CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting-regels-verbeelding Groot Mariadal.pdf

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Raadsvoorstel 68 Vaststelling bestemmingsplan Groot Mariadal34.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bij de lijst van harde plancapaciteit wordt vooral gestuurd op een snelle productie. Bij de lijst van mogelijke ontwikkellocaties wordt strategisch gestuurd op hoe deze locaties het beste een bijdrage kunnen leveren aan het woonbeleid. De woningbouwprogrammering heeft 19

geen directe juridische status. De aantallen woningen die bij elke locatie zijn genoemd zijn indicatief. Aan vermelding op de lijst van ontwikkellocaties kunnen betrokken partijen eveneens geen rechten ontlenen. De woningbouwprogrammering vormt een deel van de onderbouwing voor de ladder van duurzame verstedelijking. Hoe wordt de woningbouwprogrammering opgebouwd? Wanneer wordt een locatie in de woningbouwprogrammering opgenomen? -

-

-

-

-

-

Een belangrijk uitgangspunt is dat Roosendaal niet méér gaat plannen dan de provinciale prognoses en de afspraken in het RRO. De harde plancapaciteit bedraagt niet meer dan 70% van de toename aan de voorraad. In de planning wordt rekening gehouden met een continue realisatie van circa 25 woningen per jaar binnen de bestaande planologische mogelijkheden. Dit wordt onder de harde plancapaciteit gerekend. Daar boven op wordt rekening gehouden met circa 25 woningen zachte plancapaciteit per jaar voor het transformeren van bestaand vastgoed. Bij voorkeur leegstaand vastgoed. Dit opent bijvoorbeeld opties voor ontwikkelingen in de binnenstad. Kwalitatief stuurt de woningbouwprogrammering op de differentiatie. Deze aansturing is zowel kwalitatief, als ruimtelijk als tijdgebonden. Toevoegingen van bouwplannen van minder dan vijf woningen is, bij collegebesluit, gemandateerd aan de ambtelijke organisatie. Er is ruimte voor particulier initiatief wanneer deze voldoet aan onze doelstellingen van de Woonagenda. Verzorgingshuisplekken kunnen een op een worden omgezet naar reguliere woningen. Dit is vastgelegd in afspraken over de BAG in het RRO. Dit is ook logisch omdat het Rijk de scheiding tussen wonen en zorg heeft aangebracht. Met een afnemende groei van de woningvoorraad zal het resterend nieuwbouwprogramma strategisch moeten worden ingezet, met sturing op de toekomstige voorraad.

Denken als een belegger. Dit proces vraagt om een goede afstemming met marktpartijen Nieuwbouwproducten moeten tevens waarde toevoegen aan hun omgeving en de identiteit van het dorp of stad versterken. De cultuurhistorie en stedenbouwkundige context van de omgeving moet worden gebruikt. Appartementen worden veelal in de bestaande voorraad of in bestaand leegstaand vastgoed gerealiseerd. De gemeente is terughoudend met nieuwbouwappartementen. In het bestaand bebouwd gebied is relatief weinig grond beschikbaar voor grondgebonden woningen en vrije sector kavels. Waar mogelijk krijgen deze marktsegmenten voorrang.

Locaties in gemeentelijk eigendom, die als woningbouwlocatie uitermate geschikt zijn, hebben, vanuit het beleid gezien, een primaire voorkeur vanwege het sturende karakter op de hierboven genoemde criteria. De toename van het aantal woningen in (of nabij de binnenstad) draagt bij aan de vitaliteit van de binnenstad. Conclusie Het woningbouwprogramma voor Groot Mariadal is door het college geaccordeerd en past binnen de bestaande beleidskaders. 2.4.5. Gemeente Verkeers- en vervoersplan 2015-2025 ‘Knooppunt Roosendaal’ Algemeen Het gemeentelijke verkeer- en vervoersbeleid is het beleids- en toetsingskader voor de gewenste ontwikkelingen op het gebied van verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal tot 2025. Het geeft de kaders waarbinnen verkeersprojecten worden gedefinieerd en geprioriteerd en verkeersbeleid in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd. 20

In 2025 is het verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal schoner, stiller, zuiniger en slimmer. De positie van de gemeente Roosendaal in het landelijke netwerk is sterker en robuuster. Voor de inwoners, ondernemers en bezoekers zijn Roosendaal optimaal bereikbaar, waarbij wordt ingezet op een breed palet aan vervoerswijzen. Multimodaal is een sleutelbegrip en een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van Roosendaal. De inhoudelijke hoofddoelstelling van het GVVP is: ‘Het bevorderen van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dat noodzakelijk is voor sociaaleconomische activiteiten, waarbij alle vormen van verkeershinder zoveel mogelijk worden beperkt’. Deze algemene hoofddoelstelling wordt aangescherpt door drie kaders: A. Verduurzaming; B. Innovatie; C. Regionale netwerk versterking. Deze drie kaders geven sturing aan de wijze waarop de hoofddoelstelling wordt ingevuld. Hieronder een korte toelichting op de beleidskoers. Ad. A: Verduurzaming Lopen en fietsen zijn de meest schone en stille manieren om te verplaatsen. Het lokale leefklimaat en de bereikbaarheid verbetert door hier meer op in te zetten. Deze focus op duurzame mobiliteit wordt concreet vertaald door hier prioriteit aan te geven bij opgaven en ontwikkelingen in de stad en dorpen. Daarnaast is het wenselijk dat het gemotoriseerde verkeer schoner, stiller en zuiniger wordt.

Door het elektrisch rijden beter te faciliteren kan de verduurzaming lokaal worden versterkt. Ad. B: Innovatie Door toepassing van nieuwe slimme (‘smart’) technieken kunnen verkeersproblemen in de toekomst worden voorkomen. Het wegennet wordt beter en efficiënter benut waardoor fysieke en kostbare maatregelen niet noodzakelijk (meer) zijn. Deze ict-technieken worden zowel bij voertuigen als in de infrastructuur toegepast. Auto’s gaan meer en meer ‘communiceren’, zowel onderling als met hun omgeving. Deze slimme mobiliteitsoplossingen zorgen voor beter doorstroming van het verkeer, voor toename van de verkeersveiligheid (afname ongevallen) en voor verbetering van het leefmilieu. Ad. C: Regionale versterking De positie van Roosendaal in het (boven)regionale en landelijke netwerk moet worden versterkt door het ontwikkelen en verbinden van economische toplocaties, hoog stedelijke zones en multimodale knooppunten en het verbeteren van de fysieke en/of functionele verbindingen met andere stedelijke regio’s. Het gaat hierbij over de afstemming binnen de thema’s als ruimte, verstedelijking, werken, natuur en verkeer en vervoer. Dit is goed voor de werkgelegenheid en het woonklimaat. Bedrijven vestigen zich immers op plekken die goed ontsloten zijn en daar waar veel potentiële arbeidsplaatsen binnen bereik liggen.

