CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Omgevingsplanwijziging Klokbergsestraat.pdf

Gemeenteraad 22 oktober 2025, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5d: Voorstel 72 Vaststelling TAM(Tijdelijke Alternatieve Maatregel)-omgevingsplanwijziging Klokbergsestraat ongenummerd Nispen21.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Omgevingsveiligheid

4. 12. 1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt als er iets misgaat bij de productie de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. ,

,

,

Omgevingsveiligheid beschrijft alle risico’s die ontstaan als gevolg van opslag productie gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. ,

,

,

Binnen het aspect omgevingsveiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. ,

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door het aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de ongevalfrequentie en wordt uitgedrukt als een kans per jaar. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10 -6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10 -8 per jaar is wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. ,

Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Onder de Omgevingswet is er gekozen voor de benadering van het groepsrisico aan de hand van aandachtsgebieden. Volgens artikel 5. 12 van het Besluit ,

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 44 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling kwaliteit leefomgeving hebben risicovolle activiteiten van rechtswege aandachtsgebieden. aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

Deze

Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze worden inzichtelijk gemaakt op de kaart zodat direct duidelijk is welke gevaren waarop kunnen treden. Het bevoegd gezag heeft daardoor bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar explosiegevaar en gifwolken. ,

Kwetsbare functies Bij de beoordeling van het plaatsgebonden -en groepsrisico wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen kwetsbare gebouwen beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen kinderdagverblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Het realiseren van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. ,

,

,

,

Bij de ontwikkeling van een gebied dient er rekening te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. 4. 12. 2

Onderzoek

Figuur 16: Uitsnede risicokaart , provincie Noord-Brabant

Beoordeling Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie is gelegen in een gifwolkaandachtsgebied. Daarnaast is de planlocatie niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Het gifwolkaandachtsgebied wordt gecreëerd door SABIC Innovative Plastics B. V. Het kunststofproductiebedrijf is gelegen aan de Plasticslaan Poort 1 in Bergen op Zoom op een afstand van ca. 143 kilometer tot de planlocatie. In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij met name parameter. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw voldoende aandacht besteed wordt aan de luchtdichtheid ,

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

,

Pagina 45 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling van gebouwen.

Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De personen binnen de planlocatie zijn zelfredzaam. De invloed van het kunststofproductiebedrijf op het groepsrisico is nihil. Ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van vijf wooneenheden aan de Klokbergsestraat in Nispen. 4. 13

Trillingen

De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Overheden passen deze instructieregels toe als zij activiteiten toelaten op een locatie. Dit doen zij bijvoorbeeld bij het opstellen van een omgevingsplan. Artikel 5. 80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie ‘wonen’ aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie zoals woningen en verzorgingshuizen. In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ kan het aspect trillingen bij dergelijke gebouwen in de ruimtelijke inpassing wel een rol spelen. De nieuwe woningen aan de Klokbergsestraat kunnen worden gezien als trillinggevoelige gebouwen. ,

Trillingen door weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen zoals vrachtwagens en bussen kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden hiervoor geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. ,

,

,

,

,

,

De Klokbergsestraat bestaat uit klinkerverharding. Er geldt een maximumsnelheid van 30 km/h. Omdat de Klokbergsestraat een doodlopende weg betreft zal er nauwelijks (zwaar) verkeer zich bevinden in het gebied. Bestemmingsverkeer van zware omvang zal erg sporadisch zich over de Klokbergsestraat bevinden. Bouwwerken en onderdelen van bouwwerken zijn ingedeeld naar bouwkundige staat betreffende de gevoeligheid voor trillingen. Er is sprake van een hogere gevoeligheid indien door veroudering verbouwingen of andere oorzaken de sterkte in onderdelen is afgenomen (slechte " staat)" of de spanningen zijn toegenomen (initiële " spanningen). " ,

Voor de fundering zijn aparte grenswaarden opgenomen met betrekking tot de kans op zettingen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen trillingsgevoelige funderingen (met een kans op zettingen) en niet trillingsgevoelige funderingen waarvoor trillingen niet kunnen leiden tot zettingen van de bodem. De grenswaarden zijn alleen van toepassing op trillingsgevoelige funderingen. Als een fundering niet trillingsgevoelig is is geen beoordeling nodig van de trillingssnelheid en trillingsversnelling van de fundering met het oog op de kans op zettingen. ,

De woningen worden evenals de fundering nieuw gerealiseerd. Er hoeft daarom geen nader onderzoek te worden uitgevoerd. Er kan met zekerheid gesteld worden dat de fundering niet trillingsgevoelig is. ,

4. 14

Beschermen van de gezondheid

4. 14. 1

Veehouderijen

Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden.

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 46 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof stank endotoxinen en zoönose. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönose zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep MRSA BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries RIVM Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden. Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017.

De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. ,

,

,

,

,

,

,

,

Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 15 tot 2 km van geitenveehouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. ,

In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. ,

Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0’. ,

,

,

In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze staan beschreven in paragraaf 5. 9 en 5. 8. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen. Doormiddel van het bovenbeschreven stappenplan is bekeken of er voor de planlocatie een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit GGD wenselijk is. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de gezondheidsrisico’s naar verwachting erg laag. Er is geen sprake van een hoge concentratie van veehouderijen in de directe omgeving. Daarnaast spelen de grootste gezondheidsrisico’s bij de intensieve veehouderijen. De planlocatie is niet gelegen binnen een cirkel van 2 km van een geitenhouderij. Ook is de planlocatie niet gelegen binnen een cirkel van 1 km van een pluimveehouderij. De planlocatie is daarnaast niet gelegen binnen 250 meter van overige intensieve veehouderijbedrijven.

Iedere veehouderij moet voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten zoals ammoniakuitstoot geur fijnstof aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen aan- en afvoer van meststoffen geluid brandveiligheid etc. Indien een veehouderij niet voldoet zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag ,

,

,

,

,

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

,

, ,

,

Pagina 47 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Het plangebied ligt niet binnen de radius van 2 km van een geitenhouderij en niet binnen de radius van 1 km van een pluimveehouderij. De woningbouwontwikkeling aan de Klokbergsestraat wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening passend geacht. ,

4. 14. 2

Spuitzones

In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels luizen en andere vormen van ongedierte. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt waarbij voornamelijk neerwaarts wordt ,

,

gespoten.

In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden getoetst aan de eisen voor een goed en veilig woon- en leefklimaat op de te wijzigen locatie. De VNG-publicatie geeft voor boomteeltbedrijven een richtafstand van 30 meter. De minimale afstand tussen boomgaarden en nabijgelegen gevoelige objecten is niet wettelijk vastgelegd. Door het ontbreken van wetgeving is op basis van jurisprudentie van de Raad van State een vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische bedrijven waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies niet onredelijk is. Deze 50 meter richtafstand is afkomstig van de open fruitteelt uit de Betuwe en is inmiddels al meer dan 20 jaar oud. Volgens vaste rechtspraak kan gemotiveerd worden afgeweken van de afstand van 50 meter mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt op basis van specifieke omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen onder andere het type gewasbeschermingsmiddel de spuittechniek de windrichting de bladsituatie van de fruitbomen (vol of kaal) gehinderde (beperkt of kort van duur) een windhaag groenhaag sloot en dergelijke. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen.

Verder is het relevant om te melden dat in de tijd van het bepalen van de 50 meter richtafstand veel minder rekening gehouden werd met de toepassing van drift reducerende spuitmethoden en dat de toelatingsprocedure van (schadelijke) gewasbeschermingsmiddelen veel minder streng was. De wet- en regelgeving voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de laatste jaren flink aangescherpt en deze trend duurt nog steeds voort. Er worden steeds meer en betere driftbeperkende technieken gebruikt en minder schadelijke middelen. De les in de praktijk is dus dat de richtafstand van 50 meter die ooit in de jurisprudentie is opgenomen al lang niet meer in beton gegoten is. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Ter plaatse van de Klokbergsestraat ong. is momenteel een onbebouwd perceel gesitueerd. Voorheen bestond de planlocatie uit een paardenrijbak met enkele kleine bijgebouwen. Het voorliggend omgevingsplan voorziet in de toevoeging van vijf grondgebonden woningen aan de Klokbergsestraat te Nispen. De planlocatie is direct aansluitend aan landbouwgronden gelegen hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden zoals fruitboomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor. ,

,

,

De wet- en regelgeving voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de laatste jaren flink aangescherpt en deze trend duurt nog steeds voort. Er worden steeds meer en betere driftbeperkende technieken gebruikt en minder schadelijke middelen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt daarnaast eisen aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in open teelt. In het besluit staat dat een spuittechniek moet worden toegepast die de drift met ten minste 75% (vanaf 1 januari 2018 verplicht) dan wel 90 % reduceert ten opzichte van de vastgestelde referentietechniek. In Nederland wordt daarom doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 48 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 95% gehaald afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling). Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor een ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De vraag die gesteld kan worden is of de richtafstand van 50 meter die in het verleden ontstaan is door jurisprudentie nog wel steeds actueel is. om

,

,

,

,

Voor het initiatief aan de Klokbergsestraat ong. is de actuele situatie in beeld gebracht. Binnen 50 meter afstand van de te realiseren wooneenheden zijn diverse agrarische gronden gelegen waar mogelijk sprake kan zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het perceel RSD sectie F nummer 3949 aan de zuidelijke begrenzing van de planlocatie wordt in de huidige situatie ingezet ten behoeve van het grazen van vee en bestaat dus uit grasland. Aangezien de gronden op dit perceel bedoeld zijn voor ‘Agrarisch’ gebruik is het in de toekomst aannemelijk dat deze gronden agrarisch gebruikt kunnen worden en dus bestemd zijn voor onder andere grondgebonden teeltbedrijven en verbrede landbouw. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen voor de toekomstige woningen aan de Klokbergsestraat wordt er aan de oostelijke en zuidelijke begrenzing met de aangrenzende percelen een dubbele knip-scheerhaag landschappelijk ingepast. De haag bestaat uit een aaneengesloten begroeiing van de Fagus Sylvatica (Gewone beuk). Deze soort blijft niet wintergroen maar houdt wel zijn bladeren vast in de winter tot dat er nieuwe bladeren aangroeien. De beukhaag heeft een hoogte van minimaal 150 centimeter en een breedte van ca. 3 meter.

Gesteld kan worden dat deze haag voor een gedeelte fungeert als windhaag ten opzichte van drift welke vanuit het zuidelijk en oostelijk gelegen perceel mogelijk kan ontstaan. ,

,

,

,

,

,

Het perceel RSD sectie R nummer 1001 ten westen van de planlocatie wordt in de huidige situatie ingezet ten behoeve van het grazen van hobbymatig vee en bestaat dus overwegend uit grasland. Aangezien de gronden op dit perceel bedoeld zijn voor ‘Agrarisch’ gebruik is het in de toekomst aannemelijk dat deze gronden agrarisch gebruikt kunnen worden en dus bestemd zijn voor onder andere grondgebonden teeltbedrijven en verbrede landbouw. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen voor de toekomstige woningen aan de Klokbergsestraat wordt er aan de voorkant van de woningen een dubbele knip-scheerhaag landschappelijk ingepast. De haag bestaat uit een aaneengesloten begroeiing van de Fagus sylvatica (Gewone beuk). Deze soort blijft niet wintergroen maar houdt wel zijn bladeren vast in de winter tot dat er nieuwe bladeren aangroeien. De beukhaag heeft een hoogte van ca. 80/100 centimeter en een breedte van maximaal 3 meter. Gesteld kan worden dat deze haag voor een gedeelte fungeert als windhaag ten opzichte van drift welke vanuit het westelijk gelegen perceel mogelijk kan ontstaan. ,

,

,

,

,

,

Gelet op alle bovenstaande factoren wordt de nieuwe situatie op de planlocatie verbeterd ten opzichte van de huidige situatie. Nieuwe beukhagen worden toegevoegd in ingepast op de planlocatie. Het is voorstelbaar dat de planlocatie in relatie tot de omliggende agrarische gronden geen negatief effect ervaart met betrekking tot drift. Bij de planlocatie speel het landschappelijke inpassen van de beukhagen rondom de nieuw te realiseren woningen een positieve rol. Het aspect drift dient hierdoor geen belemmering te vormen voor realisatie van het initiatief. ,

4. 14. 3

Conclusie

Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 49 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de voorgaande paragrafen gemotiveerd.

,

geur ,

In onderhavige motivering is aangetoond dat er op de planlocatie sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Voor de milieuaspecten archeologie bodem geluid ecologie en stikstof is er zelfs een onderzoek uitgevoerd. ,

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

,

,

Pagina 50 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5. 1

Belangenafweging

en

conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een taak die primair bij de gemeente ligt. Wanneer een provincie waterschap of het Rijk een projectbesluit vaststelt ligt deze taak bij die betreffende overheid (artikel 5.53 eerste lid Omgevingswet). ,

,

,

,

Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. ,

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan wordt bereikt door: • regels aan activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het grondgebied. • functieaanduidingen met de toegelaten activiteiten (met regels) te koppelen gekoppeld aan locaties Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente hoeft niet alle regels die bijdragen aan het bereiken van het evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan op te nemen. Regels van het Rijk de provincies en de waterschappen dragen ook bij aan een evenwichtige regulering van activiteiten. Bij het vaststellen van het omgevingsplan moet de gemeente hier rekening mee houden. Dat geldt ook voor de regels die een gemeente in andere verordeningen heeft gesteld. Het is niet nodig – en soms ook niet mogelijk – om regels te stellen in het omgevingsplan die ergens anders al zijn gesteld. Al die regels samen dragen bij aan het tot stand te brengen evenwicht. ,

,

Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

In onderhavige motivering is aangetoond dat er op de planlocatie sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Voor de milieuaspecten archeologie bodem geluid ecologie en stikstof is er zelfs een onderzoek uitgevoerd. ,

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

,

,

Pagina 51 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 6 6. 1

Economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Vanuit de Omgevingswet gelden de volgende vereisten: de ruimtelijke ontwikkeling mag niet evident financieel onuitvoerbaar zijn en; 1. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat moet het 2. kostenverhaal verzekerd zijn. ,

,

6. 1. 1

Financieel uitvoerbaarheid

Het onderhavige TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van vijf grondgebonden woningen. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan het eerste vereiste voldaan 6. 1. 2

Kostenverhaal

Voorliggende motivering betreft een particulier initiatief waarbij de kosten voor de ontwikkeling direct voor de ontwikkelende partij zijn. Voor zover door de gemeente kosten worden gemaakt zijn deze afgedekt op basis van een anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten wordt. Deze overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan ,

6. 1. 3

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. Nadeelcompensatie gaat over de schade die de overheid rechtmatig veroorzaakt. Bijvoorbeeld langdurige wegopbrekingen of ernstige hinder door de aanleg van een metrostation. Maar ook bouwplannen waardoor aangrenzende woningen in waarde dalen. ,

Schade komt alleen voor vergoeding in aanmerking als: De schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico. Dit heet de abnormale last. De schade iemand in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. Dus de last drukt onevenredig zwaar op een beperkte groep burgers of bedrijven. Dit is de speciale last. Het gaat dus niet over schade door onrechtmatig handelen van de overheid. Het Burgerlijk Wetboek regelt de schadevergoeding voor onrechtmatig overheidshandelen. De regels over nadeelcompensatie in afdeling 15. 1 van de Omgevingswet zijn een aanvulling op deze algemene regeling uit de Awb. De regels over nadeelcompensatie in de Omgevingswet hebben voorrang op de regels in de Awb. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 52 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

-

die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15. 1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15. 1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld: een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan; een projectbesluit; waterschapsverordening omgevingsverordening of algemene een regel in het omgevingsplan maatregel van bestuur. Deze moeten rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; een maatwerkvoorschrift; een programma dat een rechtstreekse titel is voor activiteiten zoals een beheerplan voor een Natura 2000-gebied; ,

,

,

Omgevingsvisies en instructieregels zijn bijvoorbeeld geen schadeoorzaken. Deze instrumenten hebben rechtstreekse rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven. 6. 1. 4

geen

Conclusie

De economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 53 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 7 7. 1

Uitwerking in het omgevingsplan

Uitwerking in het omgevingsplan

De gemeente is bezig met het opstellen van een nieuw omgevingsplan voor de gehele gemeente. Inhoudelijk sluiten de regels in dit TAM-omgevingsplan aan op de regels die we voor het (nieuwe) omgevingsplan aan het opstellen zijn. Om te voorkomen dat al te grote verschillen ontstaan tussen de TAM-omgevingsplannen en de regeling in het omgevingsplan later is het van belang dat deze standaard als uitgangspunt wordt gebruikt. Het prototype is voor nu alleen nog gericht op wonen en openbaar gebied. Wanneer voor een andere ontwikkeling dan woningbouw een TAM-omgevingsplan moet worden opgesteld is een aanvulling van het prototype vereist. ,

In alle gevallen dat afgeweken wordt van het prototype wordt door de gemeente bepaald of en hoe de afwijking opgenomen wordt in het prototype. Zo kan worden bepaald of het gaat om een aanpassing die generiek moet worden doorgevoerd ook in het prototype omgevingsplan of dat het slechts betrekking heeft op de specifieke ontwikkeling. Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan zullen niet alle regels uit het prototype benodigd zijn. Het is de bedoeling dit prototype als bibliotheek te gebruiken en de regels over te nemen die relevant zijn. Een TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan conform de Omgevingswet maar wordt opgesteld met techniek van de bestemmingsplannen. Dit heeft te maken met het feit dat bepaalde functionaliteiten in de software nog ontbreken en de gebruiksvriendelijkheid van het nieuwe digitale loket nog erg slecht is. De TAM-omgevingsplannen zijn een tijdelijke alternatieve maatregel totdat de omgevingsplansoftware en het digitale loket verder ontwikkeld zijn. Het TAM-omgevingsplan vormt een apart hoofdstuk in het omgevingsplan. Het eerste TAM-omgevingsplan krijgt hoofdstuk 22A het tweede TAMomgevingsplan krijgt hoofdstuk 22B en zo verder. Op termijn worden de TAM- omgevingsplannen geheel geïntegreerd in het omgevingsplan. ,

,

Het TAM-omgevingsplan lijkt dus vanwege de oude techniek op een bestemmingsplan plan is als volgt ingedeeld.

,

maar

is dit zeker niet. Het

Het plan start met een Pre-ambule. Daarna volgen de juridische regels in de verschillende hoofdstukken. De hoofdstukken hebben de volgende inhoud: Hoofdstuk 1: Inleidende regels: reken- en meetbepalingen begrippen en toepassingsbereik; Hoofdstuk 2: Regels voor de functies openbaar gebied en de functie wonen; Hoofdstuk 3: Gebruiksactiviteiten: verboden gebruiksactiviteiten en de gebruiksactiviteiten bij wonen; Hoofdstuk 4: Bouwen: algemene regels voor bouwen bouwen bij wonen en bouwen in het openbaar gebied; ,

,

Hoofdstuk 5: Hoofdstuk 6: Hoofdstuk 7:

Waarden- en beperkingengebieden: archeologie molenbiotoop en luchtvaartverkeerzone; Algemene regels: anti-dubbeltelregel aanvullende beoordelingsregels voor bouwen aanvullende aanvraagvereisten en parkeren; Overgangsregels: overgangsrecht bouwwerken en overgangsrecht gebruik. ,

,

Aan de opbouw van het TAM-omgevingsplan wordt de indeling van het nieuwe omgevingsplan al wat meer duidelijk. Zo worden functies gebruikt om aan te sluiten om de voormalige bestemmingen maar geven alleen aan waar de functie voor bedoeld is. De activiteiten worden gesplitst in aparte hoofdstukken. Ook dubbelbestemmingen komen niet meer voor maar vallen nu onder waarden- en beperkingengebieden. De algemene regels vullen de specifieke regels verder aan. ,

7. 2

Procedure TAM-omgevingsplan

Nadat het concept voor de omgevingsplanwijziging is beschikbaar is gesteld voor participatie kan het ontwerp ter inzage wordt gelegd (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 54 van 56

,

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling deze periode kan iedereen op het TAM-omgevingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of en zo ja in hoeverre het Omgevingsplan aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het Omgevingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. ,

,

Na vaststelling wordt het TAM-omgevingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. ,

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 55 van 56

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 8

Participatie

Participatie betreft het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers bedrijven maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit in en/of met de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Dit betekent niet dat partijen het met elkaar eens moeten worden. Het doel van participatie is om zo vroeg mogelijk belangen en ideeën op te halen. ,

Participatie zorgt voor een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben zoals bijvoorbeeld omwonenden scholen en aangrenzende bedrijven. Participatie is er specifiek op gericht om alle wensen belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in verdere planvorming.

,

,

,

,

Wanneer mensen of organisaties worden betrokken bij een initiatief dan wordt dat ‘Participatie’ genoemd. Op basis van de invloed/impact van het initiatief op de omgeving wordt het participatieniveau bepaalt. Het participatieplan is uitgevoerd door de initiatiefnemer. Daarbij is het plan mondeling toegelicht bij alle aanwonenden in de omgeving. In bijlage 7 is het participatieplan toegevoegd. De omwonenden hebben allen positief gereageerd op het initiatief.

Motivering Omgevingsplan “Klokbergsestraat ong. ”| 28-05-2025

Pagina 56 van 56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1784/documents/50455