CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting-regels-verbeelding Groot Mariadal.pdf

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Raadsvoorstel 68 Vaststelling bestemmingsplan Groot Mariadal34.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Aangezien het speelterrein aan de zijde van de woningen grenst aan een gymzaal op de begane grond worden hier geen problemen voorzien.

Op de hoek Vincentiusstraat – Burgemeester Prinsensingel is een gemengde bestemming aanwezig op minder dan 10 meter afstand van Mariadal. Binnen deze bestemming zijn bedrijven tot categorie 2 toegestaan, met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Momenteel is het perceel in gebruik als thuisbasis voor een autorijschool. Dit type inrichting is het best te vatten onder noemer ‘overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren)’ met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Er is daarom sprake van een goede ruimtelijke ordening en een acceptabel woon- en leefklimaat. Het plan is niet gelegen binnen overige bedrijfsmatige bestemmingen van het bestemmingsplan Centrum – Noord.

45

Binnenstad De te projecteren woningen aan de Kloosterstraat zijn gelegen op circa 25 meter afstand tot de bestemming ‘Gemengd-2’. Aangezien direct naast deze gemengde bestemming eveneens een woonbestemming is vastgelegd, wordt geconcludeerd dat de nieuw te projecteren woonbestemming geen belemmeringen ondervindt als gevolg van de gemengde bestemming. Verder zijn in het bestemmingsplan Binnenstad geen bestemmingen aanwezig die van invloed zijn op Groot Mariadal. Kalsdonk Mariadal is gelegen op ten minste 50 meter afstand tot bestemmingsplan Kalsdonk. Voor bedrijven in categorie 3.2 of hoger geldt een richtafstand van ten minste 50 meter in gemengd gebied. Dergelijke bestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan niet toegestaan binnen 100 meter tot het plangebied. Op dit punt is geen nader onderzoek nodig. Spoorhaven 1ste fase De geprojecteerde woningen bevinden zich op ten minste 160 meter afstand tot het bestemmingsplan. Voor bedrijven in categorie 4.2 of hoger geldt een richtafstand van ten minste 200 meter in gemengd gebied. Het emplacement is een inrichting in categorie 4.2 en dus is het plangebied gelegen binnen de richtafstand. De inrichting beschikt over een vergunning uit 2013. Hieruit moet blijken of ter plaatse van het plan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het emplacement maakt deel uit van het in paragraaf 3.1 genoemde gezoneerd terrein.

Bedrijvigheid ten westen van het emplacement is van een lagere categorie en niet van individuele invloed op het plan. 4.2.3. Conclusie Onderdeel van het plan is realiseren van ‘horeca tot en met categorie 2’. Deze vorm van horeca valt onder milieucategorie 1 en is in een binnenstedelijke omgeving met een centrumfunctie goed inpasbaar. Aan de Kloosterstraat blijft de maatschappelijke bestemming voor het kindcentrum behouden, met op het westelijk deel de aanduiding ‘speelterrein’. Direct ten westen hiervan worden een woonbestemming voorzien met een specifieke aanduiding ‘maatschappelijk – gymzaal’. Op het moment dat plannen verder zijn uitgewerkt zal uit een aanvullend, akoestisch onderzoek moeten blijken hoe deze functies zich tot elkaar verhouden. Het gaat daarbij vooral om de invloed van het geluid van spelende kinderen op de woningen. Aangezien het speelterrein aan de zijde van de woningen grenst aan een gymzaal op de begane grond worden hier geen problemen voorzien. . De verkeersbestemming ten oosten van het ‘Huis van Roosendaal’ biedt ruimte voor parkeren. De woningen direct ten oosten daarvan zijn geprojecteerd binnen de richtafstand van 10 meter. Hiervoor is nader akoestisch onderzoek gewenst. Aangezien de inrichting nog indicatief zal dit onderzoek in een later stadium worden uitgevoerd. Verder ligt het plan binnen de richtafstand van het emplacement..

Het plan is gelegen binnen de geluidszone voor industrieterrein Borchwerf. Voor geluidgevoelige bestemmingen binnen het plangebied - de woningen - zullen voor geluid hoger waarden moeten worden vastgesteld tot 55 dB (A).

46

4.3. Geur veehouderij 4.3.1. Kader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).

De Wgv stelt gemeenten in staat om door middel van gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geurbeleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. Gemeentelijk geurbeleid De gemeente Roosendaal heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld. Dat betekent dat de geurnormen en -afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Het plangebied is conform de wet gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom. Ter plaatse geldt dan een geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht en een afstandsnorm van 100 meter voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. 4.3.2. Onderzoek Belang omliggende veehouderijen In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Binnen een straal van 2 kilometer vanaf het plangebied bevindt zich één inrichting. Het betreft de kinderboerderij Minnebeek aan de Ambrozijnberg 202. Deze kinderboerderij is gelegen op een afstand van circa 1.600 meter.

Het onderhavig bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsbestemmingsplan dat diverse geurgevoelige objecten, zoals woningen, mogelijk maakt. Met de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt de kinderboerderij echter niet beperkt in haar mogelijkheden. Daarvoor is de afstand te groot. Er zijn bovendien tussen de kinderboerderij en het plangebied in dezelfde windrichting al geurgevoelige objecten gelegen die reeds beperkend(er) zijn voor de ontwikkeling van deze inrichting. Woon- en leefklimaat In onderstaande afbeelding (bron: Atlas Leefomgeving) is de GES score (gezondsheidseffectscreening-score) in beeld gebracht. Het plangebied is aangeduid met de hoogste score voor het aspect geurhinder. Dit betekent dat aanwezige personen geen geurhinder zullen ervaren.

47

Afbeelding 4.1: GES score plangebied. De lichtgroene kleur (GES 0) geeft aan dat het plangebied de hoogste score heeft voor het aspect geurhinder.

Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als zeer goed te kwalificeren is. 4.3.3. Conclusie Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

48

4.4. Mobiliteit 4.4.1. Parkeren Bestaande situatie Programma bestaande situatie In het gebied Groot Mariadal is het volgende programma aanwezig: • Stadskantoor* 10.000 m2 • Norbertus Gertrudismavo* 350 leerlingen, 2650 m2 • Basisschool Jeroen Bosch 390 leerlingen • Kinderopvang Doppido 2 groepen BSO, 3 groepen kinderopvang • Don Bosco 843 m2, 2 groepen • Het bestaande kloostergebouw ca 7600 m2 (exclusief kelders en zolders) * deze functies vallen buiten de plangrens van het bestemmingsplan maar zijn wel meegenomen in parkeerplaatsen, gebruik en tellingen. Parkeren bestaande situatie In het gebied Groot Mariadal zijn de volgende parkeervoorzieningen in de bestaande situatie aanwezig: locatie

Openbaar gebied

Stadserf Kloosterstraat Parkeerterrein achter stadskantoor Parkeerplaatsen aan Stadskantoor Don Bosco Kober kinderopvang Doppido Jeroen Bosch school Klooster Mariadal NorbertusGertrudismavo Totaal

32 104

Privé terrein

t.b.v. functie

Binnen plangrens bestemmingsplan

94

algemeen algemeen stadskantoor

32 104 94

13

stadskantoor

13

4 10

Don Bosco kinderopvang

4 10

klooster Norbertus Gertrudismavo

28

Geen eigen P 28 13 3636 298

162

Buiten plangrens bestemmingsplan

13 285 285

13 13

In het gebied zijn in de bestaande situatie 298 parkeerplaatsen aanwezig. Van deze 298 parkeerplaatsen zijn er 136 ten behoeve van openbaar gebruik. Deze bevinden zich aan de zuidzijde (Kloosterstraat en Stadserf).

49

Afbeelding 4.2: Het aantal parkeerplaatsen in de bestaande situatie (298) inclusief gebruik.

Gebruik openbare parkeerplaatsen De in het plangebied aanwezige openbare parkeerplaatsen zijn deels bestemd voor vergunninghouders deels voor algemeen gebruik. Deze worden door verschillende gebruikers gebruikt: door gebruikers van het plangebied, maar ook door onder andere bezoekers van de binnenstad. Om zicht te krijgen op het gebruik van deze parkeerplaatsen zijn in opdracht van de gemeente parkeertellingen in februari 2019 en in januari 2020 uitgevoerd. Op basis van deze tellingen is de parkeerdruk in het gehele gebied inzichtelijk gemaakt. De dinsdag- en de donderdagavond zijn de momenten met de hoogste parkeerdruk. In de tellingen zien we een duidelijk verschil in de straten ten noorden van het plangebied en de straten in het zuiden van het plangebied. Het noordelijk deel (Stationsbuurt) kent een hoge parkeerdruk (circa 87% parkeerbezetting), in de straten ten zuiden van het plangebied (StadserfKloosterstraat) is een overschot aan parkeerplaatsen (49% parkeerbezetting). (De parkeerstudie is onderdeel van bijlage 13 bij de toelichting van het bestemmingsplan. In bijlage 13 zijn in bijlage 1 en 2 de resultaten van de parkeerstudie van Trajan (rapport d.d. 24 januari 2020) opgenomen). Programma toekomstige situatie Met de ontwikkeling van Groot Mariadal gaan programmatische wijzigingen plaatsvinden in het gebied van Mariadal.

Het beoogde toekomstige programma is als volgt: • Stadskantoor/Huis van Roosendaal* 11.000 m2 • Norbertus Gertrudismavo*: 450 leerlingen, 21 lokalen, 3.506 m2 • Integraal Kindcentum Jeroen Bosch: 400 leerlingen, • 4 groepen BSO, 4 groepen kinderopvang 2648 m2 + 455 m2 gymzaal • Nieuwe woningbouw Mariastede Kloosterstraat: 30 woningen duur • Nieuwe woningbouw Oase: 12 woningen duur • Nieuwe woningbouw Stroomgaard: 34 woningen duur • Nieuwe woningbouw Kloosterhof: 18 woningen duur 50

•

Gemengde functie in Klooster Mariadal, bestaande uit: o Woningen: 30 woningen goedkoop o 20 woningen duur o Horeca: 440 m2 o Cultuur: 650 m2 Don Bosco wordt gesloopt en komt te vervallen * deze functies vallen buiten de plangrens van de bestemmingsplangrens maar zijn wel meegerekend in parkeerbalans en verkeersgeneratie. Parkeren toekomstige situatie In het stedenbouwkundig ontwerp is aangegeven waar de parkeerplaatsen t.b.v. het beoogde toekomstige programma in de nieuwe situatie worden gerealiseerd. Dit is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.3: Het aantal parkeerplaatsen in de toekomstige situatie (386) inclusief gebruik.

In het plangebied (inclusief Stadserf en Kloosterstraat) zijn in de toekomstige situatie 386 parkeerplaatsen aanwezig. Daarnaast wordt een kiss-and-ridestrook aangelegd met 12 plekken. Van deze 386 parkeerplaatsen zijn er 127 ten behoeve van openbaar gebruik, waarvan 112 aan de zuidzijde (Kloosterstraat en Stadserf) en 15 aan de noordzijde (Vincetuin). Om te bepalen of de beoogde ontwikkelingen in Groot Mariadal over voldoende parkeervoorzieningen beschikken is een parkeerbalansberekening uitgevoerd. Dat betekent dat voor het gebied Groot Mariadal is berekend of de toekomstige parkeerbehoefte van de toekomstige functies binnen het gebied in evenwicht is met het toekomstige aantal parkeerplaatsen dat in het gebied gerealiseerd zal worden.

