Bijlage 3 - Ruimtelijke onderbouwing inclusief onderzoek
Tekst van het document
zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen
Invloed van de beoogde ontwikkeling op de omgeving
uitvoeren.
De botenstalling komt te liggen in een gebied dat volgens de verbeelding
4.5
Kabels en leidingen
Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond de projectlocatie geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplan plichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
uit de beheersverordening bestaat uit gebieden die voor het grootste gedeelte bestemd zijn tot recreatieve doeleinden, intensief. Er is
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
18
4.6
Externe veiligheid Toetsingskader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen,
Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in de projectlocatie ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Logies is een vorm van tijdelijk verblijf en is daarom een kwetsbaar object. Ver-
Figuur 7: Mogelijke risicobronnen externe veiligheid (projectlocatie rood omlijnd)
dere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Visie externe veiligheid Roermond
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het
De Visie externe veiligheid Roermond (kortweg Visie) is op 10 juni 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. In de Visie zijn de ambities en de visie van de gemeente Roermond geformuleerd die gebruikt worden bij de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid binnen de gemeente. Bovendien zijn in de Visie planologische kaders opgesteld voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
19
Toetsing In het Besluit kwaliteit leefomgeving bijlage 6 (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer
een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehou-
D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject). De activiteit in onderdeel D11.2 luidt
derijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
als volgt: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk
kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente stelt regels om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. De botenstalling (zonder gebouw), met een situering in de open lucht, wordt volgens het Bevi niet aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. En uit de risicokaart blijkt dat in en in de directe omgeving van de pro-
Toetsing In de wijde omgeving van de projectlocatie zijn geen intensieve veehoude-
Blijkens jurisprudentie 4 dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uit-
der van intensieve veehouderijen.
breiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een
Conclusie
van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehou-
In het kader van het aspect ‘geurhinder’ bestaan er geen belemmeringen
den. De projectlocatie bevindt zich niet in het brand-, explosie- en/of gif-
ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
van de plaatsgebonden risico contouren vormen geen belemmering voor
4.8
M.e.r.-plicht
onderhavige ontwikkeling.
Vanaf 16 mei 2017 is de Implementatiewet ‘herziening m.e.r.-richtlijn’ in
Conclusie
vrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt voor iedere activiteit die is
Omdat de botenstalling op de projectlocatie als beperkt kwetsbaar object wordt aangemerkt, geen risicovolle inrichtingen in de directe omgeving van de projectlocatie liggen en plaatsgebonden risico contouren geen belemmering vormen is het niet nodig om het aspect externe veiligheid uitgebreid te behandelen in deze ruimtelijke onderbouwing. Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan immers geen belemmeringen voor de be-
werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de nieuwe vormopgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde D-lijst valt. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om
oogde ontwikkeling.
een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die
4.7
categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in
Geurhinder veehouderijen Toetsingskader
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geur-gevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf ). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van
keerterreinen”.
rijen gelegen. Hierdoor is er in de projectlocatie geen sprake van geurhin-
jectlocatie geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, waarmee in het kader
wolkaandachtsgebied. Ook de ligging van de projectlocatie ten opzichte
ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of par-
behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Daarnaast is het dus de vraag of de beoogde ontwikkeling kan worden gezien als een activiteit die is opgenomen op de D-lijst en zo ja of de drem-
wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft in haar uitspraak d.d. 8 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:929) overwogen – onder verwijzing naar haar uitspraken van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:729, 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, en 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694 – dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In het voorliggende geval is sprake van een geringe ontwikkeling, namelijk de aanleg van een stalling (winterberging) voor boten, die de grenswaarde voor een stedelijk ontwikkelingsproject bijlange na niet overschrijdt. De drempelwaarde die is opgenomen kolom 2 bij onderdeel D11.2 bedraagt namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De voorgenomen ontwikkeling overschrijdt deze waardes niet, aangezien de ontwikkeling plaatsvindt op een terrein van circa 20.000 m².
pelwaarde in kolom 2 van de D-lijst wordt overschreden. De botenstalling is mogelijk te bestempelen als een activiteit die is genoemd in onderdeel
4
O.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648).
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
20
Ook wordt er geen gebouw opgericht en is op basis van het vigerende pla-
Op basis van het bovenstaande en met name gezien de aard en omvang
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen
nologische regime al het een en ander toegestaan. De projectlocatie is zo-
van het project mede afgezet tegen de oppervlakten die worden genoemd
die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken,
als reeds aangegeven namelijk gelegen binnen de beheersverordening
in de bijlage bij het Besluit m.e.r., dient de voorliggende ontwikkeling niet
moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habi-
‘Maas en Maasplassen’, binnen het binnen het besluitvak ‘Maas en Maas-
aangemerkt te worden als (de uitbreiding of wijziging van) een stedelijk
tats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een
plassen’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Roermond
ontwikkelingsproject als bedoeld in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft
Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een pas-
op 22 februari 2018. De voorgenomen ontwikkeling is niet toegestaan,
dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook
sende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke
maar de locatie kent al wel de bestemming ‘Recreatieve doeleinden exten-
geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet
sief’. Op grond van deze bestemming zijn de onderhavige gronden reeds bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen, met daaraan ondergeschikte detailhandel, horeca en dienstverlening, alsmede voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeer-, speel-, en groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het realiseren van een botenstalling, waarbij de activiteit in hoofdzaak ziet op het bedrijfsmatig opslaan van boten, past niet binnen voornoemde bestemming. Het beoogde gebruik verschilt echter niet zodanig dat om die reden sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
4.9
Ecologie
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen
Uit de uitspraak van de Afdeling d.d. 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1253) volgt voorts dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Desalniettemin kan geconcludeerd worden dat er ook geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling, gelet op de voorliggende Ruimtelijke Onderbouwing. Ook is geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied.
voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming,
is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of bij een ruimtelijke onderbouwing in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
21
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde
Houtopstanden
0,00 mol N/ha/jr. Stikstof vormt derhalve geen belemmering voor onderha-
staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming,
vig planvoornemen. Het volledig rapport inclusief de berekeningen zijn op-
van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuur-
heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers
genomen in de bijlagen.
netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die
of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting
tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsre-
die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
gimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de pro-
Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1
De projectlocatie is niet gelegen binnen de Goudgroene natuurzone en
vinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedepu-
daarmee niet gesitueerd in het Natuurnetwerk Nederland. De projectloca-
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activi-
teerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er
tie ligt ook niet in de Zilvergroene natuurzone. Wel is de projectlocatie ge-
teiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve ef-
geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van
legen binnen de Bronsgroene landschapszone. Gezien de aard en om-
fecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kun-
de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan
vang van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelij-
nen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te
kerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van
planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor hout-
de bronsgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in
Soortenbescherming
opstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbe-
het kader van de bronsgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soor-
houd.
geacht.
ten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de
Toetsing
Soortbescherming
Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie
Gebiedsbescherming
De projectlocatie bestaat momenteel uit braakliggend terrein waar zich
soorten;
De projectlocatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Op 1,5 km af-
mogelijk flora en fauna kunnen bevinden. Om negatieve effecten van het
•
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
stand van de projectlocatie bevindt zich het Natura 2000-gebied Roerdal.
initiatief op de mogelijk aanwezige flora en fauna uit te sluiten is een
•
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (ar-
In het kader van de externe werking dient te worden nagegaan of de be-
quickscan flora en fauna 6 uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage
tikel 3.5);
oogde werkzaamheden (significant) negatieve effecten hebben op de in-
aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met
andere soorten (artikel 3.10).
standhoudingsdoelen van de aangewezen habitattypen en habitatrichtlijn-
een samenvatting en de conclusie van de quickscan.
•
soorten van het Natura 2000-gebied Roerdal. Projecten met stikstofemisPer beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en on-
sie kunnen door een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-
Broedvogels
der welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door
gebied een significant negatief effect op de doelstellingen van Natura
De op het water verblijvende watervogels zullen geen hinder ondervinden
het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de
2000-gebieden veroorzaken.
van de werkzaamheden. De strook ruigtkruiden en struweel aan de oost-
artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn be-
zijde blijft intact. De oeverbegroeiing aan de westzijde blijft ongemoeid. In
schreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door
Om te bepalen wat de effecten op de stikstofdepositie zijn is een Aerius-
de enige boom binnen de projectlocatie is geen jaarrond beschermd nest
het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die
berekening uitgevoerd voor zowel de bouw- als de gebruiksfase 5. De stik-
aangetroffen. Deze boom wordt gehandhaafd. Mogelijk wordt de centrale
plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of
stofdepositie in stikstofgevoelige habitatten en leefgebieden binnen Natura
grasvlakte binnen de projectlocatie gebruikt door grondbroedende vogel-
ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
2000-gebieden bedraagt in de bouw- en gebruiksfase nergens meer dan
soorten.
5 6
BRO, AERIUS-berekening, projectnr. P06854, d.d. 4 maart 2024. Omniverde, Quickscan flora en fauna. Kenmerk.: 2023-HW01 V1, d.d. 20 oktober 2023
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
22
Vleermuizen
Vaatplanten
In de geraadpleegde databanken worden voor de projectlocatie geen
In de geraadpleegde databanken worden voor de projectlocatie geen be-
vleermuizen vermeld. Binnen de projectlocatie zullen ongetwijfeld diverse
schermde vaatplanten vermeld. Op het stenige talud (zuidgrens van de
soorten vleermuizen foerageren. Verblijfplaatsen zijn in de enige boom
projectlocatie) staat één exemplaar van de kleine steentijm (afbeelding 9),
binnen de projectlocatie niet aangetroffen. Potentiële vliegroutes ontbre-
een zeldzame Rode Lijst-plantensoort met de status Bedreigd. Na overleg
ken.
met de eigenaar van de projectlocatie wordt bevestigd dat de vindplaats buiten de begrenzing van de werkzaamheden valt.
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het terreinbezoek zijn binnen de projectlocatie sporen aangetrof-
Houtopstanden
fen van konijn. Konijn geniet een provinciale jaarrond vrijstelling en wordt
Niet van toepassing; er worden geen kapwerkzaamheden uitgevoerd.
