Bijlage 3 - toelichting en regels bestemmingsplan Woonboten Donkernack Roermond
Tekst van het document
Opgave Roermond In de bijlage behorende bij de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2024’ wordt teruggekeken naar de daadwerkelijke realisaties en ontwikkelingen in de eerste vier jaar van de Structuurvisie 2014. Het betreft de periode 2014 tot en met 2017. Vervolgens wordt ingegaan op de afbouw van de planvoorraad. Daarna wordt de nieuwe huishoudensprognose Etil 2017 vergeleken met de prognose uit 2013, die ten grondslag ligt aan de Structuurvisie 2014.
Hoofdstuk 3
29
Uit deze bijlage volgt dat per 1 januari 2018 de planvoorraad ten opzichte van 2014 is afgenomen (van 3.630 woningen naar 3.099 woningen) en de overcapaciteit ten opzichte van 2014 is toegenomen (van 20 woningen naar 258 woningen). Daarnaast is geconstateerd dat op basis van de prognoses Etil 2017 Roermond qua aantallen huishoudens minder groeit dan in 2014 is voorzien. Het gaan dan om 198 huishoudens minder. In deze actualisatie wordt evenwel vastgelegd, dat elke gemeente kan uitgaan van minimaal de afspraak uit de Structuurvisie 2014 en alleen indien de prognose Etil 2017 hoger uitpakt, van deze nieuwe prognose. Op basis van de prognoses Etil 2013 zou Roermond vanaf 2014 nog met 3.610 huishoudens groeien tot de top van het aantal huishoudens in 2040. Op basis van de prognoses Etil 2017 groeit Roermond vanaf 2014 198 huishoudens minder tot de top, te weten 3.412. De top is verschoven naar 2039. Voor Roermond is de prognose Etil 2013, 3.610 woningen, dan ook uitgangspunt. Na aftrek van de netto realisatie in de periode 2014 tot en met 2017, zijnde 769 woningen, resteert een opgave tot de top van het aantal huishoudens, te weten 2.841 woningen. Deze opgave is vergeleken met de planvoorraad per 1 januari 2018, zijnde 3.099 woningen. Daaruit is de overcapaciteit berekend, zijnde 258 woningen. Van deze overcapaciteit wordt komende 4 jaar 40% gereduceerd, te weten 103 woningen.
Hiermee wordt de systematiek, zoals vastgelegd in de Structuurvisie 2014, gehandhaafd. Het maximum aan te houden aantal te bouwen woningen is 2.841 voor de gehele gemeente Roermond. Afweging Het betreft hier de legalisering van reeds tientallen jaren bestaande woonboten. Het legaliseren heeft feitelijk geen invloed op de woningbouwprogrammering. In de structuurvisie is daarnaast deze bijzondere woonvorm verder niet benoemd. De structuurvisie staat de legalisering dan ook niet in de weg. 3.3.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 Algemeen De Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 schetst het toekomstbeeld voor de Maasplassen tot 2030 en is in de gemeente Roermond vastgesteld op 20 februari 2014. Met een gemeenschappelijk gedragen toekomstvisie kunnen ontwikkelingen beter en met meer onderlinge samenhang tot stand worden gebracht. Daarnaast maakt de structuurvisie het voor de gemeenten mogelijk om beter samen met andere organisaties ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De intergemeentelijke structuurvisie is een thematische structuurvisie en heeft een kaderstellende status voor andere gemeentelijke ruimtelijke instrumenten, zoals bestemmingsplannen die de gemeente vaststelt. Voor de gemeenten is de intergemeentelijke structuurvisie een voor hen zelf bindend en richting gevend document.
Het is echter geen document dat juridisch bindend is voor de burger en/of
Hoofdstuk 3
30
andere belanghebbenden. Burgers en marktpartijen mogen er echter op rekenen dat de gemeenten zich houden aan de voornemens in deze visie. Er is voor gekozen om op basis van het Masterplan Maasplassen uit 2011 een thematische intergemeentelijke structuurvisie op hoofdlijnen op te stellen die voldoende ruimte en flexibiliteit geeft voor nadere uitwerking. Doordat de gemeenten zich beperken tot de hoofdlijnen is een hanteerbare, overzichtelijke en inspirerende structuurvisie ontstaan, die geschikt is voor het beoogde gebruik. De Maasplassen vormen een gebied dat met een breedte van gemiddeld 10 kilometer over en langs de Limburgse Maas ligt. Over een afstand van 43 kilometer rijgt de Maas 39 plassen tot een aaneengesloten watersportgebied van circa 3000 ha. Het plassengebied is een compact maar uiterst veelzijdig en uniek gebied en gelegen in de Nederlandse gemeenten Echt-Susteren, Maasgouw, Leudal, Roermond en Beesel en de Belgische gemeenten Kinrooi en Maaseik. De Maasplassen zijn ontstaan door grindwinning, voornamelijk in de 20e eeuw. Hierdoor ontstonden grote aaneengesloten plassen. De omliggende gemeenten profiteerden hiervan en hebben getracht er een attractief (water)recreatiegebied van te maken. Langs de plassen liggen diverse horecagelegenheden, jachthavens, dagstranden, campings en natuurgebieden.
