BIJLAGE 4 bij toelichting Plan-MER.pdf
Tekst van het document
Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame landbouw voor voedsel en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van de biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Blad 14 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
In de NOVI zijn uitgaande van de 4 prioriteiten en de 21 nationale belangen beleidskeuzes geformuleerd. Voor het buitengebied zijn binnen prioriteit 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied de volgende beleidskeuzes relevant: Beleidskeuze 4.1 In het landelijk gebied verbetert de balans tussen het landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Beleidskeuze 4.2 De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kapitaal duurzaam benut. Beleidskeuze 4.3 Er wordt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk gemaakt, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit. Beleidskeuze 4.4 Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Wildgroei van distributiecentra is ongewenst De NOVI is nog niet vastgesteld. Tot vaststelling van de NOVI geldt de SVIR nog als het rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening.
2.3.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), dat op 30 december 2011 in werking is getreden, geborgd. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsof uitwerkingsplannen, maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) rekening houden met het Barro. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt en relevant zijn voor het plangebied zijn: De uitoefening van defensietaken. Toekomstige uitbreiding van infrastructuur; De elektriciteitsvoorziening (de 380 Kv leiding van Tennet en diverse aardgastransportleidingen lopen door het plangebied); De ecologische hoofdstructuur; Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en vermindering van de bestuurlijke drukte.
De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad kunnen leiden tot een versnelde uitvoering van die projecten. Daar staat tegenover dat gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakt aan een belang van één van de projecten in het Barro, nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten checken. Gebeurt dat niet, dan bestaat het risico op een reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten of van de Minister. Het effect daarvan is dat bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan niet in werking treden. In het Barro zijn verschillende regels opgenomen voor de bescherming van de nationale belangen. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In titel 2.6 van het Barro is bepaald dat bij ministeriele regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannenrekening mee moeten houden. In het Rarro is daar uitvoering aan gegeven.
2.3.4
Wet natuurbescherming
Blad 15 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Natuurwaarden worden op gebiedsniveau en op soortenniveau beschermd. De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van de beschermde Natura 2000gebieden en in hoofdstuk 3 de bescherming van soorten. De Wet natuurbescherming bepaalt dat activiteiten geen significante negatieve effecten mogen hebben op Natura 2000-gebieden. Vergunningen voor dergelijke activiteiten mogen niet zondermeer worden gegeven, plannen die kader stellend zijn voor dergelijke activiteiten mogen niet zondermeer worden vastgesteld. Indien (significant) negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, moet een zogenaamde passende beoordeling worden opgesteld. De Wet natuurbescherming beschermt een groot aantal in Nederland voorkende planten- en diersoorten. De wet verbiedt handelingen of ontwikkelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet. De varianten worden beoordeeld op effecten op aantasting van leefgebieden van beschermde soorten en effecten op populaties van beschermde soorten, in het bijzonder op populaties van vogels en vleermuizen.
2.4
Provinciaal beleid
2.4.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant In december 2018 heeft de provincie de Omgevingsvisie vastgesteld, de opvolger van de Structuurvisie. De Omgevingsvisie anticipeert op de Omgevingswet en geeft een visie op Brabant in 2050 met doelstellingen en ambities voor 2050 en als tussenstap 2030 en geeft een visie op de manier waarop de provincie de doelstellingen en ambities wil verwezenlijken. Hoofddoelstelling is dat Brabant in 2005 welvarend, verbonden en klimaatproof is en dat Brabant ook in 2050 een provincie is waar het goed wonen, werken en recreëren is (het motto van de “oude” Structuurvisie).
Blad 16 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Welvarend Een versterkte internationale concurrentiepositie; Goed vestigingsklimaat; Voortrekkkerrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie; Belangrijke rol voor Brainport; Met ondernemerschap, kennis en innovatie oplossen van complexe maatschappelijke vraagstukken op het gebied van zorg, energie, klimaat en mobiliteit; Een economie die inclusief en duurzaam is, een optimum van economische groei met zoveel mogelijk positieve synergie-effecten; Voorbeeldfunctie agrofoodsector; Duurzame en circulaire landbouw; Energietransitie; Veerkrachtige en aantrekkelijke natuur en landschappen; Gezonde bodem, water en luchtkwaliteit; Schone mobiliteit; Verbetering van de leefomgeving voor mens en flora en fauna; Robuust natuurnetwerk; Klimaatadaptief; Sociaal inclusief. Verbonden Goede verbindingen zowel sociaal-maatschappelijk als fysiek; Koploper in smart mobility; Contrastrijk en eigen identiteit; Stad en land complementair; Aantrekkelijk leefomgeving. Klimaatproof Energie- en CO2 neutraal; Circulaire economie en landbouw; Gezond en klimaatbestendig bouwen; Klimaatadaptief. Meerwaardecreatie en participatie zijn sleutelwoorden bij de verwezenlijking van doelstellingen en ambities.
De provincie wil dit bereiken door “diep, rond en breed” te kijken: Diep: niet alleen de bovengrond, maar ook de ondergrond; Rond: niet sectoraal, maar integraal; Breed: vanuit meerdere gezichtspunten.