verder buiten beschouwing gelaten. Nabij de projectlocatie, met name in de struweelbegroeiing langs de Maas aan de westzijde van de projectloca-
Conclusie
4.10
Cultuurhistorie
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van
tie, zijn sporen aangetroffen van bever. Aangezien deze strook begroeiing
Met betrekking tot het aspect Soorten wordt de Wnb niet overtreden mits
het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan
ongemoeid blijft en de projectlocatie zelf ongeschikt is voor bever wordt
gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Wanneer de grasvegetatie van het
verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische ge-
deze soort verder buiten beschouwing gelaten. Op grond van het aanwe-
centrale deel van de projectlocatie kort wordt gehouden tot aan het beging
ografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel
zige habitat is binnen de projectlocatie een aantal beschermde soorten
van de werkzaamheden, kan ook in het broedseizoen gewerkt worden. De
beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
zoogdieren te verwachten die niet in de geraadpleegde databanken zijn
eerste maaibeurt dient dan wel vóór aanvang van het broedseizoen te
gedocumenteerd of die niet in de nabijheid van de projectlocatie zijn waar-
worden uitgevoerd. Met betrekking tot het aspect Gebieden wordt de Wnb
genomen:
niet overtreden. Uit de uitgevoerde Aerius-berekening blijkt dat de stikstof-
veldmuis, rosse woelmuis kleine marterachtigen (hermelijn, wezel,
depositie in stikstofgevoelige habitatten en leefgebieden binnen Natura
bunzing)
2000-gebieden in de bouw- en gebruiksfase nergens meer dan 0,00 mol
•
egel
N/ha/jr bedraagt. Stikstof vormt derhalve geen belemmering voor onderha-
•
vos
vig planvoornemen. Met betrekking tot het aspect Houtopstanden wordt de
•
Al deze soorten genieten een provinciale jaarrond vrijstelling en worden
Wnb niet overtreden. Het Natuurnetwerk Nederland (Limburg) wordt niet
verder buiten beschouwing gelaten.
aangetast. De Algemene Zorgplicht is ten allen tijde van toepassing.
Toetsing Ingevolge de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is de planlocatie niet aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol gebied. Daarnaast liggen er in de nabije omgeving geen bouwwerken met een cultuurhistorische waarde. Hierdoor vormt het aspect ‘Cultuurhistorie’ geen belemmering voor de realisatie van botenstalling. Conclusie In de projectlocatie bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie.
Vissen De in het water verblijvende vissen zullen geen hinder ondervinden van de werkzaamheden.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
23
4.11
Archeologie
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in
niet de oppervlaktegrens waardoor een archeologisch onderzoek niet
kers zullen maar een korte periode aanwezig zijn. Deze zijn hier alleen
noodzakelijk wordt geacht.
maar aanwezig voor het aanvoeren en afvoeren van de boten.
de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is
Conclusie
Conclusie
in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cul-
Vanuit het aspect archeologie bestaan er geen belemmeringen voor on-
Vanuit het aspect ‘verkeer en parkeren’ bestaan er geen belemmeringen
tureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de
derhavig planvoornemen.
ten aanzien van de voorgenomen functiewijziging.
4.12
4.13
Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de toekomstige Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling
Verkeer en parkeren
Toetsing
Water
Toetsingskader
opgenomen.
Verkeer
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b
De projectlocatie wordt ontsloten via de Hatenboer welke aansluiting vindt
van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de wa-
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet
op de verkeersader Hornerweg. De verwachte verkeersaantrekkende wer-
terhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mo-
king van het planvoornemen of iets vergelijkbaars is niet opgenomen in de
gelijk wordt gemaakt.
is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Toetsing De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Roermond (2011) gedeeltelijk binnen de zone “Historisch kern”
CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Daarom is er een inschatting gemaakt. Er wordt uitgegaan van een toename van 4 autobe-
Beleidskader
wegingen (4x enkele reis) per boot per jaar (2x aanvoer en 2x afvoer). Dit
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's
zorgt voor maximaal 1200 (4 x 300 = 1200) vervoersbewegingen per jaar.
verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duur-
Er zijn 1200 (auto)bewegingen per jaar (bij het uitgangspunt van 300 te
zaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een
stallen boten). T.b.v. de aan- en afvoer van boten per boottrailer dient re-
overzicht van de voor de projectlocatie relevante nota's, waarbij het beleid
kening te worden gehouden met 5 (auto)bewegingen (afronding naar bo-
van het waterschap nader wordt behandeld.
ven en betreft retour) per dag (gemiddeld 1200/365). Per dag wordt er uitgaan van max. 10 boten aan- of afvoeren waarbij de aan- of afvoer per as
Nationaal:
via land wordt gedaan, dit komt neer op max. 10 (auto)bewegingen (10x
•
Nationaal Waterplan;
pervlakte groter dan 100 m² en een verstoringsdiepte vanaf 40 cm -mv.
retour) per dag. Gezien het wegprofiel van de omliggende wegen kan
•
Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
deze verkeersgeneratie in voldoende mate worden opgevangen. Het ge-
•
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
Echter is het gebied welke zich binnen deze zone bevindt enkel bestemd
bied blijft goed ontsloten voor langzaam verkeer.
•
Waterwet.
Parkeren
Provinciaal:
Gelet op onderhavig planvoornemen kunnen de normen uit de Nota Par-
•
en gedeeltelijk binnen de zone ‘Overige gebieden’. Binnen de zone ‘Historische kernen’ geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een op-
voor de botenstalling waardoor de grondwerkzaamheden naar alle waarschijnlijkheid niet dieper zullen reiken dan 40 cm – mv, gezien er enkel grasbetontegels binnen dit gebied zijn beoogd. Binnen de zone ‘Overige gebieden’ geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een opper-
Provinciaal Waterprogramma Limburg 2022-2027.
keernormen 2021 niet een op een worden overgenomen, er moet worden
vlakte groter dan 5.000 m².