En, mensen wonen graag op een plek waar werkgelegenheid en goede voorzieningen binnen acceptabele afstand en tijd bereikbaar zijn. Knooppunten in het netwerk, zoals bijvoorbeeld het stationsgebied en multimodale overslagpunten aan water en spoor (logistiek) hebben in het netwerk een belangrijke positie. BTB-PROOF Via een Amendement heeft de gemeenteraad bij de vaststelling een extra uitgangspunt toegevoegd aan het GVVP. Dit uitgangspunt luidt: “Dat Roosendaal BTB-proof moet zijn, een Bereikbaar, Toegankelijk en Bruikbaar Roosendaal voor alle verkeersdeelnemers en gebruikers van de openbare ruimte zoals fietsers,

21

rolstoelrijders, scootmobielers, doven, slechtzienden of mensen met een andere lichamelijke beperking. Zoals bijvoorbeeld op de routes van, naar en dóór de binnenstad.” Bovenstaande doelstellingen, beleidskaders, procestappen en participatietraject hebben geleid tot de formulering van 18 concrete hoofdopgaven. Deze hoofdopgaven zijn benoemd in het GVVP 2015 – 2025. 2.4.6. Beleidsnota Toekomst voor het verleden De beleidsnota 'Toekomst voor het verleden' (vastgesteld in 2007) is een integrale nota over alle aspecten van de fysiek-ruimtelijke aspecten van de cultuurhistorie: - monumentale gebouwen; - historische stedenbouw (structuren); - archeologie; - historisch groen. Deze nota vormt het uitgangspunt van het College voor de uitvoering van de daarin neergelegde beleidsvoornemens. De nota omvat alleen tastbare cultuurhistorische waardevolle aspecten in of bovenop de bodem van de gemeente Roosendaal. Deze aspecten kunnen bestaan uit (delen van) gebouwen, archeologische vondsten, waardevolle archeologische gebieden en vanuit cultuurhistorische overweging waardevol groen, zoals monumentale bomen of historische parken. Het gaat dus niet in op de roerende zaken zoals museale stukken en niet op klederdrachten, dialecten, kunst- en cultuuruitingen en dergelijke. Monumenten en ruimtelijke kwaliteitszorg Monumentenzorg is nauw verweven met andere beleidssectoren.

Een gebouw vormt altijd een onderdeel van een stads- of dorpsbeeld. Zonder de omgeving verliest een gebouw veel van zijn monumentale waarde. Stedelijke structuren, historische verkavelingen en stratenpatronen zijn belangrijk. Dit leidt tot het volgende belangrijke uitgangspunt van deze monumentennota: De komende jaren wil de gemeente zich meer gaan toeleggen op de samenhang van het monument en de omgeving waarin het monument gesitueerd is. Dit betekent niet, dat individuele bescherming van monumenten niet meer aan de orde is, maar dat meer aandacht wordt geschonken aan de omgeving van het monument. Ook zal méér aandacht worden geschonken aan stedenbouwkundige structuren. De gemeente Roosendaal bezit momenteel 79 rijksmonumenten (inclusief complexen) en circa 300 gemeentelijke monumenten. In het plangebied zijn diverse rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig. Archeologie De dynamiek in de vorm van bouwlocaties, infrastructurele werken en intensivering van de landbouw maakt dat het bodemarchief onder druk staat. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) heeft berekend dat bijna een derde deel van de archeologische vindplaatsen in de laatste vijftig jaar door bodemingrepen is verdwenen, terwijl maar 2% daarvan is onderzocht. Mede om die reden werd in 1992 door de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta (ook wel Malta genoemd) ondertekend.

De archeologische bescherming wordt geregeld op basis van een stelsel van archeologische aandachtsgebieden met indicaties van (lagere of hogere) waarden. De provincie heeft een Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant opgesteld met een waardering van mogelijke archeologische gebieden waarvan de bescherming in het bestemmingsplan middels een aanlegvergunning geregeld dient te worden. Aangezien de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed wordt gedecentraliseerd, dienen de gemeenten binnen dit kader hun eigen beleid te ontwikkelen. 22

Roosendaal heeft geen eigen dienst of een specifieke archeologiemedewerker. Om toch voldoende geëquipeerd te zijn met deskundigheid is de gemeente in 2007 een samenwerkingsverband aangegaan met de gemeente Bergen op Zoom. Ook is in de beleidsnota de wens uitgesproken te komen tot een archeologische waardenkaart. De informatie die daaruit wordt verzameld, geeft een gemeentedekkend overzicht over het archeologische erfgoed in de gemeente. De archeologische waardenkaart maakt onderdeel uit van de cultuurhistorische waardenkaart. Historisch groen Er is een gemeentedekkend overzicht van monumentale bomen in Roosendaal. Er staan ongeveer 240 bomen staan op deze lijst. Deze inventarisatie is uitstekend geschikt om 1 op 1 bomen tot ‘historisch groen’ te bestempelen en als zodanig waarde aan toe te kennen. Alle monumentale bomen die op de gemeentelijke lijst staan, zijn beschermd. Deze bomen mogen niet gekapt worden. Recentelijk is de waardevolle bomenkaart aangevuld.

Afbeelding 2.1. Uitsnede Roosendaalse Bomenkaart met daarop de beschermde bomen in de kloostertuin (zie ook paragraaf 3.1.3)

Cultuurhistorische Waardenkaart Een Cultuurhistorische Waardenkaart is een onmisbaar instrument om in een oogopslag een groot aantal waardevolle cultuurhistorische gegevens beschikbaar te hebben. In navolging van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant is ook door de gemeente Roosendaal een Cultuurhistorische Waardenkaart voor het gemeentelijk grondgebied opgesteld. Deze kaart biedt ook onmisbare informatie bij het realiseren van bouwprojecten en de cultuurhistorische paragraaf in toelichtingen van bestemmingsplannen. De cultuurhistorische waarden en de wijze waarop hiermee rekening wordt gehouden is beschreven in de hoofdstukken 4 en 5. Behoud en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden is een essentieel onderdeel van de kwaliteit van de planvorming.

23

2.4.7. Welstandsnota De welstandsnota Roosendaal 2012 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij aanvragen omgevingsvergunning.. Het bestuur gaat in de nota en het daarin omschreven beleid uit van een grote eigen verantwoordelijkheid van de burger, die voldoende ruimte moet krijgen voor eigen initiatief. In de nota wordt een groot deel van de gemeente minimaal getoetst op welstand. Het doel is in deze gebieden slechts het voorkomen van excessen. Tegelijkertijd leeft de wens enige grip te houden op de gebieden (en routes) die het gezicht van de gemeente bepalen en/of een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. In de welstandsnota Roosendaal 2012 zijn de criteria voor de kleine bouwwerken vereenvoudigd, waar mogelijk samengevoegd en waar nodig aangepast aan de wettelijke (vergunningsvrije) mogelijkheden. Tevens zijn de criteria waar mogelijk positief geformuleerd. Het gebiedsgerichte beleid is efficiënter ingedeeld, de gebieden zijn gestroomlijnd door ze terug te brengen naar 4 hoofdtypen. Nieuwe ontwikkelingen zijn voor zover mogelijk in de gebieden opgenomen, waarbij de hiervoor opgestelde beeldkwaliteitsplannen uitgangspunt zijn geweest. In de meeste woongebieden, groen en parken stelt de gemeente zich wat welstand betreft zeer terughoudend op en laat veel ruimte voor particulier initiatief.

Daarnaast zijn diverse bedrijventerreinen gezien hun ligging welstandsvrij met uitzondering van de enkele (snel)wegpanorama's. In de kernen, enkele linten, vroege uitbreidingen en het buitengebied is het redelijk om (gewoon/bijzonder) welstand in te zetten vanwege het belang voor het aanzien van de gemeente. Dit geldt ook voor erfgoed in en bovengemiddeld zichtbare delen van de gebieden, zoals langs spoor en snelweg, waar verder weinig welstandseisen gelden. Het plangebied valt in z’n geheel in ‘bijzonder welstandsgebied’.

Figuur 2.2: het plangebied valt in z’n geheel in bijzonder welstandsgebied (oranje kleur).

Het kloostercomplex wordt daarbij gezien als ‘Vroegstedelijk weefsel’. De Kloosterstraat, inclusief het Stadserf, valt in de categorie ‘Kernen (centrum)’. 24

Figuur 2.3: Het kloostercomplex valt in het gebied ‘Vroegstedelijk weefsel’ (oranje/ bruin). Kloosterstraat en Stadserf vallen binnen het gebied ‘Kernen’ (bruin). De zwarte omlijning geldt voor de Molenstraat en valt buiten het plangebied.

In de Welstandsnota wordt ten aanzien van de binnenstad het volgende gesteld: Centrum Roosendaal Het historische zwaartepunt van Roosendaal ligt rond de Markt en de oude uitvalswegen naar Breda, Zundert en Bergen op Zoom. Het stadshart is in de loop der tijd bebouwd met panden van wisselende kwaliteit. Naast de historische bebouwing staan er diverse recentere panden en complexen. Het gebied bestaat onder andere uit de bebouwing aan (een deel van) de Kade, Markt, Molenstraat, Raadhuisstraat, Dominéstraat, Nieuwe Markt, Laan van België en Nispensestraat. De wegen en pleinen worden gevormd door vrijwel aaneengesloten, pandsgewijs opgebouwde straatwanden. De rooilijn van de bebouwing volgt de weg en heeft kleine verspringingen. Bij rijen is de rooilijn in samenhang. Bebouwing is bij voorkeur georiënteerd op de weg. De bebouwing grenst veelal direct aan de openbare ruimte. Aan en in de omgeving van de Markt en Nieuwe Markt bepalen winkels en horeca het straatbeeld, op de verdiepingen wordt gewoond. De historische bebouwing heeft veelal twee, soms drie, lagen met variërende kappen en een fijne architectuur. Een deel van de woonhuizen is in de loop der tijd meermaals aangepast en gewijzigd. De gevels van de begane grond zijn vaak vervangen door winkelpuien, die soms over meerdere panden doorlopen en met hun luifels de oorspronkelijke gevelbreedte laten verdwijnen.

Enkele recentere panden zijn niet alleen breder maar ook hoger en soberder in architectonische uitwerking dan de rest van de straatwand. De materialen en kleuren zijn in het algemeen traditioneel. Gevels zijn van baksteen, soms geverfd of gepleisterd in een lichte tint en de kap is gedekt 25

met keramische pannen of leien. Kozijnen zijn gewoonlijk uitgevoerd in geschilderd houtwerk. De begane grondlaag van voorzieningen, winkels en bedrijven is vaak voorzien van panelen, afwijkende kleuren en reclameuitingen. Waarde De waarde van het gebied is vooral gelegen in het afwisselende beeld van de gegroeide structuur met variërende bebouwing aan stenige straten. Diverse panden zijn door hun vorm en positie cultuurhistorisch waardevol. Een deel hiervan is aangewezen als monument. Uitgangspunten Het beleid is gericht op het behoud van de aanwezige historische kwaliteiten, zoals het gegroeide en kleinschalige karakter. Variatie zonder verrommeling is uitgangspunt. Bij de advisering wordt onder meer aandacht geschonken aan de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. In het vernieuwde deel is het beleid gericht op behoud van het afwisselende beeld zonder grote dissonanten tussen gebouwen. Hier wordt bij de advisering onder meer aandacht geschonken aan het behoud van samenhang in het afwisselende straatbeeld op het niveau van de architectonische uitwerking en in het gebruik van materiaal en kleur.

Voor het vroegstedelijk weefsel vermeldt de welstandsnota het volgende: Vroegstedelijk weefsel Het vroegstedelijk weefsel van Roosendaal heeft gevarieerde, kleinschalige (sommige complexen uitgezonderd) bebouwing uit diverse periodes in een gegroeide en compacte structuur met als basis het individuele pand met een kleinstedelijk tot dorps karakter. Het weefsel heeft meerdere sferen, die deels in elkaar overlopen. Het grootste deel bestaat uit lintbebouwing in veelal onderbroken straatwanden langs stenige tot groeten straten. Verspreid over het gebied komen enkele gebouwen met andere functies voor, zoals het station, de watertoren, kerken en kloosters. Deze bijzondere bebouwing staat vrij op de kavel en wijkt af in opbouw en vormgeving. Waarde De waarde is vooral gelegen in het afwisselende beeld van de gegroeide structuur met variërende bebouwing in langs in profiel en stenigheid variërende straten. Diverse panden zijn door hun vorm en positie cultuurhistorisch waardevol. Een deel, waaronder het klooster, is aangewezen als (Rijks-)monument. Uitgangspunten Het beleid is terughoudend en gericht op behoud en van variatie zonder verrommeling. Waar het karakter statig is, is behoud hiervan het uitgangspunt. Bij de advisering zal onder meer aandacht geschonken worden aan het behoud van het gegroeide kleinschalige karakter, zonder wijzigingen en nieuwe onmogelijk te maken.

Individualiteit en zorgvuldigheid zijn belangrijk. Groot Mariadal heeft vanwege het bijzonder karakter een eigen beeldkwaliteitsplan Bij de beoordeling van de tenderplannen voor het kloostercomplex Mariadal is indertijd een apart advies opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De welstandsnota is hiervoor niet als basis gebruikt. Aan de herstructurering van Mariadal is de aparte status toegekend. Bij de uitwerking van het plan is rekening gehouden met het advies van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE) en het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). De ontwikkeling van Groot Mariadal vergt ook een bijzondere afweging die vraagt om extra aandacht en de samenhang tussen de onderdelen van het plan bewaakt. Dat geldt zowel voor de gebouwen als voor de 26

monumentale tuin. Voor Groot Mariadal is daarom een apart beeldkwaliteitsplan opgesteld. Voor de kloostertuin is een tuinhistorische onderzoek (april 2020; Land+ Cultuurhistorisch advies) verricht om de richtlijnen voor het aspect beeldkwaliteit voor de tuin te borgen. Het beeldkwaliteitsplan voor Groot Mariadal en het tuinhistorisch onderzoek van de kloostertuin zullen gezamenlijk de bestaande waarden vastleggen en borgen een evenwichtige ontwikkeling. Het beeldkwaliteitsplan voor Groot Mariadal en het tuinhistorisch onderzoek van de kloostertuin vormen het welstandskader voor dit plan. Beide plannen zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. 2.4.8. Erfgoedkaart gemeente Roosendaal In 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders -voortvloeiend uit de beleidsnota Toekomst voor het verleden- de Erfgoedkaart vastgesteld. Wat is de erfgoedkaart? 1. De erfgoedkaart is een dynamisch document met informatie inzake cultuurhistorie: het is een verzameling van gegevens die deels al beschikbaar zijn, maar erg verspreid, waardoor het overzicht ontbreekt. Het gaat om de volgende gegevens: archeologie, historisch-geografische elementen en structuren, historische stedenbouw (structuren, rijks- en gemeentelijke monumenten). 2. Het document is van belang voor het nemen van ruimtelijke beslissingen, het opstellen van structuurvisies en bestemmingsplannen.

