Bijlage 1 Toelichting Omgevingsplanwijziging Klokbergsestraat.pdf
Tekst van het document
,
,
De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie Klokbergsestraat ong. betreft de realisatie van vijf extra wooneenheden. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom conform vaste jurisprudentie niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5. 129 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 5. 129 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en is de ontwikkeling niet Ladderplichtig. ,
,
,
,
De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de algemene regels uit de Omgevingswet. In onderhavig hoofdstuk wordt dit aan de hand van aspecten binnen de fysieke leefomgeving nader toegelicht. 4. 3
Water en klimaatadaptie
4. 3. 1
Beleid water(schap)
Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. Per waterschap is er één waterschapsverordening. Waterschappen krijgen een overgangstermijn voor het vaststellen van de waterschapsverordening. Waterschappen moeten op 1 januari 2026 een waterschapsverordening hebben vastgesteld. De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Een initiatiefnemer kan een burger of bedrijf zijn. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen. Het gaat om de volgende activiteiten; • lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam; • lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie); • activiteiten in of nabij het oppervlaktewater; • activiteiten in op of nabij waterkeringen; het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem; • • activiteiten aan op of nabij wegen in het beheer van het waterschap. ,
,
Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2000 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft waar het de gemeente betreft consequenties voor riolering afkoppelen toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. ,
,
,
,
Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Water programma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). ,
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 26 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Weging van het waterbelang Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk IPO VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundige relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De weging van het waterbelang is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. ,
,
De weging van het waterbelang omvat het hele proces van vroegtijdig informeren uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.
,
adviseren
,
afwegen
en
Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer watersysteembeheer beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. ,
,
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2022-2027 wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De waterschapsverordening en de Legger. ,
De waterschapsverordening bevat alle regels die bepalen welke activiteiten waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De waterschapsverordening en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. ,
,
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren bergen afvoeren. ,
,
,
De beoogde
ruimtelijke ontwikkeling wordt passend geacht binnen de beleidsregels omtrent water en watersystemen. Ook past de ruimtelijke ontwikkeling binnen het beleid van het Waterschap Brabantse Delta.
Water- en rioleringsprogramma 2024-2027 De laatste jaren komt het woonklimaat steeds meer onder druk te staan. Klimaatverandering versterkt de kans op wateroverlast in het landelijk en stedelijk gebied. De gemeente Roosendaal heeft de visie dat het watersysteem tegen een stootje moet kunnen en dat er duurzaam wordt omgegaan met het water. Daaropvolgend heeft de gemeente het Water- en Rioleringsprogramma (WRP) opgesteld welke als bouwsteen fungeert om te laten zien op welke manier de gemeente Roosendaal werkt aan een robuust en toekomstbestendig riool en watersysteem. De focus van de WRP is gericht op het uitvoeren van wettelijke watertaken. ,
,
Bij nieuwe ontwikkelingen stuurt de gemeente Roosendaal aan op principes zoals het niet onnodig verharden van de bodem en het niet afwentelen van hemelwater van private naar publieke ruimte. Leidraad hiervoor is het document Toetsingskader Roosendaal Natuurstad waarin normen zijn opgenomen voor ontwikkelingen in de openbare ruimte. De omgang met en het verwerken van hemelwater is een gedeelde verantwoordelijkheid ,
,
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 27 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling gezamenlijk met de burgers en bedrijven. Dit wordt ingevuld tot het aanbrengen van 60 mm waterberging bij nieuwe ontwikkelingen en ontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied en het nastreven van een voorkeursvolgorde voor de omgang met water. Er worden in de toekomst eisen gesteld aan een duurzame omgang met water in combinatie met vergroening. Deze verplichting wordt in de toekomst opgenomen in het Omgevingsplan. 4. 3. 2
Water(systemen)
Figuur 11: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Figuur 12: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloedsgebied. In de directe nabijheid zijn geen waterlopen aanwezig.
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 28 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater wat valt op daken en terreinverharding zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. ,
,
,
,
,
Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood koper zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op het plangebied geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. ,
,
,
Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m² geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. De totale planlocatie omvat een oppervlakte van circa 1. 755 m². Op de locaties worden maximaal vijf woningen gerealiseerd. Een gedeelte van de planlocatie wordt groen ingepast. ,
Bij verharding van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ dient voldaan te worden aan de regels conform de Keur van het waterschap de Brabantse Delta en de bergingseis zoals omschreven binnen het Water- en Rioleringsprogramma 2024-2027 van de gemeente Roosendaal. Indien er een toename van de verhard oppervlakte meer dan 500 m 2 bedraagt dienen er compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 006. ,
,
,
De precieze verharding wordt ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaald. In de regels is in de algemene regels opgenomen dat voldaan moet worden aan de rekenregel. Weging van het waterbelang De weging van het waterbelang proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten waaronder veiligheid wateroverlast watertekort waterkwaliteit en verdroging en om alle wateren: rijkswateren regionale wateren en grondwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De weging van het waterbelang is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het proces dat bestaat uit advisering toetsing en goedkeuring door het waterschap ,
,
,
,
,
,
,
,
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de ter plaatse waterhuishoudkundige aspecten en/of systemen. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt voldoende rekeningen gehouden met de berging en infiltratie van hemelwater. In de verdere uitwerking is van belang dat de waterberging en het ontwerp de aanleg en het beheer daarvan goed uitgewerkt wordt. ,
4. 4
Bodem
4. 4. 1
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient rekening te worden gehouden met de kwaliteiten van de bodem. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat er sanerende of beschermende maatregelen benodigd zijn bij overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 29 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling bodem. Bij een wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor de beoogde ontwikkeling. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4. 4. 2
Onderzoek
Door Moerdijk Bodemsanering B. V. is op 4 november 2022 (rapportnummer 2410. 126. 221. r1) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek blijven relevant en zijn nog voldoende actueel en representatief bij de ontwikkeling van het plangebied. De bodemkundige situatie is in de tussenliggende periode ongewijzigd gehandhaafd. ,
Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur kleur en samenstelling) geen afwijkende bodemkenmerken waargenomen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Gehele locatie 2. 000 m 2 In de bovengrondmengmonsters M01 en M02 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In ondergrondmengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Aangezien het freatisch grondwater niet binnen 50 m -mv is aangetroffen is het plaatsen van een peilbuis achterwege gebleven (conform de NEN 5740). ,
,
,
,
De tevoren gestelde onverdachte locatie kan worden geaccepteerd aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. Druppellijn t. a. v. asbest circa 5 m 2 - In bovengrondmengmonster M04 is geen verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. - In bovengrondmengmonster AM01 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. ,
Op basis van de resultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. Het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie van de overheid. De tevoren gestelde hypothese verdachte locatie kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. De uitkomsten van het bodemonderzoek blijven relevant en zijn nog voldoende actueel en representatief bij de ontwikkeling van het plangebied. De bodemkundige situatie is in de tussenliggende periode ongewijzigd gehandhaafd. Er hebben geen bodem verontreinigende activiteiten in de tussentijd van het onderzoek en opstellen van dit document plaatsgevonden. ,
4. 5
Erfgoed
4. 5. 1
Archeologie
Wettelijk kader Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een Wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988 de Wet Milieubeheer de Ontgrondingenwet en de ,
,
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
,
Pagina 30 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Woningwet op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (17-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden worden gehandhaafd. ,
,
,
Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente Roosendaal de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen samen met de beleidsnota archeologie. Deze vormen samen het beleidsinstrumentarium dat als onderlegger voor elk bestemmingsplan geldt. Gemeentelijk beleid Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Door gemeente Roosendaal is aan de hand van bekende aardkundige historische cultuurhistorische en archeologische gegevens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. De archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. ,
,
Op de archeologische beleidskaart wordt onderscheid gemaakt tussen hoge en lage archeologische verwachtingszones. In figuur 13 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Roosendaal weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch verwachtingszone met een hoge verwachting. Op basis van deze verwachting is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Figuur 13: Uitsnede Archeologische beleidskaart Roosendaal (bron: Gemeente Roosendaal)
Onderzoek
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 31 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Op 10 oktober 2022 is door Transect b. v. een rapportage uitgebracht over het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek welke in oktober 2022 is uitgevoerd. Het volledige rapport is als afzonderlijke bijlage toegevoegd in bijlage 2. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek blijven relevant en zijn nog voldoende actueel en representatief bij de ontwikkeling van het plangebied. De bodemkundige situatie is in de tussenliggende periode ongewijzigd gehandhaafd. ,
Op basis van het bureauonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachting op archeologische waarden uit de periode Laat Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Deze is gebaseerd op de vermoedelijke ligging van het plangebied op een dekzandrug met eronder terrasafzettingen. De diepteligging van de terrasafzettingen is onbekend. Het dekzand bevindt zich vlakbij het maaiveld mogelijk begraven onder een oud bouwlanddek. Dit dek is mogelijk in de Late Middeleeuwen aangelegd. Aan de basis van het bouwlanddek en in de top van het dekzand zijn in de omgeving van het plangebied sporen van nederzettingsterreinen uit de IJzertijd Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen. Voor wat betreft resten uit de Nieuwe tijd van voor 1900 is de verwachting laag. De ligging van het plangebied in het historische buitengebied van Nispen en het ontbreken van bebouwing op historische kaarten vormen geen aanleiding om bewoningsresten uit deze tijd in het plangebied te verwachten. ,
,
Tijdens het veldonderzoek is een oud-bouwlanddek aangetroffen op het dekzand in het oosten en midden van het plangebied (boring 2-4). Het oud-bouwlanddek bevindt zich onder de bouwvoor ofeen opgebrachte laag zand. Het archeologisch niveau de top van het dekzand is hier intact (95 – 125 cm -Mv; 1205 – 125 m NAP). Ter plaatse van boring 5 (zuid) is een geroerde laag aangetroffen tot 135 cm -Mv. Aangezien er geen ontgrondingen in het gebied hebben plaatsgevonden en op de historische kaarten hier geen bebouwing heeft gestaan in de vorige eeuw is de precieze oorzaak van deze roering onduidelijk. Mogelijk betreft het bioturbatie of is er een archeologisch spoor aangeboord. Ter plaatse van boring 1 (noord) bevindt de bouwvoor zich gelijk op het dekzand. ,
,
,
,
Op grond hiervan is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen waarbij geconstateerd kan worden dat de verwachting op resten uit de periode Laat-PaleolithicumMesolithicum laag is in het gehele plangebied. Deze resten zijn niet meer in situ te verwachten. Grondsporen en archeologische resten vanaf het Neolithicum kunnen zich nog wel in de top van het dekzand bevinden. ,
Het voornemen bestaat om in het plangebied vijf nieuwe particuliere woningen (320 m)2 te realiseren. In het plangebied is echter deels een hoge verwachting vastgesteld voor archeologische resten uit de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd. In het kader van de ruimtelijke procedure adviseren wij om de huidige onderzoeksgrenzen te behouden in het nieuwe bestemmingsplan (50 m 2 en dieper dan 50 cm -Mv; circa 1270 m NAP in het westen en 1310 m NAP in het oosten). ,
,
De toekomstige bouwplannen overschrijden deze onderzoeksgrenzen. Zodoende wordt geadviseerd tot een vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) benodigd dat beoordeeld en goedgekeurd is door de bevoegde overheid Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Roosendaal) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. 4. 5. 2
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies bestemmingsplannen en ,
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 32 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet van kracht sinds 1 juli 2016 bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten musea monumenten en archeologie op het land en onder water.
Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. ,
Onderzoek Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 14) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het plangebied is gelegen in een regio met een hoge trefkans voor indicatieve archeologische waarden en in een ‘molenbiotoop’.
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 33 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Provincie Noord-Brabant)
Regio West-Brabantse Venen Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’ zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De West-Brabantse Venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in Oost-Brabant waren hier geen beeklopen waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-Brabantse veen weggeslagen. Grote delen van de resterende venen zijn door de mens afgegraven en ontgonnen. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht landgoederen landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het onderhavig plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Molenbiotoop De gronden ter plaatse van de aanduiding 'molenbiotoop' zijn bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element.
De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden van de molenbiotoop. De aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ ligt voor een klein gedeelte over de planlocatie zoals te zien is in paragraaf 2. 3 van onderhavige motivering. De woningen worden gerealiseerd buiten de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. ,
,
,
,
De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. 4. 6
Verkeer en vervoer
4. 6. 1
Verkeer
Grenzend aan het plangebied is een bestaande verkeersstructuur aanwezig. Deze bestaande verkeerstructuur wijzigt met de voorgestane ontwikkeling niet. Het plangebied sluit aan op de Klokbergsestraat. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. De beoogde ontwikkeling ontsluit direct op de klokbergsestraat. 4. 6. 2
Parkeren
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 34 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling De gemeente Roosendaal hanteert de Nota Parkeernormen van de gemeente Roosendaal voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. De indeling naar prijzen van woningen heeft een onderverdeling van koopwoningen in het lagere- midden- en hoge prijssegment. Bij huurwoningen wordt de onderverdeling tussen huurwoningen in de vrije sector en de sociale sector gemaakt. ,
Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor ‘buiten centrumring’ waarbij de gemeente Roosendaal gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW. Onderstaand de parkeernorm uit de nota parkeernormen van de gemeente Roosendaal.
,
Tabel 1: Parkeernorm volgens Nota Parkeernormen Norm 2011
Eenheid
Koop: hoge prijsklasse
, 200
Woning
Koop: middenklasse
180 ,
Woning
Koop: lagere prijsklasse
150 ,
Woning
Huur: vrije sector
, 180
Woning
Huur: sociale sector
150 ,
Woning
Wonen Buiten centrumring
De beoogde ontwikkeling omvat het oprichten van vier twee-onder-een-kap woningen en een vrijstaande woning aan de Klokbergsestraat. De planlocatie is gelegen in het gebied ‘buiten centrumring’. Het betreft de realisatie van vier grondgebonden huurwoningen en één koopwoning. De huurwoningen zullen verhuurd worden in de vrije sector en de koopwoning zal vallen onder middenklasse. Tabel 2: Overzicht benodigde parkeerplaatsen Functie
Aantal woningen
Parkeernorm
Nota Parkeernormen
Huur: vrije sector
4
180 ,
72,
Koop: middelklasse
1
180 ,
18,
Totaal
9
Voor het parkeren is het uitgangspunt 1. 8 parkeerplaatsen per woning zowel voor de huurwoningen als de koopwoning. Dit betekent dat er 5 x 1. 8 = 9 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Per woning worden er twee parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal worden er 10 parkeerplaatsen gerealiseerd. In eerste instantie worden er geen bergingen/garages voorzien behorend bij de woning ten behoeve van het parkeren. Op basis hiervan wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. 4. 6. 3 Verkeersgeneratie Voor de beoogde ontwikkeling is de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit de CROW-publicatie 2020. De parkeernormen van Roosendaal zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW en behoort tot de stedelijkheidsklasse voor ‘matig stedelijke’ gemeenten. Het plangebied bevindt zich in Nispen buiten de bebouwde kom. Kijkend naar de cijfers voor verkeersgeneratie past dit het beste bij ‘Buitengebied’ deze norm wordt dan ook aangehouden. ,
,
Tabel 3: Verkeersgeneratie gemeente Roosendaal
Functie
Aantal Min. woning
norm
per
Max. norm per woning
Mvt/etmaal (min. – max. )
Huur , huis , vrije sector
4
16 ,
24 ,
64 – 96
huis , Koop , onder-een kap
1
18
26
18 – 26
twee-
,
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
,
,
,
,
,
Pagina 35 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Totaal
82 – 122 ,
,
In de beoogde situatie kent de planlocatie voor beide kavels een verkeersgeneratie van maximaal 122 mvt/etmaal. Verkeerskundig gezien is dit een erg lage toename van het aantal motorvoertuigen op de Klokbergsestraat. Er kan met zekerheid gesteld worden dat de toenemende verkeersgeneratie geen problemen voorziet voor de beoogde ontwikkeling. ,
4. 6. 4
Openbaar vervoer
In Nispen is een buslijn gelegen in de vorm van lijn 211. Deze bussen rijden door Nispen via Roosendaal richting Oudenbosch. De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen aan de Bergsebaan op zo’n 4 minuten lopen van de planlocatie. 4. 7
Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Omgevingswet. Daarnaast is het beleid van de omgevingsverordening en het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang. 4. 7. 1
Gebiedsbescherming
Op grond van de Omgevingswet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Omgevingswet regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. ,
Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland / EHS of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op een afstand van 45 km. Het betreft het gebied Brabantse Wal. ,
Om de stikstofdepositie die de ontwikkeling met zich mee brengt te kunnen berekenen is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Uit de stikstofdepositieberekeningen (bijlage 6) volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 00 mol/ha/jaar wordt overschreden. In de berekening wordt geen depositie getoond omdat deze lager is dan 00 mol/ha/jaar. ,
,
,
,
Daarnaast worden er geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de Groenblauwe waarden. Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe waarden uitgesloten worden. 4. 7. 2
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locaties dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dieren plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De volgende beschermde soorten kunnen mogelijk in het plangebied worden aangetroffen concreet zijn dit de kamsalamander de heikikker de poelkikker de rugstreeppad de vleermuis en de drijvende waterweegbree. ,
,
,
,
,
Door Brabant Eco is op 3 augustus 2022 (rapportnummer 2022-BE-0393) een ecologische quickscan uitgevoerd om aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld te brengen en mogelijke effecten daarop in beeld te brengen.
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 36 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling De volledige rapportage is toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen (bijlage 4). Bepaald is of de ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000 gebieden gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en aanvullend de gemeentelijk APV zijn beschermd. De uitkomsten van de ecologische quickscan blijven relevant en zijn nog voldoende actueel en representatief bij de ontwikkeling van het plangebied. De natuurkundige situatie is in de tussenliggende periode ongewijzigd gehandhaafd. ,
,
,
Advies en aanbevelingen Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming o De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. o Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000 gebied.
Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. o In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij indien noodzakelijk mitigerende maatregelen te treffen. o Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ,
,
,
,
,
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze ,
,
,
soorten: • •
Indien er verstoring plaatsvindt dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo zodat dieren kunnen vluchten. Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). ,
,
,
• •
,
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. ,
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op (beschermde) natuurgebieden en/of de ecologische leefomgeving. Belangrijk hierbij is dat de zorgplicht strikt in acht wordt genomen. Het aspect ecologie
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 37 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De uitkomsten van het ecologisch onderzoek
blijven relevant en zijn nog voldoende actueel en representatief bij de ontwikkeling ecologische situatie is in de tussenliggende periode ongewijzigd gehandhaafd. ,
4. 8
Luchtkwaliteit
4. 8. 1
Wettelijk kader
van
het plangebied. De
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Voor een activiteit dat NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. ,
Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 12 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn de volgende: ,
,
Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4. 8. 2
Onderzoek
Er vindt op de planlocatie een toevoeging plaats van maximaal vijf woningen. Een project wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg plaats. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling op de planlocatie een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd kan worden als verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling op de planlocatie zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de ontsluitingswegen van de planlocatie. Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3%. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3% grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c. q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. ,
De coördinaten van de planlocatie aan de Klokbergsestraat zijn bij benadering: ▪ x = 90724 ▪ y = 388004 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN deze coördinaten de volgende achtergrondconcentraties: ▪ 2022: PM10: 15. 57 μg/m³ en NO2: 13. 64 μg/m³ ▪ 2025: PM10: 13. 97 μg/m³ en NO2: 12. 07 μg/m³ ▪ 2030: PM10: 13. 29 μg/m³ en NO2: 10. 21 μg/m³
en GDN) van
het RIVM tonen ter hoogte van
,
Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit in het plangebied te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN). Hieruit volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Hiermee is er vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 38 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling 4. 9
Geur
4. 9. 1
Wettelijk kader
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de geurregels voor veehouderijen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen in paragraaf 22. 3. 6 van de bruidsschat. In paragraaf 22. 3. 6 staan de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De regels hebben tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de bruidsschat opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De bruidsschat vormt vanaf 1 januari 2024 het toetsingskader voor de milieuvergunning. ,
Indirect hebben de regels in de bruidsschat ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? ,
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De ontwikkeling maakt de realisatie van twee woonkavels mogelijk. Hierbinnen zullen er meerdere uren per dag meerdere dagen per week personen aanwezig zijn. Daarmee zijn de twee toekomstig te realiseren woningen als geurgevoelig te typeren. ,
,
Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. ,
De bruidsschat geeft de gemeenten de bevoegdheid om binnen gestelde marges bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Roosendaal kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening voor het bepalen van een goed woon- en leefklimaat worden daarom de geurnormen uit de bruidsschat gehanteerd. ,
,
,
4. 9. 2
Onderzoek
Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de bruidsschat zijn in artikel 22. 98 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op 3 een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ou/m). E Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Roosendaal is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. De planlocatie aan de Klokbergsestraat is gelegen binnen de bebouwde kom waardoor conform artikel 22.98 lid 1 van de bruidsschat een geurbelasting van 2 odour units (ou/m³) E op een gevoelig object is toegestaan. ,
,
,
Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 2 ou/m³ E geldt altijd tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de bruidsschat. Dan geldt een vaste afstand. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie (realisatie twee woonkavels) geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. ,
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 39 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant op basis van een export van de bronnen uit Kernregistratie Dierenverblijven met behulp van V-Stacks Gebied de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van het jaar 2023 en zijn daarmee recent en actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Kernregistratie Dierenverblijven is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woonen leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. ,
,
,
Figuur 15: Uitsnede achtergrondbelastingkaart ODZOB
Uit figuur 15 een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving voor de locatie Klokbergsestraat op basis van de achtergrond belasting als ‘goed’ is aan te merken. Er is geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Aan de planlocatie aan de Klokbergsestraat is de achtergrondbelasting dermate laag dat niet te verwachting is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van geuremissie. ,
,
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de bruidsschat worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 22. 101 van de bruidsschat gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand binnen de bebouwde kom betreft 100 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 22. 103 van de bruidsschat een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Aan de Nigtestraat 2 is een melkrundveehouderij gevestigd waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn. Het plangebied is gelegen op een afstand van minimaal 150 meter. De afstand van 50 meter wordt hiermee ruimschoots behaald. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie Klokbergsestraat vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden.
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 40 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. ,
4. 10
Geluid
4. 10. 1 Geluid door wegen
,
spoorwegen en industrieterreinen
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral het gemeentelijk bestemmingsplan en daarnaast in de Omgevingswet op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. ,
In artikel 3. 20
van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden de geluidsgevoelige gebouwen en ruimte welke beschermd zijn tegen wegverkeerslawaai industrielawaai spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan: woonfunctie onderwijsfunctie gezondheidszorgfunctie met bedgebied bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van alle eerdergenoemde functies. Geluidsgevoelige ruimten zijn verblijfsruimte of verblijfsgebieden van bovenstaande functies. aangewezen
,
,
,
,
,
De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van woningbouw aan de Klokbergsestraat. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau (rapportnummer: VL. 2251. RO1) in 2022 om te kijken of er sprake is van een goede woon- en leefklimaat van de nieuw te bouwen woningen. Het akoestisch onderzoek richt zich op wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is nog gebaseerd op de oude wetgeving namelijk de wet geluidhinder. De ontwikkeling aan de Klokbergsestraat blijft hetzelfde als in het rapport beschreven staat. Ook zijn er in de tussentijd geen gewijzigde omstandigheden geweest die leiden tot een andere uitkomst wat betreft akoestische waarden op de woningen. In bijlage 5 is het akoestisch onderzoek toegevoegd. Hieronder is een beschrijving van dit akoestisch onderzoek opgenomen in combinatie met een vergelijking naar de nieuwe wetgeving. ,
,
Akoestisch onderzoek Beoordeling akoestisch woon- leefklimaat Vanwege het niet geluidgezoneerde deel van de Nigtestraat de Bergsebaan en de Klokbergsestraat (30 km/u regime) bedraagt de geluidbelasting op de nieuwbouw ten hoogste 46 dB. Daarmee wordt overal voldaan aan de richtwaarde (48 dB) in lijn met de Wgh. Onder de omgevingswet zijn er standaardwaarden gesteld van 53 dB van gemeentewegen. De geluidbelasting wordt onder de omgevingswet voldaan. ,
Hoewel er geen wettelijke noodzaak voor een cumulatieberekening is is een dergelijke berekening toch uitgevoerd omdat deze wel het meest de werkelijke situatie weergeeft. Dit is wenselijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening om zodoende de aanvaardbaarheid van het akoestisch woon- en leefklimaat het meest optimaal te kunnen beoordelen. ,
,
,
De berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt bij de nieuwbouw 28 – 51 dB. Het akoestisch woon- en leefklimaat dient daarmee op basis van de MilieuKwaliteitsMaat (MKM) beoordeeld te worden als zeer goed tot redelijk. Gelet op bovenstaande kwalificering in relatie tot de ligging van de planlocatie en de directe omgeving kan het akoestisch woon- en leefklimaat als (zeer) aanvaardbaar worden aangemerkt temeer er bovendien bij alle woningen zondermeer sprake is van de aanwezigheid van vier geluidluwe gevelzijden en een geluidluwe buitenruimte. Er is in onderhavige situatie dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. ,
,
Bouwbesluit
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 41 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen welke gevelmaatregelen genomen moeten worden is het noodzakelijk de geluidwering van de gevels te berekenen en deze te toetsen aan het Bouwbesluit. De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. ,
Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in een verblijfsgebied en 35 dB in een verblijfsruimte. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art. 110g van de Wet geluidhinder. In voorliggende situatie vindt er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaats nieuwbouw formeel alleen te voldoen aan de minimumeis van 20 dB uit het Bouwbesluit.
,
dus hoeft de
De (gecumuleerde) geluidbelasting zonder aftrek bedraagt bij de nieuwbouw ten hoogste 51 dB. Daarmee kan in onderhavige situatie zondermeer een goed woonmilieu in alle woningen gewaarborgd worden (51 – 20 = < 33 dB binnenwaarde). Een aanvullend (bouw)akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Vergelijking met nieuwe wetgeving Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden waarbij de geluidnormering is opgenomen in het Bkl en de meet- en rekenmethode is veranderd. ,
De standaardwaarde uit de Omgevingswet is 53 dB. Dat is vergelijkbaar met de voorkeursgrenswaarde van 48 dB incl. 5 dB correctie conform artikel 110g uit de voormalige Wet geluidhinder. Onder de Wet geluidhinder werden de 30 km/ uur wegen niet getoetst dat is onder de Omgevingswet wel het geval ,
In voorliggende situatie is de geluidbelasting onder de Wet geluidhinder berekend op 30 dB inclusief 5 dB reductie voor de Nigtestraat dat is dus 35 dB zonder reductie. De geluidbelasting van de 30 km/ uur wegen bedraagt ten hoogste 46 dB dat is 51 dB exclusief reductie. Het geluid van alle wegen samen bedraagt dus 10*log(10^(51/10)+10^(35/10)) = 51 dB. Hiermee wordt dus aangetoond dat ook voldaan wordt aan de nieuwe standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. De licht gewijzigde meet- en rekenmethode doet daar niks aan af. ,
,
De conclusie dat een aanvullend (bouw)akoestisch onderzoek naar de geluidwering niet als noodzakelijk wordt geacht blijft staan. Daarnaast is er sprake van ETFAL. ,
4. 11
Milieubelastende activiteiten
4. 11. 1
Wettelijk kader
Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: • •
De bescherming van een goed woon- en leefklimaat en Het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten. ,
Milieuzonering maakt het mogelijk om regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten.
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 42 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling In het omgevingsplan dient te gemeente voor haar grondgebied op basis van de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl milieuwaarden en regels op te nemen. Deze milieuwaarden en regels gaan als standaard gelden voor de toegelaten milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten binnen de gemeente. Daarnaast kan er in aanvulling op de standaardregels aanvullende regels voor bedrijventerreinen en werkterreinen in het bijzonder voor geluid en geur. De aanvullende regels komen voort uit de systematiek voor milieuzonering zoals omschreven in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG van oktober 2024. In de handreiking wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen. ,
,
Binnen de handreiking wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten gebieden; bedrijventerreinen andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerreinen) en woongebieden. Binnen woongebieden wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee soorten; gemengd gebied met wonen en rustig woongebied. Nabij een rustig woongebied wordt de beschikbare gebruiksruimte voor geluid per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Voor het (maatgevende) thema geluid wordt voor een rustig woongebied uitgegaan van een langtijdgemiddelde geluidwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde per milieuhinderlijke activiteit in plaats van de standaardwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. ,
,
,
4. 11. 2
Onderzoek
De planlocatie is gelegen in een rustig woongebied. Het is in de ruimtelijke ordening gebruikelijk om rustige woongebieden extra te beschermen tegen hinder door geluid van milieuhinderlijke activiteiten. Bij een rustig woongebied wordt de “extra bescherming” bij de geluidszonering rond milieuhinderlijke activiteiten op een werkterrein vormgegeven door het standaard toepassen van een zone ‘geluid beperkt’ naast de zone ‘geluid basis’. Deze zone ‘geluid beperkt’ omvat een zone van 100 meter gemeten vanaf de grens van het rustig woongebied. Voor milieuhinderlijke activiteiten die geheel of gedeeltelijk binnen de zone ‘geluid beperkt’ liggen geldt een contour met een geluidwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter afstand van die milieuhinderlijke activiteit (in plaats van 50 dB(A)). Deze waarde geldt voor zover de contour binnen de zone ‘geluid beperkt’ ligt.
,
Wanneer een milieuhinderlijke activiteit binnen een afstand van 50 meter van een rustig woongebied ligt overlapt de afstand voor 45 dB(A) de grens van het rustige woongebied. Dat is ongewenst. Dit wordt dan als volgt geregeld: ,
•
•
De contour wordt afgekapt op de grens van het rustige woongebied. Dit leidt ertoe dat de geluidruimte in de richting van het rustige woongebied traploos kleiner wordt bij een kortere afstand tot het woongebied dan 50 meter. De contour voor de geluidruimte blijft in andere richtingen dan het rustige woongebied 45 dB(A) op 50 meter.
•
Voor zover de contour buiten de zone ‘geluid beperkt’ en buiten rustig woongebied ligt worden de beperkingen van het rustige woongebied opgeheven en wordt de waarde omgezet naar de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
In de omgeving zijn diverse bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van circa 200 meter van de planlocatie zijn geïnventariseerd. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied uitgaande van een gebiedstypering ‘rustige woonwijk’. ,
Tabel 5: Richtafstanden bedrijven , omgevingstype ‘rustige woonwijk’ Bedrijfsomschrijving
Adres
Afstand bouwvlak tot nieuwe woningen
(planlocatie) Rundveehouderij Dorpshuis
Nigtestraat 2b Bergsebaan 8
ca. 137 m ca. 175 m
Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025
Pagina 43 van 56
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Binnen 50 meter van de planlocatie is geen bedrijf gevestigd. De planlocatie ligt niet binnen de zonering van een in de omgeving gevestigd bedrijf. Bestaande omliggende en eventueel toekomstige bedrijven worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. ,
Vanuit bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat de planlocatie niet ligt binnen een belemmerende afstand van omliggende bedrijven. Door het voorliggend initiatief worden geen bedrijven in de omgeving in hun bestaande rechten beperkt en ter plaatse van de planlocatie kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4. 12