gekeken naar maatwerk. Rekening houdende met 5 (auto)bewegingen per
Beleid waterschap
dag, zijn er 5 parkeervakken voorzien. Vanwege de korte tijd dat er auto’s
Het Waterbeheerplan 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld door
Enkel de werkzaamheden ten behoeve van het plaatsen van ankers zullen
aanwezig zullen zijn op de locatie, zal er geparkeerd worden bij de ingang
de Algemene besturen van Waterschap Limburg. Het plan heeft een loop-
links ter plekke van bestaande verharding (5 parkeervakken). De bezoe-
tijd van 2022 tot en met 2027. Met dit Waterbeheerplan zet Waterschap
dieper reiken dan 40 cm – mv. Deze werkzaamheden overschrijden echter
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
24
Limburg de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg;
den van een botenstalling / winterberging ter plaatse van het terrein Ha-
hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken,
tenboer Roermond, op het perceel kadastraal bekend gemeente Roer-
In de projectlocatie is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Conform
droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe
mond, sectie A, nummer 1891 aan de linkerzijde van de rivier de Maas ter
de Leggerkaart van Waterschap Limburg betreft het dichtstbij gelegen pri-
het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen
hoogte van km. 77,0.
mair oppervlaktewater de Roer (circa 715 meter) ten zuiden van de pro-
en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbete-
Oppervlaktewater
jectlocatie.
ren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van
De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft op 18 september 2023
wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwa-
een aanvraag ontvangen van Hermus Watersport B.V. te Roermond om
Artikel 2.4 Specifieke doelcriteria bij waterkeringen
liteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.
een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet (Wtw) voor
Voor activiteiten die van invloed zijn of kunnen zijn op waterkeringen gel-
het verrichten van handelingen in een watersysteem te wijzigen. De aan-
den voorts de volgende doelcriteria:
Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’
vraag betreft het gewijzigd gebruik maken van het rijkswaterstaatswerk ri-
In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen
vier de Maas of de daartoe behorende beschermingszone vanwege het
sionering van de waterkering, zoals vastgelegd in de legger, waar-
en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool
realiseren van een botenlift c.a. ter plaatse van het terrein Hatenboer
door de waterkering niet meer beantwoordt aan het doel waarvoor
beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat
Roermond. Hierop wordt bij besluit van 7 november 2023 geconcludeerd
die is aangelegd, dan wel niet meer voldoet aan de daarvoor gel-
voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor
dat de in de vergunning opgenomen voorschriften waarborgen dat de
dende normstelling, waardoor de veiligheid niet kan worden ge-
het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen
doelstellingen van het waterbeheer voldoende worden beschermd. Op
waarborgd;
gegeven voor het afkoppelen.
grond van de overwegingen bestaan er daarom geen bezwaren tegen het
a. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de dimen-
b. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de goede
verlenen van de gevraagde vergunning.
werking van de waterkering, onder normale omstandigheden en
Keur Waterschap Limburg
onder piekbelasting;
Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering
Door het aanwezig zijn van de voorgenoemde twee vergunningen die door
regenwater volledig af te koppelen en binnen de projectlocatie te verwer-
Rijkswaterstaat zijn verleend duidt erop dat de waterkwaliteitsbeheerder
nen uitvoeren van onderhoud door of namens het waterschap en
ken. Ten aanzien van onderhavig plan is de Keur van Waterschap Lim-
Rijkswaterstaat akkoord is gegaan met het initiatief ter plekke van de pro-
de bereikbaarheid van de waterkering;
burg (in werking getreden op 1 april 2019) van toepassing.
jectlocatie. Toetsing
Rijkswaterstaat
c.
activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor het kun-
d. activiteiten mogen geen nadelige effecten hebben voor de waterkering in die zin dat toekomstige capaciteitsvergroting wordt belemmerd binnen de zone van het waterstaatswerk en de bijbeho-
Bij besluit van 15 juni 2022 met nummer RWS-2022/18087 is aan Hermus
Kenmerken van het watersysteem
rende beschermingszones, als ook in het door het dagelijks be-
Watersport B.V. vergunning verleend als bedoeld in bedoeld in artikel 6.5,
Grondwater en waterkwaliteit
stuur voor waterkeringen aan te wijzen profiel van vrije ruimte.
onder c van de Waterwet en artikel 6.12, eerste lid van het Waterbesluit
De projectlocatie ligt niet binnen een waterwingebied of grondwaterbe-
voor het gebruikmaken van het rijkswaterstaatswerk rivier de Maas of de
schermingsgebied. Wel ligt het gebied binnen de Boringsvrije zone Roer-
daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstem-
dalslenk III, waarbij het verboden is in de boringsvrije zone Roerdalslenk
ming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei (op 80 meter
werkzaamheden te verrichten, werken te maken en te behouden, dan wel
diepte) zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te
vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen,
infiltreren. De onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van
of deze te laten staan of liggen te weten: het realiseren, hebben en behou-
grondwater of infiltreren dieper dan 80 meter.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
25
Onderhavig initiatief heeft geen invloed op de dimensionering van de waterkering. Het initiatief bevindt zich op enige afstand van de Roer en er zijn reeds activiteiten dichterbij de waterkering gelegen waardoor het gebied ook niet als overloopgebied kan worden gebruikt. Daarnaast zal het hemelwater op eigen perceel worden opgevangen waardoor er geen sprake is van een hogere piekbelasting. De bereikbaarheid wordt eveneens niet aangetast met het planvoornemen en de waterkering blijft goed bereikbaar. Hemel- en afvalwater De gemeente Roermond heeft de Verordening hemel- en grondwater gemeente Roermond op 28 december 2023 vastgesteld. In deze verordening is een verplichting opgenomen tot waterberging bij nieuw verhard oppervlak (art. 4). In artikel 7 van de verordening wordt ingegaan op het overgangsrecht. Zo staat in artikel 7, aanhef en eerste lid dat artikel 4 (de verplichting tot waterberging) niet van toepassing is op nieuwe bouwwerken waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen is ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening. De vergunningaanvraag is ingediend op d.d. 30 november 2023, waardoor de verplichting niet van toepassing. Dat neemt echter niet weg dat er passende maatregelen worden genomen binnen de projectlocatie om overlast door water te voorkomen.