Blad 17 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
De provincie heeft één basisopgave en vier hoofdopgaven benoemd: Basisopgave: Basis op orde: Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit; Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende duurzame economie. Per opgave zijn doelen voor 2030 en 205 en acties benoemd. De omgevingsvisie wordt in het vervolg nader uitgewerkt in programma’s en is doorvertaald in de een nieuwe Omgevingsverordening (zie hieronder)
2.4.2
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 november 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een “Interim" omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dit in eerste instantie nog “beleidsneutraal, zonder nieuwe beleidsontwikkelingen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij al vastgestelde Omgevingsvisie, de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De IOV vervangt de Verordening ruimte, de provinciale milieuverordening, de verordening natuurbescherming, de verordening ontgrondingen, de verordening water en de verordening wegen. De IOV bevat rechtstreeks werkende regels die voor “iedereen” gelden: gemeenten, burgers, ontwikkelaars, bedrijven en instructieregels die gemeenten en waterschappen aangeven waar hun ruimtelijke plannen en besluiten aan moeten voldoen. .
In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De Interim omgevingsverordening is beleidsarm. Daarin wordt een gebiedsgerichte benadering voorgestaan, waarbij het in stand houden en bevorderen van omgevingskwaliteit voorop staat. Er is meer maatwerk mogelijk. Belangrijk daarbij is het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Hiermee wordt meervoudig ruimtegebruik, koppeling van maatschappelijke doelen en opgaven bedoeld. Daarnaast is het van belang dat bij nieuwe ontwikkelingen bekeken wordt welke effecten het heeft op het voorkomen van leegstand en in welke zin het bijdraagt aan sloop. Voor een bestemmingsplan buitengebied zijn de regels ten aanzien van landbouw het belangrijkste. Deze zijn opgenomen in afdeling 2.7 (rechtsreeks werkende regels Landbouw) en afdeling 3.6 (instructieregels Vitaal Platteland). Daarnaast zijn met name de algemene instructieregels van belang: zorgplicht goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), lagenbenadering (3.7), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering landschap (3.9).
Thematisch belangrijke aspecten, naast landbouw, zijn water (paragraaf 3.2.2), Natuurnetwerk Brabant (paragraaf 3.2.3), aardkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden (paragraaf 3.2.4), klimaat (afdeling 3.3.) en Duurzame energie (afdeling 3.4).
Blad 18 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Landbouw (afdeling 2.7 rechtstreeks werkende regels) en afdeling 3.6 (instructieregels). Veehouderijen Samen met haar partners werkt de provincie al geruime tijd aan de transitie naar zorgvuldige veehouderij. Sinds 2010 (megastallen debat) hebben provinciale staten hierover verschillende besluiten genomen die ook hebben geleid tot het vaststellen van regels. Belangrijke dossiers zijn: • Transitie naar zorgvuldige veehouderij (maart 2014): Uitbreiding van veehouderijen is alleen mogelijk is als het bedrijf voldoet aan specifieke eisen op het gebied van zorgvuldigheid of duurzaamheid: 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd'. Om de transitie te bevorderen is een nieuw instrument ontwikkeld, de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij (BZV). De BZV objectiveert wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan een zorgvuldige veehouderij. • Versnelling transitie veehouderij (juli 2017): Dit aanvullend pakket aan maatregelen bevat regels om de uitstoot van ammoniak uit dierenverblijven terug te dringen, een aanpassing van de Brabantse zorgvuldigheidscore veehouderij, nieuw mestbeleid en regels die in veedichte gebieden een verdere regionale concentratie van vee en toenemende leegstand tegengaan door het zogenaamde stalderen (dat laatste in Oost- en Midden-Brabant, (nog) niet in West-Brabant).
Zorgvuldige veehouderij Er wordt alleen nog ontwikkelruimte aan veehouderijen geboden als daarmee een ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Hieraan is een aantal voorwaardelijke bepalingen gekoppeld: o.a. Inpasbaarheid is in de omgeving vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving Voeren van een zorgvuldige dialoog met omgeving gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief landschappelijke kwaliteitsverbetering op minimaal 10% van het bouwvlak voldoen aan (boven)wettelijke eisen ten aanziengeur 1 aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag wordenOm te mogen uitbreiden moet een minimale score van 7,25 gehaald worden op de zogenaamde “Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij” (BZV). Ontwikkelruimte blijft in principe beperkt tot 1,5ha. Veehouders die een overlastsituatie opruimen en/of een BZV-score van minimaal 8,5 scoren, kunnen aanspraak maken op een groter bouwblok (2 tot 2,5ha) dan normaal (1,5ha).
Stalderen In Oost- en Midden-Brabant mogen veehouderijen met “hokdieren” (varkens, pluimvee e.d.) alleen uitbreiden als tegelijk binnen het zogenaamde “stalderingsgebied” verouderde leegstaande stallen worden gesloopt. Voor elke m2 uitbreiding/nieuw ontwikkeling moet 1,2 m 2 oude stal gesloopt worden. In West-Brabant geldt de stalderingsplicht niet. Eisen stalsysteem 1
Oorspronkelijk werd in het provinciaal beleid ook een bovenwettelijke eis aan fijn stof gesteld, maar deze is na een uitspraak van de Raad van State geschrapt.
