56-2020 Stand van zaken themalijnen bestaanszekerheid.pdf
Tekst van het document
120% Wsm
130% Wsm
3% Alleenstaande
10% 13% 3%
Alleenstaande ouder
7% 7% 3%
Paar zonder kinderen
6% 6% 3%
Paar met kinderen
5% 1%
Werken financieel meest aantrekkelijk voor alleenstaanden, minst voor paren met kinderen Alleenstaanden en paren zonder kinderen gaan er bij iedere vooruitgang in loon (tot 130 procent Wsm) ook in totaal inkomen telkens op vooruit: een hoger loon leidt altijd tot een hoger totaal inkomen. Alleenstaanden gaan er bij ieder hoger inkomen relatief gezien het meest van alle huishoudtypen op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie. Voor huishoudens met kinderen loont werken tegen een hoger loon niet altijd. Bij een loon gelijk aan 130 procent Wsm hebben alleenstaande ouders een iets lager totaal inkomen dan bij een loon gelijk aan 120 procent Wsm ( - € 23). Paren met kinderen hebben bij een loon van 130 procent Wsm een lager totaal inkomen dan bij een loon van zowel 110 als 120 procent Wsm. Ze gaan er ten opzichte van de bijstandssituatie wel op vooruit, al is dit niet meer dan enkele tientjes.
Conclusies Op basis van de Armoedemonitor is een aantal doelgroepen te onderscheiden: •
•
Ofschoon 74 procent van de minimahuishoudens een huishouden zonder kinderen is, blijven gezinnen met kinderen een belangrijke doelgroep voor het armoedebeleid: 14 procent van alle gezinnen in de gemeente heeft een inkomen tot 120 procent Wsm en 15,5 procent van alle kinderen tot 18 jaar in de gemeente groeit op in armoede. Onder (kinderen in) eenoudergezinnen zijn deze aandelen nog hoger, zij hebben ongeveer vier keer zoveel kans om in armoede op te groeien dan in (kinderen in) twee-ouder gezinnen. Ook onder kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is het aandeel dat opgroeit in een minimagezin (41 procent) een stuk hoger dan onder kinderen met een andere achtergrond. Hetzelfde geldt voor alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond: zij zijn oververtegenwoordigd in de minimapopulatie. Ook maken zij vaker dan gemiddeld van de verschillende minimaregelingen gebruik.
6 De percentages in de grafiek zijn (voor de leesbaarheid) afgerond op hele getallen. Daarom zijn niet alle
staven met dezelfde percentages even groot. 7 Ook hier geldt dat de daadwerkelijke terugval in inkomsten uit de lokale regelingen minder zal zijn omdat niet iedereen van alle regelingen gebruik maakt. Huishoudens zullen er in de praktijk dus in de meeste gevallen er meer op vooruitgaan dan hier weergegeven.
13
Gemeente Roosendaal
• •
•
•
Versie 0.3
Alleenstaanden zonder kinderen: meer dan de helft van de minima is alleenstaand (38 procent van alle minima is alleenstaand en jonger dan de AOW-leeftijd). Voor hen is er nu geen specifieke participatie bevorderende regeling beschikbaar. De minimapopulatie is niet evenredig verdeeld over de verschillende wijken in de gemeente. In Roosendaal Noord is het aandeel minima met 21 procent het hoogst, gevolgd door Roosendaal West, waar 18 procent van alle huishoudens een minimuminkomen heeft. In de dorpen is 5 procent van alle huishoudens in beeld als minimahuishouden. Niet-bijstandsgerechtigden zijn een belangrijke doelgroep voor het armoedebeleid. Van de huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm heeft minder de dan helft een uitkering vanuit de Participatiewet. Een derde van alle minimahuishoudens is afhankelijk van een ander inkomen, bijvoorbeeld als zelfstandig ondernemer, inkomen vanuit loon of een uitkering zoals WW en arbeidsongeschiktheid. Langdurige minima: 73 procent heeft 3 jaar of langer een inkomen van maximaal 120 procent Wsm. Deze groep heeft weinig perspectief op positieverbetering.
Op pagina’s 16 tot en met 23 zoomen we verder in op vier van deze doelgroepen omdat ze oververtegenwoordigd zijn in de minimapopulatie (eenoudergezinnen, minima met een nietwesterse migratieachtergrond, minima uit Roosendaal Noord) of omdat ze in aantal een grote groep vormen binnen de minimapopulatie (alleenstaanden jonger dan de AOW-leeftijd). Van deze doelgroepen geven we de verdeling naar kenmerken weer evenals het bereik van regelingen onder deze doelgroep8. Minimaregelingen • De meeste regelingen hebben een goed bereik onder de doelgroep. Ook het aantal regelingen dat minimahuishoudens gebruik (cumulatief gebruik) is goed te nomen, met name van de regelingen voor volwassenen; • Ook mensen die gebruikmaken van de Voedselbank weten de gemeente goed te vinden: zij maken gebruik van de bijstand en/of van de regelingen. Daarnaast maken 276 ZZP’ers gebruik van het minimabeleid; • Minima die gebruik willen maken van de collectieve zorgverzekering kunnen kiezen uit twee pakketten. Beide pakketten bieden vrij uitgebreide vergoedingen en beide vergoeden de eigen bijdrage Wmo/Wlz. De pakketten zijn hierdoor minder geschikt voor minima die minder zorgkosten maken en dus een minder uitgebreid pakket nodig hebben (en dus voldoende hebben aan een goedkoper pakket); • Op dit moment is er geen participatieregeling voor volwassenen.
Gemeenten die wel een dergelijke regeling hebben bereiken daarmee meestal 34 - 40 procent van de doelgroep; • In de meeste gezinnen die gebruikmaken van Stichting Leergeld hebben meerdere kinderen een verstrekking vanuit Leergeld gekregen. Bij Stichting Paul is dat minder vaak het geval, daar is het aantal kinderen per gezin dat hiervan gebruikmaakt een stuk lager (hetzelfde geldt voor het Jeugdfonds Cultuur). Inkomenseffecten en armoedeval Werken vanuit de bijstand tegen een loon van 110, 120 of 130 procent Wsm loont. Echter, voor huishoudens met kinderen loont werken tegen een hoger loon niet altijd, zij krijgen soms te maken met de zogenaamde armoedeval (bij een hoger inkomen neemt hun totale inkomen juist af). Voor alleenstaande ouders is dit het geval als hun loon stijgt van 120 naar 130 procent Wsm. Paren met kinderen hebben bij een loon van 130 procent Wsm een lager totaal inkomen dan bij een loon van zowel 110 als 120 procent Wsm. Dit komt omdat bij een inkomen hoger dan 120 procent Wsm, het recht op alle minimaregelingen in een keer vervalt. Omdat de gemeente een uitgebreid pakket aan kindregelingen kent betekent dit dat een aanzienlijk bedrag hiervan voor minimagezinnen wegvalt. Daarnaast hebben meerpersoonshuishoudens nog te maken met een afname van de toeslagen van het Rijk.
Overigens is de (financiële) invloed van de gemeente een stuk lager dan die van het Rijk; het bedrag dat minima vanuit de gemeentelijke regelingen kunnen krijgen is minder dan het bedrag aan landelijke toeslagen.
8 Het betreft hier het bereik onder de minimahuishoudens die de gemeente in beeld heeft.
14
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Aanbevelingen •
•
•
•
Minima die gebruik willen maken van de collectieve zorgverzekering kunnen kiezen uit twee pakketten. Beide pakketten bieden vrij uitgebreide vergoedingen en vergoeden de eigen bijdrage Wmo/Wlz. De pakketten zijn hierdoor minder geschikt voor minima die minder zorgkosten maken (en dus voldoende hebben aan een goedkoper pakket). De gemeente kan overwegen ook een derde pakket met een goedkopere premie aan te bieden voor minima met minder (hoge) zorgkosten. Zorgverzekeraars zijn voornemens om de collectiviteitskorting af te schaffen, waardoor onzeker is hoe voordelig (en zinvol) de collectieve zorgverzekering voor minima in de toekomst is. Een andere mogelijkheid is daarom om minima aan het eind van het jaar te begeleiden met de keuze voor een (nieuwe) zorgverzekering die het beste bij hun past – en daarbij ook te kijken naar ‘reguliere’ zorgverzekeringen. Dit is bijvoorbeeld wat de gemeente Emmen doet; Op dit moment is er geen participatieregeling voor volwassenen, terwijl wel 54 procent van de minima alleenstaande is. De gemeente kan overwegen om een participatieregeling in te stellen om met name ook de doelgroep (oudere) alleenstaanden in staat te stellen om te participeren in de samenleving.
