bijlage 7 bij toelichting nota van zienswijzen inclusief verslag.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied WOUW 2020 Nota zienswijzen (inclusief ambtshalve aanpassingen)
1 69
Inhoud 1.
Inleiding en conclusies
3
1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
3 4 4 4
Doel en opzet nota Overzicht zienswijzen Wijzigingen bestemmingsplan n.a.v. ingediende zienswijzen Ambtshalve aanpassingen bestemmingsplan
2.
Samenvatting en beantwoording zienswijzen
3.
Ambtshalve aanpassingen
Bijlagen: 1. Verslag hoorzitting 2. Verzoeken om ambtshalve wijziging
2 69
5 41
1. Inleiding en conclusies
1.1.
Doel en opzet nota
Beantwoording zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Buitengebied Wouw 2020’ heeft met ingang van 14 december 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Met ingang van 18 januari 2021 is nog een nieuwe termijn opengesteld, vanwege een onvolkomenheid in de oorspronkelijke bekendmaking. Om te voorkomen dat dit in een later stadium rechtsgevolgen met zich mee zou brengen, is besloten om het ontwerp opnieuw ter visie te leggen. Tijdens de beide perioden hebben 41 betrokkenen en belanghebbenden zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht. In deze nota zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. Ook alle aspecten die wel in de zienswijzen zijn vermeld, maar niet in de samenvatting zijn weergegeven, zijn mede in de beoordeling en overwegingen betrokken. Hoorzitting De hoorzitting van de Hoorcommissie Ruimtelijke Ordening heeft op 13 oktober 2021 plaatsgevonden. Toen zijn reclamanten in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting op de ingebrachte zienswijzen te geven. Tevens zijn door leden van de gemeenteraad en de hoorcommissie vragen gesteld aan de reclamanten. Hetgeen tijdens de zitting is besproken, is meegewogen bij de behandeling van de zienswijzen. Het verslag van deze hoorzitting alsmede de ingediende pleitnota’s zijn als separate bijlage bij deze nota gevoegd.
Overwegingen In de “Rapportage vooroverleg en inspraak” zijn overwegingen opgenomen naar aanleiding van de ingekomen inspraak- en overlegreacties. Deze overwegingen maken deel uit van de onderhavige zienswijzenbehandeling en dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Aanpassing bestemmingsplan Naar aanleiding van de zienswijzen wordt het bestemmingsplan op onderdelen gewijzigd vastgesteld. Daarnaast zijn ook nog ambtshalve aanpassingen noodzakelijk. Exploitatieplan Het kostenverhaal, als geregeld in de Wro en voor zover samenhangend met het onderhavige bestemmingsplan, is in zijn geheel verzekerd door middel van daartoe gesloten anterieure overeenkomsten. Leeswijzer De hiernavolgende paragrafen 1.2 en 1.3 verwijzen respectievelijk naar de separate overzichten van de binnengekomen zienswijzen en de in het bestemmingsplan aan te brengen wijzigingen. In hoofdstuk 2 worden de zienswijzen samengevat en beantwoord. De ambtshalve aanpassingen worden weergegeven in hoofdstuk 3.
3 69
1.2.
Overzicht zienswijzen
In totaal zijn 41 zienswijzen ontvangen. Voor de volledigheid en verband houdend met de nummering van de ingekomen zienswijzen zijn hier ook nog wel de ingetrokken of niet ontvankelijke zienswijzen vermeld, maar deze worden verder inhoudelijk niet meer behandeld.
1.3.
Wijzigingen bestemmingsplan n.a.v. ingediende zienswijzen
Het bestemmingsplan wordt ten opzichte van het ontwerp op een aantal onderdelen gewijzigd vastgesteld als gevolg van de ingekomen zienswijzen. De wijzigingen zijn opgenomen in een afzonderlijke bijlage bij het raadsbesluit tot de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal – Nispen, de zogenaamde retrospectieve toets.
1.4.
Ambtshalve aanpassingen bestemmingsplan
Het bestemmingsplan wordt ook nog op een aantal onderdelen gewijzigd vastgesteld zonder dat dit kan worden toegeschreven aan hetgeen in de zienswijzen is verwoord. Dit wordt onder andere veroorzaakt door zaken als voortschrijdend inzicht, geconstateerde onvolkomenheden of gewenste verbeteringen. Bovendien is in enkele gevallen ook nog door enkele belanghebbenden uitdrukkelijk verzocht (los van de zienswijzenprocedure) om een bijstelling van het plan, waartegen geen bezwaar bestaat. Deze wijzigingen komen aan bod in hoofdstuk 3 van deze nota. De aanpassingen in het plan zijn eveneens opgenomen in de onder 1.3 genoemde bijlage, behorende bij het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, de zogenaamde retrospectieve toets.
4 69
2. Samenvatting en beantwoording zienswijzen
2.1. Reclamant no. 1, Zienswijze: Reclamant verzoekt om de belemmeringenstrook aan weerszijden van de betreffende leiding vanaf de Moerkantsebaan aan te passen van 4 naar 5 meter, zodat aan de wettelijke verplichtingen wordt voldaan. Overwegingen: Het verzoek van reclamant wordt op juridische gronden gehonoreerd. Conclusie: De zienswijze leidt tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan: de belemmeringenstrook van de leidingenbundel vanaf de Moerkantsebaan wordt aangepast door deze op 5 m. aan weerszijden te plaatsen. 1 2.2. Reclamant no. 2, Zienswijze: Reclamant verzoekt om de begrenzing van stedelijk gebied naar buitengebied voor het perceel kadastraal bekend gemeente Wouw, sectie O nummer 7 te wijzigen, in die zin dat op het perceel een woonbestemming wordt gelegd met de mogelijkheid het perceel te splitsen in 3 grotere kavels. In die situatie zou de Boterstraat als logische begrenzing van de woonbebouwing kunnen fungeren, aldus reclamant. Reclamant verzoekt voorts om het lint aan de Spellestraat op te rekken tot aan de Boterstraat en tot het creëren van een bouwmogelijkheid op deze locatie. Overwegingen: In de Interim omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is de begrenzing van het stedelijk gebied voor het vaststellen van een bestemmingsplan bindend vastgelegd.
Het perceel kadastraal bekend gemeente Wouw sectie O nummer 7, gelegen aan de Spellestraat te Wouw is volledig gelegen in het landelijk gebied in een aardkundig waardevol gebied. Op grond van de Interim omgevingsverordening is het niet mogelijk om in het bestemmingsplan van de begrenzing van het stedelijk gebied in de verordening af te wijken. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerp bestemmingsplan.
1
verbeelding
5 69
overschrijding is de ruimtelijke aanvaardbaarheid in de loop der jaren niet meer te beheersen. 2. Aan het vergroten van het bestemmingsvlak tot 1,5 ha voor dit niet-agrarisch bedrijf willen wij geen medewerking verlenen. In het bestemmingsplan hebben we voor deze pure buitengebiedsituatie ervoor gekozen het bestaande bestemmingsvlak vast te leggen en de hoeveelheid bebouwing te beperken. Een uitbreiding naar 1,5 ha voor niet agrarische bedrijven in het buitengebied willen wij niet toestaan. Wij menen dat daarmee het schaalniveau van dergelijke bedrijven te groot wordt om in het buitengebied te blijven met alle verkeersbewegingen van (zwaar) transport van dien. Als sprake is van doorgroei van deze bedrijven dan is vestiging op een bovenlokaal bedrijventerrein aangewezen. 3. In de regels is vastgelegd dat de bebouwde oppervlakte met 15 % mag worden vergroot. Voor agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven is een uitbreidingsmogelijkheid opgenomen van 25 %. Het verzoek houdt een uitbreiding in met 50 %. Wij vinden dat de bebouwingsmogelijkheden in de bestaande situatie voor niet agrarische bedrijven in het buitengebied beperkt moeten blijven tot de bestaande bebouwing met een kleine uitbreiding. Is er behoefte aan meer uitbreiding dan is verplaatsing naar een bedrijventerrein aangewezen. 4.
