Bijlage 1 Toelichting-regels-verbeelding Groot Mariadal.pdf
Tekst van het document
4.9.2. Conclusie Het plan kan ruimschoots voldoen aan de normstelling van het waterschap. Van belang is dat maatregelen voor het bergen van water ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Door de ligging van de planlocatie is een goede en verantwoorde afvoer van het overtollig water complex. Om het waterhuishouding goed te regelen zijn een aantal mogelijkheden en instrumenten verkend. Met het inrichten van het watersysteem op basis van deze mogelijkheden en instrumenten kan worden voldaan aan het gemeentelijk beleid.
73
4.10. Flora en fauna 4.10.1. Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen.
Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
2.
Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:
74
• •
3.
de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Roosendaal is de provincie NoordBrabant het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet nodig indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of als er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.10.2.
Onderzoek Het onderzoek naar de ecologische waarden is verdeeld over verschillende fase. Voor het oorspronkelijk plangebied – het kloostercomplex met tuin en Stroomgaard – is uitgebreid onderzoek gedaan in 2018. Door de uitbreiding van het plangebied met de locatie aan de Kloosterstraat en het parkeerterrein achter het stadhuis was nodig om voor deze uitbreiding nieuw onderzoek uit te voeren. Door Econsultancy is daarvoor in 2019 een quickscan uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek maakten vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door Van der Goes en Groot. In 2020 is een deel van het plangebied waar tot op dat moment geen ontwikkelingen alsnog opgenomen in de plannen. Het betrof het groen tussen de stadhuis – inmiddels Huis van Roosendaal – en het parkeerterrein. Het gevolg hiervan was dat ook deze locatie alsnog onderzocht moest worden. Door Van der Goes en Groot is voor deze locatie in 2020 een quickscan uitgevoerd. Tot slot is er in februari 2020 door Kuiper Compagnons een stikstof-depositieonderzoek (inclusief AERIUSberekeningen) uitgevoerd. Voor het overzicht volgt hier een opsomming van de verschillende onderzoeken. In de bijlagen bij deze toelichting zijn de volledige rapportages te vinden. Kloosterlocatie en tuin -
Quickscan flora en fauna (Econsultancy, juni 2018; rapport 6779.003) 75
-
Eerste aanvullende ecologisch onderzoek (Econsultancy, oktober 2018; rapport 6779.003)
-
Tweede aanvullende onderzoek (Econsultancy, mei 2019; rapport 6779.009)
Locatie Kloosterstraat (inclusief parkeerplaats) -
Quickscan uitgevoerd (Econsultancy, december 2019; rapport 6779.010).
-
Aanvullende ecologische onderzoek (Van der Goes en Groot, oktober 2020; rapport 2020 – 75).
Groen tussen stadhuis en parkeerplaats (uitbreiding locatie Oase) -
Quickscan (Van der Goes en Groot, november 2020; rapportage QS2020 – 186)
Hieronder zijn de conclusies beschreven. Conclusies Kloosterlocatie Soortenbescherming Jaarrond beschermde broedvogels Huismus en gierzwaluw De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen en/of gierzwaluwen aanwezig zijn, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus en/of gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn is nader onderzoek uitgevoerd tijdens het broedseizoen van deze soorten. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie geen functie heeft voor de streng beschermde huismus. Huismussen werden tevens niet waargenomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Wel blijkt uit het aanvullend onderzoek dat de onderzoekslocatie zes vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw bevat. Tijdens de werkzaamheden blijven de boeiboorden, het dak en de klokkentoren onverstoord.
Verstoring van de aangetroffen vaste rust- en verblijfplaats van de gierzwaluwen is dan ook te voorkomen waardoor geen overtreding plaatsvindt van de Wet natuurbescherming. Roofvogels en uilen De bomen in de tuin zijn potentieel geschikt voor roofvogels en uilen zoals buizerd, sperwer, ransuil, steenuil, boomvalk en havik. De kerkuil kan gebruikmaken van de bebouwing op de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek konden de bomen niet goed onderzocht worden op nesten. Wanneer bomen in de tuin gekapt worden, zal een aanvullend onderzoek naar deze soorten moeten uitwijzen of de bomen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats door desbetreffende soorten. Bij de voorgenomen werkzaamheden kan mogelijk verstoring optreden ten aanzien van de kerkuil, derhalve is een nader onderzoek ten aanzien van de kerkuil noodzakelijk. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet 76
in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij verwijdering van het groen binnen het broedseizoen zal er eerst een broedvogelinspectie moeten plaatsvinden. Vleermuizen De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De renovatie en sloop zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. In dit geval vindt er mogelijk verstoring plaats. Beschadigen, vernielen of wegnemen, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 4 is te voorkomen door te allen tijde de functionaliteit te behouden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van voldoende alternatieve verblijfplaatsen. Overtreding van artikel 3.5 lid 2 voor zover het verstoren van een vleermuis betreft is niet te voorkomen. Hiervoor dient een ontheffing worden verkregen.
Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, is aanvullend onderzoek uitgevoerd om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen vast te stellen. De vleermuissoorten die zijn onderzocht zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de te renoveren bebouwing geen functie voor gebouwbewonende vleermuizen heeft. Tevens zijn er op de onderzoekslocatie geen indicaties geweest dat boombewonende vleermuizen een verblijfplaats hebben in een van de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie. Bij de voorgenomen renovatie is geen sprake van verstoring van een viertal zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één van de ruige dwergvleermuis. Tijdens de werkzaamheden blijven het dak, de boeiboorden en het desbetreffende kozijn onverstoord. Verstoring van de aangetroffen zomerverblijfplaatsen is dan ook op voorhand te voorkomen waardoor geen overtreding plaatsvindt van de Wet natuurbescherming. Eekhoorn De bomen in de tuin zijn potentieel geschikt voor de eekhoorn. Tijdens het veldbezoek konden de bomen niet goed onderzocht worden op nesten. Wanneer bomen in de tuin gekapt dienen te worden, zal een aanvullend onderzoek naar de eekhoorn moeten uitwijzen of de bomen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats door de soort.