Het is een afwegingskader waarbij het aspect cultuurhistorie in brede zin bij ruimtelijk ordeningsbeleid betrokken wordt. Het belang van de erfgoedkaart dient bezien te worden in het licht van landelijke ontwikkelingen. Aandacht voor cultuurhistorie in bestemmingsplannen en de wijze waarop daarmee bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden wordt, heeft een relatie met het door de vorige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in gang gezette project MoMo (modernisering monumentenzorg). Kenmerkend voor MoMo is een integratie van monumentenbeleid/cultuurhistorie met ruimtelijke ordening. Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument waarin aandacht geschonken dient te worden aan en bescherming dient plaats te vinden van cultuurhistorische waarden. Inhoud van de erfgoedkaart De erfgoedkaart bestaat uit een aantal kaarten en een verklarende en beschrijvende toelichting. In de inleiding van de erfgoedkaart wordt aangegeven dat het product niet alleen een inventarisatie betreft van de binnen de gemeente aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden, maar ook een waardering bevat.

Ook wordt aangegeven dat de gemeente beleid zal maken (mede) op basis van de gegevens van de cultuurhistorische inventarisatie en waardering. Deels gebeurt dit trouwens al, omdat de gemeente beschikt over een (rijks- en gemeentelijke) monumentenlijst en een lijst met beschermde bomen. In de Erfgoedverordening zijn de ondergrenzen voor de noodzaak voor archeologisch onderzoek vastgesteld. Bestemmingsplannen dienen te worden voorzien van een archeologische paragraaf in de toelichting en een doorvertaling van relevante archeologische waarden in de regels. Voor dit plangebied van Groot Mariadal is geconstateerd dat het plan geen archeologische waarden heeft. Deze zijn dan ook niet vertaald in de regels en in de verbeelding. In hoofdstuk 2 van de erfgoedkaart wordt een exposé gegeven van de wording en het gebruik van het landschap. Daarbij wordt ook ingezoomd op de invloed van de mens op het landschap in de verschillende perioden van de geschiedenis. Daarbij komen aan de orde: de agrarische bedrijfsvoering, de turfwinning, de infrastructuur, de religieuze artefacten, nijverheid en industrie. 27

In de hoofdstukken 3 en 4 van de erfgoedkaart wordt ingegaan op archeologie. Daarbij worden in hoofdstuk 3 vooral de reeds aanwezige (geregistreerde) waarnemingen en vondstmeldingen bij elkaar gezet, waarna in hoofdstuk 4 de archeologische verwachtingenkaart wordt toegelicht. De basis van deze verwachtingenkaart is het geomorfologische landschap gecombineerd met de historische geografie. Opgemerkt wordt dat de archeologische verwachtingskaart in de nabije toekomst zeker nog verfijnd zal moeten worden. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de historisch-geografische structuren en de historische groenstructuren. De verschillende interessante gebieden en objecten worden benoemd, in het kort beschreven en gewaardeerd (redelijk hoog-hoog-zeer hoog). Daarnaast zijn opgenomen: de rijksmonumenten alsmede de gemeentelijke monumenten en de monumentale bomenlijst. De Erfgoedkaart bevat daarmee een totaal inzicht in de bekende archeologische, historisch-geografische en historisch bouwkundige waarden en biedt daardoor een goed fundament van cultuurhistorische en archeologische gegevens die kunnen dienen als één van de onderzoeksmomenten bij het nemen van ruimtelijke beslissingen. Op deze wijze wordt reeds geanticipeerd op de verdere uitvoering van de MoMo (modernisering monumentenzorg).. Opgemerkt wordt dat de kaart een dynamisch karakter heeft. Dit geldt met name ook voor het aspect archeologie.

Weliswaar bevat de kaart een archeologische verwachtingskaart, maar dat betekent niet dat daarmee het aspect archeologie definitief en voor altijd is vastgelegd. De gemeente heeft sinds september 2007 een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Bergen op Zoom. De archeoloog van Bergen op Zoom levert binnen het kader van deze overeenkomst in opdracht van de gemeente voor ieder bestemmingsplangebied een op maat gesneden archeologische paragraaf aan. Daarmee wordt de archeologische kennis verder uitgebreid en verdiept. De nieuwste inzichten zullen vervolgens verwerkt worden in de erfgoedkaart. Voor de omschrijving van de cultuurhistorische en monumentale waarden van Groot Mariadal zie hoofdstuk 4 en met name paragraaf 4.11.2. Hierin is de beschrijving van de RCE per monument samengevat. De cultuurhistorische en monumentale waarden worden in het plan voor Groot Mariadal geborgd en zijn voor de ontwikkeling van het plan een kernkwaliteit. De monumentale waarden worden via de dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie en de specifieke bouwaanduiding monument beschermd in dit plan. Daarnaast wordt met de verschillende primaire bestemmingen maatwerk geleverd. De gebruiksmogelijkheden van de bestemmingen ‘tuin’ en ‘groen’ zijn bijvoorbeeld beperkt en toegesneden op het behoud van het monumentale waarde.

2.4.9. Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020– 2023 Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In de Wet milieubeheer en de Waterwet, zijn naast de traditionele gemeentelijke zorg voor afvalwater expliciet zorgplichten benoemd voor hemelwater en grondwater. In het Bestuursakkoord Water 2011 zijn afspraken opgenomen om in de afvalwaterketen de doelmatigheid en kwaliteit te verhogen en de kwetsbaarheid te verminderen. Binnen de afvalwaterketen zal de samenwerking met het waterschap en de regiogemeenten (Waterkring West) worden geïntensiveerd om beleidsuitgangspunten en ambities zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. Voor nieuwe ontwikkelingen is het beleid vastgelegd in hoofdstuk 4. In het VGRP 2020-2023 is opgenomen: - Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; 28

-

Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) te voorkomen; Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; Hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water.

In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, wordt in latere operationele plannen opgenomen. Met behulp van het VGRP 2020-2023 worden de volgende doelstellingen en maatregelen nagestreefd: - Doelmatige inzameling van het binnen het stedelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater. - Doelmatige inzameling en verwerking van overtollig hemelwater. - Doelmatig transport van het stedelijk afvalwater. - Voorkomen van vuiluitworp naar bodem, grond- en oppervlaktewater. - Invulling geven aan grondwaterzorgplicht. - Minimale overlast voor de omgeving. - Doelmatig en effectief rioleringsbeheer op basis van het Bestuursakkoord Water. De randvoorwaarden voor de uitvoering van het stedelijk watersysteem zijn vastgelegd in het document ‘Ontwerp- en materiaaleisen ontwikkeling openbare ruimte Gemeente Roosendaal Team Beheer.

Belangrijke punten zijn: - Een hydrologisch neutrale ontwikkeling van het gebied, - Duurzame omgang met hemelwater, - Ontwateringseisen bij grondwater voor nieuwbouw, - Rekening houden met klimaatadaptatie. Regenbuien die groter zijn dan de regenbui waarop het rioolstelsel is ontworpen moet binnen het plangebied worden geborgen. Over het oppervlak afstromend regenwater mag niet leiden tot wateroverlast in het plangebied en de omliggende omgeving (niet afwentelen). Dit sluit aan bij het hydrologisch neutraal ontwikkelen van het plangebied. - De maximale afvoer vanuit het plangebied voor de afvoer van hemelwater is 60l/s/ha, gebaseerd op een verhard oppervlak van maximaal 50 % van het totale plangebied. Aandachtpunten en mogelijkheden Dit, alsmede nieuwe inzichten binnen de gemeente, hebben mede geleid tot de volgende aandachtspunten en mogelijkheden waarmee bij de verdere uitwerking van de waterhuishouding rekening kan worden gehouden. voor Groot Mariadal. - Er komt geen hemelwaterriolering. Er zal gebruik worden gemaakt van oppervlakkige afvoer richting oppervlaktewaterstructuren. - De wateropgave is 60 mm over het bruto oppervlak - In het plangebied bevindt zich een oud kokerriool dat kan dienenals afvoer- en bergingsvoorziening. Het kokerriool bevindt zich in goede staat en er zijn geen vuilwateraansluitingen op de koker aangesloten.

- Er kan een zuiverende voorziening (zoals een helofytenfilter) worden aangelegd waar het water doorheen wordt geleid. 29

-

Er wordt een lagere ontwateringsdiepte onder het parkeerterrein toegestaan dan vastgesteld in het beleid van de gemeente. Negatieve effecten worden voorkomen door cunetdrainage. - Op basis van de verstrekte grondwatergegevens is door RHDHV de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald. Aangezien op basis van de metingen vooralsnog geen betrouwbare GHG is af te leiden zijn een tweetal scenario’s beschouwd: o Scenario 1: GHG = NAP +1,90 meter o Scenario 2: GHG = NAP +2,20 meter Bij de uitwerking van de plan is uitgegaan van een GHG van NAP + 2,00 meter. - Het waterpeil van het bestaande oppervlaktewater in het gebied wordt nu (actief) gehandhaafd op ca. +1,50 meter. Dit blijft het uitgangspunt. Dit betekent dat er in de winter (bij hoge grondwaterstanden) grondwater wordt gedraineerd, gelijk aan de huidige situatie. - De waterstand van het oppervlaktewater voor de berging van hemelwater, mag niet hoger zijn dan de GHG, omdat die anders tot grondwateroverlast buiten het plangebied kan leiden. Er kan dus maximaal een waterverschil van 0,5 meter worden geborgen. Deze aandachtspunten en mogelijkheden kunnen worden benut bij het opstellen van een concreet waterhuishoudingsplan. Over de nadere invulling van het waterhuishoudinpsplan wordt nog overleg gevoerd. (zie paragraaf 4.9) Een exacte invulling volgt bij de nadere uitwerking in vorm van inrichtingsplan.

30

Hoofdstuk 3 Beschrijving plangebied 3.1. Ruimtelijke analyse van het plangebied 3.1.1. Geschiedenis De oudste stedenbouwkundig structuur van Roosendaal wordt gevormd door de ‘vork’ van de Markt, de Raadhuisstraat en de Bloemenmarkt/ Molenstraat. De structuur is bepaald door de plaats van de kerk en het marktplein aan de westzijde daarvan. De Molenstraat en Raadhuisstraat zijn de ‘uitgaande’ wegen naar Etten en Zundert. De Markt sluit aan op de weg naar Wouw. Roosendaal werd in 1266 gesticht vanuit een initiatief om een kerk te bouwen op een centrale plaats tussen de verspreide nederzettingen Hulsdonk, Kalsdonk en Langdonk. De kerk stond op een kleine welving (donk) in een vrij laaggelegen drassig gebied dat deel uitmaakt van het dal van de Roosendaalse- of Molenbeek. Het ontbreken van het goede landbouwgronden en de natte omgeving werden gecompenseerd door de vele grasen hooilanden die de veeteelt stimuleerden. De nederzetting ontwikkelde zich langzaam maar bleef eeuwenlang het karakter van een lintdorp houden. In de 13e tot en met de 15de eeuw was de turfwinning de voornaamste economische drager. Een zeer groot veenontginningsgebied aan de oostzijde van de dorpskern (de Vlaamsche Moeren) werd vanaf de 13de eeuw via turfvaarten ontgonnen. Ten noorden van de dorpskern ontwikkelde zich een groot havenhoofd, waarlangs de turf noordwaarts kon worden vervoerd.

Toch heeft dit havenhoofd zich nooit tot een aparte nederzetting kunnen ontwikkelen. In de 15de eeuw werd de sterk kronkelende Roosendaalse Vliet (het noordelijke gedeelte van de Molenbeek) rechtgetrokken. Langs de Markt kwam zo een nieuw havenhoofd tot stand. Ook deze heeft echter nauwelijks gezorgd voor een uitbreiding van de bewoonde omgeving. De relatieve welvaart van de gehele streek in de 15de en 16de eeuw heeft zich in Roosendaal waarschijnlijk vooral gemanifesteerd in de verspreid liggende donken en gehuchten, die uitsluitend agrarisch van aard waren. De markt van Roosendaal verzorgde een centrumfunctie voor de handel in veen en landbouwproducten. Hieraan kwam een einde in de Tachtigjarige oorlog. Politieke onrust en rondtrekkende soldaten zorgden voor een ontvolking van het platteland. Het herstel in de late 17de en 18de eeuw verliep er, in tegenstelling tot de steden, uiterst langzaam. Het aanzien van Roosendaal in het begin van de 19de eeuw verschilde dan ook weinig van de situatie in de 17de eeuw. Grote veranderingen kwamen pas met de aanleg van de spoorlijn in 1854 en de opkomende industrialisatie in de tweede helft van de 19de eeuw. Niet gehinderd door oude vestingwallen, konden zich gemakkelijk bedrijven vestigen aan het water. Ter plaatse van het turfhoofd bouwde men een grote beetwortelsuikerfabriek.

De ligging dicht bij de grens en de goede bereikbaarheid via spoorlijn, wegen en water trokken veel productiebedrijven aan gedurende de late 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Belangrijk was ook de vestiging van kloosters, internaten en scholen. Belangrijk was daarnaast de vestiging van de Philipsfabriek in 1947 en de opkomst van de dienstverlenende bedrijven in de jaren ’70. Vanaf dat moment groeide de stad uit door de bouw van nieuwe wijken en grote winkelcentra. De verstedelijking van Roosendaal vond vooral plaats in de tweede helft van de 20ste eeuw. 3.1.2. Stedenbouwkundige analyse De kern van Roosendaal kende in de 19de eeuw nog een scherpe tegenstelling tussen de lintbebouwing langs de vorkstructuur van Markt-Raadhuisstraat-Molenstraat en het landelijke gebied daaromheen. Op de oudste kadastrale kaart (ca. 1823, zie afbeelding 3.1) hebben de percelen ten zuiden van de Markt en de Raadhuisstraat tientallen meters lange erven, die aan de zuidzijde begrensd worden door een brede sloot of vaart. Deze stond weer in verbinding met de haven. De noordzijde van de Markt en van de Molenstraat werd in 1823 eveneens gekenmerkt door langgerekte erven, die eindigden tegen een systeem van sloten en vaarten. Ten noorden van de Markt lag de Smalle Beek, die op de Roosendaalse beek afwaterde.

Oostwaarts was deze vaart (die onder de Bloemenmarkt liep) verbonden met de Krampenloop die zich langs de kerk ten zuiden van de Molenstraat voortzette. Bij opgravingen onder de Biggelaar werden resten van een brede noord-zuid gerichte sloot gevonden, die waarschijnlijk een verbinding vormde tussen de noordelijke en zuidelijke slootsystemen rond de oudste kern van Roosendaal. 31

Afbeelding 3.1 Stadskern Roosendaal (1823).

