CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Roertoren

Gemeenteraad 6 juni 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Roertoren20.820 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Duurzaamheidsvisie Roermond 2017

De transitie naar een duurzamere samenleving is van groot belang, niet alleen nu maar ook voor de toekomstige generaties. Deze duurzaamheidsvisie is, met name door de breedte, niet los te zien van andere gemeentelijke beleidsvelden en visies. Dit komt onder andere naar voren in de themakeuze. Zo liggen er hele duidelijke verbanden met de Mobiliteitsvisie, de op 22 december 2016 vastgestelde Toekomstvisie en Groenvisie en in het sociale domein bijvoorbeeld de Welzijnsvisie. Deze koppelingen waarborgen daarmee de integraliteit. De duurzaamheidsvisie gaat in op een zestal thema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

economie en ondernemerschap; ruimte, wonen en bouwen; verkeer en mobiliteit; grondstoffen en afval; milieu, energie en water; participatie en sociale duurzaamheid.

Wonen op het gebied van ruimte, wonen en bouwen De beschikbare ruimte in Roermond wordt efficiënt en duurzaam gebruikt. De kwaliteit van de ruimte wordt verhoogd, wat wil zeggen dat Roermond inzet op een toegankelijke en bruikbare buitenruimte voor een breed spectrum aan doelgroepen. In Roermond worden vanaf 2020 alleen nog maar bouwplannen ontwikkeld die energieneutraal zijn maar bij voorkeur Nul op de Meter, materiaalgebruik en groen in relatie tot elkaar. Samen met de woningcorporaties waaronder Wonen Limburg en netbeheerder Enexis,

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 28 van 58

werken we aan een transitieplan naar een gasloze woningvoorraad. In 2040 is de Roermondse woningvoorraad verduurzaamd, wat onder meer inhoudt dat de woningvoorraad minimaal energielabel C (of) B heeft. Roermond zet in ieder geval in op zonne-energie als variant van duurzame opwekking, waarbij ook de mogelijkheden (zoals windenergie) buiten de stedelijke bebouwing niet worden uitgesloten maar in voorkomend geval worden onderzocht. Het beeldbepalende karakter van de binnenstad wordt behouden door de inzet van zoveel mogelijk esthetische zonne-energieoplossingen waar nodig en mogelijk. 4.4.3.1 Toetsing van initiatief aan de Duurzaamheidsvisie Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van 110 appartementen welke duurzaam worden gerealiseerd. In voorliggend geval zullen de appartementen voldoen aan de BENG normen. De appartementen en de andere functies in de woontoren worden gasloos opgeleverd en zullen worden voorzien van zonnepanelen. Verder biedt het plan de mogelijkheid om het autogebruik verder terug te dringen gelet op de verschillende mogelijkheden in de nabijheid van het plangebied om gebruik te maken van het openbaar vervoer. 4.4.4

Groenvisie Roermond 2016

Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van Roermond de Groenvisie Roermond vastgesteld. De gemeente Roermond heeft veel stenige stedelijke omgevingen met wanden en daken die getransformeerd kunnen worden naar groen en ziet daar een mooie uitdaging. Roermond heeft de ambitie om dé groene architectuurstad te worden. Om dit te bereiken worden in de Groenvisie kansen benoemd en inspirerende voorbeelden gegeven voor groene architectuur, waarbij de gemeente het voortouw neemt met strategische groenprojecten. De koppeling tussen groen en architectuur vraagt om een zorgvuldige afstemming, bouwkundig en communicatief. Elke situatie is anders en dat daagt uit tot verrassende en innovatieve oplossingen. Tegelijkertijd zet de Groenvisie in op duurzame groenstructuren voor de openbare ruimte. Groenstructuren die aantrekkelijk zijn en zo robuust dat ze voor lange tijd bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. De gemeente wil de landschappelijke structuren herkenbaar maken in de stad en meer bomen krijgen de kans om monumentaal te worden. De gemeente gaat voor een ecologisch waardevolle, klimaat- en ziektebestendige openbare groenstructuur die klaar is voor de toekomst. Om de ambitie voor de groene buitenruimte waar te maken, zijn spelregels opgesteld; toetsingscriteria voor kwaliteit.

Deze spelregels zijn noodzakelijk om richting te kunnen geven aan nieuwe ontwikkelingen en het in stand houden van het huidige openbaar groen. Goede spelregels zorgen er ook voor dat de beschikbare financiële middelen gerichter ingezet kunnen worden. 4.4.4.1 Toetsing van initiatief aan de Groenvisie Door het verkleinen van de footprint van de toren ten opzichte van de vergunde situatie is er meer ruimte aanwezig voor groen. Bureau Verbeek heeft een visie opgesteld voor maximale vergroening van de buitenruimte rondom de Roertoren. De visie is als concept ambitiedocument opgenomen als bijlage 21. De gronden rondom de toren zullen groen ingericht worden, het aan te leggen terras zal tevens groen ingepast worden. Het groen in de buitenruimte zal over de eerste 3 bouwlagen langs de gevels omhoog worden geleid. Op deze wijze verrijst de Roertoren als het ware uit het groen en wordt een gezonde leefomgeving en goed prettig woon- en leefklimaat gerealiseerd.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 29 van 58

