Woordelijke uitwerking Commissievergadering BM 27 mei 2021
Tekst van het document
De organisatieontwikkeling wil ik graag benaderen vanuit twee invalshoeken, allereerst de politiek-bestuurlijke invalshoek en daarna vanuit de beleving van onze inwoners en ondernemers. Ik heb daarbij keuzes moeten maken. De rode draad in de begrotingen 2019, 2020 en 2021 is, denk ik, niet lastig te ontdekken. Er is telkens sprake van een sluitende meerjarenbegroting, maar er is ook telkens sprake van taakstellingen voor bezuinigingen en heroverwegingen om dit mogelijk te maken. Maar er is ook een schaduwkant. Het blijkt dat de bezuinigingsdoelstellingen van de raad niet door het college worden gerealiseerd. Geen aanleiding voor grote zorgen, want er wordt hard aan gewerkt, aldus het college. En het college heeft inderdaad de wind mee, want dankzij gunstige afwijkingen en wat plussen en minnen staan de jaarresultaten niet onder druk. Tot 15 december 2020. Dan barst de bom, frontaal en volkomen onverwacht. Althans, zo lijkt het. Of toch weer niet? Een structureel tekort van maar liefst 5,5 miljoen euro dreigt. De VVD-fractie heeft bij monde van mijn collega Ernest Oele al bij de behandeling van de tussenrapportage – en dan spreek ik over de raadsvergadering van 29 oktober 2020 – met nadruk aan de orde gesteld dat de risico’s van de niet gerealiseerde bezuinigingsdoelstellingen alleen al tot een meerjarig totaalbedrag leidden van maar liefst 15 miljoen euro.
Maar nog altijd was de portefeuillehouder financiën niet onder de indruk. Sterker nog: hij vond zelfs dat we op de goede weg waren, en dat noem ik – toegegeven: met de wijsheid van vandaag – een bedenkelijk gebrek aan zelfreflectie. Dat schromelijk gebrek aan zelfreflectie constateer ik opnieuw als ik naar de beantwoording van de commissievragen kijk. Het college wringt zich in allerlei bochten om de raad de spiegel voor te houden dat wij medeverantwoordelijk zijn. In veel antwoorden lees ik “De gemeenteraad wordt via de reguliere P&C-cyclus op hoofdlijnen en transparant meegenomen in het verloop van de financiële positie”, of “De raad is diverse malen zowel schriftelijk als in fysieke bijeenkomsten geïnformeerd over de organisatieontwikkeling”, of woorden van gelijke strekking. Maar is dat wel zo? En als dat al zo is, is er dan sprake van volledige informatie, of tijdige informatie? Zo dient ‘tijdig’ volgens de ‘Handreiking actieve en passieve informatieplicht’ uitgelegd te worden als, ik citeer: “zodra een incident, een voorval, of de uitkomst van een onderzoek bekend is”. En wist u, zeg ik tegen het college, dat de raad volgens deze Handreiking direct geïnformeerd moet worden als er sprake is van, ik citeer: “een onderwerp dat aanzienlijke financiële consequenties of risico’s heeft, of kan hebben”? Een nadelig meerjarenresultaat van maar liefst 5,5 miljoen euro.
Ik ben benieuwd naar de reactie van het college hierop. Ik heb een drietal vragen voor de portefeuillehouder financiën. 1. Wanneer heeft u voor het eerst inzicht gekregen in, of vermoedens gekregen over, feiten die leiden tot een mogelijk
16 structureel tekort van 5,5 miljoen euro, anders dan via de presentatie van het ambtelijk management aan het college op 15 december 2020? 2. Wanneer en hoe heeft u het college aangehaakt op de signalen die u hebben bereikt over de dreiging van financieel zwaar weer? 3. Waarom heeft u de raad niet geïnformeerd over de financiële situatie tijdens de raadsvergadering van 21 december 2020, bijna een week na de presentatie aan het college, of rondom de communicatie over de decembercirculaire van de rijksoverheid, of via de vaste rubriek Mededelingen in meerdere commissievergaderingen, of in de raadsvergadering van 8 april jl., toen ik u al de financiële consequenties heb voorgehouden van een drietal raadsstukken, of…, nou ja, vult u het zelf maar in? Ik heb ook drie vragen in de richting van het college. 1. Vindt uw college nog altijd dat uw handelwijze in het verlengde ligt van de ‘Handreiking actieve en passieve informatieplicht’ en uw verplichting de raad tijdig te informeren? 2. In het raadsvoorstel ‘Klaar voor de herstart’ kiest u een aantal oplossingsrichtingen met een doorwerking tot ver na de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar – ook voorgaande sprekers memoreerden dit al – , terwijl uw mandaat volgend jaar maart ophoudt.
Waarom heeft u, zoals u op 15 april heeft toegezegd, de raad geen keuzemenu, een afwegingskader, of scenario’s met een verschillend tijdpad, overgelegd, of anderszins de gelegenheid geboden een proactieve inbreng te kunnen leveren om de ontstane problemen het hoofd te kunnen bieden? 3. Heeft u nog het volle vertrouwen in uw portefeuillehouder financiën, om sturing te geven aan de oplossingen die nodig zijn om te komen tot een meerjarenbegroting met structureel evenwicht? Het collegeoptreden op 15 april, in de digitale sessie met de raad, doet vermoeden dat dit wellicht niet het geval is. Voorzitter, ik kom bij de organisatieontwikkeling. De ambtelijke organisatie, zo heb ik mij door mijn collega Ernest Oele laten bijpraten, staat al sinds 2015 op de agenda. Ik wil een beschrijving van de organisatieontwikkeling vanuit raadsperspectief over pakweg zes jaar niet nodeloos uitgebreid maken, dus kortheidshalve noem ik drie belangrijke markeringspunten. Allereerst de organisatievisie met de welluidende titel ‘Met lef voor Roermond’, in maart 2017 vastgesteld door het college en pas een halfjaar later met de raad gedeeld in een Tuinzaalsessie in september 2017. Ik kende deze organisatievisie niet. Dan het strategisch personeelsplan. Jawel, daar is het begrip weer.
Ook hierop wordt de raad betrokken in een Tuinzaalsessie, en wel op 18 september 2018, hoewel: niet de gehele raad is van oordeel dat hier sprake is van een heus plan, of een gedegen plan. Joost mag weten wat er uiteindelijk van het strategisch personeelsplan terecht is gekomen. Als laatste markeringspunt noem ik het besluit van het college – en dat moment ligt ergens tegen het einde van 2019, denk ik – tot het in gang zetten van de huidige reorganisatie. Natuurlijk vindt het college, zo blijkt uit de antwoorden op de commissievragen, dat de raad over de organisatieontwikkeling volledig en tijdig is geïnformeerd via de reguliere planning- en controlcyclus, via jaarrekeningen, kadernota’s, buraps en begrotingen. Ook hier stel ik hardop de vraag: is dat wel zo? En wordt het college ook hier niet gehinderd door een bedroevend gebrek aan zelfreflectie? Ik zie graag een reactie van het college hierop tegemoet. Als je de agenda’s van de commissie Bestuur en Middelen naloopt van deze bestuursperiode, om nog maar te zwijgen over die van de raad – en ik heb dat in beide gevallen gedaan –, ontkom je niet aan de constatering dat het onderwerp organisatieontwikkeling nooit zelfstandig op de agenda heeft gestaan.
De tweede constatering die ik doe is dat ik een actieve herinnering heb aan enkele momenten waarop ik mij kritisch heb uitgelaten over de grote terughoudendheid waarmee het college de raad bejegent als het gaat om organisatieontwikkeling. In de Gemeentewet is vastgelegd dat het college aan de raad verantwoording schuldig is over het gevoerde bestuur en het college de raad alle inlichtingen dient te geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Hieronder valt ook de bedrijfsvoering, en meer in het bijzonder de organisatieontwikkeling. De interessante vraag is nu: heeft het college in de voorbije jaren ten opzichte van de raad gehandeld volgens deze verantwoordingsplicht? Ook hier verwacht ik een reactie van het college in eerste termijn.