In de tweede helft van de 19de eeuw breidde de bebouwing zich uit over de Dominéstraat, Vughtstraat en Kloosterstraat. Dit werd gestimuleerd door de aanleg van de spoorlijn en de bouw van het eerste station op het einde van de Vughtstraat. Ten noorden van de Kloosterstraat (huidige planlocatie) bevonden zich de Hoge en Lage Vught: natte beekdalgronden die voornamelijk voor beweiding werden gebruikt. Op de kaart van 1823 was er geen enkele hoeve in dit gebied aanwezig. Het was toegankelijk via het Vughtstraatje, waar de tegenwoordige Stationsstraat (ter hoogte van de nummers 7 t/m 18) een relict van is.

Afbeelding 3.2: In het midden van de vorige eeuw stonden er 3 kloosters in elkaars directe nabijheid

32

Afbeelding 3.3: Groot Mariadal in het midden van de vorige eeuw

Afbeelding 3.4: Roosendaal rond 1880

33

Afbeelding 3.5: Roosendaal rond 1920. Het station is inmiddels verschoven naar de huidige plek. Stationsstraat en Brugstraat zijn aangelegd.

Afbeelding 3.6: Roosendaal rond 1940. Groot Mariadal is nu op de kaart te zien (vgl. illustratie 3.1).

34

Afbeelding 3.7: Roosendaal huidige situatie

Na de Tweede Wereldoorlog en met name in de jaren vijftig begon een ongebreidelde groei die ook in Roosendaal zijn beslag kreeg. Omdat in Roosendaal geen sprake was van een omsloten historisch centrum, waren er grote groeimogelijkheden. Opvallend is dat de groei niet zozeer plaatsvond in de historische kern, maar er pal tegenaan. Natuurlijk vond ook beperkt wel schaalvergroting plaats op de Markt, maar dit bleef aanvankelijk beperkt tot incidentele locaties. Medio jaren vijftig werd de Nieuwe Markt aangelegd. Eind jaren vijftig werd het grootwinkelbedrijf geïntroduceerd met de bouw van V&D dat in 1965 zijn deuren voor het publiek opende. Daardoor ontstonden als het ware twee hele diverse gebieden, die niet met elkaar samenhingen en nauwelijks met elkaar verbonden waren. De breuklijn liep net ten zuiden van de bebouwing van de Markt en de Raadhuisstraat. De Dokter Braberstraat en Tussen de Markten vormden noord-zuid verbindingen om het oude stadsdeel te verbinden met het nieuwe centrum. Ook werd begin jaren zestig de Passage aangelegd als een overdekt koopcentrum. Een nieuwe breuk ontstond in de tweede helft van de jaren zestig bij de aanleg van de Roselaar, dat beschouwd kan worden als uitingsvorm van het nieuwe, moderne winkelen. De Roselaar werd noord-zuid gericht en lag nog verder van de oude kern.

Deze ontwikkeling impliceerde wel dat het oostelijk deel van de Molenstraat geen onderdeel meer uitmaakte van het winkelgebied van Roosendaal. In allerlei beleidsvisies die sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw met enige regelmaat werden opgesteld, kreeg het oostelijk gedeelte van de Molenstraat een andere functionele inkleuring. Daarbij stond het bevriezen of consolideren van de winkel- en horecafunctie voorop. Toch is ook in dit gedeelte van de Molenstraat tot op heden altijd een aantal winkels gevestigd. Het betreft over het algemeen specialistische winkels, die vaak al van oudsher ter plaatse zijn gesitueerd. De spoorlijn is een harde grens/barrière die uitkomt op het station. De ligging van de Stationsstraat en de hieraan gesitueerde woningen versterken de barrièrewerking. Over twee lengtes is beplanting of een bomenrij aanwezig, 35

die deels het zicht ontneemt van het spoor. Het overige deel van het spoor manifesteert zich ten volle aan de Stationsstraat. De spoorwegovergang nabij de Markt ( De Schuiven) is een keerpunt in de beleving van het spoor. De H.G. Dirckxstraat buigt af van het spoor en geeft ruimte aan bebouwing. Het zicht wordt daardoor aan het spoor onttrokken. De Brugstraat is een stedelijk lint dat loodrecht uitkomt op het station en is zodoende een belangrijke verbinding. Het tracé van de Brugstraat ligt op een weggetje dat Vaartkant heette. Met de verlenging van de Stationsstraat en de aanleg van de Brugstraat en de aanwezigheid van het toenmalige centrum kwam een gebied vrij, dat met name in de periode voor de Tweede Wereldoorlog en kort erna is volgebouwd met overwegend woningbouw, het kloostercomplex Mariadal en enige onderwijsgebouwen. In 1909 werd voor dit gebied een stratenplan gemaakt. Belangrijk was daarbij ook het uitbreidingsplan van 1933 (infrastructuur, groensingel, verdichting van locaties). De bebouwingstypologie bestaat voornamelijk uit vrijstaande en geschakelde woningen uit de jaren dertig, zogenaamde middenstandswoningen. Het betreft de Dokter Lemmensstraat, de Burgemeester Schoonheijtstraat en de Vincentiusstraat. Aan de zuidzijde van de Vincentiusstraat kwamen enkele gebouwen gelegen met een groter bouwvolume, zoals de onderwijsgebouwen en Mariadal.

Toch is door de beperkte hoogte het contrast met de omringende woningen niet groot en zeker niet storend. Mariadal is geplaatst over de gehele breedte van de kavel en heeft vier bouwlagen. Het hoofdgebouw is teruggelegen ten opzichte van de kopgebouwen, waardoor het een statig karakter heeft. De gevel heeft een asymmetrische opzet en is in donkerrode baksteen gerealiseerd. Het gebouw heeft accenten en ornamenten in de vorm van metselversieringen in een evenwichtige geleding. Het gebouw is voorzien van een zadeldak van zwarte dakpannen. De tuin van Mariadal is een omsloten kloostertuin. Er is er (nu) vanuit de omgeving geen relatie met de tuin, aangezien deze is omgeven door muren, hekken en hagen. De tuin heeft een hoge cultuurhistorische en monumentale waarde.

36

Afbeelding 3.8: Het klooster gezien vanaf de Burgemeester Prinsensingel

37

De Vughtstraat komt al voor op de kadastrale kaart van 1823 en liep toen door tot wat nu de Industriestraat is. De straat wordt echter pas een belangrijke straat door de aanleg van de spoorweg in 1854 en de bouw van een stationscomplex met douanekantoor op het Oranjeplein. Aan de Vughtstraat werden een openbare basisschool (1862) en klooster met langere school voor jongens gebouwd (broeders van Saint Louis, 1870). De laatste school in medio jaren zeventig gesloopt om plaats te maken voor het stadskantoor (1979). Het beeld van de Kloosterstraat is de afgelopen 50 jaar drastisch gewijzigd. Gedurende lange tijd was de Kloosterstraat een smalle steeg die gedomineerd werd door het klooster Sainte Marie en verschillende onderwijsgebouwen. Pas eind jaren zestig ontstond door de sloop van de schoolgebouwen aan de noordzijde van de Kloosterstraat een breder straatprofiel. Langs dit profiel werd de Jeroen Boschschool gebouwd (1968). In het midden van de jaren zeventig werd het Gertrudislyceum gesloopt. Op deze plek werd het complex Hogestede gerealiseerd.

Afbeelding 3.9: De Kloosterstraat in oostelijke richting (omstreeks 1907). De Kloosterstraat is een smalle steeg. Links op de foto de locatie waar later de tuinen van het klooster Mariadal zijn ingericht. .

38

Afbeelding 3.10: De Kloosterstraat na de bouw van de Jeroen Boschschool (1968), maar nog voor de bouw van het stadskantoor (1979). Op de achtergrond de gebouwen van de broeders van St Louis die later plaats hebben gemaakt voor het stadskantoor.

De Kloosterstraat komt uit op de Burgemeester Prinsensingel. Deze vormt een verbinding tussen de Nispensestraat en de Brugstraat. Na het bombardement van 11 mei 1940, dat grote schade veroorzaakte aan de bebouwing van de Molenstraat, is een doorbraak gerealiseerd van de Brugstraat en de Molenstraat naar de Nispensestraat. Dit is de huidige Burgemeester Prinsensingel. Het noordelijk deel (ten noorden van de aansluiting met de Kloosterstraat) werd in 1950 voltooid met aan één zijde kenmerkende woningbouw in de stijl van de Wederopbouw. Door dit homogene bebouwingstype heeft het straatbeeld een rustig karakter. De andere kant van dit deel van de Prinsensingel wordt gekenmerkt door de monumentale muur van de tuin van Mariadal (zie ook afbeelding 3.8). 3.1.3. Verkeer en infrastructuur In de omgeving het plangebied hebben de Stationsstraat, Brugstraat en Boulevard een ontsluitende functie. Deze wegen zijn daarom gecategoriseerd als 50 km/uur weg. Ze zijn ingericht op het verwerken van relatief veel verkeer en gaan uit van scheiding tussen verkeerssoorten. Ook het busvervoer maakt gebruik van deze wegen. De planlocatie zelf wordt ontsloten vanaf de Vincentiusstraat en vanaf de Kloosterstraat. De Kloosterstraat maakt onderdeel uit van de Centrumring. De Vincentiusstraat en de Kloosterstraat hebben primair een functie voor het bestemmingsverkeer.

Bij de Kloosterstraat komt hier het verkeer van de scholen bij . Op de weg maken zowel fietsers als gemotoriseerd verkeer gebruik van dezelfde rijbaan. Er geldt een 30 km/uur regime. Voor de Vincentiusstraat geldt eenrichtingsverkeer. Inrijden is mogelijk vanaf de Stationsstraat en in tegengestelde richting vanaf de Burgemeester Prinsensingel. Bij de Dokter Lemmensstraat is een ‘knip’ in de weg gemaakt om conflicten te voorkomen. Het autoverkeer dat vanaf deze twee wegen de Vincentiusstraat vanuit twee richtingen inrijdt kan via de Dokter Lemmensstraat z’n weg vervolgen. In het plangebied en omgeving is het parkeren gereguleerd. Het grootste deel van de straten is ingericht op het parkeren van vergunninghouders/ bewonersparkeren.

39

3.1.4. Groen, water en ecologie Roosendaal is een groene gemeente, maar in dit deel van binnenstad merkt men daar nu nog niet zoveel van. In dit deel van de Roosendaalse binnenstad is echter wel veel groen aanwezig. Het groen is nog vaak verborgen. Dit geldt tot nu toe ook voor de tuin van Mariadal die altijd als kloostertuin een privé en besloten karakter had. De tuin is prominent aanwezig, maar wordt omgeven door muren, hekken en hagen. De tuin heeft een rijksmonumentale status. In de tuin staan ook een aantal waardevolle bomen die beschermd zijn via een vermelding op de Roosendaalse Bomenkaart( zie ook paragraaf 2.4.5.). Voor het kappen van deze bomen is, in principe, een omgevingsvergunning noodzakelijk, maar in dit bestemmingsplan worden ze via de dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie en de bestemming ‘Tuin’ ook al beschermd

Afbeelding 3.11. Uitsnede Roosendaalse Bomenkaart met daarop de beschermde bomen in de kloostertuin.

Bij diverse panden in de omgeving zijn relatief grote tuinen aanwezig, die geheel aan het oog onttrokken zijn. In de binnenstad is daarom meer groen aanwezig op het eerste gezicht lijkt. De omgeving van het plangebied wordt op straatniveau gekenmerkt door een grote mate van 'stenigheid'. Met het toegankelijk maken van de monumentale tuin van Mariadal zal het gebied sterk aan kwaliteit winnen.

40

3.2. Functionele analyse van het gebied 3.2.1. Functionele hoofdstructuur Het plangebied en omgeving maken onderdeel uit van het noordelijk deel van het Roosendaalse centrum. Een belangrijk deel van dit gebied is in de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw tot ontwikkeling gebracht als woongebied. Daar waar het gebied grenst aan de Stationsstraat en Brugstraat is sprake van enige functiemenging. In de Stationsstraat betreft het vooral kantoorfuncties. In de Brugstraat is naast kantoorfuncties en woningen ook plaats voor enige detailhandel, horeca en dienstverlening. Het aantal winkels en horecavoorzieningen is de afgelopen jaren sterk afgenomen. 3.2.2. Wonen In de binnenstad is wonen een belangrijke functie. De woonfunctie levert een aanzienlijke bijdrage aan de levendigheid en de leefbaarheid van een binnenstad. Het noordelijk deel van het plangebied - de Stationsbuurt - is reeds bij de invulling van het gebied sinds de jaren twintig van de vorige eeuw ingevuld als woongebied. Het gebied Oliemolen is een sinds de jaren tachtig ingevulde woningbouwlocatie. Ook in de Stationsstraat, Brugstraat en Molenstraat zijn veel woningen aanwezig. Naar het zich laat aanzien, zal de woonfunctie van de binnenstad de komende jaren steeds belangrijker worden, zeker wanneer als gevolg van het teruglopen van detailhandels- en horecafuncties panden vrijkomen.

Groot Mariadal zal een belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van de woonfunctie in dit gebied. Er zal niet alleen een kwantitatieve bijdrage worden geleverd, maar door de diversiteit en de aard van de woningen zal er ook sprake zijn van een kwalitatieve impuls. 3.2.3. Detailhandel De detailhandelsfunctie is een van de meest kenmerkende functies waar binnensteden hun aantrekkelijkheid aan ontlenen. In de directie omgeving van Groot Mariadal komt nauwelijks nog detailhandel voor. Als gevolg van het gemeentelijk beleid is het aantal winkels in de ruimere omgeving de afgelopen decennia aanzienlijk afgenomen. Deze trend zal zich doorzetten. In Groot Mariadal zal bij geen enkel (deel-)plan nieuwe detailhandel worden ontwikkeld. Alleen aan de hoofdfuncties ondergeschikte detailhandel, als nevenfunctie, is mogelijk. 3.2.4 .Horeca In de omgeving van Groot Mariadal zijn alleen in de Brugstraat en de Molenstraat nog verspreid liggende horecavoorzieningen aanwezig. In de buurt van het station gaat het daarbij om hotel/restaurants. In de Brugstraat zijn nog diverse cafébedrijven gevestigd. Het aantal is de afgelopen jaren gedaald. Deels komt dit ook omdat een aantal horecafuncties is gesloten vanwege ondermijnende activiteiten. In ieder geval behoort het gebied niet tot het uitgaansgebied van Roosendaal.

De specifieke kwaliteiten van het kloostercomplex Mariadal bieden nieuwe kansen voor horeca. In het plan is hier ruimte voor gemaakt. 3.2.5. Maatschappelijke voorzieningen Sociaal culturele en maatschappelijke voorzieningen Binnen de contouren van het plangebied is op het Stadserf het Stadskantoor gesitueerd, waar de meeste gemeentelijke diensten zijn gehuisvest en waar ook de publieksbalie is. Nadat daarover enige jaren onduidelijkheid bestond, is inmiddels besloten dat het Stadskantoor ook de komende decennia op deze locatie zal zijn gevestigd. Het gebouw wordt inmiddels ingrijpend gerenoveerd en zal eind 2021 opnieuw in gebruik worden genomen door de gemeente. De gewijzigde opzet wordt kenbaar gemaakt in de naam van het Stadskantoor dat nu ‘Huis van Roosendaal’ wordt genoemd. De renovatie is geen onderdeel van het voorliggend plan.

41

Onderwijsvoorzieningen In de Kloosterstraat is de R.K. basisschool Jeroen Bosch gevestigd, alsmede voorzieningen voor kinderopvang en buitenschoolse opvang. In de Vincentiusstraat staat een school voor middelbaar onderwijs (Mavo). In de directe omgeving van het plangebied zijn daarnaast ook diverse onderwijsvoorzieningen gesitueerd, waarvan ook de kinderen van bewoners in het plangebied gebruik kunnen en zullen maken (onder andere obs De Singel). De herontwikkeling van de onderwijsvoorzieningen en de kinderopvang (met uitzondering van de Mavo) zijn onderdeel van dit plan.

42

Hoofdstuk 4 Milieu 4.1. M.e.r-beoordeling 4.1.1. Kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om te beoordelen of er sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.1.2. Onderzoek De realisatie van 144 woningen, culturele voorzieningen en horeca kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Vanaf 7 juli 2017 kan dit niet meer in de vorm van een paragraaf in de toelichting, maar moet door de initiatiefnemer een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Door de wetswijziging van die datum geldt dit voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. In de aanmeldnotitie moet onder meer een beschrijving van de activiteit worden gegeven en een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu. Hierbij moet rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van gevolgen voor het milieu. Over deze aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag vervolgens na uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst, een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Dit besluit moet vervolgens gepubliceerd worden. Bij de vergunningaanvraag moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit worden toegevoegd.

De omvang en het type van de ontwikkeling bepaalt de omvang en het detailniveau van de vormvrije m.e.r.beoordeling. De realisatie van de woningen, de culturele voorzieningen en de horeca is een ontwikkeling waarvan het op voorhand niet is uit te sluiten dat er belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. Op basis van de resultaten van de deelonderzoeken die voor het bestemmingsplan nodig zijn (zie hierna), is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (in de vorm van een aanmeldnotitie) opgesteld. Deze aanmeldnotitie is als bijlage -- opgenomen. 4.1.3. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

43

4.2. Bedrijven- en milieuzonering 4.2.1. Kader Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie ’Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. De richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning.

De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. Naast het omgevingstype rustige woonwijk (rustig buitengebied) kent de VNG-handreiking ook het omgevingstype gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent het gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dit rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. 4.2.2. Onderzoek In mei 2018 is door Econsultancy (Rotterdam; rapportnummer 6779.006) een onderzoek ‘bedrijven en milieuzonering’ uitgevoerd.

Het rapport is in februari 2021 geactualiseerd (Rotterdam; rapportnummer 6779.006 versie D2).Het geactualiseerde rapport is als bijlage 1 opgenomen. Er is indicatief onderzocht of de realisatie van het plan het woon- en leefklimaat in de omgeving niet belemmert en of er in de omgeving activiteiten zijn die het plan belemmeren. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) biedt een handreiking voor de richtafstand voor een aantal milieuthema’s voor verschillende bedrijfsactiviteiten. Is de afstand tussen de geplande bedrijvigheid en woningbouw kleiner dan de richtafstand, dan is een uitgebreid onderzoek gewenst. Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van de richtafstanden van de bedrijvigheid rondom het plan. De VNG-publicatie maakt voor de beoordeling onderscheid in twee gebiedstypen. Een rustige woonwijk wordt omschreven als woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Een gemengd gebied wordt 44

omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied ligt in een gebied met een sterke functiemenging. Het plangebied kan daarom worden geclassificeerd als gemengd gebied. In het onderzoek zijn de bestemmingsplannen Stationsgebied, Borchwerf, Centrum Noord, Binnenstad, Kalsdonk en Spoorhaven 1ste fase meegenomen. In het bestemmingsplan Stationsgebied zijn geen bedrijfsmatige activiteiten mogelijk binnen relevante afstanden tot het plan. Dit bestemmingsplan is daarom buiten beschouwing gelaten. Relevante bedrijvigheid Borchwerf Industrieterrein Borchwerf is (deels) gezoneerd volgens de Wet geluidhinder. Het plangebied ligt volledig binnen de zone van het industrieterrein. Als gevolg van het industrieterrein is de geluidsbelasting op de woningen binnen het plan ten minste 50 dB(A). Voor alle woningen zal dan ook een hogere waarde moeten worden vastgesteld tot ten hoogste 55 dB(A). Centrum - Noord Het plan ligt volledig binnen de grenzen van het bestemmingsplan Centrum - Noord. Het plan voorziet in de realisatie van ‘horeca tot en met categorie 2’. Deze categorisering staat los van de ‘milieucategorie’ en betreft een inschaling in drie categorieën. Onder categorie 2 vallen bedrijven zoals cafés en café-restaurants.

Deze vorm van horeca valt onder milieucategorie 1 en is in een binnenstedelijke omgeving met centrumfunctie goed inpasbaar Het plan is gelegen in het vak met grotendeels de bestemming ‘Maatschappelijk’. Na de bestemmingsplanwijziging van Groot Mariadal zal deze bestemming rondom het plan in stand blijven. Hierbinnen is de aanwezigheid mogelijk van onder andere kinderopvang, onderwijs, verenigingsleven en ondersteunende horeca. Hiervoor geldt een richtafstand van ten hoogste 10 meter. Het ‘Huis van Roosendaal’ bevindt zich op meer dan 10 meter afstand tot de geprojecteerde woningen en vormt geen belemmering. De verkeersbestemming ten oosten van het ‘Huis van Roosendaal’ biedt ruimte aan parkeren. De woningen direct ten oosten daarvan zijn geprojecteerd binnen de richtafstand van 10 meter. Hiervoor is nader akoestisch onderzoek gewenst. Aan de Kloosterstraat blijft de maatschappelijke bestemming voor het kindcentrum behouden, met op het westelijk deel de aanduiding ‘speelterrein’. Direct ten westen hiervan wordt een woonbestemming voorzien, met de specifieke aanduiding ‘maatschappelijk – gymzaal’. Op het moment dat plannen verder zijn uitgewerkt zal uit een aanvullend, akoestisch onderzoek moeten blijken hoe deze functies zich tot elkaar verhouden. Het gaat daarbij vooral om de invloed van het geluid van spelende kinderen op de woningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1157/documents/31501