CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

1 - De Bulkenaar_vastgesteld_1_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 8 Soortgericht vervolg.pdf

Commissie 3 februari 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan en bijbehorende besluiten de Bulkenaar24.973 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 4-7. Waarneming van patrijzen binnen het onderzoeksgebied

4.2

Conclusies

Op basis van de hierboven genoemde resultaten van het soortgericht onderzoek in 2020 is de aanwezigheid van de volgende soorten en functies in en rondom het onderzoeksgebied niet uit te sluiten: • • •

• • • •

•

Baardvleermuis − Foerageergebied (niet-essentieel). Franjestaart − Foerageergebied (niet-essentieel). Gewone dwergvleermuis − Acht zomerverblijfplaatsen. − Drie kraamverblijfplaatsen. − Essentieel foerageergebied. − Essentiële vliegroutes. Laatvlieger − Foerageergebied (niet-essentieel). Rosse vleermuis − Foerageergebied (niet-essentieel). Ruige dwergvleermuis − Foerageergebied (niet-essentieel). Watervleermuis − Foerageergebied (niet-essentieel; wel essentieel foerageergebied grenzend aan onderzoeksgebied). − Essentiële vliegroutes. Buizerd − Broedgevallen buiten onderzoeksgebied. Onderzoeksgebied kan deel uitmaken van leefgebied.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 32

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

• • • •

• •

Sperwer − Broedgevallen op locatie waar ontsluitingsweg wordt aangelegd. Alpenwatersalamander − Leefgebied. Wezel − Aanwezige populatie, leefgebied. Bunzing − Jaarrond aanwezig in plangebied, leefgebied. − Verblijfplaatsen. Steenmarter − Incidenteel voorkomend. Steenuil − Aanwezig territorium en functioneel leefgebied overlappend met plangebied.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 33

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

5

WET NATUURBESCHERMING: EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSING

5.1

Effecten

Hieronder wordt beschreven in hoeverre de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de aanwezige beschermde soorten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke en permanente effecten van de herinrichting van het gebied. Bij de effecttoetsing is gefocust op het daadwerkelijke plangebied en wordt uitgegaan van de inrichting van het gebied zoals weergegeven in Figuur 2-1. Door de aanpassing van het plangebied zijn alleen deelgebied 10 en 11, zoals onderzocht door E.C.O. Logisch B.V. nog aan de orde. Voor de onderzoekslocaties van (kleine) marterachtigen, zoals onderzocht door Breur Ecologie en Onderzoek, vallen alleen locatie 2 (gedeeltelijk), 3 en poel B binnen het huidige plangebied.

5.1.1

Vleermuizen

Binnen het onderzoeksgebied zijn verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes vastgesteld van gewone dwergvleermuis en watervleermuis. Omdat de onderzochte bebouwing buiten het daadwerkelijke plangebied is gevallen gaan er door de werkzaamheden geen zomer-, kraam- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis verloren. Van de aanwezige essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn in het daadwerkelijke plangebied alleen in deelgebied 10 en 11 essentiële vliegroutes aanwezig. De locaties van essentieel foerageergebied zijn buiten het daadwerkelijke plangebied gevallen. Deze foerageergebieden kunnen echter mogelijk aangetast worden of verloren gaan als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied. Bij aantasting of het verloren gaan van de genoemde functies voor gewone dwergvleermuis en watervleermuis is het mogelijk dat verblijfplaatsen buiten het plangebied minder geschikt of zelfs ongeschikt raken door de kleine afstand tot het plangebied. Negatieve effecten treden mogelijk op voor vleermuizen. Deze zijn als volgt: •

Tijdelijke effecten: − Verstoring van (foeragerende) individuen (gewone dwergvleermuis, watervleermuis). − Tijdelijk ongeschikt raken van essentieel foerageergebied nabij het plangebied door werkzaamheden in het plangebied (gewone dwergvleermuis, watervleermuis). − Tijdelijk ongeschikt raken van essentiële vliegroutes in en nabij het plangebied door werkzaamheden in het plangebied (gewone dwergvleermuis, watervleermuis). − Tijdelijk ongeschikt raken van verblijfplaatsen buiten het plangebied (gewone dwergvleermuis). • Permanente effecten: − Verlies van essentiële vliegroutes in en nabij het plangebied door werkzaamheden in het plangebied (gewone dwergvleermuis, watervleermuis). − Verlies van verblijfplaatsen buiten het plangebied (gewone dwergvleermuis). Doordat de functies, het mogelijk verlies van functionaliteit van de essentiële vliegroutes, gelegen binnen en nabij het plangebied tijdelijk ongeschikt raken, kan dit ook mogelijk effect hebben op aanwezige verblijfplaatsen buiten het plangebied doordat omliggend leefgebied tijdelijk minder geschikt raakt. Dit geldt voor verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de watervleermuis. Omdat een essentiële vliegroute altijd aan een verblijfplaats te linken is heeft aantasting of verlies van een essentiële vliegroute ook effect op buiten het plangebied gelegen verblijfplaatsen.