De realisatie van een robuuste kwaliteitsverbetering hangt samen met de voorafgaande verzoeken waarvoor wij geen medewerking willen geven. Thans is in het kader van het ontwerp een onderbouwing ingediend, op basis waarvan wordt verzocht om het eerder ingediende verzoek alsnog te honoreren en het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen ten opzichte van het ontwerp. Op 10 maart 2021 is advies gevraagd aan de Adviescommissie agrarische bouwaanvragen. Het bedrijf is gevestigd op een kavel van 16 ha. Het bedrijf heeft de beschikking over ca. 160 ha cultuurgrond. Het bedrijf verricht loonwerkzaamheden voor agrarische bedrijven en voert een diversiteit aan cultuurtechnische werkzaamheden uit. De agrarische adviescommissie heeft advies uitgebracht over het verzoek om uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en het bouwvlak aan de Spellestraat. Concreet gaat het om: 1. het verbreden van de huidige bestemming agrarisch loonbedrijf middels het toevoegen van de functieaanduiding agrarisch technisch hulpbedrijf en agrarisch verwant bedrijf 2. Het vergroten van het bestemmingsvlak van 9249 m2 naar 10.l837 m2 3. In combinatie met een voorgestelde wijziging van de vorm van het bouwvlak wordt buitenopslag gecreëerd aan de achterzijde van de loods; 4. het uitbreiden van de bebouwing van 1800 m2 naar 2700 m2; 5.
het aanleggen van buitenopslag voor groenafval (bermmaaisel, snoeihout, e.d.), voor grond en diverse soorten zand, en voor hulp-, bouw, afval, en grondstoffen (bouwstoffen, PVC, bestratings-/riolerings-materiaal, menggranulaat en puin). De Agrarische adviescommissie vat het adviesverzoek als volgt samen: “Het ingediende verzoek omvat de vergroting en wijziging van de vorm van het bouwvlak om de bedrijfsloods uit te kunnen breiden met 900 m2, en om aan de achterzijde van het bedrijfsterrein buitenruimte te creëren voor de opslag van een breed scala aan producten. Uw gemeente verzoekt om in te gaan op de aard van de bedrijfsvoering, wat het zwaartepunt van de bedrijfsvoering is, en waaruit de noodzaak voor de uitbreiding van de loods met 50% voortkomt.” Bedrijfsvoering De bedrijfsvoering wordt door de Agrarische adviescommissie als volgt omschreven: “Aan de Spellestraat 50 te Wouw wordt een bedrijfsvoering geëxploiteerd die een aantal aspecten omvat, te weten een agrarisch bedrijf, een agrarisch loonwerkbedrijf, en de dienstverlening als grondverzetbedrijf.
7 69
De bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf en de bedrijfsvoering als agrarisch loonbedrijf lopen in elkaar over en zijn ruimtelijk merendeels niet van elkaar te onderscheiden. Op dit bedrijf worden de landbouwmachines die worden gebruikt voor de eigen teelten (graan, graszaad, bieten) ook ingezet voor de dienstverlening als loon-werkbedrijf. De schaalgrootte van de machines is in dit geval groter. De dienstverlening als loonwerkbedrijf betreft op zich een beperkt dienstenpakket en concentreert zich op een beperkt aantal werkzaamheden, waardoor de arbeidsfilm voor het agrarisch bedrijf en het agrarisch loonbedrijf relatief grote periodes met leegloop kent in combinatie met kortere periodes met piekarbeid. Voor de dienstverlening als grondverzetbedrijf beschikt het bedrijf over een breed scala aan kranen, deels in combinatie met BE-combinaties, en worden ook machines zoals tractoren met gronddumper, kiepers en transportwagens ingezet. Deze dienstverlening kent een jaarrond karakter en vormt in arbeidstechnisch en bedrijfs-economisch opzicht het zwaartepunt van de bedrijfsvoering. Toetsing aan het ruimtelijk beleid Een agrarisch loonbedrijf wordt in het ontwerpbestemmingsplan omschreven als een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur.
De Adviescommissie constateert dat de dienstverlening van het bedrijf als geheel niet uitsluitend of overwegend is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven en merendeels niet plaatsvindt met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur. Om die reden betreft de bedrijfsvoering als geheel geen agrarisch loonbedrijf. Voor een agrarisch-technisch hulpbedrijf zoals omschreven in het ontwerpbestemmingsplan is het van belang dat het een bedrijf betreft dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven. De Adviescommissie stelt vast dat de dienstverlening als grondverzetbedrijf, maar ook de dienstverlening van het bedrijf als geheel niet in overwegende mate is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven Voor een agrarisch verwant bedrijf zoals omschreven in het bestemmingsplan is van belang dat gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden. Het gebruik van de machines van het grondverzetbedrijf, hetgeen in dit geval vooral de mobiele kranen en de minigravers betreft, kan niet worden gekwalificeerd als het gebruik van een land-, bos- of natuur-bouwkundige methode.
Dit betreft het gebruik van algemene hulpmiddelen die niet specifiek zijn voor de toepassing in de landbouw, de bosbouw of die een natuurkundige methode betreffen. De Adviescommissie constateert dat het zwaartepunt van de bedrijfsvoering vanuit de Spellestraat 50 in arbeidstechnisch en bedrijfseconomisch opzicht is gelegen bij de algemene dienstverlening als grondverzetbedrijf. In artikel 3.73 van de Interim OmgevingsVerordening wordt ingegaan op de mogelijkheden en de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel in het landelijk gebied. Aangegeven wordt dat daarbij onder andere in beeld moet worden gebracht welke activiteiten en functies passen in de omgeving, en welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders. Binnen de randvoorwaarden zoals opgenomen in de IOV betreft het een beleidsmatige afweging of de vestiging van een dergelijk niet-agrarisch bedrijf op de betreffende locatie in het buitengebied wenselijk is. Toetsend aan de eerdere beantwoording in het verslag van inspraak en overleg: 1. Thans wordt wederom voorgesteld om het onderscheid tussen agrarisch technisch hulpbedrijf en agrarisch verwant bedrijf te laten vervallen.