51

Bij het opstellen van deze berekening is gebruik gemaakt van de geldende parkeernormen en -waar dit nodig iscijfers uit de CROW. Ook zijn de uitgevoerde parkeertellingen gebruikt om het reguliere gebruik van de openbare parkeerplaatsen mee te kunnen nemen in de berekeningen. De resultaten van de balansberekening zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Bron: rapportage verkeerskundige onderbouwing Mobycon 16-11-2021. NB1. In het rapport van Mobycon d.d. 1-4--2021 wordt nog uitgegaan van 30 parkeerplaatsen in de Vincetuin. Dit is na afstemming met school en omwonenden bijgesteld naar 15 parkeerplaatsen. Daarmee komt het totaal aantal parkeerplaatsen op 386 (401-15) NB2. Het aantal woningen in Oase is na afstemming met omwonenden bijgesteld van 14 naar 12. In het rapport van Mobycon wordt nog uitgegaan van 14 woningen. Uit deze tabel blijkt dat op het maatgevend moment 336 parkeerplaatsen in het gebied bezet zijn. In het gebied Groot Mariadal zijn 386 parkeerplaatsen aanwezig. Er zijn op elk moment van de week voldoende parkeerplekken per parkeerlocatie beschikbaar waarmee de parkeerbalans voor het gehele gebied sluitend is. (NB: voor de volledige berekeningen en onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 13 van de toelichting bij het bestemmingsplan Verkeerskundige onderbouwing, Mobycon, 16-11-2021) Hieronder volgt een korte toelichting op de verschillende deelgebieden en op welke wijze de parkeerbehoefte wordt gefaciliteerd • Stadskantoor/HUIS van Roosendaal o De bestaande parkeerplaats voor het personeel achter het stadskantoor verdwijnt. Het personeel dat daar gebruik van maakt, parkeert straks buiten het plangebied in parkeergarage De Biggelaar.

o De bezoekers parkeren in het openbaar gebied, op het Stadsplein of aan de Kloosterstraat. 52

o

•

•

•

•

•

•

•

Ten behoeve van dienstvoertuigen van de Gemeente en het college worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd. o Voor deze functie wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan waarmee wordt geborgd dat de benodigde parkeervoorzieningen beschikbaar zijn voordat het bestaande parkeerterrein kan worden veranderd in het woongebied Oase. Norbertus Gertrudismavo: o Het personeel parkeert in de nieuw te realiseren parkeerplaatsen in de Vincetuin. Buiten gebruikstijden van de school staan de parkeerplaatsen ter beschikking aan de bewoners van de Vincentiusstraat. In overleg met de school en de straat is het aantal bepaald op 15 parkeerplaatsen waarbij gezocht is naar een passende balans tussen parkeren en groenvoorziening. o Bezoekers van de mavo maken gebruik van de openbare parkeerplaatsen in het gebied. Door de nieuwe langzaam verkeersverbinding is het parkeerareaal aan de zuidzijde een goede optie voor de bezoeker. Integraal Kindcentrum Jeroen Bosch o Het personeel en de bezoekers maken net als in de huidige situatie gebruik van de aanwezige openbare parkeerplaatsen in het gebied. In de berekeningen van de capaciteit is hiermee rekening gehouden. o Voor het halen en brengen van de kinderen wordt een kiss-and-ridestrook gerealiseerd.

Ook zal een deel van de aanwezige openbare parkeerplaatsen op deze momenten kortdurend worden gebruikt voor het halen en brengen. Daarmee is in de capaciteit rekening gehouden o Voor deze functie geldt de parkeernorm uit de Nota parkeren, die is gekoppeld aan deze functie in het bestemmingsplan Groot Mariadal. Nieuwe woningbouw Mariastede aan de Kloosterstraat o Bewoners parkeren in de te realiseren parkeervoorziening in het gebouw. o Bezoekers parkeren in het openbaar gebied. o Voor deze functie geldt de parkeernorm uit de nota parkeren, die is gekoppeld aan deze functie in het bestemmingsplan Groot Mariadal Nieuwe woningbouw Oase o Bewoners parkeren op de aan te leggen privéparkeerplaatsen bij de Oase. o Bezoekers parkeren in het openbaar gebied. o Voor deze functie geldt de parkeernorm uit de Nota parkeren, die is gekoppeld aan deze functie in het bestemmingsplan Groot Mariadal. Nieuwe woningbouw Stroomgaard o Bewoners parkeren in de te realiseren parkeervoorziening in het gebouw. o Bezoekers parkeren in de te realiseren parkeervoorziening in het gebouw. o Voor deze functie geldt de parkeernorm uit de Nota parkeren, die is gekoppeld aan deze functie in het bestemmingsplan Groot Mariadal. Nieuwe woningbouw Kloosterhof o Bewoners parkeren op de aan te leggen privéparkeerplaatsen bij de Kloosterhof. o Bezoekers parkeren in de parkeervoorziening Stroomgaard.

o Voor deze functie geldt de parkeernorm uit de Nota parkeren, die is gekoppeld aan deze functie in het bestemmingsplan Groot Mariadal. Gemengde functie in Klooster Mariadal, bestaande uit: o Woningen: bewoners parkeren in de parkeervoorziening Stroomgaard en/of Kloosterhof. o Bezoekers van de woningen parkeren in de parkeervoorziening Stroomgaard. o Horeca: het personeel en de bezoekers parkeren in de parkeervoorziening Stroomgaard. o Cultuurfunctie: het personeel en de bezoekers parkeren in de parkeervoorziening Stroomgaard. o Voor deze functie gelden de parkeernormen uit de Nota parkeren, die is gekoppeld aan deze functie in het bestemmingsplan Groot Mariadal

53

o

Voor deze functie wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat de benodigde parkeervoorzieningen zijn gerealiseerd voordat kan worden gestart met de verbouw van het kloostergebouw.

Tabel: Verdeling van parkeerlocaties in het gebied Groot Mariadal incl. openbaar/privé locatie

Openbaar gebied

Stadsplein

61

privéterrein

t.b.v. functie

Binnen plangrens bestemmingsplan

Algemeen (waaronder bezoekers stadskantoor, personeel en bezoekers Kindcentrum, bezoekers wonen Oase en Mariastede)

61

Stadsplein

10

dienstauto’s stadskantoor

10

Voorplein stadskantoor

6

dienstauto’s stadskantoor

6

Kloosterstraat

51

Algemeen (waaronder bezoekers stadskantoor, personeel en bezoekers Kindcentrum, bezoekers wonen Oase en Mariastede)

51

Vincetuin

15 (*1)

Norbertus Gertrudis mavo+algemeen

15

Woningbouw Mariastede Kloosterstraat

33

bewoners Mariastede Kloosterstraat

33

Woningbouw Oase

16

bewoners Oase

16

Woningbouw Stroomgaard

134

bewoners Stroomgaard + deel bewoners klooster

134

54

Buiten plangrens bestemmingsplan

personeel horeca/cultuur klooster bezoekers wonen Stroomgaard, klooster en Kloosterhof bezoekers horeca/cultuur klooster Woningbouw Kloosterhof