17 Uit de overgelegde stukken kan ik niet anders afleiden dan dat de bestuurlijke aandacht voor onze ambtelijke organisatie jarenlang is verwaarloosd. Het is gebleven bij pappen en nathouden en almaar vooruitschuiven, waarbij de grootste problemen met lapmiddelen, noodverbanden en kunst- en vliegwerk, en met redelijk succes, werden opgepakt en aangepakt. Maar voorzitter, dat laatste is wat de VVD-fractie betreft eerder een verdienste van de ambtelijke organisatie dan van het college zelf. Met ambtelijke loyaliteit is heel veel op te lossen – mijn fractie heeft veel respect hiervoor –, maar naar nu blijkt niet alles. Dat de coronapandemie een belangrijke katalysator is geweest voor een passend ingrijpen, neem ik graag aan, maar de daadwerkelijke oorzaken liggen verder terug. Mijn fractie heeft een viertal vragen aan de portefeuillehouder personeel en organisatie, waarbij wij de focus leggen op de periode na de vaststelling van de begroting 2021.
Vraag 1: wanneer en hoe heeft u het inzicht gekregen dat de organisatieontwikkeling niet zonder problemen verloopt? Vraag 2: wanneer en hoe is bij u het inzicht ontstaan dat hierdoor vergaande problemen kunnen ontstaan, of ontstaan, voor het functioneren van de ambtelijke organisatie als geheel en het uitvoeren van het door de raad vastgestelde beleid in het bijzonder? Vraag 3: wanneer en hoe heeft u het college geïnformeerd over uw observaties? Vraag 4: wanneer en hoe heeft u de raad hierover geïnformeerd? Ik heb slechts één vraag aan het college. Heeft u nog het volle vertrouwen in uw portefeuillehouder personeel en organisatie, om in de ontstane situatie met kracht bestuurlijk leiding te geven aan het oplossen van de problemen rond de reorganisatie van het ambtelijk apparaat en aan de herinrichting van de werkprocessen en de administratieve procedures? Het college-optreden op 15 april, in de digitale sessie met de raad, doet vermoeden dat dit wellicht niet het geval meer is. Ik kom ten slotte bij het maatschappelijk effect van dit alles. Voor een nadere duiding verwijs ik overigens graag naar de notitie van mijn fractie, die bij de overgelegde stukken voor deze vergadering zit.
Voorzitter, het is maar een voorbeeld, een voorbeeld waarin te veel inwoners, ondernemers en instellingen, groot of klein, en ongeacht de aangelegenheid waarvoor zij zich tot de gemeente hebben gewend, zich helaas herkennen. Het gaat mij niet meteen om het voorbeeld, maar vooral om bewustwording, bewustwording van de maatschappelijke effecten van uw handelwijze, bewustwording dat er iets moét gebeuren, zeg ik tegen het college. Je bent succesvol ondernemer en zocht toen naar een nieuwe uitdaging, een nieuwe vestigingsplaats, een kansrijke plek om stevig te investeren. Je koos voor de ondernemende gemeente Roermond. Andere gemeenten in Limburg vielen toen af voor jou. Die gemeenten toonden zich minder slagvaardig, dachten in problemen en niet in oplossingen, kenden een hoge belastingdruk, en noem maar op. Roermond werd jouw stad. De tijd verstrijkt. Jaren verstrijken je bedrijf heeft zich ontwikkeld zoals je hoopte. Je jaagt als ondernemer je dromen na. Je wilt opnieuw investeren, opnieuw de werkgelegenheid uitbreiden, de aantrekkelijkheid van onze stad verbeteren, Roermond opnieuw op de kaart zetten. Je bent ook vandaag altijd als ondernemer werkzaam in de toeristisch-recreatieve branche. Je wilt fors investeren in de stedelijke Maasplassen, in Area X, watersport, recreatie, wonen op en aan het water.
Je hebt een deskundig ingenieursbureau ingeschakeld, maanden geleden al, maar tegenwoordig loop je bij de gemeente Roermond tegen een muur op. Er wordt almaar geen ambtelijke projectleider voor Area X aangewezen. De prioritering van projecten en werkzaamheden lijkt wel een eeuwigdurend onderzoekstraject. Er worden geen beslissingen genomen. De raad is hierop niet aangesloten en weet nergens van. De toeristenbelasting lijkt zelfs te worden verdubbeld. En het college.., ja, het college blijft maar volharden in haar opvatting dat zij veel waarde hecht aan het realiseren van ambities op het vlak van waterrecreatie. Ja, als je blijft doen wat je deed en blijft denken zoals je dacht, blijft alles bij het oude en verandert er niets. Voorzitter, het is maar een voorbeeld, en zo zijn er vele. Wanneer houdt dit op? Wanneer komt hieraan een einde? Wanneer worden we weer die aantrekkelijke gemeente, de trots van iedereen, die gemeente Roermond die ons toén heeft verleid om hier te komen wonen, te werken, te ondernemen en te recreëren? Dank u wel.
18
De voorzitter: Dank u wel, meneer Zwijnenberg. Dan kom ik bij D66. Wie mag ik het woord geven? De heer Kalthoff: Ja, dank u wel, voorzitter. U mag mij het woord geven, de heer Kalthoff. De voorzitter: Meneer Kalthoff, zegt u het maar. De heer Kalthoff: Ik ben een van de laatste partijen in de rij. Er zijn al heel veel dingen gezegd, ook zinvolle dingen, maar goed…. De voorzitter: Meneer Kalthoff, uw microfoon valt uit! De heer Kalthoff: Ik zag het, ja. Ben ik nu weer te verstaan? De voorzitter: Luid en duidelijk. De heer Kalthoff: Oké. Ook ik wil niet in herhaling vervallen, dus ik zal me beperken tot dingen die nog niet gezegd zijn, of die wij als D66 extra belangrijk vinden. Wij zullen ons vanavond vooral bezighouden met het stellen van verhelderende vragen. Collega’s hebben het al aangegeven: het zijn veel stukken, het is veel inhoud en voor kleine fracties is het ontzettend veel werk om dit goed te doorgronden, goed te interpreteren en er vervolgens een oordeel over te vellen. Dus wij hebben er behoefte aan vanavond verhelderende vragen te stellen, om op die manier onze informatie goed te vormen, zodat we ons uiteindelijk ook een goed oordeel kunnen vormen over de stukken die voorliggen. Ook wij willen beginnen met het proces, een stukje communicatie.
Wat vindt de wethouder van de wijze waarop het proces sinds november tot nu toe is verlopen, en ook de communicatie? Daar hebben wij een vraag over. Hoe ziet de portefeuillehouder dat? Is hij tevreden over de wijze waarop het gegaan is, of had hij het misschien de volgende keer op een andere manier gedaan? Daar zijn we benieuwd naar. Het tweede punt gaat eigenlijk over iets wat in het verlengde ligt. We hebben vorig jaar de begroting 2021 vastgesteld en daar stond in dat we op de goede weg waren. Vervolgens is een uitvoeringstoets uitgevoerd en een nadere analyse met betrekking tot de organisatie door het CMT, het zogenaamde managementteam. Informatie daarover zien we terug in de stukken en de vraag van D66 is: hoe ervaart u die informatie ten opzichte van de begroting 2021, waarin we lazen dat we op de goede weg waren? In de vergadering van 15 april zijn zaken verteld over de organisatie, de bedrijfsvoering en ook over systemen die niet op orde waren. Wij hebben daarover een technische vraag gesteld en wij vonden de beantwoording daarop vrij algemeen. Onze vraag was eigenlijk ook: is dit beeld pas volledig ontstaan na die uitvoeringstoets? Was dat nog onvoldoende bekend bij het opstellen van de begroting 2021? Daarop zouden we graag een nadere toelichting willen hebben van de wethouder. Ook willen wij een vertaalslag maken naar de toekomst.
Daar hebben we ook een technische vraag over gesteld van: “we zien dat bepaalde taakstellingen op het gebied van personeel niet behaald worden, er moet flink geïnvesteerd worden in personeel en organisatie”. In de beantwoording wordt ook aangegeven dat u aan de slag bent met plannen om deze situatie goed in kaart te brengen en tot een goed plan te komen om personeel en organisatie op een goede manier vorm te geven, maar eigenlijk zou D66 wat meer inzicht willen krijgen in in ieder geval de ideeën om deze situatie naar een verbeterd niveau te brengen. Kunt u ons al meenemen in de plannen van hoe u, zeg maar, dat traject voor u ziet, om inderdaad die verbeterslagen te maken die noodzakelijk zijn om de organisatie op orde te brengen en de uitdaging van deze tijd aan te kunnen?
19 Daarnaast hebben wij ook nog een opmerking als het gaat om de oplossingsrichtingen. Meerdere sprekers voor mij hebben daar al iets over gezegd. Dat gaat over de uitvoeringstoets, maar ook over de oplossingsrichtingen en de niet-oplossingsrichtingen. Ook voor ons is het best wel lastig om te lezen wat er staat. Er staan een aantal termen en wij hebben gevraagd wat daar nu eigenlijk staat. Wij kunnen op basis van een term moeilijk inschatten wat de implicaties zijn, en dan krijgen we een antwoord als: “alle oplossingsrichtingen hebben maatschappelijke consequenties”. Ja, dat begrijpen wij natuurlijk, maar wij zouden graag iets meer diepgang willen krijgen van “wat staat hier nu eigenlijk, wat is het effect van een oplossingsrichting die wel of niet gekozen wordt en van de voorliggende uitvoeringstoets?” Op 15 april werd aangegeven, wat de heer Maassen geloof ik ook heeft gezegd, dat sommige dingen later werden gedaan, niet, of vertraagd, en ook die prioritering missen we een beetje in dat stuk. Als een van de oplossingsrichtingen is de lastendruk vermeld. Wij vragen ons af hoe het verhogen van de lasten, wat natuurlijk een instrument kan zijn, zich verhoudt tot het herstartplan corona.
Er zijn natuurlijk bepaalde sectoren die nu extra hard getroffen zijn door de coronacrisis en hoe verhoudt dan een lastenverhoging bijvoorbeeld zich tot het herstartplan corona? Op dat stuk zal ik zo meteen ook wat dieper ingaan. Ook over die integrale afweging van het college zou D66 graag wat meer informatie willen hebben. Op een gegeven moment hadden wij ook nog een technische vraag gesteld over de interactie met de stakeholders. Daarin staat: “Het is onvermijdelijk dat sluipenderwijs minder aansluiting ontstond met steeds meer toenemende bestuurlijke, politieke en maatschappelijke wensen en verwachtingen. De interactie tussen partijen vertoont gebreken.” Dat werd op 15 april gezegd en de technische vraag was: kunt u toelichten wat u daarmee bedoelt? Ook daar hebben we geen concreet antwoord op gekregen, dus ook daar zouden wij graag voorbeelden van willen horen, hoe de wethouder dat ziet. De heer Maassen had het geloof ik ook over de taakstelling subsidie. Daarvan wordt aangegeven dat het nu niet gedaan wordt in verband met de coronacrisis.
Dat begrijpen wij natuurlijk, maar gezien het bedrag en gezien ook dat het wel een van de veroorzakers is van de situatie, is het dan niet mogelijk om al op korte termijn daar onderzoek naar te doen en bijvoorbeeld op een iets langere termijn iets aan de subsidies te doen? Waarom wordt ervoor gekozen om daar nu helemaal niets aan te doen? Zo hebben wij het althans begrepen. Een ander punt is het scenariodenken. Op 15 april werd aangegeven dat u meer scenariodenken wilde toepassen. Wat bedoelt u daarmee? Kunt u dat nader toelichten? Op zich zijn wij er altijd voorstander van om inderdaad in scenario’s na te denken over de korte, middellange en lange termijn, maar we zijn heel erg benieuwd wat het college daarmee bedoelt. Het laatste punt waarover ik in eerste termijn iets wil zeggen is de post-piek-corona-aanpak. Wij hebben het stuk ook gelezen en wat wij eigenlijk over hebben gehouden van 15 april is dat men toen aangaf van “we moeten eigenlijk zo snel mogelijk met maatregelen komen, om zo goed mogelijk uit die post-piek-corona-tijd te komen”, en daar zijn wij als D66 ook helemaal voor. Dus wij hadden eerlijk gezegd, en dat sluit volgens mij aan bij wat het CDA zojuist ook aangaf, iets meer concrete maatregelen verwacht om inderdaad zo snel mogelijk de samenleving uit deze post-piek-corona-tijd te laten komen.
Nu zien we termen terug als “gesprekssessies voeren”, “dialoogtafels”, en wij vragen ons eigenlijk af: die gesprekssessies vinden toch al plaats met het maatschappelijk middenveld? Wat is nieuw aan die gesprekstafels ten opzichte van de huidige situatie en welke maatregelen worden dan nu concreet genomen om zo goed mogelijk uit die coronacrisis te komen? Voorzitter. D66 heeft eigenlijk nog wel meer vragen, maar die zijn ook al gesteld door de collega’s. Voor ons is dit voor de eerste termijn voldoende. Dank u wel. De voorzitter: Hartelijk dank, meneer Kalthoff. Dan kom ik bij de SP, de heer Nizet.
20 De heer Nizet: Dank u wel, voorzitter. Mijn eerste vraag is eigenlijk: als je een eenvoudig, éénzetel-raadslid bent, kun je dit dan wel allemaal behappen wat je binnen een paar weken voor je voeten geworpen krijgt? Het volgend jaar hebben we nieuwe verkiezingen. Eerder heeft een spreker al opgemerkt dat wij hier op dit moment iets bespreken waarvan we de ins en de outs niet eens kennen, en de motivaties her en der erachter, terwijl we vanaf maart – en daarin ga ik met de heer Franssen mee – waarschijnlijk te maken krijgen met 30% wijziging in de raadsleden. Dus een raar moment. Maar het kan niet anders. Daarstraks werd gezegd dat ik constructief meedenk. Fijn, meneer Maassen, dat vind ik ook wel, want uiteindelijk vind ik ook we dat samen moeten proberen op te lossen. Die hele zaak moet samen worden opgelost. Maar hoé samen? Dat is het verschil. Ik ben dan ook dankbaar dat ik als eenvoudig raadslid gebruik heb kunnen maken van de goede vragen van mijn collega’s. Maar ik vond soms de antwoorden vaag, open deuren en uitwijkend. Hadden wij dit allemaal moeten voorzien? Meerdere sprekers hebben gezegd, en zelfs het college gaf dat aan in de beantwoordingen, dat het allemaal al in de P&C-cyclus naar voren was gekomen en dat dat super-transparant was. Ik geloof niet dat ze het woord ‘super’ hebben gebruikt, maar zo moest het wel overkomen.
Maar in de eerste plaats gaat het over iets heel gecompliceerds en iedere keer had ik als simpele econoom het idee dat het door accountants terecht was bevonden, maar uiteindelijk moet toch eigenlijk al veel eerder duidelijk zijn geweest dat je miljoenen tekort komt. Ik heb al heel vaak gezegd dat we creatief boekhoudkundige zaken moeten toepassen, met name in het kader van reserves, om het uiteindelijk dan toch wel weer op het einde in een evenwichtige begroting te laten eindigen. De route daarnaartoe is voor mij niet duidelijk. Ik vraag me dan ook echt af wat er doelbewust is achtergehouden, zodat het plaatje er mooier uitzag dan het in wezen misschien wel was. Op de lange termijn moeten wij inderdaad veel meer inzicht verwerven. Korte termijn corona, ja, ik ga mee met diegenen die zeggen “dat herstel moet concreter”, en daar kan ik nog aan toevoegen dat ik vind dat je dat soort zaken niet tegelijkertijd moet doen met kleine ondernemers op de kast jagen door verhogingen van belastingen, en dan niet met een klein procentje, maar soms met 10%. Met het voorstel dat de heer Franssen daarstraks deed ben ik het dan ook volledig eens. Ik zou niets liever willen dan samen met hen, maar ook met andere partijen, stapsgewijze tot een beter inzicht, maar uiteindelijk ook tot betere oplossingen te komen.
Ik had ook ergens de indruk, gelukkig hebben een paar anderen dat ook gezegd, en daar wil ik best ook wel een antwoord op, dat het net lijkt alsof corona overal uiteindelijk de diepere oorzaak van is, met name van het échec, het debacle, of de chaos, zelfs in zaken waarvan ik denk “ja, als je met reorganiseren bezig bent, het personeelsbeleid wordt helemaal omgekeerd, je gaat van een verticaal naar een horizontaal systeem over”, dan vraag ik me wel af: heeft dat horizontale systeem dan ook wel efficiencyvoordelen? Want waarom doe je het anders? O ja, accountantsverklaringen. Ik ging er altijd netjes van uit dat, als dat goed werd nagekeken en wanneer dat rechtmatig werd bevonden, het dan prima is. Maar ik ben toch bang dat dit soort zaken toch ook accountancy uiteindelijk een beetje rood zal doen aanlopen. De SP zal natuurlijk bij alles, en dat zijn jullie van mij gewend, letten op kleinschaligheid, dat dat niet verloren gaat in die oplossingsvoorstellen, die eigenlijk ook nog beter onderbouwd moeten worden. Ik vind nog steeds, en dat geldt ook voor de landelijke politiek, dat de veroorzakers van de chaos niet diegenen moeten zijn die de chaos oplossen. Nee, dat moeten we dan ook maar raadsbreed doen, want zo constructief ben ik wel, dat ik denk “ja, dat moeten we dan echt samen doen”. Maar dat moet je dan ook willen.
Verder vond ik dat er veel te veel opsommingen zaten, veel te veel kwantiteiten waar je niks mee kon. Dat hebben al meerderen gezegd. En de motivatie erachter, de verduidelijking, heb ik geregeld gemist. Maar ja, dat moet wel als je binnen een paar weken iets moet bedenken waar het college en de ambtenarij in hun kielzog, en ook daar is al heel veel in gesneden, veel langer de tijd voor hebben gehad. Ik sta ervan te kijken hoe de heer Zwijnenberg van de VVD-fractie
21 met twee leden er zo’n prachtig verhaal van weet te brouwen. Maar goed, laat ik het hier maar bij laten, want anders ga ik toch weer in herhalingen vervallen. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, meneer Nizet. Dan kom ik bij de heer Coenen van de Stadspartij Roermond…. Meneer Coenen, zegt u het maar! De heer Kalthoff: Ik hoor alleen een vogeltje! De voorzitter: Meneer Coenen, u heeft net uw microfoon uitgezet. De heer Nizet: Ik heb toch geen rare dingen gezegd waardoor de zaak op tilt sloeg!? De heer Coenen: Dat zou heel goed kunnen! De voorzitter: Ah, meneer Coenen! Ga uw gang. De heer Coenen: Om binnen de tijd te blijven die mij is gegund, zal ik het zo proberen neer te zetten dat ik op basis van mijn verstand, mijn ervaring en logische vragen en helaas soms onverstandige antwoorden, mijn verhaal doe. Wij hebben te maken met een fors probleem en de vraag is wanneer dit probleem bekend is. Er zijn verschillende sprekers die dit aan de orde hebben gesteld. In ieder geval heeft de nieuwe ambtelijke leiding – nieuwe bezems vegen schoon – ergens vanaf september tot en met april zaken voorgehouden, inzichten, analyses gepleegd en heeft dat gedeeld met het college.
In de heel korte tijd waarin dit ontzettend grote probleem van én de financiën én de organisatie aan het licht komt, gaan wij niet beslissen in het belang van alle burgers, ondernemers en instellingen van “dit gaan we wel kiezen en dat gaan we niet kiezen”. Nu is politiek natuurlijk wel het maken van keuzes, en dat hoor ik ook terug in de woordvoering van verschillende fractievoorzitters. Maar sinds wij een kerntakendiscussie hebben meegemaakt – daar is aan gerefereerd door de heer Franssen – hadden wij zoiets van: wij laten ons niet onder druk zetten. Zo heb ik ooit een keer in een grote zaal in het oude CWI-gebouw de moeite genomen om meteen op te stappen toen een adviseur aangaf “jullie moeten zus en zo kiezen, en iets anders is niet mogelijk”. We laten ons nergens toe dwingen, en zeker niet als het gaat om dit soort grote problemen. Daar is veel meer tijd voor nodig. En natuurlijk, de echte klok loopt door als het gaat om maatregelen op korte termijn; of wij nou wel of niet beslissen, zullen er beslissingen moeten worden genomen. Hopelijk doet het college dat nog steeds. Als het gaat om het bekend zijn met de problemen: er is op verschillende manieren naar gevraagd door verschillende fracties en daar komen warrige antwoorden uit, gaf ik al aan. De geijkte antwoorden zijn: in de planning- en controlcyclus, de jaarrekening, begroting. Nee, heel warrige verhalen.
Dus wij hebben regelmatig moeten varen in de mist en daar ook commentaar op geleverd. En als het gaat om 8 april, kan ik mij ook heugen dat ik samen met de heer Franssen heb gezegd naar de wethouder financiën: wat weet jij al en wat kun je al meer kwijt? Nou ja, in feite wist het complete college gedurende een halfjaar hoe groot de problemen waren. Als ik de presentatie van het managementteam erbij haal, zeggen zij: op dit moment is het dweilen met de kraan open en wij hebben geen wegingskader voor het maken van keuzes. Wat wij hier met z’n allen doen, is allemaal zeggen wat we belangrijk vinden, en ieder voor zich heeft daar z’n eigen ideeën bij en eigen speerpunten, en natuurlijk wil een ambtelijke leiding weten, eigenlijk van het college: waar kiezen we nou wel of niet voor? Het was volgens mij de heer Zwijnenberg die zei dat heel veel zaken vooruit zijn geschoven. Zo proef ik dat ook. Zo hebben we dat ook gezegd vooral op het punt van de organisatieontwikkeling. Vanaf 2015/16 was duidelijk dat de organisatie niet was toegesneden op de taken en doelen die wij wilden bereiken. Dat heeft zes jaar geduurd. Ik weet uit ervaring dat het opzetten van een organisatie,
22 of het veranderen, soms drie tot vier jaar duurt, maar hier wordt gesproken over eerst de basis op orde, dan twee jaar weerbaar en dan wendbaar en die tijd hebben we natuurlijk niet altijd. In de tussentijd zijn er burgers, ondernemers, instellingen die aan de slag willen en hopelijk krijgen die daarvoor de juiste mensen over de vloer, of kunnen ze daarmee in gesprek, zodat dat ook gerealiseerd kan worden. Dat is de grootste zorg die we hebben met veel andere fractievoorzitters. Herstart aanpak corona. Er wordt een voorstel gedaan om een herstelfonds te realiseren. Of dat eerst via de algemene reserve, zoals gebruikelijk, of een herstelfonds moet, daar zullen we het binnenkort, denk ik, over hebben. Maar dan op de middellange en lange termijn die impactanalyse waarover gesproken is, de oplossingsrichtingen en de uitvoeringstoets – ik gebruik ze nu alleen maar als woord, ik ga ze niet nog een keer herhalen –, die maken hoe groot het probleem is, waar de oplossingen gevonden kunnen worden en die zijn voor ons nog niet helder met elkaar besproken, of in ieder geval veel te kort voorgehouden in deze termijn, om daar nu al iets over te zeggen – door verschillende mensen toegegeven. Samen met Dirk Franssen zijn wij het erover eens dat we met die besluiten, zoals die nu worden voorgehouden onder het raadsbesluit, zeker niet zullen instemmen.
Voor kennisgeving aannemen doen we alles, dat is punt 2 of 3, maar op zo’n korte termijn gaan wij niet de impact voor heel veel burgers, ondernemers, organisaties neerzetten, terwijl je niet weet waar je over praat. Dat doen we per definitie niet. Een gemis aan daadkracht, ja, dat gevoel heb ik ook heel sterk. Volgens mij moet de vorige organisatieleiding al geweten hebben wat er wel of niet mankeert. Ik heb het idee dat in heel veel zaken niet gekozen is en dat daarmee de hete aardappels zijn vooruitgeschoven. Dat kon je een tijdje doen, tot er een nieuwe ambtelijk manager kwam, die dacht “met deze organisatie en dit personeel ga ik dat niet oplossen”. Dat is keurig voorgehouden en dat ligt hier nu ook voor. Daar waardeer ik haar ook voor. De vraag is nu: met welk organisatiemodel doe je dat? Tegenwoordig zie je daar om de zoveel jaar weer een nieuwe keuze in gemaakt. Voor mij is de vraag of het horizontaal model met clustermanagers, programmamanagers, kan werken, maar het is veel te kort dag om te zeggen dat het niét werkt. Er zijn in ieder geval mismatches. De vraag die burgers, ondernemers en organisaties hebben, en wij ook, kan blijkbaar niet bediend worden met de organisatie zoals die nu op poten staat, en dat is heel ernstig. Wie daarvoor verantwoordelijk is, is net zoiets als het lijk vinden in een boek: niks zo lastig als dat.
Maar door de vragen die zijn gesteld proberen we toch te achterhalen wie dat is. Het gaat mij dan niet om de whodunit-vraag, nog niet, en hopelijk komt dat wel naar voren, maar dan zullen daar consequenties aan verbonden moeten worden. Nou ja, het is een politiek probleem, geeft ook de gemeentesecretaris aan, en dat is het. Wij zullen straks met een zorgvuldig proces, zoals ook de LVR dat voorstelt, moeten besluiten, en dan zijn daar voor menige fractie vervelende consequenties aan te verbinden. Niet iedere fractie zal daarmee haar politieke speerpunten ingewisseld zien, en dat is volgens mij ook de analyse van het feit dat heel veel problemen van verschillende portefeuillehouders vooruit zijn geschoven en dat daar niet echte keuzen in zijn gemaakt. Die zelfreflectie, zoals die naar het college zeker hoort te gaan, moeten we onszelf natuurlijk ook stellen. Net zoals bij de Toeslagenaffaire zijn we soms ook zelf schuld, omdat we van alles willen wat niet te realiseren valt. Maar dan had daar wel iemand gemotiveerd, onderbouwd, van moeten zeggen: om die en die reden gebeurt dat niet. Dus daar hoop ik straks wel, zoals dat ook is voorgehouden door de gemeentesecretaris, veel meer inzicht in te krijgen, van: als je dít kiest, krijg je dát niet en als je niet vertraagt, dan kan het wel of niet.
Maar hopelijk blijven onze burgers wel in een mooie gemeente wonen die daadkrachtig zaken oppakt, en dat ligt nu effetjes op z’n gat, al een paar jaar. Dat durf ik best zo te stellen en het blijkt ook uit verschillende voorbeelden. De heer Zwijnenberg noemde er één en ik zal er ook één noemen: een recreatieondernemer die geconfronteerd wordt met een verdubbeling van toeristenbelasting, van 160 naar 330 euro. Als dat de gevolgen bijvoorbeeld zijn, of voor de parkeerbelasting, of als het fietsen straks belast
23 wordt, dan betekent dat nogal wat. Dat soort inzichten wil ik zien aan de hand van zaken die ons worden voorgehouden. Ik kan er verder nog veel bij gaan bedenken, maar dat ga ik zeker niet doen. Ik ga wel even mijn lijstje af, of ik de belangrijkste zaken heb genoemd. Waar wij voor staan, zal in de afgelopen jaren zeker duidelijk zijn geweest, en anders komt dat nog in tweede termijn aan bod. Maar die keuzes gaan we vandaag niet maken en waarschijnlijk 10 juni ook niet. Er moet nog heel wat water door de Maas voordat we daar gegronde keuzes in kunnen maken. Als je jezelf serieus neemt, laat je je niet in een paar weken wringen in dit keurslijf, waar het college maanden, nee: jaren, de kans heeft gehad om daar de juiste beslissingen in te nemen. Daar laat ik het in eerste termijn bij, in hoop dat ik deze keer veel duidelijker antwoorden krijg van het college. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, meneer Coenen. Dan ga ik tot slot, want ik begrijp dat de fractie van DENK niet aanwezig is vandaag, op dit moment in ieder geval niet, naar de heer Leenheer. De heer Leenheer: Dank u, voorzitter. Als laatste aan het woord komen betekent natuurlijk dat je de kans loopt dat de dingen die je wilde zeggen reeds gezegd zijn. Dat is bij mij nu ook zo. Ik heb niet de behoefte om, zoals mevrouw Dolmans het ooit verwoordde, er nog eens mijn plasje overheen te doen.
Ik kan me dan ook geheel aansluiten bij de woorden van de heer Julicher, net de aanvulling echter dat ik, net als de heer Zwijnenberg het verwoordde, mij afvraag in hoeverre de raad tijdig en volledig is geïnformeerd. Wij hebben immers een aantal keren in de krant dingen moeten lezen, om daarna pas als raadslid geïnformeerd te worden. Ook het tekort dat wij nu bespreken is een voorbeeld van laat, of te laat, geïnformeerd worden. Zo’n groot dreigend gat kon toch niet onopgemerkt blijven! En om de terechte vraag van de heer Franssen alvast voor te zijn: nee, ik kan mij niet zomaar neerleggen bij de opgaven en oplossingsrichtingen zoals die in bijlage 2 genoemd zijn. De lasten direct, maar ook indirect, bij de burgers neerleggen is mijns inziens not done, zeker niet voordat je eerst in eigen vlees hebt gesneden. Dus kritisch naar de in de bijlage 3 genoemde punten, zaken die buiten schot blijven, lijkt mij ook aan de orde, zeker als Roermond zich niet van de kaart wil laten zetten. Ten slotte ben ik geschrokken van een aantal punten die volgens bijlage 4 niet worden opgepakt in 2021, zeker waar het veiligheid en handhaving betreft. Kortom, er ligt nog een hele lijst met punten die tegen het licht gehouden moeten worden voordat er keuzes gemaakt kunnen worden. Daar wil ik het bij laten. De voorzitter: Dank u.
Daarmee zijn wij aan het einde van de eerste termijn van de commissie gekomen. Ik heb begrepen dat de heer Schreurs namens het college het woord zal voeren. Wethouder Schreurs: Dat klopt helemaal, voorzitter, maar ik zou u willen vragen de vergadering eerst een kwartier te schorsen. Ik heb twee uur lang zitten luisteren naar alle bijdragen vanuit de commissie en ik heb er behoefte aan daarop zelf even te reflecteren, om daarna hopelijk te kunnen antwoorden op alle vragen die gesteld zijn. De voorzitter: Uiteraard ga ik die schorsing toestaan. We schorsen tot kwart over negen (21.02 uur). Schorsing De voorzitter: De vergadering is heropend (21.20). Het woord is aan de portefeuillehouder. Wethouder Schreurs: Dank u, voorzitter. Twee uur lang zijn er vragen gesteld, dus het vergde even tijd om daarop te reflecteren en te kijken hoe ik de vragenstellers een goed antwoord zou
24 kunnen geven. Het is een ingewikkeld stuk en door uw raad was gevraagd alle informatie te verstrekken die we hebben. Dat hebben we open en transparant gedaan. Als ik dan de stukken zie, constateer ik ook dat het er heel veel zijn en dat het voor een raadslid, maar voor iedereen die niet iedere dag met de materie bezig is, moeilijk is om die te doorgronden. Voordat ik op de verschillende vragen inga, wil ik even stellen dat het probleem is ontstaan doordat de taakstelling op de organisatie en de taakstelling op de subsidies niet gehaald zijn. Op de vraag hoe dat ontstaan is, kom ik dadelijk wel terug, maar het gaat om rond 5 miljoen euro en het college heeft vervolgens voorstellen gedaan voor de manier waarop dat zou kunnen worden aangepakt. Als we de kranten lezen en het nieuws volgen, zien we dat in Nederland alle gemeenten in de problemen zitten qua financiën. Het heeft allemaal verschillende oorzaken, maar het enige wat een gemeente kan doen is snoeien in de taakstelling, in de dienstverlening, of de belastingen verhogen. Dat zijn de twee knoppen waaraan een gemeente kan draaien. Het college heeft dat gedaan en is met een voorstel gekomen. Het lijkt me goed vanavond, en ook op 10 juni, met elkaar te bekijken hoe we tot een begroting kunnen komen voor de gemeente Roermond die structureel in evenwicht is. Dat hebben we ook in het coalitieakkoord met elkaar afgesproken.
Ik weet dat we ook bij de begrotingsbehandelingen steeds met elkaar gesproken hebben in de zin van “incidenteel zit het nog wel redelijk goed bij de gemeenteraad Roermond, met af en toe wat dips erin, maar structureel zitten we toch in een moeilijke situatie”. Ik kom daar dadelijk ook nog wel op terug. In zoverre zie je dat het structureel begrotingstekort nu vanwege het niet kunnen uitvoeren van de taakstellingen verder negatief gaat de komende jaren. Door enkele sprekers is verwezen naar de verkiezingen die het volgend jaar plaatsvinden, met de vraag of we nu niet over ons graf heen regeren. Ik denk dat ieder college, ook dit college, de plicht heeft een begroting aan de raad voor te leggen die structureel in evenwicht is en waarmee een toekomstig college ook uit de voeten kan. Ik vind het wel fair business om het zo te doen. Dat is niet over je graf heen regeren, maar iets overdragen aan je opvolgers waarmee zij uit de voeten kunnen. De heer Maassen heeft een vraag gesteld over de algemene reserve. Wij hebben voorgesteld de algemene reserve op te hogen naar 12 miljoen euro. Dat is een voorlopige berekening. Bij de voorbereiding van de begroting 2022 zal door de ambtelijke organisatie nog eens goed worden doorgerekend of dat het bedrag moet zijn, maar op dit moment wordt in die richting gedacht. Het bedrag van 10 miljoen in het sociaal domein is niet over.
We hadden een reserve sociaal domein die in het raadskader heel breed was gezet voor alle zaken die met het sociaal domein, inclusief de uitkeringen, te maken hadden. Tot en met dit jaar kunnen wij met toestemming van Gedeputeerde Staten 3 miljoen per jaar uit de reserve halen als we tekorten hebben, maar in de midterm review en de laatste cijfers die we krijgen zien we ook dat het sociaal domein redelijk in evenwicht komt. We weten echter allemaal dat het sociaal domein een open-eindefinanciering is. Als er vragen komen, moeten we die honoreren en daar zijn kosten aan verbonden. Dat kan betekenen dat je als gevolg van hogere uitgaven in het sociaal domein bij een jaarrekening negatief uitkomt. Dat gaat dan ten laste van de algemene reserve, dus moet die algemene reserve breder, forser zijn. Ze moet niet 9 miljoen zijn, niet 6 miljoen, maar 12 miljoen, en misschien nog meer, afhankelijk van wat eruit komt. We hebben een budget van 200 miljoen op jaarbasis en als er een keer een negatief resultaat komt, moet dat gedekt kunnen worden uit die reserve. De heer Maassen heeft ook over de ambities en de uitvoeringstoets gesproken. Wat dat betreft wil ik u even mee in de tijd nemen. In september 2020 maken wij de begroting op en die leggen we aan uw raad voor. Op 1 juli is het nieuwe management aangetreden, op 1 september de gemeentesecretaris, en toen waren we compleet.
Dat management heeft voor zichzelf, in overleg met het college, gezegd: wat in die begroting allemaal staat, daar zullen we toch eens heel kritisch met de organisatie naar moeten kijken, of we dat ook allemaal kunnen uitvoeren, is de ambitie niet meer dan het uitvoeringsniveau dat wij hebben? Het tweede wat het management gedaan heeft, is per opgave een clusterplan maken, om te kijken: wat gaan we
25 het komend jaar doen? Dat zijn allemaal zaken om die organisatie op orde te krijgen en planmatig te kunnen werken. In de periode van september tot en met december heeft het management een presentatie aan het college gegeven, die in een doorkijk aantoonde dat er zwaar weer aankwam. Vervolgens is de uitvoeringstoets uitgevoerd en zijn er clusterplannen gemaakt. Het college heeft in die periode besloten eerst na te gaan wat precies de oorzaak was en wat de oplossingsrichtingen en de mogelijkheden zouden zijn. Daar hebben we tijd in gestoken, omdat we u een duidelijk beeld wilden geven van de problemen en van de oplossingen die daarvoor waren bedacht. Dat u daarbij voor de langere termijn vragen stelt, lijkt me logisch, want u wordt er voor het eerst mee geconfronteerd, terwijl het college er al enkele maanden mee bezig is. De heer Maassen heeft ook over het herstelplan gesproken. Het stuk dat erbij ligt is duidelijk een processtuk en daarin valt te lezen dat de raad daarin ook een duidelijke rol krijgt. Het college is daarover nu de eerste gesprekken aan het voeren en van de impactanalyse waaraan gerefereerd is, is pas deze week de definitieve versie gereed gekomen; de eerdere versie was een concept. Het college heeft die deze week gekregen en zal er a.s. dinsdag over praten. Uiteraard wordt die ook beschikbaar gesteld aan uw raad.
Wat dat betreft denk ik dat daarover geen onduidelijkheid mag bestaan. Meerdere sprekers hebben het raadsbesluit aangehaald dat bij het voorstel ligt, luidende: “1. de oplossingsrichtingen voor een meerjarig sluitende begroting vast te stellen; 2. in te stemmen met het wijzigen van de begroting met betrekking tot de mutaties voor begrotingsjaar 2021 zoals opgenomen in bijlage 1a bij dit raadsvoorstel”. Meerdere sprekers heb ik horen zeggen dat ze daar kennis van willen nemen, maar geen besluit willen nemen. Ik denk echter dat het goed is om over 2021 wel een besluit te nemen, en wel om het college fiat te verlenen om verder te kunnen. De heer Maassen heeft ook opgemerkt dat een en ander parallel loopt aan de kadernota. Ja, dat klopt. Door de planning, en u heeft zelf ook terecht gevraagd om wat meer tijd om de stukken te kunnen bestuderen, zie je dat 10 juni dicht bij 8 juli zit, zodat het eigenlijk wat bij elkaar drukt. Waar natuurlijk haast bij is, denk ik – bij u als raad en bij ons als college –, is dat we bij dat herstelplan, of herstartplan, met elkaar gauw de contouren moeten uittekenen. In het processtuk staan toch al kaders benoemd, daar staat ook de rol van de raad in benoemd, daar staat dat het college vóór het zomerreces daarover met u in gesprek wil gaan, dus wat dat betreft is uw rol daar duidelijk in neergelegd.
Bij de begrotingswijziging per onderdeel mist u een duidelijk toelichting, en dat geldt ook voor de uitvoeringstoets en voor meerdere zaken. Ja, daar kan ik op dit moment niet een-twee-drie een antwoord op geven, maar waar er zaken ontbreken, of u informatie mist om een duidelijke afweging te kunnen maken en duidelijke besluiten te kunnen nemen, moeten wij als college er gewoon voor zorgen dat u die informatie krijgt, en daar kunnen we dan nog een procesafspraak over maken, op welke termijn u die gegevens dan krijgt, voor zover wij ze ook beschikbaar hebben. Want een uitvoeringstoets is natuurlijk een toets die gemaakt is binnen de organisatie op basis van de beschikbare capaciteit, en al die plannen en al die opdrachten en al die ambities die er liggen, dus dat is wat lastig. De heer Maassen heeft ook nog een vraag gesteld over KLC en het grondbeleid. Op 8 april is daarover door de raad een inhoudelijk besluit genomen en vandaag ligt in deze commissie de begrotingswijziging voor, waarin inderdaad wordt voorgesteld die gelden vrij te geven. De heer Maassen vraagt ook naar het bedrag van 643.000 euro voor bedrijfsvoering in de jaarrekening. We weten allemaal dat het vanaf de jaarrekening 2017, de controle daarop en het rekenkamerrapport, op een aantal punten schortte in de organisatie, met name in de bedrijfsvoering, waar de basis niet op orde was.
Dat hebben we geprobeerd te repareren gedurende een jaar of drie. De kosten gaan hier voor de baat uit, dus als wij dadelijk de basis op orde hebben, kunnen we met minder capaciteit hetzelfde, of een beter, resultaat bereiken. Maar doordat je in een achterstandssituatie zit – geef dat maar grif toe –, heb je nu een extra investering nodig om zo dadelijk te kunnen profiteren daarvan. In zoverre hebben we daar met
26 elkaar ook profijt van. Ik wil hierbij ook een duidelijk signaal afgeven. De organisatie is, en dat heb ik eerder ook al een keer in uw raad gezegd, al jaren niet aan de orde geweest, is niet besproken en er zijn geen wijzigingen doorgevoerd. We hebben jaren gewerkt zoals we werkten en dat is niet meer van deze tijd. U weet zelf dat de inwoners een andere houding vragen, een andere rol, van de gemeente en daar moet je wel op acteren. Wij hebben dat nu gedaan. In 2019 hebben we dat besluit genomen, in 2020 hebben we met instemming van de OR dat besluit geëffectueerd en zijn we met de invulling van de functies begonnen. Toen corona aanstaande was, hebben we met elkaar nog de discussie gevoerd van “moeten we dat nu doen?”. Toen hebben we gezegd: dat moeten we nu doen vanwege het feit dat we een heleboel functies, ook managementfuncties, interim hadden ingevuld, we hebben nu eenmaal die keuze gemaakt en nu moeten we ook doorzetten. Ondanks corona hebben we op 1 juli in dat management alle nieuwe functies gevuld en ook afscheid genomen van functies die er waren, op een heel nette en zorgvuldige manier conform het sociaal statuut. Ik vind het wel getuigen van lef om dat in die periode te doen. Als ik met het management praat, wordt me ook verteld van: als je zo’n grote organisatiewijziging doorvoert in coronatijd, is dat een extra handicap.
Waarom? Je moet heel veel overleg hebben, liefst fysiek, je moeten met mensen kunnen praten en je moet mensen kunnen zien hoe ze reageren op die vernieuwingen, enz. We weten allemaal dat veranderingen voor iedereen best lastig zijn, zeker cultuurveranderingen, en dan moet je met mensen praten. Door de hele dag via een schermpje met elkaar te communiceren, zie je geen lichaamstaal, geen teken of iemand het ook allemaal snapt, of het is overgekomen of niet. Met die handicap hebben we moeten leven en ondanks dat alles zetten we elke dag nieuwe stappen om planmatig de organisatie beter te maken, of wendbaar en weerbaar, hoe het ook moge heten. In deze tijd met al die ontwikkelingen nog zo’n organisatiewijziging doorvoeren, vergt een heleboel. En nu zegt het management: die opdracht kunnen we op dit moment niet uitvoeren. Daarbij komt dat het management constateert, en wij ook, dat wij in plaats van 1 miljoen aan opleidingskosten voor personeel al jaren 500.000 euro hebben staan. We hebben het altijd over de kwaliteit van de medewerkers. Nou, met dit voorstel willen we investeren in de kwaliteit van de medewerkers, om die inderdaad kwalitatief op het juiste niveau te krijgen en hen te faciliteren, zodat ze hun werk ook goed kunnen doen. Ik heb van enkele sprekers gehoord dat er wat klachten zijn, omdat het te langzaam zou gaan, de dienstverlening, enz.
Nou, daar willen we aan werken, zodat de klachten een stuk minder worden. De heer Maassen had ook een kleine opmerking over het Limburgse niveau dat wordt nagestreefd, dat we daarbij geen onderscheid maken tussen woningen en niet-woningen. Dat is een kwestie van uitwerking. Er is een voorstel gedaan voor hoe dat opgelost kan worden. In november stellen wij bij de begroting de belastingverordeningen met de tarieven vast en daar hoort een raadsbesluit bij. De heer Maassen heeft het ook nog gehad over die1,7 miljoen bezuiniging op subsidie die niet is doorgegaan vanwege corona. Inderdaad is destijds door ons gesteld dat we 10% op die 17 miljoen die we jaarlijks aan subsidie geven zouden kunnen bezuinigen. Dat zou je kunnen doen via de kaasschaafmethode van 10%, dat is al een keer gebeurd, maar wij denken dat, als je in subsidies gaat bezuinigen, je moet kijken wat het maatschappelijk rendement is dat je met subsidies wilt bereiken. Rücksichtslos 10% op alle subsidies bezuinigen lijkt ons geen goede zaak. We moeten met elkaar de goede afweging kunnen maken van: hoe gaan we die bezuiniging doorvoeren en welke effecten heeft dat voor de samenleving van Roermond? Ook als je daar met de organisaties over gaat praten, moet je daarmee ook fysiek aan tafel kunnen zitten en niet via schermpjes communiceren.
De heer Maassen vroeg of het college de mening deelt van het CMT, en dan doelt hij op de presentatie in december. Ja, daar is ook op geantwoord. Kijk, als je een gemeente wilt vergelijken met een bedrijf, dan zie je dat een bedrijf vaak een, twee, drie, maximaal vijf producten heeft, terwijl wij er 450 hebben, van klein naar groot, met veel impact en weinig impact; dat varieert van het verstrekken van een rijbewijs tot het wijzigen van een bestemmingsplan, et cetera. Een ander groot verschil is dat de samenleving meer vraagt van
27 de overheid. De overheid zal daar op op een juiste manier moeten reageren. Wij willen dat ook, maar dat vraagt tijd en energie. De heer Franssen van de LVR heeft een opsomming gegeven van de septembercirculaire in 2019, de decembercirculaire, de kaderbrief, de circulaire in september 2020, enz., waarin alles, zoals hij zei, nog rooskleurig was. Ik herinner eraan dat ook de begroting 2021 rooskleurig was, inclusief de taakstellingen voor subsidies en organisatieontwikkeling. Dat is niet haalbaar gebleken. Als die taakstellingen wel gehaald waren, was het beeld goed geweest. U refereerde ook nog even aan 15 april, met de wethouders Smitsmans en Pleyte, en waar was wethouder Schreurs? Nou, dat wil ik wel even toelichten. In collegiaal verband maak je werkafspraken over wie zich in eerste instantie wat intensiever met bepaalde zaken die moeilijk liggen bemoeit. In dit geval waren dat de collega’s Smitsmans en Pleyte. Ik was op de achterhand helemaal op de hoogte en ik was ook aanwezig op 15 april, maar als twee collega’s zich intensief met de processen bezighouden en daarvoor met oplossingsrichtingen komen die het college volledig onderschrijft, dan vind ik ook dat die twee collega’s de eer toekomt om dat aan uw raad te presenteren. Mooier kunnen we het niet maken, en ook niet minder mooi.
Dat is gewoon de situatie en ik denk dat we dat met elkaar gewoon rustig kunnen en moeten delen. De heer Franssen: Voorzitter, interruptie… De voorzitter: Zeker, zegt u het maar. De heer Franssen: Ik heb twee concrete vragen naar aanleiding van deze laatste specifieke woordvoering; op de rest kom ik uiteraard dadelijk terug, maar nu heb ik er even behoefte aan op twee punten. Waarom is dan vanavond ineens wel de portefeuillehouder financiën en de portefeuillehouder personeel en organisatie de eerste namens het college en waarom was dat op 15 april niet het geval? Wat is het verschil tussen 15 april en vandaag? Dat is vraag één. Vraag twee. U zegt, meneer Schreurs, en ik spreek u nu persoonlijk aan, dat u op 15 april aanwezig was. Ik heb echter informatie dat u tussen vijf voor zeven en vijf over zeven, en dat is geen grapje, dus tussen 18.55 en 19.05 uur, fietsend op de Roerkade bent gesignaleerd op die avond in april. Hoe kunt u nu zeggen dat u aanwezig was? Wethouder Schreurs: Nou, ik heb meerdere getuigen die gezien hebben dat ik vanaf kwart voor zeven in kamer 090 in het stadhuis was. Dus doet u degene die u dat verhaal heeft verteld maar de groeten en vertel hem maar dat hij een keer naar Specsavers moet gaan om een nieuwe bril te kopen! Meer kan ik er niet van maken. Ik meen inmiddels duidelijk te hebben gemaakt waarom ik op die avond niet het woord heb gevoerd.
Als twee collega’s zich daar even wat intensiever mee willen bemoeien, samen met de directie, dan vind ik – en dat is collegialiteit van mijn kant – dat zij de eer hebben om het aan u te presenteren. Er ontstaat nu een beeldvorming waarvan ik me afvraag: waar hebben we het over? Omdat het vanavond hoofdzakelijk over financiën en personeel gaat, is het logisch dat ik vanavond de woordvoerder ben. De heer Franssen: Voorzitter… De voorzitter: Ja, meneer Franssen, zeg het maar. De heer Franssen: De suggestie die u hebt gedaan met betrekking tot een commerciële brillenorganisatie, waarvan ik de naam niet zal noemen, zal ik doorgeven, maar ik vond toch dat ik het even moest vragen. Op mijn tweede vraag heeft de wethouder niet gereageerd, vandaar dat ik het nog een keer vraag. Wat is nu het verschil tussen 15 april, waar wel mevrouw Smitsmans en wethouder Pleyte voor de troepen stonden, en de dag van vandaag, waarop u dat doet? U was toch op 15
28 april ook eindverantwoordelijk voor financiën en personeel en organisatie, net zoals vandaag? Waarom stond u daar dan niet op 15 april? U bent toch de primaire wethouder daarvoor en niet mevrouw Smitsmans of de heer Pleyte? Wat is het verschil tussen 15 april en vandaag? Wethouder Schreurs: Als we hadden geweten dat het zoveel wind zou doen opwaaien, hadden we misschien aan de voorkant een andere keuze gemaakt, maar ik vind het eigenlijk niet de moeite waard om hier nog meer woorden aan te wijden. Ik heb u verteld wat de reden was en meer kan ik er niet van maken. De heer Franssen: Daar neem ik kennis van, voorzitter. Ik vind dit een schandalig antwoord en kom er in tweede termijn wel op terug. De voorzitter: Daar heeft u een tweede termijn voor. De portefeuillehouder. Wethouder Schreurs: De heer Franssen heeft veel over het proces gesproken en over de manier waarop het in het verleden ging. Verder hebt u gezegd dat wij er anderhalf jaar de tijd voor hebben gehad en u maar zes weken. Ik heb in het begin al gezegd dat ik kan invoelen dat het voor raadsleden heel moeilijk is om zo’n complexe materie met zoveel informatie tot zich te nemen.
Eerder heb ik geprobeerd het even terug te halen tot de essentie: waar zit het tekort, wat is het probleem en welke oplossing hebben we gekozen? Dat leggen wij via de commissie aan de raad voor en u hebt als raad het eindoordeel, zoals altijd. U doet nog een procesvoorstel over gezamenlijk kijken naar de begroting op korte termijn en op lange termijn. De dialoog met de raad hebt u aangestipt. Nou, daar neem ik kennis van. De heer Franssen: Voorzitter! De voorzitter: Meneer Franssen. U mag interrumperen. De heer Franssen: Ja, het wordt nu toch een beetje vervelend. Ik blijf nog erg rustig en vriendelijk, maar dat zal dadelijk veranderen, als dit soort antwoorden blijven komen. Ik verwacht van het college een serieus antwoord op mijn procesvoorstel. Daar heb ik recht op. Met zo’n antwoord als “daar neem ik kennis van” kunt u direct in mijn tweede termijn van andere dingen kennisnemen, dat geef ik u een briefje! De voorzitter: De portefeuillehouder. Wethouder Schreurs: Meneer Franssen, u heeft in uw eerste termijn een inbreng geleverd en daar reageer ik op namens het college. Wij zijn nog niet zo ver om u daarin te volgen, dat is eigenlijk het antwoord.
Dat mag toch wel, dat, als u met een procesvoorstel komt, wij zeggen dat wij nog niet zo ver zijn dat we dat volledig kunnen omarmen? Dat is toch ook een antwoord? In tweede termijn kunnen we daar met elkaar een gesprek over hebben, maar dit is in eerste termijn het antwoord dat ik u geef. De heer Franssen: Voorzitter… De voorzitter: U werd aangesproken. De heer Franssen: Dank u, voorzitter. Wat u nu zegt is al iets meer duiding, wat nog niet wil zeggen dat ik er tevreden mee ben, maar het is iets meer duiding dan wat u net zei met “ik neem er kennis van”. Ik spoor u aan om wat betere antwoorden te gaan geven, en direct, zodat ik niet iedere keer hoef te interrumperen, want dan wordt het heel vervelend en dat wil ik liever niet.
29
De voorzitter: De portefeuillehouder. Wethouder Schreurs: Dat wil ik ook niet, meneer Franssen, en ik probeer ook uw vragen zo serieus en duidelijk mogelijk te beantwoorden. U heeft ook nog gerefereerd aan de jaarrekening die u vandaag heeft ontvangen, en de resultaatbestemming, enz., maar ik denk dat het goed is om die discussie in de gecombineerde commissievergadering in juni met elkaar te voeren en ook in juli, bij de behandeling van de jaarrekening. Wat u daar ziet, is een voorstel dat het college aan uw raad doet en dat behandeld wordt via de reguliere processen. Verder hebt u gevraagd, en die vraag is door meerdere leden gesteld: is er nog vertrouwen in de wethouder en in de collegeleden? Ik wil hem wat anders formuleren: is er nog vertrouwen in wethouder Schreurs, of heeft wethouder Schreurs nog vertrouwen in zichzelf dat hij dit schip kan keren? Ja, dat heeft wethouder Schreurs. En de vraag of het college nog vertrouwen heeft in wethouder Schreurs leid ik graag door naar de voorzitter van het college. U gebruikt termen als ‘chaos’, ‘schandalig’ enz. Het zijn niet mijn woorden, meneer Franssen. Het is hier geen chaos, er is een probleem waar we de hele dag mee bezig zijn, met de ambtelijke organisatie, het management en medewerkers. En net als de VVD heb ik heel veel positiefs gehoord over wat die ambtenaren doen.
Maar we zitten wel in een situatie waarin we met elkaar, raad, college en ambtelijke organisatie, moeten werken aan de toekomst van die mooie stad Roermond. Daar moeten we met elkaar onze energie in stoppen en we moeten niet met elkaar blijven discussiëren over de vraag wie er gelijk heeft en wie ongelijk. Als wij u vertellen dat we een probleem hebben dat serieus is en waarvan wij denken dat we, als we dat nu goed aanpakken, dat in de toekomst voor Roermond beter op een rij hebben staan, minder uitgaven hoeven te doen en meer rendement gaan halen, dan hoop ik dat de raad, als hij daarvan overtuigd is, volledig daarin mee kan gaan. Dat is waar we met z’n allen toch voor staan. In ieder geval sta ik er voor en ik ga ervan uit dat u ook er voor staat, dat we ieder uur van de dag voor de stad werken en voor haar inwoners. U hebt ook iets gezegd over “over het graf heen regeren”. Ik heb daar eerder al iets over gezegd, maar ik wil het toch even wat nader duiden. U als raad moet dadelijk in november een begroting vaststellen die gaat over de jaren 2022 tot 2025. Die gaat ook over de periode maart 2022 heen, maar wij hebben ook de plicht om in het kader van de goedkeuring van de begroting een sluitende begroting aan te bieden. Dus als je ziet dat dat nu niet lukt, dan heb je wel de plicht als college van B&W en als raad om te kijken hoe je die begroting sluitend krijgt.
Ik denk dat we de laatste jaren heel goed bezig zijn met het benoemen van alle zaken, het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn, het wegwerken van achterstallig onderhoud, de begroting te laten voldoen aan het Besluit begrotingsvoorschriften et cetera, wat inderdaad heel veel geld kost. In april is nog een voorstel door uw raad vastgesteld over het onderhoudsplan vastgoed, dat ook weer 450.000 euro kost, maar daardoor voldoen we wel aan de BBV-normen en we zorgen ook voor een structureel evenwicht in de begroting. Dat soort zaken moeten wij met elkaar, u als raad en wij als college, oplossen. Ik wil ook nog wel even refereren aan de Oranjerie en aan de huisvesting onderwijs waar het vorig jaar besluiten over zijn genomen. Het zijn hele zware besluiten die ook impact hebben op de financiële situatie van Roermond. Een ander voorbeeld is dat we het vorig jaar in de begroting 1 miljoen voor autonome ontwikkeling hebben moeten opnemen, voor onderhoud, voor openbare ruimte, omdat die contracten afliepen. Die contracten waren gesloten in een tijd van recessie en nu worden ze gesloten in een tijd van hoogconjunctuur en dus hoger uitvallen. Dat zit allemaal in de begroting. Dat hebben we met elkaar toch allemaal opgevangen. Een stadje van 58.000 inwoners heeft dat toch maar mooi voor elkaar gekregen. Op twee punten hebben we dan nog even een probleem: organisatie en subsidie.