Op basis van het advies van de Agrarische adviescommissie moet de bedrijfsvoering worden aangemerkt als een niet agrarisch bedrijf. Dat betekent dat artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening van toepassing is. Artikel 3.73 vergt een specifieke onderbouwing. In dat artikel zijn specifieke voorwaarden van toepassing. 8 69
van de zienswijze om het oppervlak aan bedrijfsbebouwing aan te passen naar 5.700 m2. Hierdoor worden in de nieuwe planperiode weer voldoende (binnenplanse) ontwikkelingsmogelijkheden geboden om een redelijke ontwikkeling van de bedrijfslocatie mogelijk te maken. 3. Verzocht wordt de definiëring van de toegestane activiteiten zoals genoemd in art. 9.1 lid i te wijzigen. De bedrijfsactiviteiten welke zijn toegestaan op de bedrijfslocatie zijn gekoppeld aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 9.1. Ter plaatse van de planlocatie gelden extra voorschriften, weergegeven in sub i (ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch loonwerkbedrijf/transportbedrijf" uitsluitend een agrarisch loonwerkbedrijf en/of transportbedrijf). Dit komt juridisch niet exact overeen met hetgeen is aangegeven op de verbeelding. Derhalve wordt verzocht om de voorwaarde van art. 9.1 lid i als volgt te wijzigen: “ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch loonwerkbedrijf" en/of ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf" is uitsluitend een agrarisch loonwerkbedrijf en/of transportbedrijf toegestaan.” 4. Verzocht wordt de voorwaarde in art. 9.3.3 lid e te verwijderen uit de regels. O.g.v. art.
9.3.3 (vergroting bebouwde oppervlakte) wordt de mogelijkheid geboden om binnen een planperiode het bebouwd oppervlak te vergroten. Eén voorwaarde is niet reëel c.q. strijdig met de bedrijfsbestemming, te weten lid e (‘er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats’). Inspreker stelt dat bij enige uitbreiding van de bedrijfsgebouwen uit een oogpunt van redelijkheid geen inpandige opslag kan worden verlangd. Derhalve wordt door inspreker verzocht om art. 9.3.3 lid e te verwijderen. Overwegingen: 1. In het ontwerp bestemmingsplan is de locatie bestemd als Bedrijf 4 met de aanduidingen agrarisch loonbedrijf en specifieke vorm van bedrijf transportbedrijf. Ten behoeve van de uitbreiding van dit bestaande niet agrarische bedrijf bevat de Interim omgevingsverordening regels. De indiener van de zienswijze verwijst naar de feitelijk vergunde situatie. Deze bestaat uit een milieumelding uit 2009. Het bedrijf is thans niet meer bij uitstek een agrarisch technisch hulpbedrijf. Dat betekent dat sprake is van vestiging van een niet agrarische functie. Daarop is artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening van toepassing. Op grond van dat artikel is een vestiging mogelijk mits dit voldoet aan de daarvoor geldende specifieke voorwaarden. Er is een nadere onderbouwing ontvangen waarin is verantwoord dat wordt voldaan aan die criteria.
Dit is aanleiding om de bedrijfsplannen alsnog in het vast te stellen bestemmingsplan op te nemen en mogelijk te maken. 2. Het ontwerp bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een uitbreidingsmogelijkheid van de bebouwde oppervlakte met 25 % voor agrarisch technische hulpbedrijven. Vast staat dat de gevraagde uitbreiding niet voldoet aan deze regels. In de onderbouwing is voldoende aangetoond dat het voor dit bedrijf noodzakelijk is om de bebouwde oppervlakte uit te breiden en daarom wordt het gewenste bebouwingspercentage in het vast te stellen bestemmingsplan uitgebreid. 3. De regels worden conform het verzoek van reclamant in overeenstemming gebracht met de verbeelding 4. De voorwaarde dat geen buitenopslag mag plaatsvinden voordat medewerking wordt verleend aan de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte is bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te dienen. In artikel 3:73 lid 2 van de Interim omgevingsverordening is dit dwingend zo bepaald.
10 69
Overwegingen: 1. In de zienswijze vraagt reclamant om een heroverweging van het standpunt dat de huisvesting van 50 arbeidsmigranten op of bij een agrarisch bedrijf het maximum moet zijn. Verwezen wordt naar de Notitie “kaders arbeidsmigrantenbeleid” waarin maatwerk wordt voorgestaan en in dat kader wellicht ook de huisvesting van meer dan 50 arbeidsmigranten bespreekbaar zou zijn en langer dan 10 jaar. Verwezen wordt naar het bestemmingsplan Eindje 6 te Lierop (gemeente Someren). In dat bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het huisvesten van arbeidsmigranten tot maximaal 20 personen in een bedrijfswoning per locatie en maximaal 40 personen in een bedrijfsgebouw per locatie. Huisvesting in woonunits wordt eveneens toegestaan in dat bestemmingsplan middels een afwijkingsbevoegdheid maar alleen voor een aantoonbare tijdelijke behoefte van 6 maanden en het maximaal te huisvesten personen is niet groter dan 40. In het voorbeeld wordt specifiek gekozen voor maatwerk voor één locatie met een specifieke behoefte. Het bestemmingsplan buitengebied Wouw leent zich er niet voor om in het algemeen een mogelijkheid op te nemen om meer dan 50 arbeidsmigranten op een agrarisch bedrijf te huisvesten. Om die reden handhaven wij in het bestemmingsplan de bovengrens van 50 personen. 2.
Bij de beantwoording van de inspraakreactie is het volgende aangegeven op dit punt “Ons beleid voor het toestaan van permanente teeltondersteunende voorzieningen is primair gericht op het toestaan ervan binnen het bestaande bouwvlak. In het plan is de mogelijkheid opgenomen om aansluitend aan het bestaande bouwvlak permanente teeltondersteunende voorzieningen te realiseren, tenzij dit gelegen is in een kwetsbaar gebied (Groenblauwe mantel/AW-2). Het gaat dan om het toekennen van een differentiatievlak, specifiek voor permanente voorzieningen. Dit kan via een wijzigingsprocedure en is gebonden aan voorwaarden.” Wij wensen ook in de toekomst te blijven werken met een differentiatievlak om steeds een goede afweging te kunnen maken van de in aanmerking komende belangen. Aan de wens om een differentiatievlak in te tekenen met een oppervlakte van 4 ha kan worden tegemoet gekomen nu daarvoor een ruimtelijke onderbouwing is ingediend waarin wordt onderbouwd dat aan de voorwaarden hiervoor kan worden voldaan. Tevens ligt er een positief advies van de agrarische adviescommissie aan dit verzoek ten grondslag. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan5 2.8 Reclamant no.
8, Zienswijze: Reclamant verzoekt – nu er wederom een bestemmingsplanwijziging wordt doorgevoerdde bestemming op de percelen die zich bevinden aan de Plantagebaan tussen huisnummer 151 en 177 te Wouwse Plantage om te zetten in wonen of dat er een wijzigingsbevoegdheid wordt opgenomen om “recreatie 2” om te zetten naar wonen. Reclamant stelt dat hiervoor reeds een initiatief plan is ingediend, maar dat een reactie is uitgebleven. Reclamant verzoekt om Wouwse Plantage van het laatste stukje “braakliggend dorpslint” te verlossen en hier de mogelijkheid voor wonen mogelijk te maken. Overwegingen:
5
Verbeelding en regels
12 69
2. Reclamant stelt dat de plantoelichting onjuist is, omdat er bij de gebiedsbestemming agrarisch met waarden-1 wel permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan (PTOV). De ontwikkelingsmogelijkheden van reclamant zijn sterk afhankelijk van de onderliggende gebiedsbestemming. Reclamant is van mening dat de gebiedsbestemming agrarisch met waarden-2 niet aan de orde is en kan zijn, om de volgende redenen: - Reclamant stelt dat voor onderliggend gebied, waarvan reclamant de eigenaar is, de gronden de bestemming agrarisch zouden moeten krijgen primair en secundair agrarisch met waarden-1, in tegenstelling tot de opgenomen waarden agrarische waarden-2. Zo liggen de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf in lijn met het provinciaal beleid; - Reclamant verzoekt hetgeen onder c in de begripsbepaling van artikel 1.121 is genoemd, te verwijderen. Reclamant is het immers niet eens met de uitleg van de begripsbepaling, inhoudende wat onder TOV wordt begrepen. Zo wordt in lid c gesteld dat overige TOV zoals vogelnetten en steunpalen/stokken worden gezien als TOV, wat reclamant onterecht vindt. Wel kan volgens reclamant een begripsbepaling worden opgenomen als specifiek voor overige TOV als voormeld, maar dan dient opgenomen te worden dat deze niet van toepassing is op art.