Door verlies bestaat de kans dat de lokale populatie gevoeliger is voor overige veranderingen en werkzaamheden binnen de deelpopulatie. Door de bouw van het ziekenhuis, de aanleg van de ontsluitingsweg en de herinrichting van het gebied worden vleermuizen die gebruik maken van het plangebied of de directe omgeving als foerageer-, leefgebied en vliegroute verstoord. Indien de werkzaamheden in het plangebied niet voor aantasting van essentiële vliegroutes in en rondom het plangebied zorgen, zijn effecten op verblijfplaatsen uitgesloten. Indien de werkzaamheden er wel voor zorgen dat vliegroutes worden aangetast kan dit ook effect hebben op buiten het plangebied gelegen verblijfplaatsen en kunnen negatieve effecten niet uitgesloten worden. Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 34

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

Voor de overige vleermuissoorten baardvleermuis, franjestaart, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis dient het onderzoeksgebied alleen als niet-essentieel foerageergebied. Omdat er voldoende alternatieven in de (directe) omgeving van het onderzoeksgebied aanwezig zijn, zijn negatieve effecten op deze soorten uit te sluiten. Om deze reden worden deze soorten niet meegenomen in de verdere toetsing.

5.1.2

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Negatieve effecten treden mogelijk op voor algemene broedvogels, zoals de patrijs, als gevolg van de werkzaamheden. Deze zijn als volgt: • •

Tijdelijke effecten: − Verstoring en sterfte van individuen. Permanente effecten: − Verlies van foerageergebied en leefgebied. − Verlies van verblijfplaatsen.

Door verlies bestaat de kans dat de lokale populatie gevoeliger is voor overige veranderingen en werkzaamheden binnen de deelpopulatie. Door de bouw van het ziekenhuis, de aanleg van de ontsluitingsweg en de herinrichting van het gebied worden broedvogels zonder jaarrond beschermd nest die gebruik maken van het plangebied als foerageer-, leef- en broedgebied verstoord of zelfs gedood.

5.1.3

Broedvogels met jaarrond beschermd nest

5.1.3.1

Buizerd

Op een afstand van meer dan 75 meter ten zuiden van het plangebied is een broedlocatie van buizerd aangetroffen. Doordat deze locatie buiten het plangebied valt, en hier dus geen werkzaamheden plaatsvinden zijn directe negatieve effecten op de nestlocatie uit te sluiten. Verstoring als gevolg van de aanleg van de ontsluitingsweg en bouw van het ziekenhuis en daarna het gebruik van de ontsluitingsweg en ziekenhuis hebben een verstorend effect op het foerageergebied. Het ruimtebeslag op het foerageergebied is in de omgeving van het nest beperkt, doordat de weg maar een smalle strook beslaat. In de direct e omgeving van de ontsluitingsweg neemt de verstoring toe, waardoor het gebied ook minder geschikt wordt om te foerageren door verkeersbewegingen en bedrijvigheid. Omdat het ruimtebeslag en verstoring plaatsvinden op grote afstand van het nest is een direct effect uit te sluiten. Daarnaast is in de omgeving van het plangebied voldoende alternatief foerageergebied, in de vorm van aanwezige bosschages en open gebied aanwezig. Negatieve effecten als gevolg van verstoring en ruimtebeslag van foerageergebied op de buizerd als gevolg van het plan zijn hierdoor ook niet te verwachten en daardoor uitgesloten.

5.1.3.2

Sperwer

De broedlocatie van de sperwer is aangetroffen in het noordwesten, net buiten het plangebied. De waarnemingen, weergegeven in Figuur 3-2, laten zien dat het sperwernest zich bevindt bij de (mogelijke) aansluiting van de ontsluitingsweg op de bestaande weg. Door de geringe afstand tussen de broedlocatie van de sperwer en het plangebied is verstoring niet uit te sluiten. De sperwer kan het plangebied ook als foerageer- en leefgebied gebruiken. Door de werkzaamheden kunnen deze functies tijdelijk verstoord worden of zelfs helemaal verloren gaan. Verwacht wordt dat de aanwezige bomen (gedeeltelijk) verwijderd worden om de ontsluitingsweg aan te laten sluiten op de bestaande weg. Afhankelijk hiervan zal er functieverlies van de nestlocatie van de sperwer optreden. Negatieve effecten als gevolg van het plan zijn niet uit te sluiten. Deze zijn als volgt: •

•

Tijdelijke effecten: − Verstoring van individuen. − Tijdelijk ongeschikt raken van foerageergebied. − Tijdelijk ongeschikt raken van broedplaatsen. Permanente effecten: − Verlies van foerageergebied en leefgebied. − Verlies van broedplaatsen, als gevolg van de aansluiting en gebruik (verstoring) van de ontsluitingsweg.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 35

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

5.1.3.3

Steenuil

Door de ontwikkeling in De Bulkenaar wordt een deel van aanwezig steenuilterritorium en functioneel leefgebied aangetast. Het deel waar het ziekenhuis gebouwd wordt zal verdwijnen als territorium en leefgebied. Het gaat hier om het territorium op locatie D in Figuur 4-5. De andere drie territoria liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De locatie waar het ziekenhuis gebouw wordt overlapt met het territorium en functioneel leefgebied van de steenuil en ligt op een afstand van circa 100 meter van de nestlocatie van territorium D. Er wordt vanuit gegaan dat het ziekenhuis een flinke hoogte gaat hebben waardoor het kan voorkomen dat de steenuil minder uitwijkmogelijkheden heeft en dat het territorium en leefgebied daardoor zijn functie (gedeeltelijk) verliest. De nestlocatie wordt niet aangetast omdat deze zich op particulier terrein bevindt. In de gebruiksfase zal ook de bedrijvigheid toenemen, wat kan leiden tot een permanente verstoring. Ook zal de openheid van het gebied afnemen door de bouw van het ziekenhuis en aanleg van de ontsluitingsweg. Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied ongeschikt is als foerageergebied voor de steenuil. Kortom, negatieve effecten als gevolg van het plan zijn niet uit te sluiten. Deze zijn als volgt: •

•

Tijdelijke effecten: − Verstoring van individuen. − Tijdelijk ongeschikt raken van territoriumhabitat/functioneel leefgebied. Permanente effecten: − Verlies van (deel van) territoriumhabitat/functioneel leefgebied.