Blad 19 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
De provincie zet sterk in op een verlaging van de stikstofemissies uit veehouderijen en stelt daarom in IOV eisen aan de stikstofemissie. Voor bestaande stallen geldt dat het vanaf 1 januari 2020 verboden is huisvestingssystemen te gebruiken, voor zover deze: • zijn gerealiseerd op basis van een omgevingsvergunning, onderdeel milieu of melding die langer dan 20 (rundvee) of 15 jaar (overig vee) geleden onherroepelijke zijn geworden, respectievelijk zijn ingediend; èn • niet voldoen aan de vereisten van bijlage 2 bij de IVO. Uitzondering hierop waren bedrijven die meedoen aan de stoppersregeling ammoniak. Niet voldoen aan de landelijke emissie-eisen van het Besluit emissiearme huisvesting was tot 1 januari 2020 nog toegestaan op basis van het landelijk afgesproken gedoogbeleid, vastgelegd in de Stoppersregeling onder het Actieplan ammoniak. Bedrijven dienden op 1 januari 2020 gestopt te zijn óf, indien ze toch doorgaan uiterlijk op die datum te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Uitzondering zijn ook bedrijven die op 19 juli 2017 (op bedrijfsniveau) voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Op basis van het Besluit zijn verouderde stallen nog toegestaan, indien via intern salderen alsnog wordt voldaan aan de emissie-eisen van het Besluit. Voor deze groep van bedrijven geldt dat tot 1 januari 2022 de tijd hebben om hun stalsystemen aan te passen.
Bij het realiseren van een nieuwe stal moet deze op dierplaatsniveau voldoen aan de stikstofemissie-eisen zoals opgenomen van bijlage 2 van de Interim Omgevingsverordening. Verbod uitbreiding veehouderij stedelijk gebied en beperkingen veehouderij Binnen het werkingsgebied Stedelijk gebied en Beperkingen veehouderij is het beleid gericht op een afwaartse beweging van de veehouderij. Daarom is in deze gebieden geen toename van de bestaande gebouwen of bestaande bouwwerken toegestaan. Het vervangen van een bouwwerk door een gebouw (of andersom) is ook niet mogelijk. Er geldt slechts één uitzondering op het verbod: als er sprake is van een grondgebonden veehouderij binnen Beperkingen veehouderij die voldoet aan de eisen die in de nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij zijn gesteld Tijdelijk verbod geitenhouderij De provincie heeft een verbod ingesteld op nieuwe, uitbreiding van bestaande en omschakeling naar geitenhouderijen. Dit omdat onderzoek heeft aangetoond dat er een verhoogde kans is op longontsteking voor mensen die in een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij wonen. Het is onbekend waardoor dit verhoogde risico ontstaat zodat vervolgonderzoek nodig is naar de oorzaak van dit risico. De resultaten van dat onderzoek komen pas op termijn beschikbaar.
Mestbewerking Op een bouwperceel voor een veehouderij is mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest. De provincie wil dat mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (mestbewerking voor derden) plaatsvindt op een daartoe geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Op het perceel van veehouderijen is de mestbewerking van elders geproduceerde mest in beginsel niet mogelijk. Hierop zijn twee uitzonderingen: 1. voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton/jaar. In de gevallen waarbij er een verdere bewerking van de mest plaatsvindt, moet worden voldaan aan het vereiste dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water teneinde vrachtbewegingen te beperken.. 2. als nevenfunctie op een veehouderij gevestigd in gemengd landelijk gebied: onder voorwaarden vestiging van een niet-agrarisch bedrijf voor mestbewerking mogelijk. De
Blad 20 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
voorwaarden betreffen onder andere dat de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd, dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water en dat de ontwikkeling inpasbaar moet zijn in de omgeving. Deze uitzondering geldt niet voor veehouderijen gevestigd binnen de Groenblauwe mantel of in Beperkingen Veehouderij. Glastuinbouw De provincie streeft naar concentratie van glastuinbouw in daarvoor speciaal aangewezen gebieden; de glastuinbouwvestigingsgebieden en de doorgroeigebieden glastuinbouw. De ontwikkelingsmogelijkheden voor solitaire glastuinbouwbedrijven buiten die gebieden zijn daarom beperkt. Concentratie leidt tot een aantal synergievoordelen zoals de mogelijkheid om producten gezamenlijk aan- en af te voeren, in- en verkoop te bundelen en milieuproblemen gezamenlijk aan te pakken. Roosendaal Wouw ligt niet in glastuinbouwvestigingsgebieden, maar deels wel in doorgroeigebieden glastuinbouw. Roosendaal geeft echter geen aparte groeimogelijkheden voor glastuinbouw in doorgroeigebieden. Voor de glastuinbouwbedrijven in het plangebied zijn daarom de regels voor de solitaire glastuinbouwbedrijven relevant. Vestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is zijn toegestaan.
Uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare netto glas als is aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is om de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf voor langere termijn te waarborgen. Binnen de Groenblauwe mantel bepaalt dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet toegestaan. Teeltondersteunende voorzieningen (TOV) De provincie laat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf toe als dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is en de bouw of uitbreiding van een kas beperkt is tot ten hoogste 5.000 m². Vanwege het glastuinbouwconcentratiebeleid is er een maximum gesteld aan de omvang van ondersteunende kassen om te voorkomen dat er sluipenderwijs een zelfstandig glastuinbouwbedrijf ontstaat. Binnen de Groenblauwe mantel is de bouw zijn kassen en nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen uitgesloten
Blad 21 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Algemene instructieregels Zorgplicht goede omgevingskwaliteit (paragraaf 3.5) De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. De karakteristiek van een plek of gebied bestaat uit herkomst- en belevingswaarden. Herkomstwaarde gaat onder andere over verbondenheid, eigenheid en herkenbaarheid, cultuurhistorische verscheidenheid en leesbaarheid van de omgeving in tijd en ruimte. Voorbeelden van belevingswaarde zijn uitstraling en aantrekkelijkheid, de schoonheid van de omgeving en een omgeving met contrasten, diversiteit, rust en ruimte. De gebruiks- en toekomstwaarden van een plek of gebied zijn vooral verbonden met de maatschappelijke en ruimtelijke dynamiek. Actuele maatschappelijke opgaven en vraagstukken zijn veelal in grote mate bepalend voor de toekomstige kwaliteit van de leefomgeving. Gebruikswaarde heeft onder andere betrekking op een goede bereikbaarheid en functionaliteit van locaties, effectiviteit en productiviteit, externe veiligheid, een schoon milieu en een goede waterhuishouding. Bij toekomstwaarde gaat het bijvoorbeeld om stabiliteit en flexibiliteit, duurzaamheid, draagvlak voor een betekenisvolle toekomst, erfgoed, rekening houden met ecologische voorraden en duurzame ecosystemen.