4.7.5 of 3.7.5 dan wel 2.7.5; - Reclamant stelt voorts dat in de definitie van het vigerende bestemmingsplan onder 1.86 niet het onderdeel omvat, zoals dit in begripsbepaling 1.121 lid c is opgenomen. Reclamant heeft in de huidige situatie 3 ha steunpalen/stokken staan en 1.1 ha TOV. Reclamant verzoekt dit positief te bestemmen; - Reclamant stelt dat naar analogie van wat dan de specifieke gebiedswaarden zijn, in feite niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de bestemming agrarisch dient te zijn voor de percelen waar reclamant eigenaar van is. 3. Reclamant verzoekt een differentiatievlak op te nemen dat recht doet aan de eerder verleende vergunningen (in het vigerende bestemmingsplan is bepaald (art. 6.3.3) dat (tijdelijke) TOV kunnen worden opgericht tot een max. oppervlak van 1 ha per agrarisch bedrijf, reclamant heeft TOV gerealiseerd). Reclamant vindt het merkwaardig dat, nu een lagere waarde wordt toegekend, zelfs die bestaande rechten niet meer gerespecteerd worden binnen de gebiedsbestemming agrarisch met waarden-2.
Overwegingen: 1. De raad is bij vaststelling van het bestemmingsplan verplicht om de gebiedsbegrenzing van de Interim omgevingsverordening te respecteren en te borgen in het bestemmingsplan. Er bestaat geen mogelijkheid om hiervan af te wijken aangezien dat in strijd zou zijn met de Interim omgevingsverordening. 2. Vanwege de aanduiding “groenblauwe mantel” in de Interim omgevingsverordening dient de bestemming Agrarisch met waarden – 2 opgenomen te worden. Binnen de groenblauwe mantel is het toegestaan om permanente teeltondersteunende voorzieningen te bouwen ten behoeve van een grondgebonden teeltbedrijf. De definitie wordt letterlijk in overeenstemming gebracht met de definitie uit de Interim omgevingsverordening. De verwijzing naar 1.86 ontgaat ons, deze bevat een definitie van een “mantelzorgwoning” De gebiedswaarden van het gebied ondersteunen de kwalificatie van “groenblauwe mantel”. Deze waarden worden gebiedsniveau bezien, niet op perceelsniveau. Het is nu juist van belang dat alle percelen bijdragen aan deze gebiedswaarde. Om die reden is het perceel dan ook in de groenblauwe mantel op provinciaal niveau. 3. Reclamant verzoekt bestaande rechten vast te leggen. Hij verwijst daarbij naar artikel 6.3.3 van het vigerende bestemmingsplan. In dat artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen geven om buiten een agrarisch bouwvlak (tijdelijke)
15 69
zoals kinderopvang, dagbesteding of bed&breakfast. Reclamant acht een dergelijke ontwikkeling ongewenst. Reclamant verzoekt artikel 33.5 Vrijwaringszone – buisleidingenstraat- waarbij de verwijzingen naar andere artikelen niet kloppen, aan te passen; Reclamant verzoekt in artikel 3.5.8.J, 3.5.9.j, 4.5.7.j, 4.5.8.J, 5.5.7.J, 5.5.8.J: aandacht te besteden aan de Buisleidingenstraat. Roosendaal kent een buisleidingenstraat en ook een leidingenstrook uit de Structuurvisie Buisleidingen nabij de grens met België. LSNed als strookbeheerder (van de landelijke Buisleidingenstraat) wordt niet genoemd; Reclamant stelt dat artikel 3.6, 4.6, 5.6,12.4,17.4 de Buisleidingenstraat en leidingaanleg ten onrechte vergunningplichtig maken dat is niet wenselijk Reclamant stelt dat in artikel 24.1.g: de Buisleidingenstraat is door de rijksoverheid bedoeld om allerlei soorten kabels en (buis)leidingen in aan te kunnen leggen zonder dat langdurige procedures noodzakelijk zijn. Reclamant stelt dat er een aantal producten worden genoemd, reclamant vraagt hoe het zit met de producten die niet genoemd zijn. Reclamant vraagt of dergelijke producten ook zijn toegestaan, of dient hiervoor eerst het bestemmingsplan te worden herzien? Reclamant vindt dit laatste ongewenst. Reclamant verzoekt in artikel 24.4.2 de volgende zaken b, c en d aan te passen naar: o b.
het aanbrengen, het in bedrijf nemen en onderhouden van buisleidingen en kabels en bijhorende voorzieningen voor een goed functioneren van de buisleidingenstraat; o c. die het normale onderhoud ten aanzien van de buisleidingenstraat en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen; o d. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON); Reclamant stelt dat t.a.v. artikel 33.5.1 met de gemeente in het verleden is afgesproken dat een afstand van 55 meter aangehouden zou worden. De nu genoemde afstand is onvoldoende. Voorst stelt reclamant dat de verwijzing naar artikel 32.5 incorrect is; Reclamant stelt dat in artikel 33.5.3 de verwijzing naar artikel 32.5.1 niet correct is; Reclamant verzoekt een artikel (33.5.x) toe te voegen waarin wordt aangegeven dat zonneparken binnen een afstand van 200 meter van de buisleidingenstraat alleen na overleg met de beheerder van de buisleidingenstraat een vergunning kunnen krijgen; Reclamant stelt t.a.v. artikel 33.17.2 dat de gemeente de buisleidingenstraat kent evenals een leidingenstrook uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012-1035. Reclamant merkt op dat LSNed als strookbeheerder (van de buisleidingenstraat) niet wordt genoemd.