Met het initiatief zal ter plekke van de botenopslag verhard oppervlak worden toegevoegd in de vorm van grasbetontegels, dit is aan te merken als halfverharding. Er zal geen overlast plaatsvinden door hemelwater vanwege het aanleggen van een halfverharding. Conclusie Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
26
5
Afweging belangen
De beoogde ontwikkeling, het realiseren van een botenstalling, is strijdig met de geldende beheersverordening ‘Maas en Maasplassen’, zoals dat door de gemeenteraad van Roermond is vastgesteld op 22 februari 2018. Het realiseren van een botenstalling, waarbij de activiteit in hoofdzaak ziet op het bedrijfsmatig opslaan van boten, past niet binnen de bestemming ‘Recreatieve doeleinden extensief’. Het verzoek is derhalve in strijd met de beheersverordening. Daarnaast bevindt de projectlocatie zich binnen de dubbelbestemming ‘Stroomvoerend Rivierbed’. Binnen het stroomvoerend rivierbed dient toestemming vanuit Rijkswaterstaat te worden verleend voor het initiatief. Deze toestemming is reeds verleend waardoor de dubbelbestemming geen belemmering meer vormt voor het planvoornemen. De beheersverordening bevat geen afwijkingsbevoegdheid waarmee de voornoemde strijdigheid kan worden opgeheven. Evenmin kan het plan middels een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12 lid 1, sub a, onder 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 4 Bijlage II Besluit omgevingsrecht (Bor) worden toegestaan.
De realisatie van de botenstalling binnen de projectlocatie kan mogelijk worden gemaakt door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordening onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°). Een voorwaarde daarbij is dat middels een ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat het initiatief van een goede ruimte-lijke ordening getuigt. In dat kader is onderhavige ruimtelijke onderbou-wing opgesteld.
Het planvoornemen zal bestaat uit een botenstalling. Aan- en afvoer van
In de winter zullen de bomen en struiken er ook voor zorgen dat de op-
boten om te stallen gebeurd via land.
slagplaats uit het zicht wordt onttrokken, maar dit zal in een mindere mate zijn dan in de zomer omdat bomen en struiken in de zomer groene bla-
Het terrein is niet openbaar toegankelijk en wordt ook afgeschermd met
deren bevatten. De situatie zoals die in de winter aanwezig zal is niet be-
een hekwerk. Op de locatie zullen alleen auto’s aanwezig zijn voor het
zwaarlijk, omdat in de winter veel minder gebruik wordt gemaakt van het
aan- en/ of afvoeren van boten. Vanwege de korte tijd dat er auto’s aan-
oppervlaktewater (er zijn dan veel minder personen/boten op de waterplas
wezig zullen zijn op de locatie, zal er geparkeerd worden bij de ingang
aanwezig) en het achterliggende gebied (land).
links ter plekke van bestaande verharding (5 parkeervakken). De bezoekers zullen maar een korte periode aanwezig zijn. Deze zijn hier alleen
Ook zorgt het aanwezig zijn van een scherpe hoek qua zichtsveld ervoor
maar aanwezig voor het aanvoeren en afvoeren van de boten.
dat de opslagplaats minder zichtbaar zal zijn. Deze scherpe hoek wordt onder meer veroorzaakt door het gegeven dat de positie van waaruit
Een stalling voor boten realiseren in de directe nabijheid van Hermus Wa-
(zijnde vanaf het oppervlaktewater) naar de projectlocatie wordt gekeken
tersport B.V. past als aanvulling op de bestaande bedrijfsactiviteiten van
op een lager NAP-niveau ligt dan het NAP-niveau van de projectlocatie
Hermus Watersport B.V.
zelf. Ook het aanwezig zijn van de opslagplaats achter de (privé)weg Hatenboer draagt hieraan bij.
De locatie is zoals vermeld onbebouwd en dit zal in de toekomstige situatie blijven. Boten zullen worden gestald op bokken of trailers. De omgeving
Diverse milieuaspecten staan de ontwikkeling niet in de weg en de beno-
heeft soortgelijke kenmerken en bestaat voornamelijk uit boten, derhalve
digde voorzieningen in het gebied, zoals riolering en overige kabels en lei-
past het initiatief binnen de omgeving.
dingen, zijn rondom het projectlocatie aanwezig. Er zal middels de beoogde ontwikkeling geen schade worden toegebracht aan natuur- of land-
Het behouden van ’het groene ensemble’ (de bomen en de struiken langs
schapselementen en –structuren.
de oever en de bomen die langs de bestaande weg staan) is en blijft belangrijk. Voor de te realiseren botenopslag/winterberging is het niet nodig
Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voor-
om bomen of stuiken te verwijderen. In de zomer zullen de bomen en
genomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruim-
struiken langs de oever de opslagplaats voor de boten (daar waar de bok-
telijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
ken, opleggers en ter plekke nog in opslag staande boten staan) uit het zicht worden onttrokken. In de winter is er een vergelijkbaar zicht, de opslag vindt immers pas achter de asfaltweg plaats, waardoor de opslag ook dan vanaf het water minder zichtbaar zal zijn.
Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De botenstalling past in de bestaande omgeving en er wordt een momenteel braakliggend gebied voorzien van een functie die voorziet in een zekere behoefte.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
27
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten lasten (artikel 6.12, lid 2 Wro juncto artikel 6.2.1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a.
de bouw van een of meer woningen;
b.
de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
c.