De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit is opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: • zorgvuldig ruimtegebruik • toepassing van de lagenbenadering • meerwaardecreatie Gemeenten geven invulling aan een goede omgevingskwaliteit op lokaal niveau door een afweging te maken in een concreet geval. Vanuit provinciaal belang zijn er naast de basisprincipes ook specifieke regels voor onderwerpen opgenomen in deze verordening. Sommige regels zijn gericht op bescherming van waarden, zoals natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Soms zijn de regels gericht op ontwikkeling, bijvoorbeeld door ontwikkelruimte te koppelen aan een versterking van kwaliteit door groenontwikkeling of sloop van leegstaande bebouwing. Dat is verder uitgewerkt in de kwaliteitsverbetering landschap, dat onderdeel is van het basisprincipe meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik (paragraaf 3.6) Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten.
Dat draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging, is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel.
Blad 22 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Lagenbenadering (paragraaf 3.7) De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut. Het is van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen. Voor een aspecten die bij de lagenbenadering betrokken worden, bevat deze verordening specifieke regels, zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem. Voor een aantal andere aspecten stelt de provincie informatie beschikbaar die benut kan worden bij de toepassing van de lagenbenadering, zoals: natuurgegevens, gebiedspaspoorten, Aardkundige waarden kaart en de cultuurhistorische waardenkaart, de bodemwijzer, de wateratlas, gezondheidsrisicokaarten, de atlas van de leefomgeving etc. Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. Niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst.
Past een functie binnen de toekomstige (gewenste) ontwikkelingsrichting van een gebied; Is de functie toekomstbestendig of betreft het een tijdelijke functie. Als een functie onomkeerbare effecten heeft op een te beschermen belang, bijvoorbeeld een ernstige verontreiniging van het grondwater of de aantasting van niet vervangbare aardkundige waarden kan dat een reden zijn om zo’n ontwikkeling niet op die plek toe te lasten maar een andere plek. De intensiteit van de afweging hangt af van het gebied en de ontwikkeling. Naarmate een ontwikkeling minder inbreuk maakt op de leefomgeving of de omgevingskwaliteit, is ook de afweging minder indringend. Gemeenten hebben derhalve een bepaalde vrijheid hier invulling aan te geven. Meerwaardecreatie (paragraaf 3.8) Door ontwikkelingen niet enkel vanuit een economische, sociale of ecologische hoek te bekijken maar bij belangrijke ontwikkelingen met een grote impact op de leefomgeving al deze aspecten te betrekken, ontstaat meerwaarde voor Brabant. Rekening houdend met de plek van de ontwikkeling kunnen urgente kwesties aan andere opgaven gekoppeld worden, daarbij rekening houdend met de unieke identiteit en de landschappelijke kwaliteiten van een gebied.
• People: wat betekent het initiatief voor de gemeenschap in termen van veiligheid en gezondheid, sociale samenhang (sociale inclusiviteit) en kwaliteit van de leefomgeving? Hebben mensen profijt van het initiatief in hun omgeving? • Planet: hoe draagt het initiatief bij aan meer circulariteit en daarmee volhoudbaarheid van onze leefomgeving (minder energiegrondstofverspilling, minder klimaatbelasting)? • Profit: wat levert het op voor een economisch sterke (top)positie van Brabant? Kwaliteitsverbetering landschap (paragraaf 3.9) Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied voorziet daartoe in een regeling. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van deze regeling is in 2011 een handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel, zoals bijvoorbeeld verplichtingen tot sloop van bebouwing, het saneren van windturbines of de vastgelegde minimale verplichting voor een landschappelijke inpassing bij veehouderijen en mestbewerking.
Blad 23 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Water (afdeling 2.1 rechtstreeks werkende regels en paragraaf 3.2.2 instructieregels) In de IOV zijn diverse (beschermings)maatregelen opgenomen ten aanzien van waterbelangen. Zo zijn er rondom de waterwingebieden grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones opgenomen, zijn waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging aangewezen (zie kopje “klimaat”)en zijn eisen gesteld ten aanzien van waterveiligheid (zie kopje “klimaat”) en waterkwaliteit. Dat laatste ook vanuit de (Europese) Kaderrichtlijn Water. De waterbelangen geven beperkingen en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht ten aanzien van waterbelangen om negatieve effecten op voorhand te voorkomen. In een waterwingebied geldt een algemeen verbod op het oprichten van locatiegebonden milieubelastende activiteiten, werkzaamheden op of in de bodem en het gebruik of aanwezig hebben van (potentieel) schadelijke, het toepassen van uitloogbare materialen en het gebruiken als parkeerterrein of voor evenementen.