Toelichting: Reclamant verzoekt om daar waar de buisleidingenstraat wordt bedoeld, ook de term ‘buisleidingenstraat’ te gebruiken (nu komt in de toelichting vaak het woord ‘leidingenstraat’ voor); Reclamant verzoekt in paragraaf 2.2.4 toe te voegen dat de buisleidingenstraat wel deel uitmaakt van het netwerk van leidingstroken zoals genoemd in de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035, maar dat de specifieke voorwaarden van de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 niet van toepassing zijn op de buisleidingenstraat (zie besluitdocument van het Rarro van 1 oktober 2015, onderdeel Q); Reclamant verzoekt de zin uit paragraaf 4.4 'De buisleidingenstraat heeft een aparte status doordat deze in het bestemmingsplan is bestemd voor (onder andere) leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd', te wijzigen in: “doordat deze in het bestemmingsplan is bestemd voor ondergrondse buisleidingen en ondergrondse kabels, zowel voor gevaarlijke als niet gevaarlijke stoffen”. Reclamant verzoekt in paragraaf 4.4 de woorden buisleidingenstraat te vervangen door leidingenstrook (met deze buisleidingenstraat wordt de leidingenstrook uit de 17 69
Reclamant verzoekt artikel 26 Waarde-archeologie 2 te herzien en wel om de volgende redenen: Reclamant stelt dat het bouwen van bouwwerken – door dit voorstel- onder bepaalde regelgeving valt, waarbij het nodig is om bij een fundering van dieper dan 0,5 meter te voldoen aan artikel 26.2.1 a, b, c, d of e. Reclamant stelt dat een fundering vrijwel altijd dieper is dan 0,5 meter, waardoor er voldaan moet worden aan de bepalingen in bovengenoemd artikel, hetgeen een dure aangelegenheid wordt als er een archeologisch onderzoek plaats moet vinden, aldus reclamant. Reclamant is op dit punt akkoord, als de kosten voor dit onderzoek geheel te verhalen zijn bij de gemeente; Reclamant vraagt zich af of het ontwerp niet te breed getrokken is over het gehele gebied. Reclamant vraagt of er een rapport aangetoond kan worden dat er volgens dit volledig ingetekende ontwerp archeologische vondsten gevonden kunnen worden; Reclamant stelt voorts dat de regels m.b.t. het dieper werken dan 0,5 meter in de grond de algemene bedrijfsvoering belemmert.
Werkzaamheden die gewoonweg voor kunnen komen (zoals het slaan van een waterbron of egaliseren, uitvoeren van werkzaamheden in diepere grondlagen zoals diepwoelen, diepploegen, ontginnen en mengen van de grond) worden verboden, hetgeen volgens reclamant erg in contrast is met het huidige bestemmingsplan; Reclamant stelt dat artikel 26.3.1 (het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren is verboden) de dagelijkse bedrijfsvoering belemmert; Reclamant stelt m.b.t. artikel 26.3.1C dat het – in het kader van duurzaamheid en toekomstgericht ondernemen- onmogelijk wordt gemaakt om d.m.v. diepgewortelde planten nog de bodemstructuur te verbeteren; Reclamant stelt m.b.t. artikel 26.3.1F dat dit artikel een belemmering kan zijn voor het duurzaam opslaan van warmte d.m.v. een warmtepomp. Reclamant vindt dit – gelet op duurzaamheid- niet wenselijk. Voorts kan het volgens reclamant een belemmering zijn voor de afwatering van percelen, doordat het leggen van nieuwe drainleidingen verboden wordt. Overwegingen: In artikel 3.1.6 lid 5 onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening dient in een bestemmingsplan te worden beschreven hoe met cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden. In de toelichting is aansluiting gezocht bij de archeologische waardenkaart. Aan de opstelling van deze kaart heeft zorgvuldig en deskundig onderzoek plaatsgevonden.
Op de kaart is aan de hand van de bevindingen van dit onderzoek de (dubbel)bestemming Waarde-archeologie toegekend. Op deze manier is beoogd om de mogelijke archeologische waarde van deze gebieden te beschermen. Inspreker is van mening dat de toegekende dubbelbestemming voor hem onevenredig bezwarend is. Ter plaatse is de dubbelbestemming Waarde-archeologie -2 van toepassing. Deze dubbelbestemming is nieuw ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. In deze dubbelbestemming is voor de bouwvlakken een regeling opgenomen en voor werken geen bouwwerk zijnde of voor werkzaamheden. In artikel 26.3.2 is een uitzondering gemaakt als de werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen of als het gaat om een oppervlakte van kleiner dan 500 m2 en/of een diepte van minder dan 0,5 m beneden maaiveld. Het is inderdaad correct dat bij de aanpassing van de archeologische kaart sommige terreinen zijn opgewaardeerd naar een hogere archeologische waarde en andere juist omgekeerd naar een lage waarde. Het is echter niet aannemelijk, dat de dubbelbestemming “archeologie” een gewone agrarische bedrijfsvoering in de weg zou staan. De archeologische sporen zitten op de overgang van de zwarte grond (‘esdek’) en onderliggende gele grond, dus minstens 50 cm, vaak 80 cm diep. De akkerlaag vormt een beschermende deken daarboven.
Activiteiten die wel bedreigend kunnen zijn, zijn de aanleg van sloten, diepploegen en uitgraven van mestkuilen. Deze ingrepen komen relatief weinig voor. Bij afweging van de belangen
21 69
de archeologische waarden en de belangen van een gewone agrarische bedrijfsvoering zijn wij van mening dat voor deze ingrijpende bodemwerkzaamheden de archeologische waarden dienen te worden beschermd. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan 2.19 Reclamant no. 19, Zienswijze: Reclamant wenst de bedrijfsbestemming (milieucategorie 4, uitsluitend metaalbedrijf) om te zetten naar wonen-2. De vorige eigenaar exploiteerde een metaalonderneming, deze is gestopt bij de verkoop van het perceel aan reclamant (machines zijn verwijderd uit de loods en er is geen sprake van bodemverontreiniging). Het perceel (1 ha) omvat op dit moment een bedrijfswoning met aanpandige loods. Reclamant vindt de bestemmingsplanherziening een goede gelegenheid voor herbestemming, waarbij de bestaande landschappelijke voorzieningen behouden blijven. De locatie is gelegen in het ontwerpbestemmingsplan en heeft daar de enkelbestemming bedrijf-4. Reclamant verzoekt deze bestemming te wijzigen in wonen-2. De ruimtelijke onderbouwing is nog niet gereed, vandaar dat de zienswijze alleen kort is opgenomen: De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk, provinciaal, regionaal en rijksbeleid. De voorgenomen ontwikkeling past echter niet binnen het nu voorgenomen bestemmingsplan ‘Buitengebied Wouw 2020’.
Eerder heeft ambtelijk overleg plaatsgevonden over de haalbaarheid van het indienen van deze zienswijze. Hieruit blijkt dat Burgemeester en wethouders bereid zijn medewerking te verlenen aan deze bestemmingswijziging. Het ruimtelijk plan past binnen de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische context van de plek. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan gesteld worden dat de bestemmingswijziging geen bezwaren oproept van milieuhygiënische of planologische aard. De bestemmingswijziging is maatschappelijk en financieel-economisch opzicht haalbaar. Overwegingen: In artikel 11.6.1 van de regels van het ontwerp-bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Ten behoeve van een dergelijk wijzigingsplan dient te worden voldaan aan de specifieke voorwaarden die daarvoor gelden. De onderbouwing die is ingediend, geeft een voldoende onderbouwing en laat zien dat wordt voldaan aan de wijzigingscriteria. Er zal wel in de regels een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen ten aanzien van de verplichte sloop en landschappelijke inrichting. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan11
2.20 Reclamant no. 20, Zienswijze: Reclamant verzoekt de regels (betreffende o.a. milieuzone- boringsvrije zone en milieuzonegrondwaterbeschermingsgebied) uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant over te
11
Regels en verbeelding
23 69
stelt dat (gelet op het bestaande legale grondgebruik op locatie) voornoemde functieaanduiding ontbreekt, opdat ter plaatse planologisch gezien een intensieve veehouderij, alsmede een grondgebonden veehouderij, is toegestaan aldus reclamant. “Definitie 'intensieve veehouderij' conform artikel 1.72; agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden rundveehouderij;)”; 2. Reclamant verzoekt de verwijzing in artikel 3.3.5 aan te passen. In artikel 3.3.5 klopt de verwijzing in de aanhef naar artikel 3.2.2 sub g niet, er lijkt hier verwezen te (moeten) worden naar artikel 3.2.2 sub 1; 3. Reclamant verzoekt de tekst van de planregel uit artikel 3.3.5 in overeenstemming te brengen met de Interim Omgevingsverordening. Overwegingen: 1. In het geldende bestemmingsplan is niet de aanduiding “intensieve veehouderij” opgenomen. In de zienswijze wordt vermeld dat op 27 oktober 2007 een vergunning is verleend voor het houden van schapen, rund- en vleesvee, varkens, legkippen en konijnen.