Het Maasplassengebied heeft echter een “boost” nodig door onder andere clustering van voorzieningen en een kwaliteitsimpuls, maar ook door de balans te herstellen tussen economie, infrastructuur en leefmilieu. Het Maasplassengebied is aantrekkelijk en gevarieerd en vormt in Midden-Limburg een belangrijke pijler voor de provinciale én regionale economie. Mede als gevolg van de regelgeving ten aanzien van de hoogwaterveiligheid is de afgelopen periode onvoldoende ingespeeld op onder meer de veranderende leisuremarkt. Daardoor is ook de positionering en branding van het gebied achtergebleven. Het Maasplassengebied moet een krachtige regio worden; het top-waterrecreatiegebied van Nederland en de Euregio. Hier ligt zowel een rol bij ondernemers en marktpartijen (initiatieven) als bij de overheid (stimuleren en ondersteunen). De intergemeentelijke structuurvisie Maasplassen biedt een gedragen planologisch kader tot 2030 voor de thema’s: water (hoogwaterveiligheid); natuur en landschap. recreatie en toerisme. watergerelateerde woon- en werkfuncties. De intergemeentelijke structuurvisie is daarmee dus een thematische structuurvisie. Roermond Roermond wil zich meer met het gezicht naar de Maas gaan keren. Op die manier kan aangesloten worden bij het historisch feit dat de Maas een belangrijke levensader van Roermond was.
Herstructurering, restauratie en revitalisering van oudere stadsdelen leiden tot sterke kwaliteitsverbetering en maximale intensivering en benutting van de nog aanwezige ruimte binnen de bestaande stad. De kansen die hier liggen kunnen nog beter worden benut. Het verder doorvoeren van deze ontwikkelingen zal leiden tot een verbeterde ligging aan en relatie met het water om de stad, de Maas en de Maasplassen.
Hoofdstuk 3
31
Grootschalige industriecomplexen aan de rand van de stad, zoals ECI-terrein, nabij de Maas worden getransformeerd in moderne verblijfsgebieden met opgeknapte historische panden die dynamische, culturele en recreatieve functies onderdak bieden. Ook het wonen richt zich meer en meer op de randen van de stad aan het water. Bij de transformatie van oude haven- en industriegebieden krijgt de woonfunctie een belangrijke plaats. Al deze ontwikkelingen dragen ertoe bij dat de relatie tussen de binnenstad en het rivierfront versterkt wordt. Zo ontwikkelt Roermond steeds meer een waterfront met stedelijke allure. Verder van het centrum af vinden, zeker aan het Maasfront, ook nog ontwikkelingen plaats, maar dan in een duidelijk mindere intensiteit en omvang dan in het centrum. Afweging De ligging van de woonboten is niet expliciet benoemd in deze structuurvisie. De gemeente wenst echter de woonboten te legaliseren. Wonen aan het water past binnen deze structuurvisie en middels onderhavig bestemmingsplan worden kwalitatieve randvoorwaarden daaraan gesteld.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Roermond 2030 Op 22 december 2016 heeft de raad van de gemeente Roermond de Toekomstvisie Roermond 2030 vastgesteld. Deze toekomstvisie schetst voor 5 hoofdthema's (welke in samenwerking met inwoners van Roermond en partners van de stad zijn gekozen) een toekomstbeeld voor de gemeente. Met de 5 thema's biedt de toekomstvisie een integraal perspectief op de toekomst van de stad, waarbij de belangrijkste veranderingen worden geadresseerd die op de stad afkomen. Aan de hand van de 5 thema's wordt de gewenste ontwikkelingsrichting van de gemeente beschreven. Drie zogenaamde rode draden zijn daarbij randvoorwaardelijk voor de geschetste toekomst: ontmoeting, verbinding en samenwerking. Deze rode draden spelen een belangrijke rol binnen de 5 hoofdthema's. De vijf hoofdthema's kunnen als volgt worden samengevat: 1. Roermond in 2030, een thuis voor de jeugd In 2030 voelen kinderen en jongeren zich thuis in Roermond en verbonden met de stad. De jeugd die opgroeit in Roermond kan zich optimaal ontwikkelen. Er is een breed onderwijsaanbod en een variatie aan sport- en vrijetijdsmogelijkheden. Voor jongeren die op kamers gaan of starten op de woningmarkt biedt Roermond volop mogelijkheden. Een goede verbinding met het bedrijfsleven stimuleert ondernemerschap onder jongeren en zorgt voor voldoende stageplekken en carrièremogelijkheden.
De jeugd van Roermond maakt onlosmakelijk onderdeel uit van de lokale gemeenschap en speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de stad. 2. Roermond in 2030, stad die je actief houdt In 2030 leveren vitale ouderen in Roermond actief een bijdrage aan de samenleving en daarmee zijn ze van grote waarde. Ook biedt Roermond als stad van leisure en recreatie volop mogelijkheden voor de vrijetijdsbesteding van ouderen. Voor senioren is het goed toeven in Roermond en biedt de stad een prettige woonomgeving. Met speciale aandacht voor het welbevinden voor haar oudere bewoners
Hoofdstuk 3
32
is Roermond een seniorvriendelijke stad. De levendigheid van de stad en de generatie-overstijgende netwerken in de gemeenschap maken dat Roermond een stad is die je actief houdt. 3. Roermond in 2030, Roermond zorg(t) voor elkaar Roermond is in 2030 een stad waar aandacht is voor de kwaliteit van leven van haar inwoners. De mens staat centraal en met oog voor de individuele situatie wordt de zelfredzaamheid gestimuleerd en ondersteuning en zorg geboden waar nodig. Een grote rol is daarbij weggelegd voor sociale netwerken en community's. Samen met formele zorgnetwerken zorgen zij voor een fijnmazig vangnet. De gemeente brengt de verschillende organisaties en maatschappelijke initiatieven bijeen en stimuleert vernieuwende concepten voor zorg die menselijk, kleinschalig, dichtbij en bereikbaar is. De stad biedt een zorgzame woonomgeving waar mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. 4. Roermond in 2030, stad van retail & leisure en industrie Roermond is in 2030 een sterke regionale speler. Bedrijfsleven en onderwijs in de regio werken slim samen en de gemeente is daarbij een daadkrachtige en creatieve verbinder. De stad is koploper in retail-innovatie, wat voor extra aantrekkingskracht zorgt. Roermond wordt steeds internationaler. In retail en in de maakindustrie zorgt een mix van kleine en grote bedrijven voor een innovatieve dynamiek.
Samen met het onderwijs uit de regio voeden zij het ondernemerschap bij de bevolking. Ondernemerschap dat gestalte krijgt op de verschillende werklocaties die de stad rijk is, van binnenstad tot Roerstreek. De werklocaties zijn de visitekaartjes van de Roermondse economie 5. Roermond in 2030, historische binnenstad aan het water In 2030 is de levendige historische binnenstad aan het water hét visitekaartje van Roermond. In de compacte binnenstad zorgt een diverse mix van winkels, horeca, cultuur, recreatie, onderwijs, bedrijvigheid, wonen en evenementen voor een levendig centrum. Het historische decor en de verbinding met het water dragen bij aan een unieke beleving. De mogelijkheden voor watersport en recreatie van de Maasplassen, het binnenstadtoerisme en het Designer Outlet Center versterken elkaar. Niet alleen voor bezoekers, ook voor bewoners is de binnenstad van grote waarde. De binnenstad biedt een aantrekkelijke woonomgeving en is de plek waar bewoners komen om te werken, te leren en elkaar te ontmoeten. Vanzelfsprekend kunnen de diverse thema's uit de toekomstvisie ook ruimtelijke componenten en consequenties hebben. Daarbij kan gedacht worden aan het beschikbaar zijn van voldoende woningen voor starters en senioren, de doorontwikkeling en het beheer van de diverse werklocaties, of het beschermen en versterken van de voorzieningenstructuur binnen de gemeente.
Middels het voorliggende bestemmingplan worden bestaande woonboten gelegaliseerd. De aanwezigheid van woonboten passen binnen een stad aan het water. Omdat het onderhavige plangebied een zichtlocatie is, is het wel wenselijk om kwalitatieve randvoorwaarden te stellen. Met dit bestemmingsplan wordt de gewenste ruimtelijke kwaliteit vastgelegd.
Hoofdstuk 3
33
3.4.2 Ontwikkelingskader Stedelijke Maasplassen Het college van burgemeester en wethouders heeft op 26 mei 2020 het Ontwikkelingskader Stedelijke Maasplassen vastgesteld. Het gebied waarvoor het ontwikkelingskader is opgesteld betreft de Stedelijke Maasplassen. De Stedelijke Maasplassen worden begrensd door het Lateraalkanaal en de Maas en bestaan uit de Noorderplas en de Zuidplas, van elkaar ‘gescheiden’ door (de brug met daarop) de N280. De Noorderplas wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van de woningen van De Weerd, enkele campings, een aantal horecagelegenheden, een jachthaven, voorzieningen voor (extensieve) vormen van water- en oeverrecreatie en enkele zones waar sprake is natuur(ontwikkeling). De Zuidplas wordt gekenmerkt door de drijvende woningen van Marina Oolderhuuske en enkele jachthavens. Deze plas wordt met name gebruikt om te zeilen. Het ontwikkelingskader is opgesteld om de potenties van de Noorderplas en de Zuidplas op de juiste wijze te benutten. Met behulp van een dergelijk kader kan de gemeente bepalen welke ontwikkelingen en voorzieningen in de Stedelijke Maasplassen gewenst en mogelijk zijn. Bovendien ontstaat er door het hanteren van een ontwikkelingskader meer structuur en samenhang in het gebied omdat aard en omvang van (nieuwe) voorzieningen op elkaar worden afgestemd en wordt de relatie met de rest van de stad versterkt.
Op deze wijze worden de potenties van de Stedelijke Maasplassen beter benut, kan de relatie met (de binnenstad van) Roermond worden verbeterd en worden tegelijkertijd de bestaande landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteiten van het gebied behouden en versterkt. In het ontwikkelingskader zijn kansrijke functies benoemd voor de Stedelijke Maasplassen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen dagrecreatieve functies (natuur, wandel- en fietsroutes, oeverrecreatie, waterrecreatie, watersport en evenementen) en verblijfsfuncties (toeristische verblijfsaccommodaties en wonen). De woonboten die in de Donkernack zijn gelegen, zijn benoemd in het kader, maar aangegeven is dat hiervoor een separaat traject wordt gevolgd. Het ontwikkelingskader doet dan ook geen uitspraken over de met dit bestemmingsplan beoogde legalisering. 3.4.3 Groenvisie De visie op het stedelijk groen is in samenwerking met burgers en belangenverenigingen opgesteld en vastgelegd in de ‘Groenvisie’, die door de gemeenteraad op 22 december 2016 is vastgesteld. Om deze visies via diverse uitvoeringssporen te realiseren zijn spelregels opgesteld, toetsingscriteria voor kwaliteit. De Groenvisie zet in op duurzame groenstructuren in de openbare ruimte. Groenstructuren die aantrekkelijk zijn en zo robuust dat ze voor lange tijd bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving.
Vanzelfsprekend zijn deze structuren ecologisch waardevol, klimaat- en ziektebestendig en klaar voor de toekomst. Voor wat betreft het gebied rond de Maas is het navolgende in de Groenvisie opgenomen.
Hoofdstuk 3
34
De Maas is bepalend geweest voor het landschap en is nu de belangrijkste landschappelijke lijn in de gemeente Roermond. Ze biedt kansen om zich op te richten als stad, voor recreatie en ecologie. Toch is de huidige relatie tussen Roermond en de Maas een moeizame. De Maas is vanuit de stad nauwelijks beleefbaar en de andere kernen liggen op enige afstand. De ommetjes die momenteel langs de Maas gemaakt kunnen worden, zijn slecht onderling verbonden en deels moeilijk bereikbaar. Uit de Groenvisie volgt het streven om het stedelijk weefsel van Roermond beter te verbinden met de Maas en haar inwoners meer ommetjes te bieden aan de Maas. Wensbeeld is om de beleving van de Maas en uiterwaarden te behouden en te versterken. De stad Roermond wil zich sterker op de Maas richten zodat de inwoners meer profiteren van haar nabijheid. De ontwikkeling rond de cruiseterminal en Jazz-city wordt gezien als kans voor het versterken van de aansluiting van de stad Roermond op de Stadsweide. Ook Roerdelta fase II is ook een mooie kans om kwaliteit te realiseren aan de Maas. Naast de beleving wil Roermond de ecologische kwaliteiten behouden en versterken door condities te scheppen voor natuurlijke vegetatie en periodieke overstroming toelaten waar dat kan.
De spelregels zijn als volgt: Toepassen divers boomassortiment met riviergebonden soorten (bijvoorbeeld wilg, els, populier) met inachtneming van diversiteit in het boombestand. Lokaal condities scheppen voor periodieke overstroming. Ontwikkelingen rond het Arlopark aansluiten op de Stadsweide op de lange termijn. Koppelen routes en rondjes langs de Maas. De Noorderplas biedt recreatiemogelijkheden die voor de bewoners van Roermond niet optimaal bereikbaar zijn. Het wordt aanbevolen de mogelijkheden te onderzoeken om de Maasbrug op te waarderen. Een verbeterde verbinding voor fietsers en voetgangers zou de beleving van de Maasplassen sterk vergroten. Afweging Het plangebied kent al een groene invulling en de gemeente beoogd dit ook te handhaven. Wel is het belangrijk om verrommeling in het groen tegen te gaan en gebouwen en andere bouwwerken maar beperkt toe te laten. De legalisering van de woonboten staat de opwaardering en verbeterde verbinding tussen het centrum van Roermond en de Noorderplas niet in de weg. 3.4.4 Nota bodembeheer Op 7 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Roermond de Nota bodembeheer regio Maas & Roer, gedeelte Roermond inclusief bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Nota is het bodembeleid van de gemeente beschreven. De Nota is opgesteld in samenwerking met de gemeenten Maasgouw, Beesel en Leudal.
De Nota geeft naast een uitwerking van het Besluit bodemkwaliteit ook op eenduidige wijze invulling aan het gemeentelijk bodembeleid, waarin de bodemdoelstellingen binnen de Wet ruimtelijke ordening, de Woningwet, de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit gelijk zijn.
Hoofdstuk 3
35
De Nota bodembeheer geeft aan hoe moet worden omgegaan met de diffuse bodemverontreiniging. De stedelijke dynamiek wordt aangegrepen om de bodemkwaliteit waar nodig te verbeteren en geschikt te maken voor het gewenste gebruik. In dit kader is de reikwijdte van de Nota bodembeheer beperkt tot die situaties waarbij er een maatschappelijke ontwikkeling gepland is die aanleiding is om eisen te stellen aan de bodemkwaliteit, de zogenaamde 'nieuwe situaties'. De Nota bodembeheer bevat het toetsingskader voor de te hanteren bodemkwaliteit afhankelijk van de nieuwe functie en de huidige bodemkwaliteit, de zogenaamde dubbele toets. De volgende kwaliteitsklassen worden gehanteerd: Wonen, Industrie en Overig (landbouw en natuur). In paragraaf 4.1.3 wordt nader ingegaan op het aspect bodem. 3.4.5 Nota parkeernormen 2021 De Nota Parkeernormen 2021 is op 18 oktober 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze betreft een actualisatie van de Nota Parkeernormen 2014. Het doel van de nota blijft om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties in de stad te realiseren. Het parkeerbeleid van de gemeente Roermond vormt zowel een volgend als een sturend beleid. Met een sturend beleid wil de gemeente het selectief gebruik van de auto bevorderen.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen en de bouwverordening worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren functies of uitbreidingen; bij bestaand gebruik blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld. De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. In de kern van Roermond worden drie zones onderscheiden: Centrum; Schil; Restant bebouwde kom. Voor het besluitgebied gelden de normen uit de categorie 'rest bibeko en bubeko'. In paragraaf 4.7 vindt een toetsing plaats aan deze parkeernota. 3.4.6 Nota Archeologie In de nota archeologie is de gemeentelijke archeologievisie en het beleid voor de komende jaren geformuleerd (vastgesteld op 7 juli 2011). Leidraad daarbij is dat archeologie een integraal onderdeel vormt bij afwegingen betreffende de ruimtelijke ordening.
Hoofdstuk 3
36
In 2008 is de Archeologieatlas vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Atlas vormt de basis voor het archeologiebeleid dat transparant is voor burgers en investeerders en verantwoord omgaat met het ondergrondse erfgoed. Op basis van de Atlas is de Beleidskaart Archeologie opgesteld. Op deze kaart wordt een onderscheid gemaakt in drie gebieden: Historische kern; Gebied met hoge archeologische verwachting; Overige gebieden. Het plangebied valt binnen ‘overige gebieden’. In paragraaf 4.4 wordt het aspect archeologie nader toegelicht. 3.4.7 Mobiliteitsplan 2020 Op 26 augustus 2009 heeft de raad het Mobiliteitsplan 2020 vastgesteld. Het plan is een actualisering van de nota Verkeer en Vervoer. De verschillende ontwikkelingsambities van de gemeente brengen extra verkeersbewegingen met zich mee. Om deze ambities te kunnen verwezenlijken is een verkeerssysteem noodzakelijk dat is afgestemd op deze ambities. Met behulp van het geactualiseerde verkeersrekenmodel zijn de verwachte verkeersknelpunten zichtbaar gemaakt. De verwachte knelpunten en de geformuleerde doelstellingen zijn vertaald in concrete maatregelen en projecten. Het realiseren van de doelstellingen kan via meerdere wegen, daarom is een aantal varianten opgesteld. Deze vormen een voorwaarde om de vastgestelde streefbeelden te bereiken. Ongeacht de uiteindelijke variantkeuze moeten deze worden uitgevoerd.
Samenvattend houden deze basismaatregelen het volgende in: Belangrijke locaties moeten beter per voet te bereiken zijn; Door middel van stimuleringsmaatregelen moet het fietsgebruik toenemen; Het openbaar vervoer dient verbetert te worden; Onderzocht moet worden of met behulp van stedelijke distributie het vrachtverkeer kan worden geclusterd waardoor het totale aantal verkeersbeweging afneemt. Met behulp van dynamische verkeersmanagementmaatregelen en het optimaliseren van bewegwijzering dient de doorstroming van het autoverkeer te worden verbeterd. In het voorliggende geval is sprake van de legalisering van een reeds jaren bestaande situatie. Er is dus geen sprake van een toename van verkeersintensiteiten. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.7. 3.4.8 Beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’ Het college van burgemeester en wethouders heeft op 27 juni 2006 de beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’ vastgesteld. Hierin wordt aangegeven welke bedrijfsmatige activiteiten als een aan huis gebonden beroep en welke als zogenaamde ‘kleine economie’ beschouwd kunnen worden.
Hoofdstuk 3
37
Aan huis gebonden beroepen De zogenaamde aan huis gebonden beroepen vallen binnen de woonbestemming als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Voor de toepassing van de beleidsregel wordt als definitie aangehouden: “de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.”. De zogenaamde vrije beroepen, die onderdeel uitmaken van de aan huis gebonden beroepen, worden geacht binnen de woonbestemming te passen als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Onder vrije beroepen worden onder meer begrepen de beroepen van arts, advocaat, notaris en makelaar. Kleine economie Overige bedrijvigheid die niet valt onder de aan huis gebonden beroepen, maar in bepaalde gevallen wel daarmee gelijk te stellen is, wordt aangemerkt als kleine economie.
De definitie van kleine economie is: “bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.”. De activiteiten die tot de kleine economie behoren zijn niet rechtstreeks toegestaan binnen de woonbestemming. Wel is het mogelijk een omgevingsvergunning te verlenen. Voorwaarde daarbij is dat de ruimtelijke uitwerking overeenkomt met die van de aan huis gebonden beroepen. De uitoefening van deze beroepen mag immers niet ten koste gaan van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving.
Ter invulling hiervan worden bij de afweging om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen, de volgende voorwaarden aangehouden: Er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu; Door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden; De oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, mag niet meer dan 50% van de begane grond en maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m².
Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd; Er mag geen sprake zijn van een verkeersaantrekkende activiteit die de woonomgeving onevenredig belast en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of er in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn; De uitvoerder van de activiteit dient ter plaatse te wonen; Detailhandel is alleen als ondergeschikte activiteit toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend; Activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningplichtig zijn, worden in beginsel niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen overlast voor de omgeving op zal treden,
Hoofdstuk 3
38
waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven worden toegestaan. De hiervoor beschreven regeling is in de planregels van dit bestemmingsplan verwerkt. In de planregels is een afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels opgenomen om nieuwe bedrijvigheid, die valt onder de categorie 'kleine economie', toe te staan. 3.4.9 Planologische regeling evenementen Bij besluit van 7 november 2006 is door het college van de gemeente Roermond besloten in te actualiseren bestemmingsplannen een regeling op te nemen ten aanzien van evenementen. Aan de betreffende bestemmingen dient aan de bestemmingsomschrijving toegevoegd te worden dat het houden van kleinschalige evenementen toegestaan is, zodat dit rechtstreeks mogelijk is, zonder afzonderlijke procedures te volgen. Gelet op de kenmerken van het plangebied en de kleinschalige woonlocatie is het in dit geval niet wenselijk om evenementen toe te staan. Naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan is de mogelijkheid voor het houden van kleinschalige evenementen dan ook geschrapt. 3.4.10 Structuurvisie kwaliteitsbijdrage gemeente Roermond Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten van Limburg het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) vastgesteld.
Het LKM stelt een kwaliteitsbijdrage bij rode ontwikkelingen buiten de contour voor alle POLperspectieven verplicht. Binnen de stedelijke contour is voor de POL-perspectieven P2 (Provinciale ontwikkelingszone groen) en P3 (Ruimte voor veerkrachtige watersystemen) het LKM verplicht. Binnen de stedelijke contour is voor het perspectief P8 (Stedelijke ontwikkelingszone) het LKM verplicht voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding alsmede glastuinbouw en nieuwe landgoederen. Alhoewel het LKM niet direct bindend is voor de gemeenten, heeft de provincie gemeenten gevraagd de provinciale regelingen om te zetten in gemeentelijk beleid. Bovendien is een structuurvisie nodig in verband met de kwaliteitsbijdrage in financiële vorm. Bij het achterwege blijven van een gemeentelijke vertaling van het LKM kunnen gemeenten bij het planologisch mogelijk maken van “rode” ontwikkelingen in het buitengebied te maken krijgen met de inzet van provinciaal RO-instrumentarium vanwege de strijdigheid met provinciale belangen.
Op 16 februari 2012 heeft de gemeenteraad van Roermond derhalve de ‘Structuurvisie kwaliteitsbijdrage gemeente Roermond’ vastgesteld voor de gebieden die zijn gelegen buiten de begrenzing stedelijke dynamiek en de contouren voor Swalmen, Boukoul en Asenray, zoals vastgelegd in het POL alsmede die delen binnen de begrenzing stedelijk dynamiek die vallen onder de perspectieven 2, 3 en 8.
Hoofdstuk 3
39
De Donkernack valt binnen de grens ‘stedelijke dynamiek’ (zie paarse lijn op de navolgende situatie), maar valt onder de perspectieven 2 (Provinciale Ontwikkelingszone Groen) en 3 (Ruimte voor veerkrachtige watersystemen.
Uitsnede kaart Structuurvisie kwaliteitsbijdrage gemeente Roermond met globale ligging plangebied (rode pijl)
In de structuurvisie zijn modules vastgelegd op basis waarvan de hoogte van de kwaliteitsbijdrage kan worden vastgesteld. Er is geen specifieke module voor woonboten. Er kan aansluiting worden gezocht bij de module ‘nieuwe (solitaire) woningen, echter het betreft in casu geen nieuwbouw. Een andere optie is aansluiting te zoeken bij ‘functieverandering naar wonen’. In de structuurvisie is opgenomen dat de gemeente maatwerk zal toepassen, waarbij de gevolgen van de nieuwe bestemming voor de kwaliteit ter plekke en de omgeving moeten worden meegenomen. 3.4.11 Nota Beeldkwaliteit In januari 2015 heeft de gemeente Roermond welstandsbeleid vastgelegd in de vorm van de ‘Nota Beeldkwaliteit’.
Hoofdstuk 3
40
In deze nota wordt een onderscheid gemaakt tussen: Welstandsvrije bouwwerken (indien aan gestelde voorwaarden wordt voldaan); Bouwwerken waarvoor een welstandstoets vereist is. Voor de bouwwerken waar welstandstoets vereist is, zijn algemene criteria vastgesteld. Daarnaast zijn nadere uitgangspunten en aanvullende criteria gegeven aan bijzondere welstandsgebieden en in het buitengebied. Als het gebouw een beschermd monument is, een monumentaal karakter heeft of gelegen is binnen een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt het bouwplan voor advies voorgelegd aan de afdeling Plannen en Projecten/monumentenzorg en de Cie. BK. Tot slot wordt nog aandacht besteed aan beeldkwaliteitsplannen, de hardheidsclausule, de excessenregeling en de aansluiting van de Nota BK op andere beleidsdocumenten. De planlocatie valt niet onder een bijzonder welstandsgebied. Wel is de locatie in het buitengebied gelegen. Er zijn geen specifieke welstandscriteria opgenomen voor woonboten. De welstandsnota is met name geschreven voor het oprichten van gebouwen. Wel kan gebruik worden gemaakt van de excessenregeling, die ook van toepassing is voor omgevingsvergunningvrije en welstandsvrije bouwwerken.
Er is sprake van een exces als: veranderingen zijn aangebracht die een zeer grove inbreuk vormen op hetgeen in de omgeving gebruikelijk is en daardoor in ernstige strijd zijn met geldende welstandscriteria; de architectonische kwaliteit van een bouwwerk wordt ontkend of vernietigd door toepassing van: armoedig materiaal; felle of contrasterende kleuren; door leegstand en/of wijze van dichtzetting negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving ontstaat; ernstig achterstallig onderhoud de kwaliteit van een bouwwerk heeft aangetast; een bouwwerk dat geheel of gedeeltelijke vernietigd is. Gewenste beeldkwaliteit De beeldkwaliteit van de woonboten mag het individuele karakter van de woonboot benadrukken. De woonboten hebben elk een eigen vorm en materiaalgebruik. Er hoeft dus niet een bepaalde eenheid in vormen gecreëerd te worden .Er zijn namelijk woonboten en arken aanwezig. Het materiaalgebruik van de woonboten is divers, zoals hout, metaal en kunststof, maar toch is het doel om dit beter passend te maken en meer op te laten gaan in het natuurlijke landschap. Het uitgangspunt bij nieuwe boten of renovatie van boten, alsmede daarbij behorende bouwwerken is om een terughoudend kleur- en materiaalgebruik toe te passen. Dus geen contrasterende of felle kleuren, maar een kleur- en materiaalgebruik wat past bij het natuurlijk landschap van de Maasplassen.
Dat zijn dus vooral kleuren en materialen die zeg maar opgaan in dit natuurlijke landschap. Dus natuurlijke materialen, hout, of kleurgebruik wat overeenkomst met deze natuurlijke materialen. Meer concreet betekent dit het navolgende beeldkwaliteitskader.
Hoofdstuk 3
41
Woonschepen Terughoudend kleur- en materiaalgebruik wat past en in zekere zin opgaat in het natuurlijke landschap van de Maasplassen. Geen contrasterende kleur- en materiaalgebruik. Bijbehorende bouwwerken/ bijgebouwen en botenstallingen Wat betreft de bijgebouwen en de overdekte botenstallingen: kleur en materiaalgebruik terughoudend. Voorkeur voor natuurlijke materialen (bijv. hout), terughoudend kleurgebruik en passend bij het kleuren materiaalgebruik van de woonboot. Het moet in zekere zin toch een eenheid vormen.
Hoofdstuk 3
42
4.
RANDVOORWAARDEN Bij voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)-invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de aspecten bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en parkeren.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1
M.e.r.- beoordeling
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Het voorliggende initiatief betreft de legalisering van tien woonboten aan de rand van de stad Roermond. De beoogde legalisering en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.
het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Blijkens jurisprudentie dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol.
Hoofdstuk 4
43
In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook de navolgende tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,8 hectare. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de legalisering van 10 woonboten met oevergebruik. De oever heeft een tuinfunctie en ter plaatse zijn diverse bouwwerken opgericht. Ter plaatse wordt ook geparkeerd.
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Hoofdstuk 4
44
Kenmerken van het project Criteria
Toets
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de bestaande boten en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De woonboten liggen er reeds tientallen jaren, maar zijn niet aangesloten op de riolering middels dit bestemmingsplan wordt de aanleg van riolering mogelijk gemaakt.
Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.3): Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt dat ten gevolge van de N280 een overschrijding optreedt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor de N280 is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de N280 dient een hogere waarde te worden aangevraagd.
Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.7): Er is sprake van legalisering en feitelijk wijzigt het aantal verkeersbewegingen niet. Indien deze legalisering als nieuwbouw wordt beschouwd is sprake van in totaal gemiddeld 82 verkeersbewegingen. Het project leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. De aanliggende wegen kunnen deze verkeersbewegingen goed verwerken. Risico van ongevallen
Er is sprake van de legalisering van woonboten. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden in gebruik als oevergebruik ten behoeve van de 10 in de Donkernack gelegen woonschepen. De oevers hebben een tuinfunctie en ter plaatse is diverse bebouwing opgericht.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt voor een klein deel (het noordelijke deel) binnen de goudgroene
kustgebieden, berg- en bosgebie-
natuurzone. Er is echter geen sprake van ligging in een Natura 2000 gebied. Daar-
den, reservaten en natuurparken,
naast valt het overgrote deel van het plangebied binnen de bronsgroene land-
Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
schapszone. Het onderhavige bestemmingsplan omvat een legalisering van woonschepen die ter plaatse reeds vanaf de jaren ’60 zijn gelegen. De legalisering wijzigt
Hoofdstuk 4
45
Kenmerken van het project Criteria
Toets ter plaatse aanwezige natuur- en landschapswaarden niet. Wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving is middels een AERIUS-berekening aangetoond dat er geen sprake is van effecten groter dan 0,00 mol/ha/j. Zie ook paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.
gebieden waarin bij communau-
Nee.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.5): De voorliggende ontwikkeling heeft geen ne-
tureel of archeologisch belang
gatieve effecten op cultuurhistorische waarden of landschappen in het plangebied en de directe omgeving. Archeologie (zie ook paragraaf 4.4): Het plangebied valt ingevolge de Archeologieatlas binnen ‘overige gebieden’. Het gebied is in het verleden onderzocht en vrijgegeven. Het is dan ook niet nodig om een dubbelbestemming voor archeologische waarden op te nemen.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke-
De planlocatie is gelegen in een van de grote rivieren, de Maas. Meer specifiek is
nis
de locatie gelegen in het stroomvoerend rivierbed. Door Rijkswaterstaat zijn in het verleden vergunningen afgegeven voor de ligging van de woonboten en diverse bouwwerken op de oever.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt voor een klein deel binnen of in de nabijheid van het Natuurnet-
(voormalige EHS)
werk Nederland (NNN). Zie paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied, maar de legalisering heeft verder geen invloed op de ter plaatse gelegen landschapswaarden.
Hoofdstuk 4
46
Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
N.v.t.
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.
Belvedère-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
Nee.
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er is sprake van legalisering van een reeds lange tijd bestaande situatie. Feitelijk
van het effect
wijzigt er dan ook niets.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.1.2
Bodem
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodem-gebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu.
Hoofdstuk 4
47
Toetsing Dit bestemmingsplan voorziet in de legalisering van reeds tientallen jaren ter plaatse gelegen woonboten. Op de oever zijn enkele bergingen gebouwd en verdere bebouwing zal niet of slechts in zeer beperkte mate worden toegestaan. Er vindt verder geen grondverzet plaats. Desalniettemin heeft een vooronderzoek bodem plaatsgevonden.3 De rapportage is opgenomen in bijlage 1 van dit bestemmingsplan. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag mits niet in de puinverharding wordt gegraven. Indien ter plaatse van de puinverharding (grond)werkzaamheden zijn voorzien, wordt door Econsultancy geadviseerd om de onderzoekslocatie te onderzoeken volgens de strategie "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL), alsmede deze grind met puinverharding conform NEN 5707 en/of NEN 5897 te onderzoeken op asbest.
Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.1.3
Geluid
Conform de Wet geluidhinder moet bij het projecteren van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen gekeken worden of bij de woningen niet te veel geluidhinder wordt ondervonden zodat het woon- en leefkwaliteit wordt aangetast. Om dit gestructureerd te onderzoeken heeft men onderstaande werkwijze in de Wet geluidhinder opgenomen. Wegverkeer Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijde van een weg met een voorgeschreven snelheid van 50 km/uur of meer een zone aanwezig. De breedte van de zone wordt bepaald door de randvoorwaarden welke in art. 74 van de Wet geluidhinder worden gesteld. Indien in deze zone geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting ten gevolge van de weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting (hier 63 dB) kan verlenen.
3
Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodemDonkernack te Roermond, rapportnummer 15255.007, d.d. 15 november 2021
Hoofdstuk 4
48
Railverkeer Conform de Wet geluidhinder is er aan weerszijde van verscheidene door het Besluit geluidhinder aangewezen spoorwegtrajecten een zone aanwezig. De breedte van de zone is ook per spoorwegtraject aangegeven in het Besluit geluidhinder. Indien in deze zone geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting ten gevolge van het spoorwegtraject de voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt overschreden. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting (hier 68 dB) kan verlenen. Industrielawaai Conform art. 40 van de Wet geluidhinder ligt er rond een gezoneerd industrieterrein een zone waarbuiten de geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein de 50 dB(A) niet overschrijdt. Indien in deze zone geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen worden geprojecteerd dient onderzocht te worden of de geluidsbelasting ten gevolge van het industrieterrein de voorkeursgrenswaarde van 50 dB wordt overschreden. Is dit het geval dan dient er een hogere grenswaarde procedure doorlopen te worden zodat het college van B&W een hogere grenswaarde tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting (hier 55 dB) kan verlenen.
Met het vaststellen van een hogere grenswaarde geeft het college en de raad na een gedegen afweging de goedkeuring om ondanks de hoge geluidsbelasting toch te mogen bouwen. Hier kunnen ook voorwaarden aan verbonden worden. Indien het alleen mogelijk is een hogere waarde vast te stellen die boven de maximaal toelaatbare geluidbelasting komt is het projecteren van geluidgevoelige bestemmingen niet mogelijk. Toetsing Het onderdeel industrielawaai wordt nader besproken in paragraaf 4.1.4 dat over milieuzonering en bedrijvigheid gaat. In het voorliggende geval ligt het plangebied binnen de onderzoekszone van de N280, de Maaswaarderweg en De Weerd. Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Gelet op de ligging van het plangebied binnen de onderzoekzone van wegen is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie van de woonboten. Er is derhalve een akoestisch onderzoek uitgevoerd.4 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als bijlage 2 in dit bestemmingsplan is opgenomen. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de N280, De Weerd en de Maaswaarderweg. In de nabijheid van het plan zijn geen relevante 30 km/uur wegen gelegen.
In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.
4
Econsultancy, Onderzoek wegverkeerslawaai woonboten ten noorden van de N280 te Roermond, rapportnummer 15255.004, d.d. 28 juni 2021
Hoofdstuk 4
49
Voor woonboten wordt de ligplaats toegewezen als een geluidgevoelig terrein. Derhalve zal getoetst worden aan de ligplaatsen zoals deze zijn opgenomen in de bag-viewer. Over de gehele lengte van de woonboot wordt een maximale hoogte van 3,5 meter toegestaan. Derhalve zal voor elke zijde van de ligplaats toetspunten ten behoeve van één bouwlaag worden gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2020.2. Alleen ten gevolge van de N280 treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor de N280 is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de N280 dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Conclusie Indien hogere waarden worden verleend zijn de woonboten akoestisch inpasbaar op deze locatie. 4.1.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO 2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden.
Hoofdstuk 4
50
Er is onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit.5 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage die als bijlage 3 in dit bestemmingsplan is opgenomen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plekke van de te legaliseren woningen. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor de andere luchtverontreinigende stoffen wordt, met uitzonderingen daargelaten, nergens een overschrijding berekend. Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er in de nabijheid van de woonboten sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Hiervoor zijn de concentraties van het meest nabijgelegen rekenpunt gehanteerd. In onderstaande tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.
Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM10 overschrijdingsdagen PM2,5 concentratie
grenswaarde 40 μg/m3 40 μg/m3 35 dagen 25 μg/m3
2020 28,0 μg/m³ 18,8 μg/m³ 6,7 dagen 11,7 μg/m³
2030 18,6 μg/m³ 15,9 μg/m³ 6,0 dagen 9,0 μg/m³
Uit de resultaten volgt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plaatse van de woonboten wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er voor de legalisatie van de woningen geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan. 4.1.5
Milieuzonering / bedrijvigheid
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
5
Econsutancy, Onderzoek luchtkwaliteit (NIBM) Woonboten Donker Nack De Weerd te Roermond, rapportnummer 15255.006, d.d. 23 september 2021
Hoofdstuk 4
51
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Voorbeelden van gebieden met functiemen-ging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied.’ Middels een quickscan zijn de omliggende functies nader beschouwd. 6 Uit de quickscan volgt dat de diverse bestemmingen rondom het plangebied voor geen belemmering zullen zorgen. Er wordt dan ook geen nader onderzoek noodzakelijk geacht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 4 van dit bestemmingsplan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering levert geen belemmeringen op voor onderhavige legalisering. Een goed woon- en leefklimaat is dan ook geborgd. 4.1.6
Kabels en leidingen
Volgens het vigerende bestemmingsplan en de risicokaart komen binnen het plangebied en de directe omgeving geen kabels en/of leidingen voor met een planologische beschermingszone. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
6
Econsultancy, Quickscan bedrijven en milieuzonering N280 te Roermond, Rapportnummer 15255.003, d.d. 28 juni 2021
Hoofdstuk 4
52
4.2 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.