Alpenwatersalamander en kamsalamander De onderzoekslocatie biedt potentieel een habitat voor de Alpenwatersalamander en de kamsalamander. De vijver biedt een voortplantingshabitat voor deze soorten. Bij demping van de vijver is er mogelijk sprake van verlies van habitat voor deze soorten en daarbij overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar de alpenwatersalamander en de kamsalamander zal moeten uitwijzen of de soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten algemene soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om 77
voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Algemene vissensoorten Bij het dempen van de vijver zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd (onder voorbehoud van de resultaten van het aanvullend onderzoek streng beschermde amfibieën). Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving.
Wanneer er tijdens het afvangen kweekvissen gevangen worden mogen deze niet worden uitgezet in natuurlijke wateren, dit om faunavervalsing te voorkomen. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. Tweede aanvullende onderzoek In 2019 is er nog een tweede aanvullende ecologisch onderzoek afgerond. Het aanvullende onderzoek betrof een onderzoek naar het mogelijk voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de kerkuil, steenuil, roofvogels, eekhoorn, bunzing, boommarter, hermelijn, wezel, de alpenwatersalamander en de kamsalamander. Het aanvullende onderzoek leverde geen aanwijzingen die erop duiden dat de planlocatie beschermde functies heeft voor genoemde soorten.
Er zijn dan ook geen belemmeringen voor de geplande ontwikkelingen in het klooster en in de kloostertuin. Op de planlocatie is wel een nest van duif aangetroffen, in de boomopstand zitten grote groepen kauwen en op de onderzoekslocatie bevinden zich egels. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels, waaronder een kolonie kauwen en een duif die mogelijk gebruik maakt van het aanwezige nest, worden voorkomen door groen te verwijderen buiten het broedseizoen en eventueel nestkasten buiten het seizoen te plaatsen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Conclusies Scholenlocatie en locatie parkeerterrein Middels een aanvullend onderzoek is meer informatie verkregen over de functie van de bebouwing voor de huismus en gebouwbewonende vleermuizen. Indien de bomen op de speelplaats aan de achterzijde van de basisschool gekapt worden, dient een nader onderzoek tevens de functie van de bomen voor boombewonende vleermuizen aan te tonen.
78
In het plangebied zijn verblijven van vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis. De sloop van de panden zal een negatief effect hebben op de verblijfplaatsen van de aangetroffen vleermuizen. Er dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin de mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een Wabo – procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Wabo-procedure) of een ontheffing (ontheffingsaanvraag) Conclusies Groen tussen stadhuis en parkeerplaats Het gebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen. Het onderzoek toont aan dat van de amfibieën allen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing behoeft te worden aangevraagd. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Een tweetal bomen zijn geclassificeerd als daarvoor geschikte bomen. Wanneer deze bomen gekapt worden is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen noodzakelijk. Daarvan wordt nu afgezien.
Voor incidenteel terreingebruik van vogels (Sperwer)met jaarrond beschermde nesten wordt geen negatief effect verwacht als gevolg van de ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor incidenteel aanwezige grondgebonden zoogdieren (Eekhoorn). Zowel voor de vogels als voor de zoogdieren geldt dat zij eenvoudig naar andere gebieden kunnen uitwijken. Dat geldt ook mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied. Ook zij kunnen gemakkelijk naar elders uitwijken. Conclusies algemeen voor het gehele plangebied. Gebiedsbescherming Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Markiezaat, bevindt zich op circa 13 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 13 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied, de Kellebeek, bevindt zich circa 2 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is op ruim 2 km afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen 79
ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Indien er bomen gekapt worden op de onderzoekslocatie zijn deze niet beschermd conform artikel 4 van de Wnb. De oppervlakte van de te kappen bomen is minder dan tien are, of het betreft een rijbeplanting van maximaal twintig bomen; hierdoor vallen ze niet onder de definitie houtopstanden. Bij de voorgenomen kap is dan ook geen sprake van een meldingsplicht en herplantverplichting in het kader van artikel 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming. Op basis van het gemeentelijk beleid is het wel noodzakelijk voor verschillende bomen een omgevingsvergunning aan te vragen. In de tuin staan ook een aantal waardevolle bomen die beschermd zijn via een vermelding op de Roosendaalse Bomenkaart( zie ook paragrafen 2.4.5. en 3.1.3). Voor het kappen van deze bomen is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Stikstofdepositie-onderzoek Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden (zie ook eerder) gelegen.
Voor de gebieden Markiezaat (circa 13,5 km afstand), Zoommeer (circa 14,5 km afstand) en Hollands Diep (circa 16 km afstand) geldt dat binnen deze gebieden geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op deze natuurgebieden. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn de Brabantse Wal (circa 8 km afstand), de Krammer-Volkerak (circa 14,5 km afstand) en de Oosterschelde (17,5 km afstand). Met de AERIUSberekeningen dient te worden aangetoond in hoeverre deze gebieden worden beïnvloed door de aanleg en het gebruik van de nieuwe ontwikkelingen op Groot Mariadal. Het betreft voor aanleg en gebruik twee aparte berekeningen. De sloop van de bestaande opstallen, het bouwrijp maken, de bouw van de diverse gebouwen en het woonrijp maken van de locatie vormen samen de aanlegfase. De gebruiksfase is aan de orde nadat de woningen, de horeca en het kindcentrum zijn opgeleverd. In de aanlegfase wordt de stikstofemissie voornamelijk gegeneerd door de (mobiele) werktuigen op de bouwplaatsen en de verkeersbewegingen van en naar de bouwplaats. Op dit moment is nog niet bekend welke installaties tijdens de bouw gebruikt zullen worden. Daarom zijn voor de aanlegfase algemene kengetallen gebruikt. Wel is bekend dat de aanlegfase 4 jaar gaat duren.
Op basis van de kengetallen bedraagt de emissie voor de aanlegfase 540 kg NOx en 1,8 NH3. Bij een fasering over 4 jaar is dat 135 kg NOx en 0,45 kg NH3 per jaar. De nieuwe woningen en de nieuwe functies worden in principe gasloos en veroorzaken geen emissie tijdens het gebruik. De emissie wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar de woningen, de horeca en de basisschool/ kinderdagverblijf. Het verkeer moet worden meegenomen tot het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Bij de berekening is het verkeer beschouwd tot de kruising van de Stationsstraat met de Kade/ Markt, tot de rotonde van de Brugstraat met de Boulevard, de Dunantstraat en de Van Beethovenlaan (richting zuidoost) en tot de kruising van de Burgemeester Prinsensingel met de Molenstraat (richting zuid). Daarna kan er zeker van worden uitgegaan dat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld en niet meer is toe te rekenen aan de locatie. Omdat de locatie op grote afstand van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ligt maakt het overigens voor de resultaten van de berekening nauwelijks uit welke oriëntatie voor het verkeer wordt aangehouden. Gerekend is met het beoordelingsjaar 2021. Dit kan worden gezien als worst case, omdat de emissie van stikstof van motorvoertuigen in toekomstige jaren afneemt.
Uit de berekeningen blijkt dat in beide situaties (aanleg en gebruik) geen toename van de stikstofdepositie plaatsvindt binnen de Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat significant negatieve effecten op de 80
instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. 4.10.3. Conclusie algemeen Naar aanleiding van de uitkomsten van de quickscan flora en fauna voor de kloosterlocatie moest voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw, kerkuil, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, bunzing, hermelijn, wezel, Alpenwatersalamander en kamsalamander. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat de renovatiewerkzaamheden niet leiden tot verstoring of vernietiging van de aangetroffen zomerverblijfplaatsen en mogelijk milde winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuizen en ruige dwergvleermuis. Tevens leiden de voorgenomen plannen niet tot verstoring of vernietiging van de aangetroffen vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluwen. Vervolgstappen ten opzichte van streng beschermde diersoorten zijn voor de kloosterlocatie dan ook niet aan de orde. Voor de scholenlocatie zijn er wel verblijvende vleermuizen aangetroffen (zie eerder). Het gaat om Gewone dwergvleermuis.
De werkzaamheden zullen een negatief effect hebben op de verblijfplaatsen van de aangetroffen vleermuizen en er dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Wabo-procedure) of een ontheffing, Wanneer holtebomen gerooid dienen te worden dient vóór uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen alsook de eekhoorn, roofvogels en uilen. Verder kunnen overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen door groen te verwijderen buiten het broedseizoen en eventuele nestkasten buiten het broedseizoen te verplaatsen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Ook zou een broedvogelcheck voorafgaand aan de start van de werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden.
Bij de locatie achter het gemeentehuis worden de holtebomen gespaard om te voorkomen dat verblijfsplaatsen voor vleermuizen worden vernietigd. Ook op andere plaatsen zal met een zelfde zorgvuldigheid met het bomenbestand worden omgegaan. Met betrekking tot beschermde gebieden worden geen bezwaren verwacht. Op basis van het gemeentelijk beleid is het wel noodzakelijk voor verschillende bomen een omgevingsvergunning aan te vragen. In de tuin staan ook een aantal waardevolle bomen die beschermd zijn via een vermelding op de Roosendaalse Bomenkaart( zie ook paragrafen 2.4.5. en 3.1.3). Voor het kappen van deze bomen is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Uit het stikstofdepositie-onderzoek blijkt dat er geen significante negatieve effecten op de instandhouding van de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. De Wet natuurbescherming leidt niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen die met het voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt.
81
4.11. Cultuurhistorische waarden 4.11.1. Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021.
Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. 4.11.2. Onderzoek Geomorfologische situatie Het bestemmingsplan ligt ten noorden van de historische kern van Roosendaal. Het ligt buiten het oorspronkelijk gekarteerde oppervlak. De geomorfologie kan echter worden geëxtrapoleerd uit de gegevens buiten het stedelijke gebied. Het uiterst westelijke deel van het bestemmingsplangebied bestaat uit de glooiing van een beekdalzijde (van de Roosendaalse Beek) en het overige gedeelte uit terrasafzettingswelvingen. Het gebied is vrij vlak en helt licht af in westelijke richting. De natuurlijke ondergrond wordt gevormd door pleistoceen zand, waarop zich op het einde van de laatste IJstijd onder invloed van wind een pakket zand heeft afgezet, de zogenaamde dekzanden (formatie van Boxtel). Vanaf de midden-steentijd (circa 5500 v.Chr.) begon veen te groeien in de beekdalen. Dit veen breidde zich later uit over de hoger gelegen slecht ontwaterde dekzanden. Van dit veen resteert nu nagenoeg niets meer: het werd sinds het midden van de 13de eeuw voor de turfwinning afgegraven. Bodemkundige situatie Vanwege de ligging in volledig verstedelijkt gebied, ontbreken er bodemkundige gegevens.