Op 5 november 2020 is volgens reclamant een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen om de schapenhouderij uit te breiden en tegelijkertijd te stoppen met het houden van varkens, kippen en konijnen. Blijkens raadpleging van het BVB Brabant is een beschikking gegeven op 21 oktober 2019, waarin een melkveebedrijf is vergund. Het melkveebedrijf is geen intensieve veehouderij, maar een grondgebonden veehouderij. Om die reden is de bestemming correct neergelegd. 2. Er moet inderdaad worden verwezen naar 3.2.2 sub i De regels worden op dat punt aangepast 3. Bij nader inzien willen wij de systematiek uit de Interim omgevingsverordening volgen. Dat betekent dat op percelen waar sprake is van een veehouderij binnen het bouwvlak uitbreiding van de bebouwde oppervlakte mag plaatsvinden ten behoeve van agrarische bedrijfsgebouwen, mits deze niet worden gebruikt als dierenverblijf. Wij merken op dat dergelijke uitbreidingsmogelijkheden niet gelden voor gronden die zijn aangeduid in de Interim omgevingsverordening en in het voorliggende bestemmingsplan als “beperkingen veehouderij”. In die gebieden mag namelijk geen uitbreiding van bebouwing plaatsvinden ook als die niet worden gebruikt als dierenverblijf. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan vanwege het gestelde onder 2 en 3.15
2.25 Reclamant no. 25 Zienswijze: Verzocht wordt bij de regels voor de boringsvrije zone voor het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied aan te sluiten bij de Interim omgevingsverordening. Overweging: Naar aanleiding van de zienswijze zal een concretere verwijzing worden gemaakt naar de Interim omgevingsverordening Conclusie:
15
regels
27 69
16. De verwijzing in artikel 4.3.5 naar artikel 4.2.3 sub a moet zijn 4.2.3 sub a onder 2. Zie ook artikel 5.3.5 en artikel 5.2.3 sub a onder 2. Overwegingen: Aan de hiervoor genoemde opmerkingen onder 1 t/m 11 wordt voldaan 12. De landschappelijke inpassing voor het adres Herelsestraat 218 is alsnog opgenomen 13. De landschappelijke inpassing voor het adres Biezenstraat 27 is alsnog opgenomen 14. Er is nader onderzoek gepleegd naar het adres Kruislandseweg 16 15. Er is nader onderzoek gepleegd voor het adres Moerstraatseweg 14 16. De verwijzing wordt gecorrigeerd. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan op de aangegeven punten17 2.27 Reclamant 27 Zienswijze: Verzocht wordt de bestemming Bedrijf- 4 gelegen aan de Plantagebaan 58 te Wouw zodanig te wijzigen dat daarmee het snelfietspad A 58 beter kan worden ingepast. Overweging: Bij de zienswijze is een ruimtelijke onderbouwing gevoegd inclusief een landschappelijk inpassingsplan. Op basis van deze ruimtelijke onderbouwing kan het bestemmingsplan in afwijking van het ontwerp worden vastgesteld. De plannen zullen pas in een later stadium worden gerealiseerd. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan 2.28 Reclamant 28 Zienswijze: De concept omgevingsverordening gaat ruimte bieden voor uitbreiding van bestaande solitaire glastuinbouwbedrijven.
Overwegingen: Zoals ook bij de beantwoording van de inspraakreactie is aangegeven kunnen en willen wij niet vooruitlopen op de toekomstige Omgevingsverordening. Wij dienen ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan thans te toetsen aan het regime van de Interim omgevingsverordening en die gaat nog steeds uit van een maximum oppervlakte netto glas voor bestaande solitaire glastuinbouwbedrijven. We komen bij de opstelling van de Omgevingsvisie hierop terug. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan
2.29 Reclamant 29
17
Regels en verbeelding
29 69
8. De aanduiding “struweelvogels” uit het vigerende bestemmingsplan is ten onrechte verdwenen voor dit gebied 9. De motivering om geen spuitzone ter plaatse toe te staan wordt niet onderschreven 10. Onvoldoende is gewaarborgd dat er geen toename van stikstofdepositie op gevoelige habitattypen zal plaatsvinden, zodat het optreden van significante effecten op natuur niet is uitgesloten. 11. Voor het niet toestaan van assimilatieverlichting is het niet voldoende om te verwijzen naar het Activiteitenbesluit 12. Er is onvoldoende specifiek gemotiveerd welke wijzigingen zijn doorgevoerd in het voorontwerp naar aanleiding van de eerdere inspraakreactie Beantwoording: 1. Wij zijn van mening dat met de bestemming Agrarisch met waarden – 2 de belangen van de groenblauwe mantel ter plaatse voldoende beschermd zijn. Er is geen aanleiding voor een specifiekere bestemming, aangezien de differentiatie die in het thans geldende bestemmingsplan was opgenomen, thans niet meer actueel is. In de tussentijd is de Interim omgevingsverordening in werking getreden. Deze Interim omgevingsverordening geeft een heel duidelijk onderscheid in de diverse agrarische gebieden. Door middel van bijzondere aanduidingen wordt bovendien aandacht gevraagd voor specifieke waarden.
Deze bijzondere aanduidingen zijn alle in het thans voorliggende bestemmingsplan opgenomen, zodat daarmee het gebied volledig is beschermd overeenkomstig de Interim omgevingsverordening. Inmiddels is ook in de gemeente Someren de systematiek aangepast en is de Groenblauwe mantel als gebiedsaanduiding opgenomen, net zoals in het voorliggende ontwerpbestemmingsplan is gebeurd. Het opnemen van de Groenblauwe mantel als dubbelbestemming is namelijk in strijd met de SVBP. 2. Artikel 3.55 bevat de mogelijkheid om in een bestemmingsplan voor de Groenblauwe mantel te voorzien in de uitbreiding van, de vestiging van of de omschakeling naar een grondgebonden bedrijf als dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is, de bouw of uitbreiding van kassen is uitgesloten en de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 3 hectare is toegestaan. In de regels van het ontwerp is in artikel 5.7.2 aangegeven dat via een wijziging uitbreiding mag plaatsvinden. Hierin is een glastuinbouwbedrijf uitgesloten. De oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen is binnen de bestemming Agrarisch met waarden – 2 beperkt tot 5000 m2 binnen het bouwvlak. Die beperking heeft betrekking op permanente teeltondersteunende voorzieningen. Daarmee is dus voldoende voldaan aan hetgeen in artikel 3.55 van de Interim omgevingsverordening is opgenomen.
Overigens merken wij op dat de Interim Omgevingsverordening geen regeling bevat voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Alleen permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn in deze Interim omgevingsverordening geregeld. Artikel 3.57 van de Interimomgevingsverordening bepaalt dat een bestemmingsplan dat van toepassing is op de Groenblauwe mantel bepaalt dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan. In het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat de bouw van kassen niet is toegestaan en dat geen uitbreiding mag plaatsvinden van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf. Omschakeling en vestiging van een glastuinbouwbedrijf is niet mogelijk gemaakt. Daarmee voldoen de regels aan het bepaalde in artikel 3.57 van de Interim omgevingsverordening. Artikel 3.59 van de Interimomgevingsverordening bepaalt dat de vestiging van een overig-agrarisch bedrijf is uitgesloten, dat het plan kan bepalen dat omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel is toegestaan, als dit bijdraagt een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied en kan voorzien in de uitbreiding van een bestaand overig-
31 69
agrarisch gebied tot ten hoogste 1,5 ha bouwperceel als dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Op grond van artikel 1 van de Interim omgevingsverordening is een overig- agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt. In de regels die gelden voor de bestemming Agrarisch met waarden – 2 zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan niet zijnde veehouderij, intensieve veehouderij of paardenhouderij, tenzij er is voorzien in een specifieke aanduiding. In artikel 5.1 sub d is hier uitvoering aan gegeven. Daarmee zijn dus de bedrijven die onder de definitie vallen van overig-agrarisch bedrijf van de Interim omgevingsverordening en ook onder de definitie van artikel 1.96 van de regels van het ontwerp-bestemmingsplan uitgesloten. 3. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn in artikel 5.3.2 van de regels van het ontwerp-bestemmingsplan uitsluitend toegestaan door middel van een binnenplanse afwijking. De definitie uit de Interim omgevingsverordening van “teeltondersteunende voorzieningen:” is uitsluitend van toepassing in combinatie met permanente teeltondersteunende voorzieningen. Alleen die voorzieningen worden namelijk geregeld in de Interim omgevingsverordening.
Voor het onderwerp “permanente teeltondersteunende voorzieningen” kiezen wij er derhalve voor om de definitie van de Interim omgevingsverordening op te nemen. Voor de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen geldt dat niet en handhaven wij de definitie die thans in het ontwerp is opgenomen. Wij vinden dat zowel bij een grondgebonden teeltbedrijf als bij een ander agrarisch bedrijf de ruimte moet bestaan voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en hebben de belangen van natuur en landschap een plaats willen geven binnen het afwegingskader dat in artikel 5.3.2 is opgenomen. Reclamanten geven aan dat op voorhand de aanvaardbaarheid van de mogelijkheid van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen moet vaststaan. In de milieu-effectrapportage is ingegaan op de mogelijkheid van (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen in het plangebied en de effecten daarvan voor de diverse in aanmerking te nemen voorzieningen. Voor wat betreft het aspect stikstof is het inderdaad zo dat op voorhand moet zijn onderzocht of toename van stikstofdepositie mogelijk is.
Wij vinden het niet aannemelijk dat met het plaatsen danwel gebruik van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zoveel stikstof vrijkomt dat daarmee op voorhand dient te worden geconcludeerd dat die activiteit ervoor zorgt dat sprake is van een onevenredige invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. In de gebruikssituatie doet dat effect zich nog veel minder voor vergeleken met de situatie dat er geen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zouden zijn. Door de koppeling aan een afwijkingsbevoegdheid kan dit in de concrete situatie worden getoetst. Wel verdient de formulering van het toestaan van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen aanvulling. 4. Er wordt aandacht gevraagd voor de verruiming van de mogelijkheid van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, zoals voor de percelen N 462 en N 463. Op voorhand staat al vast volgens reclamanten dat niet wordt voldaan aan artikel 33.13.1 van de planregels. De desbetreffende percelen hebben een oppervlakte van respectievelijk 45.041 m2 en 33.145 m2. Thans geldt ter plaatse op grond van het bestemmingsplan Buitengebied uit 2012 de bestemming Agrarisch met waarden -3 met de specifieke aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – struweelvogels”. Op de verbeelding is voor de desbetreffende percelen geen bouwvlak opgenomen.
Op grond van de regels behorende bij die bestemming zijn (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen buiten een bouwvlak mogelijk op grond van een binnenplanse afwijking. In de regels is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de bouwregels. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan een agrarisch bedrijf en aan maximaal 1 ha en een maximale hoogte van 2,5 m. Het geldende bestemmingsplan bevat dus geen verbod voor (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen als die niet als bouwwerk zijn aan te merken. In het ontwerp-bestemmingsplan is de mogelijkheid van afwijking van de bouwregels buiten een bouwvlak beperkt tot tijdelijke teeltondersteunende 32 69
voorzieningen. De maximale oppervlakte is 3 ha, de maximale hoogte is 4 m, maar er geldt wel een beperking dat de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen moeten aansluiten op een agrarisch bouwvlak. Wij kiezen ervoor om de mogelijkheid voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen binnen de bestemming Agrarisch met waarden 2 mogelijk te blijven maken en zijn daarbij van mening dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen horen bij een agrarisch gebied. Voor de genoemde percelen geldt dat thans reeds een gebruik ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen plaatsvindt. 5. In de interim omgevingsverordening is de volgende definitie opgenomen van “teeltondersteunende voorzieningen”: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf. Bij een grondgebonden teeltbedrijf in de groenblauwe mantel is de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 3 hectare toegestaan. Een permanente teeltondersteunende voorziening wordt gedefinieerd als een teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas. Tijdelijke teeltondersteuennde voorzieningen worden in de Interim omgevingsverordening niet geregeld. In het ontwerp-bestemmingsplan is de volgende definitie gegeven van teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen, geen kassen
of andere gebouwen zijnde, in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden; te onderscheiden zijn de volgende categorieën: 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden per jaar, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, boomteelthekken en regenkappen 2. teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden, stellingenteelt (bakken in stellingen); 3. overige teeltondersteunende voorzieningen zoals vogelnetten en steunpalen/stokken; De definitie van “permanente teeltondersteunende voorziening” wordt in overeenstemming gebracht met de definitie die is opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Voor de definitie van “tijdelijke teeltondersteunende voorziening” handhaven wij de definitie uit het ontwerp bestemmingsplan. Beide percelen hebben de bestemming Agrarisch met waarden -2 en de aanduiding groenblauwe mantel. In artikel 6.3 van het thans geldende bestemmingsplan is ook een ontheffing opgenomen niet alleen voor tijdelijke maar ook voor permanente teeltondersteunende voorzieningen.
Thans is alleen een afwijkingsmogelijkheid in het voorliggende ontwerp-bestemmingsplan opgenomen voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Er is in dat opzicht geen sprake van een verruiming van de mogelijkheid van teeltondersteunende voorzieningen, maar meer van een beperking. In het geldende bestemmingsplan is een maximale hoogte van teeltondersteunende voorzieningen opgenomen van 2,5 meter en een maximale oppervlakte van 1 ha. Deze waren niet beperkt tot grondgebonden teelten. In het voorliggende ontwerp-bestemmingsplan is de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorziening uitgebreid tot 3 ha en de hoogte is 4 meter geworden. Per saldo zijn de mogelijkheden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen dus aanzienlijk verruimd, zowel qua hoogte als qua oppervlakte. Bij een vergelijking van beide planologische regimes constateren wij het volgende: a. de mogelijkheid van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten een bouwvlak is vervallen (een beperking) b. de mogelijkheid van permanente teeltondersteunende voorzieningen bij een niet grondgebonden teeltbedrijf zal vervallen(een beperking)
33 69
c.
er is voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen de voorwaarde opgenomen dat er een aansluiting moet zijn met een bestaand agrarisch bouwvlak (beperking) d. de maximale oppervlakte voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen is 3 ha in plaats van 1 ha (verruiming) e. de maximale hoogte wordt 4 m in plaats van 2,5 m. Per saldo willen wij de mogelijkheid van een afwijking voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen een maximale oppervlakte van 3 ha aansluitend op een agrarisch bouwvlak binnen de bestemming Agrarisch met waarden – 2 handhaven. Bij een gebruik ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen willen wij de belangen van de agrariërs in het gebied kunnen blijven afwegen tegen de belangen van natuur en landschap ter plaatse. Een beperking tot maximaal 1 ha en handhaving van een maximale hoogte zou op voorhand te veel beperkingen opleveren voor de gebruiksmogelijkheden van de daarvoor in aanmerking komende agrarische percelen. 6. De bouwhoogte van een kas zal expliciet in de regels worden vermeld 7. Een differentiatievlak is een bouwvlak met een specifieke aanduiding. Binnen het differentiatievlak mogen alleen bouwwerken worden opgericht die voldoen aan de specifieke aanduiding die daarop van toepassing is. 8.
De aanduiding “struweelvogels” in het geldende bestemmingsplan was gekoppeld aan een specifieke omschrijving van de bestemming: tevens behoud en herstel van het leefgebied van struweelvogels. Een dergelijke omschrijving had niet meer dan een signaalfunctie. Bij het verlenen van een aanlegvergunning kon deze aanduiding een rol spelen. In het ontwerp-bestemmingsplan is de differentiatie in waarden verdwenen en is deze vervangen door een brede belangenafweging, waarbij de waarden van de Groenblauwe mantel in brede zin kunnen worden betrokken. Daarbij is afgezien van een specifieke aanduiding welke waarden precies voor een gebied belangrijk zijn aangezien dergelijke waarden slechts een deel van alle waarden vertegenwoordigen. 9. Bij de beantwoording van de inspraakreactie zijn we uitvoerig ingegaan op het verzoek om een spuitzone op te nemen in de regels van het bestemmingsplan. Deze beantwoording wordt niet onderschreven door reclamanten. Zij herhalen hun verzoek om een spuitzone in het bestemmingsplan op te nemen. Wij zien hierin, aanvullend op de geldende specifieke wetgeving, geen reden toe. 10. Door het gebruik maken van rechtstreeks vastgelegde rechten in het voorliggende bestemmingsplan bestaat de mogelijkheid dat de stikstofdepositie op de relevante Natura 2000 gebieden toeneemt.
Dat zou ook al het geval zijn bij het gebruik van bouwrechten die in het geldende bestemmingsplan zijn vastgelegd. Indien een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, dan geldt er een koppeling met de Wet natuurbescherming. Dat betekent dat, indien een toename van stikstofdepositie ontstaat, de omgevingsvergunning pas mag worden verleend als een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming wordt verleend, danwel vooraf een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven door Gedeputeerde Staten. Daarmee levert de wettelijke systematiek voor bestaande rechten voldoende waarborgen op. In een situatie van nieuwe ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zal vooraf moeten zijn aangetoond dat er geen toename plaatsvindt van een zodanige stikstofemissie dat deze leidt tot een zodanige depositie op de in aanmerking te nemen Natura 2000 gebieden dat daarmee sprake is van een significante bedreiging van de relevante habitattypen. Elke aanvraag is maatwerk en bij elke afwijking of wijziging heeft te gelden dat geen significante effecten mogen ontstaan voor de desbetreffende Natura 2000 gebieden. Dat kan worden aangetoond door middel van een aerius-berekening. Het gaat naar onze mening te ver om alle maximale mogelijkheden van alle afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden cumulatief door te rekenen op uitvoerbaarheid.
Het is nu juist de bedoeling dat middels afwijking of wijziging maatwerk kan worden verricht. Als de
34 69
Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan20 2. 32 Zienswijzen: Verzocht wordt bij de regels voor de boringsvrije zone voor het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied aan te sluiten bij de Interim omgevingsverordening. Overwegingen: Naar aanleiding van de zienswijze zal een concretere verwijzing worden gemaakt naar de Interim omgevingsverordening Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan21 2.33 Verzocht wordt bij de regels voor de boringsvrije zone voor het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied aan te sluiten bij de Interim omgevingsverordening. Overwegingen: Naar aanleiding van de zienswijze zal een concretere verwijzing worden gemaakt naar de Interim omgevingsverordening Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan22 2.34 Zienswijze: Bezwaar wordt gemaakt tegen teeltondersteunende voorzieningen
de
voorgenomen
uitbreidingsmogelijkheden
voor
Overwegingen: In de interim omgevingsverordening is de volgende definitie opgenomen van “teeltondersteunende voorzieningen”: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf. Bij een grondgebonden teeltbedrijf in de groenblauwe mantel is de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 3 hectare toegestaan. Een permanente teeltondersteunende voorziening wordt gedefinieerd als een teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas. Tijdelijke teeltondersteuennde voorzieningen worden in de Interim omgevingsverordening niet geregeld. In het ontwerpbestemmingsplan is de
20
Regels en verbeelding regels 22 regels 21
36 69
volgende definitie gegeven van teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen, geen kassen of andere gebouwen zijnde, in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden; te onderscheiden zijn de volgende categorieën: 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden per jaar, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, boomteelthekken en regenkappen 2. teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden, stellingenteelt (bakken in stellingen); 3. overige teeltondersteunende voorzieningen zoals vogelnetten en steunpalen/-stokken; De definitie van “permanente teeltondersteunende voorziening” wordt in overeenstemming gebracht met de definitie die is opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Voor de definitie van “tijdelijke teeltondersteunende voorziening” handhaven wij de definitie uit het ontwerp bestemmingsplan. Beide percelen hebben de bestemming Agrarisch met waarden -2 en de aanduiding groenblauwe mantel.
In artikel 6.3 van het thans geldende bestemmingsplan is ook een ontheffing opgenomen niet alleen voor tijdelijke maar ook voor permanente teeltondersteunende voorzieningen. Thans is alleen een afwijkingsmogelijkheid in het voorliggende ontwerp-bestemmingsplan opgenomen voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Er is in dat opzicht geen sprake van een verruiming van de mogelijkheid van teeltondersteunende voorzieningen, maar meer van een beperking. In het geldende bestemmingsplan is een maximale hoogte van teeltondersteunende voorzieningen opgenomen van 2,5 meter en een maximale oppervlakte van 1 ha. Deze waren niet beperkt tot grondgebonden teelten. In het voorliggende ontwerp-bestemmingsplan is de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorziening uitgebreid tot 3 ha en de hoogte is 4 meter geworden. Per saldo zijn de mogelijkheden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen dus aanzienlijk verruimd, zowel qua hoogte als qua oppervlakte. Bij een vergelijking van beide planologische regimes constateren wij het volgende: a. de mogelijkheid van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten een bouwvlak is vervallen (een beperking) b. de mogelijkheid van teeltondersteunende voorzieningen bij een niet grondgebonden teeltbedrijf zal vervallen(een beperking) c.