende stikstofmotivatie is een stikstof-voorwaarde opgenomen in het bestemmingsplan. Deze voorkomt niet alleen toename op stikstofdepositie op Nederlandse Natura2000-gebieden, maar daarmee ook toename van stikstofdepositie op (verderweg)gelegen Vlaamse Natura2000gebieden.
Aanpassingen in het bestemmingsplan Buitengebied Wouw Om de bovenvermelde redenen is in het vastgestelde bestemmingsplan, de mogelijkheid van toename van activiteiteten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000 gebieden, nader gekoppeld aan de voorwaarde dat deze activiteiten niet mogen leiden tot een toename van stikstofdepositie. Gegeven het feit dat het Natura 2000-gebied overbelast is, betekent dit in wezen dat pas gebruik kan worden gemaakt van deze mogelijkheid als op inrichtingsniveau een compensatie plaatsvindt. 2) Effecten van recreatie op beschermde soorten Natura2000-gebieden Toetsingsadvies Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. constateert dat het bestemmingsplan uitbreiding van recreatieve voorzieningen mogelijk maakt. Volgens de Commissie m.e.r. leidt dit tot meer verstoring in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Hoe groot deze toename van recreatie is en tot welke extra verstoring dit leidt is volgens de Commissie m.e.r. niet toegelicht. Het Beheerplan Natura 2000 voor de Brabantse Wal beschrijft maatregelen om in de toekomst de recreatiedruk te reguleren. Daarom is er ook geen sprake van negatieve effecten door het ontwerpbestemmingsplan, zo staat in het MER. Deze conclusie is naar mening van de Commissie m.e.r.
echter niet terecht omdat effecten op Natura 2000-gebieden afgezet moeten worden tegen de huidige feitelijke situatie. Hierbij mag nog geen rekening gehouden worden met (onzekere) toekomstige maatregelen. Bij vaststelling van het plan moet duidelijk zijn hoeveel de recreatie gaat toenemen en tot hoeveel extra verstoring dit leidt, vóórdat de effecten in beeld gebracht kunnen worden De Commissie adviseert in aanvulling op het MER en de passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van de toename van recreatieve voorzieningen op Natura2000-gebieden te onderbouwen door: • de omvang en verspreiding van de toename van het aantal recreanten concreet te maken op basis van de maximale mogelijkheden die het plan biedt; • de verspreiding van voor verstoring gevoelige soorten van Natura 2000-gebieden in beeld te brengen; • de effecten van de recreatie op deze soorten te beschrijven en beoordelen ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. Reactie op het toetsingsadvies van de Commissie MER
Uit de bewoording in de passende beoordeling kan de indruk zijn ontstaan dan de maatregelen om recreatiedruk te beperken noodzakelijk zijn voor het voorkomen van een significant negatief effect van recreatie als gevolg van het bestemmingsplan op Natura 2000-gebied de Brabantse Wal en dat deze maatregelen nog genomen moeten worden. Indien deze maatregelen nog genomen moeten worden, zou inderdaad ten onrechte al uitgegaan worden van positieve effecten van maatregelen die nog niet vaststaan. Echter er bestaan al maatregelen om het effect van recreatiedruk zodanig te beperken dat er geen sprake is van significant negatief effect van recreatie: • Reguliere regels ter voorkoming van negatieve effecten van recreatie op natuurwaarden waar het bestemmingsplan niets aan verandert: o Alleen extensieve vormen van recreatie; op de Brabantse Wal zijn een aantal – sterk verstorende - recreatievormen verboden zoals: wandelen met loslopende honden, mountainbiken, rijden met quads, sledehondentraining buiten opengestelde wegen en paden. o Recreëren op de daarvoor bedoelde paden en wegen; o Recreëren alleen overdag (tussen zonsopgang en zonsondergang); o Recreatieve zonering: er is reeds voorzien in zones met extensieve tot intensieve recreatie.
