BIJLAGE 4 bij toelichting Plan-MER.pdf
Tekst van het document
Als een toename op de Brabantse Wal kan worden uitgesloten, geldt dit ook voor de andere Natura 2000-gebieden, die immers verder weg gelegen zijn.
Uitvoerbaarheid stikstof-maatregelen Vraag in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is of de combinatie van uitbreiding zonder emissietoename mogelijk is. In essentie komt deze vraag er op neer of bij de bestaande bedrijven nog ruimte bestaat om de emissies terug te dringen. De zo gewonnen 'emissieruimte' op bedrijfsniveau is dan beschikbaar voor uitbreiding. Voor de uitvoerbaarheid van deze regeling is daarnaast van belang dat de uitbreiding van bedrijven niet per definitie leidt tot meer dieren. Alle dieren moeten momenteel al gehuisvest zijn op huisvestingssystemen die voldoen aan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting; op basis van best beschikbare technieken (BBT). Dit zijn huisvestingssystemen die een ammoniakuitstoot per dierplaats veroorzaken die gelijk of lager is dan onderstaande waarden. De vraag voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan is hiermee of bovenop BBT nog maatregelen of technieken mogelijk zijn die bij de vergunningverlening voor bedrijfsuitbreiding voorgeschreven kunnen worden en waarmee voorkomen kan worden dat bedrijfsuitbreiding leidt tot emissietoename. Hierbij is saldering op bedrijfsniveau van belang. De toename van oppervlakte, en daarmee dieren en emissie dient gecompenseerd te worden door aanvullende emissie beperkende maatregelen voor het gehele bedrijf.
Ondanks dat BBT lijkt te suggereren dat er 'niets beter is', is dit niet het geval. Voor zeer grote bedrijven worden reeds >BBT en >>BBT voorgeschreven en toegepast op basis van de IPCCrichtlijn. Met de technieken voor >BBT en >>BBT, die ook op kleinere bedrijven toegepast kunnen worden, worden aanzienlijke aanvullende reducties van emissie gehaald ten opzichte van BBT. Er zijn voor de afzonderlijke stalsystemen en diersoorten verschillende (algemeen geaccepteerde en zich in de praktijk bewezen) emissiereducerende technieken stalsystemen beschikbaar die een
lagere emissie veroorzaken. Dit met name voor varkenshouderijen en pluimveebedrijven en, zij het in mindere mate voor melkveehouderijen. Een aantal sectoren heeft deze mogelijkheden (vergunningstechnisch) nog niet: schapen-, geiten-, paardenhouderijen. Dat wil echter niet zeggen dat dit binnen 10 jaar (planperiode bestemmingsplan) niet het geval kan zijn: technieken veranderen en verbeteren continu. Daarnaast kunnen deze bedrijven nog wel planologisch gezien uitbreiden: door om te schakelen naar andere diersoorten (zie ook hieronder onder kopje Planologisch maximale inschatting uitvoerbaarheid). Wettechnisch/planologisch is de uitbreidingsmogelijkheid / uitvoerbaarheid in veel gevallen (veel) groter. Dit als: Uitgegaan wordt van omschakeling naar andere diersoorten met meer mogelijkheden voor schonere stalsystemen; Uitgegaan wordt van maximaal mogelijke schonere stalsystemen (ongeacht of deze reëel worden geacht). Concluderend kan gesteld worden dat een stand still van de stikstofemissie niet betekent dat voor veehouderijen geen ontwikkelingsruimte meer is. Door gebruik te maken van aanvullende ammoniakemissie reducerende stalsystemen of technieken ontstaat de mogelijkheid om, binnen het geldende emissieplafond meer dieren te kunnen houden.
Effecten Interim Verordening ruimte en Verordening natuurbescherming Noord-Brabant De strengere emissie-eisen voor stikstof in de Interim Omgevingsverordening en Verordening natuurbescherming Noord-Brabant leidt tot lagere uitstoot. Echter uitgangspunt in het bestemmingsplan buitengebied is al een stikstof standstill. Verscherping van de normen heeft hier geen extra effect op. Het verlaagt wel de achtergrondconcentratie. Aanscherping van de stikstofnormen maakt daarnaast de mogelijkheid voor intern salderen beperkter.
Daarbij kan ook nog opgemerkt worden dat een toename van bebouwing niet per definitie leidt tot meer dieren. Bijvoorbeeld ten behoeve van duurzame of diervriendelijkere stalsystemen met meer ruimte per dier kan het bedrijf worden uitgebreid, terwijl toch geen toename van dieren en emissie optreedt. Ook kunnen aanvullende (bij)gebouwen en bouwwerken voor onder andere opslag en nevenfuncties leiden tot een groter ruimtebeslag zonder dat dit leidt tot toename van dieren en / of emissie. Een uitbreiding van de agrarische bedrijven heeft hiermee geen één-opéén relatie met de uitbreiding van het aantal dieren. De haalbaarheid van het bestemmingsplan op grond van stikstofemissie is hiermee niet direct gerelateerd aan de oppervlakte die geboden wordt voor bedrijfsuitbreiding. Gevolg hiervan is bovendien dat het niet zinvol is om uitspraken te doen over de uitbreidingsmogelijkheden van de individuele bedrijven; een bedrijf met relatief weinig uitbreidingsruimte op basis van emissie, kan deze ruimten wel nodig hebben voor bijvoorbeeld bouwwerken voor opslag. Kortom; ook zonder diertoename kan bedrijfsuitbreiding nodig en haalbaar zijn. Daarnaast kan, onder voorwaarden, middels “extern salderen”, het kopen van stikstofruimte van stoppende bedrijven, stikstofruimte verkregen worden.
PAS Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) dat vanaf juli 2015 mogelijkheden biedt om ook hij toename van stikstofdepositie uit te breiden, is sinds de uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 geen optie meer. Natuur: Wav-gebieden De beschrijving en beoordeling van de effecten op de zeer kwetsbare gebieden in de NNB, de zogenaamde Wav-gebieden, volgt de effectbepaling van de stikstof op Natura 2000-gebieden. Zonder beperkingen en/of voorwaarden leidt uitbreiding van veehouderijen tot een toename van stikstof en daarmee tot een negatief effect op Wav-gebieden. De ontwikkelingsmogelijkheden voor landbouw nabij de Wav-gebieden zijn beperkt (o.a. door de aanduiding “beperking veehouderij” in de Verordening ruimte). De stikstofregeling in het bestemmingsplan voorkomt echter niet alleen het stikstofeffect op Natura 2000-gebieden, maar tevens het stikstofeffect op Wav-gebieden. Dit omdat in het geval van Buitengebied Wouw Natura2000 gebied dichterbij is gelegen dan de Wav-gebieden Daarnaast borgt de 250 m beschermingszone rondom Wavgebieden dat veehouderijen direct nabij deze gebieden niet zondermeer uit kunnen breiden. Bovendien geeft het toetsingskader van de provinciale Interim Omgevingsverordening aan dat niet getoetst hoeft te worden aan externe effecten als stikstof.