Dit kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld via een bijdrageregeling maatschappelijke activiteiten, een webshop voor minima of een algemene kortingspas; Minimakinderen kunnen van 4 verschillende kindregelingen gebruikmaken, een behoorlijk volledig aanbod. Tegelijkertijd kan het bereik van deze kindregelingen nog hoger. De vier regelingen worden door vier verschillende organisaties uitgevoerd en dat kan verwarrend zijn richting de doelgroep. Zorg er daarom voor dat de toegang goed geregeld is, eventueel via één centraal toegangspunt. Ook is het belangrijk dat de organisaties onderling goed naar elkaar doorverwijzen. Tenslotte is communicatie belangrijk, ook hierin kan worden overwogen om meer samen te werken in de communicatie-uitingen van de verschillende regelingen. Zorg ervoor dat de informatieuitingen simpel en duidelijk zijn (ook voor inwoners die in meer of mindere mate moeite hebben met de Nederlandse taal) en zorg voor voldoende vindplaatsen van de informatie; Zorg voor aparte communicatie en informatievoorzieningen per doelgroep. Een derde van de minimahuishoudens is afhankelijk van een ander inkomen, bijvoorbeeld als zelfstandig ondernemer, inkomen vanuit loon of een uitkering zoals WW en arbeidsongeschiktheid. In tegenstelling tot bijstandsgerechtigden hebben zij geen klantmanager / directe informatiebron bij de gemeente.
AOW’ers vormen hier nog weer een derde groep in. Veel minima met AOW maken alleen gebruik van de collectieve zorgverzekering. Benader ook deze doelgroep op een manier die bij hun past zodat alle minimahuishoudens weten waar zij recht op hebben.
Uit de Inkomenseffect Rapportage blijkt dat werken tegen een hoger loon niet altijd loont omdat het recht op minimaregelingen in een keer vervalt en de toeslagen afnemen. Daarnaast is een groot deel van de minima in de gemeente langdurig minima. Om de uitstroom te bevorderen kan de gemeente een aantal mogelijkheden overwegen: • Een eerste mogelijkheid is te werken met een glijdende schaal voor inkomensgrenzen. Concreet houdt dit in dat bijvoorbeeld de inkomensgrens voor (een deel van de) (kind)regelingen wordt verruimd zodat niet in een keer het recht op alle regelingen vervalt bij een inkomen boven 120 procent Wsm; • Een andere mogelijkheid is een meer glijdende schaal voor de hoogte van de bijdragen in te voeren, waarbij de bijdrage naar rato afneemt naarmate het inkomen hoger wordt. Er zijn verschillende gemeenten die dit op dit moment aan het onderzoeken zijn; • Ontwikkelen van uitstroompremie om het zoeken naar betaald werk te stimuleren. Ook zou een overgangsregeling, waarbij minima na werkaanvaarding eenmalig (een deel van) de gemeentelijke bijdrage krijgen uitgekeerd waar zij eerst recht op hadden, een belemmering om aan het werk te gaan wegnemen. Deze regeling zorgt er dan voor dat de kosten voor werkaanvaarding (deels) worden weggenomen. • Versimpelen van de procedures voor cliënten met bijstand die bijverdienen.
Hierbij kan bijvoorbeeld gewerkt gaan worden met regelvrije of regelarme experimenten waarbij mensen een deel van de bijverdiensten mogen behouden. Dit kan afhankelijk worden gesteld van de uitgangspositie van de desbetreffende inwoner. 15
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
ALLEENSTAANDE OUDERS MINDERJARIGE KINDEREN
TOT
120%
WSM
MET
In de gemeente Roosendaal wonen 1.312 alleenstaande ouders met minderjarige kinderen – zij vormen 3,7 procent van alle huishoudens in de gemeente. In 2020 heeft de gemeente 482 alleenstaande ouders met een inkomen tot 120 procent Wsm in beeld. Dat betekent dat 37 procent van alle eenoudergezinnen een minimuminkomen heeft. Deze alleenstaande ouders vormen 11 procent van alle minimahuishoudens. Er wonen 855 kinderen tot 18 jaar in deze eenoudergezinnen. Van de 482 eenoudergezinnen met een minimuminkomen heeft 53 procent een bijstandsuitkering (258 huishoudens). De resterende 224 huishoudens hebben een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld uit een baan of WW-uitkering. 44 procent van de eenoudergezinnen met een inkomen tot 120 procent Wsm heeft een niet-westerse migratieachtergrond (214 huishoudens), 39 procent heeft een Nederlandse achtergrond en 17 procent heeft een westerse migratieachtergrond. Het merendeel van de eenoudergezinnen met een inkomen tot 120 procent Wsm heeft al drie jaar of langer een minimuminkomen, 338 huishoudens oftewel 70 procent van alle eenoudergezinnen in de minimapopulatie. 11 procent heeft korter dan een jaar een minimuminkomen.
20 procent van alle eenoudergezinnen met een minimuminkomen woont in de wijk Groot Kroeven (97 huishoudens). Daarna vinden we de meeste eenoudergezinnen in de wijken Noord (16 procent) en West (16 procent). Bereik regelingen vergeleken In onderstaande figuur wordt het bereik van de minimaregelingen onder alleenstaande ouders die minima zijn vergeleken met het bereik van minima die een ander huishoudtype vormen. Figuur S5. Bereik minimaregelingen eenoudergezinnen tegenover andere huishoudtypen
Bereik minimaregelingen Eenoudergezinnen
Overige huishoudens
Kwijtschelding
73%
Bijzondere bijstand
10%
19%
Individuele inkomenstoeslag
41%
54%
Collectieve zorgverzekering 38% 36%
Bijdrage schoolkosten 26% 21%
Stichting Paul Jeugdfonds Cultuur
54%
5% 3% 37% 37%
Stichting Leergeld
16
62%
85%
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Tabel S1. Kenmerken eenoudergezinnen en alle huishoudens, inkomen tot 120% Wsm EENOUDERGEZINNEN ALLE Categorie Aantal % MINIMAHH. Inkomensbron Participatiewet 258 53% 43% AOW 24% Overig inkomen 224 47% 33% Totaal 482 100% 100% Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
482
100% 100%
54% 11% 20% 15% 100%
187 81
39% 17%
49% 13%
214 482
44% 100%
38% 100%
Duur op minimuminkomen Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal
51 93 338 482
11% 19% 70% 100%
13% 14% 73% 100%
Wijken Centrum Dorpen Groot Kroeven Industriegebieden Kortendijk Langdonk Noord Oost Tolberg West Totaal
38 15 97 1 41 51 77 50 36 76 482
8% 3% 20% 0% 8% 11% 16% 10% 8% 16% 100%
11% 5% 17% 0% 11% 7% 16% 10% 7% 16% 100%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
482 -
17
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
ALLEENSTAANDE MINIMA TOT DE AOW-LEEFTIJD In de gemeente Roosendaal wonen 7.747 alleenstaanden tot de AOW-leeftijd – zij vormen 22 procent van alle huishoudens in de gemeente. Daarvan zijn 1.690 alleenstaanden met een inkomen tot 120 procent Wsm in beeld. Dat betekent dat 22 procent van alle alleenstaanden tot de AOW-leeftijd een minimuminkomen heeft. Alleenstaanden tot de AOW-leeftijd vormen 38 procent van de totale minimapopulatie.
Van de 1.690 alleenstaanden tot de AOW-leeftijd met een minimuminkomen heeft 57 procent een bijstandsuitkering (963 huishoudens). De resterende 224 huishoudens hebben een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld uit een baan of WW-uitkering.
56 procent van deze groep minimahuishoudens heeft een Nederlandse achtergrond (940 huishoudens), 31 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond en 13 procent heeft een westerse migratieachtergrond.
Twee derde van de alleenstaanden tot de AOW-leeftijd met een inkomen tot 120 procent Wsm heeft al drie jaar of langer een minimuminkomen, 1.128 huishoudens (67 procent). 13 procent heeft korter dan een jaar een minimuminkomen.