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
d.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
f.
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m²
6.3
Procedure
bruto-vloeroppervlakte.
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordening dient de uitgebreide procedure zoals beschreven in
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in het realiseren van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd.
botenstalling. Derhalve wordt er tussen gemeente en initiatiefnemer, con-
Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. De Wabo
form artikel 6.4a Wro, een planschadeovereenkomst gesloten.
geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere:
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
•
grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in be-
Omgevingsdialoog
paalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties wor-
In het kader van de omgevingsdialoog is er in 2022 met belanghebbenden
den toegestuurd. Te denken valt aan het orgaan dat de verklaring van
gesproken. Met de belanghebbenden zijn meerdere gesprekken gevoerd.
geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie, een ander bestuursorgaan
Tijdens deze gesprekken is er ingegaan op het planvoornemen en het vergunningentraject. Op het planvoornemen werd positief gereageerd door belanghebbenden waarmee werd gesproken. Bij de nadere uitwerking van
dan het aangewezen bevoegd gezag, etc. •
om binnen de planfase qua ontwerp ingrijpende wijzigingen door te voe-
roep gaan. •
dient te worden behouden. Om deze toegankelijkheid van het naastgelegen perceel via de bestaande weg, die binnen het terrein aanwezig is van de botenstalling, te behouden zijn tussen eigenaar en huurder afspraken gemaakt (opgenomen in de huurovereenkomst tussen beiden) om mee te werken aan deze bereikbaarheid voor watersportvereniging WV Hertha. Vooroverleg In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van toepassing verklaard. Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van
De beslistermijn van maximaal zes maanden begint te lopen op de eerstvolgende dag na de ontvangst van de aanvraag (art. 3.12 lid 7
ren. Wel is uit de gevoerde gesprekken met watersportvereniging WV Hertha gebleken dat de toegankelijk van het naastgelegen perceel van Hertha
Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar maken en in be-
het planvoornemen (initiatief) is rekening gehouden met de opgehaalde informatie uit de omgeving (belanghebbenden), waardoor het niet nodig was
Aanvraag, ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit moeten op
Wabo). •
De beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12 lid 8 Wabo).
•
De kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit worden in het gemeenteblad geplaatst en toegezonden aan de eigenaar van en eventuele beperkt gerechtigden op de in het ontwerpbesluit begrepen gronden, voor zover dat nodig is met het oog op de toepassing van artikel 85 van de onteigeningswet (art. 3.12 lid 2 Wabo jo. art. 6.14 lid 2 Regeling omgevingsrecht). De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012).
de beheersverordening moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
28
6.4
Planstukken
Bij de omgevingsvergunning voor het afwijken van de beheersverordening behoort deze ruimtelijke onderbouwing. Het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning dient beschikbaar te worden gesteld conform de vereisten zoals die zijn vastgelegd voor ‘projectbesluiten’ in IMRO2012 en STRI2012, met het daarbij behorende besluitgebied c.q. de geometrische plaatsbepaling.
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
29
Bijlage 1 - Omgevingsrapportage
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
30
Hermus Watersport (Hatenboer) Omgevingsrapportage
Pagina 1 van 13
-
21-11-2023
Pagina 2 van 13
-
21-11-2023
Inhoudsopgave Voorblad Inhoudsopgave Inleiding Kop Hatenboer parkeerterrein jachthaven Hatenboer HBB_ Roermond: Hatenboer 50 (A0957010889) Kaarten Disclaimer Toelichting
Pagina 3 van 13
-
21-11-2023
Inleiding Dit rapport is een geautomatiseerde samenvatting van de bij de gemeenten en provincie Limburg bekende gegevens over de bodemkwaliteit. Deze informatie wordt in een bodeminformatiesysteem (BIS) opgeslagen. In het rapport is de beschikbare informatie opgenomen van het door u geselecteerde perceel of gebied. Voor bodemadviesbureaus biedt deze rapportage een indicatie van de aanwezige bodemgegevens maar vormt niet alle archiefinformatie voor een vooronderzoek conform de NEN 5725 (historisch onderzoek). Voor een onderzoek conform NEN 5725, NEN 5707 en de norm NEN 5740 (verkennend bodemonderzoek) is naast de bodeminformatie ook alle informatie met betrekking tot milieudossiers en bouwvergunningen relevant. Deze informatie dient middels een dossieronderzoek (bouwvergunning- en Wet Milieubeheer-archief) te worden verzameld. Deze informatie is niet in alle gevallen digitaal beschikbaar en kan door middel van het maken van een afspraak worden ingezien bij de betreffende gemeente of provincie.
Rapportage In de rapportage wordt per locatie de bekende informatie weergegeven. Per locatie wordt weergeven welke bodemonderzoeken er bekend zijn. Er zijn ook locaties waarvoor geen bodemonderzoeken bekend zijn maar wel verontreinigende activiteiten. Deze locaties zijn opgenomen omdat op basis van historische informatie (milieuvergunningdossiers, tankarchief ed) blijkt dat er (potentieel) bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. De bodeminformatie van de Provincie Limburg is ook opgenomen. Hierdoor kan het voorkomen dat gegevens (locaties, bodemonderzoeken) twee keer in de rapportage worden vermeld. Met betrekking tot de Wet bodembescherming (Wbb) is provincie Limburg het bevoegd gezag. Op basis van het veld gegevensbeheerder is bekend waar de informatie opgevraagd kan worden. (Bij Roxit ligt nu de vraag of dit veld kan worden opgenomen) Onderstaand zijn de contactgegevens van de provincie Limburg en gemeenten voor het opvragen van bodeminformatie van de desbetreffende gemeente: Provincie Limburg: https://www.limburg.nl/onderwerpen/milieu-toezicht/bodem Servicecentrum MER-OD: dienstverlening@servicecentrum-mer.nl Roermond: bodem@Roermond.nl Meerssen: carlo.poolen@meerssen.nl
Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 en Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord. De gemeenten van Noord en midden Limburg beschikken over een gezamenlijke Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart die de gemiddelde bodemkwaliteit weergeeft van verschillende gebieden. Informatie over de Nota en de bodemkwaliteitskaart kunt u vinden op: https://experience.geowebonline.nl/GeoWeb56/Index.html?viewer=BKK_Limburg
Pagina 4 van 13
-
21-11-2023
Pagina 5 van 13
-
21-11-2023
Locatie: Kop Hatenboer Locatie Adres
Hatenboer Roermond
Locatiecode
AA095700586
Locatienaam
Kop Hatenboer
Plaats
Roermond
Locatiecode bevoegd gezag RM095700586 WBB Status Vervolg WBB Status rapporten
Beoordeling Verkennend onderzoek NEN 5740
Status besluiten
Beschikking Status asbest
Is van voor 1987
Uitgevoerde onderzoeken Datum
Type
Naam
Verkennend 09-06-1993 onderzoek Zuidplas NVN 5740
Auteur
Opdrachtnummer Archief
Inlupa Nederland BV
1994/66 / 341
Verkennend Kop Inlupa 28-02-1994 onderzoek Hatenboer Nederland BV NVN 5740
1994/66 / 341
Verkennend Kop Inlupa 16-05-1994 onderzoek Hatenboer Nederland BV NVN 5740
1994/66 / 341
Verkennend Milieutechnisch Kop 05-12-2003 onderzoek Adviesbureau Hatenboer NEN 5740 Heel BV
2003/94
Verkennend Kop 10-05-2010 onderzoek Grontmij Hatenboer NEN 5740
2010/54 / 347
Pagina 6 van 13
-
21-11-2023
Conclusie overheid
Beschikbare documenten per onderzoek Geen gegevens beschikbaar Verontreinigende activiteiten Activiteit
Start Einde Vervallen
onverdachte activiteit
9999 9999
Benoemd Verontreinigd Spoed
Voldoende onderzocht
Onbekend
Onbekend
Niet van toepassing
Geconstateerde verontreinigingen Geen gegevens beschikbaar Beschikbare documenten Geen gegevens beschikbaar Besluiten Geen gegevens beschikbaar Sanering Geen gegevens beschikbaar Saneringscontouren Geen gegevens beschikbaar Zorgmaatregelen Geen gegevens beschikbaar
Pagina 7 van 13
-
21-11-2023
Nee
Locatie: parkeerterrein jachthaven Hatenboer Locatie Adres
Hatenboer Roermond
Locatiecode
AA095703170
Locatienaam
parkeerterrein jachthaven Hatenboer
Plaats
Roermond
Locatiecode bevoegd gezag RM095703170 WBB Status Vervolg WBB
Beoordeling
Status rapporten
Beschikking
Status besluiten
Status asbest
Is van voor 1987
Uitgevoerde onderzoeken Geen gegevens beschikbaar Beschikbare documenten per onderzoek Geen gegevens beschikbaar Verontreinigende activiteiten Geen gegevens beschikbaar Geconstateerde verontreinigingen Geen gegevens beschikbaar Beschikbare documenten Geen gegevens beschikbaar Besluiten Geen gegevens beschikbaar
Pagina 8 van 13
-
21-11-2023
Sanering Geen gegevens beschikbaar Saneringscontouren Geen gegevens beschikbaar Zorgmaatregelen Geen gegevens beschikbaar
Pagina 9 van 13
-
21-11-2023
Locatie: HBB_ Roermond: Hatenboer 50 (A0957010889) Locatie Adres
Hatenboer 6041TN Roermond
Locatiecode
NZ095700197
Locatienaam
HBB_ Roermond: Hatenboer 50 (A0957010889)
Plaats
Roermond
Locatiecode bevoegd gezag RD095700197 WBB Status Vervolg WBB
Beoordeling
Status rapporten
Beschikking
Status besluiten
Status asbest
Is van voor 1987
Uitgevoerde onderzoeken Geen gegevens beschikbaar Beschikbare documenten per onderzoek Geen gegevens beschikbaar Verontreinigende activiteiten Activiteit
Start Einde Vervallen
hbo-tank (ondergronds)
9999 9999
Benoemd Verontreinigd Spoed
Voldoende onderzocht
Onbekend
Onbekend
Niet van toepassing
Geconstateerde verontreinigingen Geen gegevens beschikbaar Beschikbare documenten Geen gegevens beschikbaar
Pagina 10 van 13 -
21-11-2023
Besluiten Geen gegevens beschikbaar Sanering Geen gegevens beschikbaar Saneringscontouren Geen gegevens beschikbaar Zorgmaatregelen Geen gegevens beschikbaar
Pagina 11 van 13 -
21-11-2023
Pagina 12 van 13 -
21-11-2023
Disclaimer De provincie Limburg en de gemeenten besteden de grootst mogelijke aandacht en zorg aan de gegevens in het Bodeminformatiesysteem. Toch kan het voorkomen dat de getoonde bodeminformatie verouderd is, onvolledig is of onjuistheden bevat. Tevens ontvangen de provincie en de gemeenten niet alle bodemonderzoeken die binnen de gemeentegrenzen worden uitgevoerd. De provincie Limburg en de gemeenten zijn niet aansprakelijk voor enigerlei schade die ontstaat als gevolg van of in verband staat met het gebruik van de getoonde informatie. De gegevens van een bodemonderzoek zijn ook een momentopname. Dit houdt in dat per situatie (omgevingsvergunning voor bouw of bestemmingsplanwijziging, grondverzet etc.) moet worden beoordeeld of de bekende gegevens nog bruikbaar zijn daarvoor.