Natuur: Overige NNB Overige beschermde natuurgebieden zijn gezien de verweving van natuur en landbouw overal in het buitengebied een belangrijk aandachtspunt. De ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan kunnen leiden tot negatieve effecten. De gebiedsbeschermingsregeling in het bestemmingsplan voorkomt dat ontwikkelingen plaatsvinden in beschermde natuurgebieden. Er is daarmee geen sprake van ruimtebeslag in beschermde natuurgebieden. De verstoring van beschermde natuurgebieden door uitbreiding van veehouderijen, glastuinbouw, kwekerijen/TOV, werken in het vergunningenstelsel en kleinschalige recreatie is naar verwachting beperkt. Echter negatieve verstorende effecten zijn op voorhand niet geheel uit te sluiten. Dit geldt met name voor de mogelijke negatieve effecten van TOV en werken in het vergunningenstelsel op NNB-gebied. Het negatief effect kan worden verminderd/voorkomen door ontwikkelingen met een negatief effect te verbieden dan wel voorwaarden aan ontwikkelingen op te nemen in de bestemmingsplanregeling. Dit voor het gehele buitengebied of in zones rondom gebieden, die gevoelig zijn voor verdroging. Een negatief effect is echter geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
Er is geen sprake van wezenlijk negatieve effecten en bij uitwerking van individuele uitbreidingsmogelijkheden bestaan voldoende mogelijkheden voor maatregelen om negatieve effecten lokaal te voorkomen of te verminderen. Natuur: Overige natuurwaarden In het buitengebied van Roosendaal zijn kwetsbare soorten aanwezig die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de activiteiten (zoals agrarische of recreatieve activiteiten) die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan. Gezien de verspreiding van de activiteiten en de kwetsbare soorten in het buitengebied kunnen middels tijdig getroffen maatregelen negatieve effecten voorkomen worden en kan de gunstige staat van instandhouding worden gewaarborgd. Een voorbeeld van een mitigerende maatregel is een zorgvuldige planning en uitvoering van de werkzaamheden. Ook kan een kwaliteitsimpuls aan het leefgebied bijdragen aan een robuustere leefomgeving zodat het aantal uitwijkmogelijkheden voor verblijfplaatsen of alternatieve foerageergebieden en vliegroutes toeneemt. Ook kan er vervangende nestgelegenheid/verblijfplaatsen worden aangeboden. De Wet natuurbescherming staat de uitvoering van het bestemmingsplan ten aanzien van de agrarische bedrijven niet in de weg.
Verkeer, hinder en leefklimaat Het effect van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan op verkeer, hinderaspecten (geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, lichthinder, geur) en leefklimaat is naar verwachting gering. Uitbreiding van glastuinbouw, veehouderijen en kleinschalige recreatie leidt tot toename van verkeer en hinder op omwonenden, maar deze toename is beperkt. De toename van verkeer is relatief beperkt, de toename in geluidbelasting en uitstoot van luchtverontreinigende stoffen daarmee ook en nauwelijks waarneembaar. Dit neemt niet weg dat omwonenden deze ontwikkelingen mogelijk als hinderlijk kunnen ervaren. Dat geldt ook voor eventuele lichtuitstoot vanuit kassen en (open) stallen. Wet- en regelgeving borgen echter dat lichtuitstoot beperkt blijft. Aandachtspunt is de veiligheid op de wegen in het buitengebied. De verkeersintensiteiten zijn laag, de toename door de ontwikkelingen is gering. Voor cumulatie kan gesteld worden dat het totale geluidklimaat in het buitengebied met name bepaald blijft worden door de snelwegen en de lokale wegen. De bijdrage van de ontwikkelingen in het bestemmingsplan hieraan is gering. Het totaal effect is gering en blijft (ver) beneden normen. De uitbreiding van veehouderijen leidt tot een toename van geuruitstoot. De geuruitstoot wordt beperkt door wet- en regelgeving en rijks- en provinciaal beleid.
Voor individuele uitbreidingen van veehouderijen zal de toename van geurhinder daarom beperkt zijn. Cumulatief voor alle veehouderijen in het buitengebied kan een negatief effect niet uitgesloten worden. Voor externe veiligheid spelen geen aandachtspunten in en rond het buitengebied. Mitigerende maatregelen zijn mogelijk, met name ter vermindering / voorkoming van lichthinder vanuit open stallen en vermindering van uitstoot luchtverontreinigende stoffen en geur bij agrarische bedrijven. Gezondheid De ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan kunnen negatieve effecten hebben op gezondheidsaspecten voor omwonenden. Het bestemmingsplan maakt geen grote nieuwe ontwikkelingen met gezondheidsrisico’s mogelijk. Wel biedt het uitbreidingsmogelijkheden aan bestaande veehouderijen. Negatieve effecten op gezondheid zijn hiermee niet uit te sluiten. Uitbreiding van veehouderijen leidt tot extra hinder in het buitengebied: verdere aantasting van het landschap, toename verkeer, toename geluid, toename geur, toename luchtverontreiniging. Echter het bestemmingsplan voorziet in maatregelen die de negatieve effecten van uitbreiding van veehouderijen op gezondheid beperken (nog los van mogelijke toekomstige maatregelen volgend uit het VGO onderzoek): De uitbreiding van veehouderijen is aan voorwaarden uit de Interim Omgevingsverordening gebonden, o.a.
maximaal tot 1,5 ha (inclusief bestaand) en voorwaarden uit de Interim Omgevingsverordening die gericht zijn op het voorkomen van een negatief effect op gezondheid (o.a. bovenwettelijke normen voor geur en fijnstof); De stikstofmaatregel ten behoeve van Natura 2000 leidt tot beperking van de uitstoot van ammoniak (belangrijkste bron van stikstof) en heeft daarmee een gunstig effect op het negatieve effect van ammoniak op de longfunctie. Daarnaast gelden waarborgen uit sectorale wetgeving (geur, geluid, luchtkwaliteit) en wordt bij individuele vergunningaanvragen getoetst aan de Handreiking Veehouderij en Gezondheid en het Handelingsperspectief Endotoxinen. Naast negatieve effecten heeft het Bestemmingsplan Buitengebied Wouw ook positieve effecten op gezondheid. Door de mogelijk maken van (kleinschalige) recreatieve voorzieningen wordt gestimuleerd dat mensen buiten komen en bewegen.