Ook deze kunnen door extrapolatie van de omgeving afgeleid worden. De bodem bestaat uit podzolgronden of uit beekeerdgronden. Het water werd afgevoerd via een systeem van sloten, waarvan de Krampenloop en de Smalle Beek in de 19de eeuw de belangrijkste waren. Mogelijk zijn het zelfs oude ontginningssloten voor de turfwinning. Het overgrote deel van het plangebied bestond tot ver in de 20ste eeuw uit vochtige weilanden, waar de ophogingen ontbreken. Op de vochtige weilanden is de kloostertuin aangelegd. Archeologie Archeologische verwachting In het plangebied werden nog geen archeologische onderzoeken verricht, evenmin zijn er toevalsvondsten bekend. Ook in het tuinencomplex van Mariadal werden nooit oude vondsten verzameld, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de kloostertuinen in Huijbergen. In het kerngebied van Roosendaal zijn wel opgravingen gedaan, die sporen opleverden vanaf de 14de eeuw, maar deze zijn voor Groot Mariadal niet relevant. 82
Op basis van de beschikbare archeologische en bodemkundige gegevens wordt geconcludeerd dat de grootste kans op het aantreffen van archeologische resten in de omgeving beperkt is tot het gebied van de Molenstraat. Voor 1830 was er op een enkele uitzondering na geen bebouwing in het gebied ten noorden van de Molenstraat en Raadhuisstraat. In het overige gebied van de voormalige Vught is de kans op het aantreffen van sporen uit de prehistorie tot de late middeleeuwen zeer klein. Deze beekeerdgronden waren niet geschikt voor permanente bewoning. Mogelijk kwam hier tot de late middeleeuwen nog veen voor, dat later is afgegraven. De gronden werden tot ver in de 19de eeuw als weilanden gebruikt en er waren geen boerderijen gevestigd. De tuinen van Mariadal gelden als cultuurhistorisch waardevolle elementen, niet als archeologische. In een deel van de Kloosterstraat liggen nog enkele onderaardse gangen en deze zijn, hoewel hun betrekkelijk jonge leeftijd, wel te beschouwen als archeologische relicten. Zij zijn hier echter niet opgenomen omdat deze sporen eerder bij rioleringswerk getraceerd werden en niet door de ruimtelijke ontwikkelingen bedreigd worden. Monumenten De meeste monumenten in Roosendaal zijn niet zo oud. Dat heeft te maken met de geschiedenis van Roosendaal. De oorspronkelijke bebouwing is regelmatig verwoest. De meeste monumenten dateren uit de periode na 1850.
Dat geldt ook voor Mariadal. Het klooster in 1934 gebouwd. De muur en de kapel zijn in hetzelfde jaar gebouwd en de tuin is in dat jaar aangelegd. Alleen de Lourdesgrot is van later datum. Deze is in 1936 gebouwd. Beschrijving van diverse monumenten in monumentenlijst RCE KLOOSTER MARIADAL (RCE monumentnummer 517245). Mariadal is gebouwd voor de orde van de Franciscanessen Penitenten Recollectinen naar ontwerp van J.Th.J Cuypers en F.B. Sturm in 1934 in Traditionalistische stijl. De kapel vertoont kenmerken van Expressionistische baksteenarchitectuur. Het klooster annex kapel is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling, namelijk het toegenomen zelfbewustzijn van de katholieke congregaties in het Interbellum. Het is een goed voorbeeld van de typologische ontwikkeling van het congregatieklooster onder invloed van nieuwe ontwikkelingen in de architectuur. Het heeft architectuurhistorische waarden wegens plattegrond, materiaalgebruik en ornamentiek en neemt een bijzondere plaats in in het oeuvre van de architecten Cuypers en Sturm. Het geheel is gaaf bewaard gebleven.
83
Afbeelding 4.10: foto voor de Lourdesgrot
LOURDESGROT (RCE monumentnummer 526025) De Lourdesgrot is in 1936 gebouwd in de tuin van het klooster. De grot is uitgevoerd in beton en opgetrokken als ‘ware afbeelding’(verkleind) van de grot in Lourdes. De beelden van Maria en Bernadette zijn aanwezig. De opening wordt afgesloten met een hek. De grot is van algemeen belang vanwege de typologie (de relatief natuurgetrouwe uitbeelding van de grot in Lourdes), het materiaal (beton), de samenhang met klooster en kloostertuin (omdat het klooster gezien de naam Mariadal de Mariaverering in bijzondere ere hield) en de cultuurhistorische zeggingskracht als onderdeel van een kloostertuin waarin de grot en andere elementen (zoals Mariakapel, grafkapel, begraafplaats, enz.) een religieuze duiding aan de tuin geven die daarvan ook het eigene uitmaakt. KAPEL (RCE monumentnummer 526023) De kapel in de tuin van is gebouwd naar ontwerp van J.J. van Oorschot in 1954 in traditionalistische stijl. In 1954 zijn de stoffelijke resten van de stichteres van de congregate, Mère Marie Joseph, overgebracht van het oude Sainte Marie aan de Molenstraat naar deze kapel in de tuin van Mariadal. De zandstenen kapel is driezijdig gesloten en heeft een omlopend dak gedekt met daktegels. Tegen de gevels zijn een plint en pilasters geplaatst, die zijn uitgevoerd in rustica. De rondboogramen zijn gevuld met glas in lood.
Het voorportaal is open met rondboogopeningen en wordt overdekt door een kruisgewelf. Onder de goot loopt een geprofileerde rand. De kapel is van algemeen belang. De heeft een cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling, namelijk het toegenomen zelfbewustzijn van de katholieke 84
congregaties in het interbellum. De kapel heeft architectuurhistorische waarden vanwege het materiaalgebruik en de ornamentiek. Het geheel is gaaf bewaard gebleven.
Afbeelding 4.11: foto van de muur behorend bij het klooster
MUUR behorend bij het klooster (RCE monumentnummer 517246) De huidige muur is gebouwd in een Traditionalistische stijl naar een ontwerp van J.Th.J. Cuypers en F.B. Sturm. Het is een bakstenen ommuring met aan de bovenkant een ezelsrug, aan de straatzijde gesteund met bakstenen afzaten. De muur is later gebouwd dan het klooster. De muur is gebouwd ten tijde van de aanleg van de Burgemeester Prinsensingel in 1941. De verwoestingen als gevolg van het bombardement van Roosendaal in het begin van de tweede wereldoorlog hadden ook gevolgen voor de omgeving van het klooster. Een aantal huizen aan de Molenstraat waren vernietigd. Dit gaf de gemeente de mogelijkheid een doorgang te realiseren tussen het centrum en de brugstraat waardoor het station vanuit het centrum beter bereikbaar werd. Hiervoor moest een groot deel van de moestuin van Mariadal onteigend. Hierover is in 1940 al onderhandeld. De gemeente verplichtte zicht tot de bouw van de muur, die dus in 1941 is opgeleverd. Aan de zijde van de Burgemeester Prinsensingel wordt de muur op enkele plekken onderbroken. Ongeveer halverwege is een spitsboogdoorgang, trapsgewijs verspringend, aan de bovenzijde afgedekt met romaanse pannen geplaatst. Het poortgedeelte is dichtgemetseld tot op de hoogte van de muur. Links van deze doorgang steekt de achterkant van een halfronde kapel met koepel, gedekt met bitumen door de muur.
Aan de tuinkant voorzien van een gebogen topgevel. Een driezijdig gesloten kapel met topgevel onder een omlopend dak met romaanse pannen en een piron is halverwege de muur aan de rechterkant van de doorgang geplaatst. Rondboogramen in afgeschuinde zijden zijn dichtgemetseld. Aan de straatkant is een polychroom reliëf met de voorstelling van Maria ingemetseld. De muur is van algemeen belang. Het object heeft cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling, namelijk het toegenomen zelfbewustzijn van de katholieke congregaties in het interbellum. Het heeft architectuurhistorische waarden wegens materiaalgebruik en 85
ornamentiek en neemt een bijzondere plaats in in het oeuvre van de architecten Cuypers en Sturm. Het geheel is gaaf bewaard gebleven.
Afbeelding 4.12: foto van de tuin behorend bij het klooster
TUIN (RCE monumentennummer 5426024). De tuin is in 1934 gelijk met de bouw van het klooster aangelegd en sinds die tijd in hoofdzaak ongewijzigd. In de tuin bevinden zich de kapel en de Lourdesgrot. De tuin is door een muur omgeven. Deze drie monumenten zijn hierboven beschreven. De tuin strekt zich uit ten zuiden en zuidwesten van het langgerekte kloostergebouw. De tuin is omgeven door muren, hagen en hekken. Het noordelijk hekwerk is gedeeltelijk historisch en aldaar geplaatst op een schansmuur. De tuin is te verdelen in vijf rechthoekige vakken. Aan de oostzijde bevindt zich ten zuiden van de kerk een grote, vrij besloten tuin. Centraal daarin een ‘rond-point’ met acht straalsgewijs lopende lanen, deels omzoomd met kastanjes. Tussen de lanen vakken, omzoomd door taxus. De lanen geven zicht op verschillende kapellen en beelden. Met op de hoofdas (in het verlengde van de kerk) aan het ene uiteinde Jozef en aan het andere uiteinde een Mariakapel. Een andere as geeft zicht op een beeld van Franciscus. Tussen deze geometrische aanleg en de tuinmuur bevindt zich aan de zuid- en oostzijde een bosschage met daarin een slingerend pad, dat langs twee kapellen in de tuinmuur en een in onbruik geraakte dichtgezette poort voert. Verder enkele kaarsvormig gesnoeide beukenbomen.
In het noordoosten van dit vak bevindt zich de kleine tuin van het rectoraat, bereikbaar via een smeedijzeren hekje. Het volgende vak bestaat uit een groot gazon (vroeger een sportveld), deels omzoomd door beukenhagen. Het gazon is ruimtelijk nadrukkelijk begrensd door een enkele lindenlaan in het noorden, een strook struiken en diverse bomen in het westen, de tuinmuur in het zuiden en een fraaie, dubbelzijdig met kastanjes beplante tuin in het oosten. Deze vormt meteen de grens met de besloten oostelijke tuin. In de zuidwesthoek een ‘clump’ 86
bestaande uit een bescheiden verhoging met enkele populieren. Hier was vroeger de toegang (via een tunnel) naar het moederhuis aan de Molenstraat. De kastanjelaan biedt in noordelijke richting zicht op de zandstenen grafkapel met zandstenen grafkapel met de tombe van de stichteres van de congregatie, Maria Raaijmakers (1781 – 1867). De stichteres noemde haar congregatie de Roselaer. Voor de kapel staan daarom rozen. De noordelijkste zone van dit vak bestaat uit twee gedeelten: de voormalige moestuin langs de noviciaatsvleugel (nu gazon met bloemen) en een zuidelijk daarvan gelegen kastanjelaan (naast de lindelaan) die van de grafkapel voert naar de Lourdesgrot. Achter de grot staat een ceder. Vlak naast de grot staat een treurwilg. Daarnaast is de toegang tot de begraafplaats. Dan volgt een in hoofdzaak open vak, met aan de noordelijke zijde enkel bijzondere onderdelen. In de eerste plaats de verhoogde, door coniferen omzoomde begraafplaats met kruisvormig padenpatroon en een groot metalen kruis ontworpen door Joost Keijzer uit Wouw. Daarachter bevinden zich twee kleine, naoorlogse kassencomplexen. Eén daarvan is nog voorzien van de oude stookplaats inclusief schoorsteen. De toegang tot de kassen wordt gemarkeerd door twee bakstenen pijlers. Het vak wordt verder onder andere ingenomen door klein fruit en bloembedden.
Het zuidelijke deel is open en wordt afgesloten met afgeknotte wilgen. De noordelijkste zone, tussen begraafplaats en Vincentiusstraat, wordt ingenomen door een boomgaard en door een parkeerplaats. De parkeerplaats is aan het eind van de vorige eeuw aangelegd. Het vak grenst aan een langgerekte vijver die zelf, vanwege zijn omvang, het vierde vak vormt. De vijver werd gebruikt om in te spelevaren en als ijsbaan. Omstreeks 1975 is in de vijver een eiland aangelegd. Het laatste grote vak wordt gevormd door de boomgaard. De tuin is van algemeen belang vanwege zijn typologie met de voor een onderwijscongregatie typerende opzet waarin drie functies zijn verenigd (recreatie en contemplatie/ recreatie en sport/ landbouw), vanwege de voor kloostertuinen typerende elementen (ommuring, begraafplaats en Lourdesgrot), vanwege de zeldzaamheid van zulke relatief grote, gaaf bewaarde binnenstedelijk kloostertuinen en de zeldzaamheid van een grootschalige aanleg met geometrische motieven bij een klooster en tot slot vanwege de schoonheid van aanleg, mede door het contrast tussen het besloten tuingedeelte achter het klooster en de meer op economische motieven gerichte onderdelen als moestuinen en boomgaarden. De tuin was door de leegstand van het gebouw wel aan slijtage onderhevig.
Daarnaast wordt het bomenbestand aangetast door ziektes (kastanjes) en heeft de tuin veel te lijden gehad van de grote droogte in zowel 2018 als 2019 . 4.11.3. Conclusie De ontwikkeling zorgt voor het behoud van het kloostercomplex en de tuin. De monumenten zijn ook als zodanig bestemd in dit plan. Daar waar wijzigen aan het monumentale waarden worden aangebracht worden deze afgestemd met de RCE (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). In het plan van Groot Mariadal worden de cultuurhistorische en monumentale waarden in de regels voldoende geborgd.
87
4.12. Ladder voor duurzame verstedelijking De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Met de ladder voor de duurzame verstedelijking kiest het Rijk ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied te concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient in de toelichting een onderbouwing te worden opgenomen waarin nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag wordt aangetoond. De ladder voor duurzame verstedelijking, die oorspronkelijk uit drie treden bestond, is per 1 juli 2017 vereenvoudigd en als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' In het Bro wordt in artikel 1.1.1, lid 1 een stedelijke ontwikkeling omschreven als: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of een zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. De initiatiefnemers zijn voornemens binnen het plangebied 144 nieuwe woningen te realiseren (zie voor de planbeschrijving hoofdstuk 5). De ontwikkeling kan worden gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling is opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogramma, is in nauw overleg met de diverse instanties ontwikkeld en is regionaal afgestemd. Tevens ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan voldoet hiermee aan de ladder voor stedelijke ontwikkeling.
88
Hoofdstuk 5 Visie op het plangebied 5.1. Algemeen Het klooster Mariadal ligt met zijn tuin tussen het station en de binnenstad van Roosendaal. Rondom en binnen dit gebied spelen verschillende ontwikkelingen. Zo zijn er concrete plannen voor de herontwikkeling van het klooster van projectontwikkelaar BVR Groep BV uit Roosendaal , bouwt de gemeente aan het nieuwe ‘Huis van Roosendaal’, realiseert OMO Scholengroep Tongerlo de vernieuwde Norbertus Gertrudis Mavo en willen KPO (Katholiek Primair Onderwijs) met de basisschool Jeroen Bosch en Kober met kindcentrum Doppido in de toekomst doorgroeien naar een nieuw integraal kindcentrum. De vijf partijen hebben gezamenlijk een integrale gebiedsontwikkeling voor het gebied gemaakt. Het gebied wordt Groot Mariadal genoemd.
Afbeelding 5.1: Het plangebied vormt een belangrijke schakel in de noordelijke binnenstad
Het plangebied voor Groot Mariadal wordt een belangrijke schakel in het noordelijk gedeelte van de binnenstad. Door de ingrijpende transformatie die het plangebied ondergaat zal de structuur van dit deel van de binnenstad worden versterkt en beter aansluiten op de omgeving. Belangrijke elementen daarbij zijn het toevoegen van woningen en (beperkte) horeca, alsmede het toegankelijk maken van de tuin. Deze wordt (semi)openbaar. De functies dragen bij aan de levendigheid en ruimtelijke kwaliteit van de binnenstad. De (semi)openbaarheid verstevigt de (wandel-)infrastructuur en draagt ook sterk bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Het nu nog afgesloten gebied wordt een integraal onderdeel wordt van de binnenstad met behoud van het besloten karakter van de oorspronkelijke kloostertuin: de Hortus Conclusus. De nieuwe ontwikkelingen zijn allemaal losse elementen in een rijk geschakeerde en kwalitatief hoogwaardige, samenhangende openbare ruimte. Voor de Norbertus Gertrudis Mavo en voor het ‘Huis van Roosendaal’ geldt dat de herontwikkeling inmiddels is gestart. Beide projecten zullen dit jaar nog worden afgerond.
89
Vooruitlopend op de ontwikkeling van de Groot Mariadal is het plan voor het Kloostercomplex Mariadal ontwikkeld. Dit plan is ook nu een belangrijk onderdeel van de totale ontwikkeling. De filosofie die hieraan ten grondslag lag en ligt is ook nog een belangrijke voor het totale plan. Het thema is de ‘ Wending naar een nieuwe wereld’ In de plantoelichting is dit indertijd als volgt beschreven: ‘ De herontwikkeling van kloostercomplex Mariadal gaat uit van de ‘Hortus Conclusus’, een omsloten tuin. De ‘Hortus Conclusus’ is een besloten ruimte, die in het geval van Mariadal is opgespannen tussen twee polen: het stadkantoor en het klooster Mariadal. Rondom de tuin ligt een sterk stedenbouwkundig kader, gevormd door monumentale bebouwing en muren, en nieuwbouw aan de Vincentiusstraat. Binnen een ruimere context functioneert de enclave Mariadal als een ruimtelijke schakel voor langzaam verkeer tussen het stationsgebied en het centrum. Aan het kloostergebouw en aan de ‘Hortus Conclusus’ wordt een nieuwe bouwkundige tijdslaag toegevoegd. Deze nieuwe laag kent een vormgeving die niet autonoom maar juist zeer specifiek is. De toevoegingen en bebouwing zijn op heldere en logische wijze vervlochten met de omgeving.
Afbeelding 5.2: Artist’s Impression van het oorspronkelijk plan voor het kloostercomplex Mariadal (illustratie wUrck, 2018)
90
Afbeelding 5.3: Artist’s Impression Groot Mariadal (illustratie wUrck, februari 2020). Het plangebied is uitgebreid met de ontwikkelingen aan de Kloosterstraat en de Oase. Dit is een mogelijk beeld van de toekomstige situatie (Zie ook afbeelding 1.1.)
Devotie in symboliek Door de transformatie van het klooster, ‘de wending naar de nieuwe wereld’, worden aloude waarden zoals zelfvoorzienendheid, verzorging en educatie geherintroduceerd. De bijzondere religieuze beplanting, zoals de buxus en de Christusdoorn, wordt aangevuld met nieuwe beplanting die verwijst naar de bijbel. Er moet echter voor gewaakt worden dat het devote karakter van het kloostercomplex behouden blijft, en in de juiste balans komt met het profane/wereldse. Devotie kenmerkt zich in bescheidenheid/soberheid, (niet aardse) rijkdom, geordendheid en organisatie van het kloosterleven. Dit dient niet alleen vertaald te worden in elementen als architectuur, ambachtelijkheid, functionele inrichting van het klooster, structuur en verdeling van tuinen en pragmatiek. Ook op symbolisch niveau dient devotie leidend thema te zijn.’
5.2. Uitgangspunten Groot Mariadal De oorspronkelijke uitgangspunten zijn uitgewerkt tot een plan voor het geheel. De hoofdlijnen zijn vastgelegd in de visiekaart, waarin de belangrijkste kwaliteiten voor de toekomstige ontwikkeling zijn geborgd. Aan het kloostergebouw wordt een nieuwe bouwkundige tijdslaag toegevoegd; reversibel en tijdloos. Deze nieuwe laag kent een vormgeving die niet autonoom is maar juist zeer specifiek. De toevoegingen en bebouwing zijn op heldere en logische wijze vervlochten met de omgeving. Respectvolle conservering van dit Rijksmonument is het hoofduitgangspunt.
91
Afbeelding 5.4 Visiekaart Groot Mariadal. De visiekaart is de basis voor de verdere uitwerking. De verkaveling van de oase is naar aanleiding van de inspraakreacties aangepast. Dit is verwerkt in de regels en de verbeelding.
De tuin van Mariadal heeft nu een sterke begrenzing en ligt als besloten enclave in de binnenstad. De religieuze lading en de heldere begrenzing van de tuin zijn het hoofduitgangspunt voor de tuin. De huidige driedeling “contemplatieve tuin, recreatieve tuin, en nutstuin” wordt versterkt door de bestaande noord-zuidassen te verstevigen en te restaureren. Nieuwe lanen en halfverharde paden vormen deze structuur. Het rond-point wordt gerestaureerd en de verharding wordt weer in originele staat gebracht. De religieuze bouwwerken, inclusief het klein religieus erfgoed, worden allen gespaard en behouden de prominente plek in de tuinen. De waterpartij wordt zichtbaar en open gemaakt, en op dezelfde locatie (deels) teruggebracht in de oorspronkelijk vorm (1934). De vorm blijft noord-zuid gericht. De contour van de oorspronkelijke begraafplaats is herkenbaar. Binnen de Hortus Conclusus zijn twee nieuwe oostwest lijnen opgenomen met een sterk ordenend karakter. De waterlijn aan de noordzijde maakt de vroegere vaart (nu ondergronds in een riool) weer zichtbaar. Aan de zuidzijde komt er een strakke groene lijn met een eigen identiteit die verwijst naar de religieuze identiteit van de stad. De Hortus Conclusus kent 3 hoofdentrees: 1. 2. 3.
In de muur aan de Burgemeester Prinsensingel Aan de Zuidzijde net ten westen van het nieuwe appartementengebouw Aan de noordzijde bij de Vincentiusstraat naast de Kloosterhof.
Er komt daarnaast een entree in het verlengde van de kastanjelaan, in de schuine lijn die ooit gericht was op het Heilig Hart beeld en die over het toekomstig schoolplein gaat lopen.
92
De Stroomgaard wordt een innovatief, duurzaam gebouw. De architectuur contrasteert met de overige architectuur en gaat op in zijn omgeving. Het vormt onderdeel van de nutstuin. Essentieel is dat de beplanting rondom de Stroomgaard dezelfde is als de oorspronkelijke beplanting: fruitbomen, gras en nutstuinen. Het thema “baksteenarchitectuur” is essentieel voor de bebouwing van geheel Groot Mariadal. De gebouwen zijn daarbij alzijdig. De gevels zijn gericht op de tuinen en/of naar het omliggende straatprofiel. Het Huis van Roosendaal en de Norbertus Gertrudis Mavo krijgen na de verbouwing dit alzijdige karakter doordat er nieuwe entrees worden gemaakt. Deze gaan zich richten op Mariadal. Ook het Klooster krijgt met de nieuwe serre en de realisatie van de Kloosterhof een nog sterker alzijdig karakter. De bebouwing van de oase richt zich aan alle zijden op de omliggende tuin. De niet bebouwde buitenruimte van de randen is hoogwaardig.. De retentie en afvoer van hemelwater is een beeldbepalend onderdeel, dit moet worden uitgewerkt in samenhang en visueel herkenbaar wordt gemaakt. Klimaatbestendigheid, duurzaamheid en natuur zijn zichtbare thema’s. Onderdeel hiervan is de energiepergola, die als herkenbaar en zichtbaar element dit het thema duurzaamheid onderstreept maar ook het stadsplein ruimtelijk definieert.
Aan de noordzijde worden het schoolplein en de Vincetuin samengevoegd tot een groene ruimte waarbinnen spelen een belangrijk thema is, voor zowel de schooljeugd als ook voor de kinderen van de aansluitende woonstraten. Dit gebied wordt samen met de bewoners en de school uitgewerkt waarbij er een aantal belangrijke uitgangspunten zijn: 1. Het groene karakter vanaf de Vincentiusstraat; 2. Ruimte voor parkeren maar ook voor spelen; 3. Veiligheid, toegankelijkheid maar ook afsluitbaarheid voor het schoolplein. De Hortus Conclusus moet een tuin blijven. Je komt een andere wereld binnen, een wereld van rust waarin het kloosterleven van weleer nog beleefbaar is. De nadruk bij de inrichting van de tuin moet dan ook liggen op het behoud en duurzame herstel van de aanwezige kenmerken van de tuin. De visie is uitgewerkt in een stedenbouwkundig plan waarin de uitgangspunten nader zijn vertaald.
93
Afbeelding 5.5. De uitgangspunten van de visie zijn vertaald in dit stedenbouwkundig plan dat door de raad in 2020 is vastgelegd. Naar aanleiding van inspraak- en overleg zijn daarna de woonblokken in de Oase nog aangepast. Deze aanpassingen zijn in deze kaart verwerkt.
5.3. Uitgangspunten en randvoorwaarden per onderdeel 5.3.1. Kloostercomplex Mariadal Het voormalig klooster wordt grootschalig geherstructureerd. In het oude pand worden 49 appartementen, waaronder maximaal 30 (zorg)eenheden gerealiseerd. Daarnaast blijft de rectoraatswoning als woning beschikbaar. In totaal kunnen er dus 50 wooneenheden in het kloostercomplex worden gerealiseerd. Tevens wordt er, afhankelijk van de actuele vraag op het moment van realisatie, plek gemaakt voor maatschappelijke voorzieningen en een beperkte horecafunctie. Het monumentale karakter van het klooster blijft wel gewaarborgd. Nieuwe functies voegen zich naar de oorspronkelijke opzet en architectuur van het gebouw of maken gebruik van de bijzondere kwaliteiten (zie uitbouw restaurant in de vorm van een serre).
94
Afbeelding 5.6: Artist’s Impression van het klooster met de toegevoegde horeca in de nieuwe serre. Dit is een mogelijk beeld van de toekomstige situatie. De plannen moeten nog verder worden uitgewerkt (illustratie wUrck/ Bedaux de Brouwer architecten).
Het klooster is (en blijft) een toonbeeld van de indertijd nieuwe Delftse School. De congregatie koos voor deze eigentijdse architectuurstijl van hoge kwaliteit. Typologie, vormgeving en materiaalgebruik zijn traditioneel en waren dat bij de bouw in 1934 ook al. Kernwaarde van het nieuwe ontwerp is het herkenbaar houden van het onderlinge verband van het complex en de integratie van bijzondere (interieur-)elementen. Het programma respecteert de oorspronkelijke doelmatige structuur van het klooster. De kapel blijft nagenoeg gevrijwaard van aanpassingen. De belangrijkste wijziging is de ontwikkeling van een zichtbare en functionele relatie tussen kapel en tuin door de toevoeging van een serre die hiertussen een schakel gaat vormen. De serre voegt door de functie en de architectuur een hedendaagse tijdslaag toe aan het complex. Direct naast het klooster worden 15 grondgebonden woningen en 3 appartementen gerealiseerd (Plan Kloosterhof). De Kloosterhof is op te vatten als een eigentijdse gesloten hofverkaveling voor in totaal 15 grondgebonden woningen en 3 appartementen. In uitstraling, schaal en maat refereert deze typologie met een maximumhoogte van drie bouwlagen aan het naastgelegen klooster. Op het binnenterrein is het parkeren opgelost (inclusief het parkeren voor de (zorg)woningen in het klooster). De bebouwing is alzijdig georiënteerd.
In het westelijk deel van de tuin worden bij het klooster 34 woningen in een woongebouw gerealiseerd (Plan Stroomgaard). De Stroomgaard is op te vatten als transformatie van de fruitboomgaard in een innovatieve zelfvoorzienende stroom- en voedselproducerend ‘machine’. In de Stroomgaard komen 34 woningen en het parkeren wordt inpandig opgelost, niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. De Stroomgaard vormt een schakel tussen binnenstad en station. De bebouwing is alzijdig. De Stroomgaard volgt de landschappelijk structuur van de productietuin van Mariadal: schaal, maat, richting en structuur refereren naar de oorspronkelijke opzet van de nutstuin.
95
Naast het toevoegen van deze functies wordt de tuin bij het klooster heringericht en krijgt de tuin een (beperkt) openbaar karakter. Het plan is onder te verdelen in vier planonderdelen: Klooster, Kloosterhof, Stroomgaard en Tuinen. Voor de tuin wordt een tuinplan voorbereid. In dit tuinplan zullen de aanbevelingen uit het tuinhistorisch onderzoek worden verwerkt. Uitgangspunt is dat de contemplatieve tuinen en de recreatieve weide worden versterkt. Het rond-point wordt hersteld. De bosschage ten zuiden van de contemplatieve tuin dient getransformeerd te worden naar een weide, die gelegenheid biedt voor ceremonies. Levensvatbare structurele beplanting, solitaire beplanting en religieuze beplanting blijven behouden. Op basis van een specifiek beplantingsplan zal de beplanting gedeeltelijk worden hersteld en ook worden aangepast aan de beoogde transformatie. Het idee is om de nutstuinen bij de Stroomgaard te verkavelen in smalle percelen. De voormalige nutstuinen worden op die manier in waarde hersteld. De monumentale kloostermuur wordt hersteld. De dichtgezette boogentree zal weer geopend worden om een nieuwe entree mogelijk te maken, die primair bedoeld is voor voetgangers. In het klooster worden woningen ondergebracht in de vleugels grenzend aan de tuin. In de representatieve vleugel aan de Vincentiusstraat komt een programma met kleine woon(zorg)eenheden.