05a - TOELICHTING F58 vaststelling.pdf
Tekst van het document
Hoe hiermee wordt omgegaan is uitgewerkt in de “Memo natuurcompensatie aanleg snelfietspad Roosendaal-Bergen op Zoom”. Deze is opgenomen als bijlage 7 van deze toelichting. Daar waar het noodzakelijk is om bomen te kappen, worden deze gecompenseerd indien nodig. De compensatie vindt plaats ter hoogte van de Weihoek. Hiervoor is een concept compensatieplan opgesteld. Deze is bijgevoegd als bijlage 8.
24
Stedelijk afweegbaar Het plangebied ligt deels in de aanduiding ‘Stedelijk afweegbaar’. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. De snelfietsroute op zich is geen stedelijke ontwikkeling. Wel gaat de route de stedelijke gebieden Bergen op Zoom en Roosendaal verbinden. Een dergelijke verbinding is niet mogelijk binnen een buitengebied, aangezien het juist de gebieden gaat verbinden. Wel is gekozen voor een verbinding die zoveel mogelijk langs reeds bestaande infrastructuur is gelegen, zodat de impact op het landschap zo minimaal mogelijk is. Aangezien hier reeds stedelijke functies zijn gelegen sluit deze aanduiding niet aan bij de feitelijke situatie. Daarom is hier een kaartaanpassing gevraagd. Deze kaart aanpassing is opgenomen in het ontwerp omgevingsverordening d.d. 24 mei 2022. 3.3.3 Beleid ten aanzien van water van provincie en Waterschap Brabantse Delta Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.
De doelen van het PMWP zijn: Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer – waaronder grondbeheer – heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016 – 2021, wat tot stand is gekomen met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijk ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap nodig. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijk’ waterhuishoudige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. In de Keur staan onder meer regels voor het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van water. Indien het afvoerend verhard oppervlak direct of via retentie/infiltratievoorziening loost op het oppervlaktewater en kleiner is dan 500m², kan volstaan worden met een melding aan het waterschap. Het hemelwater kan dan zonder keurontheffing worden geloosd op de watergang. Indien het afvoerend oppervlak groter is dan 500 m², is voor het lozen op oppervlaktewater wel een vergunning
25
van het waterschap nodig. Bij het verlenen van een vergunning wordt de beleidsregel 'Hydraulische randvoorwaarden 2009' (juli 2009) gehanteerd. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek te brengen. Bij het opstellen van de watertoets wordt ook gekeken of de Keur van toepassing is. Voor dit plan is een watertoets uitgevoerd. De watertoets is voorgelegd aan het Waterschap Brabantse Delta. Hoofdstuk 2.5 Gemeentelijk beleid 2.5.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 In 2025 is Roosendaal een stad van mensen, van wonen, van (net)werken. Een complete en vitale stad. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten.
Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. Er zijn twee beleidsuitgangspunten geformuleerd: Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal; Een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling. De duurzame ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt tot fundamentele keuzes: Bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten; Zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is; Gebruik maken van de kwaliteit van de locatie; Leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groen-blauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c.
het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied; De kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven; De haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling wordt ondersteund door de volgende keuzes: Niet meer programma in ontwikkeling nemen dan dat de markt kan opnemen; Economische druk op de markt genereren door voorzichtig te programmeren; Eerst bestaande programma’s benutten en pas daarna aan nieuwe beginnen. Nieuwe ontwikkelingen van kantoren en winkels voorlopig bevriezen; Flexibel en kleinschalig programmeren en faseren;
26
Intensiveren en beter benutten van de bestaande voorraad van stedelijke functies (woningen, bedrijventerreinen, kantoren, maatschappelijk vastgoed); Toepassen van de SER/ duurzaamheidsladder bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uitnodigen, samenwerken en regisseren in plaats van voorschrijven. Verruim de mogelijkheden van bestemmingsplannen (plan vooruit).
De ruimtelijke keuzes en uitgangspunten zijn in deze structuurvisie vertaald naar de verschillende onderdelen van de ruimtelijke ordening en ondersteund door kaarten met de hoofdstructuren. In de Structuurvisie staat beschreven dat infrastructuur een randvoorwaarde is voor leefbaarheid in wijken en dorpen en het economisch functioneren van de gemeente. Veiligheid speelt daarbij een grote rol. Doelstelling is een probleemloze afwikkeling en parkeer-/stallingsmogelijkheden van alle verkeermodaliteiten. Door toenemend autoverkeer en goederenvervoer staan de bereikbaarheid en leefbaarheid van Roosendaal onder druk. De aanleg van een snelfietsroute is hier een goed en passend antwoord op. Het is op voorhand duidelijk dat aan de beleidsuitgangspunten uit de Structuurvisie 2025 door de aanleg van een snelfietsroute wordt voldaan. Een snelfietsroute is immers een duurzame, haalbare, betaalbare en lokale ruimtelijke ontwikkeling. 2.5.4 Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2015 - 2025 'Knooppunt Roosendaal' Het gemeentelijke verkeer- en vervoersbeleid is het beleids- en toetsingskader voor de gewenste ontwikkelingen op het gebied van verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal tot 2025. Het geeft de kaders waarbinnen verkeersprojecten worden gedefinieerd en geprioriteerd en verkeersbeleid in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd.
