CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - toelichting en regels bestemmingsplan Woonboten Donkernack Roermond

Gemeenteraad 9 november 2023, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Woonboten Donkernack Roermond30.531 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan ‘Woonboten Donkernack Roermond’ Gemeente Roermond Vastgesteld

Bestemmingsplan ‘Woonboten Donkernack Roermond’ Gemeente Roermond Vastgesteld

Identificatienummer:

NL.IMRO.0957.BP00000316-VG01

Rapportnummer BRO:

P03931

Datum:

28 september 2023

Opdrachtgever:

Gemeente Roermond

Projectteam BRO:

HLe

Voorontwerp:

23 februari 2021, 8 juli 2022

Ontwerp:

22 december 2022

Vaststelling: Trefwoorden:

Legalisering woonboten, Donkernack, gemeente Roermond

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Ten behoeve van de legalisering van een 10-tal woonboten aan de Donkernack te Roermond is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Juridische status van het plangebied 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Ruimtelijke hoofdopzet 2.2 Planaspecten 2.3 Ruimtelijke kader

8 8 9 10

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

14 14

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.4 Nationaal Waterplan 2016-2021 3.1.5 Waterwet en waterbesluit 3.1.6 Beleidslijn grote rivieren 3.2 Provinciaal beleid

14 15 16 17 17 18 19

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Regionaal beleid

19 22 27 28

3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 3.3.2 Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030 3.4 Gemeentelijk beleid

28 30 32

3.4.1 Toekomstvisie Roermond 2030 3.4.2 Ontwikkelingskader Stedelijke Maasplassen 3.4.3 Groenvisie 3.4.4 Nota bodembeheer 3.4.5 Nota parkeernormen 2021 3.4.6 Nota Archeologie 3.4.7 Mobiliteitsplan 2020 3.4.8 Beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’ 3.4.9 Planologische regeling evenementen 3.4.10 Structuurvisie kwaliteitsbijdrage gemeente Roermond

Inhoudsopgave

32 34 34 35 36 36 37 37 39 39

1

3.4.11 Nota Beeldkwaliteit

40

4. RANDVOORWAARDEN 4.1 Milieuaspecten

43 43

4.1.1 M.e.r.- beoordeling 4.1.2 Bodem 4.1.3 Geluid 4.1.4 Luchtkwaliteit 4.1.5 Milieuzonering / bedrijvigheid 4.1.6 Kabels en leidingen 4.2 Externe veiligheid 4.3 Waterhuishouding 4.4 Archeologie 4.5 Cultuurhistorie 4.6 Ecologie 4.7 Verkeer en infrastructuur 4.8 Explosieven

43 47 48 50 51 52 53 57 58 59 60 63 64

5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Feitelijke planopzet 5.2 Juridische planopzet

66 66 66

5.2.1 Verbeelding 5.2.2 Planregels

66 66

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

68 68 68

7. PROCEDURE

72

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Vooronderzoek bodem Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 4: Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 5: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 6: Advies Veiligheidsregio Bijlage 7: Verantwoordingsdocument externe veiligheid

Inhoudsopgave

2

Bijlage 8: Watertoets Bijlage 9: AERIUS-berekening stikstof Bijlage 10: Explosievenonderzoek Bijlage 11: Nota van zienswijzen en wijzigingen

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de Donkernack te Roermond, even ten noordwesten van het stadscentrum, zijn een tiental woonboten gelegen. Ten behoeve van deze woonboten is nimmer een adequaat planologisch kader vastgesteld. De gemeente Roermond wenst de woonboten te legaliseren en tegelijkertijd een ruimtelijk kader vast te leggen voor de ligging van de woonboten en het gebruik van de oever door bewoners van deze woonboten.

Topografische kaart met globale aanduiding van de ligging van het plangebied (rode pijl)

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen in de Maas aan de noordwestzijde van de stad Roermond. Meer concreet zijn de woonboten gelegen in de Donkernack. De Donkernack is gelegen aan de noordzijde van de Maasbrug / Hornerweg (N280), aan de zuidoostzijde van de Noorderplas en recreatiegebied / buurtschap De Weerd en aan de westzijde van de Maas en het Designer Outlet Center. De Donkernack wordt gescheiden van de Maas middels een schiereiland.

Hoofdstuk 1

4

Luchtfoto met ligging plangebied (rode pijl)

1.3 Juridische status van het plangebied Het plangebied is thans gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Maas en Maasplassen’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Roermond op 27 maart 2008 en de op 22 februari 2018 vastgestelde beheersverordening ‘Maas en Maasplassen’, waarbinnen het voornoemde bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het gedeelte dat in de Maas is gelegen heeft de bestemming ‘Water’ en de oever is bestemd als ‘Groenvoorzieningen’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Stroomvoerend rivierbed’ van toepassing. Enkelbestemming ‘Water (Wa)’ De voor ‘Water (Wa)’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden: a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen en voorzieningen voor waterkering alsmede vistrappen; b. recreatief medegebruik met daarbijbehorende voorzieningen; c. jachthavens en bijbehorende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘jachthaven’ op de plankaart;

Hoofdstuk 1

5

d. woondoeleinden ter plaatse van de aanduiding ’zone woonboten + maximum aantal’ op de plankaart, waarbij niet meer woonboten aanwezig mogen zijn dan het op de plankaart aangeduide maximum aantal woonboten; e. bedrijfsdoeleinden ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfsdoeleinden’ op de plankaart; f. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van ecologische en natuurwaarden. Uit de doeleindenomschrijving in combinatie met de plankaart volgt dat ter plaatse slechts één woonboot is toegestaan. De overige negen woonboten zijn dan ook in strijd met de ter plaatse vigerende beheersverordening. Enkelbestemming ‘Groen (G)’ De voor ‘Groenvoorzieningen (G)’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden: a. groenvoorzieningen; b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijk en natuurwaarden; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen waaronder mede begrepen kades en andere waterkerende voorzieningen; d. voorzieningen voor langzaam verkeer; e. extensief recreatief medegebruik. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen(waaronder schuurtjes) worden gebouwd. Daarnaast ziet deze bestemming gelet op de doeleindenomschrijving meer op een openbare groenvoorziening dan een ‘privétuin’ behorende bij een woonboot. Dubbelbestemming ‘Stroomvoerend rivierbed’ De dubbelbestemming ‘Stroomvoerend rivierbed’ is bestemd voor: a.

primair voor de afvoer en doorstroming van rivierwater; b. secundair voor de doeleinden van de bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt. Binnen deze dubbelbestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. In ieder geval zijn schuurtjes e.d. niet toegestaan. Gelet op het voorgaande, is ervoor gekozen om voor de woonboten en bijbehorend gebruik van de oever voorliggend bestemmingsplan op te stellen, waarin een passende bestemmingsregeling met bijbehorende gebruiks- en bebouwingsregels juridisch-planologisch wordt vastgelegd.

Hoofdstuk 1

6

Uitsnede beheersverordening Maas en Maasplassen met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt de planopzet beschreven. In hoofdstuk 3 komt het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleidskader aan bod. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de onderzoeken belicht, die ten behoeve van de planrealisatie verricht zijn. Ten slotte komen in de hoofdstukken 5, 6 en 7 de planopzet, de uitvoerbaarheid en de procedure aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Ruimtelijke hoofdopzet Het plangebied betreft een aantal kadastrale percelen waarop een tiental woonboten is gelegen. De woonboten liggen er sinds de jaren zestig toen ze vanwege de ontwikkeling van de Willem-Alexanderhaven naar de Donkernack werden verplaatst.

Figuur 1 Luchtfoto met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Negen woonboten zijn gelegen op een perceel met een eigen kadastraal nummer dat deels water (de Maas) en deels een stukje van de oever omvat. Meer concreet betreft het de percelen (van noord naar zuid) kadastraal bekend als Roermond sectie A nrs. 1876 (gedeeltelijk), 1969, 1970, 1971, 1972, 1973, 1974, 1975, 1976 en 1977. Bij perceel nr. 1970 hoort nog een stukje oever met het kadastrale nr. 1980. Daarnaast worden de woonboten ontsloten door een tweetal paden met de kadastrale nrs. 1979 en 1981.

Hoofdstuk 2

8

De woonboten zijn op ruime afstand van elkaar gelegen. Tussen de derde woonboot en de vierde woonboot (gezien vanuit de Maasbrugzijde) is sprake van een grotere tussenruimte. Dit perceel maakt onderdeel uit van een groter perceel, namelijk de oever tussen de Maas en de Maaswaarderweg aan de westzijde van het plangebied, en is kadastraal bekend als sectie A nr. 1982. Dit gedeelte wordt niet meegenomen in het bestemmingsplan, omdat het hoofddoel is de bestaande woonboten te legaliseren en geen nieuwe woonboten meer toe te laten. Op de onderhavige locatie zijn woonarken en scharken gelegen. Een ark heeft een betonnen casco waarop een houten, stenen of kunststof opbouw is bevestigd.

Woonark

Een schark is veelal een metalen schip, vaak in onbruik geraakt binnenvaartschip of schuit, waarop een houten, stenen of kunststof opbouw is gemaakt. Ze lijken op arken, maar onderscheiden zich door de metalen onderbouw. Ze moeten eens in de vijf jaar naar de werf voor onderhoud.

Schark

De 10 woonboten liggen allen los van de oever en zijn via 1 of 2 loopbruggen te bereiken. Alle woonboten bestaan uit 1 bouwlaag. Een groot deel van de woonboten heeft naast de woonboot ook nog een of meerdere kleinere boten erbij liggen. Daarnaast hebben de meesten ook een aardig beslag gelegd op de oever. Bijvoorbeeld door het te begrenzen met een erfafscheiding, een bijgebouw, een pergola en bestrating/verharding.

2.2 Planaspecten Aan de hele strook is duidelijk te zien dat er tot op heden geen regels zijn ten aanzien van wat mogelijk is op de oever en op het water. Het gevaar bij woonboten is dat wanneer er geen kader is opgesteld er een wildgroei kan ontstaan aan bouwwerken op de oever en boten op het water. Net als bij een reguliere woonomgeving (op het land), dient de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd te zijn door regels van wat wel kan en wat niet.

Hoofdstuk 2

9

Buiten het legaliseren van de woonboten wenst de gemeente Roermond in dit bestemmingsplan tevens een ruimtelijk kader vast te leggen voor wat betreft de omvang van de woonboten, de ligging / positionering, het aantal losse boten en de bouwwerken op de oever.

2.3 Ruimtelijke kader Zoals vermeld wordt met dit bestemmingsplan legalisering beoogd van de reeds jaren ter plaatse gelegen woonboten. Uitgangspunt is dat de bestaande woonboten, bijgebouwen en aanverwante bouwwerken en bijboten gelegaliseerd worden en ter plaatse dus gehandhaafd mogen blijven, met dien verstande dat er wel een ruimtelijk kader wordt vastgelegd met het oog op toekomstige ontwikkelingen. In dit ruimtelijk kader wordt de gewenste ruimtelijke kwaliteit vastgelegd. Het streven is om die gewenste kwaliteit in de toekomst zoveel als mogelijk te benaderen. Dit betekent dat indien woonboten of bijbehorende bouwwerken worden vervangen of indien de wens bestaat bij te bouwen, dat voldaan moet worden aan dit ruimtelijk kader. Het ruimtelijk kader is opgesplitst in een aantal onderdelen. Per onderdeel zijn de spelregels weergegeven. Uitgangspunt legaliseringstraject Het uitgangspunt in dit bestemmingsplan is dus om alle woonboten en bijbehorende bouwwerken te legaliseren ongeacht de afmeting. In de regels wordt wel een concrete maximale maatvoering opgenomen. Woonboten en bijbehorende bouwwerken die niet passen binnen deze maatvoering mogen blijven liggen, maar indien de woonboot wordt vervangen gelden de regels van het bestemmingsplan en zal de maatvoering daarop aangepast moeten worden. Dit geldt ook voor de bijgebouwen en het aantal bijboten.

Hiervoor is wel een uitzondering opgenomen. Indien de woonboot vervangen wordt in het kader van beheer en onderhoud door een andere woonboot / (ander) bouwwerk die qua gebruik, maatvoering en ligging gelijkwaardig is aan het te vervangen exemplaar dan mag de oorspronkelijke maatvoering aangehouden worden. Als bijlage bij de regels is een opnamerapport bijgevoegd waaruit informatie volgt omtrent de huidige afmetingen en ligging van woonboten en bijgebouwen, alsmede het aantal bijboten. 1 Afmetingen: lengte, hoogte, diepte, totale oppervlakte In de huidige situatie hebben alle woonboten 1 woonlaag boven de waterlijn. Ruimtelijk heeft dit ook de voorkeur omdat een woonboot van 1 laag minder dominant is dan 2 lagen. Bovendien zorgt dit voor wat uniformiteit in deze groep woonboten die elk al een andere verschijning hebben. De maximale bouwhoogte is dan ook afgestemd op 1 bouwlaag boven de waterlijn met een maximale bouwhoogte van 4,50 meter.

1

Gemeente Roermond, Opnamerapport herinventarisatie woonboten Donker Nack d.d. 8 augustus 2023.

Hoofdstuk 2

10

De woonboten hebben een hellende kapvorm of zijn plat afgedekt. De huidige woonboten variëren van maat. De kleinste heeft een afmeting van ca. 17,75 m x 3,85 m. Terwijl de grootste een afmeting heeft van ca. 25,4 m x 4,5 m. Een maximale maatvoering van 7 m x 25 m is acceptabel en dit is ook in de regels opgenomen. Dit betekent dat nagenoeg alle woonboten binnen de maximale maatvoering passen en de overschrijding te opzichte van deze maximale maatvoering zeer gering is. Positionering aan de wal: direct aan de kant of afstand ertussen? Woonboten kunnen zowel direct aan de oever gepositioneerd zijn als los van de oever door middel van een loopbrug. Bij Donkernack liggen alle woonboten los van de oever en uiteraard met de langste zijde evenwijdig aan de oever. Voor de ruimtelijke kwaliteit heeft het de voorkeur voor de hele strook dezelfde methode te kiezen. Voor deze strook zal dat ‘los van de oever’ zijn. Om een zo’n rustig beeld te creëren dienen de afstanden allen in een bepaalde bandbreedte te liggen. Bij Donkernack liggen de woonboten op minimaal 2,8 meter (ligplaats 3) van de oever en maximaal 6,3 meter (ligplaats 1). Waarbij de meeste boten op ca. 5 – 5,5 m afstand zijn gelegen. In de regels is uitgegaan van een afstand van maximaal 7 meter en dit betekent dat alle bestaande woonboten hieraan voldoen en de afwijkingen gering zijn.

Loopbrug / steiger / terras aan woonboot / aanmeerpaal De steiger (loopbrug) is bedoeld om de afstand tussen oever en woonboot te overbruggen. De meeste woonboten hebben de beschikking over 1 steiger. Omdat het logistiek handig kan zijn om over 2 loopbruggen te beschikken, zijn in de regels maximaal 2 loopbruggen toegestaan. Een enkele woonboot heeft daarnaast een separate steiger naar een pleziervaartuig. Omdat een dergelijk steiger vergunningplichtig is in het kader van de Waterwet, is een dergelijke steiger niet meteen positief bestemd. In de regels is hiervoor een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Voor wat betreft het terras geldt dat dit vlonders betreft die aan een of meerdere zijden van de boot gebouwd zijn. De maatvoering en positionering is divers. In de regels is een maximale maat opgenomen van 30 m2. Het terras mag voor maximaal 2/3 overdekt worden en worden voorzien van een hekwerk van maximaal 1 meter hoog gelet op de veiligheid. In de regels zijn ook maximaal 2 aanmeerpalen per woonschip voorzien met een maximale hoogte van 6 meter. Losse boten (bijboten) en voorzieningen Veel van de woonboten hebben naast de woonboot nog een of meerdere ‘pleziervaartuigen’ liggen, in de vorm van een roeiboot, zeilboot, sleepboot, motorjacht, e.d. De hoeveelheid pleziervaartuigen is divers van één enkel pleziervaartuig tot 4 pleziervaartuigen.

In verband met de ruimtelijke kwaliteit, zeker gezien vanaf het water, wordt om wildgroei aan extra boten te voorkomen, vastgelegd wat naast

Hoofdstuk 2

11

de hoofdboot nog aan pleziervaartuigen is toegestaan. Het maximale aantal pleziervaartuigen is gemaximeerd op 2. Het verplichte vluchtbootje (de ‘bijboot’) valt niet onder dit maximum en is dan ook toegestaan. Daarnaast is in enkele gevallen ten behoeve van de pleziervaartuigen en/of bijboten een overdekte stalling op het water gerealiseerd. In de regels is opgenomen dat een dergelijke overkapping demontabel moet zijn, een oppervlakte van maximaal 20 m 2 heeft en maximaal 3 meter hoog is. Afstand tussen de woonboten Voor de ruimtelijke kwaliteit van de hele oeverzone is het belangrijk dat alle woonboten niet tegen elkaar liggen zodat er nog voldoende zichtlijnen van de oever naar het water en visa versa over blijven. In de huidige situatie liggen de woonboten al dusdanig verspreid over het gebied, dat van een aaneengesloten stuk woonboten geen sprake is. Naar de toekomst toe is het wel belangrijk om vast te leggen wat een minimale afstand dient te zijn tussen de woonboten, zodat de beleving van het water ten alle tijden gewaarborgd is. In de regels is opgenomen dat de afstand tussen woonboot en de zijdelingse woonschepenligplaatsgrens tenminste 2,5 meter bedraagt. Hiermee is voldoende afstand tussen de woonboten geborgd.

Bestemming: alleen wonen, beroep aan huis mogelijk? In het bestemmingsplan is een afwijking opgenomen voor de uitoefening van bedrijven, vallende onder de kleine economie en voor afhankelijke woonruimte. Hierbij is aansluiting gezocht bij de standaardbepalingen in de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van een reguliere woning in Roermond. Bebouwing op de oever: berging (afmetingen), afmeting grondstuk, erfafscheidingen De betreffende boten hebben allen de beschikking over een stukje tuin op de oever. De inrichting van de tuinen is divers. Bij sommige ligplaatsen is de oever nauwelijks in gebruik genomen. Terwijl andere ligplaatsen de oever compleet als tuin met erfafscheiding en bijgebouwen hebben ingericht. In een aantal gevallen is sprake van een complete tuininrichting met ophogingen, verhardingen en plantenbakken.

In dit geval ligt die ‘tuin’ in het zicht en is sprake van semi-openbaar gebied. Het is dan ook niet wenselijk om de ‘voortuin’ vol te bouwen, te omheinen en te beklinkeren. Daarnaast geldt ter plaatse de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed’, op basis waarvan in beginsel niet mag

Hoofdstuk 2

12

worden gebouwd, tenzij een vergunning op basis van artikel 6.5 Waterwet is verleend. Rijkswaterstaat heeft in het verlenen voor diverse bouwwerken op de oever een vergunning verleend. Uit de huidige inrichting volgt dat de meeste eigenaren / gebruikers behoefte hebben aan een berging op de wal. Om wildgroei aan allerlei elementen op de oever te voorkomen is het noodzakelijk vast te leggen wat wel en niet kan op de oever. Roermond ligt direct naast het rivierenlandschap met uitgestrekte vergezichten. Deze zijde van de Maas wordt gekenmerkt door een open landschap. Het is daarom niet wenselijk om de oever dicht te bouwen en derhalve zijn beperkingen gesteld aan bebouwing op de oever. Voor bergingen is in het bestemmingsplan een wenselijke maat opgenomen van maximaal 20 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 meter. Daarnaast is het aantal bijgebouwen gelimiteerd tot maximaal 1 berging op de oever per perceel. Andere bouwwerken (geen gebouwen zijnde) zijn verder niet toegestaan, met uitzondering van een erfafscheiding tot een maximale hoogte van 1 meter. Dit maakt het voor bewoners mogelijk om hun perceel af te schermen en tegelijkertijd komt de openheid van het landschap niet in het geding. De erfafscheidingen mogen niet worden gerealiseerd tussen oever en woonschip. Gebruik van de oever Parkeren op de oever is toegestaan tot een maximum van 3 auto’s.

Het stallen van caravans is verboden. Daarnaast is in de regels een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het verharden / beklinkeren van de oever. Toekomstperspectief Dit bestemmingsplan voorziet in de legalisering van de huidige tien woonboten. In dit bestemmingsplan is geen rekening gehouden met het toevoegen van ligplaatsen. Het is ruimtelijk niet wenselijk om het aantal uit te breiden omdat met het huidige aantal het beeld van woonboten niet te dominant is. Het beeld is nu wonen op het water op beperkte schaal. Gezien de heel uitstraling van het gebied, is het belangrijk dat groen, water en recreatie hier de overhand heeft en niet wonen. Daarnaast wordt bij de aansluiting op de riolering ook slechts rekening gehouden met tien ligplaatsen.

Hoofdstuk 2

13

3.

BELEIDSKADER Dit hoofdstuk gaat in op de relevante beleidsaspecten op rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;

Hoofdstuk 3

14

5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.

Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Dit bestemmingsplan dient ter legalisering van woonboten die al tientallen jaren op deze locatie zijn gelegen. De woonboten hebben geen nadelige gevolgen voor de nationale belangen. Wel wordt rekening gehouden met de belangen ter bescherming en behoud van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed. Derhalve is een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed opgenomen’. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisten opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Hoofdstuk 3

15

Afweging In het Barro zijn regels opgenomen voor de grote rivieren. Voor nieuwe bestemmingen in het rivierbed een meer specifiek het stroomvoerend rivierbed zijn nadere regels gesteld. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een regeling voor reeds tientallen jaren bestaande activiteiten (ligging woonboten en oevergebruik inclusief daarbij behorende bouwwerken). Deze activiteiten zijn vergund door Rijkswaterstaat. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt. Het Barro levert dan ook geen belemmeringen op met betrekking tot onderhavig bestemmingsplan. In paragraaf 3.1.6 wordt nader ingegaan op de Beleidslijn grote rivieren. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.2 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt bijvoorbeeld, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.

In het voorliggende geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro, definiëring begrippen). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de legalisering van tien woonboten. De woonboten kunnen vergeleken worden met het realiseren van woningen. Nu minder dan 12 woningen (woonboten) worden gelegaliseerd behoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking op dit bestemmingsplan niet te worden toegepast.

2

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

16

3.1.4 Nationaal Waterplan 2016-2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld als opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid voor de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Daarmee wordt aangesloten bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan wordt een volgende ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Ontwerp Nationaal Water Programma 2022-2027 Van maandag 22 maart 2021 tot en met dinsdag 21 september 2021 ligt het Ontwerp Nationaal Water Programma 2022-2027 en de bijlagen daarvan, namelijk de ontwerpteksten voor de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee inclusief de Mariene Strategie, ter inzage. Ook het milieueffectrapport inclusief de Passende beoordeling zijn beschikbaar. In maart 2022 wordt het definitieve Nationaal Water Programma 2022-2027, inclusief alle onderdelen, gepubliceerd. 3.1.5 Waterwet en waterbesluit Op 22 december 2009 is de Waterwet van kracht geworden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. De Waterwet schept een kader voor de noodzakelijke modernisering van het Nederlandse waterbeheer voor de komende decennia. Door het samenvoegen van meerdere vergunningen nemen de bureaucratie en de regeldruk voor burgers en bedrijven af. De Waterwet sluit goed aan op de Wro, waardoor de relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid wordt versterkt. Met één integrale wet is ook het uitvoeren van Europese waterrichtlijnen eenvoudiger geworden.

Dat geldt onder meer voor de Kaderrichtlijn Water die uitgaat van internationale stroomgebieden en watersystemen (rivieren, meren en delta's), de richtlijn over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's en de Kaderrichtlijn mariene strategie. De Waterwet voegt acht bestaande waterwetten samen: de Wet op de waterhuishouding, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Wet verontreiniging zeewater, Grondwaterwet, Wet droogmakerijen en indijkingen, Wet op de waterkering, Wet beheer rijkswaterstaatswerken (de 'natte' delen daarvan) en de Waterstaatswet 1900 (het 'natte' gedeelte daarvan). Daarnaast is vanuit de Wet bodembescherming de regeling voor waterbodems ondergebracht bij de Waterwet. Paragraaf 6 van Hoofdstuk 6 van het Waterbesluit regelt de handeling die in Rijkswateren mogen plaatsvinden. Bepaalde handelingen mogen niet worden uitgevoerd zonder een vergunning van de

Hoofdstuk 3

17

Minister zoals bedoeld in artikel 6.5 Waterwet. Het afwegingskader voor de afgifte van een dergelijke vergunning wordt gevormd door de Beleidsregels grote rivieren. Het plangebied is geheel gelegen binnen het ‘stroomvoerend regime’. In dit gebied geldt een vergunningplicht. Dit wordt nader beschreven in de navolgende paragraaf. 3.1.6 Beleidslijn grote rivieren In de Beleidslijn grote rivieren (Bgr) geeft het Rijk aan wat met de gebieden langs de grote rivieren mag gebeuren, welke activiteiten er zijn toegestaan en hoe het rivierwater veilig kan worden afgevoerd en geborgen. Er zijn delen van het rivierbed en specifieke activiteiten in het rivierbed vrijgesteld van de vergunningplicht voor gebruik van het rijkswaterstaatswerk. De delen van het rivierbed die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht zijn opgenomen in bijlage IV van het Waterbesluit. Voor deze gebieden geldt ook geen meldingsplicht voor het gebruik van het rijkswaterstaatswerk. De specifieke activiteiten die zijn vrijgesteld van vergunningplicht zijn opgenomen in artikel 6.12 van het Waterbesluit en nader uitgewerkt in artikel 6.11 van de Waterregeling. Voor deze activiteiten geldt wel een meldingsplicht en zal voldaan moeten worden aan de zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 6.15 van het Waterbesluit.

Dit betekent dat de activiteiten zodanig gesitueerd en uitgevoerd moeten worden dat er geen nadelige gevolgen zijn voor het veilig en doelmatig functioneren van het waterstaatswerk en dat er geen waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen mag optreden.

Uitsnede kaart behorende bij de Beleidsregels grote rivieren. (globale ligging plangebied zwart omcirkeld)

Hoofdstuk 3

18

Het plangebied ligt op basis van kaartblad 12 van de Beleidsregels grote rivieren binnen het stroomvoerend regime. Het stroomvoerend regime biedt slechts de mogelijkheid om toestemming te geven aan riviergebonden activiteiten. Niet-riviergebonden activiteiten binnen dit regime zijn alleen mogelijk als er sprake is van het hergebruiken van bestaande gebouwen of als er met rivierverruimingsmaatregelen “per saldo meer ruimte” voor de rivier wordt geboden. De aanleg van woonboten en het oevergebruik vallen onder de niet-riviergebonden activiteiten, maar zijn in het verleden wel vergund door Rijkswaterstaat. Het onderhavige bestemmingsplan legaliseert slechts de bestaande situatie en biedt hooguit beperkte mogelijkheden om het wonen op het water beter te faciliteren. De Beleidslijn grote rivieren staat de onderhavige legalisering dan ook niet in de weg. Wel moeten eigenaren / bewoners rekening houden met een vergunningplicht voor nieuwe bouwen/of aanlegwerkzaamheden.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg (zie paragraaf 3.2.3).

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het land lijkals in het bebouwde gebied;

Hoofdstuk 3

19

 

Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema’s die in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing zijn ‘Wonen en leefomgeving’ en ‘Water’ en ‘Natuur’. Wonen en leefomgeving Vanuit de wetgever is de provinciale rol wat betreft dit thema beperkt. Daarom kiest de provincie voor een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De provincie acteert vanuit toegevoegde waarde; ondersteunt de partners en vullen hen aan. Waar nodig treedt de provincie vanuit de omgevingsverordening corrigerend op. Woningbouwontwikkelingen worden bekeken vanuit een brede maatschappelijke context. Dat vraagt om een integrale aanpak, waarbij veiligheid en leefbaarheid altijd worden meegenomen.

Daarnaast stimuleert de provincie verduurzaming en het levensloop bestendig maken van bestaande en nieuwe woningen. De provincie vindt het belangrijk dat eerst de kwaliteit van het bebouwd gebied op orde wordt gemaakt. Via het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. De provinciale Omgevingsvisie is hiervoor het richtinggevende kader op hoofdlijnen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. De Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 is daar een voorbeeld van.

Hoofdstuk 3

20

Water: Maasvallei De provincie zet in op de herijking van het waterveiligheidsbeleid voor de Maasvallei. Zo wil de provincie tot een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming langs het stroomgebied van de Maas in Limburg komen. Dit gebeurt volgens afspraak en in samenspraak met het Waterschap Limburg, de Limburgse Maasgemeenten, Rijkswaterstaat, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Staf Deltacommissaris. Ook betrekken worden de Limburgse veiligheidsregio’s hierbij betrokken. De provincie blijft, als partner in gebiedsontwikkeling en hoeder van ruimtelijke kwaliteit, conform onze afspraken met het Rijk, Waterschap Limburg en de Maasgemeenten meewerken en bijdragen aan een aantal gebiedsprojecten gericht op onder andere hoogwaterbescherming. De provinciale bijdrage is gericht op het versterken van gebiedskwaliteiten. Natuur Om de biodiversiteitsdoelen te behalen, zet de provincie in op meerdere sporen. Het primaire spoor is een kwaliteitsimpuls voor de bestaande natuur in het Natuurnetwerk Limburg (huidige goudgroene natuurzone) en vooral in Natura 2000-gebieden. Daarnaast kiest de provincie voor een hoogwaardige kwalitatieve inrichting van de nieuwe natuur in het Natuurnetwerk Limburg.

Aanvullend op het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op het realiseren van zones in de groenblauwe mantel (huidige zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone) waar het ruimtelijk gebruik in meer of mindere mate bijdraagt aan het realiseren van de biodiversiteitsdoelen. De provincie streeft er naar de abiotische omstandigheden voor het Natuurnetwerk Limburg en vooral de Natura 2000-gebieden te herstellen door de water-, bodem- en milieucondities te verbeteren door bijvoorbeeld de overbelasting met stikstof aan te pakken. Dit gebeurt in samenhang met de provinciale stikstofaanpak. Bij het door ontwikkelen van het Natuurnetwerk Limburg en de groenblauwe mantel wordt grensoverschrijdende samenwerking opgezocht. Vanuit de provinciale taak als bevoegd gezag voor de Wet Natuurbescherming blijft de provincie de natuur beschermen door regels in de Omgevingsverordening en door het maken van zorgvuldige afwegingen bij het verlenen van omgevingsvergunningen en ontheffingen. De provincie continueert via de Omgevingsverordening het compenseren van natuur(waarden) als die door andere ontwikkelingen - bijvoorbeeld op het gebied van landbouw, wonen, energieopwekking, economie of recreatie - verdwijnen.

Hoofdstuk 3

21

Afweging Het betreft een situatie die reeds tientallen jaren bestaat. Dit bestemmingsplan voorziet in legalisatie en een ruimtelijk kader, maar feitelijk vinden er geen veranderingen plaats met betrekking tot het aantal wooneenheden en de geldende natuur- en landschapswaarden. Ook de waterveiligheid komt door deze legalisatie niet in het geding. De zoneringen die op het plangebied van toepassing zijn worden nader besproken in de navolgende paragraaf. Daarin vindt ook een meer specifieke afweging plaats met betrekking tot het provinciale beleid. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de Omgevingsverordening 2014 vastgesteld. Hierin zijn de provinciale ambities en belangen uit het toenmalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vertaald naar juridisch bindende voorschriften. De meest relevante onderdelen uit deze verordening worden hierna kort toegelicht. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Bestuursafspraken wonen In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten.

Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – Provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De Provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden.

Hoofdstuk 3

22

Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De gemeente Roermond maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021’ vastgesteld. In het kader van deze regionale uitwerking zijn in artikel 2.4.2 van de verordening de navolgende bestuursafspraken (per regio) vastgelegd: 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. 3.

Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 4. Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid , kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden. 5. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid. 6.

De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen en als het vierde lid van toepassing is, van het versterken van de kwalitatieve woningvoorraad. Specifieke bepalingen In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normering wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren.

Hoofdstuk 3

23

Toepassing Bestuursafspraken en de Ladder voor duurzame verstedelijking In paragraaf 3.3.1 wordt het regionale woonbeleid nader toegelicht en toegepast op de onderhavige planontwikkeling. Dit bestemmingsplan voorziet in de legalisering van 10 woonboten die er sinds de jaren ’60 al liggen. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast. Milieubeschermingszone Roerdalslenk Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk III verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Binnen onderhavig voornemen zijn geen grondboringen dieper dan 80 meter voorzien.

De ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III vormt derhalve geen belemmering. Natuur- en landschapszones Het grootste deel van het plangebied is gelegen binnen de bronsgroene landschapszone en een klein deel (meest noordelijk gelegen woonboot) valt binnen de goudgroene natuurzone. Ten oosten van het plangebied is eveneens een goudgroene natuurzone van toepassing.

Hoofdstuk 3

24

Uitsnede Kaart 4 Provinciale Omgevingsverordening: ‘Beschermingszones natuur en landschap’ met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Bronsgroene landschapszone (donkergroen gekleurd) De bronsgroene landschapszone, omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. In Zuid-Limburg omvatten deze zones ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijft of versterkt worden (‘ja-mits’). Goudgroene natuurzone (lichtgroen gekleurd) De goudgroene natuurzone omvat bestaande bos- en natuurgebieden, gebieden die de komende jaren zullen worden omgevormd tot natuurgebied en een klein areaal landbouwgebieden waarin sprake is van agrarisch natuurbeheer (volledig omsloten door Natura2000-gebieden). Maar de zone omvat

Hoofdstuk 3

25

ook andere gebieden: wegen die door het gebied lopen en verspreide bebouwing, vaak agrarische bedrijven (de zgn. bouwblokken) of kloosters. Dat heeft alles te maken met het feit dat de Provinciale kaart niet de precisie heeft van een bestemmingsplan. In de goudgroene natuurzone staat beschermen en versterken van de natuur centraal, met bijzondere aandacht voor de Natura2000 gebieden en de natuurbeken. Ook de hydrologisch gevoelige natuurgebieden (waaronder de natte parels) vragen om aandacht. De provincie wenst recreatief medegebruik van de natuur te optimaliseren. Van belang is een goede maatschappelijke verankering van natuur(beleid). De planologische bescherming van de goudgroene natuurzones krijgt vorm door een ‘nee-tenzij bescherming’ in de Omgevingsverordening. De wijze waarop met wijziging van bestemmingen binnen de goudgroene natuurzone moet worden omgegaan, is echter niet overal hetzelfde. De regels uit de Omgevingsverordening gelden voor de hele goudgroene zone, maar de invulling ervan varieert per situatie. Afweging Het betreft een situatie die reeds tientallen jaren bestaat. De woonboten liggen er sinds de jaren zestig toen ze vanwege de ontwikkeling van de Willem-Alexanderhaven naar de Donkernack moesten worden verplaatst (overheidsinitiatief). De Donkernack maakt onderdeel uit van de Maasplassen waar reeds recreatieve ontwikkelingen mogelijk zijn.

Dit maakt dat er geen sprake is van primair buitengebied. Door de ligging in het recreatiegebied en de nabijheid van de stad is de Donkernack een goede plek voor de woonboten. Rijkswaterstaat heeft de benodigde vergunningen verleend voor zowel de ligging van de boten als het daarbij behorende oevergebruik inclusief aanwezige bebouwing. Dit maakt dat sprake is van pseudo bestaande rechten voor eigenaren en gebruikers. Een van de woonboten is zelfs positief bestemd in de ter plaatse vigerende beheersverordening ‘Maas en Maasplassen’. Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch legaliseren van de betreffende woonboten, hetgeen noodzakelijk is om de benodigde riolering aan te kunnen leggen en om stedenbouwkundige en ruimtelijke randvoorwaarden vast te kunnen leggen. Feitelijk vinden er geen veranderingen plaats met betrekking tot de geldende natuur- en landschapswaarden en het van toepassing zijnde milieubeschermingsgebied. De kernkwaliteiten en aanwezige natuurwaarden blijven daarmee ook in de toekomstige situatie behouden. De goudgroene natuurzone is in dit bestemmingsplan verankerd middels een gebiedsaanduiding ‘overige zone – natuurnetwerk’ en een nadere regeling die aansluit bij de Omgevingsverordening Limburg 2021.

Hoofdstuk 3

26

3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerp-omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is op 17 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op het moment dat ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied grotendeels binnen de ‘Groenblauwe mantel’ (vergelijkbaar met de huidige bronsgroene landschapszone) en het ‘Natuurnetwerk’ (vergelijkbaar met de huidige goudgroene natuurzone). Daarnaast gaat het hier om het planologisch toevoegen van woningen en derhalve is ook artikel 12.1 van de ontwerp-omgevingsverordening van belang.

Conform dit artikel dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende te beschrijven: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Afweging De uitgangspunten van de ontwerp-omgevingsverordening zijn vergelijkbaar met de uitgangspunten in de huidige provinciale omgevingsverordening uit 2014. Uit de voorgaande paragraaf volgt reeds dat

Hoofdstuk 3

27

sprake is van een planologische legalisering van een situatie die tientallen jaren geleden ontstaan is om een probleem elders op te lossen, namelijk het realiseren van de Willem Alexanderhaven. Het onderhavige bestemmingsplan legt slechts een reeds lange tijd bestaande situatie vast. Feitelijk wordt er niets gewijzigd en dit betekent dat er feitelijk ook geen landschappelijke waarden of natuurwaarden in het geding komen. Nu er feitelijk geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling, staat het provinciale beleid de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. Zoals is in de voorgaande paragraaf vermeld is het Natuurnetwerk Limburg geborgd in de regels.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 Algemeen De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) en de provincie Limburg hebben het initiatief genomen tot het opstellen van een Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving (regionaal vastgesteld op 18 december 2014). In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld ‘Wonen’ voor de korte termijn (2014 tot en met 2017) en met een doorkijk naar de lange termijn (2018 tot en met 2023) vastgelegd. Deze structuurvisie is medio 2019 geactualiseerd voor de jaren 2018 t/m 2021 in de vorm van de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2024’ met als ondertitel “Bouwen aan de toekomst’. Deze structuurvisie richt zich primair op wonen. In de gemeente Roermond is deze structuurvisie vastgesteld op 4 juli 2019 en daarmee is tevens de ‘Structuurvisie Woonomgeving Midden-Limburg uit 2014’ ingetrokken. Structuurvisie op basis van de Wet ruimtelijke ordening De structuurvisie is vastgesteld op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Hiermee wordt voorzienbaarheid gecreëerd. Dit is belangrijk omdat de (potentiële) plancapaciteit in de regio Midden-Limburg teruggebracht dient te worden van ca. 10.800 woningen tot ca. 5.800 woningen.

De belangrijkste ontwikkelingen Midden-Limburg kenmerkt zich door grote verschillen. Op hoofdlijnen komt het neer op een agrarisch gebied met veel woningen in het buitengebied in het westen, de Maas en Maasplassen met het wonen georiënteerd op het water en de natuurgebieden in het oosten waar het wonen meer in/nabij de kernen plaatsvindt en minder in het buitengebied. Er is sprake van een urbanisatietrend, de steden/centrumkernen lijken aan aantrekkingskracht te winnen. Wat betreft de demografische ontwikkelingen doen zich ook verschillen voor. Een aantal gemeenten krimpt al in bevolkingsomvang of gaat dat het komend decennium doen. Een aantal groeit nog langere tijd door.

Hoofdstuk 3

28

In de Structuurvisie uit 2014 zijn regionaal twee belangrijke afspraken gemaakt, namelijk het realiseren van woningen en het afstemmen van de planvoorraad op de behoefte. Per gemeente is aangegeven wat maximaal mag worden gebouwd. Dit gold echter niet voor de gemeenten Roermond en Nederweert, omdat daar de huishoudenspiek op basis van Etil 2013 hoger ligt. Voor deze twee gemeenten gold zelfs een minimumopgave. Tegelijkertijd lag er een opgave om binnen 10 jaar de overcapaciteit in de planvoorraad terug te brengen tot het afgesproken aantal te bouwen woningen. In de nieuwe ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg’ wordt in hoofdstuk 2 even teruggeblikt op de ontwikkelingen tussen 2014 t/m 2017. Daaruit volgt dat de overcapaciteit is teruggebracht. Weliswaar minder dan in de Structuurvisie uit 2014 afgesproken, maar er heeft in ieder geval in Midden-Limburg een kwalitatieve opschoning van plannen plaatsgevonden. Gemeente Roermond had overigens een zeer beperkte opgave tot het terugdringen van plancapaciteit. Daarnaast is geconstateerd dat het aantal inwoners in Midden-Limburg meer groeit dan waarvan de prognoses uit gaan. Wel is een verschil binnen de regio merkbaar. De centrumsteden Weert en Roermond alsmede Nederweert groeien qua inwonertal, terwijl de overige gemeenten met veel kleine kernen hun inwonertal zien afnemen.

In alle gemeenten in de regio is het aantal huishoudens toegenomen. Verder hebben Nederweert, Roermond en Weert hun ambitie ten aanzien van het aantal te realiseren woningen gehaald. In de andere gemeenten zijn minder woningen gerealiseerd dan voorgenomen. In alle gemeenten is de aantrekkende woningmarkt merkbaar. Het aantal huishoudens is fors meer gegroeid dan in 2013 was voorzien. De druk op de huur- en koopmarkt is toegenomen. Er is een nadrukkelijk onderscheid tussen de stedelijke gebieden Weert-Nederweert en Roermond en de verspreid los gesitueerde kernen in Midden-Limburg. Uitbreidingen hebben vaak plaatsgevonden in bestaande plannen. Het accent ligt bij nieuwe initiatieven meer op transformatie, inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Dat is mede een gevolg van beleid dat zich richt op inbreiding in plaats van uitbreiding. Transformatie van leegstaand vastgoed heeft de voorkeur boven nieuwbouw op uitbreidingslocaties. Leegstaand vastgoed bevindt zich vaak op centrale plekken in de wijken en dorpen. Denk aan vrijkomende maatschappelijke accommodaties zoals buurthuizen, scholen, zorgvastgoed, kantines, bibliotheken, alsmede commercieel vastgoed zoals kantoren en winkels. Middels transformatie kunnen kleinere woningen worden gerealiseerd. Deze woningen zijn geschikt voor 1- en 2-persoons huishoudens. Aan dit type woningen is behoefte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=057cf9e7-df96-41ba-8492-3a8a98f5df1b