Totaal

60

127

Bewoners Kloosterhof + deel bewoners klooster

259

386

386 Kloosterstraat kiss and ride

12

60

386 School halen/brengen

12

*1: het aantal parkeerplaatsen in de Vincetuin is na afstemming met school en omwonenden bijgesteld naar 15 in plaats van 30. In het rapport van Mobycon d.d. 1-4--2021 wordt nog uitgegaan van 30 parkeerplaatsen In het gebied zijn in de toekomstige situatie 386 parkeerplaatsen aanwezig. Daarnaast wordt een kiss-andridestrook aangelegd met 12 plekken. Van deze 386 parkeerplaatsen zijn er 127 ten behoeve van openbaar gebruik. Deze bevinden zich met name aan de zuidzijde (112). 15 parkeerplaatsen worden in het noorden gerealiseerd ten behoeve van dubbelgebruik Norbertus-Gertrudisschool en de bestaande woningen in de Vincentiusstraat. Het aantal parkeerplaatsen ten behoeve van algemeen openbaar is uiteindelijk 9 minder dan in de huidige situatie. Daarbij komt dat 12 kiss-andrideplekken in de Kloosterstraat worden toegevoegd. Het personeel van het stadskantoor, dat thans op het privéterrein in het gebied parkeert, gaat straks parkeren buiten het plangebied. Hiervoor zal de openbare parkeergarage De Biggelaar, op loopafstand van het stadskantoor worden benut. Parkeernorm en dubbelgebruik. Borging parkeerregime in dit bestemmingsplan Parkeernormen In Roosendaal is het parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen. In dit beleid staat beschreven welke parkeernorm voor welke functie geldt.

De Nota parkeernormen is in het bestemmingsplan gekoppeld aan de regels voor de diverse bestemmingen. Zo is geborgd dat in voldoende parkeerplaatsen is voorzien. De Nota is gekoppeld aan de regels voor de volgende bestemmingen: • • • •

Wonen-1 (Stroomgaard en Kloosterhof) Wonen-4 (woongebouw Kloosterstraat) Wonen-5 (Oase) Gemengd-2 (functies in Klooster) 55

•

Maatschappelijk (Kindcentrum)

Dubbelgebruik Bij het opstellen van de parkeerbalans voor Groot Mariadal door adviesbureau Mobycon is gebruik gemaakt van aanwezigheidspercentages en dubbelgebruik. Kort samengevat houdt dit in dat een parkeerplaats door meerdere gebruikers op verschillende tijdstippen kan worden gebruikt. Zo laat in het geval van een openbare parkeerplaats het gebruik van bezoekers van stadskantoor of school (overdag) zich bijvoorbeeld prima combineren met een woonfunctie waar het accent van het gebruik in de avonduren ligt. Hierdoor is een efficiënt ruimtegebruik mogelijk, waardoor de aanleg van onnodig veel parkeerplaatsen wordt voorkomen. 4.4.2. Verkeersgeneratie Autoverkeer Voor de verkeerskundige onderbouwing van het bestemmingsplan is het van belang om te bepalen of er sprake is van een acceptabele verkeerskundige ontsluiting van het gebied nadat de extra functies zijn gerealiseerd. In de verkeerstudie is per deelgebied berekend hoeveel extra autoverkeer er wordt gegenereerd ten opzichte van de huidige situatie waarin verkeerstellingen zijn uitgevoerd. Vervolgens wordt bepaald hoe het extra autoverkeer zich verdeelt over het weggennet en wordt getoetst of deze toename past. Voor de berekening van de extra verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie wordt uitgegaan van de netto toename van de hoeveelheid autoverkeer.

Dit betekent dat nieuwe woningen volledig worden meegerekend omdat die er nu nog niet zijn. Maar voor functies die er al waren en weer terugkomen wordt alleen de eventuele extra omvang meegerekend. Voor alle functies is uitgegaan van het gemiddelde kencijfer uit de landelijke richtlijnen (precies tussen minimum en maximum kencijfer). De landelijke richtlijnen geven ook aan welk deel van de autoverkeersgeneratie wordt veroorzaakt door bewoners/werknemers en welk deel door bezoekers. Voor woningen is er geen onderscheid naar bewoners en bezoekers gemaakt in de landelijke richtlijnen. Daarom is de verhouding uit de parkeernormen overgenomen. De extra hoeveelheid autoverkeer ten gevolge van de ontwikkeling van Groot Mariadal komt boven op de bestaande hoeveelheid autoverkeer die vanwege de ‘gewone groei’ van het autoverkeer ook al iets zou toenemen (gemiddeld 1 % per jaar). Voor vrijwel alle straten zijn verkeerstellingen uitgevoerd in 2020. Alleen voor de Dominéstraat is een inschatting gemaakt. Hoewel de relatieve toename van de hoeveelheid autoverkeer (ten opzichte van de huidige hoeveelheid) soms aanzienlijk is voldoet de toekomstige hoeveelheid autoverkeer op alle omliggende wegen aan de maximaal acceptabele hoeveelheden autoverkeer zoals opgenomen in de landelijke CROW-richtlijnen.

Ter indicatie: - Voor een woon- of winkelerf is een maximale hoeveelheid van 1.000 motorvoertuigen per etmaal acceptabel. - Voor een 30 km/uur straat zonder fietsvoorzieningen is een maximale hoeveelheid van 4.000 à 5.000 motorvoertuigen per etmaal acceptabel. - Voor een 30 km/uur straat met fietsvoorzieningen is een maximale hoeveelheid van 6.000 à 10.000 motorvoertuigen per etmaal acceptabel.