5.1.4

Alpenwatersalamander

In het aangepaste plangebied valt alleen poel B (Figuur 3-2) binnen de begrenzing. In deze poel is de alpenwatersalamander niet aangetroffen. De alpenwatersalamander overwintert op nabij liggende percelen in groenstroken en rommelhoekjes. Deze gebieden vallen buiten de scope van het plangebied vallen en worden niet aangetast door de werkzaamheden. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op de alpenwatersalamander zijn hierdoor uitgesloten.

5.1.5

(Kleine) marterachtigen

Negatieve effecten treden mogelijk op voor de steenmarter, wezel en bunzing. De steenmarter is ten noorden van locatie 3 waargenomen. De wezel is ook waargenomen op locatie 3, welke nog binnen het huidige plangebied ligt. Bij de bunzing wordt er van uit gegaan dat ze zich in het gehele gebied kan bevinden. Mogelijke negatieve effecten op deze soorten zijn als volgt: •

•

Tijdelijke effecten: − Verstoring van individuen (steenmarter, wezel, bunzing). − Tijdelijk ongeschikt raken van foerageergebied en leefgebied (wezel, bunzing). Permanente effecten: • Verlies van foerageergebied en geschikt habitat (wezel, bunzing);

Door verlies bestaat de kans dat de lokale populatie gevoeliger is voor overige veranderingen en werkzaamheden binnen de deelpopulatie. Tijdens de bouw van het ziekenhuis, de aanleg van de ontsluitingsweg en de herinrichting van het gebied worden (kleine) marterachtigen die gebruik maken van het plangebied als foerageergebied en leefgebied, of hun territorium hier hebben, mogelijk verstoord. Door het verlies van foerageer- en leefgebied van de wezel en de bunzing wordt het gebied minder geschikt voor deze soorten. Dit kan effect hebben op de nestplaatsen die zich buiten het gebied bevinden als gevolg van aantasting van het leefgebied.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 36

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

5.2

Toetsing

De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en besche rmde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). De Wnb heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen. Bovendien dient eenieder voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De sperwer en steenuil (jaarrond beschermd nest) en algemene broedvogels (niet jaarrond beschermde nesten) waaronder de patrijs behoren tot de categorie Vogelrichtlijn van de Wnb (Art. 3.1 Wnb). De verschillende soorten vleermuizen behoren tot de categorie Habitatrichtlijn (Art. 3.5 Wnb). De grondgebonden zoogdieren als (kleine) marterachtigen, algemene grondgebonden zoogdieren, en algemene amfibieën behoren tot de categorie ‘andere soorten’ (Art. 3.10 Wnb), zie bijlage A voor een verklaring van de beschermingscategorieën. Overige beschermde soorten of soortgroepen zijn niet vastgesteld, of een negatief effect is op voorhand uitgesloten. Deze soort(groep)en worden daarom niet meegenomen in de volgende paragrafen.

Op grond van de in de vorige paragraaf beschreven effecten, vindt mogelijk overtreding plaats van verbodsbepalingen van de Wnb. Voor een verklaring van de verbodsbepalingen zie bijlage A. De provincies en het Rijk hebben in hun verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ingrepen. Door deze vrijstelling is ondanks het optreden van negatieve effecten geen ontheffing van verbodsbepalingen Wnb noodzakelijk. Voor de in het projectgebied voorkomende algemene grondgebonden zoogdieren geldt binnen de Provincie Noord -Brabant deze vrijstelling. Deze zijn in de toetsing verder niet meer meegenomen. Tabel 5-1. Toetsing effecten aan de verbodsbepalingen van de Wnb voor Habitatrichtlijnsoorten

Habitatrichtlijnsoorten

Gewone dwergvleermuis, watervleermuis

Art. Art. Art. Art. Art. 3.5 lid 3.5 lid 3.5 lid 3.5 lid 3.5 lid Ten gevolge van 1 2 3 4 5

X

X*

Bouw van het ziekenhuis, aanleg van ontsluitingsweg, herinrichting van het gebied, verlies leefgebied.

Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. * In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Desondanks, omdat het plangebied wel nabij essentieel foerageergebied ligt en essentiële vliegroutes aanwezig zijn voor gewone dwergvleermuis, en nabij essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes voor watervleermuis liggen, kunnen de verblijfplaatsen in de nabij gelegen bebouwing minder geschikt worden of verloren gaan als de werkzaamheden deze functies (indirect) aantasten. In dit geval is er sprake van een negatief effect. Als de werkzaamheden de functies van foerageergebied en vliegroute (in en nabij het plangebied) niet aantasten dan is er geen sprake van een negatief effect op vleermuizen.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 37

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

Tabel 5-2. Toetsing effecten aan de verbodsbepalingen van de Wnb voor Vogelrichtlijnsoorten

Vogelrichtlijnsoorten

Art. 3.1 lid 1

Art. 3.1 lid 2

Algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

X

X

X

Bouw van het ziekenhuis, aanleg van ontsluitingsweg, herinrichting van het gebied, verlies leefgebied.

Broedvogels met jaarrond beschermd nest: sperwer

X

X*

X

Bouw van het ziekenhuis, aanleg van ontsluitingsweg, herinrichting van het gebied, verlies leefgebied.

X

X

Herinrichting van het gebied, verlies openheid van gebied en leefgebied.

Broedvogels met jaarrond beschermd nest: steenuil

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.1 lid 4

Art. 3.1 lid 5

Ten gevolge van

Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren: Lid 5: het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de s taat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Doordat nesten en individuen van algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest in het plangebied aanwezig kunnen zijn zullen de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op deze soorten. Het gaat hier om het doden van individuen, het verloren gaan van aanwezige nestlocaties en het opzettelijk verstoren van individuen door de bouw van het ziekenhuis en aanleg van de ontsluitingsweg. Op basis van de te verwachten effecten voor de sperwer kunnen individuen mogelijk gedood worden als kapwerkzaamheden rondom de nestlocatie voor aanleg van de weg plaatsvinden (lid 1). * Negatieve effecten (verstoring en ruimtebeslag) op leefgebied hebben ook een (indirect) effect op de broedplaats kunnen leiden tot het ongeschikt worden van het nest van de sperwer (lid 2). In Nederland heeft de sperwer een gunstige staat van instandhouding 8. In Noord-Brabant is de trend van de sperwer dalende9. Het mogelijke verlies van de nestlocatie heeft effect op één broedpaar, waar in de omgeving beperkte alternatieven voor zijn. Door de afnemende functionaliteit (versnippering van de bomen) en toename van verstoring door menselijke aanwezigheid en geluid wordt een negatief effect verwacht op de aanwezigheid van de sperwer.

De verstoring van individuen tijdens de aanleg en het gebruik van de ontsluitingsweg leidt mogelijk tot het verlaten van het huidige territorium, daarmee is naast aantasting (lid 2) ook mogelijk sprake van opzettelijke verstoring (lid 4). In Nederland heeft de steenuil een gunstige staat van instandhouding voor verspreiding en een matig ongunstige staat van instandhouding voor leefgebied 10. De trend in Noord-Brabant is onbekend. Omdat het plangebied ongeschikt als foerageergebied is bevonden zal ook geen foerageergebied verdwijnen. Echter, omdat één steenuilterritorium overlap heeft met het plangebied, en delen van het plangebied dienen als functioneel leefgebied van de steenuil, is verstoring van deze functies niet uit te sluiten. Door afnemende functionaliteit, permanente toename in bedrijvigheid en verstoring door geluid wordt een negatief effect verwacht op de aanwezigheid van de steenuil.

8

SOVON. Vogelinfo Sperwer. https://www.sovon.nl/nl/soort/2690. Geraadpleegd op 18 november 2020. SOVON. Vogels per provincie, Sperwer. https://www.sovon.nl/provincies#euring=2690&prov=NB&lang=nl. Geraadpleegd op 7 januari 2021. 10 SOVON. Vogelinfo Steenuil. https://www.sovon.nl/nl/soort/7570. Geraadpleegd op 7 januari 2021. 9

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 38

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

De verstoring van individuen tijdens de bouw en gebruik van het ziekenhuis leidt mogelijk tot het verlaten van het huidige territorium, en ongeschikt worden van de broedlocatie. Daarmee is sprake van zowel overtreding van de verbodsbepaling uit Artikel 3.1 lid 2 (aantasting) en Artikel 3.1 lid 4 (opzettelijke verstoring). Omdat de werkzaamheden geen direct effect hebben op deze locaties worden nesten niet beschadigd of vernield. Artikel 3.1 lid 1 is hierdoor niet van toepassing. Ook worden geen eieren geraapt, waardoor Artikel 3.1 lid 3 niet van toepassing is.

Tabel 5-3. Toetsing effecten aan de verbodsbepalingen van de Wnb voor overige soorten

Andere soorten

Grondgebonden zoogdieren: wezel, bunzing

Art. 3.10 Art. 3.10 Art. 3.10 Ten gevolge van: lid 1a lid 1b lid 1c

X

Bouw van het ziekenhuis, aanleg van ontsluitingsweg, herinrichting van het gebied, verlies leefgebied.

Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Door de waarnemingen van wezel en bunzing is het mogelijk dat het plangebied deel is van het territorium of leefgebied van deze soorten. De aanwezigheid van rustplaatsen net buiten het plangebied, maar binnen het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld in schuurtjes, takkenhopen of rommelhoekjes) is niet uit te sluiten. Vandaar dat de werkzaamheden binnen het plangebied mogelijk kunnen leiden tot minder geschikt worden van voortplantings- of rustplaatsen (lid 1b). Voor de steenmarter geldt dat alleen verstoring wordt verwacht. Voor soorten beschermd onder artikel 3.10 geldt geen verbod op het verstoren van individuen. Voor alle in het wild levende soorten (inclusief de vrijgestelde soorten) is tevens de zorgplicht (Art.1.11) van kracht, zie bijlage A.

5.2.1

Inpassing ruimtelijk raamwerk

In het eerder genoemde groeidocument staat beknopt opgenomen welke inrichting er voor het gebied De Bulkenaar wordt beoogd, het ruimtelijk raamwerk. De bovenstaande toetsing is alleen gebaseerd op de bekende werkzaamheden en is gedaan aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Met de beschikbare kennis uit het groeidocument is het mogelijk om te concluderen dat sommige van de hierboven genoemde effect op de Wet natuurbescherming niet of minder van toepassing zullen zijn. Voor veel soorten zal de uitvoering van dit raamwerk in de gebruiksfase een positief effect hebben. Verder kan het document ook dienen als onderdeel van het mitigatieplan voor de genoemde soorten. Echter, het groeidocument is een voorlópig raamwerk. Hieronder wordt kort per soort(groep) beschreven welk effect het huidige ontwerp heeft op de genoemde verbodsbepalingen. Gewone dwergvleermuis en Watervleermuis Tijdens de realisatiefase van het ziekenhuis, ontsluitingsweg en bijbehorend landschap zullen aanwezige vleermuissoorten mogelijk gestoord worden. De beoogde inrichting van het gebied zal overtreding van deze verbodsbepalingen tijdens de realisatiefase niet kunnen voorkomen indien foerageergebied en vliegroutes in of nabij het plangebied verstoord kunnen worden. Als deze functies niet worden aangetast kan verstoring uitgesloten worden.