Radar, straalpaden, hoogspanningsverbindingen De ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan hebben geen negatieve effecten op radar, straalpaden en hoogspanningsverbindingen Samenvatting effecten en beoordelingen per ontwikkelingsmogelijkheid Uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw Uitbreiding van veehouderijen (stallen) en glastuinbouw leidt tot extra ruimtebeslag in het buitengebied. De effecten ervan zijn relatief beperkt. Uitbreiding vindt plaats bij al bestaande bedrijven, die met name in het van oudsher agrarische gebied zijn gelegen. Lokaal kan uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw ten koste gaan van landschappelijke elementen en waarden. Tegenover het verlies van landschappelijke elementen staat de realisatie van nieuwe landschapselementen conform het provinciaal beleid (Kwaliteitsverbetering landschap). Uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw leidt tot extra verharding, maar deze moet conform de eisen van het waterschap en de gemeente worden gecompenseerd. Uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw leidt zonder maatregelen tot een toename van uitstoot van stikstof en daarmee een negatief effect op Natura2000-gebieden. Door een stikstofvoorwaarde in de bestemmingsplanregeling op te nemen, wordt dit effect voorkomen. Uitbreiding heeft geen andere effecten op Natura2000 en NNB-gebieden.
Uitbreiding kan lokaal ten koste gaan van beschermde plant en diersoorten, maar deze effecten kunnen over het algemeen bij uitwerking van uitbreidingsplannen door inpassing en/of maatregelen voorkomen dan wel beperkt worden. Uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw leidt tot een toename van verkeer, geluid en uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. De toename van verkeer en daarmee ook van hinder is beperkt. Uitbreiding van veehouderijen kan leiden tot een toename van geur, maar deze wordt beperkt door het rijks- en provinciaal geurbeleid en de aanstaande gemeentelijke geurverordening. Uitbreiding van bestaande kwekerijen, TOV, werken in het vergunningenstelsel Uitbreiding van TOV en werken in het vergunningenstelsel kunnen negatieve effecten hebben op het buitengebied. Dit met name op de aspecten landschap (verstoring openheid) en water/natuur (verdroging) en met name in en rond de landschappelijk en ecologisch meest waardevolle en kwetsbare gebieden, zoals het oude veenontginningenlandschap ten westen van Moerstraten en de beekdalen Negatieve effect kunnen worden verminderd/voorkomen door ontwikkelingen met een negatief effect op landschap/water te verbieden dan wel voorwaarden aan ontwikkelingen op te nemen in de bestemmingsplanregeling. Dit voor het gehele buitengebied of in zones rondom gebieden met landschappelijke en/of hydrologische waarden.
Uitbreiding van TOV en werken in het vergunningenstelsel hebben niet of nauwelijks effecten op hinderaspecten als verkeer, geluid, luchtkwaliteit. Uitbreiding van kleinschalige recreatie De effecten van (uitbreiding) van kleinschalige recreatie zijn beperkt. Ze zijn kleinschalig en vinden plaats nabij bestaande recreatieve of agrarische bedrijven. Ze leiden tot een geringe toename van verkeer en daarmee ook tot een geringe toename van geluid en uitstoot luchtverontreinigende stoffen. Toename van gebruik van recreatieve routes kan leiden tot toename van verstoring in natuurgebieden, maar het effect hiervan is naar verwachting beperkt gezien de geringe omvang van de ontwikkelingsmogelijkheden. Kleinschalige recreatie heeft niet of nauwelijks effect op overige milieuaspecten als landschap, cultuurhistorie, bodem en water, natuur.
Cumulatie van effecten Als alle ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan maximaal worden benut kan er sprake zijn van cumulatie van effecten en een extra negatief effect op milieuaspecten. Dit geldt met name voor: De toename van uitstoot van stikstof van uitbreiding van veehouderrijen; Het verdrogende effect van uitbreiding van TOV en werken in het vergunningenstelsel op hydrologisch kwetsbare gebieden; Het verstorende effect van (hoge) TOV, hoge gewasteelten op open gebieden; Het (cumulatieve) stikstof effect wordt voorkomen door een stikstofvoorwaarde op te nemen in het bestemmingsplan. De cumulatie van negatieve effecten op openheid, verdroging en soorten kunnen worden verminderd/voorkomen door ontwikkelingen met negatieve effecten te verbieden dan wel voorwaarden aan ontwikkelingen op te nemen in de bestemmingsplanregeling (aantonen geen wezenlijk negatief effect op openheid, hydrologie en/of beschermde vogel- en vleermuissoorten).
Aandachtspunten/afwegingen bestemmingsplan: mogelijke mitigerende maatregelen Hieronder staan samenvattend de aandachtspunten/afwegingen/mogelijkheden voor mitigerende maatregelen (ter voorkoming/ beperking van negatieve effecten) voor het bestemmingsplan: Landschap Negatieve effecten op landschap worden in het bestemmingsplan deels al voorkomen dan wel beperkt door vertaling van de regels van de Interim Omgevingsverordening (zuinig ruimtegebruik, zorgplicht landschap, kwaliteitsverbetering landschap) en de vertaling ervan in de regels binnen de bestemmingen Natuur, Agrarisch met natuur- en landschapswaarden en Agrarisch met landschapswaarden en de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling landschap; Lokaal kan de openheid behouden blijven/versterkt worden door het voorkomen van (nieuwe) verstorende elementen als TOV, hoger opgaande gewassen of dit te beperken tot de directe omgeving van de al bestaande bebouwing . In het bestemmingsplan kan binnen de aanduidingen Agrarisch met natuur- en landschapswaarden en Agrarisch met landschapswaarden een verbod op (nieuwe) activiteiten met een negatief effect op openheid worden opgenomen (bv voor TOV, kwekerijen, hoogopgaande gewassen). Alternatief is een voorwaardelijke bepaling voor (nieuwe) activiteiten met een mogelijk negatief effect op openheid.
De wijze van formuleren kan variëren van “geen negatief effect op openheid” tot “geen wezenlijk negatief effect op openheid”. In beide gevallen dient de initiatiefnemer voor een (nieuwe) activiteit met mogelijk effect op openheid te tonen dat de activiteit geen of geen wezenlijk negatief effect heeft. Cultuurhistorie Monumentale waarden in het plangebied (rijks- en gemeentemonumenten) zijn al beschermd in het bestemmingsplan; Overige cultuurhistorische waarden zijn voornamelijk cultuurlandschappelijke: Voorwaarden over landschap voorkomen/beperken ook negatieve effecten op deze overige cultuurhistorische waarden. Deze zijn al opgenomen in het bestemmingsplan. Archeologie Archeologische monumenten zijn al beschermd in het bestemmingsplan; Gebieden met (hoge) archeologische verwachtingswaarde worden in het bestemmingsplan beschermd dooreen dubbelbestemming archeologie.
Bodem De effecten op bodem noodzaken niet tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan, dan wel kunnen niet in het bestemmingsplan worden vastgelegd (gebruik gewasbeschermingsmiddelen, bemesten). Water In en rond de hydrologische gevoelige natuurgebieden zelf gelden in het bestemmingsplan al beperkingen ten aanzien van het gebruik ter bescherming van de ecologische waarden. Gezien de gevoeligheid van deze gebieden zou de beschermingsregeling zo streng moeten zijn dat (nieuwe) activiteiten met een negatief hydrologisch niet mogelijk zijn: bv. slootdempingen, teeltwisseling naar mais/kwekerij. Alternatief is het opnemen van een voorwaardelijke bepaling voor alle (nieuwe) activiteiten die een negatief hydrologische effect kunnen hebben. De wijze van formuleren kan variëren van “geen hydrologisch effect (hydrologisch neutraal)” tot “geen wezenlijk hydrologisch effect”. In beide gevallen dient de initiatiefnemer voor een (nieuwe) activiteit met mogelijk hydrologisch effect aan te tonen dat de activiteit geen of geen wezenlijk hydrologisch effect heeft. Er is vanuit berekeningen elders indicatie dat het hydrologisch effect van bijvoorbeeld slootdempingen, permanente TOV en teeltwisseling 400/500 m is.
Natuur: Natura 2000-gebieden Het effect van toename van stikstof vanuit uitbreidingen van veehouderijen (inclusief paardenhouderijen) en glastuinbouw op Natura 2000-gebieden kan en moet worden voorkomen door het opnemen van een voorwaarde in de bestemmingsplanregeling dat uitbreiding alleen is toegestaan als het niet leidt tot toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden, tenzij dit is vergund in een Natuurbeschermingswet /Wet Natuurbescherming vergunning (dan wel aangehaakte vergunning). Het hydrologisch effect van uitbreiding van TOV, werken in het vergunningenstelsel wordt al geborgd door een beschermingszone rondom Natura2000-gebied. Natuur: Wav-gebieden Het effect van toename van stikstofdepositie vanuit uitbreidingen van veehouderijen en glastuinbouw op Wav-gebieden wordt voorkomen door de stikstofvoorwaarde aan ontwikkelingen (zie Natura2000). Natuur: Overige beschermde natuurgebieden Zie water Natuur: beschermde plant- en diersoorten Effecten op beschermde plan- en diersoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Toetsing hieraan vindt plaats in het kader van vergunningverlening in individuele initiatieven. Verkeer De effecten op verkeer noodzaken niet perse tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan.
Om ongewenste toename van verkeer te voorkomen, kan in de bestemmingsplanregeling een voorwaarde worden opgenomen dat een ontwikkeling niet tot onevenredige toename van verkeer mag leiden. Geluid
De effecten op geluid noodzaken niet perse tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan. Met een voorwaarde voor verkeer wordt ook het effect op geluid (verder) beperkt.
Luchtkwaliteit De effecten op luchtkwaliteit noodzaken niet perse tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan. Met een voorwaarde voor verkeer wordt ook het effect op luchtkwaliteit verder beperkt; . Geur De effecten op geur noodzaken niet perse tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan Het effect op geur door veehouderijen wordt beperkt door de eisen uit het rijks- en provinciaal beleid en de aanstaande gemeentelijke geurverordening Externe veiligheid De effecten op externe veiligheid noodzaken niet tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan. Gezondheid De effecten op gezondheid noodzaken niet perse tot het nemen van mitigerende maatregelen in het bestemmingsplan Met het opnemen van mitigerende maatregelen/ voorwaarden voor hinderaspecten als verkeer, geluid, geur, luchtkwaliteit en licht worden ook de effecten op gezondheid voorkomen dan wel beperkt; Aanvullende mitigerende maatregelen/ voorwaarden voorgezondheid (bijvoorbeeld zonering, afstandseisen) zijn planologisch vooralsnog nog niet vast te leggen.
Dit omdat ze wetenschappelijk en juridisch (nog) onvoldoende te onderbouwen zijn; Gemonitord moet worden of en hoe op basis van de resultaten van het VGO-onderzoek maatregelen, landelijk en provinciaal beleid, wet- en regelgeving geformuleerd wordt ter beperking van negatieve effecten van veehouderijen op de gezondheid; Bij individuele aanvragen voor ontwikkeling wordt getoetst aan de Handreiking veehouderij en gezondheid van de GGD en het Handelingsperspectief endotoxinen van de provincie, omgevingsdiensten en GGD.
Leemten in kennis / monitoring en evaluatie In de optiek van de gemeente is er voldoende informatie verzameld ten ondersteuning van de besluitvorming in deze fase van de planvorming. Uiteraard kunnen aspecten meer gedetailleerd worden onderzocht. Maar dit leidt volgens de gemeente niet tot andere argumenten voor de besluitvorming. In de optiek van de gemeente zijn er geen essentiële leemtes in kennis gevonden die van belang zijn voor de plan- en besluitvorming rond het Bestemmingsplan Buitengebied Wouw. Dit betekent echter niet dat er geen aanbevelingen bestaan voor de vervolgprocedure(s). Aanbevelingen voor de vervolgprocedure(s) onder andere : Landschappelijke inpassing van uitbreiding van agrarische bedrijven, Monitoring natuurwaarden voorafgaand aan vergunningverlening en realisatie. Monitoring hydrologie in en rond de hydrologische gevoelige natuurgebieden. Invulling van de maatregelen wordt overigens grotendeels geborgd in eisen vanuit wet- en regelgeving voor de vervolgprocedures. Conform de Wet milieubeheer is het verplicht een evaluatie uit te voeren van de effecten van de voorgenomen activiteiten. In een milieueffectrapport is het verplicht een (eerste) opzet te geven voor een evaluatieprogramma om te monitoren of de voorspelde effecten ook daadwerkelijk optreden en zo niet of aanvullende besluitvorming en / of maatregelen nodig zijn.
Een evaluatieprogramma naar aanleiding van deze plan-m.e.r. wordt weinig zinvol geacht: de milieueffecten worden in later stadium nogmaals en gedetailleerder in beeld gebracht in de op plan-MER volgende vergunningtrajecten en bij uitbreiding van agrarische bedrijven daaraan gekoppelde m.e.r.-beoordelingen. In vergunningtrajecten danwel evaluatieprogramma’s bij concrete besluiten dient ten minste aandacht besteed te worden aan de in paragraaf 6.2.1. benoemde aandachtspunten.
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 Gemeente Roosendaal
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en context De gemeente Roosendaal is voornemens om voor het buitengebied aan de westzijde van Roosendaal, de voormalige gemeente Wouw een nieuw bestemmingsplan op te stellen, zijnde bestemmingsplan “Buitengebied Wouw 2020” (figuur 1.1). Dit bestemmingsplan dient als vervanging van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Wouw (2010 vastgesteld, 2012 onherroepelijk) en implementeert het bestemmingsplan 'Herziening 1 Buitengebied Wouw (2019, kleinere wijzigingen) en de 'Westelaarsestraat 54' (2015 vastgesteld) en “Camping Herelseheide” (2018 vastgesteld (beide postzegelplannen voor lokale ruimtelijke ontwikkelingen) Ondanks het gegeven dat de Omgevingswet eraan komt, kiest de gemeente voor het buitengebied van Wouw (nog) voor een “traditioneel” bestemmingsplan buitengebied. Dit om samen met het in 2016 vastgestelde Bestemmingsplan Buitengebied Nispen één gemeentebreed ruimtelijk-planologisch kader te hebben voor het buitengebied van Roosendaal en de verschillen in buitengebied regels tussen de voormalige gemeenten Wouw en RoosendaalNispen op te heffen. Het nu op te stellen bestemmingsplan Buitengebied Wouw is planologisch grotendeels consoliderend, het maakt geen wezenlijke/grootschalige nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk.
Wel maakt het bestemmingsplan reguliere uitbreiding van agrarische bedrijven planologisch opnieuw mogelijk, conform de mogelijkheden zoals deze al bestaan in het vigerende bestemmingsplan. De systematiek sluit zoveel als mogelijk aan op die van het Bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen uit 2016, geactualiseerd naar veranderde wet- en regelgeving, beleidskaders en milieutechnische inzichten sinds 2016. Verder is het zo dat het karakter van het Brabantse platteland in enkele decennia tijd drastisch is veranderd. De bevolking is sterk gegroeid en het Brabantse platteland is door een toename van het bedrijfsleven op sommige plaatsen fors verstedelijkt. De groei van de steden en de mobiliteitsbehoefte leggen forse ruimteclaims op het landelijk gebied. In de landbouw tekende zich een sterk dalende arbeidsbehoefte af, mede door mechanisering van de agrarische bedrijven. De trend van schaalvergroting en een afnemend aantal bedrijven in de landbouw zal zo het zich laat aanzien - verder doorzetten. Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Een deel van de bedrijven zoekt naar nevenfuncties, bijvoorbeeld in de recreatie, de zorg of de verkoop van landbouwproducten. De ruimtelijke gevolgen blijven dan vaak beperkt. Het gebeurt ook dat bedrijven stoppen, waarbij de vrijkomende grond wordt verkocht aan een boer die schaalvergroting zoekt.
Maar dan rijst de vraag wat er gebeurt met de stallen, de woning, de kassen en de schuren. Nieuwe eigenaren kloppen dan met de meest uiteenlopende plannen aan bij de gemeente. Zonder goede regelingen kan de ruimtelijke kwaliteit in het geding komen.
Blad 1 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Roosendaal Moerstraten
Heerle Spoorlijn
A58
Wouw
Bergen op Zoom
Wouwse Plantage
Landgoed Wouwse Plantage
Figuur 1.1 Plangebied en omgeving MER Buitengebied Wouw (bron: gemeente Roosendaal, 2019)
Blad 2 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Belangrijk gegeven is dat de randvoorwaarden voor uitbreiding van agrarische bedrijven sinds 2012 anders geworden zijn door veranderingen in het provinciale beleid, vertaald in regels in de Interim Omgevingsverordening (zie onderstaand kader)
Kader veehouderijbeleid provincie Noord-Brabant Sinds 2012 zet de provincie Noord-Brabant in haar ruimtelijk beleid ( Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Verordening ruimte, Omgevingsvisie en Interim Omgevingsvisie in “transitie naar zorgvuldige veehouderij”. Centraal in deze beleidslijn staat het motto “Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd”. Er wordt alleen nog ontwikkelruimte aan veehouderijen geboden als daarmee een ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Hieraan is een aantal voorwaardelijke bepalingen gekoppeld: o.a. voeren van dialoog met omgeving, landschappelijke kwaliteitsverbetering op minimaal 10% van het bouwvlak, voldoen aan (boven)wettelijke eisen ten aanzien van fijnstof en geur. Om te mogen uitbreiden moet een score van 7,25 gehaald worden op de zogenaamde “Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij” (BZV). Ontwikkelruimte blijft in principe beperkt tot 1,5ha. Veehouders die een overlastsituatie opruimen en/of een BZV-score van minimaal 8,5 scoren, kunnen aanspraak maken op een groter bouwblok (2 tot 2,5ha) dan normaal (1,5ha). Sinds juli 2017 is daar in Oost- en Midden Brabant het zogenaamde stalderingsbeleid aan toegevoegd.
In Oost- en Midden-Brabant mogen veehouderijen met “hokdieren” (varkens, pluimvee e.d.) alleen uitbreiden als tegelijk binnen het zogenaamde “stalderingsgebied” verouderde leegstaande stallen worden gesloopt. Daarnaast wil de provincie mestbewerking zoveel mogelijk concentreren op industrieterreinen, de regels voor lokale mestbewerking zijn aangepast. Het provinciale natuurbeleid is aangescherpt om de ammoniakuitstoot door de veehouderij sneller en vergaand terug te dringen. De emissieeisen voor nieuwe stallen worden stapsgewijs strenger. Veehouders met verouderde stallen moeten er versneld ) voor zorgen dat deze worden gemoderniseerd. In november 2019is de Verordening ruimte opgevolgd door de Interim Omgevingsverordening naar aanleiding van de in december 2018 vastgestelde Omgevingsvisie Brabant 2030 en vooruitlopend op de Omgevingswet. Het beleid ten aanzien van landbouw is in de Interim Verordening niet wezenlijk veranderd. In het bestemmingsplan worden de bepalingen van de Interim Omgevingsverordening doorvertaald in de regels.
Daarnaast wordt het bestemmingsplan Buitengebied Wouw geactualiseerd aan de huidige weten regelgeving en het huidige gemeentelijke beleid. Belangrijk aandachtspunt is een bestemmingsplanregeling die én ruimte geeft voor agrarische ontwikkeling én past binnen het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming (zie hiernavolgend kader).
Kader Veehouderij – stikstofdepositie – Natura 2000 Conform de Wet natuurbescherming mogen activiteiten geen significante negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplannen die deze activiteiten vastleggen mogen niet zondermeer worden vastgesteld. In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden. Een deel van deze gebieden is gevoelig voor stikstofdepositie, al in de huidige situatie liggen de achtergrondwaarden hoger dan de kritische depositiewaarden. Uitbreiding van veehouderijen leidt zonder beperkende maatregelen, tot toename van stikstofemissie en daarmee tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Dit is, ook bij geringe toename, een significant negatief effect, gezien de "overbelaste" situatie van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van stikstof. Met (stal)technische maatregelen kan de stikstofdepositie worden verminderd, dan wel worden voorkomen. Maatregelen kunnen echter niet in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Deze problematiek speelt in een groot deel van Nederland. Het Rijk had een landelijk dekkende oplossing voorbereid in de vorm van PAS, Programma Aanpak Stikstof (per 1 juli 2015 in werking getreden). Het PAS moest ertoe leiden dat EN tegemoet wordt gekomen aan de eisen van Natura 2000 EN er ontwikkelingsruimte blijft bestaan. Dit o.a.
door een stelsel van generieke maatregelen om de stikstofemissie terug te dringen (o.a. door afspraken met de agrarische sector) en het treffen van maatregelen in de Natura 2000-gebieden zelf. Echter de Raad van State heeft op 29 mei 2019 geoordeeld dat het PAS in de huidige vorm onvoldoende borgt dat er geen negatieve effecten op Natura2000-gebieden optreden. Daarmee vallen gemeenten terug naar de situatie voor inwerkingtreding van het PAS (maar met de nieuwe Wet natuurbescherming en voortschrijdende inzichten vanuit jurisprudentie). Gemeenten zijn al sinds 2010 op zoek naar een juridisch houdbare oplossing. De momenteel meest plausibele methode is het opnemen van een voorwaardelijke bepaling aan bouwen en/of gebruik dat uitbreiding niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied., tenzij de Blad 3 van 201 toename onherroepelijk is vergund conform de Wet natuurbescherming.
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Doel bestemmingsplan Doel van het bestemmingsplan is het bieden van een actuele juridische regeling voor het buitengebied Wouw. Het bestemmingsplan heeft twee hoofddoelstellingen: het veiligstellen en vastleggen van de bestaande waarden en belangen; het mogelijk maken van gewenste ontwikkelingen. Het nieuwe bestemmingsplan wil – binnen de randvoorwaarden die gelden vanuit onder meer landschap, natuur en cultuurhistorie – aan de bestaande (gewenste) functies ontwikkelingsruimte bieden en daarnaast inspelen op toekomstige ontwikkelingen. Het bestemmingsplan geeft aan waar zich welke functies mogen ontwikkelen. Nieuwe grootschalige ontwikkelingen zijn in dit bestemmingsplan niet voorzien. Bij het toestaan van ontwikkelingen gaat het primair om kleinschalige ontwikkelingen op perceelniveau. Gevolg gevend aan de inhoud van het provinciaal beleid en de tekst van de Interim omgevingsverordening in het bijzonder is in dit bestemmingsplan aandacht besteed aan zorgvuldig ruimtegebruik, lagenbenadering, meerwaarde-creatie en gebiedsgerichte benadering. Ligging plangebied Het buitengebied van Wouw ligt in West-Brabant tussen de steden Roosendaal en Bergen op Zoom. De begrenzing van het gebied is grotendeels gelijk aan de begrenzing van de voormalige gemeente Wouw.
In het noorden wordt het gebied begrensd door de gemeente Steenbergen en in het zuiden door de gemeente Woensdrecht en de rijksgrens met België, in het oosten grenst het plangebied aan dat van bestemmingsplan buitengebied Nispen en in het westen aan de gemeentegrens van Bergen op Zoom. De kernen Wouw, Heerle, Wouwse Plantage en Moerstraten maken geen deel uit van het bestemmingsplan (figuur 1.1.)
Blad 4 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
1.2
Plan-m.e.r.-procedure
1.2.1
Waarom een plan-m.e.r.? In Nederland is het verplicht voor ontwikkelingen met mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen een zogenaamde m.e.r.-procedure te doorlopen en een MER op te stellen. De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, een bestemmingsplan of een vergunning. Of en zo ja welke verplichtingen gelden ten aanzien van een m.e.r. is vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.. Vanuit twee sporen kan sprake zijn van verplichtingen ten aanzien van een m.e.r.: De voorgenomen activiteit komt voor in het Besluit m.e.r.; Voor de voorgenomen activiteit moet een passende beoordeling worden opgesteld, omdat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten zijn op Natura 2000-gebieden. M.e.r.-verplichting vanuit Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). De m.e.r.-procedure is van toepassing op (C-)activiteiten waarvan reeds vast staat dat er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.
Naast het direct uit moeten voeren van een m.e.r. zijn in het Besluit m.e.r. ook (D-)activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven, waardoor door bevoegd gezag moet worden beoordeeld of er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Voor deze activiteiten dient een m.e.r.beoordeling uitgevoerd te worden. Tevens wordt onderscheid gemaakt tussen project-m.e.r. en plan-m.e.r. Een project-m.e.r. is een milieubeoordeling gekoppeld aan concrete besluiten. Een plan-m.e.r. is een milieubeoordeling gekoppeld aan plannen die concretere vervolgtrajecten mogelijk maken die m.e.r. (beoordelings)plichtig zijn en daarmee dus kaderstellend zijn. M.e.r.-verplichting vanuit Natura 2000 Wanneer niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een voorgenomen activiteit significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden, volgt uit de Wet natuurbescherming dat een passende beoordeling moet worden opgesteld. Uit de Wet natuurbescherming en de Wet milieubeheer volgt dat dan (ook) een plan-m.e.r. procedure doorlopen moet worden.
Blad 5 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Bestemmingsplan Buitengebied Wouw en Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan maakt (onder voorwaarden) uitbreiding mogelijk van agrarische bedrijven. Het betreft voornamelijk het opnieuw bestemmen van (nog niet benutte) uitbreidingsmogelijkheden uit de vigerende bestemmingsplannen. Dit is planologisch als conserverend te zien, maar m.e.r.-technisch wordt dit gezien als opnieuw te beschouwen ontwikkeling. Hieruit volgen verplichtingen ten aanzien van een m.e.r. Voor deze uitbreidingsmogelijkheden moet in het kader van de (individuele) vergunningsaanvraag mogelijk een m.e.r- of een m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen, onder andere afhankelijk van de aard en omvang van de uitbreiding. In de m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsprocedure worden de effecten van de individuele uitbreiding onderzocht en in het kader van de vergunningsaanvraag afgewogen. Omdat het bestemmingsplan kaderstellend is voor deze (mogelijk) m.e.r.-plichtige activiteiten, moet voor het bestemmingsplan als geheel een plan-m.e.r.-procedure worden doorlopen. In de plan-m.e.r.-procedure worden op het niveau van het plangebied als geheel de effecten van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan onderzocht en afgewogen. Hierbij maakt het niet uit of de ontwikkelingsmogelijkheden rechtstreeks of middels een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt.
Belangrijk uitgangspunt in een plan-m.e.r.procedure voor een bestemmingsplan buitengebied is dat de maximale effecten van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, worden onderzocht. Dit om onderschatting van effecten te voorkomen. Bestemmingsplan Buitengebied Wouw en Natura 2000 In het plangebied zijn (gedeeltes van) Natura 2000-gebieden gelegen. Hiernaast zijn op enige afstand andere Natura 2000-gebieden gelegen. Significant negatieve effecten van (agrarische) ontwikkeling kan niet op voorhand worden uitgesloten. Dit vanwege het aanwezig zijn van stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden en het feit dat uitbreiding van agrarische bedrijven leidt tot een toename van stikstofuitstoot. Er wordt daarom een passende beoordeling opgesteld. Deze leidt ook tot de verplichting een plan-m.e.r.-procedure te doorlopen. Samenvattende conclusie ten aanzien van m.e.r. Samengevat kan worden gesteld dat het Bestemmingsplan Buitengebied Wouw voorziet in (agrarische) ontwikkelingen, waarvoor verplichtingen ten aanzien van een m.e.r. bestaan. Gezien het bestemmingsplan hiervoor kaderstellend is en ook omdat in het kader van het bestemmingsplan een passende beoordeling moet worden opgesteld, betekent dit dat een planm.e.r.-procedure moet worden doorlopen.
Scopeplan-m.e.r.: onderzoek op gebiedsniveau, niet op inrichtingsniveau In de plan-m.e.r.-procedure wordt het gehele plangebied en de effecten van ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan beschouwd. De focus ligt echter op die gebieden, waar ontwikkelingen mogelijk zijn en die ontwikkelingen waarvan verwacht wordt dat ze een (wezenlijk) effect hebben op de omgeving. Het effectenonderzoek wordt gedaan op het niveau van het buitengebied als geheel. Er wordt daarom een zeker abstractieniveau gekozen. De effecten-beschouwing geeft daarmee geen gedetailleerde analyse op inrichtings-/perceelniveau. Dit gebeurt in vervolgprocedures voor individuele ontwikkelingen.
Blad 6 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
1.2.2
Procedure en inhoudelijke eisen aan een plan-m.e.r. Een m.e.r. bestaat uit een aantal procedurele stappen en producten. Het startdocument van de procedure is de notitie Reikwijdte en Detailniveau, in het vervolg aangeduid met ‘notitie’. Het eindproduct van de m.e.r.-procedure is voorliggend milieueffectrapport (MER). De m.e.r. kent de volgende procedurele eisen: Openbare kennisgeving van het voornemen; Raadpleging van de betrokken bestuurlijke organen en adviseurs over de reikwijdte en het detailniveau van de m.e.r.; Bieden van de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen; Advies Commissie m.e.r. over reikwijdte en detailniveau (niet verplicht); Opstellen milieueffectrapport; Openbaar maken MER en opsturen aan de wettelijke adviseurs & commissie m.e.r; Bieden van de mogelijkheid om zienswijzen op het MER in te dienen; Toetsingsadvies Commissie m.e.r; Besluit nemen inclusief motivatie hoe de m.e.r. in de planvorming is betrokken en bekendmaking besluit; Evaluatie van effecten tijdens en na realisatie. Formeel is het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Roosendaal, verantwoordelijk voor de acties in het kader van de m.e.r.
Conform artikel 7.23 van de Wet Milieubeheer bevat een MER tenminste een beschrijving van: Probleem en doelstelling; De voorgenomen activiteit, alternatieven en varianten; Genomen en te nemen besluiten; De huidige situatie en autonome ontwikkeling van het studiegebied; De effecten van de voorgenomen activiteit op het studiegebied; Leemten in kennis en aanzet tot evaluatieprogramma; Samenvatting.
1.3
De plan-m.e.r.-procedure Kennisgeving De kennisgeving is het bekend maken van het voornemen voor het ruimtelijk plan met de daarbij horende m.e.r. procedure aan eenieder die met de plannen te maken krijgt of hierin geïnteresseerd is. Voor het bestemmingsplan Buitengebied Wouw 2020 is in de Roosendaal Bode, het Gemeenteblad en de gemeentelijke website kennisgegeven van het project en de start van de m.e.r.-procedure. Conform de wettelijke eisen is in de kennisgeving aangeven: Aankondiging besluit en m.e.r.-procedure; Welke stukken, waar en wanneer ter inzage; Wie mag wanneer en op welke manier zienswijzen inbrengen; Aangeven of advies van de Commissie m.e.r. is gevraagd.
Blad 7 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Raadpleging Na de kennisgeving vond raadpleging plaats. Raadpleging is het inwinnen van advies over de effecten die moeten worden beschouwd in het plan-MER en op welk detailniveau de effecten moeten worden beschreven. Hiervoor zijn door de gemeente Roosendaal o.a. de volgende bestuurlijke organisaties geraadpleegd: Ministerie van Defensie Waterschap Brabantse Delta Gemeente Steenbergen Gemeente Bergen op Zoom Provincie Noord- Brabant De gemeente Roosendaal heeft ervoor gekozen de betrokken bestuurlijke instanties te raadplegen door middel van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. De reacties van de bestuurlijke organisaties zijn meegenomen in dit MER. Terinzagelegging De Notitie Reikwijdte en Detailniveau is opengesteld voor openbare inspraak.. Eenieder heeft vanaf 24 februari 2020 gedurende 6 weken kunnen reageren op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Reacties op NRD Er zijn geen inspraakreacties/adviezen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ontvangen. Advies Commissie m.e.r De gemeente heeft besloten de commissie m.e.r. niet in het voortraject te raadplegen over reikwijdte en detailniveau. De ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn relatief beperkt. Daarnaast is de gemeente van mening voldoende inzicht te hebben in de te onderzoeken aspecten en aandachtspunten ten behoeve van de afweging en besluitvorming.
Dit plan-MER Vervolgens is dit voorliggende plan-MER opgesteld. In het rapport zijn de resultaten van de verschillende onderzoeken opgenomen en worden de effecten op de verschillende milieuthema's beschreven. Het plan-MER gaat na afronding apart in procedure gekoppeld aan het ontwerp bestemmingsplan. Het plan-MER richt zich met name op die milieueffecten die relevant zijn voor de ontwikkelingen zoals die worden vastgelegd in het gekoppelde bestemmingsplan. Het planMER wordt na vrijgave door bevoegd gezag samen met het ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied Wouw gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder kan in deze periode een zienswijze geven op het plan-MER en het ontwerp-bestemmingsplan. De in het kader van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau benaderde betrokken bestuurlijke partijen worden apart aangeschreven voor een reactie op het plan-MER, evenals de Commissie m.e.r. De reacties worden door bevoegd gezag in de verdere bestemmingsplanprocedure meegenomen.
Blad 8 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Wijzigingen in MER ten opzichte van NRD Er zijn ten opzichte van de in de Notitie reikwijdte en detailniveau gepresenteerde uitgangspunten geen wijzigingen. Het overzicht agrarische bedrijven is geactualiseerd op basis van recente gemeentelijke gegevens: zo zijn er ca 30 veehouderijen in plaats van de 55 beschreven in de NRD.
1.4
Leeswijzer Hoofdstuk twee van dit MER gaat in op het voor Buitengebied Wouw relevante beleidskader. De referentiesituatie komt in hoofdstuk drie aan bod en wordt gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen activiteiten in hoofdstuk vier. Naast de voorgenomen activiteiten wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe in dit MER met alternatieven is omgegaan. Vervolgens wordt in hoofdstuk vijf beschreven welke effecten de voorgenomen activiteiten hebben. Het MER wordt besloten met een slotbeschouwing/conclusie in hoofdstuk 6. In de bijlagen is achtergrondinformatie en zijn achtergrondrapporten (o.a. Passende beoordeling) opgenomen. In dit MER wordt een aantal termen veelvuldig gebruikt. m.e.r. staat voor milieueffectrapportage en wordt gebruikt om de procedure aan te duiden; MER staat voor milieueffectrapport, een belangrijk onderdeel van de m.e.r.-procedure; Plangebied is het gebied dat ruimtelijk-planologisch wordt vastgelegd in het bestemmingsplan; Studiegebied is het gebied waar de voorgenomen activiteiten effecten hebben. De omvang van het studiegebied varieert per thema: voor een aantal criteria is het studiegebied sec het gebied van de ontwikkeling zelf, voor andere criteria kan sprake zijn van uitstralingseffecten en is het studiegebied groter.
Blad 9 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
2
Beleidskader
2.1
Overzicht beleidskader Er zijn diverse beleidskaders relevant voor het MER. In onderstaande tabel 2.1 zijn deze gepresenteerd. In de toelichting bij het bestemmingsplan zijnde belangrijkste beleidskaders toegelicht, voor zover relevant geacht het Buitengebied Wouw. In dit hoofdstuk wordt samengevat ingegaan op de belangrijkste: de Europese en nationale natuurwetgeving, de provinciale Omgevingsvisie, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en Interim Omgevingsverordeningen de gemeentelijke structuurvisie. Tabel 2.1 Beleidskader
Beleidsniveau Europees Nationaal
Provinciaal en regionaal
Lokaal
Kader Europese Kaderrichtlijn Water, Verdrag van Malta. Wetten: Wet op de ruimtelijke ordening, Wet milieubeheer, Wet bodembescherming, Wet geluidhinder, Erfgoedwet, Wet natuurbescherming, Wet luchtkwaliteit, Waterwet, Wet vervoer gevaarlijke stoffen, Wet geurhinder en veehouderij, Wet ammoniak en veehouderij. Besluiten: Besluit externe veiligheid inrichtingen, Besluit externe veiligheid buisleidingen, Besluit externe veiligheid transportroute, Nationaal Bestuursakkoord Water, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), NSL. Nota's: Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), Nationaal Milieubeleidsplan, Nota waterbeleid 21e eeuw, Nationaal Waterplan, Nationale Omgevingsvisie (in voorbereiding), Structuurvisie Buisleidingen Omgevingsvisie (2018) Structuurvisie Ruimte (2017) Interim Omgevingsverordening(2020) Beleidsregels natuurbescherming (2020) Natuurbeheerplan provincie Noord-Brabant (2016) Cultuurhistorische Waardenkaart (2006, 2010) Aardkundige waardenkaart (2005) Handreiking Kwaliteitsverbetering Landschap (2012) Provinciaal Water en Milieuplan Waterbeheerplan Waterschap Brabantse Delta Keur Waterschap Brabantse Delta Structuurvisie Roosendaal 2025 (2012) Landschapsontwikkelingsplan Bergen op Zoom –Roosendaal (2005) Erfgoedkaart Roosendaal (2011) Welstandsnota Roosendaal 2012 Notitie nieuwe landgoederen in Roosendaal (2005) Milieubeleidsplan Waterplan
Roosendaal Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan Notitie kamperen in Roosendaal Nota Integraal Veiligheidsbeleid
Blad 10 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Beleidsniveau
2.2
Europees beleid
2.2.1
Natura 2000
Kader Groenbeheervisie Roosendaal
Om bijzondere natuur te behouden, heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000: een netwerk van Europese natuurgebieden. Nederland kent een internationale verantwoordelijkheid voor de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Een Natura 2000-gebied is gebaseerd op de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn. Dit zijn twee richtlijnen van de Europese Unie die in Nederland zijn verwerkt in de Wet natuurbescherming (zie verder). De Vogelrichtlijn heeft als doel de bescherming van alle in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebied binnen het gebied van de EU. Het doel van de Habitatrichtlijn is het behoud van de totale biologische diversiteit van natuurlijke en half natuurlijke habitatten en wilde flora en fauna in de EU. Nederland kent ca. 160 Natura 2000-gebieden. Activiteiten gelegen in of in de omgeving van Natura 2000-gebieden kunnen een negatief effect hebben op de natuurwaarden. Ook activiteiten die zich (ver) buiten een Natura 2000-gebied afspelen, kunnen mogelijk schade aanbrengen. De Wet natuurbescherming bepaalt dat activiteiten geen significante negatieve effecten mogen hebben op Natura 2000-gebieden. Vergunningen voor dergelijke activiteiten mogen niet zondermeer worden gegeven, plannen die kader stellend zijn voor dergelijke activiteiten mogen niet zondermeer worden vastgesteld.
Indien (significant) negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, moet een zogenaamde passende beoordeling worden opgesteld.
2.3
Nationaal beleid
2.3.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, maart 2012 vastgesteld) geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en op de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de structuurvisie maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: Vergroten van de concurrentiekracht door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid; Waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Blad 11 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
Uit de hoofddoelen volgt een aantal nationale belangen, voor Wouw van belang zijn: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidoverlast en externe veiligheidsrisico's; Ruimte voor een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; Ruimte voor behoud en versterking van (inter-) nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Dit leidt tot een nationale ruimtelijke hoofdstructuur waarin de nationale belangen zijn vastgelegd. Brabantse opgaven relevant voor het bestemmingsplan zijn: Het borgen van de waterkwaliteit en zoetwatervoorziening; Tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) NNN, inclusief Natura 2000-gebieden.
NNN, NNB en EHS Het netwerk van beschermde natuurgebieden in Nederland heeft lange tijd Ecologische Hoofdstructuur geheten (EHS). In 2015 is door het ministerie een nieuwe naam geïntroduceerd: Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie Noord-Brabant noemt vanaf oktober 2016 haar deel van de NNN: Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Figuur 2.1 Uitsnede Structuurkaart Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Roosendaal als onderdeel van stedelijke regio Tilburg-Breda-Roosendaal-Bergen op Zoom
Blad 12 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
2.3.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) (Ontwerp) In juni 2019 is in ontwerp de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) gepubliceerd. De NOVI wordt de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) als het rijksbeleid op het gebied van ruimtelijke ordening. Vooruitlopend op de Omgevingswet wordt het beleidsveld in de NOVI vergroot naar de fysieke leefomgeving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het rijk in beeld. Het rijk stelt in de NOVI vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in steden. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door wind zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen. Zonnepanelen worden bij voorkeur zoveel mogelijk op daken en gevels geplaatst 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken. Het rijk zet in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Het rijk zet in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Tegelijk wil het rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
Blad 13 van 201
Plan-MER Buitengebied Wouw projectnummer 0436205.100 1 november 2020 definitief Gemeente Roosendaal
In de NOVI worden drie afwegingsprincipes gepresenteerd: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: zoeken naar een optimale balans tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
In de NOVI zijn 21 nationale belangen benoemd en uitgewerkt 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16.