21 procent van alle alleenstaanden tot de AOW-leeftijd met een minimuminkomen woont in de wijk West (350 huishoudens). Daarna vinden we de meeste alleenstaanden in de wijken Noord (17 procent) en Centrum (16 procent).
Bereik regelingen vergeleken In onderstaande figuur wordt het bereik van de minimaregelingen onder alleenstaanden tot de AOW-leeftijd die minima zijn vergeleken met het bereik van minima tot de AOW-leeftijd die een ander huishoudtype vormen. Figuur S6. Bereik regelingen alleenstaanden < AOW tegenover andere huishoudtypen <AOW
Bereik minimaregelingen Alleenstaanden tot de AOW-leeftijd
Overige huishoudens tot de AOW-leeftijd 74% 70%
Kwijtschelding
Bijzondere bijstand
14% 14% 51% 49%
Individuele inkomenstoeslag
53% 55%
Collectieve zorgverzekering
18
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Tabel S2. Kenmerken alleenstaanden tot AOW-lft en alle huishoudens, inkomen tot 120% Wsm ALLEENSTAANDEN ALLE Categorie TOT AOW-LEEFTIJD MINIMAHH. Aantal % Inkomensbron Participatiewet 963 57% 43% AOW 24% Overig inkomen 727 43% 33% Totaal 1.690 100% 100% Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
1.690 1.690
100% 100%
54% 11% 20% 15% 100%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
940 219
56% 13%
49% 13%
531 1.690
31% 100%
38% 100%
Duur op minimuminkomen Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal
229 333 1.128 1.690
13% 20% 67% 100%
13% 14% 73% 100%
Wijken Centrum Dorpen Groot Kroeven Industriegebieden Kortendijk Langdonk Noord Oost Tolberg West Totaal
269 68 231 5 167 54 287 166 93 350 1.690
16% 4% 14% 0% 10% 3% 17% 10% 5% 21% 100%
11% 5% 17% 0% 11% 7% 16% 10% 7% 16% 100%
19
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
MINIMA IN DE WIJK NOORD In de wijk Noord wonen 3.467 huishoudens– zij vormen 9,7 procent van alle huishoudens in de gemeente. Daarvan zijn er 714 huishoudens in beeld als minima met een inkomen tot 120 procent Wsm. Dat betekent dat 21 procent van alle huishoudens in de wijk Noord een minimuminkomen heeft. In deze minimahuishoudens wonen 387 kinderen tot 18 jaar.
Van de 714 huishoudens in de wijk Noord met een minimuminkomen heeft 46 procent een bijstandsuitkering (332 huishoudens). Daarnaast heeft 34 procent een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld uit een baan of WW-uitkering en 20 procent krijgt AOW.
50 procent van huishoudens in Noord met een inkomen tot 120 procent Wsm heeft een niet-westerse migratieachtergrond (358 huishoudens), 35 procent heeft een Nederlandse achtergrond en 15 procent heeft een westerse migratieachtergrond.
Het merendeel van de minimahuishoudens in de wijk Noord heeft al drie jaar of langer een minimuminkomen, 525 huishoudens oftewel 74 procent van alle minimahuishoudens in de wijk Noord. 10 procent heeft korter dan een jaar een minimuminkomen.
51 procent van de minimahuishoudens in Noord vormt een alleenstaand huishouden, 18 procent heeft thuiswonende kinderen.
Bereik regelingen vergeleken In onderstaande figuur wordt het bereik van de minimaregelingen onder minima uit de wijk Noord vergeleken met het bereik van minima uit de andere wijken in de gemeente. Figuur S7. Bereik regelingen huishoudens in wijk Noord tegenover huishoudens andere wijken
Bereik regelingen wijk Noord
overige wijken 76% 74%
Kwijtschelding 11% 11%
Bijzondere bijstand
54% 50%
Individuele inkomenstoeslag
60% 62%
Collectieve zorgverzekering 36% 36%
Bijdrage schoolkosten 18%
Stichting Paul Jeugdfonds Cultuur
24%
2% 4% 41% 36%
Stichting Leergeld
20
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Tabel S3. Kenmerken huishoudens in wijk Noord en alle huishoudens, inkomen tot 120% Wsm WIJK NOORD ALLE Categorie Aantal % MINIMAHH. Inkomensbron Participatiewet 332 46% 43% AOW 141 20% 24% Overig inkomen 241 34% 33% Totaal 714 100% 100% Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
365 77 148 124 714
51% 11% 21% 17% 100%
54% 11% 20% 15% 100%
246 110
35% 15%
49% 13%
358 714
50% 100%
38% 100%
Duur op minimuminkomen Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal
71 118 525 714
10% 16% 74% 100%
13% 14% 73% 100%
Wijken Centrum Dorpen Groot Kroeven Industriegebieden Kortendijk Langdonk Noord Oost Tolberg West Totaal
714 714
100% 100%
11% 5% 17% 0% 11% 7% 16% 10% 7% 16% 100%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
21
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
MINIMA MET EEN NIET-WESTERSE MIGRATIEACHTERGROND In de gemeente Roosendaal hebben 4.314 huishoudens een nietwesterse migratieachtergrond – zij vormen 12,1 procent van alle huishoudens in de gemeente. Daarvan hebben in 2020 1.698 huishoudens een inkomen tot 120 procent Wsm in beeld. Dat betekent dat 39 procent van alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond een minimuminkomen heeft. Van de 1.698 minima met een niet-westerse migratieachtergrond heeft 51 procent een bijstandsuitkering (862 huishoudens). 32 procent heeft een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld uit een baan of WW-uitkering en 17 procent krijgt AOW.
38 procent van de minimahuishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond is alleenstaand (650 huishoudens) en 39 procent heeft thuiswonenden kinderen tot 18 jaar.
Het merendeel van minimahuishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond heeft al drie jaar of langer een minimuminkomen, 1.307 huishoudens oftewel 77 procent van minimahuishoudens met een dergelijke achtergrond. 8 procent heeft korter dan een jaar een minimuminkomen.
21 procent van alle minimahuishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond woont in de wijk Noord (21 procent). Daarna vinden we minima met een dergelijke achtergrond in de wijken West (19 procent) en Groot Kroeven (18 procent). Bereik regelingen vergeleken In onderstaande figuur wordt het bereik van de minimaregelingen onder minima met een nietwesterse migratieachtergrond vergeleken met het bereik van minima met een andere achtergrond (Nederlands of westerse migratieachtergrond). Figuur S8. Bereik regelingen huish. Niet-w migratieachtergrond tegenover andere huishoudens
Bereik regelingen niet-westerse migratieachtergrond
andere achtergrond
Kwijtschelding
70% 14% 10%
Bijzondere bijstand
52% 50%
Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering
59%
Bijdrage schoolkosten
26%
Stichting Paul Jeugdfonds Cultuur
28%
15% 2%
43%
6%
Stichting Leergeld
26%
22
43%
65%
81%
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Tabel S4. Kenmerken huish niet-westerse achtergrond en alle huish, inkomen tot 120% Wsm NIET-WESTERSE ALLE Categorie MIGRATIEACHTERGROND MINIMAHH. Aantal % Inkomensbron Participatiewet 862 51% 43% AOW 287 17% 24% Overig inkomen 549 32% 33% Totaal 1.698 100% 100% Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
650 214 391 443 1.698
38% 13% 23% 26% 100%
54% 11% 20% 15% 100%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
-
-
49% 13%
1.698 1.698
100% 100%
38% 100%
Duur op minimuminkomen Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal
138 253 1.307 1.698
8% 15% 77% 100%
13% 14% 73% 100%
Wijken Centrum Dorpen Groot Kroeven Industriegebieden Kortendijk Langdonk Noord Oost Tolberg West Totaal
120 30 308 2 161 165 358 163 64 327 1.698
7% 2% 18% 0% 9% 10% 21% 10% 4% 19% 100%
11% 5% 17% 0% 11% 7% 16% 10% 7% 16% 100%
23
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
1. Minima in beeld De gemeente Roosendaal hanteert voor het minimabeleid een bovengrens van 120 procent van het Wettelijk sociaal minimum9. In dit hoofdstuk beschrijven we de kenmerken van deze doelgroep.