In de gebruiksfase zal het landschap meer geschikt zijn voor de gewone dwergvleermuis en watervleermuis dan in de huidige situatie door o.a. de aanleg van meer vegetatie, lijnvormige elementen en waterpartijen. De aanleg van deze elementen in het landschap kunnen dienen als onderdeel van het mitigatieplan voor deze soorten. Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 39

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

Algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Tijdens de realisatiefase van het ziekenhuis, ontsluitingsweg en bijbehorend landschap zullen aanwezige algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest mogelijk gestoord of gedood worden. De beoogde inrichting van het gebied zal overtreding van deze verbodsbepalingen tijdens de realisatiefase niet kunnen voorkomen. In de gebruiksfase van het gebied is er een geheel aangepast landschap aanwezig. Door het realiseren van het in het groeidocument beschreven raamwerk kunnen nestlocaties, die mogelijk verloren gaan als gevolg van de werkzaamheden, worden gemitigeerd. Door de aanleg van o.a. bos, struweel, rietland en waterpartijen (beek, oppervlaktewater) zal de uiteindelijke situatie in het plangebied meer mogelijkheden bieden voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest dan de huidige situatie, waarin voornamelijk agrarisch gebied aanwezig is. Door de aanleg van de genoemde elementen zal het plangebied in de gebruiksfase geschikt zijn voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Broedvogels die afhankelijk zijn van bos en (grote) bomen kunnen hier hun leefgebied vinden nadat de benodigde vegetatie voldoende gegroeid en ontwikkeld is. Voor deze soortgroep kunnen de genoemde onderdelen van het ruimtelijk raamwerk dienen als onderdeel van het mitigatieplan.

Sperwer De locatie waar het sperwernest is gevonden wordt niet genoemd in het ruimtelijk groeidocument omdat deze locatie alleen gaat over de ontsluitingsweg die parallel aan de A58 gaat lopen. De hierboven genoemde directe negatieve effecten en mogelijke overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb zullen met het beoogde raamwerk van het plangebied niet veranderen. Echter, door de aanleg van bos zal de omgeving van de broedlocatie meer geschikt worden als mogelijk foerageer- en leefgebied van de sperwer. Met de huidige beschikbare informatie kan niet geconcludeerd worden dat de overtreding van verbodsbepalingen voor sperwer teniet worden gedaan met het ruimtelijk raamwerk. Steenuil Noordoostelijke delen van het plangebied dienen in de huidige situatie als territorium en functioneel leefgebied voor de steenuil. Door de werkzaamheden in het plangebied kan deze functies verstoord worden. Verder is het huidige plangebied ongeschikt bevonden als foerageergebied voor de steenuil door de afwezigheid van geschikte landschapselementen. In de nieuwe gebruiksfase zal het ziekenhuis op een afstand van circa 100 meter van de broedlocatie afliggen en overlappen met het territorium en functioneel leefgebied. Ook zal in de gebruiksfase van De Bulkenaar een geheel aangepast landschap aanwezig zijn.

De beoogde aanwezigheid van kleinschalige, gevarieerde landschapselementen kan een positief effect hebben op de lokale steenuilpopulatie. Door ervoor te zorgen dat de rest van het plangebied geschikt wordt als foerageergebied van de steenuil kan de aannemelijke aantasting van het territorium en leefgebied deels gemitigeerd worden. Echter, het is van belang dat ook voldoende openheid van het gebied wordt behouden voor de steenuil. De aanleg van deze elementen in het landschap kunnen dienen als onderdeel van het mitigatieplan van de steenuil. Wezel en Bunzing Het gebied maakt in de huidige situatie mogelijk deel uit van het territorium of leefgebied van de wezel en bunzing. Door de werkzaamheden in het plangebied kunnen deze functies tijdelijk verstoord worden. Echter, door de herinrichting van het landschap, zoals het aanleggen van o.a. houtwallen en struweel wordt het gebied meer geschikt voor deze soorten dan in de huidige situatie. Met deze nieuwe inrichting is het namelijk niet ondenkbaar dat geschikte rustplaatsen voor deze soorten gecreëerd kunnen worden. De aanleg van deze elementen in het landschap kunnen dienen als onderdeel van het mitigatieplan voor deze soorten. Conclusie ruimtelijk raamwerk Hierboven is beschreven welke effecten op de genoemde soorten mogelijk verzacht worden.

Het gaat hier met name om de gebruiksfase van het gebied, nadat het ruimtelijk raamwerk is gerealiseerd. In deze fase zal het landschap meer geschikt leefgebied vormen voor een groot deel van de soorten verge leken met de huidige situatie door de groene inrichting en schakeling van groenelementen. Verstoring in de realisatiefase Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 40

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

kan hiermee echter nog niet worden voorkomen als gevolg van de werkzaamheden. De opgenomen elementen in het ruimtelijk raamwerk kunnen als onderdeel van het mitigatieplan voor de genoemde soorten gebruikt worden. Om de hierboven beschreven effecten op aanwezige soorten en functies zo min mogelijk te houden is het van belang dat mitigerende en compenserende maatregelen op de juiste manier geborgd worden in een mitigatieplan en in het ontwerp van het landschapspark. De juiste elementen dienen op de juiste locatie gerealiseerd te worden, rekening houdend met de huidige aanwezige soorten en functies. In een mitigatieplan moet uitvoering en specifiek beschreven worden welke maatregelen genomen dienen te worden om overtreding van verbodsbepalingen van aanwezige soorten zo goed mogelijk te mitigeren.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 41

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

6

CONCLUSIE

In het kader van de bouw van het nieuwe ziekenhuis in het gebied De Bulkenaar is in 2019 en 2021 een Quickscan uitgevoerd. In deze Quickscans is geconcludeerd dat het gebied mogelijk geschikt is voor beschermde soort(groep)en. Volgend op deze conclusie is soortgericht onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de volgende beschermde soort(groep)en en functies voorkomen in en nabij het plangebied: •

•

• • • •

•

Gewone dwergvleermuis − Acht zomerverblijfplaatsen. − Drie kraamverblijfplaatsen. − Essentieel foerageergebied (nabij plangebied). − Essentiële vliegroutes (binnen plangebied). Watervleermuis − Foerageergebied (niet-essentieel binnen plangebied, essentieel nabij plangebied). − Essentiële vliegroutes (binnen en nabij plangebied). Roofvogels (buizerd, sperwer). − Broedgevallen buiten plangebied. Plangebied kan deel uitmaken van leefgebied. Steenuil − Territorium en functioneel leefgebied overlappend met plangebied. Wezel − Aanwezige populatie, leefgebied. Bunzing − Jaarrond aanwezig in plangebied, leefgebied. − Verblijfplaatsen. Steenmarter − Incidenteel voorkomend.

Uit de effectbeoordeling blijkt dat er effecten zijn te verwachten op de volgende soorten: • Gewone dwergvleermuis en watervleermuis. • Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. • Broedvogels met jaarrond beschermd nest (sperwer en steenuil). • Wezel, hermelijn en steenmarter. De effecten op deze soorten en bijbehorende functies zijn getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hieruit blijkt dat voor de volgende soorten er sprake is van overtreding van een verbodsbepaling als gevolg van het plan: • • • • • • •

Gewone dwergvleermuis (indien foerageergebied en vliegroutes worden aangetast. Watervleermuis (indien foerageergebied en vliegroutes worden aangetast). Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Sperwer. Steenuil. Wezel. Bunzing.

Aan de hand van het beschikbare groeidocument is in paragraaf 5.2.1 beschreven welke effecten op de genoemde soorten mogelijk verzacht worden. Het gaat hier met name om de gebruiksfase van het gebied. In deze fase zal het landschap meer geschikt leefgebied vormen voor een groot deel van de soorten vergeleken met de huidige situatie door de groene inrichting en schakeling van groenelementen. Verstoring in de realisatiefase kan hiermee echter nog niet worden voorkomen. Ook is het van belang dat in een mitigatieplan de juiste maatregelen op de juiste manier worden geborgd. Op deze manier worden de negatieve effecten op de aanwezige soorten zo goed mogelijk verzacht en gemitigeerd. Om negatieve effecten op aanwezige individuen te beperken en voorkomen, en voldoende functioneel leefgebied voor deze soorten tijdens de werkzaamheden te behouden dienen mitigerende maatregelen genomen te worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de kwetsbare perioden van de aanwezige soorten. De volgende stap is om een gedetailleerd mitigatieplan op te stellen. Aan de hand hiervan kan dan bepaald worden voor welke soorten het alsnog nodig is om ontheffing aan te vragen. Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 42

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

BIJLAGE A WETTELIJK KADER WNB - SOORTBESCHERMING Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000 -gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven.

Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (artikel 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (artikel 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (artikel 1.11, lid 3).

Categorieën De wet onderscheidt drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Soorten Vogelrichtlijn, ook wel Vogelrichtlijnsoorten genoemd (Wnb §3.1). • Soorten Habitatrichtlijn, ook wel Habitatrichtlijnsoorten genoemd (Wnb §3.2). • Andere soorten (Wnb §3.3). Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (artikel 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in (artikel 3.5 lid 1): • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in (artikel 3.5, lid 5): • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern. Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb §3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden.

Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (artikel 3.10, lid 1 onder a en c).

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 43

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

Verbodsbepalingen Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om (artikel 3.1): • in het wild levende vogels te doden of te vangen (lid 1). • opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (lid 2). • eieren te rapen en deze onder zich te hebben (lid 3). • opzettelijk te storen (lid 4), tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (lid 5). Voor Habitatrichtlijnsoorten is het verboden om (artikel 3.5): • in het wild levende dieren in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen (lid 1). • opzettelijk te verstoren (lid 2). • eieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen (lid 3). • de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen (lid 4). • planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (lid 5). Voor Andere soorten is het verboden om (artikel 3.10, lid 1): • in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen (onderdeel a); • de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (onderdeel b). • vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (onderdeel c).