Binnen grondwaterbeschermingsgebied geldt dat activiteiten die schadelijk (kunnen) zijn voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater zijn verboden: een locatiegebonden milieubelastende activiteit, het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen, de toepassing van IBC-bouwstoffen, de aanleg van een buisleiding, opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen, een begraafplaats of uitstrooiveld, activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen. Binnen boringsvrije zone gelden geen absolute verboden, wel voorwaarden gesteld aan activiteiten die een risico geven voor schade aan de beschermende kleilaag. Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven benoemde waterbelangen In het buitengebied Wouw ligt het waterwingebied op het voormalig Landgoed Altena bij Heerle. Daarom heen is een gebied aangeduid als 25-jaarszone kwetsbaar. Verder zijn diverse reserveringsgebieden voor waterbergingsgebied in het plangebied te vinden.
Natuurnetwerk Brabant (paragraaf 3.2.3) De provincie heeft beschermde natuurgebieden aangewezen, het Natuur Netwerk Brabant (NNB), een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang, zoals de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden, de rivieren en beken. Binnen en rondom deze gebieden gelden beperkingen voor en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen om negatieve effecten op NNB te voorkomen. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Het NNB bestaat uit: • bestaande natuur- en bosgebieden; • gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere nietnatuurbestemming is verdwenen; • nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; • ecologische verbindingszones.
Blad 24 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Figuur 2.2. – Interim Omgevingsverordening ruimte - water
Het provinciale beleid is erop gericht om het NNB in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door: • het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen); • voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname); • inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting); • realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).
Blad 25 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Op basis van het rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in het natuurnetwerk is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen. Juist daarmee ontstaan ook kansen voor de realisering en versterking van het natuurnetwerk. Hiervoor zijn de door Rijk en provincies opgestelde “Spelregels EHS beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS” (20 augustus 2007) van belang. Deze spelregels zijn in de verordening nader uitgewerkt. Aantasting van NNB gebied (ruimtebeslag) is niet zondermeer mogelijk en moet middels een zogenaamde “nee-tenzij afweging” worden afgewogen: a. er moet sprake zijn van een groot openbaar belang; b. er mogen voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant; c. er mogen een andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen; d. de negatieve effecten moeten waar mogelijk worden beperkt; e. bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan de compensatieregels f. uitvoering en monitoring zijn verzekerd. Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat: a. gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten; b.
een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen; c. tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen. Voor de compensatie geeft de provincie twee opties: fysiek (aanleg nieuwe natuur) of financieel (bijdrage aan het provinciale Groenfonds). Fysieke compensatie moet plaatsvinden binnen het NNB in wel aangewezen naar nog niet gerealiseerd NNB gebied e(ecologische verbindingszones vallen hier ook onder). Naast ruimtebeslag moeten ook andere negatieve effecten, zoals verdroging, verstoring door geluid of licht, betreding e.d. (de zogenaamde externe werking), worden afgewogen en indien wezenlijk worden gecompenseerd. Anders dan bij ruimtebeslag is hiervoor geen “nee-tenzij” afweging nodig. De provincie maakt een expliciete uitzondering voor externe effecten optredend vanwege de verspreiding van stoffen door de lucht of water. Hiervoor vindt een afweging plaats in het kader van andere wet- en regelgeving. Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven benoemde natuurbelangen. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b.
bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.
Blad 26 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Groenblauwe Mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden aangewezen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden.
Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De groenblauwe mantel richt zich niet alleen op het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar, zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het Groenblauw Stimuleringskader.
Blad 27 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Figuur 2.3. Interim omgevingsverordening – natuur en landschap
Aardkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden (paragraaf 3.2.4) De provincie heeft aanvullend op de rijksbeschermde gebieden en waarden (Unesco werelderfgoederen, Rijksmonumenten, Beschermde stads en dorpsgezichten en archeologische monumenten) aardkundig waardevolle gebieden, cultuurhistorische waardevolle landschappen en archeologische landschappen aangewezen. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen bedoeld om negatieve effecten op de waarden in deze gebieden te voorkomen. Voor activiteiten met een verstorend effect geldt een vergunningplicht. Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven aardkundige cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
Blad 28 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Klimaat (afdeling 3.3) Om beter in te kunnen spelen op de klimaatveranderingen en met name de verwachte toename van overstromingen en verwachte toename van droogte heeft de provincie waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging aangewezen om meer ruimte te geven aan water. Binnen deze gebieden gelden beperkingen voor en randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen bedoeld om negatieve effecten op de waterbelangen in deze gebieden te voorkomen. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Bestemmingplannen dienen beschermende regels op te nemen voor de hierboven beschreven waterbelangen. Duurzame energie (afdeling 3.4). De provincie wil ruimte bieden voor het opwekken van duurzame energie, maar wel onder randvoorwaarden omdat windturbines en zonneparken grote invloed hebben op de omgevingskwaliteit. De provincie stelt regels aan kleine windturbines (mast tot 25 meter hoog), middelgrote windturbines (mast van 25 tot 60 meter hoog) en grote windturbines (mast vanaf 60 meter). De bouw van windturbines met een hoogte van minder dan 25 meter is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Ten aanzien van (middel)grote windturbines moet onderzocht worden op welke plekken de plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving.