1.1. Gemeente heeft naar schatting 93 procent van de doelgroep in beeld De Armoedemonitor brengt de minimahuishoudens in kaart op basis van bestanden van diverse registraties waarin minima voorkomen. Minima die in geen enkele registratie voorkomen, en die dus van geen enkele regeling of voorziening voor inwoners met een laag inkomen gebruikmaken, ontbreken daardoor in de Armoedemonitor. De gemeente heeft deze minima zelf ook niet in beeld (ze maken immers nergens gebruik van). Met behulp van de KWIZ Index hebben we een schatting gemaakt van de totale minimapopulatie in de gemeente. Deze Index is gebaseerd op ervaringscijfers van KWIZ, geëxtrapoleerde CBS-gegevens en gemeentelijke gebruikscijfers. Schatting aantal minima tot 120 procent Wsm Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% Tot 110% Tot 120%
In beeld in Armoedemonitor 3.363 n.b. 4.416
Schatting totaal aantal minima 3.400 4.000 4.750
Schatting inkomensbronnen alle minima Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Participatiewet AOW WW-ontvangers Arbeidsongeschikten Inkomen uit arbeid Inkomen uit eigen onderneming Totaal
Aantal huishoudens 1.910 1.225 150 540 675 250 4.750
Aandeel 40% 26% 3% 11% 14% 5% 100%
Naar schatting hebben 3.400 huishoudens in de gemeente een inkomen tot 100 procent Wsm en in totaal 4.750 huishoudens een inkomen tot 120 procent Wsm. Dat is 13,3 procent van alle huishoudens in de gemeente en dat ligt iets hoger dan het gemiddelde aandeel minima van 11 procent in gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners. De gemeente heeft 4.416 minima met een inkomen tot 120 procent Wsm in beeld (vanaf paragraaf 1.2 gaan we nader op deze groep in), dat is 93 procent van alle (geschatte) minima. Er zijn 334 minimahuishoudens niet in beeld, omdat deze groep van geen enkele regeling gebruik maakt. In de rest van dit hoofdstuk gaan we in op de minimahuishoudens die de gemeente in beeld heeft: 4.416 huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm.
9 Uitzondering is de bijzondere bijstand, bij een inwoners met een inkomen boven 120 procent Wsm wordt
daarvoor draagkracht berekend.
24
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
1.2. Ruim 12 procent van alle huishoudens is minima Op 1 juli 2020 heeft de gemeente Roosendaal 4.416 huishoudens in beeld die zijn aangewezen op een inkomen tot 120 procent Wsm. Deze minimahuishoudens vormen 12,4 procent van alle huishoudens in de gemeente. Het grootste deel van deze huishoudens heeft een inkomen tot 100 procent Wsm. Huishoudens naar inkomen in beeld in Roosendaal Inkomenspercentage Aantal % t.o.v. Wsm Tot 100% 3.363 9,4% 100% tot 120% 1.053 3,0% Subtotaal 4.416 12,4% Overig Totaal
31.216 35.632
87,6% 100%
Inkomensbron minima in beeld, inkomen tot 120% Wsm Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
2020 Aantal 1.910 1.041 1.465 4.416
% 43% 24% 33% 100%
Van alle minimahuishoudens in de gemeente heeft 43 procent (1.910 huishoudens) een bijstandsuitkering, 24 procent (1.041 huishoudens) heeft een AOW-uitkering en 1.465 huishoudens hebben een andere inkomensbron, zoals inkomen uit de WW of een kleine (bij-)baan. De verdeling naar inkomensbron ligt redelijk in lijn met dat in veel andere gemeenten (gemiddeld heeft maximaal zo’n 50 procent van de minimapopulatie een bijstandsuitkering, en rond de 30 procent een andersoortig inkomen).
25
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
1.2.2. Eenoudergezinnen zijn vaker dan gemiddeld minima Ruim de helft (54 procent) van de minimahuishoudens is een alleenstaand huishouden en een kwart van de minimahuishoudens heeft thuiswonende kinderen onder de 18 jaar (1.135 huishoudens, 26 procent). De minimapopulatie van 4.416 huishoudens heeft daarnaast de volgende kenmerken: 42 procent van de minimahuishoudens is tussen de 45 en de AOW-leeftijd en 24 procent heeft de AOW-gerechtigde leeftijd. Naar herkomst heeft bijna de helft een Nederlandse achtergrond, 38 procent een niet-westerse migratieachtergrond en 13 procent heeft een westerse migratieachtergrond. Gemiddeld gezien hebben eenoudergezinnen en huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond vaker dan andere huishoudens een inkomen tot 120 procent Wsm (zie de rechter kolom “Aandeel minima t.o.v. alle huishoudens”). Ruim een derde van alle eenoudergezinnen in de gemeente heeft een inkomen tot 120 procent Wsm, onder huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond heeft 39 procent een minimuminkomen. Tabel 1.1.3 Kenmerken minima in beeld, inkomen tot 120% Wsm Aantal
Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
2.374 482 907 653 4.416
54% 11% 20% 15% 100%
18% 37% 6% 9% 12%
Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal
332 1.184 1.859 1.041 4.416
7% 27% 42% 24% 100%
20% 14% 13% 9% 12%
2.148 570
49% 13%
8% 11%
1.698 4.416
38% 100%
39% 12%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
%
Aandeel
Categorie
minima t.o.v. alle huish.
* leeswijzer: van de 4.416 minimahuishoudens die in beeld zijn is 54 procent (2.374 huishoudens) alleenstaand. Afgezet tegen alle alleenstaande huishoudens in de gemeente laat de laatste kolom zien dat 18 procent daarvan een minimuminkomen heeft. Onder eenoudergezinnen is dat 37 procent.
Wijken In de wijk Groot Kroeven is het aantal minima met 765 huishoudens het grootst (17 procent van alle minima), gevolgd door Noord met 714 huishoudens (16 procent van het totaal). Afgezet tegen alle huishoudens per wijk is het aandeel dat minima is het hoogst in de wijk Noord (21 procent van de huishoudens in Noord is minima), gevolgd door de wijk West (18 procent). In de volgende figuur staat het aandeel minima per wijk weergegeven.
26
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Figuur 1.2.1. Aandeel minimahuishoudens in beeld per wijk, tot 120% Wsm
27
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
1.2. Bijna driekwart heeft langdurig een minimuminkomen In 2020 behoorden 3.217 minimahuishoudens (73 procent) tot de langdurige minima (tabel 1.2.1). Dit zijn minima die drie jaar of langer zijn aangewezen zijn op een inkomen tot maximaal 120 procent van het geldende sociaal minimum. Gemiddeld zien we in andere gemeenten een aandeel van 65 tot 70 procent van de minimapopulatie dat langdurig minima is. Het merendeel van de langdurige minima heeft een bijstandsuitkering en meer dan de helft is alleenstaand. Een op de drie langdurige minima heeft de AOW-leeftijd en bijna de helft heeft een Nederlandse achtergrond. Gemiddeld gezien zijn minima met AOW, minimahuishoudens zonder kinderen en minimahuishoudens met een niet-westerse achtergrond vaker langdurig op een minimuminkomen aangewezen dan minima met andere kenmerken (zie de kolom “Aandeel langdurige minima t.o.v. alle minima”). Tabel 1.2.1 Kenmerken langdurige minima in beeld, inkomen tot 120% Categorie
Aandeel langdurige Aantal
%
555 644 3.217 4.416
13% 14% 73% 100%
Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
1.289 995 933 3.217
40% 31% 29% 100%
67% 96% 64% 73%
Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
1.789 338 669 421 3.217
56% 10% 21% 13% 100%
75% 70% 74% 64% 73%
Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal
119 745 1.358 995 3.217
4% 23% 42% 31% 100%
36% 63% 73% 96% 73%
1.522 388
47% 12%
71% 68%
1.307 3.217
41% 100%
77% 73%
Duur op minimuminkomen Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal
minima t.o.v. alle minima
Langdurige minima
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
1.3. De gemeente heeft 276 ZZP’ers met minimuminkomen in beeld In 2020 zijn er in de gemeente Roosendaal 3.075 huishoudens waarvan één of meer personen bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staan als ZZP’er 10. Daarvan zijn 276 huishoudens (9 procent) bij de gemeente in beeld als minimahuishouden (zij zijn ook terug te vinden in een of meerdere bestanden met daarin de minima in de gemeente). 10 KWIZ heeft dit bestand opgevraagd bij de Kamer van Koophandel.