56

Afbeelding 4.4: Autoverkeersbewegingen (motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal) omgeving Groot Mariadal

Fietsverkeer Voor de fiets zijn geen telgegevens of verkeersmodelgegevens beschikbaar zodat geen uitspraak kan worden gedaan hoeveel de toename van het fietsverkeer is ten opzichte van de bestaande hoeveelheid fietsers en of dit tot te drukke fietspaden kan leiden. Op de drukste fietsroutes (Vughtstraat, Kloosterstraat, Burgemeester Prinsensingel zuid) zijn overigens als fietspaden aanwezig. De capaciteit van een fietspad is afhankelijk van de breedte en bedraagt bij een tweerichtingsfietspad van 2,5 meter breed ongeveer 1.500 fietsers per etmaal. Gezien de berekenende toename van 200 à 400 fietsbewegingen per werkdagetmaal op de wegvakken lijkt dit geen probleem te zijn. Voor 30 km/uur (of 50 km/uur) wegen zonder fietspad is niet de hoeveelheid fietsverkeer, maar de hoeveelheid autoverkeer bepalend voor de vraag of fietspaden noodzakelijk zijn. Bij meer dan 4.000 à 5.000 motorvoertuigen per etmaal zijn fietspaden noodzakelijk. Die hoeveelheid wordt nergens overschreden. 4.4.3. Conclusie Vanwege de nieuwe functies in Groot Mariadal neemt de hoeveelheid autoverkeer toe. De toekomstige hoeveelheid autoverkeer op alle omliggende wegen voldoet echter aan de maximaal acceptabele hoeveelheden autoverkeer zoals opgenomen in de landelijke CROW-richtlijnen. Een aanpassing van het omliggende wegenstelsel is dan ook niet nodig.

Voor parkeren geldt dat richtlijnen van de Nota parkeernormen zijn gevolgd en er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om de parkeervraag van de voorgenomen ontwikkelingen op te vangen. De infrastructuur biedt ook voldoende ruimte voor een mogelijke toename van het fietsverkeer.

57

4.5. Luchtkwaliteit 4.5.1. Kader Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: - de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; - het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; - de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; - de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; - het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’. De vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.

Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: - als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); - als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); - als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); - als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of - het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).

Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 58

4.5.2. Onderzoek Voor het aspect luchtkwaliteit moet worden nagegaan of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling is niet zonder meer aan te merken als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de toename van de verkeersaantrekkende werking is met de NIBM-tool de toename van de jaargemiddelde concentraties van de luchtverontreinigende stoffen NO2 en PM10 berekend. Daaruit komt naar voren of de ontwikkeling als NIBM is aan te merken (zie afbeelding 4.5). De berekening is gebaseerd op de gegevens van Mariadal. De realisatie van Groot Mariadal leidt niet tot de verwachting dat de grensgetallen worden overschreden. Daarvoor is de resterende ruimte tot de grensgetallen te groot. Er is daarom geen nieuw onderzoek verricht.

Afbeelding 4.5: NIBM-tool

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter alsnog de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.6 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs onder andere de Stationsstraat, de Burgemeester Prinsensingel en de Kloosterstraat weergegeven. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn. Uit de NSL-monitoring blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 28,1 μg/m3, 18.8 μg/m3 en 11,1 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. In november 2021 is naar aanleiding van de zienswijzen nog specifiek onderzoek verricht naar de effecten van het plan Groot Mariadal op de woningen van de Kloosterstraat. De rekenresultaten van de concentratie luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 op de maatgevende punten langs de wegen en de op de beschouwde woningen van de Kloosterstraat zijn opgenomen in bijlage 20.

Uit de rekenresultaten van dit nadere onderzoek blijkt dat deze jaargemiddelde concentratie voor de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 24, 19 en 11 µg/m bedraagt, waardoor de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden

59

Afbeelding 4.6: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2016 (NSL-monitoringstool)

4.5.3. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan Groot Mariadal.

60

4.6. Externe veiligheid 4.6.1. Kader Algemeen Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico’s wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. In andere regelgeving dan Bevi kunnen ook risiconormen of aan te houden effectafstanden zijn opgenomen ten aanzien van inrichtingen.

Te denken valt aan het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit ten aanzien van propaantanks, benzine- en aardgastankstations en gasdrukregelstations. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid” en de “Wet vervoer gevaarlijke stoffen”. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is sinds 1 januari 2011 geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden. 61

Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Gemeentelijk beleid De gemeenten Moerdijk, Halderberge en Roosendaal zetten zich samen met de Veiligheidsregio Midden- en WestBrabant in voor meer veiligheid in de spoorzone langs het traject Roosendaal – Lage Zwaluwe. Zelfredzaamheid en hulpverlening staan daarbij centraal. De instanties richten zich op het treffen van maatregelen om de zwakke plekken aan te pakken en de communicatie te verbeteren. 4.6.2. Onderzoek Econsultancy heeft in 2018 een onderzoek naar de externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek is in februari 2021 geactualiseerd (6779.007 versie D2). Dit rapport is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat vooral de nabijheid van het spoor voor de externe veiligheid van belang is. Omgevingsinventarisatie Het plan ligt op ten minste 170 meter afstand tot het spoor ten zuidwesten van station Roosendaal. De geprojecteerde woningen zijn deels gelegen binnen 200 meter afstand tot het spoor. Het emplacement Roosendaal is op de risicokaart ook aangegeven als een inrichting. In de toelichting bij de risicokaart is vermeld dat na de veranderingsvergunning van 1 maart 2013 geen risicovolle activiteiten meer op het terrein plaatsvinden.

Transporten van gevaarlijke stoffen over het emplacement vallen onder het Basisnet. Op meer dan 400 meter ten westen van het plan is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen, die aansluit op een gasregel- en meetstation. De inventarisatieafstand voor dergelijke bronnen bedraagt 95 meter. Geconcludeerd wordt dat deze bronnen in relatie tot het plan niet relevant zijn. Bepaling van het groepsrisico Bepalend voor de hoogte van het groepsrisico is het aantal aanwezigen binnen 200 afstand van het spoor. Het plan voorziet in een beperkte toevoeging van aanwezigen binnen deze afstand. In het Eindrapport Basisnet volgt al dat ter plaatse van het plan de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Dit is nu het geval en staat los van de nieuwe ontwikkelingen. De berekeningen van Econsultancy bevestigen dat het groepsrisico hoger is dan de oriëntatiewaarde. De normwaarde van de curve bedraagt (gesommeerd) 0,097. Dit is het gevolg van het transport van gevaarlijk stoffen over het spoor. Een uitgebreide verantwoording is daarom noodzakelijk. Verantwoording Zelfredzaamheid In de basis lijkt de zelfredzaamheid van de aanwezigen goed te noemen. Er zijn geen aanwijzingen dat een grote groep niet- of verminderd zelfredzame mensen binnen 250 meter tot het spoor komt te wonen (De zorgwoningen zijn geprojecteerd op circa 300 meter afstand).

De nieuwe woningen en appartementen zijn goed te ontvluchten indien noodzakelijk. In de woningen kan worden geschuild tot evacuatie mogelijk is. Het gebied kan worden ontvlucht in noordelijke en/of zuidelijke richting, afhankelijk van de locatie van de calamiteit. Vervolgens kan in oostelijke richting worden gevlucht. In geval van calamiteiten kan NL-alert worden ingezet. Bestrijdbaarheid Door het treffen van aanvullend maatregelen kan het risico van slachtoffers verder worden beperkt. In onderstaande paragrafen worde per scenario aangegeven welke maatregelen getroffen kunnen worden.

62

- Explosie In geval van een explosie zal de drukgolf ter plaatse van het plan ten minste leiden tot ruitbreuk. Het glasoppervlakte van woningen aan de zijde van het spoor moet zo veel als mogelijk worden beperkt en uitgevoerd als splintervrij glas. De kans op overige materiële schade als gevolg van hittestraling wordt verwaarloos geacht - (Fakkel-)brand In geval van brand op het spoor moet escalatie zo effectief mogelijk worden voorkomen en bestreden. De voorzieningen moeten worden getroffen bij het spoor. Dit valt buiten de scope van dit plan. - Toxische calamiteit In geval van het vrijkomen van schadelijke gassen zal in eerste instantie inpandig moeten worden geschuild. Daarnaast is het van belang dat tijdig wordt gewaarschuwd zodat ramen, deuren en ventilatievoorzieningen met één handeling kunnen worden gesloten. Mechanische ventilatiesystemen moeten door middel van een noodknop direct kunnen worden uitgeschakeld. Ventilatievoorzieningen worden bij voorkeur niet aan de zijde van het spoor aangebracht. De schuilruimten dienen uiteraard dusdanig te worden ontworpen dat gedurende langere tijd kan worden geschuild. Daarbij kan worden gedacht aan goede luchtverversing en in extreme gevallen noodvoorzieningen. Evacuatie wordt pas in gang gezet als de situatie dat toelaat. 4.6.3.

Conclusie Het plangebied is gelegen binnen het invloedgebied van het transport van gevaarlijke stoffen via het spoor. In de omgeving is al sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De realisatie van het plan leidt niet tot een hoger groepsrisico. De zelfredzaamheid van de aanwezigen is goed te noemen. Binnen het plan zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om de gebouwen van de bron te ontvluchten. Het plangebied zelf kan eveneens goed worden ontvlucht. Hulpdiensten kunnen snel plaatse zijn. Aan de zijde van het spoor moet het glasoppervlak worden beperkt tot een minimum om het risico te verkleinen.

63

4.7. Geluid 4.7.1. Kader Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld ter wille van het woon- en leefklimaat. 4.7.2. Onderzoek Econsultancy heeft een akoestisch onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies beschreven. Het volledig rapport is als bijlage opgenomen. Ten gevolge van de Brugstraat en de Vincentiusstraat wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB overschreden. Conform de Wet geluidhinder dient een maatregelenonderzoek plaats te vinden. Hierbij dienen achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen te worden overwogen. Het beperken van de rijsnelheid of de verkeersintensiteiten van de Brugstraat en de Vincentiusstraat zijn onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregelen. Verder is een verplaatsing van de woningen niet efficiënt.

Voor de Kloosterhof en klooster Mariadal dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Brugstraat en de Vincentiusstraat een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen: • de geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 55 dB ten gevolge van de Vincentiusstraat en ten hoogste 49 dB ten gevolge van de Brugstraat; • de berekende geluidsbelastingen zijn ruim lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB voor wegverkeer; • er is sprake van tenminste één geluidsluwe gevel; • bron- en overdrachtsmaatregelen voor de Brugstraat en de Vincentiusstraat zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren; • met het plan wordt met de nieuwbouw een nieuwe invulling aan het terrein gegeven. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële of stedenbouwkundige bezwaren. Voor de woningen aan de Vincentiusstraat dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. De geluidsbelasting ten gevolge van de spoorweg bedraagt maximaal 50 dB.

Hier vindt geen overschrijding plaats van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB. Voor de Brugstraat en de Vincentiusstraat is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is in november 2021 (zie bijlage 20 bij deze toelichting) nog nader specifiek onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan Groot Mariadal op de woningen aan de Kloosterstraat. De akoestische effecten zijn getoetst ter plaatse van deze langs de Kloosterweg gelegen woningen. Naast de adressen van de indieners is de geluidbelasting tevens bepaald op de andere geluidgevoelige adressen langs deze straat. De geluidbelasting is berekend in de autonome situatie (2030) en de plansituatie (2030). De berekende geluidbelasting van alle wegen samen incl. reductie ex art. 110g Wgh is eveneens weergegeven in bijlage 20. Uit de vergelijking van de autonome situatie (2030) met de plansituatie (2030) volgt dat de toename van de 64

geluidbelasting maximaal 1,17 dB is. Dit is geen significante toename, waardoor de ontwikkelingen van het bestemmingsplan Groot Mariadal geen belemmering vormen. 4.7.3. Conclusie Voor de Kloosterhof en klooster Mariadal dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Brugstraat en de Vincentiusstraat een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd. Tevens dient voor de woningen aan de Vincentiusstraat het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.

65

4.8. Bodem 4.8.1. Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. 4.8.2. Onderzoek Verkennende en aanvullend bodemonderzoeken Door Wematech Bodem Adviseurs B.V. is in mei en juni 2018 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor de kloosterlocatie.

Voor de scholenlocatie en de locatie van de huidige parkeerplaats zijn bodemonderzoeken verricht door TerraMilieu. Hieronder worden de conclusies beschreven. De volledige rapportages zijn opgenomen als de bijlagen 4, 5 en 6 opgenomen. Locatie Klooster Mariadal Bij de uitgevoerde grondboringen zijn verdeeld over het terrein sporen tot zwakke bijmengingen met baksteen aangetroffen tot circa 100 cm-mv. Rondom het klooster zijn eveneens zwakke bijmengingen met baksteen waargenomen. Enkele boringen zijn gestaakt. Bij het pad vanaf de Vincentiusstraat is een laag met kolengruis aangetroffen. Bij de inkaderende boringen zijn sterke bijmengingen met grind, baksteen en stenen waargenomen. Bij de inkaderende boringen (200 en 202) rondom boring 15 zijn in de ondergrond matige bijmengingen met baksteen, puin en laagjes beton waargenomen. Grond Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met kwik, lood, zink en PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Ter plaatse van boring 51 (50-70), met kolengruis, is de grond matig verontreinigd met kobalt en koper en sterk verontreinigd met barium en nikkel. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat de omliggende grond maximaal licht verontreinigd is met lood, kwik en zink. Naar alle waarschijnlijkheid hangen de verontreinigingen samen met de bijmenging met kolengruis.

De omvang van de verontreiniging is voldoende in beeld gebracht en omvat een oppervlakte van circa 20 m2 in een laagdikte van circa 0,2-0,3 m. Geconcludeerd kan worden dat uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat rondom de boring 15 de grond licht verontreinigd is met kwik. 66

Uit het (indicatief) onderzoek naar asbest in de bodem bij de boringen A13 en A29 blijkt dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen en plaatselijk licht verontreinigd met lood, som xylenen en tetrachlooretheen. De oorzaak van het licht verhoogde gehalte tetrachlooretheen is niet bekend. In de omgeving is geen bron van verontreiniging aan te wijzen. Hergebruik grond Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond, afhankelijk van locatie van vrijkomen, voldoet aan achtergrondwaarden grond of klasse wonen grond. De ondergrond voldoet, afhankelijk van locatie van vrijkomen, aan achtergrondwaarden grond of klasse industrie grond. Ter plaatse van boring 15 en 51 is de grond niet toepasbaar c.q. niet geschikt voor hergebruik. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Advies Bodem Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant De gemeente Roosendaal heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) om een quickscan gevraagd om de milieutechnische haalbaarheid aan te geven van de herontwikkeling in het plangebied Mariadal. Als bijlage 7 is het advies voor het aspect bodem opgenomen. Hieronder worden de aanbevelingen van de OMWB genoemd.

Met de in het rapport opgenomen conclusie en aanbevelingen van Wematech Bodem Adviseurs B.V. kan de OMWB instemmen. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de functie Wonen. In aanvulling op het bodemonderzoek adviseert de OMWB het volgende: 1.

Bij gevoeliger functies (moestuin, kinderverblijfplaatsen) dienen de lichte verontreinigingen met zware metalen (o.a. lood en kwik) getoetst te worden aan de van toepassing zijnde RIVM en GGD richtlijnen. Advies: Deze toetsing kan opgedragen worden aan een milieuadviesbureau.

2.

Het blijkt dat over het gehele terrein tot ongeveer 1 m-mv bodemvreemde bijmengingen voorkomen. In 10 van 56 boringen wordt op ± 1 m-mv op een onbekende harde laag gestuit (beton, puin?). In geen van de geraadpleegde bronnen wordt hier een verklaring voor gegeven. Mogelijk is het terrein in het verleden opgehoogd en vormt de aangetroffen puin of beton op 1 m-mv het oorspronkelijke maaiveld. Gezien de ouderdom van die verhardingen zijn deze mogelijk niet asbestverdacht. Indien bij toekomstige werkzaamheden (ondergrondse parkeergarage e.d.) er een reële kans is dat door deze verhardingslaag gegraven moet worden, verdient het aanbeveling deze vooraf te laten onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van asbest. Dat geldt ook voor de puinhoudende grond in boring 102, 200 en 202. Advies: Dit onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van asbest in puin kan opgedragen worden aan een milieuadviesbureau.

3.

Het wordt geadviseerd, dat bij ontgraven en afvoeren van de sterk verontreinigde grond bij boring 51 (± 10 m3) de aannemer bij afgifte van de grond een acceptatiebewijs van een erkend verwerker eist en deze aan de gemeente Roosendaal overlegd als bewijs van gescheiden afvoer. 67

4.

Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken en/of bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient rekening te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

Scholenlocatie Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bovengrond verhogingen van diverse zware metalen, PCB’s en PAK’s zijn aangetroffen. In de ondergrond worden kwik en lood verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater is tijdens de eerste monstername een interventiewaarde verhoging van kwik aangetroffen. Na herbemonstering bleek er echter geen kwik meer in het grondwater aanwezig te zijn. Er werden enkel streefwaardeverhogingen van barium en naftaleen aangetroffen. Indicatieve toetsing Besluit Bodemkwaliteit Wanneer er in de toekomst grond van de locatie wordt afgevoerd moet er een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit (protocol 1001) worden uitgevoerd. Vooruitlopend op een mogelijke partijkeuring zijn de resultaten van dit bodemonderzoek indicatief beoordeeld op de verwachte toepasbaarheid. Zowel de boven- als de ondergrond valt indicatief in de kwaliteitsklasse ‘achtergrondwaarde’. Een enkel separaat monster met koolas bijmenging valt in de klasse ‘industrie’, maar dit separate monster geeft geen representatief beeld van de mogelijke partij. Conclusie scholenlocatie De locatie kan niet meer als onverdacht worden beschouwd.

Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Op basis van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het huidige en/of het toekomstige gebruik van de locatie. Locatie huidige parkeerplaats achter het stadskantoor Op basis van analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond verhogingen van minerale olie ten opzicht van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. In het grondwater worden geen van de onderzochte parameters verhoogd ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Indicatieve toetsing Besluit Bodemkwaliteit Wanneer er in de toekomst grond van de locatie wordt afgevoerd moet er een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit, protocol 1001 worden uitgevoerd. Vooruitlopend op een mogelijke partijkeuring zijn de resultaten van het bodemonderzoek indicatief beoordeeld op de verwachte toepasbaarheid. De bovengrond valt indicatief in de kwaliteitsklasse ‘industrie’. Dit komt vanwege een minimale verhoging van minerale olie in de bodem. De ondergrond wordt indicatief getoetst als klasse ‘achtergrondwaarde’. Conclusie huidige parkeerplaats De locatie kan niet meer als onverdacht worden beschouwd.

Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Op basis van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het huidige en/of het toekomstige gebruik van de locatie. 4.8.3. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan Groot Mariadal. 68

4.9. Water 2.9.1. Onderzoek Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Brabantse Delta. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig wat een direct belang heeft voor de omgeving. Er is wel een geïsoleerde vijver aanwezig naast de toekomstige locatie van de Stroomgaard. De vijver wordt gevoed door het grondwater. Deze vijver heeft een oppervlakte van 1272 m2. Het plangebied ligt in het stroomgebied van de Molenbeek. De Molenbeek ligt aan de andere zijde van de spoorlijn, ten westen van Centrum Noord. De Molenbeek mondt uit in de Roosendaalse Vliet. Waterveiligheid In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Dit levert dus geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Rioolstelsel In het gehele gebied van Centrum Noord is een gemengd rioleringsstelsel aanwezig. Grondwater Conform de milieuverordening van de provincie Noord-Brabant ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Omdat het plangebied zich in stedelijk gebied bevindt zijn er geen gegevens bekend over de grondwaterstanden op basis van de bodemkaart. Om deze reden heeft de gemeente Roosendaal een monitoringsnetwerk voor grondwater. In Centrum Noord, waar dit plangebied onderdeel van is, komen regelmatig hoge grondwaterstanden voor.

Bodemopbouw De regionale bodemopbouw van de diepere ondergrond is op basis van het geohydrologisch model REGIS II versie 2.1 in beeld gebracht:

69

Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het plangebied is in de huidige situatie gedeeltelijk verhard. In de toekomst zal dit in principe toenemen door de extra woningen die gerealiseerd gaan worden en door de aan te leggen verharding. Achter het stadskantoor verdwijnt de huidige parkeerplaats. Hiervoor komen wonen terug, maar ook groen en water. Het laatste is positief voor de waterhuishouding. In de tuin van Mariadal wordt de huidige waterpartij vergroot. Door de toepassing van groene daken en het zoveel als mogelijk realiseren van open verharding is de uiteindelijke totale toename van verhard oppervlak beperkt. Door de sloop van scholen en het toepassen van groene daken kan de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie worden verbeterd. Door in het plein bij de Kloosterstraat (tussen appartementen en het stadskantoor) open verharding, nieuwe oppervlaktewater en veel groen te introduceren zal ook hier positief worden bijgedragen aan de bergingscapaciteit. Hoofduitgangspunt voor de waterhuishouding van Groot Mariadal is het minimaal hydrologisch neutraal ontwikkelen van het plangebied. Vanuit de wet en regelgeving is compensatie benodigd wanneer er tussen de 500 m2 en 10.000 m2 aan verharding wordt toegevoegd. De volgende rekenregel is van toepassing: toename verhard opp. x gevoeligheidsfactor x 0,06 m3.

Het verhard oppervlak neemt met 3.465 m2 toe en de gevoeligheidsfactor is 1. De benodigde compensatie is dus 3465 x 1 x 0,06 m3 = 208 m3. We hebben een oppervlakte van 2.690 m2 open water waarin, uitgaande van een peilstijging van 0,30 m, ongeveer 800 m3 kan worden geborgen. Daarmee kan worden voldaan aan de vereisten uit de Keur.

70

Afbeelding 4.7: oppervlaktes

Afbeelding 4.8: kaart oppervlaktes huidige situatie

71

Afbeelding 4.9: kaart oppervlaktes toekomstige situatie

Vertaling projectuitgangspunten gemeentelijk beleid (zie paragraaf 2.4.8.) In paragraaf 2.4.8 zijn de uitgangspunten, de kansen en de mogelijkheden vanuit het gemeentelijk beleid geformuleerd. Eén van meeste bepalende nieuwe uitgangpunten is de bergingsopgave waarbij 60 mm water over het gehele oppervlakte op het terrein opgevangen moet kunnen worden. Deze norm is strenger dan de norm die elders wordt gehanteerd. Dit betekent dat in totaal 4.281 m3 water (= 71.348 m2 . 60 mm) op het terrein (inclusief de oppervlakte van het Huis van Roosendaal) geborgen moet kunnen worden. Om dit mogelijk te maken kunnen in het plan de volgende instrumenten worden opgenomen. - Peilopzetting (waterberging in het oppervlaktewater) De mogelijkheid voor berging wordt oppervlaktepeilopzetting (0,50 meter). Dit 0,20 meter meer dan is gehanteerd bij de oppervlakte berekeningen (zie eerder). Een peilopzetting van de omvang is wel mogelijk. - Waterberging onder het parkeerterrein/nieuwbouw op basis van argexkorrels De korrels bieden een 68% effectieve berging (45% tussen de korrels en 43% in de korrels zelf). - Waterberging in koker. De koker is nu 212 meter lang en heeft een oppervlakte van 3,46 m2. Dit biedt goede mogelijkheden voor waterberging. De vraag is hoeveel hiervan kan worden benut. De maatregelen gezamenlijk moeten kunnen zorgen voor voldoende worden waterberging.

Omdat er nog geen inrichtingsplan is uitgewerkt is de maatvoering van de verschillende maatregelen nog niet te geven. Meer oppervlaktewater betekent bijvoorbeeld dat de bergende capaciteit van de koker niet volledig benut behoeft te worden. De exacte uitwerking zal daarom parallel lopen met de uitwerking van het inrichtingsplan. Eerste globale berekeningen tonen aan dat aan de gevraagde waterberging ruim kan worden voldaan. 72

Om de waterhuishouding optimaal te regelen zijn een aantal kansen en mogelijkheden verkend die bij de uitwerking van het waterhuishoudingsplan kunnen worden toegepast.. Dit zijn: -

-

De beschikbare bergingen getrapt vol laten lopen bij een neerslagoverschot. Water wordt opgevangen op de verharding en loopt over het maaiveld naar de dichtstbijzijnde watergang, of infiltreert via de waterdoorlatende verharding (of kolken) naar een onderliggende infiltratiepakket . Het (overtollige) oppervlaktewater via een stuw in de koker laten lopen. Het plaatsen van een gemaal in de koker, dat bij regenval het neerslagoverschot of het overtollig grondwater verpompt naar de overkluizing in de Brugstraat. Het afvalwater in het plangebied wordt verzameld en richting het gemengde stelsel in de Vincentiusstraat gepompt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1157/documents/31501