In 2025 is het verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal schoner, stiller, zuiniger en slimmer. Onze positie in het landelijke netwerk is sterker en robuuster. Voor onze inwoners, ondernemers en bezoekers zijn wij optimaal bereikbaar, waarbij wordt ingezet op een breed palet aan vervoerswijzen. Multimodaal is een sleutelbegrip en een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van Roosendaal. De inhoudelijke hoofddoelstelling van het GVVP is:‘Het bevorderen van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dat noodzakelijk is voor sociaaleconomische activiteiten, waarbij alle vormen van verkeershinder zoveel mogelijk worden beperkt’. Deze algemene hoofddoelstelling wordt aangescherpt door drie kaders: 1. verduurzaming; 2. innovatie; 3. regionale netwerk versterking. Deze drie kaders geven sturing aan de wijze waarop de hoofddoelstelling wordt ingevuld. Hieronder een korte toelichting op de beleidskoers. Ad. 1: Verduurzaming Lopen en fietsen zijn de meest schone en stille manieren om te verplaatsen. Het lokale leefklimaat en de bereikbaarheid verbetert door hier meer op in te zetten. Deze focus op duurzame mobiliteit wordt concreet vertaald door hier prioriteit aan te geven bij opgaven en ontwikkelingen in de stad en dorpen. Daarnaast is het wenselijk dat het gemotoriseerde verkeer schoner, stiller en zuiniger wordt.
Door het elektrisch rijden beter te faciliteren kan de verduurzaming lokaal worden versterkt.
27
Ad. 2: Innovatie Door toepassing van nieuwe slimme (‘smart’) technieken kunnen verkeersproblemen in de toekomst worden voorkomen. Het weggennet wordt beter en efficiënter benut waardoor fysieke en kostbare maatregelen niet noodzakelijk (meer) zijn. Deze ict-technieken worden zowel bij voertuigen als in de infrastructuur toegepast. Auto’s gaan meer en meer ‘communiceren’, zowel onderling als met hun omgeving. Deze slimme mobiliteitsoplossingen zorgen voor beter doorstroming van het verkeer, voor toename van de verkeersveiligheid (afname ongevallen) en voor verbetering van het leefmilieu. Ad. 3: Regionale versterking De positie van Roosendaal in het (boven)regionale en landelijke netwerk moet worden versterkt door het ontwikkelen en verbinden van economische toplocaties, hoog stedelijke zones en multimodale knooppunten en het verbeteren van de fysieke en/of functionele verbindingen met andere stedelijke regio’s. Het gaat hierbij over de afstemming binnen de thema’s als ruimte, verstedelijking, werken, natuur en verkeer en vervoer. Dit is goed voor de werkgelegenheid en het woonklimaat. Bedrijven vestigen zich immers op plekken die goed ontsloten zijn en daar waar veel potentiële arbeidsplaatsen binnen bereik liggen. En, mensen wonen graag op een plek waar werkgelegenheid en goede voorzieningen binnen acceptabele afstand en tijd bereikbaar zijn.
Knooppunten in het netwerk, zoals bijvoorbeeld het stationsgebied en multimodale overslagpunten aan water en spoor (logistiek) hebben in het netwerk een belangrijke positie. BTB-PROOF Via een Amendement heeft de gemeenteraad bij de vaststelling een extra uitgangspunt toegevoegd aan het GVVP. Dit uitgangspunt luidt: “Dat Roosendaal BTB-proof moet zijn, een Bereikbaar, Toegankelijk en Bruikbaar Roosendaal voor alle verkeersdeelnemers en gebruikers van de openbare ruimte zoals fietsers, rolstoelrijders, scootmobielers, doven, slechtzienden of mensen met een andere lichamelijke beperking. Zoals bijvoorbeeld op de routes van, naar en dóór de binnenstad.” Bovenstaande doelstellingen, beleidskaders, procestappen en participatietraject hebben geleid tot de formulering van 18 concrete hoofdopgaven. Deze hoofdopgaven zijn benoemd in het GVVP 2015 – 2025. Het behoeft weinig uitleg dat onderliggend plan aan deze doelen voldoet; het verbeteren van fietsvoorzieningen en daarmee het stimuleren van fietsgebruik, past binnen bovenstaande ambities.
28
Hoofdstuk 4 ONDERZOEKEN 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.1.1 Kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om te beoordelen of er sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.1.2 Onderzoek Het Besluit m.e.r. heeft voor wat betreft wegen betrekking op autosnelwegen en autowegen of andere wegen van vier of meer rijstroken. Fietspaden maken geen onderdeel uit van de C- en D-lijst van het Besluit-m.e.r.. Hierdoor is er geen sprake van een (vormvrije) m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
4.1.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige effecten voor het milieu, is de conclusie gerechtvaardigd dat een (vormvrije) m.e.r.-procedure niet nodig is. 4.2 Bedrijven- en milieuzonering 4.2.1 Kader Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie ’Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen.
De richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van de bedrijven en anderzijds de gevel van een woning. De adviesafstanden hangen samen met gebiedskenmerken. 4.2.2 Onderzoek Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op het mogelijk maken van fietsverkeer. Fietsverkeer is geen activiteit die onder de bedrijven en milieuzonering valt en zal naar verwachting geen negatief milieueffect hebben op de omgeving.
29
4.2.3 Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen gevoelige objecten mogelijk en ziet niet op de vestiging van bedrijvigheid die hinder kan veroorzaken. Het toepassen van milieuzonering of het beoordelen van bedrijfshinder is daarom niet aan de orde. 4.3 Geur 4.3.1 Kader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. 4.3.2 Onderzoek In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. 4.3.3 Conclusie Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Onderliggend bestemmingsplan maakt geen geurgevoelige objecten mogelijk, onderzoek naar geurhinder is daarom niet aan de orde.
4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Kader Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’. De vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.
Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of
30
het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.
Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.4.2 Onderzoek Voor het aspect luchtkwaliteit moet worden nagegaan of de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Dit bestemmingsplan is opgesteld om een snelfietsroute te realiseren. Ten gevolge van deze ontwikkeling is geen sprake van een toename van gemotoriseerd verkeer in het plangebied, het project heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid Wm. De luchtkwaliteitseisen leveren daarmee geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Kader Algemeen Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b.
het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico’s wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
31
Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren.
De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. In andere regelgeving dan Bevi kunnen ook risiconormen of aan te houden effectafstanden zijn opgenomen ten aanzien van inrichtingen. Te denken valt aan het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit ten aanzien van propaantanks, benzine- en aardgastankstations en gasdrukregelstations. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het “Besluit transportroutes externe veiligheid” en de “Wet vervoer gevaarlijke stoffen”. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is sinds 1 januari 2011 geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan.
Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 55 of 5 meter. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Gemeentelijk beleid De gemeenten Moerdijk, Halderberge en Roosendaal zetten zich samen met de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant in voor meer veiligheid in de spoorzone langs het traject Roosendaal – Lage Zwaluwe. Zelfredzaamheid en hulpverlening staan daarbij centraal. De instanties richten zich op het treffen van maatregelen om de zwakke plekken aan te pakken en de communicatie te verbeteren. 4.5.2 Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een snelfietsroute mogelijk. Het bestemmingsplan ziet uitsluitend op de openbare ruimte en maakt geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk. Verkeersdeelnemers (automobilisten en fietsers) worden niet beoordeeld in het kader van extern veiligheidsonderzoek, waardoor nader onderzoek naar het plaatsgebonden risico of het groepsrisico niet noodzakelijk is.
Een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.
32
4.5.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Daarnaast levert de omgeving geen risico’s op voor de functie verkeer. 4.6 Geluid 4.6.1 Kader Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder (Wgh) wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld ter wille van het woon- en leefklimaat. De Wgh biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. De wet kent een ondergrens, de voorkeursgrenswaarde. Als de geluidbelasting lager is dan deze waarde, dan zijn de voorwaarden die de wet stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de Wgh een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Als de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk.
In het geval de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een ‘hogere waarde’ genoemd, ‘hoger’ in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde en wordt via een formele procedure vastgelegd. 4.6.2 Onderzoek Voor een fietspad is geen geluidzonering van toepassing. Bij de aanleg van het fietspad is geen sprake van verplaatsing van een eventueel naastliggende weg. Er zijn daarom geen belemmering op grond van de Wgh. 4.6.3 Conclusie Er is geen sprake van een ontoelaatbare toename van geluidhinder als gevolg van de aanleg van de snelfietsroute. Fietsverkeer is geen gevoelige functie, waardoor onderliggend plan met het oog op het aspect geluid uitvoerbaar is. Oftewel, het aspect geluid vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. 4.7 Bodem 4.7.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst.
Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit
33
Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. 4.7.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Door Arcadis is in juni 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van het verkennend onderzoek is nagegaan of op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater boven de (lokale) streef- en/of achtergrondwaarden aanwezig zijn. Het verkennende (grondwater-/asbest)bodemonderzoek is uitgevoerd volgend de richtlijnen uit de NEN 5470. Op basis van de beschikbare gegevens is hierbij uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte lijnvormige locatie. Ook PFAS is in de analyses meegenomen. Hieronder worden de conclusies beschreven. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 4. Bodem algemeen Zintuiglijk zijn in de bodem lokaal puinbijmengingen aangetroffen. Ter plaatse van deze boringen zijn asbestinspectiekuilen gegraven en onderzocht. Analytisch zijn in de bovengrond, met uitzondering van mengmonster MM20 (locatie retentievoorziening), geen of ‘slechts’ lichte verhogingen aan stoffen gemeten. Het gaat dan om PAK, enkele metalen, PCB’s en minerale olie.
Ook in de ondergrond komen geen of maximaal lichte verhogingen (PAK/minerale olie) voor. MM20 (locatie retentievoorziening) In één mengmonster, MM20 (locatie retentievoorziening), bestaande uit 4 bovengrondmonsters (B099, B101, B102 en B103) uit deelgebied ‘De Stok’, is een sterke verhoging gemeten. Het gaat dan om PCB’s. In het andere mengmonster (MM21) van de bovengrond van dit terreindeel komen PCB’s licht verhoogd voor, in de ondergrond is deze parameter niet verhoogd. De bron van de sterke PCBverhoging is vooralsnog onbekend, wel is één van de boringen, B101, gemaakt langs een trafo-huis. Indien dit de bron is, zal de omvang relatief beperkt zijn. Middels een nader onderzoek dient nagegaan te worden wat de omvang is. Indien sprake is van > 25 m3 sterke verontreiniging, is er sprake van een zogenaamd geval van ernstige bodemverontreiniging en dus een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Graafwerkzaamheden zijn dan meldingsplichtig, hiervoor gelden proceduretermijnen als aangegeven in de Wbb. Indien het gaat om een zogenaamd ‘nieuw’ geval van verontreiniging, dat wil zeggen veroorzaakt ná 1987, geldt ongeacht ernst een saneringsnoodzaak in het kader van de zorgplicht bodem. PFAS bodem PFAS komen in de vaste bodem voor, doorgaans echter in gehalten in de klasse ‘landbouw/natuur’.
Enkel in de mengmonsters MM3 en MM16 is sprake van klasse ‘wonen/industrie’, op basis van de gehalten aan PFOS.. Mengmonster MM16 betreft de bovengrond van de boringen B91 t/m B94, gemaakt in de (zuid)berm van de Wouwbaan, ter hoogte van de rotonde Rosada. Grondwater algemeen In het grondwater komen doorgaans geen of slechts lichte verhogingen voor. Het gaat dan om barium, zink en naftaleen. Dit geldt voor het onderhavige plangebied. PFAS Grondwater PFAS komt in het grondwater verhoogd, ten opzichte van de detectiegrens, voor. Deze verhogingen zijn echter niet meer dan marginaal. De indicatieve niveaus voor ernstige grondwaterverontreiniging (INEV), ook de meest strenge (‘inclusief grondwater’), worden hier niet benaderd of overschreden.
34
Asbest Voor wat betreft asbest zijn inspectiekuilen gegraven en onderzocht daar waar in het verkennende onderzoek puinbijmengingen ‘van onbekende herkomst’ zijn aangetroffen. Zintuiglijk is hierbij geen asbestverdacht materiaal aangetroffen, ook analytisch wordt in vier van de vijf analysemonsters geen asbest boven de detectiegrens aangetroffen. Uitzondering is het mengmonster van de bovengrond inspectiekuilen ABK57, ABK59 en ABK63. Hierin is een ‘gewogen’ asbestgehalte van 76 mg/kgds aangetroffen. Dit gehalte overschrijdt de interventiewaarde en restconcentratienorm niet, echter wél het criterium voor nader onderzoek, 50mg/kg. Hiermee zou voor deze inspectiekuilen de hypothese (asbest)verdacht aangenomen dienen te worden, waardoor een naderonderzoek asbest aan de orde is. Echter, indien de resultaten worden beschouwd, blijkt dat dit resultaat is ingegeven door één klein asbestplaatje in het analysemonster, waarbij het (wellicht) om een ‘incident’ gaat. Daar het gaat om een mengmonster is niet bekend in welke inspectiekuil dit asbest zich bevindt (of eigenlijk bevond).Derhalve wordt aanbevolen om niet direct een nader onderzoek uit te voeren, maar om de drie bewuste inspectiekuilen opnieuw te graven en (laagsgewijs) te onderzoeken, en per kuil separaat te analyseren.
4.7.3 Conclusie Over het algemeen zal de aangetroffen bodemkwaliteit de aanleg van het snelfietspad niet belemmeren. Wel worden nog de volgende aanvullende onderzoeken aanbevolen voorafgaand aan de realisatie van het fietspad, maar deze zijn voor de uitvoering van het bestemmingsplan niet direct relevant 4.8 Water 4.8.1 Kader Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Brabantse Delta. 4.8.2 Onderzoek Oppervlaktewater In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig wat zijn afvoer heeft richting waterloop De Engebeek die in eigendom en beheer bij het waterschap is. Het aanwezige oppervlaktewater betreffen greppels en categorie B en C waterlopen. Waterveiligheid In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Dit levert dus geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. Rioolstelsel In het gehele gebied wordt het afvalwater getransporteerd via een drukrioleringssysteem en zijn aparte hemelwatersystemen aangelegd om het regenwater naar het oppervlaktewater af te voeren. Het hemelwater dat op de fietspaden valt wordt via de bermen en/of aanwezige waterlopen/greppels afgevoerd naar oppervlaktewater. Bodemopbouw De regionale bodemopbouw van de diepere ondergrond is op basis van het geohydrologisch model REGIS II versie 2.1 in beeld gebracht: Toekomstige situatie Waterkwantiteit In het plangebied past het fietspad al deels.
Voor het gedeelte van het fietspad dat in de bestemming Bos ligt, neemt de verharding in de toekomstige situatie toe. Het hoofduitgangspunt voor de waterhuishouding van de snelfietsroute is het minimaal hydrologisch neutraal ontwikkelen van het
35
plangebied. Vanuit de wet en regelgeving is compensatie benodigd wanneer er tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 aan verharding wordt toegevoegd. De volgende rekenregel is van toepassing: toename verhard opp. x gevoeligheidsfactor x 0,06 m3. Het verhard oppervlak neemt met 320 m1 x 4 = 1.280 m2 toe. Compensatie is dus niet aan de orde. Het hemelwater van het fietspad dat in de bestemming Bos wordt aangelegd zal worden afgevoerd naar de (thans aanwezige) brede bermen. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van de watergangen is in handen bij de gemeente Roosendaal en ten aanzien van de Engebeek bij waterschap Brabantse Delta. Rioolstelsel Bij deze ontwikkeling worden geen aanpassingen aan het rioolstelsel uitgevoerd. Het hemelwater van het fietspad en van de fietsstraat wordt afgevoerd naar de watergangen die langs deze wegen (Vinkenbroeksestraat en Wouwbaan) aanwezig zijn. Duurzaam omgang met hemelwater In navolging op het landelijk beleid, vastgesteld in het Nationaal Bestuursakkoord Water en Waterbeheer 21e eeuw, hanteert de gemeente de volgende tritsen voor de omgang met hemelwater:
Klimaatadaptatie Grote regenbuien moeten binnen het plangebied worden geborgen. Het oppervlak afstromend regenwater mag niet leiden tot wateroverlast in het plangebied en de omliggende omgeving (niet afwentelen). Dit sluit aan bij het hydrologisch neutraal ontwikkelen van het plangebied. Wateroverlast en afwentelen naar de omliggende omgeving is bij dit project niet aan de orde. 4.8.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.9 Flora en fauna 4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.
36
Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.
Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Roosendaal is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag voor de Wnb.
Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet nodig indien de functionaliteit van de nesten,
37
(vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of als er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.9.2 Onderzoek Voor deze ruimtelijke ontwikkeling dienen enkele bomen gekapt te worden. Omdat de kap mogelijk leidt tot negatieve effecten op beschermde flora en fauna, is in 2020 onderzoek (zie bijlage 5) gestart naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Op basis van de ingreep, ligging en gegevens uit de NDFF is bepaald dat onderzoek noodzakelijk is naar aanwezigheid van broedvogels met jaarrond beschermde nesten, vleermuizen en beschermde flora. Vleermuizen Bij het vleermuisonderzoek zijn zomer- en kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, zwermplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied geïnventariseerd. Per mogelijke functie is onderzoek verricht conform het Vleermuisprotocol 2017.
Niet het hele tracé is onderzocht, omdat langs delen van het tracé vleermuizen op voorhand uitgesloten zijn. Dit doordat er geen lijnstructuren aanwezig zijn of deze dusdanig geïsoleerd liggen en daarmee geen functie kunnen hebben voor vleermuizen. Het onderzoek beperkt zich daardoor de bosopstanden bij het knooppunt van de A17/A58 bij Roosendaal. Het onderzochte deel is geen onderdeel van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Gedurende het onderzoek zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de rosse vleermuis waargenomen. Het betreft verschillende individuen van de gewone dwergvleermuis en enkele individuen van de laatvlieger en de rosse vleermuis. De meeste foerageeractiviteit boven het projectgebied vond kortstondig plaats. Enkele individuen van de gewone dwergvleermuis maken langer gebruik van de foerageermogelijkheden binnen het projectgebied. De foerageeractiviteiten binnen het projectgebied vinden voornamelijk plaats langs de groenstructuren. Broedvogels met jaarrond beschermd nest Om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de bomen binnen en rondom het projectgebied te bepalen, is in juli 2021 veldonderzoek gedaan. Hierbij zijn de bomen vanaf de grond geïnspecteerd op nesten. Daarnaast is gelet op aanwezigheid van roofvogels in de omgeving die kunnen wijzen op aanwezigheid van territoria.
Omdat het merendeel van de bomen jonge, kleine bomen betreft, was ook in het seizoen wel zichtbaar of nesten aanwezig waren. Tijdens het veldbezoek zijn in geen van de bomen nesten aangetroffen en ook zijn geen exemplaren waargenomen van soorten die kunnen wijzen op een nest zoals buizerd, sperwer of boomvalk. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen het projectgebied is daarom uitgesloten. Overige broedvogelsoorten Tijdens de verschillende veldbezoeken in het plangebied zijn de diverse algemeen tot schaars in Nederland voorkomende broedvogels waargenomen waarvan verwacht mag worden (zang en/of territorium-indicerende waarnemingen gedaan) dat deze in of nabij het plangebied kunnen broeden. Het gaat om onder andere pimpelmees, houtduif, kauw en merel. Flora
38
Om de aanwezigheid van beschermde flora binnen het projectgebied te bepalen, is in juli van 2021 veldonderzoek gedaan. Hierbij is gekeken of beschermde plantensoorten, of geschikte groeiplaatsen voor beschermde plantensoorten, in het projectgebied aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten of geschikte groeiplaatsen voor beschermde planten aangetroffen. Er is sprake van voedselrijke en intensief beheerde bermen waardoor beschermde flora, veelal pioniersoorten, geen geschikte groeiplaatsen vinden. De aanwezigheid van beschermde flora is binnen het projectgebied daarom uitgesloten. Gebiedsbescherming Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Brabantse Wal, bevindt zich op circa 6 kilometer afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (realiseren snelfietsroute) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Natuurnetwerk Nederland Het zuidelijkgedeelte van het plangebied valt in Natuur Netwerk Brabant. Voor het project F58 is door Arcadis een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar Flora & Fauna op het voorkeurstracé van F58. Een deel van het oorspronkelijke tracé is echter gewijzigd. Het betreft het gedeelte waar een verbinding wordt gemaakt tussen de Vinkenbroeksestraat en Wouwbaan. Daarom is hier een aanvullende quickscan gedaan. Daarnaast is een memo opgesteld hoe omgegaan wordt met NNB (zie bijlage 7). De onderzochte locatie betreft een grasland met daarop een dubbele bomenrij bestaande uit haagbeuk. Het grasland is bij een veehouder uit de omgeving in gebruik voor begrazing. De bomen verkeren meest in matige conditie, waarschijnlijk door de bastschade die gevolg is van vreterij door vee. Vleermuizen: De bomenrijen bestaan uit nog jonge of halfwas bomen en hebben niet de potentie om als paar-, zomer- of kraamverblijf voor vleermuizen dienst te doen. Mogelijk wel als oriëntatie vliegroute, maar die functie is door het naastgelegen bosje niet essentieel en blijft bovendien in stand als er een fietspad wordt aangelegd. Broedvogels: Er is een verlaten houtduivennest aangetroffen. Dit is geen jaarrond beschermd nest. De bomen bieden wel mogelijkheid voor broedvogels. Daarom is werken buiten de broedperiode aan te bevelen.
In het bosje is een vervallen en niet in gebruik zijnde uilenkast gezien. Flora: Er zijn geen beschermde soorten gezien. Dat is ook niet te verwachten in dit als weiland in gebruik zijnde grasland. De conclusie is dat in het gewijzigde tracédeel geen bijzondere flora of fauna is aangetroffen die aanleiding is voor een andere benadering als gesteld in het soortgericht onderzoek wet natuurbescherming. De effectbeoordeling en de conclusies en aanbevelingen uit het soortgericht onderzoek kunnen onverminderd van toepassing worden beschouwd voor dit stukje gewijzigd tracé.
39
Houtopstanden In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Indien er bomen gekapt worden op de onderzoekslocatie zijn deze niet beschermd conform artikel 4 van de Wnb. De oppervlakte van de te kappen bomen is minder dan tien are, of het betreft een rijbeplanting van maximaal twintig bomen; hierdoor vallen ze niet onder de definitie houtopstanden. Bij de voorgenomen kap is dan ook geen sprake van een meldingsplicht en herplantverplichting in het kader van artikel 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming. Echter is het binnen de gemeentelijke verordening mogelijk noodzakelijk een kapvergunning aan te vragen. 4.9.3 Conclusie Uit het flora&fauna onderzoek blijkt dat geen van de werkzaamheden verstorend of dodend/vernielend werken.
Omdat niet uitgesloten kan worden dat in het plangebied wel algemeen voorkomende broedvogels aanwezig zijn gedurende het broedseizoen, dienen vanuit de algemene Wnb zorgplicht de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt ongeveer van half maart tot half juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Wanneer werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Zo ja, wordt door de deskundig ecoloog een passende maatregel bedacht. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Waar mogelijk compenseren we de te kappen bomen binnen de projectgrenzen. Als dit niet mogelijk is, vind compensatie plaats op een perceel ten zuiden van de wijk Weihoek.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.10.1 Kader De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel (archeologisch) erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het gaat daarbij om de volgende zaken:
40
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
4.10.2 Onderzoek Uit de controle van de archeologische verwachtingskaart en het bij behorende beleid komt naar voren dat de locatie van het nieuwe snelfietspad voor het grootste deel binnen verschillende zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde ligt. De ingrepen voor de realisatie van het snelfietspad gaan mogelijk dieper dan 50cm -mv. Conform het gemeentelijk beleid moeten daarom in de zones meteen hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Conform de stappen van de AMZ-cyclus dient als eerste een bureauonderzoek conform de KNA 4.1 te worden uitgevoerd waarmee een gespecificeerd verwachtingsmodel wordt opgesteld voor de mogelijk aan te treffen archeologische resten. Het bevoegd gezag c.q. de gemeente Roosendaal heeft echter aangegeven van de AMZ-cyclus af te wijken en geeft aan dat tijdens de realisatie van het fietspad een archeologische begeleiding moet worden uitgevoerd. De locaties van deze archeologische begeleiding worden in een latere fase van het project, nadat bekend is waar bodem verstorende ingrepen gaan plaatsvinden, bepaald. Het bepalen van de locaties wordt in een latere fase door of in overeenstemming met de gemeentearcheoloog van de gemeente Roosendaal gedaan.
Vóór de uitvoering van de archeologische begeleiding moet een programma van eisen worden opgesteld dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. 4.10.3 Conclusie Om de archeologische waarden te beschermen wordt in dit bestemmingsplan de huidige dubbelbestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Indien ingrepen niet dieper gaan dan 0.5 meter -Mv, dan zijn er geen aanvullende archeologische onderzoeken noodzakelijk. Voor deze werkzaamheden geldt wel een wettelijke meldingsplicht bij het aantreffen van (mogelijke) archeologische resten. Indien onvoorziene toch vervanging van de fundering noodzakelijk is, dien eerst advies te worden ingewonnen bij de gemeentelijke archeoloog. 4.11 Kabels en leidingen 4.11.1 Kader In het plangebied liggen planologisch relevante leidingen. Voor het beoogde fietspadtracé is een KLIC-melding uitgevoerd om inzichtelijk te maken welke kabels en leidingen in de ondergrond aanwezig zijn, welke netbeheerders daarbij horen en waar potentiële conflicten met het toekomstige snelfietspad te verwachten zijn. De KLIC-melding is geanalyseerd, per netbeheerder is aangegeven welk type kabel of leiding zich binnen het totale traject van het fietspad bevindt en of er een potentieel conflict aan verbonden is.
Ondanks dat in dit bestemmingsplan maar een klein gedeelte van het tracé is opgenomen is in deze paragraaf vanwege het belang van de leidingbeheerders ervoor gekozen om een samenvatting van het onderzoek voor het totale fietspad weer te geven. 4.11.2 Onderzoek Eis voorzorgsmaatregel (EV) Er zijn meerdere ‘eis-voorzorgsmaatregelen’ van toepassing. Een “eis-voorzorgsmaatregel” (EV) is een eis die wordt opgelegd door een netbeheerder. Het houdt in dat bij een bepaald soort ‘mechanische grondroeractiviteiten’ in een bepaald gebied één of meerdere voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen, vóórdat de werkzaamheden mogen aanvangen. Hiervoor dient contact te
41
worden gezocht met de betreffende netbeheerder(s). Binnen het fietspadtracé geldt deze eisvoorzorgsmaatregel op de volgende locaties: Ten hoogte van de buisleidingstraat kruist het fietspad meerdere kabels en leidingen met de status ‘’buisleiding gevaarlijke inhoud’’; Verspreid over het plangebied liggen parallel lopende middenspanningskabel (Enexis) dicht tegen de bestaande (fietspad of rijbaan) verharding; Ten hoogte van het parkeer-/werkterrein van de Buisleidingenstraat aan Vinkenbroeksestraat bevindt zich een schakelkast van LSNed. Parallel liggende kabels en leidingen Diverse andere kabels en leidingen, van een lagere categorie, kruisen het tracé of liggen daar parallel aan. Bij deze kabels en leidingen worden geen conflicten verwacht. Na verdere uitwerking van het ontwerp (Definitief ontwerp en verder) gaan we verder in gesprek met de betreffende nutsbeheerders. Mogelijk dienen kabels en leidingen te worden verlegd of kunnen deze (gedeeltelijk) onder de fietspadverharding liggen. In het ontwerp wordt een strook ruimte gereserveerd, de kabels en leidingen strook, waar men indien nodig naar uit kan wijken. LSNed LSNed beheert het leidingentracé tussen de industriegebieden van Rotterdam en Antwerpen met aftakkingen naar Moerdijk en richting Vlissingen, de zogenaamde Buisleidingenstraat.
Het snelfietspadtracé en de Buisleidingenstraat komen op drie locaties met elkaar in aanraking te weten: 1.Oostelaarsestraat (ten hoogte van aansluiting Snelfietsroute) 2.Vinkenbroeksestraat (ten oosten van huisnummer 12) 3.Wouwbaan (ten hoogte van aansluiting Snelfietsroute) LSNed heeft op basis van het vastgestelde fietspadtracé (schetsniveau) een analyse uitgevoerd met als doel randvoorwaarden te bepalen voor deze locaties. Algemene randvoorwaarden: Op werkzaamheden binnen de grenzen van de buisleidingenstraat zijn de voorschriften en informatie van LSNed van toepassing; Op werkzaamheden binnen de grenzen van de Buisleidingenstraat zijn de Velin Voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden zijn te vinden op www.velin.nl; Conform de LSNed voorschriften dient de (verticale) afstand tussen bovenzijde verharding en een kabel/leiding minimaal 1,2 meter te bedragen; De leidingexploitanten zijn verantwoordelijk voor hun eigen leidingintegriteit, zij zullen moeten beoordelen of de nieuwe verhardingen en verhardingstypen toelaatbaar zijn; Bij graafwerkzaamheden dient de laatste 50 centimeter rondom een kabel of leiding handmatig graven te worden; Vervanging van grond door bijvoorbeeld repac dient in overleg te gaan met LSNed en de buisleidingbeheerders.
Doorgaans dient een minimale grond/zand laag met een dikte van 50 centimeter te worden gehandhaafd rondom kabels en leidingen Wanneer er openbare verlichting langs het fietspadtracé komt dan dient dit in overleg te gaan met LSNed. Oostelaarsestraat randvoorwaarden Op deze locatie sluit het fietspad aan binnen de zone ‘eis voorzorgsmaatregel’. Conform het huidige fietspadtracé wordt de bestaande weg (Oostelaarsestraat) niet aangepast. Derhalve gelden hier naast de voorschriften LSNed geen aanvullende eisen. Vinkenbroeksestraat randvoorwaarden
42
Op deze locatie volgt men de bestaande weg, hier gelden geen andere of nieuwe eisen dan de voorschriften LSNed, zolang men binnen de bestaande verharding blijft. Wouwbaan randvoorwaarden Hier bevindt zich een gasleiding. Doorgaans worden gesloten verhardingen boven (parallel lopende) gasleidingen niet geaccepteerd door leidingbeheerders. Aangezien hier sprake is van een kruising van het tracé worden er geen problemen verwacht; Aan de noordzijde komt het wegontwerp net over de grond van LSNed te liggen. Er worden geen problemen verwacht, wel dient nadere afstemming plaats te vinden (o.a. over de afrastering en afstand uit verharding etc.); Leidingbeheerders Evides/DNWG hebben op deze locatie een beton gelede leiding, dit kan voor lastige raakvlakken zorgen. Hier dient nadere afstemming plaats te vinden; Aan de zuidoostzijde liggen tevens twee stalen buisleidingen (Shell en DOW) van voor de aanleg van de Buisleidingenstraat; Wanneer het ontwerp definitief is dient afstemming plaats vinden over de wijze van afrastering e.d. 4.11.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het van belang is dat aan de randvoorwaarden, zoals hierboven beschreven, wordt voldaan bij de realisatie van de snelfietsroute. Hiernaast is in een vroegtijdig stadium (vanaf voorlopig ontwerp) overleg geweest met alle leidingbeheerders en LSNED.