De zones voor intensieve recreatie bestaat uit de gebieden waar vaak nu al, al dan niet lokaal, intensief wordt gerecreëerd met grotere aantallen bezoekers. Deze gebieden sluiten aan op de recreatiepoorten en kleinere onthaalpoorten met voorzieningen zoals horecagelegenheden, parkeerplaatsen, informatievoorzieningen en andere ondersteunende recreatieve voorzieningen. In deze gebieden is sprake van een actueel verstoord gebied • Gerealiseerde recreatieve poorten: in de huidig feitelijke situatie is een groot deel van het gebied recreatief goed ontsloten vanuit de omliggende dorpen en de stad Bergen op Zoom. De recreatiedruk wordt gefocust en gereguleerd via de recreatieve poorten (natuurpoorten). Lokale recreatieve poorten zijn Visdonk (te Roosendaal), Wouwse Plantage (te Wouwse Plantage), Stayokay Bergen op Zoom (te Bergen op Zoom) en De Volksabdij (te Ossendrecht) (zie figuur 1). Vanuit de natuurpoorten kunnen recreanten het Natura 2000-gebied Brabantse Wal betreden zodanig dat de rust in de rest van de Brabantse Wal behouden blijft en de recreatiedruk op het gebied beter wordt verdeeld, ook in de toekomst met eventuele toename van de recreatiedruk, ook vanuit de recreatieve ontwikkelingen vanuit het plan (zie voor de locaties van mogelijke ontwikkelingen ten opzichte van de natuurpoorten figuur 2).
duidelijk is, waarom het MER vervolgens wel een uitgebreide lijst van mitigerende maatregelen bevat en wat de status hiervan is. De Commissie adviseert in aanvulling op het MER, voorafgaand aan besluitvorming, de effecten van de maximale mogelijkheden die het plan biedt op beschermde soorten te onderbouwen door: • te beschrijven wat de grootste risico’s en/of bedreigingen zijn voor beschermde soorten, uitgaande van de maximale mogelijkheden die het plan biedt; • te beschrijven welke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn om wezenlijk negatieve gevolgen te voorkomen. Reactie op het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. Er is in het MER middels een bureaustudie globaal en op gebiedsniveau inzicht gegeven in welke beschermde plant- en diersoorten in het plangebied verwacht kunnen worden op basis van waarnemingen in het verleden. Dit op een manier en abstractieniveau zoals gangbaar voor MER-ren bij bestemmingsplannen buitengebied en geaccepteerd door de Raad van de State. Vervolgens is een inschatting gegeven van mogelijke effecten van ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan, niet alleen voor veehouderijen, maar ook voor de overige ontwikkelingsmogelijkheden zoals kwekerijen/TOV, werken in het vergunningenstelsel en (kleinschalige) recreatie.
Geconstateerd is dat negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, maar over het algemeen middels een goede inpassing dan wel mitigatie beperkt blijven en naar verwachting niet leiden tot wezenlijk negatieve effecten op populatieniveau c.q. op de gunstige staat van instandhouding van de soorten. De raad kan op basis van deze informatie het plan vaststellen want hij kan op voorhand in redelijkheid inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Detailonderzoek en -afweging of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. voor individuele ontwikkelingen, wanneer de ontwikkelingen verder geconcretiseerd zijn. Wanneer bekend is wat de ontwikkeling precies inhoudt, wordt gericht onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten ter plaatse en de effecten van de ontwikkeling hierop en wordt gekeken of planoptimalisatie / mitigatie nodig is. De toetsing vindt plaats in het kader van de Wet natuurbescherming en een mogelijke ontheffingsaanvraag Wet Natuurbescherming. Deze werkwijze is gangbaar in plan- en besluitvorming en geaccepteerd door de Raad van State.
Dat er in het MER een overzicht is opgenomen van mitigerende maatregelen wil niet zeggen dat deze nodig zijn (met andere woorden dat het bestemmingsplan tot te mitigeren effecten leidt), maar is meer onderbouwing van mogelijkheid tot mitigatie en daarmee de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in het kader van de Wet natuurbescherming. Overigens is een dergelijk overzicht van mogelijke mitigerende maatregelen juist opgenomen naar aanleiding van toetsingsadviezen van de Commissie m.e.r. op MER-ren bestemmingsplannen buitengebied elders. Aanpassingen in het bestemmingsplan Buitengebied Wouw Het advies van de Commissie m.e.r. leidt behalve de bovenstaande aanvullende informatie en motivatie niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. 4) Doorkijk naar toekomstige ontwikkelingen Aanbeveling Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. constateert dat de gemeente met het bestemmingsplan in wil spelen op toekomstige ontwikkelingen. Om welke ontwikkelingen het gaat en hoe hier rekening mee wordt gehouden blijkt niet uit het MER. Verwachte ontwikkelingen zoals de Wet stikstofreductie
en natuurverbetering komen niet aan bod, net als de gemeentelijke visie op zonne-energie en de plannen uit de concept-RES. Tegelijkertijd biedt het plan wel de mogelijkheid om zonneparken aan te leggen ter plaatse van de hoogspanningsleiding. Niet duidelijk is of dit in het MER is onderzocht. Verder valt op dat eventuele kansen voor (verdere) verbetering van het milieu niet aan bod komen. Zo is niet ingespeeld op scenario’s voor klimaatverandering, verbetering van bodem en water en bijvoorbeeld natuurinclusieve en kringloop-landbouw. De Commissie constateert dat in het MER een doorkijk naar de betekenis van toekomstige ontwikkelingen op het buitengebied ontbreekt en dat het MER niet laat zien hoe kansen voor verbetering van het milieu verzilverd kunnen worden. Reactie op de aanbeveling van de Commissie m.e.r. Dat de gemeente met het bestemmingsplan wil inspelen op toekomstige ontwikkelingen moet in perspectief gezien worden van de totale doel- en kaderstelling van het bestemmingsplan. Aanleiding voor het opstellen van het bestemmingsplan is de noodzaak tot vervanging van het vigerende plan uit 2010.
De gemeente heeft ervoor gekozen om voor het buitengebied van Wouw (nog) een “traditioneel” bestemmingsplan buitengebied op te stellen om samen met het in 2016 vastgestelde Bestemmingsplan Buitengebied Nispen één gemeentebreed ruimtelijkplanologisch kader te hebben voor het buitengebied van Roosendaal en de verschillen in buitengebied regels tussen de voormalige gemeenten Wouw en Roosendaal-Nispen op te heffen. Het bestemmingsplan Buitengebied Wouw is planologisch grotendeels consoliderend, het maakt geen wezenlijke / grootschalige nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Wel maakt het bestemmingsplan reguliere uitbreiding van agrarische bedrijven planologisch opnieuw mogelijk, conform de mogelijkheden zoals deze al bestaan in het vigerende bestemmingsplan. De systematiek sluit zoveel als mogelijk aan op die van het Bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen uit 2016, geactualiseerd naar veranderde wet- en regelgeving, beleidskaders en milieutechnische inzichten sinds 2016. Doel van het bestemmingsplan is het bieden van een actuele juridische regeling voor het buitengebied Wouw met twee hoofddoelstellingen: • het veiligstellen en vastleggen van de bestaande waarden en belangen; • het mogelijk maken van gewenste ontwikkelingen.
Het nieuwe bestemmingsplan wil – binnen de randvoorwaarden die gelden vanuit onder meer landschap, natuur en cultuurhistorie – aan de bestaande (gewenste) functies ontwikkelingsruimte bieden en daarnaast inspelen op toekomstige ontwikkelingen. Het inspelen op toekomstige ontwikkelingen is geen hoofdoelstelling maar speelt “daarnaast”. De gemeente stelt momenteel een Omgevingsvisie op. In de omgevingsvisie worden toekomstthema’s als klimaatadaptatie, energie-transitie (inclusief relatie met de RES), landbouwtransitie, toekomst buitengebied e.d. behandeld. Het is een bewuste keuze van de gemeente om deze toekomstthema’s niet, vooruitlopend op de Omgevingsvisie, te agenderen in het bestemmingsplan buitengebied Wouw en daarmee ook niet in het MER. Aanpassingen in het bestemmingsplan Buitengebied Wouw Het advies van de Commissie m.e.r. leidt behalve de bovenstaande aanvullende informatie en motivatie niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. 5) Doorvertaling maatregelen MER in bestemmingsplan Aanbeveling Commissie m.e.r. Hoofdstuk 5 van het MER beschrijft per aspect met welke maatregelen effecten voorkomen of beperkt kunnen worden (de mogelijke mitigerende maatregelen). Het MER maakt niet concreet of deze maatregelen ook plaats gaan vinden, en in welke mate de milieueffecten daarmee
verminderen. Het ontwerpbestemmingsplan bevat vervolgens wel specifieke voorwaarden om effecten te beperken of te voorkomen en borgt daarmee de beoogde maatregelen. Reactie op de aanbeveling van de Commissie m.e.r. De constatering van de Commissie m.e.r. klopt dat het MER niet aangeeft welke maatregelen in het bestemmingsplan zijn overgenomen en welk effect dit heeft op de beschreven milieueffecten. Dit kon ook niet, omdat op het moment van opstellen van het bestemmingplan niet bekend was, welke vorstellen voor mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan zouden worden overgenomen. Dit is ook niet in de m.e.r.-paragraaf in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan gedaan. Dat wil niet zeggen dat geen “vertaling” van het MER naar het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. Zoals de Commissie m.e.r. terecht constateert, bevat het bestemmingsplan diverse voorwaarden om negatieve milieueffecten te voorkomen dan wel te beperken. Deels volgend vanuit vigerende wet- en regelgeving en beleid (bijvoorbeeld het provinciale beleid), deels overgenomen uit de voorstellen zoals gedaan in het MER. Om duidelijk te maken hoe met de voorstellen uit het MER in het bestemmingsplan is omgegaan is in de bijlage een overzicht opgenomen van de voorstellen, hoe hiermee is omgegaan in het MER en welke effecten dit heef op de beoordeling.
Aanpassingen in het bestemmingsplan Buitengebied Wouw Zie bijlage 6) Beoordeling effecten op doelstelling veiligstellen bestaande waarden en belangen Aanbeveling Commissie m.e.r. Voor het bestemmingsplan zijn twee doelstellingen geformuleerd. Hoe de tweede doelstelling, ‘het veiligstellen en vastleggen van de bestaande waarden en belangen’, een plek in het plan heeft gekregen, staat niet in het MER. In dat kader valt op dat het plan op veel aspecten (enigszins) negatief is beoordeeld, zoals voor landschap, water en natuur. Omdat de mitigerende maatregelen niet concreet zijn, lijkt de tweede doelstelling niet binnen handbereik te liggen. Ook hier geldt dat deze doelstelling wel een duidelijke plek heeft gekregen in de voorwaarden in het ontwerpbestemmingsplan. De regels in het ontwerpbestemmingsplan borgen dat effecten zoveel mogelijk beperkt blijven en sluiten aan op de tweede doelstelling van het plan. De invulling die de regels geven aan de Interim Omgevingsverordening en het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant zorgen hiervoor. Beide richten zich namelijk op onder andere behoud en versterking van bestaande waarden, zoals landschap, water en natuur. Dit is in het ontwerpbestemmingsplan vertaalt naar voorwaarden bij een groot aantal uitbreidingsmogelijkheden.
Dus ondanks dat het MER onvoldoende ingaat op de benodigde maatregelen en doelstelling, heeft dit wel een plek in het ontwerpbestemmingsplan gekregen. Dit laat zien dat de conclusies in het MER geen duidelijke relatie leggen met de regels in het ontwerpbestemmingsplan. Het MER licht in de optiek van de Commissie m.e.r. onvoldoende toe welke concrete maatregelen nodig zijn en wat deze bijdragen aan het beperken van effecten. De bijdrage van het plan aan de doelstelling om bestaande waarden veilig te stellen laat het MER ook niet zien. De Commissie beveelt aan dit wel in beeld te brengen en in te gaan op de betekenis voor het ontwerpbestemmingsplan. De Commissie beveelt daarom aan om voorafgaand aan besluitvorming te laten zien in welke mate de voorgestelde mitigerende maatregelen leiden tot minder milieueffecten en een beter doelbereik, en hoe de maatregelen een rol hebben gespeeld bij het formuleren van de regels van het bestemmingsplan. Reactie op de aanbeveling van de Commissie m.e.r. De constatering van de Commissie m.e.r. dat in het MER niet is beschreven hoe de tweede doelstelling van het bestemmingsplan ‘het veiligstellen en vastleggen van de bestaande waarden en belangen’ in het bestemmingsplan een plek heeft gekregen, wordt niet gedeeld.
Het is primair aan het bestemmingsplan zelf om deze doelstelling te beschrijven en te toetsen. In het MER is deze doelstelling wel degelijk benoemd. Hij is ingevuld door: • Een uitgebreide beschrijving te geven van de waarden en belangen; • De effecten hierop van mogelijke ontwikkelingen te beschrijven, eventuele mogelijke mitigerende maatregelen te benoemen om effecten te voorkomen dan wel te beperken en deze beide (effecten en mogelijke mitigerende maatregelen) als aandachtspunten mee te geven aan het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zijn vervolgens, zoals de Commissie m.e.r. ook constateert, de waarden en belangen beschermd door aanduidingen en voorwaarden, waarmee waarden en belangen veiliggesteld en vastgelegd zijn en wordt voldaan aan de tweede doelstelling van het bestemmingsplan. Het klopt dat het MER vooral gefocust heeft op (negatieve) effecten van ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan. Dit is ook het doel van het MER: inbreng van het milieubelang in de plan- en besluitvorming door een inventarisatie van milieuwaarden, een beschrijving van verwachte effecten op deze waarden en het voorstellen van mogelijke mitigerende maatregelen. Dat uit de effectenbeoordeling vooral negatieve effecten blijken, is niet onlogisch.
Het MER beschrijft conform juridische eisen de mogelijke effecten worst-case: op basis van de maximaal mogelijke planologische mogelijkheden. Overigens is geen sprake van zeer negatieve effecten. Op de meeste aspecten is de beoordeling neutraal tot gering negatief: m.a.w. effecten zijn naar verwachting gering, maar op het niveau van het plangebied als geheel niet volledig te voorkomen. Dat wil niet zeggen dat daarmee niet wordt voldaan een de doelstelling “veiligstellen en vastleggen van waarden en belangen”. Daarbij komt dat in de worst-case effectenbenadering ook nog geen rekening is gehouden met het effect van mitigerende maatregelen. Zoals onder reactie 6 al is beschreven is het effect hiervan niet beschreven in het MER, omdat ten tijde van het opstellen van het MER nog niet bekend was in hoeverre mitigerende maatregelen zouden worden overgenomen in het bestemmingsplan. Om dit inzichtelijk te maken is in de bijlage het effect van mitigerende maatregelen op de effectbeschrijving en beoordeling beschreven. Aanpassingen in het bestemmingsplan Buitengebied Wouw Zie bijlage 7) Samenvatting en effectbeoordeling Toetsingsadvies Commissie m.e.r. De Commissie m.e.r. stelt dat het MER start met een zeer uitgebreide samenvatting. Deze bevat niet alleen veel kaartmateriaal maar ook tekstdelen die letterlijk uit het MER overgenomen zijn.
Het MER is een belangrijk middel om de omgeving te informeren. Dit vraagt vooral in de samenvatting om bondige en krachtige teksten. Houd bij het schrijven van de samenvatting in het achterhoofd dat deze de kern van het MER moet weergeven en leesbaar moet zijn voor een algemeen publiek. De Commissie beveelt aan hier in de toelichting voor de besluitvorming aandacht aan te besteden. De beschrijvingen van de huidige situatie en het beleidskader zijn grondig uitgewerkt. Deze informatie kan beter benut worden in de rest van het MER. Door de beschikbare en gepresenteerde informatie beter te koppelen aan de effectbeschrijving doet het MER meer recht aan de specifieke kenmerken van (delen van) het buitengebied. De Commissie beveelt aan hier bij toekomstige besluiten meer aandacht aan te besteden. Hoofdstuk 2 bevat bijvoorbeeld veel tekst om het beleid te beschrijven, zonder de betekenis ervan voor dit specifieke plan duidelijk te maken. Door dit wel te doen, kan het MER beter laten zien hoe beleid en plan op elkaar aansluiten. Denk bijvoorbeeld aan de doelen van het Landschapsontwikkelingsplan en de Structuurvisie die richting geven aan de gewenste ontwikkelingen in het buitengebied.
Reactie op de aanbeveling van de Commissie m.e.r. De aanbeveling van de Commissie m.e.r. wordt gesnapt. Maar er is juist voor een complete samenvattingsvorm gekozen om publiek volledig te informeren, zonder daarvoor het hele MER te hoeven lezen. De constatering dat de informatie van de huidige situatie en het beleidskader beter benut had kunnen worden bij de effectbeschrijving wordt niet gedeeld. De informatie is wel degelijk gebruikt bij de effectbepaling en beoordeling. De effectbepaling en beoordeling is wel gedaan op het abstractieniveau van een plan-MER Buitengebied: op het niveau van het buitengebied als geheel, met specificatie op deelgebieden waar relevant. Locatiespecifieke toetsing en afweging vindt plaats in vervolgprocedures voor individuele ontwikkelingen zelf. De toets aan en consequenties van beleid staan wellicht niet expliciet in het MER, maar wel in het bestemmingplan zelf. Aanpassingen in het bestemmingsplan Buitengebied Wouw Het advies van de Commissie m.e.r. leidt behalve de bovenstaande aanvullende informatie en motivatie niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Bijlage: Hoe in bestemmingsplan is omgegaan met voorstel mogelijke mitigerende maatregelen uit het MER Landschap Tekst MER • Negatieve effecten op landschap worden in het bestemmingsplan deels al voorkomen dan wel beperkt door vertaling van de regels van de Interim Omgevingsverordening (zuinig ruimtegebruik, zorgplicht landschap, kwaliteitsverbetering landschap) en de vertaling ervan in de regels binnen de bestemmingen Natuur, Agrarisch met natuuren landschapswaarden en Agrarisch met landschapswaarden en de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling landschap; • Lokaal kan de openheid behouden blijven/versterkt worden door het voorkomen van (nieuwe) verstorende elementen als TOV, hoger opgaande gewassen of dit te beperken tot de directe omgeving van de al bestaande bebouwing . In het bestemmingsplan kan binnen de aanduidingen Agrarisch met natuur- en landschapswaarden en Agrarisch met landschapswaarden een verbod op (nieuwe) activiteiten met een negatief effect op openheid worden opgenomen (bv voor TOV, kwekerijen, hoogopgaande gewassen). Alternatief is een voorwaardelijke bepaling voor (nieuwe) activiteiten met een mogelijk negatief effect op openheid. De wijze van formuleren kan variëren van “geen negatief effect op openheid” tot “geen wezenlijk negatief effect op openheid”.
In beide gevallen dient de initiatiefnemer voor een (nieuwe) activiteit met mogelijk effect op openheid te tonen dat de activiteit geen of geen wezenlijk negatief effect heeft. Hoe mee omgegaan in bestemmingsplan en effect dat daarmee bereikt wordt Zoals al in het MER gesteld worden effecten op landschappelijke waarden al in het bestemmingsplan voorkomen dan wel beperkt door beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen. Aardkundig waardevolle gebieden (zoals Smallebeek) zijn aangeduid en beschermd door regels in de provinciale Interim Omgevingsverordening. Ook aangeduid in het bestemmingsplan zijn door de gemeente landschappelijk waardevol en beschermingswaardig geachte gebieden (bv hoevelandschap en veenontginningenlandschap) en elementen (bv bomen en groenstructuren). De algemene regels uit de provinciale Interim Omgevingsverordening zoals zorgvuldig ruimtegebruik, meerwaardecreatie en kwaliteitsverbetering landschap borgen dat ontwikkelingen rekening moeten houden met landschappelijke waarden en landschap ter plaatse moeten versterken. In het bestemmingsplan zijn bij ontwikkelingsmogelijkheden o.a.
de volgende voorwaarden opgenomen: • aantoonbaar geen onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige landschappelijke waarden; • bijdrage aan kwaliteitsverbetering landschap, passend in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en bijdrage aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waarbij de landschappelijke inpassing tenminste 10 % van de omvang van het totale bouwvlak omvat. Dit geldt ook voor de in het MER aangegeven aandachtspunten voor teeltondersteunende voorzieningen. Er is in het bestemmingsplan niet voor een algeheel verbod gekozen, maar voor de bovengenoemde voorwaarden. 36 Met deze beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen wordt een negatief effect op landschappelijke waarden voorkomen en met de kwaliteitsverbetering landschap kan zelfs sprake zijn van een positief effect. De beoordeling van de effecten op landschap wordt
36
regels
daarmee neutraal tot enigszins positief (0/+) in plaats van neutraal/ enigszins negatief (0/-) tot negatief (-) zonder maatregelen.
Cultuurhistorie Tekst MER • Monumentale waarden in het plangebied (rijks- en gemeentemonumenten) zijn al beschermd in het bestemmingsplan; • Overige cultuurhistorische waarden zijn voornamelijk cultuurlandschappelijke: Voorwaarden over landschap voorkomen/beperken ook negatieve effecten op deze overige cultuurhistorische waarden. Deze zijn al opgenomen in het bestemmingsplan. Hoe mee omgegaan in bestemmingsplan en effect dat daarmee bereikt wordt Vergelijkbaar met landschap worden zoals al in het MER gesteld effecten op cultuurhistorische waarden al in het bestemmingsplan voorkomen dan wel beperkt door beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen. Monumenten zijn aangeduid en beschermd in het kader van de Erfgoedwet (Rijksmonumenten) en het gemeentelijke erfgoedbeleid (gemeentelijke monumenten). Cultuurhistorisch waardevolle gebieden en complexen zijn aangeduid en beschermd door regels in de provinciale Interim Omgevingsverordening en het gemeente erfgoedbeleid. Specifiek aangeduid is de molenbiotoop rond de molen. Ook aangeduid in het bestemmingsplan zijn door de gemeente cultuurhistorisch-landschappelijk waardevol en beschermingswaardig geachte gebieden (bv hoevelandschap en veenontginningenlandschap) en elementen (bv bomen en groenstructuren).
De algemene regels uit de provinciale Interim Omgevingsverordening zoals zorgvuldig ruimtegebruik, meerwaardecreatie en kwaliteitsverbetering landschap borgen dat ontwikkelingen ook rekening moeten houden met cultuurhistorisch-landschappelijke waarden en cultuurhistorisch landschap ter plaatse moeten versterken. In het bestemmingsplan is bij ontwikkelingsmogelijkheden o.a. de volgende voorwaarde opgenomen: • aantoonbaar geen onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Met deze beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen wordt een negatief effect op cultuurhistorische waarden voorkomen en met de kwaliteitsverbetering landschap kan zelfs sprake zijn van een positief effect. De beoordeling van de effecten op cultuurhistorie wordt daarmee neutraal tot enigszins positief (0/+) in plaats van neutraal/ enigszins negatief (0/-).37 Archeologie Tekst MER • Archeologische monumenten zijn al beschermd in het bestemmingsplan; • Gebieden met (hoge) archeologische verwachtingswaarde worden in het bestemmingsplan beschermd dooreen dubbelbestemming archeologie.
Hoe mee omgegaan in bestemmingsplan en effect dat daarmee bereikt wordt Vergelijkbaar met landschap en cultuurhistorie worden zoals al in het MER gesteld effecten op archeologische waarden al in het bestemmingsplan voorkomen dan wel beperkt door beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen. Archeologische monumenten zijn aangeduid en beschermd in het kader van de Erfgoedwet. Voor gebieden met archeologische verwachtingswaarde geldt een onderzoekplicht voorafgaand aan verstoring. Met deze beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen wordt een negatief effect op archeologische waarden voorkomen. De beoordeling van de effecten op archeologie wordt daarmee neutraal (0) in plaats van neutraal/ enigszins negatief (0/-).
37
regels
Bodem Tekst MER • De effecten op bodem noodzaken niet tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan, dan wel kunnen niet in het bestemmingsplan worden vastgelegd (gebruik gewasbeschermingsmiddelen, bemesten). Hoe mee omgegaan in bestemmingsplan en effect dat daarmee bereikt wordt Zoals in het MER al gesteld geven de effecten op bodem geen aanleiding tot mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan. Bodemkwaliteit is geborgd door wettelijke eisen. Daarnaast is in het bestemmingsplan bij ontwikkelingsmogelijkheden o.a. de volgende voorwaarde opgenomen: • aantoonbaar geen onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige bodem- en milieu-hygiënische waarden. Met deze voorwaarde aan ontwikkelingen wordt een negatief effect op bodemwaarden voorkomen. De beoordeling van de effecten op bodem blijft daarmee neutraal (0) tot neutraal/enigszins (0/+).38 Water Tekst MER • In en rond de hydrologische gevoelige natuurgebieden zelf gelden in het bestemmingsplan al beperkingen ten aanzien van het gebruik ter bescherming van de ecologische waarden. Gezien de gevoeligheid van deze gebieden zou de beschermingsregeling zo streng moeten zijn dat (nieuwe) activiteiten met een negatief hydrologisch niet mogelijk zijn: bv. slootdempingen, teeltwisseling naar mais/kwekerij.
Alternatief is het opnemen van een voorwaardelijke bepaling voor alle (nieuwe) activiteiten die een negatief hydrologisch effect kunnen hebben. De wijze van formuleren kan variëren van “geen hydrologisch effect (hydrologisch neutraal)” tot “geen wezenlijk hydrologisch effect”. In beide gevallen dient de initiatiefnemer voor een (nieuwe) activiteit met mogelijk hydrologisch effect aan te tonen dat de activiteit geen of geen wezenlijk hydrologisch effect heeft. Er is vanuit berekeningen elders indicatie dat het hydrologisch effect van bv slootdempingen, permanente TOV en teeltwisseling 400/500 m is. Hoe mee omgegaan in bestemmingsplan en effect dat daarmee bereikt wordt Effecten op waterwaarden worden al in het bestemmingsplan voorkomen dan wel beperkt door beschermende maatregelen en voorwaarden aan ontwikkelingen. Waterbelangen (zoals waterwingebied, grondwater-beschermingsgebied, reserveringsgebied waterberging, attentiegebied waterhuishouding, KRW waterlichamen) zijn aangeduid en beschermd door regels in de Keur van het waterschap en de provinciale Interim Omgevingsverordening. In het bestemmingsplan is bij ontwikkelingsmogelijkheden o.a. de volgende voorwaarde opgenomen: • aantoonbaar geen onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige waterhuishoudkundige waarden.