28
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
In deze paragraaf geven we een aantal kenmerken van álle ZZP’ers die bij de Kamer van Koophandel zijn ingeschreven, als van de ZZP’ers die we terugvinden in een regelingen of voorzieningen voor minimahuishoudens. ZZP’ers die wél een minimuminkomen hebben, maar geen gebruikmaken van een regeling of voorziening voor minima, zijn voor dit onderzoek niet als minimahuishouden in beeld. ZZP’ers naar inkomen in beeld Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% 100% tot 120% Totaal minima tot 120%
Aantal
Overig Totaal
%
227 49 276
7,4% 1,6% 9,0%
2.799 3.075
91,0% 100%
Kenmerken ZZP’ers Minima ZZP’ers in beeld Aantal %
Categorie
Alle ZZP’ers Aantal
%
22% 8% 40% 30% 100%
501 85 1.466 1.023 3.075
16% 3% 48% 33% 100%
120 134 22 276
43% 49% 8% 100%
1.043 1.674 358 3.075
34% 54% 12% 100%
150 43 83 276
54% 16% 30% 100%
2.235 492 348 3.075
73% 16% 11% 100%
Inkomensbron Participatiewet AOW Andere inkomensbron Totaal
191 22 63 276
69% 8% 23% 100%
Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
59 22 111 84 276
Leeftijd tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
De meeste ZZP-huishoudens die terug te vinden zijn in de minimapopulatie krijgen (ook) een bijstandsuitkering (69 procent). Ruim twee derde van deze huishoudens heeft thuiswonende kinderen en 30 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Gebruik regelingen onder ZZP’ers De ZZP’ers kunnen, mits ze voldoen aan de inkomensgrenzen, gebruikmaken van de minimaregelingen van de gemeente. Gebruik regelingen door ZZP’ers Regeling Kwijtschelding Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag
Gebruik ZZP-huishoudens 46 12 19 29
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Regeling Collectieve zorgverzekering Bijdrage schoolkosten Stichting Leergeld Stichting Paul Jeugdfonds Cultuur
Gebruik ZZP-huishoudens 71 5 14 7 1
30
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
2. Minimakinderen tot 18 jaar in beeld In dit hoofdstuk geven we het aantal kinderen tot 18 jaar weer dat in 2020 opgroeit in een minimahuishouden11.
2.1. Vijftien procent van alle kinderen groeit op in een minimahuishouden In 2020 groeien 2.220 kinderen tot 18 jaar op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm, dat is 15,5 procent van alle kinderen in de gemeente. Dit ligt hoger dan het gemiddelde dat we zien gemeenten van vergelijkbare grootte (11 à 12 procent). Tenslotte wonen er gemiddeld (afgerond) 2 kinderen tot 18 jaar in een minimagezin. In alle gezinnen in de gemeente is dat gemiddeld 1,7 kind. Ook in de meeste andere gemeenten is het aantal kinderen in minimagezinnen hoger dan het aantal kinderen in niet-minimagezinnen en deze gemiddelden in de gemeente Roosendaal wijken daarin niet sterk af van andere gemeenten. Ten opzichte van andere gemeenten van vergelijkbare grootte is het totaal aandeel gezinnen met kinderen tot 18 jaar in de gemeente Roosendaal iets lager, maar de gezinnen die in de gemeente wonen hebben dus wel wat vaker een minimuminkomen. Aantal kinderen in (minima)huishoudens in beeld Inkomenspercentage Aantal % t.o.v. Wsm Tot 100% 1.808 12,6% 100 tot 120% 412 2,9% Totaal tot 120% 2.220 15,5% Overig Totaal
12.129 14.349
84,5% 100%
Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 120% Wsm Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
Aantal 1.195 52 973 2.220
% 54% 2% 44% 100%
Het grootste deel (1.808 kinderen; 12,6 procent) van de minimakinderen groeit op in een huishouden met een inkomen op het bijstandsniveau. Naar inkomensbron groeit 54 procent van op in een huishouden met een bijstandsuitkering en 44 procent groeit op in een minimahuishouden met een andersoortig inkomen.
11 Dit is het aantal kinderen dat op basis van de Armoedemonitor in beeld is. Over het algemeen is de
doelgroep minimakinderen (oftewel minimagezinnen) beter in beeld dan minima zonder kinderen. Dit komt omdat er, zeker in de gemeente Roosendaal, verscheidene regelingen voor minimakinderen zijn, én omdat gezinnen vaak een inkomen op bijstandsniveau hebben – hoe hoger het inkomen boven de bijstandsnorm, hoe minder minimagezinnen (en hoe meer minima zonder kinderen). Het aantal minimakinderen is daarom behoorlijk volledig in beeld en daarom gaan we in dit hoofdstuk (en bij het bereik van de regelingen) uit van de kinderen die we op basis van de bestandskoppelingen vinden.
31
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
2.2. Kinderen in eenoudergezinnen hebben meer kans op armoede De meeste minimakinderen (61 procent) wonen in een gezin met twee ouders. De grootste groep is tussen de 4 en 12 jaar oud en 58 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Naar wijk vinden we de meeste minimakinderen in Groot Kroeven. Kinderen in eenoudergezinnen groeien bijna 4 keer zo vaak op in een minimahuishouden dan kinderen in een huishouden met twee ouders (respectievelijk 41 procent tegenover 11 procent). Met andere woorden: meer dan een op de drie kinderen in een eenoudergezin groeit op in een minimahuishouden. Ook naar herkomst zijn er grote verschillen: 7 procent van alle kinderen met een Nederlandse achtergrond woont in een minimahuishouden, tegenover 41 procent van alle kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond. Kenmerken minimakinderen in beeld, inkomen tot 120% Wsm Categorie
Aantal
%
Aandeel minima t.o.v. alle kinderen
Huishoudtype Eenoudergezin Meerpers met kinderen Totaal
855 1.365 2.220
39% 61% 100%
41% 11% 15%
Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal
457 963 800 2.220
21% 43% 36% 100%
14% 16% 16% 15%
724 194
33% 9%
7% 13%
1.302 2.220
58% 100%
41% 15%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
Wijken Het aantal minimakinderen is het grootst in de wijk Groot Kroeven (432 minimakinderen), gevolgd door de wijk Noord (387 minimakinderen). Kinderen in de wijk Langdonk hebben echter de grootste kans om in armoede op te groeien: 30 procent van alle kinderen in Langdonk woont in een minimahuishouden. In Noord is dat met 24 procent ook flink hoger dan het gemeentelijk gemiddelde, zoals in de volgende figuur is weergegeven.
32
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Figuur 2.2.1. Aandeel minimakinderen per wijk in beeld, inkomen tot 120% Wsm
33
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
2.3. Een op de tien minimakinderen zit ook in de Jeugdwet Op de peildatum van het onderzoek (1 juli 2020) zaten 1.206 kinderen in de gemeente in de Jeugdwet (JW), 8 procent van alle kinderen in de gemeente. Onder minimakinderen is dat aandeel hoger: 11 procent (246 kinderen van de in totaal 2.220 minimakinderen). De 209 minimakinderen in Jeugdwet wonen in 209 huishoudens. 18 procent van alle minimahuishoudens heeft een of meerdere kinderen in de Jeugdwet. Bij andere gemeenten is dit gemiddeld 20 tot 25 procent van de minimahuishoudens. Aantal kinderen in de Jeugdwet naar huishoudinkomen 2020 Aantal Aandeel
Categorie Kinderen tot 18 jaar Kinderen tot 120% Overige kinderen Totaal
246 960 1.206
20% 80% 100%
Aandeel t.o.v. alle kinderen 11% 8% 8%
Huishoudens Huishoudens tot 120% Overige kinderen Totaal
209 859 1.068
20% 80% 1.005
Aandeel t.o.v. alle huishoudens 18% 12% 13%
kinderen in de Jeugdwet, inkomen tot 120% Categorie
2020 Aantal Aandeel
Aandeel minimakinderen in JW t.o.v. alle minimakinderen
Inkomensbron Participatiewet Ander inkomen Totaal
118 128 246
48% 52% 100%
10% 13% 11%
Huishoudtype Eenoudergezin Meerpers met kinderen Totaal
131 115 246
53% 47% 100%
15% 8% 11%
Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal
20 120 106 246
8% 49% 43% 100%
4% 12% 13% 11%
143
58%
20%
27
11%
14%
76 246
31% 100%
6% 11%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
Van de 246 minimakinderen in de Jeugdwet woont ruim de helft (53 procent) in een eenoudergezin en de andere 47 procent in een huishouden met twee ouders. Bijna 60 procent heeft een Nederlandse achtergrond en 31 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Minimakinderen in een eenoudergezin en minimakinderen met een Nederlandse achtergrond zitten vaker in de Jeugdwet dan minimakinderen met andere kenmerken (resp. 15 procent en 20 procent).
34
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
3. Minimaregelingen In dit hoofdstuk geven we het gebruik en bereik weer van de verschillende minimaregelingen. Het gebruik betreft de periode van 12 maanden voorafgaand aan de peildatum (oftewel 1 juli 2019 tot 1 juli 2020), óf gebruik in 2020 indien dat gezien de inhoud van de regeling logischer is (dat geldt voor de kwijtschelding en de collectieve zorgverzekering). Het bereik is het gebruik van de regeling, afgezet tegen de totale (geschatte) doelgroep, uit paragraaf 1.1. In bijlage 5 staat het gebruik per regeling uitgesplitst naar bijstands- en niet-bijstandsgerechtigden en in bijlage 6 geven we per regeling het bereik per wijk weer.
3.1. Bereik en gebruik minimaregelingen Gebruik en bereik regelingen (tegenover totale doelgroep) Regeling Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Doelgroep Gebruik Bereik
3.400 2.512 74%
Bijzondere bijstand Doelgroep Gebruik Bereik
4.750 500 11%
Individuele inkomenstoeslag Doelgroep Gebruik Bereik
1.990 942 47%
Collectieve zorgverzekering Doelgroep Gebruik Bereik
4.750 2.707 57%
Bijdrage schoolkosten Doelgroep Gebruik Bereik
592 215 36%
Stichting Paul Doelgroep kinderen Gebruik kinderen Bereik
1.763 406 23%
Jeugdfonds Cultuur12 Doelgroep kinderen Gebruik kinderen Bereik
1.763 64 4%
Stichting Leergeld Roosendaal13 Doelgroep kinderen Gebruik kinderen Bereik
1.763 652 37%
12
Omdat in de aangeleverde bestanden geen onderscheid te maken is naar de maand van de verstrekking (maar wel naar het jaar) betreffen de cijfers van het Jeugdfonds het gehele jaar 2019 en niet de periode 1 juli 2019 tot 1 juli 2020. 13 Omdat in de aangeleverde bestanden geen onderscheid te maken is naar de maand van de verstrekking (maar wel naar het jaar) betreffen de cijfers van Stichting Leergeld het gehele jaar 2019 en niet de periode 1 juli 2019 tot 1 juli 2020.
35
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Bereik toegelicht •
•
• •
• •
•
•
In 2020 hebben 2.512 huishoudens gebruikgemaakt van de kwijtschelding voor de gemeentelijke belastingen. Dit betekent dat 74 procent van de doelgroep gebruik heeft gemaakt van deze regeling. Dit ligt in lijn met het gemiddelde van 70 à 75 procent dat we bij andere gemeenten vinden. De bijzondere bijstand kent een bereik van 11 procent onder de doelgroep, in de analyseperiode hebben 500 huishoudens een of meerdere keren een verstrekking gekregen vanuit de bijzondere bijstand (samen kregen zij 1.076 verstrekkingen). Het bereik ligt aanzienlijk lager dan het gemiddelde bereik van 25 procent dat we bij andere gemeenten zien. In de analyseperiode hebben 942 huishoudens gebruikgemaakt van de individuele inkomenstoeslag en dat leidt tot een bereik van 47 procent. Dat ligt rond het gemiddelde van 50 procent dat we in veel andere gemeenten zien. In 2020 hebben 2.707 huishoudens (en 3.458 volwassenen) gebruikgemaakt van de collectieve zorgverzekering, een bereik van 57 procent van de doelgroep. In andere gemeenten is een gemiddeld bereik tussen 30 en 40 procent gangbaar. Het bereik in de gemeente Roosendaal ligt hier dus ver boven. Eén op de drie huishoudens die collectief verzekerd is, maakt daarnaast van geen enkele andere minimaregeling gebruik. Ruim een derde (39 procent) van de huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering krijgen ook ondersteuning vanuit de Wmo.
Zij maken voornamelijk gebruik van het meest uitgebreide pakket Gemeente Extra Uitgebreid. De bijdrageregeling voor schoolkosten is in de analyseperiode gebruikt door 215 huishoudens, een bereik van 36 procent onder de doelgroep. In andere gemeenten is het gemiddelde bereik van regelingen voor schoolkosten zo’n 35 à 40 procent. 406 kinderen hebben in de analyseperiode gebruikgemaakt van Stichting Paul. Dit is een bereik van 23 procent van de doelgroep. Het Jeugdfonds sport, dat in veel andere gemeenten actief is en die vergelijkbare doelen heeft als Stichting Paul, kent meestal een bereik van 30 tot 35 procent. In 2019 hebben 64 kinderen gebruikgemaakt van het Jeugdfonds Cultuur, dit is een bereik van 4 procent van de doelgroep. Ook in andere gemeenten bereikt het Jeugdfonds cultuur meestal zo’n 5 procent van de doelgroep (de meeste minimakinderen kiezen voor een vergoeding voor sport vanuit het Jeugdfonds). In 2019 hebben 652 kinderen een of meerdere verstrekkingen gekregen vanuit Stichting Leergeld, een bereik van 37 procent in de doelgroep. Het bereik van Stichting Leergeld ligt in andere gemeenten gemiddeld tussen de 35 en 40 procent.
36
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
3.2. Cumulatief gebruik Minimahuishoudens kunnen in totaal van acht regelingen gebruikmaken (zie tabel 3.1.1). Vier daarvan zijn bedoeld voor volwassenen en vier regelingen zijn gericht op kinderen. In onderstaande tabel geven we weer van hoeveel regelingen minima gebruikmaken. Daarbij kijken we zowel naar het totaal van 8 regelingen, als naar het gebruik van de 4 regelingen voor volwassenen en het gebruik van de 4 regelingen voor kinderen (uiteraard gaat het daarbij alleen om minimagezinnen met kinderen van 4 tot 18 jaar). Cumulatief gebruik minimaregelingen, minimahuishoudens tot 120% Wsm Aantal regelingen 0 1 2 3 4 5 6 7 8 Totaal Gemiddeld per huishouden
Alle 8 regelingen Aantal huish. % 909 19% 1.745 37% 1.190 25% 573 12% 169 4% 115 2% 41 1% 7 0% 1 0% 4.750 100%
4 reg. volwassenen Aantal huish. % 968 20% 1.790 38% 1.268 27% 639 13% 85 2%
1,6 regeling per huishouden
1,4 regeling per huishouden
4.750
100%
4 reg. kinderen Aantal huish. % 500 50% 248 25% 188 19% 56 6% 3 0%
995
100%
0,8 regeling per gezin
Van de 4.750 minimahuishoudens in de gemeente, maakt 19 procent van geen enkele regeling gebruik. Dat zijn 909 huishoudens (inclusief de huishoudens die niet in beeld zijn). Hoewel de meeste huishoudens van 1 regeling gebruikmaken, zijn er 333 huishoudens die van 4 of meer regelingen gebruikmaken. Kijken we specifiek naar de regelingen voor volwassenen, dan zien we dat ook daar een grote groep huishoudens van meerdere regelingen gebruikmaakt. Gemiddeld maken huishoudens van 1,4 regelingen voor volwassenen gebruik. Voor de regelingen voor kinderen is het beeld enigszins anders: de helft van de minimagezinnen met schoolgaande kinderen maakt van geen enkele kindregeling gebruik. Eenoudergezinnen, huishoudens met een bijstandsuitkering en huishoudens met een nietwesterse migratieachtergrond maken van meer regelingen gebruik dan gemiddeld. Huishoudens jonger dan 27 jaar, huishoudens met een AOW-uitkering en huishoudens met een overige inkomensbron maken relatief weinig gebruik van de beschikbare minimaregelingen voor volwassenen. Bij de meeste andere gemeenten zien we deze verschillen tussen de doelgroep ook terug. En dezelfde verschillen zien we ook bij de gebruikers van de kindregelingen, al is het gemiddeld gebruik tussen eenoudergezinnen en meerpersoonshuishoudens met kinderen daar nagenoeg gelijk.
37
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Figuur 3.2.1. Gemiddeld gebruik vier regelingen voor volwassenen, inkomen tot 120% Wsm
Gemiddeld gebruik regelingen voor volwassenen Alleenstaand Eenoudergezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen
1,5 1,8 1,3 1,4
Participatiewet AOW Overig inkomen
1,7 1,4 1,3
Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 jaar tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd
1,2 1,5 1,6 1,4
Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond
1,3 1,4 1,7
Figuur 3.2.2. Gemiddeld gebruik vier regelingen voor volwassenen, inkomen tot 120% Wsm
Gemiddeld gebruik kindregelingen Eenoudergezin Meerpersoons met kinderen
0,8 0,8
Participatiewet AOW Overig inkomen Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 jaar tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd
1,0 0,5 0,7 0,2
Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond
0,8 0,9 0,5 0,6 0,5 1,0
3.3. Kenmerken gebruikers per regeling Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Minimahuishoudens kunnen kwijtschelding aanvragen voor de gemeentelijke- en waterschapsbelasting. De doelgroep bestaat uit huishoudens met een inkomen op of rond het voor dat huishoudtype geldende sociale minimum. In 2020 hebben 2.512 huishoudens kwijtschelding toegekend gekregen: • Eenoudergezinnen maken het vaakst gebruik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, meerpersoonshuishoudens het minst vaak; • Huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond maken vaker gebruik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen dan huishoudens met een andere achtergrond. Bijzondere bijstand Het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Roosendaal is erop gericht om mensen met een inkomen tot 120 procent Wsm die bijzondere noodzakelijke kosten hebben en deze niet zelf kunnen betalen, te ondersteunen. Tussen 1 juli 2019 en 1 juli 2020 hebben 500 huishoudens een verstrekking vanuit de bijzondere bijstand gekregen. Samen hebben zij 1.076 verschillende verstrekkingen gekregen. De meeste verstrekkingen zijn gedaan in het kader van rechtsbijstand en bewindvoeringskosten. 38
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
Aantal verstrekkingen en huishoudens bijzondere bijstand Soort bijzondere bijstand Rechtsbijstand Bewindvoering Overig Totaal
Verstrekkingen 308 29% 287 27% 481 45% 1.076 100%
Huishoudens 196 176 223 500
39% 35% 45% 100%
De kenmerken van alle 500 huishoudens die gebruik hebben gemaakt van de bijzondere bijstand zijn als volgt: • Huishoudens met een bijstandsuitkering hebben het vaakst bijzondere bijstand gekregen. AOW’ers hebben nauwelijks gebruikgemaakt van de bijzondere bijstand; • Gezinnen met kinderen maken vaker gebruik van de bijzondere bijstand dan huishoudens zonder kinderen; • Minimahuishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond maken vaker gebruik van de bijzondere bijstand dan huishoudens met een andere achtergrond. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld als (extra) inkomensondersteuning voor mensen die langdurig afhankelijk zijn van een minimuminkomen. Minima kunnen hiermee onverwachte uitgaven of rekeningen van betalen. In de gemeente Roosendaal behoort iedereen tussen de 21 jaar en pensioengerechtigde leeftijd, die gedurende drie jaar een inkomen heeft tot 101 procent Wsm, tot de doelgroep. Verder geldt als voorwaarde voor toekenning dat er in de afgelopen drie jaar geen mogelijkheden waren voor inkomensverbetering. Er hebben 942 huishoudens gebruikgemaakt van de individuele inkomenstoeslag: • • •
Bijstandsgerechtigden maken veel vaker gebruik van de individuele inkomenstoeslag dan minima met een andersoortig inkomen; Naar huishoudtype zijn de verschillen in bereik klein; Minima met een Nederlandse achtergrond maken iets minder vaak gebruik van de regeling dan minima met een migratieachtergrond, al zijn de verschillen klein.
Collectieve zorgverzekering De gemeente biedt in samenwerking met CZ een collectieve zorgverzekering aan voor huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm, de Zorg-op-maatpolis. Minima kunnen kiezen uit twee pakken: Gemeente Extra of Gemeente Extra Uitgebreid. In dit laatste pakket is het eigen risico volledig meeverzekerd. Daarnaast zijn er diverse vergoedingen in de pakketten opgenomen, zoals voor brillen, lenzen, fysiotherapie en de eigen bijdrage voor de Wmo en Wlz. Het Werkplein betaalt mee aan de premie en CZ geeft korting op de aanvullende verzekering. In 2020 hebben 2.707 huishoudens gebruikgemaakt van de collectieve zorgverzekering (het gaat om 3.458 verzekerde volwassenen). De meeste huishoudens zijn verzekerd via het pakket Gemeente Extra Uitgebreid. Van de 2.707 huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering hebben 923 huishoudens daarnaast van geen enkele andere minimaregeling gebruikgemaakt. Voor de helft betreft dit AOW’ers en 11 procent van deze 923 huishoudens ontvangen een bijstandsuitkering. Van alle 2.707 huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering krijgt 39 procent ook een voorziening vanuit de Wmo. Die overlap is nog hoger onder de huishoudens die hebben gekozen voor het pakket Extra Uitgebreid: van die 1.897 huishoudens krijgt 45 procent ook een voorziening vanuit de Wmo.
Onder gebruikers van het pakket Gemeente Extra zijn dat 234 van de 900 huishoudens; 26 procent. Gebruikers collectieve zorgverzekering naar pakket, 2020 Pakket Gemeente Extra Gemeente Extra Uitgebreid Totaal
Huishoudens 900 1.897 2.707 39
Volwassenen 1.140 2.318 3.458
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
De kenmerken van de huishoudens met een collectieve zorgverzekering in 2020 zijn als volgt: • AOW’ers maken vaker gebruiker van de collectieve zorgverzekering dan bijstandsgerechtigden en minima met een andersoortig inkomen; • Huishoudens zonder kinderen maken wat vaker gebruik dan huishoudens met kinderen; • Minima met een westerse migratieachtergrond blijven wat achter in het gebruik bij andere minima; • Tussen de pakketten zien we de volgende verschillen in gebruikers: het aandeel gezinnen en het aandeel minima met een niet-westerse migratieachtergrond is groter onder gebruikers van het pakket Gemeente Extra dan onder gebruikers van het meer uitgebreide pakket. Het uitgebreide pakket wordt veelal gebruikt door alleenstaanden en minima met een Nederlandse achtergrond. Bijdrage schoolkosten Kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die naar de middelbare school gaan komen in aanmerking voor een bijdrage in de schoolkosten. De bijdrage is bedoeld voor de kosten van een rekenmachine, gymkleding, schoolkluis, schoolexcursies, etc. en kan per schooljaar worden aangevraagd. Het huishoudinkomen mag niet hoger zijn dan 120 procent Wsm. In totaal hebben 215 huishoudens gebruikgemaakt van de bijdrage schoolkosten14. • • •
Minima met een bijstandsuitkering maken veel vaker gebruik van de regeling dan minima met een ander inkomen; Eenoudergezinnen en meerpersoonshuishoudens met kinderen maken ongeveer even vaak gebruik van de regeling; Minima met een niet-westerse migratieachtergrond maken veel vaker gebruik van de regeling dan minima met een andere achtergrond.
Stichting Paul Stichting Paul is een Roosendaals initiatief, dat zich ten doel heeft gesteld om alle kinderen in de gemeente Roosendaal te kunnen laten sporten. Met een bijdrage van Stichting Paul kunnen ouders de contributie van een sportclub betalen, en/of de aanschaf van sportkleding of materiaal betalen. Kinderen van 4 tot 18 jaar waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan 120 procent Wsm komen in aanmerking voor een bijdrage. Tussen 1 juli 2019 en 1 juli 2020 hebben 406 kinderen in de gemeente een bijdrage gekregen van Stichting Paul. Zij wonen in 282 huishoudens. • • •
Kinderen die opgroeien in een gezin met een bijstandsuitkering hebben vaker gebruikgemaakt van Stichting Paul dan kinderen uit een minimagezin met een andersoortig inkomen; Kinderen uit een eenoudergezin maken iets vaker gebruik van Stichting Paul dan kinderen uit een meerpersoonshuishouden; Naar achtergrond is het gebruik van Stichting Paul het hoogst onder minimakinderen met een niet-westerse migratieachtergrond.