4.4.5

Nota Parkeernormen 2021

In oktober 2021 is de Nota Parkeernormen 2021 vastgesteld. Deze betreft een actualisatie van de Nota Parkeernormen 2014. Het doel van de nota blijft om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties in de stad te realiseren. Het parkeerbeleid van de gemeente Roermond vormt zowel een volgend als een sturend beleid. Met een sturend beleid wil de gemeente het selectief gebruik van de auto bevorderen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen en de bouwverordening worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Daarbij gaat het om nieuw te realiseren functies of uitbreidingen; bij bestaand gebruik blijft de parkeernorm gehandhaafd die bij het vaststellen van het oorspronkelijke bestemmingsplan is vastgesteld. De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. Op het grondgebied van de gemeent e Roermond worden vier zones onderscheiden: Centrum; Schil; Rest bebouwde kom; Overige kernen en buitengebied. 4.4.5.1 Toetsing van initiatief aan de Nota Parkeernormen 2021 Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'schil'.

De parkeernormen uit de parkeernota zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. De parkeervraag van de beoogde functies wordt opgelost in de naastgelegen parkeergarage Stationspark, waarbij bij de realisatie en de bepaling van de omvang van de parkeergarage al rekening was gehouden met de parkeervraag van het destijds beoogde kantoorprogramma. Zie ook paragraaf 5.10.3 waar wordt ingegaan op het aspect parkeren en het aantal benodigde parkeerplaatsen. Door de parkeernormen aan de planregels te koppelen is de intentie van de hiervoor genoemde nota geborgd en zodoende geeft het plan invulling aan deze nota. 4.4.6

Ontwerp Omgevingsvisie Roermond

De ontwerp-Omgevingsvisie Roermond heeft vanaf 8 juni 2022 tot en met 19 juli 2022 ter inzage gelegen. De Omgevingsvisie is onderdeel van de toekomstige nieuwe Omgevingswet. Er is dan één omgevingsvisie voor de hele gemeente Roermond. Deze visie wordt daarna nog vertaald in een omgevingsplan. De visie bevat het beleid op hoofdlijnen voor de toekomst van de gemeente Roermond. De visie gaat over de fysieke leefomgeving en richt zich op mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren, ondernemen, maar ook op een gezond en veilig leefklimaat. Voorafgaand aan het opstellen van de omgevingsvisie zijn verschillende beleidsnota’s opgesteld, zoals de Economische visie, de Groenvisie en de Toekomstvisie. Deze visies zijn tot stand gekomen in samenwerking met de inwoners, ondernemers, verenigingen en organisaties van Roermond. Daardoor lag er voor deze omgevingsvisie een goede, gedragen beleidsmatige basis. Samen met stakeholders is gewerkt aan het opstellen van de omgevingsvisie. Deze visie brengt deze verschillende beleidsvisies met elkaar in verband en zorgt voor een overkoepelend, integraal afwegingskader voor nieuwe initiatieven die niet passen op basis van

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 30 van 58

de geldende bestemmingsplannen (straks het omgevingsplan). De Omgevingsvisie bindt de gemeente, niet andere partijen in de samenleving. De Omgevingsvisie zal ook een van de kaders vormen voor het toekomstige Omgevingsplan van de gemeente. Kernopgaven Uit de gesprekken die met stakeholders zijn gevoerd en een aantal beleidsvisies waarover de afgelopen jaren breed participatie heeft plaatsgevonden, zijn kernopgaven voor Roermond geformuleerd. De kernopgaven zijn samengevat in 7 fysieke opgaven: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Een bestaanszekerheid voor al onze inwoners; Een passende woning voor iedereen; Een gezond leven mogelijk maken; Een kansrijke en inclusieve samenleving; Een nieuwe economie; Een duurzame samenleving; Transformatie binnenstad.

Eén van de uitgangspunten is inzetten op Roermond als woon- en werkstad voor goed opgeleide jongeren. Hierbij ziet de gemeente, gezien de unieke kenmerken van Roermond, met name kansen in de groep starters en doorstromers op de arbeids- en woningmarkt (25 tot 40 jaar). Voor deze doelgroep is in de eerste plaats voldoende geschikte en betaalbare huisvesting nodig. Daarnaast past de gemeente het principe van duurzaam ruimtegebruik toe. De gemeente wil ruimte blijven bieden aan nieuwbouw van woningen binnen het bestaand bebouwde gebied. Voor de stad Roermond betekent dit: binnen het bestaande stedelijk gebied. Nieuwbouwplannen moeten aansluiten op de vraag en aansluiten op de directe omgeving. Dit vergt een zorgvuldige afstemming op maat, waarbij de nabijheid van busverbindingen, supermarkten en de inrichting van de openbare ruimte een rol spelen. Er is vraag naar woningen voor jongeren, sociale doelgroepen, doorstromers en ouderen. Daarnaast wil de gemeente dat lopen, fietsen en andere actieve en duurzame vervoersmiddel de belangrijkste vervoerswijzen worden. Een belangrijk onderdeel van een gezonde den duurzame leefomgeving is de mogelijkheid om ergens lopend of fietsend heen te gaan.

4.4.6.1 Toetsing van initiatief aan Ontwerp Omgevingsvisie Roermond De voorgenomen ontwikkeling past binnen de Ontwerp Omgevingsvisie Roermond, doordat er betaalbare huisvesting gerealiseerd wordt in de vorm van huurappartementen. Daarnaast is het een ontwikkeling welke plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied en direct grenzend aan het treinstation van Roermond. Door de ligging direct grenzend aan het treinstation zal de noodzaak tot autogebruik afnemen.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 31 van 58

4.4.7

Hoogbouwnota

Op 30 september 2004 is de Hoogbouwnota vastgesteld. Het doel van de nota is inzicht te geven in de mogelijkheden voor hoogbouw in Roermond en de randvoorwaarden die eraan gesteld kunnen worden. De Hoogbouwnota richt zich in hoofdzaak op de binnenstad van Roermond en de randen ervan. De binnenstad kenmerkte zich ten tijde van het opstellen van de nota als een platte koek met daarin een drietal hoge accenten: De Sint Christoffel kathedraal, de Munsterkerk en de Oranjerie. Nieuwbouw moet de prominente positie van de kathedraal en de Munsterkerk respecteren. Hoogbouw in Roermond zal bij de schaal van het bestaande moeten aansluiten. In Roermond worden gebouwen van 35 meter en hoger als hoogbouw beschouwd. Als er vanuit de markt sprake is van een vraag naar hoogbouwlocaties, dan verdient het aanbeveling naar mogelijkheden voor ensembles te zoeken. Nagestreefd moet worden dat de hoogbouwensembles de ruimte krijgen op de plekken die inhoudelijk potentie hebben voor het stedelijk leven. De ontsluiting van een ensemble moet gebeuren vanaf een samenhangende infrastructuur. 4.4.7.1 Toetsing van initiatief aan Hoogbouwnota In de hoogbouwnota wordt het stationsgebied aangedragen als een van de gebieden die qua ruimte en infrastructuur mogelijkheden biedt voor een hoogbouwcluster, met een maximale bouwhoogte van ca. 60 meter rondom het station.

Het plan voor de kantoortoren uit 2008, met een maximale bouwhoogte van 68 meter, is destijds getoetst aan de uitgangspunten uit de hoogbouwvisie en akkoord bevonden. De beoogde alzijdige toren voorziet in een vergelijkbare bouwhoogte, maar heeft door de kleinere footprint dan de kantoortoren een veel rankere uitstraling. De verhoudingen komen hierdoor beter tot zijn recht, en sluit beter aan bij de uitgangspunten van de gemeentelijke Hoogbouwnota. In de omgeving is meer hoogbouw aanwezig in de vorm van de kantoren van de SVN. De beoogde toren is stedenbouwkundig zowel ambtelijk als door het College akkoord bevonden.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 32 van 58

Hoofdstuk 5 Milieuplanologische aspecten

5.1

Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s). 5.1.1

Situatie plangebied

Naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en ontwikkeling van nieuwbouw is in het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen als bijlage 1. Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat: Zintuiglijk zijn tot op 3,5 m-mv (einddiepte van de verrichte boringen) diverse bijmengingen van bodemvreemde materialen aangetroffen. Het betreft resten of zwakke tot matige bijmengingen van baksteen, puin, metaal, kooldeeltjes en slakken; Analytisch is een sterk verhoogd gehalte aan som-PAK vastgesteld in één grondmonster, 01-2 (0,50-1,00); Verder zijn in alle geanalyseerde monsters licht verhoogde gehalten aan diverse metalen en/of som-PAK aangetoond. Vermoedelijk hangen deze licht verhoogde gehalten voor een deel samen met de diverse bijmengingen van bodemvreemde materialen die zijn aangetroffen; In één van de op asbest geanalyseerde monsters is asbest aangetoond, echter het gehalte ligt ruim onder de toetswaarde voor nader onderzoek; De vastgestelde gehalten aan PFAS liggen onder de toepassingsnormen voor Landbouw/Natuur en Wonen/Industrie; De grondwaterstand is dieper dan 5,0 m-mv, waardoor geen grondwateronderzoek is uitgevoerd. Voor som-PAK wordt uit de onderzoeksresultaten afgeleid dat de bijmengingen van bodemvreemd materiaal hoofdzakelijk leiden tot niet of licht verhoogde gehalten.

Dit wordt onder andere bevestigd door de voorgaande bodemonderzoeken. Met onderhavig onderzoek is voor som-PAK incidenteel een overschrijding van de interventiewaarde vastgesteld. Dit wordt niet beschouwd als een geval van (ernstige) bodemverontreiniging, aangezien geen sprake is van een bodemvolume van ten minste 25 m 3 waarin het gemiddelde gehalte boven de interventiewaarde ligt. Het gemiddelde gehalte aan som-PAK binnen de onderzoekslocatie ligt onder de interventiewaarde, waardoor geen saneringsmaatregelen in het kader van de Wbb aan de orde zijn.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 33 van 58

De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging en afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. 5.1.2

Conclusie

Het aspect bodem levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Ecologie

Op 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming en gebiedsbescherming. 5.2.1

Gebiedsbescherming

Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen die een hoge wettelijke bescherming kennen. Hiervoor zijn Natura 2000 en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangewezen. Situatie plangebied Naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en ontwikkeling van nieuwbouw is in het plangebied een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen als bijlage 2. Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt binnen 800 m afstand. Het betreft ‘Roerdal’. Natura 2000-gebied ‘Meinweg’ ligt op circa 4,1 km ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt in het binnenstedelijk gebied (binnen bebouwde kom) van Roermond en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied in het binnenstedelijk gebied van Roermond en de impact van de voorgenomen ontwikkeling, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid/trillingen op voorhand worden uitgesloten. Lichtuitstraling en geluid/trillingen worden afgeschermd door tussenliggende bebouwing.

Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid/trillingen of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. De voorgenomen plannen leiden – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De stikstofdepositie als gevolg van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase en de

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 34 van 58

bouwwerkzaamheden in de realisatiefase is in beeld gebracht middels de AERIUS-calculator (zie bijlage 4). Uit deze berekening is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie en hiermee is er ook geen sprake van significant negatieve gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en het Natuurnetwerk Limburg (NNL-gebieden). Gezien de aard van de werkzaamheden en toekomstige bestemming is het redelijkerwijze uit te sluiten dat deze effect hebben op NNL-gebieden. 5.2.2

Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantingsof rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Situatie plangebied Om de mogelijke effecten op beschermde soorten flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen, is een Quickscan Wet natuurbescherming (bijlage 2) uitgevoerd. Hieruit kan het volgende worden geconcludeerd: Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Limburg, blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden wetsovertredend kunnen zijn t.a.v. vleermuizen (boombewonende en gebouwbewonende vleermuissoorten). Voor andere soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt t.a.v.

de Wet natuurbescherming dan wel Omgevingsverordening Limburg, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden. Er zijn geen strikte tegenstrijdigheden geconstateerd tussen realisatie van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied en de (ontwerp) Omgevingsvisie Limburg. In de grote Plataan aan de westzijde van het plangebied (langs Spoorlaan Noord) is een grote holte in een tak aanwezig die kan duiden op een verblijfsplaats van boombewonende vleermuissoorten. Deze boom zal bij verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling behouden blijven. Verstoring van mogelijk in de boomholte verblijvende vleermuizen tijdens het bouwproces en toekomstige gebruik van de woontoren is echter niet uit te sluiten. Binnen het plangebied ontbreekt bebouwing waardoor verblijfsplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten eveneens ontbreken. Echter in de muur van de aangrenzende parkeergarage ‘Stationspark’ zijn brede, open stootvoegen aanwezig die toegankelijk zijn voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Deze potentiële verblijfsplaatsen kunnen door de bouw van een woontoren in functionaliteit geschaad worden dan wel tijdens de bouw door de werkzaamheden verstoord worden.

Om uitsluitsel te verkrijgen of vleermuizen gebruik maken van de boomholte in de grote Plataan en stootvoegen in de muur van de aangrenzende parkeergarage is aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen vernietigd en/of beschadigd worden. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is dan ook niet benodigd. Wel kunnen de

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 35 van 58

bouwwerkzaamheden mogelijk leiden tot tijdelijke verstoring. Om dit te voorkomen zullen in de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden worden vastgelegd: Voorkomen van lichtuitstraling door bouwverlichting richting de aangetroffen invliegopeningen in de naastgelegen parkeergarage in de actieve periode van de vleermuis; Voorkomen losse ‘wapperende’ steigerdoeken; Geen materialen plaatsen tegen gevel parkeergarage; Voorkomen overmatig lawaai en trillingen. 5.2.3

Conclusie

Het aspect ecologie levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Geluid

Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning als het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 5.3.1

Situatie plangebied

Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzones van zowel het spoor als van de wegen Maria Theresialaan, Oranjelaan en de Willen II Singel. Gelet hierop is er akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. Navolgend worden de resultaten van dit onderzoek weergegeven. de geluidbelasting vanwege het spoor, de Oranjelaan en de Maria Theresialaan op de gevels van de woontoren overschrijdt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; ter plaatse van het plangebied wordt nergens de maximaal te ontheffen waarde overschreden. Afweging bron- en overdrachtsmaatregelen Aangezien de voorkeursgrenswaarde overschreden wordt zijn in het kader van een goed woonen leefklimaat bron- en/of overdrachtsmaatregelen overwogen. Bron- en overdrachtsmaatregelen weg Voor wat betreft het wegverkeerslawaai zijn het verlagen van de snelheid en het toepassen van geluidreducerende wegdekverharding potentiële bronmaatregelen. Op het wegvak van Oranjelaan en Maria Theresialaan, ter hoogte van het plangebied, is een kruispunt met een verkeersregelinstallatie gesitueerd. De aanleg van geluidreducerend wegdek is vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) niet wenselijk nabij een kruispunt. Deze verharding is minder bestand tegen wringend verkeer, er treedt dan groot en snel kwaliteitsverlies op van het wegdek door afremmend en optrekkend verkeer.

Ook is de aanleg van een geluidreducerend wegdek over een beperkte lengte (minder dan 100 meter) niet wenselijk vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen. De Oranjelaan is een doorgaande weg waardoor het verminderen van het verkeer niet mogelijk is. De Maria Theresialaan is een ontsluitingsweg voor bedrijven en woningen waardoor het

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 36 van 58

verminderen van het verkeer ook niet mogelijk is. Het verlagen de maximumsnelheid op de Oranjelaan is, gezien de functie van de weg, niet wenselijk vanuit verkeerskundig oogpunt. Op Maria Theresialaan geldt over een lengte van circa 50 meter vanaf de Oranjelaan een maximumsnelheid 50 km/uur. Daarna geldt reeds een maximumsnelheid van 30 km/uur. Bronmaatregelen voor het wegverkeerslawaai zijn derhalve niet mogelijk. Een mogelijke overdrachtsmaatregel betreft het plaatsen van een geluidscherm. Gelet op de hoogte van het gebouw is een dermate hoog geluidsscherm nodig dat geconcludeerd kan worden dat dit technisch, stedenbouwkundig en financieel op bezwaren stuit. Gelet hierop is ervoor gekozen om de buitenruimtes van elke appartement dusdanig af te schermen dat elk appartement beschikt over ten minste één geluidluwe zijde. Bron- en overdrachtsmaatregelen spoor Het plaatsen van raildempers is voor wat betreft het spoorweglawaai een te overwegen bronmaatregel. In stationsomgevingen worden echter weinig raildempers toegepast aangezien de aanwezigheid van o.a. wissels de realisatie en effectiviteit van raildempers belemmeren. Het geluidreducerend effect van raildempers is daarnaast beperkt in situaties van optrekkende en afremmende treinen. Gelet hierop wordt afgezien van het toepassen van raildempers. Een mogelijke overdrachtsmaatregel betreft het plaatsen van een geluidscherm.

Gelet op de hoogte van het gebouw is een dermate hoog geluidsscherm nodig dat geconcludeerd kan worden dat dit technisch, stedenbouwkundig en financieel op bezwaren stuit. Gelet hierop is ervoor gekozen om de buitenruimtes van elke appartement dusdanig af te schermen dat elk appartement beschikt over ten minste één geluidluwe zijde waardoor geluidluw geventileerd en gespuid kan worden. De geluidwering in de gevels zal daarnaast voldoen aan de benodigde eisen om te voldoen aan de eisen voor wat betreft het binnenniveau. Op deze wijze is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Emplacement Het plangebied ligt tevens in de nabijheid van het spooremplacement van Roermond. Ten behoeve van de vigerende milieuvergunning van het emplacement is er akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelastbelasting op woningen vanwegege de rangeeractiviteiten. In dit akoestisch onderzoek is o.a. de geluidbelasting op de gevels van de appartementengebouwen in het Stationspark berekend. Hieruit blijkt dat de geluidbelastingen op het appartementengebouw direct ten noorden van de Roertoren voldoen aan de maximale norm van 55 dB(A). Aangezien de Roertoren verder van het spoor is gesitueerd dan de appartementengebouwen in het Stationspark kan worden geconcludeerd dat de geluidbelastingen ter plaatse van de Roertoren tevens aan de normen uit het Activiteitenbesluit zullen voldoen. 5.3.2

Conclusie

Het aspect geluid levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. Wel zal als onderdeel van het vergunningentraject middels een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels aangetoond moeten worden dat voldaan zal worden aan de norm uit het Bouwbesluit voor wat betreft het binnenniveau. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het Stationspark voldaan wordt aan normen in het kader van het Activiteitenbesluit. Aangezien de woontoren verder van het spoor af dan de appartementengebouwen in het Stationspark gesitueerd wordt, kan zondermeer geconcludeerd worden dat ook ter plaatse van onderhavig plangebied de normen uit het Activiteitenbesluit niet worden overschreden.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 37 van 58

5.4

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c.

d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m 2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

5.4.1

Situatie plangebied

Voorliggend bestemmingplan maakt de realisatie van 110 appartementen, 500 m 2 aan kantoorfunctie en 500 m 2 dienstverlenende functies mogelijk. Aangezien de ontwikkeling naast wonen en kantoren ook andere functies mogelijk maakt, valt deze ontwikkeling niet binnen de bepaalde categorieën als geformuleerd in het Besluit niet in betekenende mate. Derhalve dient via een ander spoor getoetst te worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit kan aan de hand van de NIBM-tool. De NIBM-tool is een rekentool van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met het Kenniscentrum InfoMil. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van stikstof en fijnstof in de buitenlucht. De gezamenlijke verkeersgeneratie van de beoogde functies in de Roertoren bedraagt 422 vervoersbewegingen per etmaal. De onderbouwing van de totale verkeersgeneratie is te vinden in paragraaf 5.10.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 38 van 58

Geconcludeerd wordt met de voorgenomen ontwikkeling, die in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Naast de effecten van het voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op www.atlasleefomgeving.nl. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat de achtergrondconcentraties in 2020 aan fijn stof PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied respectievelijk 16 µg/m³, 9 µg/m³ en 19 µg/m³ bedraagt. De achtergrondbelastingen liggen ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en NO2 en ruimschoots onder de grenswaarde van 20 µg/m³ voor PM2,5. Tevens wordt voldaan aan de advieswaarden van de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) van 40 µg/m³ voor NO2, 20 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5. Hiermee is ter hoogte van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft luchtkwaliteit. 5.4.2

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.5

Water

Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten:

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 39 van 58

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aanbod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Nationaal Waterplan 2022-2027 Op basis van de Waterwet werd elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan was het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan gaf de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is opgevolgd door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Deze is vastgesteld op 18 maart 2022. Hierin wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kan bereiden op de komst van de Omgevingswet. Het Nationaal Waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. In het plan worden ambities opgenomen om te werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Waterschap Limburg Het waterbeheer in het plangebied is in handen van Waterschap Limburg. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor de waterhuishouding. In de Keur staan onder andere gebodsbepalingen en verbodsbepalingen en regels voor functies en activiteiten langs watergangen en waterkeringen. Wateroverlast dient voorkomen te worden door het nemen van maatregelen, zoals het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte. Daarbij is het tevens belangrijk dat de dorpel minimaal 20 cm hoger ligt dan het straatpeil. De grondwaterstand mag niet verlaagd worden. 5.5.1

Situatie plangebied

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. De rapportage van de uitgevoerde watertoets is als bijlage 6 opgenomen. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe. De gemeente Roermond heeft in het GRP de criteria van de beoordeling watertoets opgenomen. Het beleid is om 100% van het verharde oppervlak af te koppelen en het schone hemelwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet meer mogelijk

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 40 van 58

is, kan gekozen worden voor afvoeren. Hiertoe dient 15% van het totale plangebied gereserveerd te worden voor waterberging, de zogenaamde “blauwe ruimte”. Als er goed kan worden geïnfiltreerd, heeft een infiltratievoorziening de voorkeur. Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening. Uit eerdere onderzoeken blijkt infiltratie in directe omgeving goed mogelijk. Specifiek ter plaatse van het plangebied wordt ter voorbereiding op de civieltechnische uitwerking een actueel infiltratie onderzoek worden uitgevoerd. Voor het plan geldt: De infiltratie-/bergingsvoorziening moet statisch minimaal 65 m 3 kunnen bergen, aangevuld met 44 m 3 maaiveld berging op eigen terrein. Hierbij mag geen wateroverlast in gebouwen optreden (aantoonbaar), anders geldt volume 109 m 3 in infiltratie / bergings voorziening.

De ledigingscapaciteit van de infiltratie-/bergingsvoorziening moet zodanig groot zijn dat (door infiltratie en/of vertraagde afvoer naar het hemelwaterriool van de gemeente) 131 m 3 hemelwater in 24 uur kan worden verwerkt; De ledigingscapaciteit van de infiltratie-/bergingsvoorziening moet zodanig groot zijn dat (door infiltratie en/of vertraagde afvoer naar het hemelwaterriool van de gemeente) de voorziening binnen 24 uur volledig is geledigd; Er wordt nog gekeken naar de beste manier om om te gaan met het hemelwater, vooralsnog wordt uitgegaan van berging en infiltratie middels it-kratten onder het maaiveld in de buitenruimte. In deze variant zijn ca. 200 it-kratten benodigd, dit vraagt om een ruimtebeslag van ca. 150 - 200 m 2. Hiervoor is o.a. onder het beoogde terras voldoende ruimte gereserveerd. De oplossingen worden voorgelegd aan de gemeente en het Waterschap. Door te voldoen aan de gestelde eisen vanuit de gemeente en het Waterschap, wordt ingespeeld op de klimaatverandering, door zoveel mogelijk het hemelwater binnen het plangebied te bergen. 5.5.2

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Archeologie en cultuurhistorie

5.6.1

Archeologie

In het Europese Verdrag van Malta, ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed als doelstelling opgenomen. In 1998 is dit verdrag goedgekeurd door het Nederlandse parlement. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit is een aanpassingswet waarmee de Monumentenwet 1988 gewijzigd is op het onderdeel archeologie. Door middel van de gewijzigde Monumentenwet moet het archeologisch erfgoed in de bodem bescherming krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 41 van 58

Als gevolg van Europese en nationale wetgeving stellen rijk en provincies zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. De meeste ingrepen in de ruimtelijke ordening vinden plaats op gemeentelijk niveau. De Erfgoedwet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt daarom rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. Situatie plangebied Voor het plangebied geldt volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Vrijveld Lommerveld’ een Waarde Archeologie.

Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart (Ellenkamp en Tichelman, 2008) waar het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft. Dit betekent dat bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoeksplichtig zijn. De toekomstige plannen overschrijden deze grenzen waardoor archeologisch vooronderzoek nodig is. Er heeft een archeologisch bureauonderzoek (zie bijlage 7) plaatsgevonden. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Het plangebied ligt op een Maasterras dat mogelijk is afgedekt met dekzand. Dit terras is vanaf het Laat-Paleolithicum aantrekkelijk geweest voor bewoning. In de omgeving zijn vooral resten bekend uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd die samenhangen met de stadskern van Roermond. Op basis van de historische kaarten is echter geen historische bebouwing in het plangebied zichtbaar.

Voor wat betreft deze perioden zijn daarom waarschijnlijk alleen sporen van landgebruik en infrastructuur (wegen) te verwachten vanaf het maaiveld. Het is mogelijk dat in het noordelijke deel van het plangebied de ondergrond is aangetast door de aanleg van de vroegere bebouwing uit 1970-1999, maar de omvang van deze verstoringen is onbekend. Verder is op basis van topografische kaarten en het AHN een grote kans dat het zuidelijk deel van het plangebied is afgegraven voor de aanleg van de tunnel onder het spoor. Op basis van het bureauonderzoek kan de mate van verstoringen in het plangebied niet verder worden bepaald. Op basis van de landschappelijk ligging, onderzoeken in de buurt en historische kaarten behoudt het plangebied daarom een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot Vroege Middeleeuwen. Vervolg Het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Laat-Paleolithicum tot Vroege Middeleeuwen. Voor de bouw van de nieuwe woontoren zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden tot maximaal 1,8 m -Mv. Deze ingrepen

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 42 van 58

zorgen voor een aantasting van de ondergrond in het plangebied, waarbij mogelijke archeologische niveaus kunnen worden verstoord. Om meer inzicht te verkrijgen in de aanwezigheid en aard van eventuele archeologische resten en mogelijk recente verstoringen zal daarom een verkennend/karterend archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek kan het best in de vorm van een verkennend booronderzoek (IVO-O) plaats vinden. Bij het verkennend booronderzoek zullen in het plangebied boringen moeten worden gezet aan de hand waarvan meer informatie verkregen zal worden over de intactheid van de bodem en de daarbij horende archeologische niveaus. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek kan dan uitspraak gedaan worden over eventuele aan- of afwezigheid van archeologische resten. Naast de middelhoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot Vroege Middeleeuwen dient in het vervolgonderzoek tevens rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van restanten van vestingwerken uit de nieuwe tijd. 5.6.2

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Situatie plangebied Ter hoogte van het plangebied zijn geen waardevolle structuren, elementen en gebieden aanwezig. Het plangebied is niet aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. 5.6.3

Conclusie

Cultuurhistorie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Archeologie Ter hoogte van het plangebied dient nog nader archeologisch onderzoek plaats te vinden middels een verkennend/karterend archeologisch onderzoek. Om de eventuele archeologische waarden te beschermen is er voor gekozen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' over te nemen. Hiermee worden de mogelijke archeologische waarden in de ondergrond geborgd. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient er middels het verkennend/karterend archeologisch onderzoek een beter beeld te zijn van de archeologische waarden. Gezien bovenstaande, waarbij de archeologische waarden met de dubbelbestemming beschermd blijven, vormt het aspect archeologie geen belemmering voor voorliggend plan.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 43 van 58

5.7

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-publicatie'Bedrijven en milieuzonering' In de publicatie bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, versie 2009) is het principe van functiescheiding verder uitgewerkt. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'.

De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. De VNG-publicatie hanteert verschillende omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. 5.7.1

Situatie plangebied

In de VNG-brochure wordt het omgevingstype 'gemengd gebied' als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied." Het plangebied en de omgeving kan aangeduid worden als gemengd gebied. Dit doordat het plangebied grenst aan de binnenstad van Roermond, de spoorlijn, het treinstation en een belangrijke ontsluitingsweg Oranjelaan. Het plangebied wordt grotendeels omgeven door woningen. Ten noorden is een parkeergarage gesitueerd en ten westen is het station van Roermond gelegen. Ten zuidoosten van het plangebied zijn kantoren gesitueerd. In navolgende tabel zijn de richtafstanden van het treinstation en de parkeergarage weergegeven voor een gemengd gebied.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 44 van 58

Functie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Afstand tot aan plangebied

Treinstation

0m

0m

50 m

30 m

70 meter

Parkeergarage

0m

0m

10 m

0m

8 meter

De parkeergarage is op 8 meter vanaf de gevel vanaf de woontoren gelegen. Echter gaat het hier om een dichte parkeergarage, waarbij de in- en uitrit van de parkeergarage verder dan 10 meter vanaf de woontoren is gesitueerd. Er zal hiermee geen geluidsoverlast optreden ter hoogte van de woontoren. Kantoren hebben een milieucategorie 1 en gaan goed samen met woningen. In de woontoren worden naast woningen ook de functies maatschappelijk (middels een afwijkingsbevoegdheid), dienstverlening en kantoren mogelijk gemaakt. Dit zijn functies in de milieucategorie 1, welke goed samengaan met de functie wonen. De verschillende commerciële functies zullen te zijner tijd moeten aantonen dat ze zullen voldoen aan de regels die op grond van het Activiteitenbesluit aan de functies gesteld worden. 5.7.2

Conclusie

Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.8

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG- tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 45 van 58

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 5.8.1

Situatie plangebied

Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de signaleringskaart externe veiligheid weergegeven met daarop het plangebied (groene cirkel) en de betreffende risicobronnen weergegeven.

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 46 van 58

Afbeelding 9: Uitsnede signaleringskaart EV Het plangebied is binnen de invloedsfeer van het spoor Sittard-Roermond-Venlo gelegen. Dit spoortraject is in het Basisnet Spoor opgenomen als transportroute voor gevaarlijke stoffen (basisnetroute 50). Daarnaast ligt het plangebied in de nabijheid van het emplacement, dit betreft een Bevi-inrichting. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (bijlage 8). Spoor Sittard-Roermond-Venlo Plaatsgebonden risico: het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen is op 0 (50Y), 1 (traject 50Um 50V en 50W) en 10 meter (traject 50T en 50X) vanuit het midden van de spoorbundel gelegen. Het plangebied ligt op een afstand van circa 60 van het midden van de spoorbundel. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico: Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie groter dan de oriëntatiewaarde. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico toe. Vanuit het Bevt dient het groepsrisico te worden verantwoord. Plasbrandaandachtsgebied (PAG): het PAG is het gebied tot 30 m van het spoor waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor route 50 geldt een plasbrandaandachtsgebied.

De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf van het buitenste doorgaande spoor. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 36 m van het buitenste doorgaande spoor en daarmee buiten het PAG. Emplacement Roermond Ten westen van het plangebied bevindt zich spoorwegemplacement Roermond. Het plangebied ligt op circa 16 m van de terreingrens van het emplacement. Dit emplacement valt onder het Bevi vanwege de handelingen die plaatsvinden met wagons met gevaarlijke stoffen. Volgens de toelichting op het bestemmingsplan Roermondse Veld is in de vigerende milieuvergunning van het emplacement bepaald dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 de perceelgrens niet mag overstijgen. Verder is bepaald dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ten gevolge van de activiteiten binnen het emplacement niet overschreden mag worden. In de Checklist milieu van ProRail uit 2015 is aangegeven dat op emplacement Roermond niet met gevaarlijke stoffen mag worden gerangeerd (samenstellen/splitsen). In een brief uit 2016 van de gemeente Roermond aan ProRail betreffende de omgevingsvergunning wordt het volgende gesteld door de veiligheidsregio Limburg-Noord: In de vigerende vergunning ingevolge de WABO is het structureel rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen vergund.

In de onderhavige aanvraag worden geen structurele handelingen met wagons met gevaarlijke stoffen aangevraagd. Er zijn alleen incidenteel ten gevolge van verstoringen op het baanvak Eindhoven-Venlo wagons met gevaarlijke stoffen aanwezig op het emplacement. Bij incidenteel aanwezige treinen met wagons met gevaarlijke stoffen worden alleen handelingen uitgevoerd die ten dienst staan van het doorgaand spoorverkeer zoals los wissel, het kopmaken van de trein door omlopen van de locomotief, machinistenwissel en het wachten op een treinpad. Voorgenoemde handelingen zijn op basis van jurisprudentie geen rangeeractiviteiten ingevolge het bevi; het plaatsgebonden risico neemt niet toe en het groepsrisico neemt af. Tot slot is in eerder onderzoek in 2018 gebleken uit informatie van de gemeente Roermond dat rangeren niet meer aan de orde is en dat de handeling ‘kopmaken’ slechts incidenteel

planstatus vastgesteld

referentie BP00000324 / 160171

pagina 47 van 58

plaatsvindt. Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat de risico’s van eventuele handelingen met gevaarlijke stoffen beperkt zullen blijven tot binnen de inrichtingsgrens. Verantwoording groepsrisico Over de ontwikkeling is verschillende keren met de Veiligheidsregio in overleg getreden of de benodigde maatregelen in het kader van de verantwoording van het groepsrisico. Het gaat hierbij om maatregelen die de zelfredzaamheid van de bewoners/gebruikers vergroten en maatregelen om de effecten van en incident verkleinen de bestrijdbaarheid vergroten. In bijlage 9 wordt nader ingegaan op de verschillende relevante aspecten en op welke wijze in het plan daar invulling aan is gegeven. 5.8.2

Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er met het treffen van verschillende maatregelen geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Kabels en leidingen

Op grond van een analyse van de provinciale risicokaart is vastgesteld dat in of bij het plangebied geen kabels of leidingen op bestemmingsplanniveau zijn gelegen die een risico vormen voor de veiligheid. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10

Verkeer en parkeren

5.10.1

Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe worden doorgaans berekeningen uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. De gemeente Roermond beschikt echter over een eigen nota parkeernormen (Nota parkeernormen 2021). Voor de berekening van de parkeerbehoefte is hierbij aangesloten. Voor de berekening van de verkeersgeneratie geeft deze nota geen cijfers. Daarom is voor deze berekening aangesloten bij de CROW. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: Verstedelijkingsgraad: sterk stedelijk; Stedelijke zone: schil. De gemiddelde parkeerbehoefte en verkeersgeneratie zijn bij de te onderscheiden woningtypen en commerciële functies als volgt:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=e22eb1f2-24dc-4db3-b8d3-4267a9dff5b8