Bijlage - Programmabegroting 2022
Tekst van het document
Afvalstoffenheffing De afvalstoffenheffing is een heffing ter dekking van kosten van beheer van huishoudelijke afvalstoffen. De heffing komt ten laste van gebruikers van percelen waarvoor de gemeente een inzamelverplichting voor huishoudelijk afval heeft. Het tarief voor de afvalstoffenheffing wordt in beginsel kostendekkend vastgesteld. Ten opzichte van 2021 stijgt het tarief in 2022 met 25,01%. In onderstaande tabel zijn de tarieven voor 2022 weergegeven:
Omschrijving Tarief per aansluiting
Tarief 2022
Tarief 2021
€ 312,87
€ 250,28
De prijzen van afvalverwerking worden op mondiaal niveau bepaald. Dit betekent dat de mogelijkheden om op lokaal niveau te kunnen sturen op kosten zeer beperkt zijn. Als gevolg van deze mondiale ontwikkelingen is er de laatste jaren sprake van structurele daling van de opbrengsten van grondstoffen en kostenstijging van verwerking van de verschillende afvalstromen. Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg dat de afvalkosten de laatste jaren steeds meer zijn gestegen en dat deze stijging zich de komende jaren nog zal voortzetten.
Desondanks laten de eerste ervaringen met de nieuwe afvalinzamelsystematiek al een reductie van het aangeboden restafval zien van 34%. Hiermee zijn al de eerste forse stappen gezet in de uiteindelijke doelstelling om in 2025 het restafval per inwoner te reduceren naar maximaal 50kg en ruim 75% van het huishoudelijk afval gescheiden in te zamelen. Er is sprake van een duidelijk reductie van restafval (hoge verwerkingskosten) naar meer aanbod Met oog op het vorenstaande is in 2021 een nieuw systeem van GFT en PMD. Wanneer deze maatregelen voor afvalinzameling ingevoerd. Doel hiervan was een verdere niet zouden zijn genomen zouden de kosten kostenstijging van de afvalinzameling te beperken door o.a. betere van afvalinzameling aanzienlijk hoger zijn dan scheiding van afvalstromen en reductie van verwerkingskosten. thans het geval is. Alleen al het wijzigen van de In dat kader wordt het restafval en GFT één keer per 2 weken ophaalsystematiek van één keer per week naar ingezameld in plaats van elke week. Het PMD wordt wekelijks één keer in de twee weken heeft geleid tot een opgehaald. Door de inzet van monocontainers zou de reductie van substantiële kostenreductie. Bovendien zou bij de afvalstromen verder afnemen. Vanwege omstandigheden is het oude systematiek er geen sprake zijn geweest helaas nog niet mogelijk de beoogde inzet van monocontainers in van reductie van restafval.
Dit zou betekenen plaats van de huidige duobakken in te kunnen zetten. De periode dat wanneer deze maatregelen niet zouden zijn van gebruik van duobakken is verlengd tot medio 2022. Dit brengt genomen de werkelijke meerkosten de komende tijdelijk extra kosten met zich mee. jaren nog hoger zouden zijn geweest van thans het geval is. De genomen maatregelen leiden bij benadering tot onderstaand overzicht.
KOSTENONTWIKKELING AFVAL € 12.000.000,00 € 11.500.000,00 € 11.000.000,00 € 10.500.000,00 € 10.000.000,00 € 9.500.000,00
Op basis van het BBV moet de gemeente inzichtelijk maken dat de totaal geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten en in
welke mate de tarieven kostendekkend zijn. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de mate van kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing.
€ 9.000.000,00 € 8.500.000,00 € 8.000.000,00 € 7.500.000,00
Overzicht kostendekkendheid afvalstoffenheffing (bedragen x € 1.000)
2022
2021
Kosten taakveld afval (inclusief omslagrente)
€ 8.213
€ 6.717
Inkomsten taakveld afval (exclusief afvalstoffenheffing)
€ 1.324
€ 1.322
Voortzetting oud beleid
Netto kosten taakveld
€ 6.889
€ 5.395
Huidige beleid (incl. incidentele kosten)
€ 7.000.000,00
2019
2020
2021
2022
Toekomstig beleid met monocontainers
Toe te rekenen kosten Overhead
€ 355
€ 326
BTW
€ 1.466
€ 1.159
Totale kosten
€ 8.710
€ 6.880
Opbrengst heffingen
€ 8.710
€ 6.876
Dekkingspercentage
100,00%
99,95%
De hoogte van de afvalstoffenheffing is de laatste jaren niet aangepast aan deze ontwikkelingen. Omdat het uitgangspunt van de afvalstoffenheffing is dat deze in beginsel kostendekkend is, is het noodzakelijk om deze op een dusdanig niveau te brengen dat de opbrengsten van de afvalstoffenheffing toereikend zijn om de kosten te dekken. Met in acht neming van de nieuwe afvalinzamelsystematiek en alle reeds geschetste maatregelen kan de verhoging van de afvalstoffenheffing thans beperkt blijven tot 25%.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
105
104
Rioolheffing Het uitgangspunt van de rioolheffing is om gemeenten in staat te stellen de kosten te verhalen die gepaard gaan met de gemeentelijke wateropgave. De gemeentelijke watertaken die uit de heffing bekostigd mogen worden, zijn de taken die onder andere betrekking hebben op: • de inzameling, de berging en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater en op de zuivering van huishoudelijk afvalwater door middel van kleinere individuele installaties voor de behandeling van afvalwater (IBA); • de inzameling en de verdere verwerking van afvloeiend hemelwater; • het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming.
Ook voor de rioolheffing geldt dat deze in beginsel kostendekkend behoort te zijn. De rioolheffing wordt geheven van eigenaren van percelen die bij aanvang van het belastingjaar direct of indirect zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. Een perceel is volgens artikel 3 van de verordening een roerende of onroerende zaak of een gedeelte daarvan. De belasting wordt geheven voor een vast bedrag per perceel. Percelen met een WOZ-waarde die lager is dan € 40.000 worden aangeslagen voor een verlaagd tarief (50% van het volledige tarief). Ook voor de rioolheffing geldt dat deze in beginsel kostendekkend behoort te zijn. Met het oog op de toekomstige investeringen is echter, bij het vaststellen van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), afgesproken om vanaf 2018 jaarlijks een stijging van 1% (exclusief prijsindex) door te voeren en dit bedrag te storten in de voorziening riolering. Via dit ’spaarsysteem’ bereiken we dan in 2036 een kostendekkend tarief van € 202 voor de langere termijn. Per saldo daalt het tarief voor een rioolaansluiting in 2022 met 1,6%. In onderstaande tabel zijn de tarieven voor 2022 weergegeven:
Omschrijving
Tarief 2022
Tarief 2021
Voor percelen
€ 188,26
€ 191,32
Voor percelen met een WOZ waarde die minder is dan € 40.000
€ 94,14
€ 95,67
Uitgangspunt is dat we werken met een voorziening om schommelingen in rioolheffing op te vangen. Aan het einde van de beschouwde
periode in het GRP is de voorziening 0, er wordt geen winst gemaakt. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de mate van kostendekkendheid van de rioolheffing.
Overzicht kostendekkendheid rioolheffing (bedragen x € 1.000)
2022
2021
Kosten taakveld riolering (incl. omslagrente)
€ 4.382
€ 4.663
Inkomsten taakveld riolering (excl. rioolheffing)
€ 61
€ 115
€ 4.321
€ 4.548
Netto kosten taakveld
Bedrijven Investeringszones (BIZ)
Kwijtschelding
Een BIZ is een afgebakend gebied zoals een winkelstraat of een bedrijventerrein, waarbinnen de ondernemers en/of de eigenaren samen investeren in de kwaliteit van hun bedrijfsomgeving. Alle ondernemers betalen mee aan een gemeentelijke heffing om activiteiten te financieren. De activiteiten kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op veiligheid (toezicht, verlichting, hekwerken of camerabewaking), bereikbaarheid (bewegwijzering en verkeersvoorzieningen), aantrekkelijkheid (schoonmaak, promotie, onderhoud, groenvoorziening en evenementen), et cetera. De BIZ-heffing wordt gebruikt om deze plannen te kunnen uitvoeren. Dit middel van belastingheffing maakt het mogelijk dat alle ondernemers in het betreffende gebied ook daadwerkelijk meebetalen. Er bestaan in Roermond tien BI-zones:
De uitvoering van het kwijtscheldingsbeleid is opgedragen aan Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). BsGW schakelt hiervoor het Inlichtingenbureau (IB) in. Dit is een door de overheid opgericht bureau dat gemeenten helpt op het gebied van de uitvoering van onder andere het bijstands- en kwijtscheldingsbeleid. Het IB toetst de gegevens die nodig zijn voor eventuele kwijtschelding aan de voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Het gaat hierbij om gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe), de Belastingdienst en de Dienst Wegverkeer (RDW).
• BI-zone binnenstad Roermond zone A • BI-zone binnenstad Roermond zone B • BI-zone binnenstad Roermond zone C • BI-zone bedrijventerrein Merum • BI-zone bedrijventerrein Roerstreek • BI-zone bedrijventerrein Stadsrand-Noord • BI-zone bedrijventerrein Swalmen • BI-zone bedrijventerrein Willem Alexander • BI-zone centrum Swalmen • BI-zone Retailpark De looptijd van de bovenstaande BIZ’en is van 2021 tot en met 2025, behalve voor de BIZ Retailpark: deze loopt van 2017 tot en met 2021. In de tweede helft van 2021 wil de BIZ Retailpark Roermond de draagvlakmeting houden voor de periode 2022 -2026. De BIZ voor de Binnenstad, die bestond uit twee verschillende gebieden (de zone A en de zone B), is vanaf 2021 uitgebreid met een derde zone (zone c). Voor de begroting van de gemeente zijn de BIZ’en financieel neutraal, dat wil zeggen dat de BIZ-belastingen die door BsGW worden geheven en geïnd, één op één als subsidie aan de diverse BIZ’en wordt uitgekeerd.
Toe te rekenen kosten
Huishoudens met een inkomen en vermogen onder een bepaalde norm hebben recht op kwijtschelding. Vaak komen deze huishoudens meerdere jaren achter elkaar hiervoor in aanmerking. Alle burgers die in 2021 kwijtschelding hebben ontvangen, worden geautomatiseerd getoetst en krijgen bij een positief advies automatisch kwijtschelding. In alle andere gevallen zal een burger nog het gebruikelijke kwijtscheldingsformulier moeten invullen en inzenden. Deze worden individueel door BsGW getoetst. Kwijtschelding is onder voorwaarden mogelijk voor: • onroerende zaakbelastingen • rioolheffing • afvalstoffenheffing (Hoofdstuk I van de tarieventabel verordening afvalstoffenheffing) Veruit de belangrijkste heffing waarvoor kwijtschelding wordt verleend is de afvalstoffenheffing.
Overhead
€ 951
€ 873
BTW
€ 528
€ 541
Totale kosten
€ 5.800
€ 5.961
(bedragen x € 1.000) Begroot Realisatie Begroot
Opbrengst heffingen
€ 5.798
€ 5.812
Afvalstoffenheffing
€ 6.412
€ 6.457
Dekkingspercentage
99,97%
97,00%
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
€ 510
Netto Kwijtschelding overige
2020
2021
2022
Realisatie per 30 juni 2020
Begroot
€ 6.889
€ 6.859
€ 8.328
€ 504
€ 510
€ 475
€ 510
€ 5.902
€ 5.953
€ 6.379
€ 6.384
€ 7.818
€ 0
€5
€ 0
€3
€0
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
107
106
De prognose kwijtschelding is bepaald aan de hand van de realisatiecijfers van 2020 en op basis van de tussentijdse realisatie per 30 juni over 2021.
Regeling is het minimaliseren van de kosten door middel van schaalvergroting. Per 1 januari 2022 zijn, op 2 gemeenten na, het Waterschap Limburg en alle overige 30 Limburgse gemeenten aangesloten bij de BsGW. Totale bijdrage voor onze gemeente aan BsGW in 2022 zal € 887.000 bedragen.
Belastingsamenwerking
Belastingdruk
BsGW voert de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen voor ons uit, evenals de WOZ-waarderingstaken. BsGW behartigt als uitvoeringsorganisatie de zorg voor het volledig, rechtmatig, juist, tijdig en doelmatig heffen en innen van de lokale belastingen. Eén van de doelen van de Gemeenschappelijke
Belastingsoort
In het coalitieakkoord is ten aanzien van de lokale lastendruk als algemeen uitgangspunt opgenomen, dat deze voor de burgers zo laag mogelijk wordt gehouden, waarbij slechts wordt gekozen voor verhoging van de lokale lastendruk als er geen andere financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn en de verhoging direct is gekoppeld aan een specifiek en concreet doel.
2022
2021
OZB eigenaren woningen
0,1234% van de WOZ waarde
0,1260% van de WOZ waarde
OZB eigenaren niet woningen
0,2290% van de WOZ waarde
0,2128% van de WOZ waarde
OZB gebruik niet-woningen
0,1947% van de WOZ waarde
0,1808% van de WOZ waarde
Afvalstoffenheffing
€ 312,87
€ 250,28
Rioolheffing
€ 188,26
€ 191,32
Belastingbaten (bedragen x € 1.000)
Belastingdruk 2021
€ 728,82
Belastingdruk 2022
€ 807,67
Stijging belastingdruk t.o.v. 2021 inclusief prijsindex
10,82%
Loon/prijsindex 2022 (cf. Meicirculaire)
1,40%
Stijging belastingdruk t.o.v. 2021 excl. prijsindex
9,42%
Zoals al is aangegeven (zie ‘beleidskeuzes en berekening tarieven’), is nagestreefd om bij het berekenen van de tarieven, deze gelijkelijk over alle drie de categorieën (lees: eigenaren woningen en voor de niet-woningen, zowel eigenaren als gebruikers) te verdelen. De verhoging van de onroerende zaakbelasting voor de niet-woningen, stijgt aldus eveneens met 6,4%. Dit geldt zowel voor de gebruikers als voor de eigenaren. Hierbij is uiteraard ook rekening gehouden met hogere WOZ-waarden dan in 2021.
Belasting- en legesopbrengsten De tarieven van de OZB worden berekend op basis van de totale opbrengst onroerende zaakbelasting en de waarde van de objecten. De uitgangspunten daarbij zijn hierboven beschreven. Dat geldt ook voor de tarieven van de rioolheffing en afvalstoffenheffing. Het voorstel is om de overige tarieven trendmatig aan te passen met de in de kadernota aangegeven prijsindex. Voor 2022 betekent dit een verhoging van de tarieven met 1,4%. De belasting- en legesopbrengsten worden meerjarig als volgt geraamd over de jaren 2022 - 2025:
MJB 2023
MJB 2024
MJB 2025
Onroerend Zaakbelasting
eigenaar woningen
8.827
9.332
9.385
9.385
eigenaar niet-woningen
4.365
4.606
4.616
4.616
gebruiker niet-woningen
3.301
3.483
3.494
3.494
Afvalstoffenheffing
8.710
8.692
8.759
8.861
Rioolheffing
5.798
5.949
5.961
5.964
Hondenbelasting
397
397
397
397
BIZ-belasting
798
798
798
798
Toeristenbelasting
791
1.491
1.491
1.491
Lijkbezorgingsrechten
259
259
259
259
Leges WABO
1.321
1.321
1.321
1.321
Havengelden
462
468
468
468
Marktgelden
111
111
111
111
Precario
386
421
421
421
Leges
586
594
694
694
Parkeren
3.401
3.427
3.462
3.462
39.513
41.349
41.637
41.742
(incl. parkeerheffingen)
Totale Belastingbaten De gemiddelde lastendruk voor woningeigenaren stijgt in 2022, bij een (gemiddelde) woningwaarde van € 248.469 (2020 € 227.953) voor een huishouden tot een bedrag ad € 807,67 ten opzichte van € 728,82 in 2021, een stijging met € 78.84 per jaar, oftewel 10,82% ten opzichte van 2021.
MJB 2022
Kostendekkendheid leges Voor het onderbouwen van tarieven is in het BBV bepaald, dat de gemeente hiervoor extracomptabel een berekening wordt geacht te geven over de mate van kostendekkendheid. De berekening zelf is niet expliciet voorgeschreven, maar wel dat de wijze van toerekening op een consistente wijze moet worden toegepast. De berekening moet vervolgens worden aangevuld met een inhoudelijke toelichting over de totstandkoming van de tarieven en de beleidskeuzes die daaraan ten grondslag liggen. Uit oogpunt van transparantie is in de toelichting op het Wijzigingsbesluit vernieuwing BBV voorgeschreven dat deze toelichting niet alleen op het niveau van de verordeningen moet plaatsvinden. Dit dient tevens plaats te vinden op een meer gedetailleerd niveau, zijnde de onderliggende hoofdstukken of onderdelen. Ook de mate van kruissubsidiëring tussen de hoofdstukken of onderdelen binnen een verordening en binnen de hoofdstukken of onderdelen, moet worden toegelicht. Bij de onderdelen riolering en afval is een overzicht opgenomen van de geraamde lasten en baten en in welke mate de tarieven kostendekkend zijn.
Het onderzoek voor het bepalen van de kostendekkendheid van leges (verdeeld naar algemene dienstverlening, dienstverlening fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning en dienstverlening Europese dienstenrichtlijn) is in 2018 voor het eerst opgesteld. Voor de begroting van 2022 is de kostendekkendheidsberekening van de leges wederom uitgevoerd. De conclusie per titel van de legesverordening luidt als volgt: Titel 1: algemene dienstverlening Er weinig ruimte is om de tarieven van de leges algemene dienstverlening te verhogen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de maximaal toegestane hoogte van de tarieven van paspoorten en rijbewijzen.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
109
108
5.2 Paragraaf Weerstandsvermogen & risicobeheersing Titel 2: dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving /omgevingsvergunning De kostendekking van de leges dienstverlening fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning zich net onder de 100% kostendekkendheid bevindt. Er is beperkte ruimte om de tarieven te verhogen. Advies is echter om hiervan af te zien in verband met een mogelijke toename van beroepsprocedures, dit als gevolg van gewijzigde jurisprudentie met betrekking tot kruissubsidiering. Titel 3: dienstverlening vallende onder de Europese Dienstenrichtlijn De leges dienstverlening Europese dienstenrichtlijn is een klein gedeelte van de legesverordening en bestaat voor een groot deel uit evenementenvergunningen. Vanwege de maatschappelijke betekenis is dit, zoals bij veel gemeenten, niet kostendekkend. Denk hierbij o.a. aan de APV en horecavergunning. De voornaamste conclusie is dat de gemeente Roermond voldoet aan de wettelijk gestelde eisen en hiermee voldoet aan de gestelde richtlijnen van het BBV.
De paragraaf gaat in op het gemeentelijk weerstandsvermogen. We kijken naar de betekenis van risico’s en de beheersing hiervan gezien vanuit de begroting 2022. In juni heeft de raad ingestemd met het voorstel “klaar voor de herstart” (55571-2021). In deze vergadering zijn de oplossingsrichtingen die noodzakelijk zijn om meerjarig tot een sluitende begroting te komen vastgesteld. De voorgestelde maatregelen hebben ook als effect dat de minimumpositie van de algemene reserve op een gewenst niveau wordt gebracht. Het in 2022 toevoegen van de reserve sociaal domein zorgt er ook voor dat het risicoprofiel en de minimumpositie opnieuw berekend moet worden. Het verloop van de algemene reserve, het opnieuw bepalen van de minimum positie en het verloop van de totale vermogenspositie wordt verder uitgewerkt in deze begroting, in deze paragraaf. Waarbij tevens wordt gekeken naar de wijze waarop we de benodigde weerstandscapaciteit (waaronder de algemene reserve) bepalen.
Opbouw paragraaf Deze paragraaf bestaat uit de volgende onderdelen: • een inleiding • het bepalen van de uitgangspunten - weerstandsratio - solvabiliteit - Risicoanalyse • Samenvattende cijfers • Conclusie tevens advies m.b.t. het bepalen minimum positie algemene reserve • Vergelijk met andere gemeenten Onderbouwingen • een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; • een inventarisatie van de risico’s; • een toelichting op relevante risico’s ; • financiële kengetallen.
Inleiding Minimumpositie algemene reserve in relatie tot het weerstandsvermogen In het coalitieakkoord zijn de financiële kaders opgenomen voor de periode 2018-2022. Daarin staat als uitgangspunt, dat we kiezen voor realistisch begroten. Het vertrekpunt daarbij is een meerjarenbegroting die structureel en reëel in evenwicht is. Ook moet de gemeente voldoende weerstandscapaciteit hebben om risico’s op te vangen. Een financieel degelijk en evenwichtig beleid is de randvoorwaarde voor de uitvoering van dit coalitieakkoord. De basis voor de paragraaf weerstandsvermogen ligt opgesloten in de Nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen (uit 2012). Bij het stellen van de kaders heeft de raad destijds uitgesproken dat onze gemeente geen risicomijdende gemeente mag zijn; het risico moet aanvaardbaar zijn voor het doel waarvoor het wordt gelopen. De gemeente Roermond streeft daarin tot op heden naar een ratio weerstandsvermogen van minimaal 1,0. Dit betekent dat de beschikbare weerstandscapaciteit minstens even groot moet zijn als de benodigde weerstandscapaciteit. Naast het feit dat de nota geactualiseerd dient te worden is er natuurlijk veel veranderd. De ene verandering volgt de andere op. De financiële positie is vanaf 2012 natuurlijk veranderd.
Ook het risicoprofiel is anders als gevolg van bijvoorbeeld de decentralisaties op het gebied van het sociaal domein en ook de invoering van de omgevingswet. Daarmee verandert ook de financiële weerbaarheid van de gemeente. Dit vraagt om een herziening. Ook in relatie tot de ontwikkeling rondom het raadskader sociaal domein. De term weerstandsvermogen heeft betrekking op de weerstandscapaciteit van de gemeente in relatie tot het totaal aan (financiële) risico’s dat de gemeente loopt. Voor een evenwichtig financieel beleid is het nodig om inzicht te hebben in de mate waarin de gemeente financiële tegenvallers kan opvangen, zonder dat dit onmiddellijk leidt tot structurele ombuigingen of een aantasting van de gemeentelijke reservepositie. Het begrip risico wordt omschreven als een kans op het optreden van een gebeurtenis met een bepaald gevolg dat een positief of negatief effect (= schade) kan veroorzaken. De kans dat een gebeurtenis zich voordoet en de mate waarin het gevolg zich voordoet, zijn onzeker. Bij de vaststelling van de kadernota 2020 heeft de gemeenteraad ook ingestemd met een herziening van het raadskader algemene reserve. Hier is aangegeven dat in de nota Risicomanagement en weerstandsvermogen een methode is beschreven om de risico’s te kwantificeren. Op basis hiervan is het mogelijk om de benodigde weerstandscapaciteit te bepalen.
De invulling en met name de kwantificering van risico’s is nog in ontwikkeling en zal
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
111
110
in de toekomst verder verbeterd worden. Een eerste belangrijke basis is echter gelegd welke naar de toekomst toe dus verder verfijnd zal gaan worden. Bij het bepalen van de benodigde weerstandscapaciteit is het advies om hier rekening mee te houden. In het verleden gaf het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK) de norm aan voor het minimum niveau van de algemene reserve. De kern van het huidige GTK is, dat vanuit de toezichthouder geen norm meer geldt voor de omvang van de algemene reserve. De algemene reserve (buffervermogen) wordt gerekend tot de vrij besteedbare reserves en kan daarom tot de beschikbare weerstandscapaciteit worden gerekend. Om te voorkomen dat de algemene reserve als buffer niet meer toereikend is, wordt tot op heden vastgehouden aan de gehanteerde minimumpositie. Het incidentele weerstandsvermogen en het raadskader algemene reserve is bij het vaststellen van de kadernota 2020 opnieuw bepaald op een bedrag ter hoogte van € 9 miljoen op basis van: • Een herrekening van de minimale norm van 10% van het genormeerde uitgavenpatroon (gun) voor de algemene reserve. De in het verleden door de provincie Limburg gehanteerde norm van 10% van het gun wordt gehanteerd als ondergrens van de algemene reserve ter dekking van de algemene risico’s en risico’s in de risicoparagraaf.
• De risico’s grondexploitatie Dit minimum is exclusief de risico’s binnen het raadskader sociaal domein. Hiervoor is een afzonderlijke reserve beschikbaar. De in het verleden door de provincie gehanteerde gun bestaat niet meer. Ook binnen andere gemeenten wordt inmiddels een andere systematiek gehanteerd. Meestal gerelateerd aan risicomanagement. Dit alles samen, in combinatie met het opheffen van het raadskader sociaal domein, zorgt ervoor dat nu het moment is om hier hernieuwde afspraken over te maken.
Uitgangspunten Kadernota 2022 In de Kadernota zijn in relatie tot het onderwerp weerstandsvermogen en reservepositie een aantal uitgangspunten opgenomen. Ook deze maken onderdeel uit van het bepalen van de minimumpositie en worden in de deze context ook opnieuw bekeken.
Raadskader sociaal domein Het raadskader sociaal domein is in 2014 ingesteld om de begroting te ontlasten voor de tekorten binnen het sociaal domein. Dit raadskader sociaal domein is in 2019 verbreed. Uitgangspunt van het raadskader is budgettaire neutraliteit binnen het sociaal domein. In 2019 zijn op basis van het plan Beter met Minder afspraken gemaakt met de provincie om de tekorten tot en met 2021 uit de egalisatiereserve sociaal domein te dekken. Per 1 januari 2022 moet de begroting sociaal domein structureel en reëel in evenwicht zijn. Dit geldt overigens voor de gehele begroting conform het BBV. De huidige tekorten binnen het sociaal domein worden met name veroorzaakt door de open eind regelingen (verstrekkingen in het kader van de jeugd-, wmo(HBH)en participatiewet). Daarnaast is per 1 januari 2019 de Integratie Uitkering sociaal domein voor een groot deel overgeheveld naar de algemene uitkering. De belangrijkste risico’s binnen het sociaal domein zijn het gevolg van het open eind karakter van de regelingen. Deze regelingen hebben betrekking op een totaal budget van ongeveer € 70 miljoen. Per 1 januari 2022 wordt het raadskader sociaal domein opgeheven en zal het restant van de egalisatiereserve sociaal domein worden toegevoegd aan de algemene reserve.
Bij het bepalen van het “nieuwe” minimumniveau van de algemene reserve zal nadrukkelijk rekening moeten worden gehouden met de risico’s sociaal domein en in het bijzonder de open eind regelingen.
Uitgangspunten opnieuw bepalen Ratio’s en kengetallen Het BBV kent een aantal verplichte ratio’s en kengetallen. Deze getallen geven een goed inzicht in (het verloop) van de financiële positie. Het is goed om hier ook een norm aan te koppelen. Hiervoor is de gemeente zelf verantwoordelijk.
Weerstandsratio
Waardering
> 2,0
Uitstekend
1,4 – 2,0
Ruim voldoende
1,0 – 1,4
Voldoende
0,8 – 1,0
Matig
0,6 – 0,8
Onvoldoende
< 0,6
Ruim onvoldoende
Tabel 1 Gezien de ontwikkeling die risicomanagement nog moet doorlopen is het advies voor de gemeente Roermond om te streven naar een waarde die binnen de marges van Ruim voldoende ligt (1,4-2,0).
Op het moment dat de ratio onder de 1,4 komt is het zaak de reservepositie en daarmee het weerstandsvermogen op te hogen. Ook voor alle andere financiële kengetallen hanteren gemeenten vaak de normeringen die zijn opgesteld door het ministerie van BZK:
Normen
CATEGORIE A Minst risicovol
CATEGORIE B Gemiddeld risicovol
CATEGORIE B Gemiddeld risicovol
GOED
VOLDOENDE
ONVOLDOENDE
1a
Netto schuld quote
< 90%
90% - 130%
> 130%
1b
Netto schuld quote excl. leningen
< 90%
90% - 130%
> 130%
2
Solvabiliteitsratio
>50%
20% - 50%
< 20%
3
Grondexploitatie
<20%
20% - 35%
> 35%
4
Structurele exploitatieruimte
>0%
0
<0%
5
Belastingcapaciteit
<95%
95% - 105%
>105
Uitgangspunten en normen De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het bepalen van de minimum norm m.b.t. het weerstandsniveau en de overige financiële ratio’s. Voor de waardering van de weerstandsratio wordt binnen gemeenten veelal gebruik gemaakt van de normtabel die door de Universiteit van Twente is ontwikkeld.
Tabel 2 Omdat de solvabiliteitsratio een sterke relatie heeft met de reservepositie en het weerstandsvermogen is het advies om deze te betrekken bij het bepalen van het minimumniveau van de algemene reserve. Hier is het uitgangspunt dat de solvabiliteit niet onder de 20% mag komen. Op het moment dat (uit de meerjarenbegroting) blijkt dat de solvabiliteit onder de 20% dreigt te zakken is het zaak om hier actie in te ondernemen (maatregelen nemen om het eigen vermogen / de reservepositie te versterken).
Risicomanagement en weerstandsratio Zoals vastgelegd in de kadernota is het wenselijk om de minimumpositie opnieuw te bepalen.
Belangrijk daarbij is om te kijken welke methode hierin gehanteerd moet gaan worden en dat er rekening wordt gehouden met het beëindigen van het raadskader sociaal domein. Kijkend naar andere gemeenten dan wordt veelal gebruik gemaakt van en de relatie gelegd met de risicoanalyse. Ook komen we gemeenten tegen waar het risicomanagement in ontwikkeling is. Daar zie je dat de risicoanalyse als een basis wordt gebruikt, maar dat tegelijkertijd met een opslag wordt gewerkt door weerstandsratio te koppelen aan de waardering ruim voldoende (ratio van 1,4 – 2.0).
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
113
112
Conclusie solvabiliteit
Inventarisatie van risico’s Tegenover de weerstandscapaciteit staat een aantal risico’s, die niet (geheel) gedekt zijn en van substantieel belang (kunnen) zijn om de financiële positie van de gemeente (meerjarig) te kunnen beoordelen. Bij de bepaling van de omvang van het risico is rekening gehouden met de frequentie dat het risico zich voordoet (jaarlijks, 5 of 10 jaarlijks). Naar mate een risico vaker optreedt, weegt het risico zwaarder. Hierdoor kan de omvang van het risico afwijken van de gekwantificeerde risicobedragen. Reguliere risico’s, waarvoor verzekeringen zijn afgesloten of voorzieningen zijn gevormd, maken geen onderdeel uit van de risico-inventarisatie.
Solvabiliteit De solvabiliteitsratio laat zien welk deel van het vermogen niet met schulden is belast. Er is geen standaardnorm aan te geven voor een ‘gezonde solvabiliteit’ omdat dit per organisatie sterk kan verschillen. Als signaalwaarde voor de solvabiliteitsratio geldt een percentage van 20%. Bij een solvabiliteitsratio lager dan 20% bevindt
de gemeente zich op glad ijs. Uit de geprognosticeerde balans in de begroting 2021 wordt een daling van de solvabiliteit verwacht. Als gevolg van de geraamde onttrekkingen in het jaar 2021 (± € 14 miljoen) en 2022 zakt de solvabiliteit naar 11,9% en dus onder de 20%. Hiermee komt de financiële gezondheid en weerbaarheid van de gemeente Roermond verder onder druk te staan.
Berekening solvabiliteitsratio Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de reserves: zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves. Ook het resultaat uit het overzicht van baten en lasten (het rekeningresultaat) is hier onderdeel van. A Eigen vermogen (volgens artikel 42 BBV) B Balanstotaal Solvabiliteit (A/B) x 100%. Onderstaand het meerjarig verloop solvabiliteitsratio in de periode 2008/2020 aangevuld met de geprognosticeerde cijfers vanaf de begroting 2016: Meerjarig verloop solvabiliteitsratio – Begroot en Werkelijk
Op basis van de prognose daalt de solvabiliteit naar 11,9% voor het jaar 2022 en dus onder het minimumniveau van 20%. De forse daling van de solvabiliteit wordt enerzijds veroorzaakt door genomen raadsbesluiten met incidentele dekkingsvoorstellen vanuit reserves in het jaar 2021,.anderzijds een stijgend balanstotaal als gevolg van een stijgend investeringsvolume. De belangrijkste onttrekkingen (conform raadsbesluit) uit de reserves in 2021 zijn de volgende: 2021 • Besluitvorming resultaatbestemming jaarrekening 2020 € 3,8 miljoen • Besluitvorming begroting 2020 (Raad juli 2019) € 1,1 miljoen • Begrotingssaldo na klaar voor de herstart € 5,3 miljoen 2022 • Besluitvorming dekking meerjarenraming 2022+2023 € 2,7 miljoen Daarnaast wordt ook voor het jaar 2022 het tekort op de begroting van € 2,7 miljoen afgedekt uit de algemene reserve. De belangrijkste onttrekkingen komen ten laste van de algemene reserve, de egalisatie reserve sociaal domein en het coronafonds.
Stijging investeringsvolume Het stijgen van je investeringsvolume zorgt ook voor een stijging van je balanstotaal. Dit zorgt samen met de daling van je eigen vermogen voor een versterkt negatief effect op de solvabiliteit. De stijging van het investeringsvolume wordt met name veroorzaakt door: • Onderwijshuisvesting (IHP) € 7,9 miljoen • Verhardingen € 2,9 miljoen • Verkeersinstallaties € 1 miljoen • Aanleg en onderhoud riolering € 3,7 miljoen • WOP donderberg € 2 miljoen
45,0% 40,0% 35,0% 30,0% 25,0% 20,0% 15,0%
(bedragen in miljoenen)
10,0% 5,0% 0,0%
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 solvabiliteit jaarrekening
solvabiliteit begroting
Lineair (solvabiliteit jaarrekening)
• Diverse overige investeringen (zie onderdeel 8.3.3 Investeringsplanning 2021 – 2024) Binnen de ontwikkeling van de organisatie zijn planmatig- en projectmatig werken belangrijke aandachtspunten. Hier lopen de verbetertrajecten en hier gaan we de komende jaren ook profijt van krijgen. Dit zorgt ook voor een verbeterde en meer realistische inschatting van het investeringsvolume. Dit zorgt ook voor een verbeterde balansprognose en daarmee een goede basis voor de bepaling van de solvabiliteit.
Verdere afname reservepositie Het is zaak om de prognose naar de toekomst toe goed te bewaken. Hierbij moet zeker ook rekening worden gehouden met reserves die het karakter hebben om naar de toekomst toe “leeg te lopen”. We hebben het dan over de bestemmingsreserves inclusief de reserves gekoppeld aan de dekking van kapitaallasten. Er ligt een noodzaak om in 2022 te komen tot voorstellen om naar de toekomst toe de vermogenspositie en daarmee de solvabiliteit weer op een gewenste niveau te brengen van minimaal 20%. Zoals reeds eerder vermeld zal het restant van de egalisatiereserve sociaal domein per 31-12-2021 (prognose € 10 miljoen) worden overgeheveld naar de algemene reserve. De meerjarige prognose van de solvabiliteit ziet er als volgt uit:
Solvabiliteit
Totaal vermogen
Eigen vermogen
Begroting 2022
11,9%
€ 269
€ 32
Begroting 2023
10,8%
€ 285
€ 31
Begroting 2024
10,3%
€ 295
€ 30
Begroting 2025
10,1%
€ 299
€ 30
Uitgangspunten Grafiek 1: Pas vanaf 2016 wordt er een geprognotiseerde balans opgesteld. Uitgangspunt voor de tabel is de primitieve begroting.
Kijkende naar de analyse en de wijze waarop andere gemeenten hun weerstandsvermogen bepalen dan zit daar een nadrukkelijke koppeling met de geïnventariseerde en gekwantificeerde risico’s. Op pagina 115 (tabel ‘vergelijk en voorbeelden van andere gemeenten’) zijn een aantal voorbeeldgemeenten opgenomen.
Daar waar het risicomanagement nog niet voor de volle 100% geborgd is zie je dat gemeenten er voor kiezen om het weerstandsratio omhoog te brengen naar een minimum van 1,4 of hoger. Daarnaast lijkt het logisch en wenselijk om ook de relatie te leggen met het solvabiliteitsratio.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
115
114
Dit wordt dan ook als uitgangspunt gehanteerd voor het bepalen van het minimum weerstandsvermogen en daarmee ook de minimumpositie van de algemene reserve.
Wat betekent dit? Dit betekent dat de basis risicoanalyse gekwantificeerd en vertaald gaat worden naar benodigde middelen. Het risicomanagement zal de komende jaren verder geprofessionaliseerd worden en zal steeds meer onderdeel worden van het reguliere proces. Tot die tijd wordt voorgesteld om het incidentele weerstandsratio op een minimum van 1,4 te zetten en dit jaarlijks te evalueren op basis van de risicoanalyse bij de begroting. Daarnaast wordt de koppeling gelegd met het minimum van de solvabiliteit. Hier wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente een gezonde solvabiliteit nastreeft en de norm van de solvabiliteitsratio op een minimum van 20% wordt gezet. Deze laatste zorgt er voor dat de totale vermogenspositie en daarmee de solvabiliteit goed wordt bewaakt. Forse onttrekkingen uit reserves (bestemmingsreserves) kunnen er daarmee voor zorgen dat de eigen vermogenspositie moet worden versterkt zodat de solvabiliteit boven de 20% blijft of weer op dat niveau komt. Samenvattend betekent dit dat voor het bepalen van het weerstandsvermogen en de minimumpositie van de algemene reserve de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: • Gekwantificeerde risicoanalyse • Streven naar een solvabiliteitsratio van minimaal 20% • Weerstandsratio bandbreedte 1,4 tot 2,0 (minimaal 1,4)
3. Solvabiliteitsratio op basis van prognose meerjarig verloop reservepositie Een gezonde vermogenspositie komt ook tot uitdrukking in de solvabiliteitsratio. Daalt deze onder de 20% dan is er een onvoldoende vermogenspositie. Het is dan zaak om het eigen vermogen (de algemene reserve) op termijn weer op het niveau van minimaal 20% te brengen.
Vanuit provinciaal toezicht zijn een reëel structureel sluitende meerjarenraming en een afdoende weerstandsvermogen de belangrijkste meetpunten om te komen tot de toezichtsvorm op de begroting. De solvabiliteit is vooralsnog geen meetpunt voor de provincie in het beoordelen van de toezichtsvorm. Naar verwachting zal dit naar de toekomst toe wel veranderen.
Minimaal twee keer per jaar, bij de begroting en jaarrekening, wordt de solvabiliteit berekend en wordt op basis van geprognotiseerde onttrekkingen uit reserves (bestemmingsreserves en de algemene reserve) meerjarig in beeld gebracht wat het effect is op de solvabiliteit zodat hier tijdig op kan worden geanticipeerd.
Basis is begroting 2021
Conclusie tevens voorstel voor het bepalen minimum positie algemene reserve Gezien het bovenstaande is het voorstel om het bepalen van de minimumpositie van de algemene reserve en het weerstandsvermogen te koppelen aan de volgende uitgangspunten: • Gekwantificeerde risicoanalyse • Streven naar een solvabiliteitsratio van 20% Er zijn weinig gemeenten die ook een structureel weerstandsvermogen hanteren. Dit omdat de BBV qua structurele financiële positie al strenge uitgangspunten hanteert, waardoor je verplicht bent een structureel sluitende begroting te presenteren. Op het moment dat een gemeente geen sluitende begroting presenteert, moet een gemeente maatregelen nemen. Dat kan door te bezuinigen aan de uitgavenkant of inkomstenverhogende maatregelen te nemen zoals het verhogen van belastingen. Hiervoor kan dan mogelijk de ongebruikte belastingcapaciteit voor worden ingezet. Voorstel is om enkel en alleen nog te werken met een incidenteel weerstandsvermogen en de ongebruikte belastingcapaciteit wel jaarlijks in beeld te brengen en dit onderdeel te laten zijn van de paragraaf lokale heffingen.
Vergelijk en voorbeelden andere gemeenten
Gemeente Aantal inwoners
Uitgangspunten
Begrotingstotaal
Reserves weerstandscapaciteit
Risicobedrag
Weerstandsratio
Solvabiliteitsratio
Venlo (102.000)
Risicomanagement Bandbreedte weerstandsratio 1,4 – 2,0
± € 435 milj.
€ 82 milj.
€ 40 milj.
2,09
23%
Deurne (32.000)
Weerstandsratio 1 10% begrotingsuitgaven
± € 120 milj.
€ 18,9 milj.
€ 6,9 milj.
2,7
32%
Helmond (92.600)
Risicomanagement Ratio weerstandsvermogen minimaal 1,5
± € 524 milj.
€ 107 milj.
€ 50,5 milj.
2,17
41,1%
Weert (50.017)
Risicomanagement Ratio minimaal 1
± € 240 milj.
€ 35,4 milj.
€ 24,1 milj.
1,47
30,6%
Peel en Maas (± 43.300)
Weerstandsratio groter dan 1 Gekwantificeerde belangrijkste risico’s
± € 100 milj.
€ 8.3 milj.
€ 6,2 milj.
1,4
24%
Leudal (± 35.900)
Risicomanagement als basis Ideale bandbreedte 1,2 en 1,6 Weerstandvermogen bepaald op basis van algemene reserve (AR)
± € 96 milj.
€ 7 milj. (AR € 4,3 milj.)
€ 5,3 milj.
0,78
38%
Kerkrade (± 45.368)
Risicoanalyse
± € 217 milj.
€ 8,6 milj.
€ 7,6 milj.
1,1
10,2%
Maasgouw (23.947)
Risico-inventarisatie Signaleringsfunctie bij een ratio van 8 en een minimum van 4
± € 110 milj.
€ 18,8 milj.
€ 1,5 milj.
12,4
35,9%
SittardGeleen (± 91.724)
Geïnventariseerde en gekwantificeerde risico’s; Weerstandsratio 1
± € 337 milj.
€ 12,8 milj.
€ 12,8 milj.
1
10%
Venray (± 43.706)
Risicomanagement Weerstandsratio van minimaal 1 Minimale streefwaarde weerstandscapaciteit € 12 miljoen
± € 165 milj.
€ 20 milj.
€ 9,0 milj.
2,22
21%
Horst a/d Maas (± 42.497)
Risico-inventarisatie Ratio van minimaal 1
± € 122 milj.
€ 8,1 milj.
€ 9,3 milj.
0,87
21%
Roermond * (± 58.800)
GUN norm en risico’s grondexploitatie
± € 243 milj.
± € 26,3 milj.
€ 1,3 milj
20,2
18%
Toezichthouder van de Provincie
In het kader van het financieel verdiepingsonderzoek heeft er in augustus een gesprek plaatsgevonden met de nieuwe gedeputeerde en de toezichthouder van de Provincie Limburg. Samenvattende cijfers Op basis van het concept rapport werden een aantal belangrijke 1. Risicoanalyse inclusief sociaal domein aandachtspunten besproken: Het benodigde weerstandsvermogen vanuit • Het presenteren van een reëel en structureel sluitende de risicoanalyse komt op afgerond meerjarenraming € 8,8 miljoen (pagina 119). • De afnemende solvabiliteitspositie 2. Effect weerstandsratio bandbreedte • Het weerstandsvermogen en daarmee samenhangend de 1,4 – 2,0 (minimaal 1,4 – maximaal 2,0) hoogte van de algemene reserve. Vanwege het feit dat de risicoanalyse een momentopname is en het risicomanagement De provincie gaf aan dat de dalende solvabiliteit als gevolg van het inzetten van incidentele dekkingsmiddelen zorgen nog niet volledig is geborgd, is het zaak baart. Naast een reëel sluitende meerjarenraming is een om hier via de ratio een extra buffer op te goed weerstandsvermogen dan ook van groot belang. De nemen. Uitgaande van een minimum weerstandsratio dalende solvabiliteit is des te meer een aanleiding om van een weerstandsratio van minimaal 1, 4 en maximaal 2,0 uit te gaan en ter hoogte van 1,4 komt het benodigde ook de relatie te leggen met de solvabiliteitsratio.
weerstandsvermogen op ongeveer € 12,3 miljoen.
Tabel 3
*Roermond wijkt in de overzicht qua uitgangspunten nog af van de overige gemeenten. De waarde van het ratio weerstandsvermogen is gebaseerd op onvolledige risicoanalyse. Voor de begroting 2022 is hier een eerste aanzet in gemaakt om een verbetering aan te brengen. Daarmee wordt ook aansluiting gezocht bij de werkwijze zoals deze landelijk bijna overal is ingeburgerd.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
117
116
Solvabiliteit vergelijk landelijk en provinciaal Solvabiliteit Landelijk ligt de solvabiliteit (basis 2019) op een gemiddelde van ruim 33%. Voor de provincie Limburg lag in 2019 het gemiddelde op 29,6%. Voor Roermond op 26,3%. Op de volgende pagina zie je het verloop van de solvabiliteit voor de jaren 2013 t/m 2019 landelijk en provinciaal in vergelijking met Roermond.
Solvabiliteit Roermond vergeleken met Limburg Vergeleken met de landelijke tendens daalt de solvabiliteit vele malen sterker. Binnen Limburg daalt de solvabiliteit breed erg sterk. De daling zet voor Roermond verder door. In de begroting 2022 daalt deze tot ver onder het gewenste minimumniveau van 20% naar een niveau van 11,9%.
Solvabiliteit Roermond vergeleken met Nederland
Relatie solvabiliteit, weerstandsratio en belastingcapaciteit De solvabiliteit en de weerstandscapaciteit staat onder druk en zal naar de toekomst toe verder onderdruk komen te staan. Hier tegenover staat echter dat de onbenutte OZB capaciteit in vergelijk met Limburgse
Onbenutte OZB capaciteit **
Onbenutte OZB capaciteit
Roermond
1,7%
Nederland
1,8%
Limburg
0,5%
gemeenten hoog is. Landelijk zit Roermond echter iets onder het gemiddelde. Hieronder een vergelijk van de lastendruk en de OZB capaciteit van Roermond met die van Limburg en Nederland:
Woonlasten ***
Roermond
Nederland
Limburg
éénpersoonshuishouden
728
733
766
meerpersoonshuishouden
728
810
834
*** naast OZB maken ook de afvalstoffenheffing en de rioolheffing onderdeel uit van de gemiddelde woonlasten.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
119
118
Onderbouwingen De totale woonlasten van Roermond zijn laag vergeleken met het gemiddelde van Limburg en voor wat betreft meerpersoonshuishoudens ook laag landelijk gezien. Daar waar we te maken hebben met een solvabiliteit en reservepositie die onder druk staat, zit er de belastingcapaciteit nog steeds (structurele) ruimte om mogelijke tegenvallers op te kunnen vangen.
Inventarisatie weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen die kunnen worden ingezet om financiële tegenvallers op te vangen. Naast de reserves, waaronder de algemene reserve, zijn dit onder andere de onbenutte belastingcapaciteit en de vrije begrotingsruimte. Bij de berekening van de weerstandscapaciteit kan onderscheid worden gemaakt tussen incidentele en structurele weerstandscapaciteit.
Met incidentele weerstandscapaciteit wordt bedoeld het vermogen om calamiteiten en andere eenmalige tegenvallers op te kunnen ** De onbenutte belastingcapaciteit is de ruimte vangen zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van de die de gemeente binnen het zogenaamde uitvoering van gemeentelijke taken en gemeentelijk beleid. belastingpakket (ozb, rioolheffing en Tot de incidentele weerstandscapaciteit kunnen worden gerekend: afvalstoffenheffing) heeft om voor de norm 1. Algemene reserve voor toelating van een zogenoemde artikel 12 2. De bestemmingsreserves waar nog geen ‘harde’ aanvraag bij het gemeentefonds in aanmerking verplichtingen aan ten grondslag liggen te kunnen komen. Dit laatste betekent (voor 3. Stille reserves 2021) concreet dat afvalstoffenheffing en 4. Incidentele begrotingsruimte rioolheffing kostendekkend moeten zijn en dat het gewogen gemiddelde ozb-tarief In het (nieuwe) Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (van woningen en niet-woningen) ten minste 2020, dat de colleges van Gedeputeerde Staten gebruiken voor 0,1809 procent van de WOZ-waarde moet het financieel toezicht op de gemeenten vanaf het begrotingsjaar bedragen. Niet-kostendekkende tarieven voor 2020, is opgenomen dat bestemmingsreserves niet worden riool en reiniging zijn alleen toegestaan voor gekwalificeerd als incidentele weerstandscapaciteit.
Een zover deze door een hoger ozb-tarief worden belangrijk deel van de bestemmingsreserves van onze gemeente gecompenseerd. bestaat uit de reserves Sociaal Domein. Deze reserves zijn van 2019 tot en met 2021 ingezet voor dekking van de (incidentele) tekorten voor een periode van 3 jaar. Doordat per 1-1-2022 er geen sprake meer is van een raadskader sociaal domein, wordt het resterende deel van de reserve sociaal domein toegevoegd aan de algemene reserve. De betekenis die stille reserves (nota stille reserves 2015) hebben voor de gemeentelijke weerstandscapaciteit blijkt in de praktijk beperkt en zijn daarom, conform de gedragslijn van afgelopen jaren, ‘PM’ opgenomen in onderstaand overzicht. Stille reserves komen vooral voor in gemeentelijk onroerend goed. Staand beleid is dat onroerend goed, zodra dit niet meer noodzakelijk is voor de gemeentelijke bedrijfsvoering of voor de uitvoering van gemeentelijke taken, wordt afgestoten. Structurele weerstandscapaciteit Er zijn weinig gemeenten die ook een structureel weerstandsvermogen hanteren. Dit omdat de BBV met betrekking tot de structurele financiële positie al strenge uitgangspunten hanteert, waardoor je verplicht bent een structureel sluitende begroting te presenteren. Op het moment dat een gemeente geen sluitende begroting presenteert, moet een gemeente maatregelen nemen.
Dat kan door te bezuinigen aan de uitgavenkant of inkomstenverhogende maatregelen te nemen zoals het verhogen van belastingen. Hiervoor kan dan mogelijk de ongebruikte belastingcapaciteit voor worden ingezet. Voorstel is om enkel en alleen nog te werken met een incidenteel weerstandsvermogen en de ongebruikte belastingcapaciteit wel jaarlijks in beeld te brengen en dit onderdeel te laten zijn van de paragraaf lokale heffingen.
Weerstandscapaciteit
Omschrijving (bedragen x € 1.000)
Begroting 2022
Begroting 2023
Begroting 2024
Begroting 2025
15.611
15.049
15.049
15.049
15.611
15.049
15.049
15.049
Weerstandscapaciteit: Algemene reserve (na overheveling reserve sociaal domein) Totaal weerstandscapaciteit
Inventarisatie van risico’s Tegenover de weerstandscapaciteit staat een aantal risico’s, die niet (geheel) gedekt zijn en van substantieel belang (kunnen) zijn om de financiële positie van de gemeente (meerjarig) te kunnen beoordelen. In onderstaand overzicht worden de belangrijkste risico’s naar categorie samengevat. Verderop in deze paragraaf zijn deze risico’s toegelicht.
Bij de bepaling van de omvang van het risico is rekening gehouden met de frequentie dat het risico zich voordoet (jaarlijks, 5 of 10 jaarlijks). Naarmate een risico vaker optreedt, weegt het risico zwaarder. Hierdoor kan de omvang van het risico in onderstaande tabel afwijken van de bedragen genoemd in de toelichting. Reguliere risico’s, waarvoor verzekeringen zijn afgesloten of voorzieningen zijn gevormd, maken geen onderdeel uit van de risico-inventarisatie.
Omschrijving risico’s (bedragen x € 1.000)
Incidenteel
Structureel
Corona pandemie
PM
PM
Grond(exploitatie)
789
415
Sociaal Domein
4.930
Taakstellingen en organisatie
1.625
Overige risico’s
187
895
Totaal
977
7.865
Totaal incidenteel + structureel
8.841
Minimaal benodigd weerstandsvermogen (ratio 1,4)
12.378
Bij het bepalen van de totaal benodigde weerstandscapaciteit worden de incidentele en structurele risico’s bij elkaar opgeteld. Structurele risico’s kunnen mogelijk leiden tot meerjarige tekorten. Deze moeten dan ook structureel worden opgelost. In het jaar dat ze zich voor doen zul je dit incidenteel moeten opvangen totdat er besloten is tot structurele oplossingen.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
121
120
Thema Groene Stad
Conclusie ratio weerstandsvermogen Zoals eerder aangegeven, gaat het bij het weerstandsvermogen om de robuustheid van de financiële positie. Om hier goed inzicht in te krijgen, is hierboven de samenstelling van de beschikbare en benodigde weerstandscapaciteit (onderverdeeld in incidentele en structurele componenten) opgenomen. Incidentele risico’s
zijn risico’s die een eenmalige last tot gevolg kunnen hebben. Ter dekking hiervan kan een beroep worden gedaan op de algemene reserves. Structurele risico’s kunnen leiden tot meerjarige lasten en raken daarmee het begrotingsevenwicht. De verhouding tussen de beschikbare en de benodigde weerstandscapaciteit geeft inzicht in het gemeentelijk weerstandsvermogen. Het minimaal benodigde weerstandsvermogen komt daar mee op € 12,3 miljoen.
Omschrijving (bedragen in miljoenen euro’s) Beschikbare weerstandscapaciteit
15,6
Benodigde weerstandscapaciteit op basis van risicoprofiel
8,8
Ratio weerstandsvermogen Begroting 2022
1,8
Normeringstabel NAR en Universiteit Twente t.b.v. het weerstandsvermogen: >2,0 Uitstekend, 1,4 <2,0 Ruim voldoende, 1,0 < 1,4, Voldoende, 0,8 < 1,0 Matig, 0,6 < 0,8 Onvoldoende en <0,6 Ruim onvoldoende.
Uitgaande van een minimaal gewenste ratio van 1,4 en een maximum van 2,0 (verhouding beschikbare en benodigde weerstandscapaciteit) blijkt uit bovenstaande tabel dat het incidentele
weerstandsvermogen van 1,8 op dit moment valt binnen de bandbreedte van de categorie ruim voldoend. Deze is dus afdoende om de risico’s af te dekken, op basis van de normeringstabel van de NAR en Universiteit Twente wordt deze als ruim voldoende te omschrijven.
Toelichting op de risico’s Algemeen
Thema Roermond voor iedereen
In de inleiding van deze paragraaf hebben wij al aangegeven dat de Corona pandemie grote onzekerheid en daarmee ook een belangrijke risico’s voor de financiële positie van de gemeente met zich meebrengt. De gemeenteraad heeft in de vergadering van 28 mei 2020 besloten een bedrag van € 5 miljoen te reserveren (Coronafonds), bedoeld voor de volgende doeleinden: ondersteuning inrichten 1,5 m samenleving, ondersteuning maatschappelijke organisaties (noodfonds) en opvangen tekorten binnen de begroting. Een voorstel over het beëindigen van het coronafonds en de middelen gebruiken voor een herstelfonds is in voorbereiding. Na de vaststelling van de begroting 2022 is de prognose van het saldo van het coronafonds afgerond € 1,8 miljoen.
Programma’s 1 Zorgzame gemeente; 2 Inclusieve samenleving; 3 Goed onderwijs Programma 1 Zorgzame gemeente - Sociaal domein Per 1 januari 2015 zijn door decentralisaties van de WMO, Jeugdzorg en Participatie nieuwe taken bij de gemeente belegd. Na de transitie in 2015 is het transformatieproces gestart. Dit proces loopt nog steeds door. De prognoses uit de midterm review en de kwartaalrapportage van het 2e kwartaal 2021 laten zien dat, bij ongewijzigde omstandigheden, het vanaf 2022 mogelijk is binnen het raadskader te blijven. Vanaf 2022 wordt het raadskader beëindigd en wordt de egalisatiereserve sociaal domein toegevoegd aan de algemene reserve. Er zijn echter ook nog behoorlijke onzekerheden (risico’s) die het eindresultaat kunnen beïnvloeden. In de begroting 2022 wordt ervan uitgegaan dat de incidentele extra middelen voor de jeugdzorg, die voor de jaren 2019 tot en met 2021 aan het gemeentefonds zijn toegevoegd, een structureel karakter zullen krijgen en zijn als stelpost opgenomen. Dit is de lijn die Gedeputeerde Staten ook hanteren bij de uitoefening van het begrotingstoezicht. Pas na de vorming van het nieuwe kabinet zal hierover een besluit worden genomen en zal definitief duidelijk worden hoeveel Roermond extra toegewezen krijgt m.b.t. de Jeugdzorg. Daarnaast zal in de loop van het jaar inzichtelijk worden wat dit ook gaat betekenen voor de hervormingsagenda
en de maatregelen die daar uit voortvloeien. Uiteindelijk zal duidelijk worden of dat hier ruimte overblijft die uiteindelijk incidenteel dan wel structureel aan de reguliere exploitatie kan worden toegevoegd. Daarnaast kunnen de gevolgen van de Corona crisis aanmerkelijke impact hebben op de uitgaven binnen het sociaal domein. Bij de kwantificering van de risico’s zijn we uitgegaan van een risico van 20% van de incidentele extra gelden voor de jeugdzorg (ca. € 1,1 miljoen) die in de begroting zijn opgenomen als algemeen dekkingsmiddel.
Open eind regelingen sociaal domein Daarnaast hebben we in het sociaal domein hebben we te maken met ongeveer € 70 miljoen aan open eind regelingen en € 15 miljoen aan verbonden partijen (Westrom,Omnibuzz en Veiligheidsregio). Dit is inclusief (€ 10,2 miljoen) WSW die aan de Westrom wordt verstrekt. Deze regelingen zijn ingedeeld in hoog, midden en laag risico. Voor de risicoanalyse ten aanzien van het sociaal domein, is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: 1. 10% van de open eind budgetten wordt aangemerkt als risico. 1. Indien een risico zich voordoet is naar verwachting langer dan een jaar nodig om maatregelen te effectueren om dit risico af te dekken. Vanuit deze opbouw houden we rekening met een risicobedrag ter hoogte van ruim € 6,9 miljoen (= € 4,7 miljoen vermenigvuldigd met de factor 1,4). Dit is inclusief het onderdeel jeugdzorg. Programma 3 Goed onderwijs - Onderwijshuisvesting De gemeenteraad heeft ingestemd met een Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs. Het IHP vormt het strategisch beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 2020-2040 en bestaat uit een uitvoeringsagenda voor de komende 5 jaar en een doorkijk tot 20 jaar. Het IHP wordt elke 4 á 5 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment. Het IHP is door de gemeenteraad vastgesteld op 4 juni 2020.
In de begroting 2020-2023 zijn middelen opgenomen voor de uitvoering van het IHP. Het uitvoeringsplan leidt tot een additionele budgetbehoefte aan kapitaallasten vanaf het begrotingsjaar 2022. Daarnaast vindt er nog een haalbaarheidsonderzoek plaats naar de revitalisatie van de locatie Jagerstraat 2. Voor de uitvoering van dit project is in de voorliggende meerjarenbegroting rekening gehouden met de kapitaallasten van een investering van € 3 miljoen. De projecten uit het uitvoeringsprogramma worden op basis van haalbaarheidsstudies nader geconcretiseerd. Daaruit moet blijken in hoeverre deze passen binnen het investeringskader. Uitgangspunt daarbij is dat eventuele afwaarderingen van de huidige gebouwen daar onderdeel van uit maken. Vanuit dit perspectief is het maximale risico van € 1,1 miljoen op afwaarderingen, zoals eerder in de begroting 2020 werd opgenomen, afgedekt.
Programma’s; 4 Kansen voor klimaat; 5 Goede leefomgeving Programma 4 Kansen voor klimaat Programma Aanpak Stikstof Het PAS (Programma Aanpak Stikstof) vormt de basis voor het verlenen van natuurvergunningen voor activiteiten die stikstof uitstoten en daarmee schadelijk kunnen zijn voor natuurgebieden. Het PAS biedt ruimte om de extra stikstofuitstoot vooraf te compenseren met reducerende maatregelen. Door de recente uitspraak van de Raad van State mag het PAS niet langer worden gebruikt als basis voor het verlenen van vergunningen voor activiteiten die belastend kunnen zijn voor natuurgebieden. Binnen de gemeente is een taskforce aan het werk om impact en gevolgen voor de gemeentelijke projecten in beeld te brengen. Ook de impact en gevolgen voor projecten in uitvoering binnen de openbare ruimte (wegen, riolering, parken, bruggen etc.) worden hierbij nadrukkelijk betrokken. Dit omdat ook de stikstof uitstoot tijdens de uitvoering van deze projecten in beeld moet worden gebracht op mogelijke gevolgen voor omliggende natuurgebieden. Momenteel worden voor verschillende projecten deze stikstof uitstoot berekeningen uitgevoerd of ingepland. Voor meerdere projecten in uitvoering alsmede projecten in voorbereiding heeft dit invloed op tijd, capaciteit en op onderzoekskosten. Op dit moment zijn de risico’s nog niet kwantificeerbaar.
Programma 5 Goede leefomgeving Invoering Omgevingswet Op 12 maart 2019 heeft uw raad de programmaopdracht ‘Invoering Omgevingswet Roermond’ vastgesteld. Deze programma-opdracht is een verdere uitwerking van een in 2017 vastgesteld plan van aanpak, gericht op implementatie van de Omgevingswet. Vanuit de gemeenteraad is een begeleidingsgroep ingesteld. De invoeringsdatum van de Omgevingswet is nu voorzien op 1 januari 2022. Het implementatietraject verloopt volgens 5 programmalijnen: 1. De instrumenten; 2. ‘Change’ 3. Processen; 4. Digitalisering en ICT en 5. Organisatie. In het programma zijn (eenmalig) middelen voorzien voor 2019 en 2020 om te komen tot de implementatie van de Omgevingswet.
PROGR AMMABEGROTING 2022
GEMEENTE ROERMOND
123
122
Thema Dynamische Stad Er zijn echter nog twee risico’s die mogelijk structureel kunnen doorwerken. a. Legesinkomsten Naar verwachting kunnen meer bouwwerken vergunningsvrij of middels algemene regels gerealiseerd worden. Dit heeft dan gevolgen voor de legesinkomsten van de gemeente. Dit wordt in het kader van de uitwerking van het programma verder onderzocht, zodat bij de begroting 2022 een prognose kan worden gemaakt voor de structurele doorwerking. b. Personele kosten De Omgevingswet vraagt competenties van medewerkers die wellicht kunnen leiden tot een aanpassing van functies, hetgeen financiële consequenties kan hebben. Dit dient in relatie gebracht te worden met het verminderen van het aantal aanvragen voor een vergunning. De nog te maken en keuzes en de besluitvorming hierover zal bepalen welke mogelijke risico’s we lopen. Dit is nu nog niet kwantificeerbaar.
Programma’s; 6 Toekomstbestendige stad; 7 Ruimte en Wonen; 8 Levendige Stad; 9 Veilige Stad Programma 7 Ruimte en Wonen - Grondexploitaties Grondexploitaties kenmerken zich door het feit dat in een vroeg stadium investeringen worden gedaan, waarbij inkomsten en dus de dekking van de exploitatie – soms – veel later kunnen worden ingeboekt. Grondexploitaties zijn per definitie meerjarig en zijn daarmee risicovol. Conform de Nota Grondbeleid 2016 voert de gemeente Roermond over het algemeen een faciliterend grondbeleid. Dit betekent dat de realisering van projecten wordt overgelaten aan marktpartijen die ook de financiële risico’s dragen. Overeenkomstig de in de nota Grondbeleid Gemeente Roermond 2016 opgenomen uitgangspunten, is voor de begroting 2021 het weerstandsvermogen voor de grondexploitaties bepaald en op basis daarvan kan het risico op € 415.000 worden gesteld. Kortheidshalve wordt ook verwezen naar paragraaf 7 Grondbeleid.
Overige gronden In 2010 is een perceel gemeentegrond nabij de parkeergarage Stationspark geleverd aan een ontwikkelaar voor de realisatie van een kantoorcomplex. Dit perceel is geleverd op basis van een zogenaamde Groningerakte: levering met uitgestelde betaling. De koopsom bedroeg € 1.214.000. Tot het moment van betaling Programma 5 Goede leefomgeving van de koopsom is de ontwikkelaar jaarlijks een rentevergoeding Beheerplannen verschuldigd. De opbrengsten zijn oorspronkelijk gestort in de Op 14 juli 2017 heeft u de Kadernota Beheer reserve Bereikbaarheid NS Station Oost. Wij hebben deze gelden en de onderliggende beheerplannen (op enkele overgeheveld naar de algemene reserve. Het mogelijke risico na) vastgesteld en de daarvoor benodigde van het niet ontvangen van de koopsom (onder gelijktijdige terug middelen structureel in de begroting opgenomen. levering van de grond) beschouwen we als een risico waarvoor de Vervolgens zijn in de begroting 2019 de middelen algemene reserve kan worden aangesproken. opgenomen voor de ontbrekende beheerplannen Havens en waterpartijen, Verkeersvoorzieningen Vastgoed en Civieltechnische kunstwerken. Daarmee In 2017 heeft de gemeenteraad een geactualiseerd beheerplan is voorzien in de structurele dekking van alle onderhoud gemeentelijke gebouwen vastgesteld. Op basis van dit beheerplannen.
beheerplan werd de jaarlijkse storting in de voorziening bepaald op basis van een ingroeivariant. In de notitie Materiële vaste De aanbesteding van de meerjarige activa van de commissie BBV is aangegeven, dat de jaarlijkse onderhoudscontracten heeft plaatsgevonden storting in een onderhoudsvoorziening gelijkmatig over de looptijd in een periode van economische recessie. van het plan moet worden verdeeld. Het beheerplan is in 2021 Sommige van deze onderhoudscontracten lopen geactualiseerd. Is aan de hand van het geactualiseerde plan is binnen afzienbare periode af. ook de nieuwe jaarlijkse storting in de voorziening bepaald. Op De verwachting is dat de nieuwe basis van het huidige beheerplan moet de komende jaren de onderhoudscontracten een hoger budget jaarlijkse storting verhoogd worden met circa € 450.000. Hier is vergen dan de huidige. Bij de vaststelling van de inmiddels in de begroting rekening mee gehouden. Daarmee komt begroting 2021 is daarom rekening gehouden dit risico te vervallen. met een (structureel) bedrag van € 1 miljoen aan autonome ontwikkeling. In het jaar 2022 is een In het bovengenoemde beheerplan is het groot onderhoud van de herijking van de beheersplannen voorzien. parkeergarages die eigendom zijn van de gemeente (nog) niet meegenomen. De jaarlijkse kosten zijn becijferd op € 77.000.