Hierboven is voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten aangegeven dat verstoring niet is toegestaan. Niet iedere verstoring in het kader van de wet is relevant is. Het moet gaan om verstoring die voor soorten in potentie wezenlijke gevolgen heeft. Een tijdelijke verandering van gedrag valt hier niet zonder meer over. Zie voor meer informatie het volgende tekstkader. Juridisch kader verstoring beschermde soorten Niet iedere toename van verstoringsbronnen leidt tot een daadwerkelijk effect dat in het kader van de wet is voorzien als verstoring. Voor een individu dat sprake is van opzettelijke verstoring als niet in de directe omgeving (tijdelijk) uitwijkmogelijkheden voor handen zijn en de functionaliteit van het leefgebied door verstoring wordt aangetast. Dit si verschillende keren bevestigd door de Raad van State. Hieronder staan twee delen van uitspraken waarin dit bevestigd is: ECLI:NL:RVS:2009:BI3701: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr.

200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw.” ECLI:NL:RVS:2020:1125: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8836), geldt bij de uitleg van artikel 10 van de Flora- en faunawet als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling. Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek kan niet worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. De Afdeling volgt deze interpretatie eveneens ten aanzien van het in het vierde lid van artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb neergelegde verbod van opzettelijke storing.”

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 44

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (artikel 3.31, lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. Een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. b. Een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw. c. Een bestendig gebruik. d. Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van LNV kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (artikel 3.3, lid 2-4; artikel 3.8, lid 2-5; artikel 3.10, lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder).

Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. De Provincie NoordBrabant heeft een algemene vrijstelling verleend voor de volgende soorten: Amfibieën • Bastaardkikker • Bruine kikker • Gewone pad • Kleine watersalamander • Meerkikker Zoogdieren • Aardmuis • Bosmuis • Dwergmuis • Dwergspitsmuis • Egel • Gewone bosspitsmuis • Haas • Huisspitsmuis • Konijn • Ondergrondse woelmuis • Ree • Rosse woelmuis • Tweekleurige bosspitsmuis • Veldmuis • Vos • Wild zwijn • Woelrat

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 45

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (artikel 3.3 lid 1 en 3; artikel 3.8 lid 1 en 3; artikel 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per beschermingscategorie: Voor Vogelrichtlijnsoorten moet voor een ontheffing worden voldaan aan de volgende voorwaarden (artikel 3.3, lid 4): • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing (onderdeel a). • Het project is nodig (onderdeel b): − 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; − 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; − 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; − 4°. ter bescherming van flora of fauna; − 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of − 6°.

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; • de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (onderdeel c). Voor Habitatrichtlijnsoorten moet voor een ontheffing worden voldaan aan de volgende voorwaarden (artikel 3.7, lid 5): • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing (onderdeel a). • Het project is nodig (onderdeel b): − 1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; − 2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; − 3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; − 4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of − 5°.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; • er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (onderdeel c). Voor Andere soorten geldt in aanvulling op alle voorwaarden voor Habitatrichtlijnsoorten ook dat het project nodig is voor één of meerder van de aanvullende wettelijke belangen (artikel 3.10, lid 2): • In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde (onderdeel a). • Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen (onderdeel b).

• Ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden (onderdeel c). • Ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren (onderdeel d). • In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw (onderdeel e).

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 46

Resultaten soortgericht onderzoek De Bulkenaar

• • • •

In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer (onderdeel f). In het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied (onderdeel g). In het algemeen belang (onderdeel h). Bestendig gebruik (onderdeel i).

Geen andere bevredigende oplossing betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Eigen verantwoording Wanneer plannen worden ontwikkeld voor ruimtelijke ingrepen of voornemens ontstaan om werkzaamheden uit te voeren, dient vooraf goed te worden beoordeeld of er mogelijke nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten zijn. In beginsel is daarvoor de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk.

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 47

RESULTATEN SOORTGERICHT ONDERZOEK DE BULKENAAR

BIJLAGE B RAPPORTAGES SOORTGERICHT ONDERZOEK

Onze referentie: D10015860:158 - Datum: 11 augustus 2021 - AS2-Internal 48

NATUURONDERZOEK DE BULKENAAR TE ROOSENDAAL Gierzwaluw en vleermuizen Eindrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 20-11-2020

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Adres:

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA ‘s-Hertogenbosch +31611871607

Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

i Kwaliteitscontrole : Projectcode: Status: Datum:

ARVW2013 Definitief 20-11-2020

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

INHOUDSOPGAVE

1 1.1 1.2

Inleiding............................................................................................................................................. 4 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................... 4

2 Onderzoeksmethodiek ..................................................................................................................... 6 2.1 Gierzwaluw .................................................................................................................................... 6 2.2 Vleermuizen ................................................................................................................................... 6 2.2.1 Zomer- en kraamverblijfplaatsen ................................................................................................ 6 2.2.2 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ...................................................................................... 6 2.2.3 Winterverblijfplaatsen ................................................................................................................. 6 2.2.4 Vliegroutes en foerageergebieden.............................................................................................. 8 2.3 Overzicht inventarisaties ................................................................................................................ 8 3 Resultaten .........................................................................................................................................

9 3.1 Gierzwaluw .................................................................................................................................... 9 3.2 Vleermuizen ................................................................................................................................... 9 3.2.1 Zomer- en kraamverblijfplaatsen ................................................................................................ 9 3.2.2 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen .................................................................................... 10 3.2.3 Winterverblijfplaatsen ............................................................................................................... 10 3.2.4 Vliegroutes en foerageergebieden ............................................................................................ 10 3.3 Overige waarnemingen ................................................................................................................ 11 3.4 Beschermde functies projectgebied ............................................................................................. 11 4 4.1

Conclusie en aanbevelingen ......................................................................................................... 12 Conclusie ..................................................................................................................................... 12

Bijlage 1: Kaart deelgebieden ..................................................................................................................... 13 Bijlage 2: Kaart resultaten gierzwaluwonderzoek ....................................................................................... 14 Bijlage 3: Kaart resultaten vleermuisonderzoek.......................................................................................... 17 Bijlage 4: Kaart overige waarnemingen ...................................................................................................... 23 Bijlage 5: Foto’s van verblijfplaatsen .......................................................................................................... 26

3

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De Gemeente Roosendaal is voornemens het Bravis-ziekenhuis te verplaatsen naar een nieuwe locatie. Voor de bouw op de nieuwe locatie moet een nieuwe ontsluitingsweg naar de A58 worden aangelegd. Om dit te realiseren wordt een deel van de aanwezige landbouwgronden, onbewoonde bebouwing en de bomen verwijderd. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. In 2019 is door Arcadis Nederland B.V. een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd middels een quickscan ecologie. Uit de quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor de gierzwaluw en vleermuizen. In opdracht van Arcadis Nederland B.V. is derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het projectgebied door de gierzwaluw en vleermuizen. Dit rapport bevat de resultaten van het onderzoek.

1.2

WETTELIJK KADER Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. Wanneer er door uitvoering van werkzaamheden sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

Nestlocaties van de gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Alle vleermuizen zijn op Europees niveau beschermd. De verbodsbepalingen voor Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.1 (vogels) en 3.5 (overige soortgroepen) van de Wet natuurbescherming.

4

Europees beschermde soorten – Vogels (Artikel 3.1 Wet natuurbescherming) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen (Artikel 3.5 Wet natuurbescherming) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

5

2

ONDERZOEKSMETHODIEK

2.1

GIERZWALUW Het onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw is uitgevoerd conform het Kennisdocument Gierzwaluw1. Het onderzoek naar de aanwezigheid van de gierzwaluw is uitgevoerd in de deelgebieden: 1, 2, 3 en 5 t/m 9 (zie bijlage 1). In deelgebied 4 heeft geen onderzoek naar de gierzwaluw plaatsgevonden vanwege het ontbreken van geschikt habitat. Er zijn drie rondes in de periode 1 juni tot en met 15 juli 2020 uitgevoerd, waarvan één tussen 20 juni en 7 juli 2020 in verband met de aanwezigheid van jongen. Hierbij zijn de deelgebieden doorkruist en zijn waarnemingen op kaart ingetekend. Bij de overige inventarisaties is tevens aandacht aan de gierzwaluw besteed. Het onderzoek naar de gierzwaluw is uitgevoerd in een team van vier onderzoekers. Door het open karakter van de omgeving en het goede overzicht zijn per onderzoeker meerdere deelgebieden per inventarisatieronde onderzocht. In paragraaf 2.3 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden. 2.2

VLEERMUIZEN Onderzoek naar vleermuizen is te verdelen in het inventariseren van de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, zwermplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Per mogelijke functie is er onderzoek verricht conform het Vleermuisprotocol 20172. De inventarisaties met betrekking tot vleermuizen zijn met behulp van een zogenaamde batdetector uitgevoerd. Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt standaard met de Pettersson D240X. Dit apparaat vangt de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maakt deze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Daarnaast biedt het apparaat de mogelijkheid geluiden op te nemen voor analyse achteraf. Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld en vereisen een controle met behulp van analyse-software. Het onderzoek is uitgevoerd door deskundigen op het gebied van vleermuizen. Vanwege de omvang en het overzicht in het projectgebied is elk deelgebied onderzocht door één onderzoeker per inventarisatieronde. Door betreffende onderzoeksinspanning, het gebruik maken van zichtlijnen en actief bewegen van onderzoekers is een volledig overzicht op de geschikte elementen in het projectgebied verkregen. In paragraaf 2.3 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden. De toegepaste methodiek wordt hier per functie nader toegelicht.

2.2.1

ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN

In de periode 15 mei – 15 juli 2020 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit drie rondes, waarvan er één in de vroege ochtend vanaf circa twee uur voor zonsopkomst is uitgevoerd. De overige twee rondes hebben 's avonds plaatsgevonden vanaf zonsondergang. Het onderzoek in deelgebied 10 is tijdens de ochtendronde vanaf 2,5 uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst uitgevoerd in verband met boombewonende vleermuizen. In deelgebied 10 zijn twee inventarisatierondes uitgevoerd.

2.2.2

PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN

In de periode 15 augustus – 15 september 2020 zijn twee inventarisaties van twee uur uitgevoerd, teneinde de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen vast te stellen dan wel uit te sluiten. Hiervan is één ronde gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar zwermende dieren in het kader van winterverblijfplaatsen van vleermuizen.

2.2.3

WINTERVERBLIJFPLAATSEN

Op 27 februari 2020 is een boomholte-inspectie uitgevoerd in deelgebied 10 om de aanwezigheid van overwinterende vleermuizen vast te stellen dan wel uit te sluiten. In de periode 1 augustus – 10 september 2020 is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zwermende dieren in het kader van 1

BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0. BIJ12 juli 2017

2 Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017). Vleermuisprotocol 2017, maart 2017.

6

winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit twee ronden van twee uur vanaf middernacht. Deze inventarisaties hebben plaatsgevonden bij de bebouwing in het projectgebied (deelgebied 1 t/m 9). Hiervan is één ronde gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar paarverblijfplaatsen van vleermuizen. Tussen de twee inventarisaties naar zwermende dieren in het kader van winterverblijfplaatsen is een minimum tussenperiode van tien dagen gehanteerd. De inventarisaties zijn uitgevoerd door een team van vier deskundigen op het gebied van vleermuizen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1229/documents/32443