Jeugdfonds Cultuur Met behulp van het Jeugdfonds Cultuur kunnen minimakinderen in Roosendaal meedoen aan culturele activiteiten. Het fonds betaalt de contributie en eventuele attributen die nodig zijn. Het fonds is bedoeld voor kinderen tussen de 4 en 18 jaar waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan 120 procent Wsm. In totaal hebben 64 kinderen in 2019 gebruikgemaakt van het Jeugdfonds Cultuur. Zij wonen in 52 huishoudens. De kenmerken van de kinderen die gebruik hebben gemaakt van het Jeugdfonds Cultuur zijn als volgt: •
Naar inkomensbron zijn er weinig verschillen in gebruik tussen kinderen uit een bijstandsgezin en minimakinderen uit een overig gezin;
14 Omdat de regeling is geregistreerd op de ouder en niet op het kind, is het niet mogelijk om het aantal
kinderen dat van de regeling gebruik heeft gemaakt weer te geven.
40
Gemeente Roosendaal
• •
Versie 0.3
Ook naar huishoudtype zijn de verschillen klein; Kinderen met een Nederlandse achtergrond maken wat vaker gebruik van het Jeugdfonds Cultuur dan kinderen met een migratieachtergrond.
Stichting Leergeld Roosendaal Stichting Leergeld richt zich, in samenwerking met de gemeente, lokale fondsen, het bedrijfsleven en particulieren, op kinderen van 4 tot 18 jaar uit gezinnen met een inkomen tot 120 procent Wsm. Door verstrekkingen in natura wordt ervoor gezorgd dat ook deze kinderen kunnen meedoen op school of aan buitenschoolse activiteiten. Minima kunnen onder andere hulp krijgen bij de betaling van de ouderbijdrage, schoolreisjes en een nieuwe fiets. In 2019 hebben 652 kinderen gebruikgemaakt van Stichting Leergeld Roosendaal. Deze 652 kinderen wonen in 375 huishoudens, in de meeste gezinnen die gebruikmaken van Stichting Leergeld hebben dus meerdere kinderen een verstrekking hebben gekregen. • • •
Kinderen die opgroeien in een gezin met een bijstandsuitkering hebben iets vaker gebruikgemaakt van Stichting Leergeld dan kinderen uit een minimagezin met een andersoortig inkomen; Kinderen uit eenoudergezinnen hebben net zo vaak verstrekkingen gekregen via Stichting Leergeld als kinderen uit meerpersoonshuishoudens; Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond maken vaker gebruik van Stichting Leergeld dan kinderen met een andere achtergrond.
3.4. Overige ondersteuning voor minima Voedselbank Mensen die op of onder de armoedegrens leven kunnen bij de Voedselbank Goed Ontmoet voedselpakketten krijgen. Het voedsel wordt door leveranciers gratis ter beschikking gesteld. Om de zelfredzaamheid van de klanten te vergroten, werkt de Voedselbank samen met lokale organisaties die de klanten helpen om weer op eigen benen te staan. Voedselhulp moet altijd tijdelijk zijn. Op de peildatum van het onderzoek maakten 91 huishoudens in de gemeente gebruik van de voedselpakketten van de voedselbank: • 43 procent daarvan krijgt ook een bijstandsuitkering; • 56 procent is alleenstaand, 35 procent vormt een huishouden met kinderen; • de helft heeft een Nederlandse achtergrond, 30 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Sommige huishoudens die bij de Voedselbank komen, maken ook gebruik van de minimaregelingen. Gebruik regelingen door huishoudens Voedselbank Gebruik huishoudens die bij Voedselbank komen 54 30 28 33 3 13 10 1
Regeling Kwijtschelding Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Bijdrage schoolkosten Stichting Leergeld Stichting Paul Jeugdfonds Cultuur
Steunfonds huisuitzettingen Het Steunfonds huisuitzettingen geeft huurders die in korte tijd met een flinke inkomensdaling geconfronteerd worden en hun huur niet meer kunnen betalen, een tegemoetkoming waarmee zij toch in hun huis kunnen blijven wonen. Het Steunfonds is per 1 januari 2020 overgegaan van WijZijnTraverse naar de gemeente Roosendaal (uitgevoerd door Wegwijs). 41
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
In de periode 1 juli 2019 tot 1 juli 2020 heeft het Steunfonds aan 36 huishoudens een tegemoetkoming uitgekeerd. Samen werden zij geholpen met een bedrag van € 52.309. Per keer werd een gemiddelde tegemoetkoming uitgekeerd van € 769. Sommige huishoudens kregen meerdere keren hulp. Gemiddeld is er per huishouden een bedrag van € 1.453 uitgekeerd. Van de 36 huishoudens zijn er 25 ook in beeld bij de gemeente als minimahuishoudens, zij hebben bijvoorbeeld een bijstandsuitkering of hebben gebruik gemaakt van een minimaregeling. Daarnaast is bijna de helft is alleenstaand en eveneens bijna de helft heeft thuiswonende kinderen. Een derde heeft een Nederlandse achtergrond en 47 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Sommige huishoudens die door het Steunfonds zijn geholpen, maken ook gebruik van de minimaregelingen, zoals in de volgende tabel te zien is. Gebruik regelingen door huishoudens Steunfonds Gebruik huishoudens die door Steunfonds zijn geholpen 20 8 3 8 1 3 5 0
Regeling Kwijtschelding Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Bijdrage schoolkosten Stichting Leergeld Stichting Paul Jeugdfonds Cultuur
42
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
4. Wmo en schuldhulpverlening 4.1. Bijna een op de drie minimahuishoudens maakt gebruik van de Wmo Op 1 juli 2020 maken 5.130 huishoudens in de gemeente gebruik van één of meerdere Wmovoorzieningen. Van deze huishoudens heeft 26 procent (1.352 huishoudens) een inkomen tot 120 procent Wsm. Dit betekent dat 30 procent van alle minimahuishoudens gebruik maakt van een of meerdere Wmo-voorzieningen. Bij andere gemeenten is dit gemiddeld 20 à 25 procent van de minimahuishoudens. In de gemeente Roosendaal maken minimahuishoudens dus vaker gebruik van de Wmo dan in de meeste andere gemeenten. Onder huishoudens met een inkomen hoger dan 120 procent Wsm ligt het gebruik van de Wmo aanzienlijk lager: 12 procent van de huishoudens met dergelijk inkomen maakt gebruik van de Wmo. Inkomensverdeling Wmo-gebruikers Wmo
Aantal
Tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal
1.352 3.778 5.130
% 26% 74% 100%
Aandeel Wmo t.o.v. alle huish. 30% 12% 14%
Kenmerken minimahuishoudens tot 120% met Wmo Categorie Inkomensbron Participatiewet AOW Overig inkomen Totaal
Aantal
%
373 577 402 1.352
27% 43% 30% 100%
Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
955 66 258 73 1.352
71% 5% 19% 5% 100%
Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal
104 198 473 577 1.352
8% 14% 35% 43% 100%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
848 188 316 1.352
63% 14% 23% 100%
Van de 1.352 minimahuishoudens met Wmo is meer dan twee derde alleenstaand en 10 procent heeft thuiswonende kinderen. 35 procent is tussen de 45 jaar en AOW-gerechtigde leeftijd en twee derde heeft een Nederlandse achtergrond.
43
Gemeente Roosendaal
Versie 0.3
4.2. Van alle minimahuishoudens krijgt 2 procent ook schulddienstverlening bij de Kredietbank/PLANgroep Schulddienstverlening (SDV) is bedoeld voor inwoners die zelf hun problematische schulden niet meer kunnen oplossen. Het belangrijkste onderdeel van schulddienstverlening betreft een minnelijke schuldregeling. Tot 1 januari 2020 werd dat uitgevoerd door de Kredietbank West Brabant en per 1 januari 2020 heeft PLANgroep dit overgenomen. Tussen 1 juli 2019 en 1 juli 2020 hebben 129 huishoudens een vorm van schulddienstverlening gekregen bij de Kredietbank en/of PLANgroep15. Hiervan hebben 96 huishoudens een inkomen tot 120 procent Wsm. Dit betekent dat 2,2 procent van alle minimahuishoudens een vorm van schulddienstverlening heeft gekregen bij een van beide organisaties. Gemiddeld gezien kregen minimahuishoudens vaker een vorm van schulddienstverlening dan huishoudens met een inkomen hoger dan 120 procent Wsm. Van alle niet-minimahuishoudens krijgt minder dan een procent hulp bij schulden. Inkomensverdeling SDV-gebruikers SDV bij Kredietbank/PLANgroep Tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal