Bijlage 3 - toelichting en regels bestemmingsplan Woonboten Donkernack Roermond
Tekst van het document
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
Hoofdstuk 4
53
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Risicokaart Op de risicokaart zijn de risicovolle activiteiten in beeld gebracht.
Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauwe pijl)
Toetsing Mede aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie uitgevoerd naar de mogelijke activiteiten met gevaarlijke stoffen.7 Deze quickscan is als bijlage 5 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. De risico’s zijn gelegen in transport van gevaarlijke stoffen over de N280 en het spoorwegemplacement op circa 1,2 km ten zuidoosten van het plangebied. Buisleidingen zijn ver genoeg van het plangebied gelegen en de woonboten liggen dan ook niet in het invloedsgebied van deze leidingen.
7
Econsultancy, Onderzoek externe veiligheid legaliseren woonboten Donckernack te Roermond, Rapportnummer 15255.005, d.d. 29 juni 2021
Hoofdstuk 4
54
Calamiteiten op de N280 kunnen leiden tot het ontstaan van een BLEVE en/of toxische wolken. Calamiteiten bij het spoorwegemplacement kunnen leiden tot toxische wolken. In verband met secundaire branden als gevolg van een BLEVE moeten bewoners het gebied ontvluchten in de noordelijke richting. In het geval van een toxisch scenario moeten ramen en deuren moeten worden gesloten, eventuele mechanische ventilatie dienen ook uitgeschakeld te worden en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Evacuatie wordt pas in gang gezet als de situatie dat toelaat. Door bewoners tijdig te waarschuwen kan het aantal slachtoffers worden beperkt. De verantwoording van het groepsrisico moet worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Advies Veiligheidsregio Bij brief van 4 januari 2022 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een advies uitgebracht.8 Dit advies is toegevoegd als bijlage 6. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. In het advies zijn de mogelijkheden tot het verbeteren van de zelfredzaamheid en het verbeteren van de bestrijdbaarheid opgenomen. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid is geconstateerd dat de bluswatervoorziening niet voldoet aan het beleid ‘Bluswater en bereikbaarheid’.
De Veiligheidsregio adviseert de bluswatervoorziening te optimaliseren door het plaatsen van een extra brandkraan langs De Weerd ter hoogte van de verbindingsweg naar de woonboot met huisnummer 48. Daarnaast wijst de Veiligheidsregio op de technische eisen die gesteld worden aan een verbindingsweg, namelijk: Een verbindingsweg heeft een minimale vrije breedte van 4,5 meter en is over een breedte van minimaal 3,25 meter verhard. Een verbindingsweg beschikt over een vrije hoogte van minimaal 4,2 meter. Een verbindingsweg is geschikt zijn voor motorvoertuigen met een massa van minimaal 14.600 kg. Verantwoordingsdocument externe veiligheid De externe veiligheidaspecten zijn nader beschreven in een verantwoordingsdocument. 9 Het verantwoordingsdocument is bijgevoegd als bijlage 7. Hierna wordt volstaan met de conclusie. De ligging van een tiental woonboten aan de Doncker Nack te Roermond wordt met dit bestemmingsplan gelegaliseerd en tegelijkertijd wordt er een ruimtelijk kader vastgelegd voor de ligging van de woonboten en het gebruik van de oever door bewoners van deze woonboten.
8
9
Veiligheidsregio Limburg-Noord, Adviesverzoek externe veiligheid bestemmingsplan Woonboten Doncker Nack Roermond, kenmerk: 2021030261, d.d. 4 januari 2022 Verantwoordingdocument externe veiligheid bestemmingsplan “Woonboten Donckernack Roermond gemeente Roermond”, d.d. 3 februari 2022
Hoofdstuk 4
55
Het plangebied ligt binnen het invloedgebied van de N280. Vanwege de ligging binnen 200 meter van de N280 is de verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. Gelet op de beperkte omvang van het groepsrisico kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Gezien de reeds lang bestaande situatie wordt er geen uitvoering gegeven aan het advies van de Veiligheidsregio Limburg Noord om de verbindingswegen te laten voldoen aan de technische eisen voor wegen voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Bovendien is de gemeente geen eigenaar van de genoemde verbindingswegen De huidige situatie met betrekking tot de toestand van de verbindingswegen naar de woonboten wordt aanvaardbaar geacht. Bovendien zijn brandweer en andere de hulpverleningsdiensten bekend met deze bestaande situatie. Om te voldoen aan het vastgestelde beleid bluswater en bereikbaarheid wordt er langs De Weerd ter plaatse van de verbindingsweg naar woonboot met huisnummer 48 een openbare brandkraan bijgeplaatst. De gemeente verstrekt aan de bewoners van de woonboten informatie met betrekking tot de risico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen over de N280 en het handelingsperspectief indien zich een calamiteit voordoet bij het vervoer van de gevaarlijke stoffen.
Ongeacht de inzet van de gemeente en hulpverleningsdiensten om de situatie zo veilig mogelijk te maken is er sprake van een restrisico. Immers de kans op een ongeval, hoe klein ook, blijft altijd aanwezig. Het restrisico is in dit geval onder déze omstandigheden, door het bijplaatsen van een openbare brandkraan en de informatieverstrekking aan de bewoners van de woonboten over de externe veiligheidsrisico’s en het daarbij behorende handelingsperspectief aanvaardbaar. Het is verantwoord om het bestemmingsplan “Woonboten Donckernack Roermond” vanuit het oogpunt van externe veiligheid vast te stellen. Conclusie De risico’s in het kader van externe veiligheid zijn beperkt. Vanwege de risico’s is in het onderzoeksrapport een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording is gericht op de mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Het aspect externe veiligheid levert in ieder geval geen belemmeringen op voor de onderhavige legalisering van de woonboten.
Hoofdstuk 4
56
4.3 Waterhuishouding Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. In een ruimtelijk plan dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen. De waterparagraaf is dan ook een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. De waterparagraaf omschrijft daarnaast de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit en omvat het wateradvies en de gemaakte afwegingen. De resultaten van de watertoets zijn hierna samengevat.10 Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 8. In de Watertoets is kort ingegaan op het waterrelevant beleid van Rijkswaterstaat, Waterschap Limburg en de gemeente Roermond. Daarnaast is ingegaan op het Besluit lozing afvalwater huishoudend (Blah). In de huidige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater en het hemelwater direct geloosd op het oppervlaktewater (Maas).
In de nieuwe situatie zal het schone hemelwater net als in de huidige situatie direct worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het huishoudelijk afvalwater mag echter niet meer worden geloosd op het oppervlaktewater. Daartoe wordt een riolering aangelegd die wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool ter hoogte van het pand gelegen aan De Weerd 52. Omdat er geen wijzigingen plaats vinden zal het aanbod van vuilwater niet wijzigen. Voor de berekening van het vuilwateraanbod, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat per dag ca. 2,5 x 120 liter = 300 liter per wooneenheid wordt geloosd. Conform de huidige situatie zijn aan de Donkernack in totaal 9 woonboten gelegen. Dit komt overeen met een aanbod van circa 2,7 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Conclusie Vanuit het oogpunt van de waterhuishouding worden geen belemmeringen verwacht.
10
Econsultancy, Watertoets Woonboten Donckerplas te Roermond, Rapportnummer 15255.001, d.d. 12 november 2021
Hoofdstuk 4
57
4.4 Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. In de vigerende beheersverordening is geen dubbelbestemming voor archeologische waarden opgenomen. Zoals vermeld in paragraaf 3.4.6 is in 2008 de Archeologieatlas vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Atlas vormt de basis voor het archeologiebeleid dat transparant is voor burgers en investeerders en verantwoord omgaat met het ondergrondse erfgoed. Op basis van de Atlas is de Beleidskaart Archeologie opgesteld. Op deze kaart wordt een onderscheid gemaakt in drie gebieden: Historische kern; Gebied met hoge archeologische verwachting; Overige gebieden.
Hoofdstuk 4
58
Beleidskaart Archeologie (kaartblad 12) met ligging plangebied (blauwe pijl)
Toetsing Het plangebied valt binnen ‘overige gebieden’. Het gebied is in het verleden onderzocht en vrijgegeven. Het is dan ook niet nodig om een dubbelbestemming voor archeologische waarden op te nemen. Conclusie De legalisering van de woonboten en bijbehorende kleine bouwwerken hebben geen gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Het aspect archeologie staat de legalisering dan ook niet in de weg.
4.5 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in een bestemmingsplan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie.
Hoofdstuk 4
59
Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De N280 / Hornerweg is ingevolge de cultuurhistorische kaart van de provincie Limburg een weg uit de periode 1806-1890. De onderhavige legalisering heeft echter geen enkele invloed op deze status. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft kortom geen negatieve gevolgen voor beschermde- en beeldbepalende elementen of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.6 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-
Hoofdstuk 4
60
gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Hoofdstuk 4
61
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Roerdal’ bevind zich op ruim 200 meter ten zuidoosten van het projectgebied. Andere nabijgelegen natuurgebieden zijn het ‘Swalmdal’ op 4,4 km, het ‘Leudal’ op 5 km, de ‘Meinweg’ op 5,8 km en het Vogelschutzgebiet ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ op 6,5 km.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de legalisatie van woonboten betreft, is de stikstofdepositie voor de gebruiksfase (verkeersbewegingen en gasverbruik) op omliggende Natura 2000-gebieden berekend.11 De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). In bijlage 2 van de rapportage is de AERIUS berekening van het projecteffect opgenomen. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Aangezien de depositie op de in Nederland gesitueerde Natura 2000-gebieden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt, wordt er voor de Duitse Natura 2000-gebieden tevens voldaan aan de grenswaarde en is aanvullende toetsing niet noodzakelijk. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de in bijlage 9 opgenomen onderzoeksrapportage.
11
Econsultancy, Onderzoek stikstofdepositie woonboten Doncker Nack De Weerd te Roermond, rapportnummer 15255.002, d.d. 23 september 2021
Hoofdstuk 4
62
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het grootste deel van het plangebied is gelegen binnen de bronsgroene landschapszone en een klein deel (meest noordelijk gelegen woonboot) valt binnen de goudgroene natuurzone. Ten oosten van het plangebied is eveneens een goudgroene natuurzone van toepassing. Feitelijk vinden er geen veranderingen plaats met betrekking tot de geldende natuur- en landschapswaarden. De kernkwaliteiten en aanwezige natuurwaarden blijven daarmee ook in de toekomstige situatie behouden. Soortenbescherming Dit bestemmingsplan is beoogd om een bestaande situatie, namelijk de aanwezigheid van een tiental woonboten, te legaliseren. Er zijn met deze legalisering geen werkzaamheden voorzien waarbij overtredingen ten aanzien van beschermde soorten te verwachten zijn. Een nader onderzoek naar soorten wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Dit bestemmingsplan voorziet niet in de kap van minimaal 10 are houtopstand of een rijbeplanting van twintig bomen. Het aspect beschermde houtopstanden vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Conclusie De deelaspecten gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden vormen geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen.
4.7 Verkeer en infrastructuur Verkeer Ondanks dat sprake is van legalisering en de verkeerbewegingen dus alle langere tijd bestaan, is de verkeersaantrekkende werking van de 10 woonboten berekend op basis van de CROW-publicatie 381 ‘toekomstbestendig parkeren’. Hierbij is uitgegaan van 10 vrijstaande koopwoningen in het ‘buitengebied’ van de gemeente Roermond (matig stedelijke gemeente). Conform de CROW-publicatie worden in totaal gemiddeld 82 verkeersbewegingen (10 * 8,2) per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag. Daarbij is ook een zware vrachtbeweging meegenomen per week (bewegingen voor bijvoorbeeld een vuilniswagen). De aanliggende wegen kunnen deze verkeersbewegingen goed verwerken. Parkeren Voor het berekenen van de parkeernorm is uitgegaan van de gemeentelijke ‘Nota parkeernormen 2021.
Hoofdstuk 4
63
Uitgaande van 10 vrijstaande koopwoningen in het ‘buitengebied’ van de gemeente Roermond (matig stedelijke gemeente) bedraagt de parkeernorm (10 * 2,2) 22 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze norm te kunnen voldoen. Om een wildgroei aan parkeren te voorkomen is het maximaal aantal parkeervoorzieningen op 3 per woonschip.
4.8 Explosieven Ondanks dat sprake is van een legalisatie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. 12 De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 10. Hierna zijn de resultaten kort samengevat. In de voor dit vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn vele feitelijke indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het projectgebied aangetroffen. Op basis van de feitelijke aanwijzingen zijn binnen het projectgebied verschillende verdachte gebieden afgebakend. Het gaat hierbij om de volgende verdachte gebieden: Verdacht gebied afwerpmunitie, 500 lb, Brits (afgeworpen) Als het gevolg van bombardementen op de Maasbrug te Roermond in 1944 kunnen binnen het projectgebied Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen in de vorm van afwerpmunitie met een gewicht van 500 lb. Binnen dit verdachte gebied kunnen deze Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen tot maximaal 1,50m-MV (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel 15,80m-NAP.
Verdacht gebied geschutmunitie, maximaal 15 cm, Duits (achtergelaten) Als het gevolg van langdurige artilleriebeschietingen op en op de omgeving van het projectgebied in de periode mid-november 1944 – eind februari 1945 kunnen binnen het projectgebied Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen in de vorm van verschoten geschutmunitie met een maximaal kaliber van 15 cm. Binnen dit verdachte gebied kunnen deze Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen tot maximaal 1,00m-MV (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel 16,30m-NAP. Verdacht gebied klein-kalibermunitie, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers (achtergelaten) Binnen het projectgebied zijn op het luchtfotomateriaal verschillende loopgraven en een wapenopstelling waargenomen. Ter plaatse van deze stellingen en loopgraven zijn mogelijk Ontplofbare Oorlogsresten in de vorm van klein-kalibermunitie, hand- en geweergranaten en (munitie voor) granaatwerpers achtergebleven. Dergelijke Ontplofbare Oorlogsresten kunnen worden aangetroffen tot een diepte van maximaal 2,50m-MV (bodem stelling/loopgraaf), ofwel 14,80m-NAP. Tevens geldt voor het gehele projectgebied een achtergrondrisico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten als het gevolg van het plaatsvinden van schermutselingen tussen patrouilles, militaire aanwezigheid en grondgevechten binnen en in de directe omgeving van het projectgebied.
12
BeoBom, Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, Documentcode BB21-054-VO-01, d.d. 16 juli 2021
Hoofdstuk 4
64
Uit het vooronderzoek is gebleken dat een groot deel, zo niet het geheel van het projectgebied, in de jaren 1950-1960 ontgraven is ten behoeve van grindwinning. De exacte omvang van de ontgraving is niet bekend, doch is indicatief ingetekend op de bodembelastingkaart op basis van historisch topografisch kaartmateriaal. Tevens is de exacte diepte van de ontgravingen niet bekend. Gesteld kan worden dat, indien een locatie binnen het projectgebied is ontgraven tot minstens 1,50m-MV, dat eventueel aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten verwijderd zijn. Advies Binnen het projectgebied is sprake van diverse verdachte gebieden. Voorafgaande aan de voorgenomen werkzaamheden adviseert BeoBOM aanvullende maatregelen te treffen: Indien mogelijk: het in kaart brengen van de exacte omvang en diepte van de ontgravingen om te bepalen waar het verdachte gebied eventueel niet in zijn geheel is ontgraven; Het laten uitvoeren van een opsporingsproces als beschreven in het CS-OOO ter plaatse van de verschillende verdachte gebieden, daar waar deze niet ontgraven zijn.
Hoofdstuk 4
65
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Feitelijke planopzet Dit bestemmingsplan is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels en toelichting. Het plangebied wordt geregeld door middel van het toekennen van passende bestemmingen voor de gronden waar de woningen en bijbehorende functies zijn toegestaan.
5.2 Juridische planopzet 5.2.1 Verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. Als ondergrond voor de verbeelding is een uitsnede van de GBKN gebruikt d.d. 24-11-2017. 5.2.2 Planregels De gemeente Roermond kent voor woonboten geen specifieke regeling. Derhalve zijn voor het gebruik en het bouwen regels op maat gemaakt. Voor wat betreft de dubbelbestemming is aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen. Onderstaand worden de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen kort toegelicht. Groen - Oevergebruik De voor 'Groen - Oevergebruik' aangewezen gronden zijn bestemd voor oevergebruik ten behoeve van de woonschepen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met daaraan ondergeschikt speelvoorzieningen, wegen en paden, parkeervoorzieningen ten behoeve van de woonschepen met een maximum van 3 parkeervoorzieningen per woonschip, bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonschepen en nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming zijn bouw- en gebruiksregels opgenomen. Bestaande bebouwing (alsmede vervanging in het kader van beheer en onderhoud), zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels ‘Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023', mag blijven bestaan, maar indien bebouwing wordt verwijderd mag deze niet meer teruggebouwd worden.
Water – Wonen De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, infiltratie- en bergingsvoorzieningen, beroepsvaart, recreatief medegebruik, waaronder voor plezier-/recreatievaart met gemotoriseerde vaartuigen en daarbij behorende voorzieningen, maximaal 1 woonschip per woonschepenligplaats (10 ligplaatsen), groenvoorzieningen met de daarbij behorende oevers, taluds en (onderhouds)paden.
Hoofdstuk 5
66
Binnen deze bestemming zijn bouw- en gebruiksregels opgenomen. Bestaande woonschepen en daarbij behorende bouwwerken zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels ‘Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023’, mogen blijven bestaan, maar er wordt wel gestreefd naar bebouwing die past binnen de gestelde bouwregels. Bij vervanging dient het woonschip dan ook te voldoen aan de bouwregels. Dit geldt niet voor het tijdelijk verplaatsen in het kader van beheer en onderhoud, mits de woonboot bij terugkomst wel nog voldoet aan de maatvoering, ligging en gebruik ingevolge voormeld opnamerapport. Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en behoud van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed. Ter plaatse mag in beginsel niet worden gebouwd, tenzij op grond van artikel 6.5 Waterwet een vergunning verleend kan worden. Daarnaast is een afwijking van de bouwregels opgenomen. Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden geldt een vergunningplicht.
Hoofdstuk 5
67
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien: Het kostenverhaal anderszins is verzekerd, en Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is of Eén van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van toepassing is, te weten: o Het totaal der wettelijk te verhalen exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000,-; of o Er geen verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening aan de orde zijn; of o De verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op de nutsvoorzieningen betreffen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de legalisering van de reeds tientallen jaren gelegen woonboten aan de Donkernack mogelijk. Onderhavig bestemmingsplan heeft voornamelijk een conserverend karakter en maakt geen ontwikkelingen mogelijk die tot verhaalbare kosten voor de gemeente kunnen leiden.
De bouwmogelijkheden die op basis van het bestemmingsplan worden toegestaan zijn zeer beperkt en hebben betrekking op incidentele en zeer bescheiden uitbreidingen van woonschepen of bijgebouwen die volledig kunnen geschieden op basis van particulier initiatief. Aangezien het bestemmingsplan bestaande rechten en gevestigde belangen grotendeels respecteert zijn ook geen kosten aan de orde in termen van schadeloosstellingen. De gemeente Roermond heeft op de gemeentelijke begroting financiële middelen gereserveerd voor de plankosten die dienen ter legalisering van de woonschepen en de aanleg/aansluiting van de woonschepen op de riolering.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Inspraak en vooroverleg Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een inspraakprocedure en vooroverleg gevoerd.
Hoofdstuk 6
68
Resultaten vooroverleg Het voorontwerp bestemmingsplan is op 26 februari 2022 voorgelegd aan de vooroverlegpartners. Gedurende 2 weken (t/m 9 februari 2022) is de gelegenheid geboden een reactie af te geven. Gedurende deze periode zijn de navolgende reacties ingekomen. Provincie Limburg De Provincie Limburg merkt op dat de locatie gelegen is binnen de Bronsgroene landschapszone. De kernkwaliteiten laten op dit moment te wensen over. Er is thans sprake van een verrommelde en onsamenhangende zone die zeker een opwaardering kan gebruiken. De provincie ziet een kans om het gebied op te waarderen middels het aanbrengen van een meer uniforme ontsluiting en landschappelijke beplanting. Idealiter wordt te zijner tijd met eigenaren / bewoners een beeldkwaliteitsplan of inrichtingsplan opgesteld. Een klein deel van het plangebied valt binnen de goudgroene natuurzone. Toenemende activiteiten en uitstralende effecten van geluid of licht op de natuur zijn niet gewenst. De provincie verzoekt de gemeente dit bespreekbaar te maken met de eigenaren / bewoners en verzoekt tevens de natuurwaarden wat nader te beschrijven. De provincie is van mening dat er een discrepantie is tussen de algemene regeling voor parkeren en de specifieke regeling omtrent het realiseren van maximaal 3 parkeerplaatsen per woonboot.
Staatsbosbeheer Staatsbosbeheer vraagt wat nadere uitleg omtrent de regels en verbeelding, met name het onderscheid tussen ligplaats en woonschepenligplaats. Staatsbosbeheer geeft aan dat het perceel grond dat hun eigendom is en waar thans een woonboot is gelegen, valt onder het Natuurnetwerk Limburg. Zij adviseren om hier een nevenbestemming voor op te nemen. Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat merkt op dat eigenaren / bewoners rekening moeten houden met een vergunningplicht voor nieuwe bouw- en/of aanlegwerkzaamheden. Rijkswaterstaat verzoekt om naast een bouwregeling tevens een aanlegvergunningstelsel op te nemen voor werken en werkzaamheden binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’. Reactie gemeente Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een legalisering. Niet beoogd is om een landschapsvisie of beeldkwaliteitsplan op te stellen om de navolgende redenen: Het betreft hier een legalisatie die al bestaat ruim voordat het Provinciaal Omgevingsplan Limburg van kracht werd. De ligging in het stroomvoerend rivierbed geeft beperkingen aan een herinrichting van het gebied. Het wijzigen van de ontsluiting en het aanbrengen van landschappelijke beplanting is niet zomaar toegestaan. Er is reeds sprake van een open landschap en het aanbrengen van landschappelijke beplanting pas daar niet in.
Hoofdstuk 6
69
De gemeente heeft geen eigendommen in het plangebied. In de regels is zoveel als mogelijk rekening gehouden met het open landschap (zoals een maximale hoogte voor erfafscheidingen) en de aanwezige kernkwaliteiten. In de regels zijn nadere beperkingen opgenomen voor zowel de ligplaats als het oevergebruik.
De goudgroene natuurzone (Natuurnetwerk Limburg) is naar aanleiding van de ingebrachte reacties daaromtrent als gebiedsaanduiding opgenomen op de verbeelding met een daaraan gekoppelde regeling in de algemene aanduidingsregels. Daarnaast is meer een uitvoerige regeling inclusief een aanlegvergunningstelsel opgenomen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’. Een antwoord op de vragen van Staatsbosbeheer kan als volgt worden samengevat. Op de verbeelding zijn de kadastrale percelen / huidige ligplaatsen als ondergrond opgenomen. Hieruit volgt dat er sprake van 11 percelen. Deze 11 percelen vormen tezamen de ‘woonschepenligplaats’. Binnen deze functieaanduiding zijn maximaal 10 woonboten toegestaan. Dit maakt het mogelijk om de woonboten iets anders te situeren, mits gelegen binnen de functieaanduiding ‘woonschepenligplaats’ en mits voldaan wordt aan regels omtrent onderlinge afstanden en andere bouwregels. Om te voorkomen dat de oever een grote parkeerplaats wordt, is opgenomen dat per woonboot maximaal 3 parkeerplaatsen aanwezig mogen zijn. De woonboten voldoen daarmee aan de geldende parkeernormen en derhalve is er geen discrepantie met de algemene regeling voor parkeren. Resultaten inspraak Het voorontwerp bestemmingsplan is voorgelegd aan de eigenaren van de woonschepen.
Dit heeft geleid tot de navolgende aanpassingen: In het voorontwerp werd uitgegaan van een aanduiding ligplaats over alle percelen met een maximum van 10 woonboten. Ter verduidelijking heeft elke ligplaats de aanduiding ‘woonschepenligplaats’ gekregen met een aanduiding maximaal aantal wooneenheden. Dit is per woonschepenligplaats maximaal 1. Hiermee is de huidige situatie beter vertaald en dit maakt het ook mogelijk om een woonboot in het kader van onderhoud tijdelijk te amoveren zonder dat op een andere plaats een woonboot wordt gerealiseerd. Vervanging in het kader van beheer en onderhoud conform de oorspronkelijke maatvoering zoals opgenomen in het Opnamerapport is mogelijk gemaakt; Het maximaal aantal bouwlagen van de woonschepen is losgelaten, omdat het opnemen van een maximale hoogte van 4,5 meter boven de waterlijn afdoende is; De hoogte van een overkapping voor bijboten is bijgesteld van maximaal 2 naar 3 meter; Het drijvend terras aan de woonboot mag overkapt worden tot maximaal 2/3 deel en een omheining van dat drijven terras is toegestaan tot maximaal 1 meter; De lengte van een aanlegsteiger is bijgesteld van maximaal 8 naar 9 meter; Het aantal pleziervaartuigen is bijgesteld van maximaal 2 naar 3 per woonschepenligplaats; Het opnamerapport heeft een kleine wijziging ondergaan n.a.v.
een onjuiste weergave met betrekking tot een van de woonschepenligplaatsen. Dit aangepaste opnamerapport is aan de regels toegevoegd.
Hoofdstuk 6
70
Zienswijzen ‘Het ontwerpbestemmingsplan heeft van woensdag 1 februari 2023 tot en met dinsdag 14 maart 2023 ter inzage gelegen, na voorafgaande publicatie op 31 januari 2023 in het Elektronisch Gemeenteblad. Er zijn vier zienswijzen ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan ingediend. De zienswijzen komen inhoudelijk grotendeels overeen, met hetgeen tijdens de omgevingsdialoog al is opgehaald. De zienswijzen hebben geen reden gegeven het bestemmingsplan niet vast te stellen. Wel is naar aanleiding van de zienswijzen het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Voor een zakelijke samenvatting van de inhoud van de zienswijzen, en de reactie daarop, wordt verder verwezen naar de Nota van zienswijzen en wijzigingen, die als bijlage bij deze bestemmingsplantoelichting is opgenomen.
Hoofdstuk 6
71
7.
PROCEDURE Wanneer het overleg over het plan met de instanties heeft plaatsgevonden en alle opmerkingen, voor zover noodzakelijk en wenselijk, zijn verwerkt wordt de wettelijke procedure (artikel 3.8 Wro e.v.) gestart. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de betreffende artikelen in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht. Wro De procedure van ontwerp bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na
bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 7
72
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
4 4 9
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen - Oevergebruik Artikel 4 Water Artikel 5 Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed
10 10 12 15
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Artikel 12 Algemene procedureregels Artikel 13 Overige regels
18 18 19 20 21 22 23 24 25
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Artikel 15 Slotregel
26 26 27
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023 Bijlage 2 Bedrijvenlijst kleine economie
29 30 57
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
2
Regels
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Woonboten Donkernack Roermond met identificatienummer NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 van de gemeente Roermond. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan en/of uitbouw:
een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar dat in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw; voor de toepassing van deze regels wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw. 1.4
aan huis verbonden beroep:
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. 1.5
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7
afhankelijke woonruimte:
een (deel van een) gebouw waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg is gehuisvest en dat qua ligging een ruimtelijke eenheid met de woning vormt. 1.8
archeologische waarde:
waarde die bestaat uit de aanwezigheid van een bodem-archief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang is en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigt. 1.9
bebouwing:
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.10
bebouwingspercentage:
een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.11
bedrijfsactiviteit:
het beroepsmatig uitoefenen van bedrijvigheid met gebruikmaking van machines dan wel door middel van handwerk en geen kantoor zijnde. 1.12
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
4
1.13
bedrijfsvloeroppervlak:
de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten. 1.14
begane grond:
bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een souterrain. 1.15
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.16
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17
bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. 1.18
bijbehorend bouwwerk bij woonschepen
Uitbreiding van woonschip, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend woonschip verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of een ander bouwwerk, met een dak, al of niet op de oever. 1.19
bijboot
kleine boot die behoort tot de uitrusting van een woonschip en die dient voor uiteenlopende doelen, zoals het uitvoeren van werken aan de buitenkant van het schip, de verbinding tussen schip en oever of als reddingssloep 1.20
bijgebouw:
een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 1.21
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.22
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.23
bouwlaag
een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een onderbouw onder de waterlijn en de kap/dakopbouw. 1.24
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel. 1.26
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
5
1.27
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.28
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.29
dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons en wasserettes. 1.30
drijvende woning
Een drijvend bouwwerk te water, dat niet is bestemd of ingericht om te varen, voorzien van een (betonnen) casco met daarop een opbouw die qua verschijningsvorm in grote mate overeenstemt met een 'traditionele woning' op de wal, dat wordt gebruikt als of is bestemd voor (al dan niet permanent) woonverblijf. 1.31
erfgrens
een grens van een bouwperceel. 1.32
evenement:
al of niet periodiek terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van sport, cultuur, folklore, handel, recreatie, liefdadigheid, religie, gezondheid, wetenschap, amusement en vergelijkbare gebeurtenissen. 1.33
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.34
hoofdgebouw:
een gebouw dat door zijn constructie, afmetingen of situering, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken. 1.35
insteek van het water
De insteek van het water is de snijlijn van het schuine oevertalud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld. 1.36
kantoor:
een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard. 1.37
kleine economie:
bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. 1.38
mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.39
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van de op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, alsmede riolering. 1.40
oever
Aan het water grenzende strook land bestaande uit een oevertalud en een horizontaal gelegen oever. Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
6
1.41
oevergebruik
Het gebruik van de oever als buitenruimte bij een woonschip en de entree tot het woonschip. 1.42
peil:
het peil overeenkomstig de bouwverordening, of een door burgemeester en wethouders vast te stellen hoogte. 1.43
pleziervaartuig
vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de recreatie, niet zijnde passagiersschepen noch zeilende bedrijfsvaartuigen. 1.44
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.45
recreatief medegebruik
Een niet-bedrijfsmatig recreatief gebruik van gronden of bouwwerken dat ondergeschikt is aan de functie(s) van de bestemming waarbinnen dit recreatieve medegebruik is toegestaan. 1.46
rooilijn
de lijn, die behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of aan de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden. 1.47
seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of gelegenheid wordt geboden seksuele handelingen te verrichten dan wel vertoningen en/of voorstellingen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf; een raamprostitutiebedrijf; een erotische massagesalon; een seksbioscoop; een sekstheater; een parenclub; geheel of gedeeltelijke bedrijfsvoering in overwegend seksueel geaarde dienstverlening; al dan niet in combinatie met elkaar. 1.48
steiger
Constructie langs een oever die tot aanlegplaats dient voor woonschepen en pleziervaartuigen. 1.49
voorgevelrooilijn:
denkbeeldige lijn waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is/zijn of word(t)(en) geplaatst en die is gelegen aan de zijde van de aan de weg gelegen perceelsgrens. 1.50
voorzieningen voor woonschepen
Een voorziening voor een woonschip is een object dat verband houdt met het wonen of verblijven op het woonschip, zoals een loopplank of steiger, aanmeerpalen, een vlot of vlonder, een tuin of (drijvend) terras, berging, speelvoorzieningen, pleziervaartuigen en de bijboot. 1.51
vrijstaand bijgebouw:
een bijgebouw, dat qua constructie en visueel vrij staat van het woonschip.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
7
1.52
water en waterhuishoudkundige voorzieningen:
Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen, alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc. 1.53
waterhuishouding:
het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem. 1.54
waterlijn
Het grensvlak tussen water en lucht. 1.55
wonen
De huisvesting van één afzonderlijke huishouding op een woonschip en daardoor is aan te merken als wooneenheid 1.56
woonark
Een drijvend bouwwerk te water, dat in het algemeen niet is bestemd of ingericht om te varen. Een woonark is doorgaans voorzien van een betonnen (of metalen) casco, met een vierkante of rechthoekige opbouw. Het casco kan ook bestaan uit een van origine varend schip, waaronder begrepen een dekschuit of ponton, met daarop een gehele of gedeeltelijke opbouw, dat wordt gebruikt als of is bestemd voor (al dan niet permanent) woonverblijf. Een drijvende woning (1.30) wordt eveneens aangemerkt als woonark. 1.57
woonboot
Een drijvend of varend bouwwerk te water, dat herkenbaar is als schip (bijvoorbeeld door de romp, de opbouw of de aanwezigheid van originele onderdelen als een stuurhut, roer of mast), dat wordt gebruikt als of is bestemd voor (al dan niet permanent) woonverblijf. 1.58
woongebouw:
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd. 1.59
woonschepenligplaats
Een gedeelte van het water, bestemd of geschikt voor het plaatsen en gebruiken van woonschepen voor permanente bewoning. 1.60
woonschip
Een woonboot, woonark en/of drijvende woning, hieronder begrepen een woonboot, woonark en/of drijvende woning in aanbouw, alsook overblijfselen van een woonboot, woonark en/of drijvende woning.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de afstand
de afstand tussen bouwwerken en woonboten onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is. 2.2
de bedrijfsvloeroppervlakte
binnenwerks, op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
de hoogte van een woonboot
Vanaf de waterlijn tot aan het hoogste punt van het woonschip, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.6
de lengte en breedte van een woonboot
Tussen de langste lengte en de langste breedte (buitenkant bak) exclusief overstekken, loopranden, gangboorden, stootranden e.d.. 2.7
breedte van een zone langs een watergang
vanaf de insteek van de betreffende zijde van de watergang. 2.8
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.9
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.10
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.11
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.12
Aanvullende bepalingen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouwc.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen - Oevergebruik
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen - Oevergebruik' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. oevergebruik ten behoeve van de woonschepen; b. groenvoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; met daaraan ondergeschikt: d. speelvoorzieningen e. wegen en paden; f. parkeervoorzieningen ten behoeve van de woonschepen met een maximum van 3 parkeervoorzieningen per woonschip; g. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonschepen; h. nutsvoorzieningen; 3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen a. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen zijnde worden gebouwd die in het kader van oevergebruik ten dienste staan van het bijbehorende woonschip ter plaatse van de aangrenzende bestemming 'Water; b. Bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen ook worden gebouwd ten behoeve van de andere onder artikel 3.1 genoemde functies; c. De bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, vastgelegd in Bijlage 1 Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023', mogen in stand blijven, zelfs indien deze afwijken van het bepaalde in artikel 3.2 Bouwregels', met dien verstande dat indien bebouwing wordt verwijderd, deze bebouwing niet meer teruggebouwd mag worden. 3.2.2 Gebouwen a. bij elk woonschip, gelegen binnen de aangrenzende bestemming 'Water' mag maximaal 1 bijgebouw worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; c. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m². 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn niet toegestaan met uitzondering van erfafscheidingen; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 1 meter, met dien verstande dat geen erfafscheiding is toegestaan tussen het woonschip en de oever.
3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning; b. het gebruik van gronden voor bedrijfsmatige activiteiten; c. het parkeren van meer dan 3 auto's.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
10
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanbrengen van verhardingen (bestraten / beklinkeren). 3.4.2
Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.1 is niet van toepassing: a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. op werken of werkzaamheden die reeds bestaan op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan en zijn vastgelegd in Bijlage 1 Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023'. 3.4.3
Toelaatbaarheid
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.4.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
Woonboten Donkernack Roermond NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01 vastgesteld
11
Artikel 4 4.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
watergangen en waterpartijen; water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, infiltratie- en bergingsvoorzieningen; beroepsvaart; recreatief medegebruik, waaronder voor plezier-/recreatievaart met gemotoriseerde vaartuigen en daarbij behorende voorzieningen; f. woonschepen ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' waarbij het toegestane aantal woonschepen per woonschepenligplaats is aangegeven middels de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. g. aan woonschepen gerelateerde voorzieningen, waaronder een bijboot en daarbij behorende overkappingen; h. groenvoorzieningen; met de daarbij behorende: i. j. k. l.
oevers; taluds; (onderhouds)paden; nutsvoorzieningen;
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
De bestaande woonschepen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, vastgelegd in Bijlage 1 Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023', mogen in stand blijven, zelfs indien deze afwijken van het bepaalde in artikel 4.2 Bouwregels', met dien verstande dat; a. Indien een woonschip en/of bijbehorende bebouwing wordt vervangen, dan dient het nieuwe woonschip en/of bijbehorende bebouwing te voldoen aan artikel 4.2 Bouwregels'. b. het bepaalde onder a en artikel 14.1.3 (overgangsrecht) is niet van toepassing indien het woonschip tijdelijk wordt verplaatst in het kader van beheer en onderhoud. Bij terugkomst op de woonschepenligplaats dient het woonschip te voldoen aan de oorspronkelijke maatvoering, ligging en het gebruik zoals opgenomen in Bijlage 1 Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023. 4.2.2