In het algemeen geldt dat hierbij zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige polderlandschap de voorkeur. Een plan dat de nieuwvestiging van windturbines mogelijk maakt bevat de onderbouwing dat de ontwikkeling past bij de maat en schaal van het gebied. Om verrommeling tegen te gaan zijn er geen mogelijkheden voor de ontwikkeling van solitaire windturbines. Er moet minimaal sprake zijn van drie windturbines in een lijn- of clusteropstelling. Omdat de ontwikkeling van windturbines in beginsel een tijdelijk karakter heeft, is het belangrijk dat er door de ontwikkeling geen planologische rechten ontstaan die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. Daarom is aan de ontwikkeling van windturbines in landelijk gebied de voorwaarde verbonden dat deze uitsluitend gerealiseerd kunnen worden met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan waaraan een maximale gebruikstermijn van 25 jaar is verbonden. Hierbij moet zijn verzekerd dat de windturbines na afloop van deze periode worden verwijderd en dat de situatie van voor de realisatie van windturbines wordt hersteld.
Om de betrokkenheid van de inwoners en draagvlak voor duurzame energie te vergroten, geldt dat de ontwikkeling maatschappelijke meerwaarde geeft. Een maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd door de maatregelen die zijn getroffen om de impact van de windturbines op de omgeving te beperken en de bijdrage aan andere maatschappelijke doelen. Dit zijn niet alleen doelen vanuit duurzaamheid maar ook gericht op vergroten van draagvlak bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Ten aanzien van zonneparken heeft het de provincie de voorkeur voor plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Omdat de verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien is er ook een mogelijkheid om onder voorwaarden zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen in landelijk gebied. Belangrijke voorwaarde is dat de noodzaak van de ontwikkeling volgt uit een onderzoek waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie binnen stedelijk gebied en op daken onvoldoende is en dat onderzocht is waar de realisatie van een zonnepark het beste kan.
Net als bij windturbines gelden de eisen aan (maatschappelijke) meerwaarde, afstemming en borging van tijdelijkheid.
Blad 29 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Stedelijke ontwikkeling Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat het leeuwendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering niet tot de mogelijkheden behoren, en dan in de zogenaamde zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling. Verder regelt de Interim Omgevingsverordening dat woningbouw en aanleg van bedrijventerreinen en kantorenlocaties onderdeel worden van bindende afspraken in de vier regionale ruimtelijke overleggen. Daaraan nemen de gemeenten, waterschappen en de provincie deel. Het gemeentelijk grondgebied is opgedeeld in een tweetal categorieën van deelgebieden: bestaande stedelijk gebied en zoekgebied verstedelijking. De kernen Wouw, Heerle, Wouwse Plantage en Moerstraten zijn aangeduid als kernen in landelijk gebied. Rondom deze kernen zijn de zoekgebieden verstedelijking, kern in landelijk gebied aangeduid. Niet-agrarische ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied De Interim Omgevingsverordeninggeeft algemene regels voor een aantal niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied.
De ontwikkeling van diverse niet-agrarische activiteiten is onder voorwaarden toegelaten in de agrarische gebieden en in de groenblauwe mantel. Om de ruimte voor de agrarische sector ook naar de toekomst toe te bewaren, is het wenselijk strijdige functies te beperken. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, veelal vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. De regels hebben betrekking op het wonen in het buitengebied, waaronder ook de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels en kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties en landgoederen. Daarnaast zijn er regels voor diverse andere niet-agrarische ontwikkelingen. Deze regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van deze ontwikkelingen waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Afwijkende regels zijn er voor agrarischtechnische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen, recreatiewoningen, dagrecreatie, kleinschalige vrijetijdsvoorzieningen, lawaaisporten en windturbines.
Blad 30 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Wijzigingen Interim Omgevingsverordening Op 14 februari 2020 hebben Provinciale Staten een eerste wijziging van de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Het gaat om een wijziging van de data waarop veehouders verouderde stalsystemen moeten aanpassen. De datum waarop veehouders uiterlijk een omgevingsvergunning moeten aanvragen of een melding moeten doen verschuift van 1 april 2020 naar 1 januari 2021. De uiterste datum waarop de stalsystemen aangepast moeten zijn verschuift van 1 januari 2022 naar 1 oktober 2022.
Figuur 2.4: Interim omgevingsverordening – zoekgebied stedelijke ontwikkeling
Blad 31 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
2.4.3
Bestuursakkoord 2020-2023 In mei 2020 heeft de provincie Noord-Brabant een nieuw college gekregen en is een nieuw bestuursakkoord gepresenteerd met het motto “Samen, Slagvaardig en Slim: Ons Brabant” Binnen 3 hoofddoelen: Een fijn, veilig en gezond Brabant, Concurrerend en ondernemend Brabant en Levendig Brabant, wordt het ingezette provinciale beleid beschouwd en op punten herijkt. De voor het buitengebied meest relevante aspecten van het bestuursakkoord zijn: Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS): inzetten op een gebiedsgerichte aanpak, zodat er ‘ontwikkelruimte’ blijft voor en tussen alle sectoren. Geen afroming extra stikstofruimte af als dat ten koste gaat van de ontwikkelkracht van Brabant en met sectoren afspraken maken over een evenwichtige bijdrage. Aanpassing datum voor het voldoen aan de emissie-eisen naar 1 januari 2024. Natuur en milieu: aanplant 40 miljoen bomen en realisatie 4.500 hectare natuur voor het Natuurnetwerk Noord-Brabant tot 2030. Water: investeren in maatregelen om ervoor te zorgen dat we droge voeten houden en voldoende water hebben in tijden van schaarste Duurzame energie : inzetten op realisatie van de afgesproken prestaties zoals overeengekomen in de Brabantse omgevingsvisie. Leveringszekerheid, draagvlak, draagkracht en het benutten van de economische kansen van de energietransitie zijn cruciaal.