Pagina 13 van 13 -
21-11-2023
Bijlage 2 - Stikstofdepositieonderzoek
Ruimtelijke onderbouwing botenstalling
31
notitie
projectnaam AERIUS-berekening Botenlift en winterstalling
1. Inleiding
Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient vol-
Het voornemen bestaat om botenstalling en een botenlift te realiseren
doende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder
op braakliggend terrein, gelegen aan de plas Hatenboer te Roermond.
meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel moge-
datum 4 maart 2024
In verband daarmee is het van belang om inzicht te krijgen of met deze
lijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kun-
toekomstige bouwactiviteit sprake is van stikstofdepositie op nabijgele-
nen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet
projectnummer P06854
gen Natura 2000-gebieden. Deze notitie voorziet daarin.
natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten be-
2. Wettelijk kader Natura 2000-gebieden
Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoorde-
Opdrachtgever Hermus Watersport BV
Wettelijk kader
lijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang
Opgesteld door
gebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna,
JEn
vat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken.
Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurdoor de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelricht-
met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Doorwerking plangebied
lijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied in-
aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura
standhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats
2000-gebieden ‘Roerdal’, ‘Leudal’ en ‘Grensmaas’ bevinden zich res-
vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is
pectievelijk op circa 951 meter ten zuidoosten, 5,3 kilometer ten noord-
het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te
westen en 8,28 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied.
verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Na-
Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01
tura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zo-
van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect
als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de
kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Ver-
afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uit-
der geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plan-
gesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling het realiseren van
nen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura
een winterstalling en botenlift betreft, kan een significante toename aan
2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden in-
stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op omliggende Natura 2000-ge-
dien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuur-
bieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgeslo-
bescherming).
ten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd.
info@bro.nl www.bro.nl
1/6
3. Het planvoornemen De projectlocatie is gelegen ten zuidwesten van het centrum Roermond en is gelegen aan de plas Hatenboer. Het betreft een braakliggend perceel. De projectlocatie wordt aan de noordzijde ontsloten via de Hatenboer. Aan de zuidzijde wordt de projectlocatie ontsloten via de Hatenboer. De Hatenboer heeft een directe aansluiting op de Hornerweg (N280). Binnen de projectlocatie is de realisatie van een botenstalling en botenlift voorzien. Figuur 1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden.
Figuur 1. Uitsnede ligging plangebied ten opzichte van omliggende Natura-2000 gebieden (plangebied blauw omlijnd)
AERIUS-berekening Botenlift en winterstalling
2/6
4. AERIUS-berekening
met Stageklasse V (vanaf 2019) die ten tijde van de realisatie maximaal
Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege
8 jaar oud zijn. De mobiele werktuigen op diesel zullen allemaal worden
stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit
voorzien van 6% AdBlue om de stikstofdioxide (NOx) uitstoot te verla-
deze berekening blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase
gen. Zie hiervoor onderstaande tabel en bijgevoegde AERIUS- rapporta-
géén rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen is de
ges.
door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanlegfase opgenomen. In het voorliggende document worden de ingevoerde gegevens kort toegelicht. Aanlegfase Bij het planvoornemen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend. Voor de aanlegfase is een berekening gemaakt in de AERIUS-Calculator. Hieronder wordt een
Werktuig
Bouwjaar Brandstof Vermogen Brandstofverbruik Tot. Draaiuren Ad Blue (kW) per uur brandstofverbruik (liters)
Totale emissie Totale emissie (kg NOx/j) (g NH3/j)
Mobiele graafmachine 17 ton Rups hydraulische graafmachine CAT 330 Laadschop 20 tons Wals Bomag 7 ton Asfaltmachine Kobelco CKE 900 draadkraan Trilblok 2323 VM Ankerboormachine
va. 2019
Diesel
104
10,42
2501
240
150
14,7
600,0
va. 2019
Diesel
205
20,015
1121
56
67
6,5
300,0
va. 2019
Diesel
210
20,49
492
24
30
2,6
100,0
va. 2019
Diesel
55
5,765
92
16
6
1,9
0,0
va. 2019
Diesel
170
16,69
267
16
16
1,5
64,1
va. 2019
Diesel
235
22,865
2012
88
121
11,2
500,0
va. 2019
Diesel
399
38,445
3383
88
203
18,7
800,0
va. 2019
Diesel
234
22,77
1093
48
66
5,9
300,0
korte toelichting gegeven op de ingevoerde gegevens. (Mobiele) werktuigen Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de bouw van woningen, er waren geen gegevens aanwezig bij de opdrachtgever voor de aanlegfase. Hierdoor is er gebruik gemaakt van referentieprojecten. Het brandstofverbruik is berekend aan de hand van de volgende formule uit het “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2022” (januari 2023, BIJ12):
Hierin is “B” het brandstofverbruik in [L/u], volgens de relatie op basis van het AUB rapport van TNO1 en is “Pmax” het maximale vermogen van het werktuig [kW]. Voor de inzet van mobiele werktuigen is gerekend
1
Ligterink et al., 2021. ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’. TNO_2021_R12305, p. 26