Landbouw: Landbouw en natuur zijn allebei van levensbelang voor een goed en gezond leven in de stad en op het platteland. Ze zijn bondgenoten, geen tegenstanders. Werken aan een goede toekomst voor beiden. Verder bouwen aan hernieuwd vertrouwen tussen de agrarische sector en de provincie
2.4.4
Verordening en Beleidsregel natuurbescherming De provincie stelt sinds de Beleidsregel stikstof in 2010 eisen aan de uitstoot van ammoniak door veehouderijen. Dit om het negatieve effect ervan op Natura2000 te beperken. De beleidsregel is de afgelopen 10 jaar een aantal keer van naam en inhoudelijk aangepast aan veranderingen in de natuurwetgeving (de overgang in 2018 van Natuurbeschermingswet naar Wet natuurbescherming), veranderingen in het stikstofbeleid (de opkomst en ondergang van het Programma Aanpak Stikstof en de daaruit voortvloeiende regelgeving) en veranderingen in provinciaal beleid (m.n. de beleidslijn versnelling transitie veehouderij in 2017). Tot december 2019 gold de Verordening natuurbescherming. Deze verordening in overgenomen in de Interim Omgevingsverordening. Sinds januari 2020 is de Beleidsregel natuurbescherming van kracht. Deze regelt samen met de Interim Omgevingsvisie de beperking van uitstoot van stikstof vanuit veehouderijen. In de Interim Verordening zijn voor nieuwe en bestaande eisen gesteld aan de stalsystemen, de maximale stikstofemissie die de stalsystemen mogen uitstoten en de termijnen waarop veehouderijen aan deze eisen moeten voldoen (zie kopje “ eisen stalsysteem” in voorgaande paragraaf over de Interim Omgevingsverordening).
In de beleidsregels natuurbescherming worden de mogelijkheden voor en randvoorwaarden aan salderen beschreven: het systeem waarbij een toename van stikstof door uitbreiding van een activiteit (bv uitbreiding van een veehouderij) kan worden gesaldeerd (verevend) met een afname van stikstof van een ander onderdeel van de activiteit (intern salderen) of door het wegnemen van een andere stikstofbron buiten de activiteit (extern salderen).
Blad 32 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Aan saldering zijn tal van voorwaarden gebonden, zoals: Alleen saldering met een activiteit voor zover er een toestemming (bv onherroepelijke Wet natuurbeschermingswet vergunning) in de referentiesituatie en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning of omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, is vereist Saldering alleen met aantoonbaar feitelijk gerealiseerde capaciteit: volledig opgerichte installaties en gebouwen Stikstofemissie saldogevende activiteit te corrigeren naar geldende (stal)eisen uit de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant: = eisen uit Besluit Emissiearme huisvesting - na 1 oktober 2022 geldt voor huisvestingssystemen die op grond van artikel 2.66 IOV moeten worden aangepast: ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van Bijlage 2 bij de IOV. Bij extern salderen ook 30% afroming Geen mogelijkheid voor salderen als het saldogevende bedrijf deelneemt aan Subsidieregeling sanering varkenshouderijen dan wel een daarmee vergelijkbare saneringsregeling, alsmede de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij.
Daarnaast regelt de Beleidsregel Natuurbescherming ook andere ecologische aspecten die niet of deels in de Interim Omgevingsverordening zijn geregeld: regels voor tijdelijke natuur, regels compensatie houtopstanden, regels ten aanzien van schade door fauna, regels beheer fauna en opvang van beschermde soorten.
2.5
Gemeentelijk beleid Structuurvisie Roosendaal 2025 In 2025 is Roosendaal een stad van mensen, van wonen, van (net)werken. Een complete en vitale stad. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. De Structuurvisie is opgesteld in een tijd van economische crisis. Die heeft ertoe geleid dat de haalbaarheid en de betaalbaarheid van de ruimtelijke ordening centrale begrippen in het ruimtelijk beleid zijn geworden. De vanzelfsprekendheid dat er vraag is naar gronden voor woningen, winkels en kantoren, is er niet meer. In 2012 heeft Roosendaal te maken met een overschot aan bijvoorbeeld kantoor- en winkelruimte. Strategische keuzes voor het toekomstig ruimtegebruik worden onder andere beïnvloed door demografische ontwikkelingen van ontgroening en vergrijzing.
Ook die ontwikkelingen leiden ertoe dat Roosendaal niet in de eerste plaats aan meer woningen en meer bedrijventerreinen moet denken, maar aan omvormingen, herstructurering en transformatie. Het antwoord van Roosendaal op de ontwikkelingen is geformuleerd op twee beleidsuitgangspunten: Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal; Een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling. Ruimtelijke uitgangspunten Buitengebied
Blad 33 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
De kwaliteit van het buitengebied, open en weids in het noorden en een parklandschap in het zuiden, komt goed tot zijn recht. De compleetheid bestaat uit het aanbod van voorzieningen, ruimtelijke kwaliteiten en de complementariteit van stad en buitengebied. Verbondenheid is de mate waarin Roosendaal via netwerken fysiek is verbonden met haar omgeving en sociaal is verbonden met haar samenleving. De fundamentele uitgangspunten voor de gemeente zijn: Bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten; Buitengebied ontzien van verstedelijking; ruimte voor agrarische dynamiek in het noordelijk deel van het buitengebied en toerisme en recreatie in gebieden als Visdonk en Brabantse Wal; Zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is; Gebruik maken van de kwaliteit van de locatie; Leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groen-blauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c.m.
het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied; De kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven; De identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basisstructuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving; Groen/blauwe hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied; Het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer; (regionaal) Ruimte creëren voor speerpunten/topsectoren van economisch beleid; Het aanbod van sociaal-maatschappelijke en detailhandelsvoorzieningen in wijken en dorpen behouden, waar mogelijk door concentratie en bundeling van voorzieningen; Het optimaliseren van infrastructurele verbindingen en het beter benutten van de multimodale ontsluitingsmogelijkheden (weg, water, spoor, buis) van Roosendaal; Benutten van de strategische ligging van Roosendaal en West-Brabant in de Vlaams Nederlandse Delta; Bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren; Bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte; Haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling.
Roosendaal zet primair in op behoud van bestaande kwaliteiten voor natuur, water, landschap en het buitengebied en het ondersteunen van agrarische ontwikkelingen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het weidse open landschap in het noordelijk deel en het parklandschap in het zuidelijk deel van Roosendaal.
Blad 34 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Figuur 2.5. Uitsnede Integratiekaart Structuurvisie Roosendaal 2025
Het project “Landschap van Allure” voor de Brabantse Wal is als samenhangend beleidsprogramma leidend voor de ontwikkeling van natuur, landschap en recreatie. Aan de zuidzijde van Roosendaal ligt, mede gelet op de ontwikkelingen in de Brabantse Wal, meer de kracht bij de benutting van de natuurlijke kwaliteiten van het buitengebied. Op het gebied van agrarische dynamiek volgt Roosendaal de regionale focus op glastuinbouw en het Agrarisch Food Cluster in Steenbergen en boomteelt in Zundert. Verder heeft de landschappelijke structuur in de noordzijde meer mogelijkheden voor een verdere ontwikkeling van agrarische functies, mogelijk in relatie tot een bio-based economie. Wanneer ontwikkelingen de maat en schaal van het buitengebied overstijgen en functies hun grondgebonden relatie kwijt raken is daarvoor geen plek meer in het buitengebied.
Blad 35 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Beschermen en opwaarderen van waterlopen en beken zijn dragers van het buitengebied en van vitaal belang voor de natuur, landschap en beleving van het buitengebied. De agrarische sector is rentmeester en belangrijkste gebruiker in het buitengebied. De gemeente ondersteunt de dynamiek van de agrarische sector in het buitengebied en houdt daarbij rekening met andere belangen: De gemeente ontziet het buitengebied van stedelijke ontwikkelingen; Landgoederen, buitenplaatsen en ruimte-voor-ruimte regelingen worden beperkt in aantal en omvang mogelijk gemaakt; De gemeente participeert actief in het project “Landschap van Allure” in het zuidelijk gedeelte van het buitengebied; Het groene buitengebied en het groene stedelijk gebied blijven met elkaar verbonden; In het zuidelijk gedeelte van het buitengebied ligt de nadruk op het behouden en verbinden van natuur en landschap en worden de mogelijkheden voor recreatief medegebruik en plattelandsontwikkeling verruimd; het noordelijk gebied wordt benut voor verdergaande agrarische ontwikkeling; Het recreatief gebruik van het buitengebied wordt gezoneerd vanuit de dorpen en twee recreatieve poorten (Wouwse Plantage en Visdonk), aansluitend aan de wijkperspectieven.
Landschapsontwikkelingsplan Bergen op Zoom & Roosendaal (2005) In 2005 is door de gemeenten Bergen en op Zoom en Roosendaal onder de naam “De Zoom van West-Brabant” een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan vastgesteld. Hierin zijn op van een landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische analyse van waarden voorstellen gedaan voor behoud en versterking van de landschappelijke structuur en waarden van beide gemeenten. In het buitengebied Wouw zijn drie landschapstypen onderscheiden met eigen waarden (zie paragraaf 3.4), aandachtspunten en aanbevelingen. De belangrijkste aanbevelingen zijn: Gebied Dekzandgebied / Agrarisch werklandschap: Hoevenlandschap met beken
Beleid/streven Behoud openheid en karakter van hoevelandschap: verspreid liggende hoeves en slingerende wegen Behoud en versterking karakter en zichtbaarheid beken, o.a. met accentbeplanting
Veenontginningenlandschap Oud veen-ontginnings Landschap
Versterking half open blokverkaveling
Jonge heide-ontginnings landschap
Versterken grote eenheden, grootschalige blokverkaveling
Brabantse Wal Gesloten boslandschap
Behoud eenheid en samenhang Omvorming naaldbos + versterking waterinfiltratie: meer ecologische diversiteit Zichtbaar maken turfvaart De Zoom
Bron: Landschapsontwikkelingsplan 2005
Blad 36 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Figuur 2.6. Uitsnede Visiekaart Landschapsontwikkelingsplan Bergen op Zoom en Roosendaal (2005)
Blad 37 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal