CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Regels en toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat

Commissie Ruimte (RU) 22 juni 2022, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat26.300 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hiervan zijn er 4 gerealiseerd in Midden Limburg (regio Weert/Kuyperhof) en is de resterende uitbreiding de komende jaren voorzien in Roermond (6 plekken) en Noord Limburg (4 plekken). Aanvullend is SGL ook bezig met deelname aan de landelijke opzet voor ‘experticecentra’ voor zeer intensieve zorg- en begeleidingsbehoeftige NAH-cliënten (zogenaamde NAH+ en NAH++ cliënten), waarbij SGL voor Limburg het regionale expertisecentra zal gaan vormen. Hiermee wil SGL zich nadrukkelijk zowel regionaal als gemeentelijk nadrukkelijker positioneren. Het aantal cliënten met NAH is alleen maar aan het toenemen met de dubbele vergrijzing. Zonder uitbreiding van het aantal plaatsen bij SGL zal het aantal cliënten dat in de ouderenzorg wordt geplaatst, terwijl zij daar niet op hun plek zijn, toenemen. Er moet voorkomen worden dat vitale cliënten vanwege het gebrek aan capaciteit bij SGL terecht komen bij zorgaanbieders die niet of in mindere mate op deze zorg/doelgroep zijn toegelegd. Vanwege het specialisme van SGL kan de zorgcapaciteit los worden gezien van de capaciteit van de geestelijke gezondheidszorg of van de Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT).

De realisatie van onderhavig zorgcomplex voor SGL aan de Prins Bernhardstraat is ter vervanging van de huidige WBC-locatie aan de Godsweerdersingel 16 te Roermond, waar 10 plekken aanwezig zijn, en ter vervanging van de huidige woon- en logeerlocatie aan de Thaalweg West 70 te Echt, waar 12 plekken aanwezig zijn. Om een toekomstbestendige bedrijfsvoering te realiseren, zijn de huidige 2 locaties te klein van schaal en hanteert SGL bij nieuwbouw een schaal van tenminste 24 plekken. Een dergelijke grootte maakt het werken in kleine teams mogelijk. Daarnaast kan er beter worden ingespeeld op bijvoorbeeld ziekteverzuim, veiligheidseisen en kan er meer doelmatig worden geïnvesteerd in zorgtechnologische toepassingen. Woon- en logeerlocatie Roermond vervult in die zin dan ook een meer regionale functie voor de omliggende gemeenten, waardoor in de nieuwe opzet de kwaliteit van zorg voor de groep met een niet aangeboren hersenletsel en/of een lichamelijke beperking toekomstbestendig kan worden geborgd. Momenteel het is door gebrek aan (structurele) capaciteit niet meteen mogelijk om cliënten te kunnen plaatsen, waardoor zij op de wachtlijst terechtkomen. Ook komt het voor dat cliënten in de ouderenzorg terecht komen, hetgeen voor cliënten van onze doelgroep (vaak nog ‘vitale’ mensen) meestal niet

Hoofdstuk 3

16

de wenselijke keuze is (‘verkeerde bedden-probleem). Dit aspect is ook mede een argument geweest waarom het zorgkantoor met deze uitbreidingen heeft ingestemd. Bekend is dat voor een deel van de doelgroep momenteel geen geschikte woonplek gevonden kan worden. Het zijn de jongere mensen met NAH, de zogenaamde NAH++ cliënten, die veel aansturing nodig hebben in gedrag en zeer weinig prikkels kunnen verdragen. Deze mensen hebben gedurende de dag de directe nabijheid van zorg nodig in een prikkelarme omgeving. Voor deze doelgroep voorziet de beoogde nieuwbouw in Roermond door een aparte woonkamer te creëren waar zij gedurende de dag kunnen verblijven in een kleine groep (max 4-6 cliënten). Deze wijze van zorg verlenen is een andere dan SGL in de andere woon- en logeerlocaties verleent, omdat we uitgaan van enige zelfredzaamheid van cliënten. De wijze ‘van bouwen’ van SGL is gericht op transformeerbaar vastgoed, hetgeen betekent dat – mocht dat in de toekomst aan de orde zijn – gebouwen van SGL zonder meer omgebouwd kunnen worden voor de sociale woningmarkt. Vanuit deze visie werkt SGL samen met de woningcorporaties. Met het oog op de toekomst, is het echter niet de verwachting dat de zorgvraag zal dalen.

Wel bestaat er een toenemende behoefte en ontwikkeling naar ‘langer thuis of zelfstandig wonen’, waardoor de vraag naar VPT (Volledig pakket thuis) en MPT (maatwerk pakket thuis) zal gaan toenemen. Voor de garantie van de 24-uurs zorg zullen de VPT-plekken in de nabijheid van een woon- en logeerlocatie moeten worden aangehouden. In die zin, vormt de woon- en logeerlocatie het ‘vangnet’ voor de zware cliënten die niet meer zelfstandig kunnen wonen en waarvan de eigen regie nog maar relatief beperkt is. In deze centra is ook aanvullende expertise beschikbaar om de complexere zorgzwaarte van deze doelgroep ook goed te kunnen bedienen. De logeerkamer is een belangrijke toevoeging voor het tijdelijk opvangen van cliënten die elders zelfstandig wonen en waarvoor mantelzorg tijdelijk niet beschikbaar is. Dan neemt SGL de zorg tijdelijk over en verblijft de cliënt tijdelijk in de logeerkamer. Analyse toekomstige verwachte vraag LG/NAH-doelgroep SGL heeft een analyse laten uitvoeren van de toekomstige verwachte vraag rondom de LG/NAH-doelgroep. Dit betreft de groep mensen met een niet aangeboren hersenletsel (NAH) en/of een lichamelijke beperking (LG).

Deze analyse is richtinggevend en niet alles-bepalend, omdat de cliëntengroep NAH (die formeel wordt ingedeeld onder LG) ook voorkomt bij (vitale) ouderen en NAH-cliënten daarom ook vaker (onterecht) bij verplegings- en verzorgingsinstellingen terecht komen. De indicatie wordt dan ook veelal op ‘Verpleging en Verzorging’ gesteld in plaats van op ‘Lichamelijk Gehandicapt’. Hierdoor bestaat er een onvolledig beeld van de werkelijke vraag naar LG/NAH. SGL is in feite de enige zorgaanbieder in Midden Limburg specifiek voor NAH-cliënten. De reden dat LG/NAH-cliënten niet altijd bij SGL terecht komen is (mede) erin gelegen, dat de wooncapaciteit bij SGL kleiner is dan de vraag. Cliënten voor SGL komen dan terecht op een wachtlijst (wachtlijst LG), of kiezen ervoor om toch naar een verplegings- en verzorgingsinstelling te gaan indien thuiswonen eigenlijk niet meer mogelijk is. SGL noemt dit de ‘verkeerde bedden problematiek’. Hoe groot deze groep is, is niet goed te duiden.

Hoofdstuk 3

17

Medio 2020 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de Monitor ‘zicht op gehandicaptenzorg 2020’ uitgebracht. In deze monitor heeft de NZa een analyse opgenomen van het zorgebruik van mensen met een langdurige beperking binnen alle deelsectoren van de gehandicaptenzorg. Het gaat daarbij om zorg aan mensen met een verstandelijke handicap, een lichamelijke handicap en/of zintuigelijke handicap. De Monitor is door de NZa uitgebracht met als doel inzicht te geven in de stand van de zorg, inzicht in de ontwikkelingen en uitzicht op toekomstige veranderingen. Dit in de context van de veranderende regelgeving sinds 2015 (invoering Wet Langdurige Zorg (WLZ)). In onderhavig marktonderzoek heeft een andere verdieping plaatsgevonden voor de sector LG, waarbij is gekeken in hoeverre de landelijke trend in het LG-gebruik van toepassing is voor SGL. De uitkomsten van dit marktonderzoek kunnen mede dienen als input voor het Strategisch Huisvestingsplan van SGL. Bij de uitvoering van dit marktonderzoek is gebruik gemaakt van gegevens afkomstig uit de landelijke database Monitor Langdurige Zorg CBS Statline. In deze database zijn gegevens opgenomen over het gebruik van WLZ-zorg vanaf de periode 2015 (moment invoering WLZ) tot 2019.

Het gebruik is voor de LG-sector uitgesplitst naar de leveringsvormen: Zorgzwaartepakket (ZZP) met behandeling (BH), ZZP zonder BH, volledig pakket thuis (VPT) en persoonsgebonden budget (PGB). Voor de eerste drie leveringsvormen (behorend tot de categorie zorg in natura (ZIN)) zijn naast landelijke gebruikscijfers ook regionale gebruikscijfers voorhanden. Hiermee is het mogelijk om voor deze leveringsvormen inzicht te verschaffen in hoeverre het regionale gebruik zich verhoudt tot het landelijk gebruik. In het navolgende zal in eerste instantie stilgestaan worden bij het landelijke gebruik van de LG-sector. Er wordt inzicht verschaft in het gebruik per leveringsvorm, de ZZP-verdeling per leveringsvorm alsmede het leeftijd-specifiek gebruik. Vervolgens wordt kort stilgestaan bij de positionering van SGL binnen de betreffende leveringsvormen, waarna een verdiepingsanalyse van de regionale zorgvraag plaatsvind (i.c. zorgkantoren in de regio’s Noord- en Midden-Limburg en Zuid-Limburg). Daarbij zal ingegaan worden op het gebruik per leveringsvorm, de ZZP-verdeling alsmede de zorgconsumptie door de bevolking door de bevolking in beide regio’s. De uitkomsten van de analyse van het regionale gebruik zullen worden afgezet tegen het landelijke gebruik.

Op basis van de uitkomsten van de regionale zorgvraaganalyse is in dit marktonderzoek tenslotte voor de drie leveringsvormen ZIN een inschatting opgenomen van de mogelijk toekomstige LG-zorgvraag. Daarbij is uitgegaan van een tweetal scenario’s:  Scenario 1: zorgconsumptie 2019 In dit scenario wordt geen rekening gehouden met een wijziging in het gebruik per leveringsvorm (ZIN) van de LG-zorg. De zorgconsumptie 2019 is geprojecteerd op de bevolkingsprognose van de door SLG onderscheiden werkgebieden.  Scenario 2: trend zorgconsumptie 2015/2019, doortrekken naar 2030

Hoofdstuk 3

18

In dit scenario wordt per leveringsvorm (ZIN) de trend 2015/2019 nog 10 jaar doorgetrokken en daarna constant gehouden. Bij de doorrekening van beide scenario’s is gebruik gemaakt van de Primosprognose (2021) van ABF Research.

Binnen het werkgebied Midden-Limburg zijn Roermond en Weert grootste gemeenten met respectievelijk circa 60.000 en 50.000 inwoners. In beide gemeenten blijft de totale omvang van de bevolking redelijk stabiel. In de overige gemeenten is sprake van een lichte daling van de bevolking.

De thans beschikbare capaciteit van SGL in dit werkgebied bedraagt 50 plaatsen met als focus ZZP zonder BH (exclusief kleinschalig wonen). Volgens de doorrekening zou de toekomstige zorgvraag van ZZP zonder BH in beide scenario’s ingeschat kunnen worden op circa 55 plaatsen. Dit zou een

Hoofdstuk 3

19

planmatige ruimte betekenen van circa 5 plaatsen. De toekomstig in te schatten VPT-zorgvraag zal naar verwachting variëren tussen de 2/3 en 9 plaatsen. Conclusie De totale toekomstige vraag zou rekenkundig gedurende de periode t/m 2040 uitkomen op een groei van 5 plekken, waarbij SGL de eigen capaciteit in lijn brengt met de verwachte (lange termijn) vraag. Voor de komende jaren zal de feitelijke vraag echter hoger liggen, omdat in de periode tot 2035 voor de gemeenten in de kern Roermond nog een bevolkingstoename wordt verwacht, en daarna pas een lichte daling zichtbaar wordt. Vanwege de ‘verkeerde bedden problematiek’ en dus de vervaging tussen de indicatiestelling LG en verzorging en verpleging met betrekking tot de doelgroep NAH ligt de feitelijke vraag hoger. Op het moment dat het aanbod voor deze vraag wordt gecreëerd, wordt deze ‘verborgen vraag’ ook zichtbaar.

De modellen houden nog geen rekening met de impact van het overheidsbeleid van ‘langer thuiswonen’, waardoor er mogelijk in de komende jaren nog een ‘boost’ kan komen van instroom in de WLZ maar ook van de verschuiving van thuiswonend WLZ (MPT) naar WLZ intramuraal (ZZP en VPT). SGL verwacht dan ook, dat zowel de vraag naar MPT, als ook naar VPT en ZZP nog verder zal toenemen. VPT is een recent en relatief ‘onbekend’ product voor cliënten en aanbieders en de vraag hiernaar bij cliënten neemt de laatste jaren toe. Deze vraag is nog niet verwerkt in de meest recente landelijke data/trends. VPT is de voorloper van ZZP. Daarnaast ziet SGL ook een toenemende vraag naar deeltijdwonen. Aangezien de realisatie van onderhavig zorgcomplex voor SGL ter vervanging is van de huidige WBClocatie aan de Godsweerdersingel 16 te Roermond en ter vervanging van de huidige woon- en logeerlocatie aan de Thaalweg West 70 te Echt, waar in totaal 22 plekken aanwezig zijn, ziet de uitbreiding op 6 (ZZP-)plekken. Deze uitbreiding voorziet al min of meer deels in die toekomstige vraag(toename). Er is momenteel een wachtlijst van cliënten die in Roermond zal gaan instromen. Gezien vorenstaande is er voldoende behoefte voor de realisatie van 28 zorgappartementen voor NAH-cliënten.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan conform artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro voorziet in een behoefte.

Hoofdstuk 3

20

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Op 25 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg in werking getreden. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien het mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het tweede kwartaal van 2021. Daarnaast is een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2023. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving.’

Hoofdstuk 3

21

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden. Hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en daarmee het verkleinen van kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen.

Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.3 en 3.4). Onderhavig plan maakt de realisatie van 28 zorgwoningen voor NAH-cliënten en 16 sociale huurwoningen mogelijk. De woningen worden kwalitatief hoogwaardig en 10 van de 16 woningen sociale

Hoofdstuk 3

22

huurwoningen zullen levensloopbestendig worden ingericht. Het planvoornemen is in lijn met het principe van ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en door het toevoegen van kwalitatief hoogwaardige woningen wordt bijgedragen aan de kwalitatieve transformatie van de woningvoorraad. Alle woningen worden daarnaast gasloos opgeleverd. Ook zijn de woningen beter geïsoleerd dan wettelijk is vereist en worden de woningen voorzien van zonnepanelen. De beoogde ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de POVI. 3.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: “Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.” In artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende bepaald: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht.

Bestuursafspraken Artikel 2.4.2 stelt dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad. Ook aan de bestaande planvoorraad woningen mogen geen woningen worden toegevoegd anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving MiddenLimburg. In de toelichting bij het bestemmingsplan dient te worden aangegeven hoe een woningbouwplan zich verhoudt tot de afspraken die zijn vastgelegd in de Structuurvisie en hoe het plan bijdraagt aan de regionale opgave, gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Specifieke bepalingen omtrent beschermingszones en beschermingsgebieden In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normering

Hoofdstuk 3

23

wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren. Afweging Bestuursafspraken en Ladder voor duurzame verstedelijking De gemeente Roermond maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' vastgesteld. Deze wordt besproken in paragraaf 3.3.1. De ladder voor duurzame verstedelijking wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.4. Beschermingszones en beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk III verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.

Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn binnen onderhavig plan, vormt de ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III geen belemmering. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er kortom geen belemmeringen. 3.2.3

Ontwerp Omgevingsverordening (2021)

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Provinciale Staten hebben op 17 december 2021 de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op het moment dat ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoofdstuk 4: Grondwaterbescherming Volgens de omgevingsverordening ligt het besluitgebied binnen boringsvrije zone Roerdalslenk III. Binnen deze zone geldt een verbod op boringen en het roeren van grond dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Voor boringen dieper dan 80 meter geldt een meldplicht bij het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten). Onderhavig initiatief maakt de de bouw van 16 nieuwe woningen en de bouw van een zorgcomplex mogelijk. Ten behoeve hiervan worden de bestaande gebouwen gesloopt. Er zijn voor deze werkzaamheden geen grondwerkzaamheden gepland die dieper gaan dan 80 meter.

Hoofdstuk 3

24

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 Algemeen De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) en de provincie Limburg hebben het initiatief genomen tot het opstellen van een Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving (regionaal vastgesteld op 18 december 2014). In deze structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld ‘Wonen’ voor de korte termijn (2014 tot en met 2017) en met een doorkijk naar de lange termijn (2018 tot en met 2023) vastgelegd. Deze structuurvisie is medio 2019 geactualiseerd voor de jaren 2018 t/m 2021 in de vorm van de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ met als ondertitel “Bouwen aan de toekomst’. Deze structuurvisie richt zich primair op wonen. In de gemeente Roermond is deze structuurvisie vastgesteld op 4 juli 2019 en daarmee is tevens de ‘Structuurvisie Woonomgeving Midden-Limburg uit 2014’ ingetrokken. Structuurvisie op basis van de Wet ruimtelijke ordening De structuurvisie is vastgesteld op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Hiermee wordt voorzienbaarheid gecreëerd. Dit is belangrijk omdat de (potentiële) plancapaciteit in de regio Midden-Limburg teruggebracht dient te worden van ca. 10.800 woningen tot ca. 5.800 woningen.

De belangrijkste ontwikkelingen Midden-Limburg kenmerkt zich door grote verschillen. Op hoofdlijnen komt het neer op een agrarisch gebied met veel woningen in het buitengebied in het westen, de Maas en Maasplassen met het wonen georiënteerd op het water en de natuurgebieden in het oosten waar het wonen meer in/nabij de kernen plaatsvindt en minder in het buitengebied. Er is sprake van een urbanisatietrend; de steden/centrumkernen lijken aan aantrekkingskracht te winnen. Wat betreft de demografische ontwikkelingen doen zich ook verschillen voor. Een aantal gemeenten krimpt al in bevolkingsomvang of gaat dat het komend decennium doen. Een aantal groeit nog langere tijd door. In de Structuurvisie uit 2014 zijn regionaal twee belangrijke afspraken gemaakt, namelijk het realiseren van woningen en het afstemmen van de planvoorraad op de behoefte. Per gemeente is aangegeven wat maximaal mag worden gebouwd. Dit gold echter niet voor de gemeenten Roermond en Nederweert, omdat daar de huishoudenspiek op basis van Etil 2013 hoger ligt. Voor deze twee gemeenten gold zelfs een minimumopgave. Tegelijkertijd lag er een opgave om binnen 10 jaar de overcapaciteit in de planvoorraad terug te brengen tot het afgesproken aantal te bouwen woningen. In de nieuwe ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg’ wordt in hoofdstuk 2 even teruggeblikt op de ontwikkelingen tussen 2014 t/m 2017.

Daaruit volgt dat de overcapaciteit is teruggebracht. Weliswaar minder dan in de Structuurvisie uit 2014 afgesproken, maar er heeft in ieder geval in Midden-Limburg een kwalitatieve opschoning van

Hoofdstuk 3

25

plannen plaatsgevonden. Gemeente Roermond had overigens een zeer beperkte opgave tot het terugdringen van plancapaciteit. Daarnaast is geconstateerd dat het aantal inwoners in Midden-Limburg harder groeit dan waarvan de prognoses uit gaan. Wel is er een verschil binnen de regio merkbaar. De centrumsteden Weert en Roermond alsmede Nederweert groeien qua inwonertal, terwijl de overige gemeenten met veel kleine kernen hun inwonertal zien afnemen. In alle gemeenten in de regio is het aantal huishoudens toegenomen. Verder hebben Nederweert, Roermond en Weert hun ambitie ten aanzien van het aantal te realiseren woningen gehaald. In de andere gemeenten zijn minder woningen gerealiseerd dan voorgenomen. In alle gemeenten is de aantrekkende woningmarkt merkbaar. Het aantal huishoudens is fors meer gegroeid dan in 2013 was voorzien. De druk op de huur- en koopmarkt is toegenomen. Er is een nadrukkelijk onderscheid tussen de stedelijke gebieden Weert-Nederweert en Roermond en de verspreid los gesitueerde kernen in Midden-Limburg. Uitbreidingen hebben vaak plaatsgevonden in bestaande plannen. Het accent ligt bij nieuwe initiatieven meer op transformatie, inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Dat is mede een gevolg van beleid dat zich richt op inbreiding in plaats van uitbreiding. Transformatie van leegstaand vastgoed heeft de voorkeur boven nieuwbouw op uitbreidingslocaties.

Leegstaand vastgoed bevindt zich vaak op centrale plekken in de wijken en dorpen. Denk aan vrijkomende maatschappelijke accommodaties zoals buurthuizen, scholen, zorgvastgoed, kantines, bibliotheken, alsmede commercieel vastgoed zoals kantoren en winkels. Middels transformatie kunnen kleinere woningen worden gerealiseerd. Deze woningen zijn geschikt voor 1- en 2-persoons huishoudens. Aan dit type woningen is behoefte. Opgave Roermond In de bijlage behorende bij de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021’ wordt teruggekeken naar de daadwerkelijke realisaties en ontwikkelingen in de eerste vier jaar van de Structuurvisie 2014. Het betreft de periode 2014 tot en met 2017. Vervolgens wordt ingegaan op de afbouw van de planvoorraad. Daarna wordt de nieuwe huishoudensprognose Etil 2017 vergeleken met de prognose uit 2013, die ten grondslag ligt aan de Structuurvisie 2014. De kwantitatieve woningbehoefte voor de sociale doelgroep zal in Midden-Limburg tot 2024 nog toenemen met 508 woningen. In Roermond neemt de kwantitatieve woningbehoefte tot 2030 met 283 woningen toe. Voor mensen met een beperking kent de regio 1.850 niet zelfstandige wooneenheden. De verwachting is dat de behoefte aan onzelfstandige woonzorgeenheden toeneemt. Het aantal oudere huishoudens neemt tot 2030 met 2.669 toe.

Afweging Onderhavig initiatief ziet op 16 sociale huurwoningen en een zorgcomplex met 28 zorgwoningen voor NAH-cliënten. Van de 16 sociale huurwoningen worden 10 woningen levensloopbestendig opgericht en de overige 6 woningen worden eengezinswoningen. Dit is ook geborgd in de regels van onderhavig bestemmingsplan. Zoals eerder vermeld neemt de woningbehoefte voor de sociale doelgroep toe.

Hoofdstuk 3

26

Ook neemt het aantal oudere huishoudens toe. Voor deze laatste doelgroep is de levensloopbestendige woning van belang. De 28 zorgwoningen worden gerealiseerd ten behoeve van NAH-cliënten. Dit betreft een maatschappelijke functie. Zorgwoningen tellen niet mee in de woningcontingenten en vallen derhalve niet onder de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg. Het planvoornemen is in lijn met de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 t/m 2021.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Roermond 2030 Op 22 december 2016 heeft de raad van de gemeente Roermond de Toekomstvisie Roermond 2030 vastgesteld. Deze toekomstvisie schetst voor 5 hoofdthema's (welke in samenwerking met inwoners van Roermond en partners van de stad zijn gekozen) een toekomstbeeld voor de gemeente. Met de 5 thema's biedt de toekomstvisie een integraal perspectief op de toekomst van de stad, waarbij de belangrijkste veranderingen worden geadresseerd die op de stad afkomen. Aan de hand van de 5 thema's wordt de gewenste ontwikkelingsrichting van de gemeente beschreven. Drie zogenaamde rode draden zijn daarbij randvoorwaardelijk voor de geschetste toekomst: ontmoeting, verbinding en samenwerking. Deze rode draden spelen een belangrijke rol binnen de 5 hoofdthema's. De vijf hoofdthema's kunnen als volgt worden samengevat: 1. Roermond in 2030, een thuis voor de jeugd In 2030 voelen kinderen en jongeren zich thuis in Roermond en verbonden met de stad. De jeugd die opgroeit in Roermond kan zich optimaal ontwikkelen. Er is een breed onderwijsaanbod en een variatie aan sport- en vrijetijdsmogelijkheden. Voor jongeren die op kamers gaan of starten op de woningmarkt biedt Roermond volop mogelijkheden. Een goede verbinding met het bedrijfsleven stimuleert ondernemerschap onder jongeren en zorgt voor voldoende stageplekken en carrièremogelijkheden.

De jeugd van Roermond maakt onlosmakelijk onderdeel uit van de lokale gemeenschap en speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de stad. 2. Roermond in 2030, stad die je actief houdt In 2030 leveren vitale ouderen in Roermond actief een bijdrage aan de samenleving en daarmee zijn ze van grote waarde. Ook biedt Roermond als stad van leisure en recreatie volop mogelijkheden voor de vrijetijdsbesteding van ouderen. Voor senioren is het goed toeven in Roermond en biedt de stad een prettige woonomgeving. Met speciale aandacht voor het welbevinden voor haar oudere bewoners is Roermond een seniorvriendelijke stad. De levendigheid van de stad en de generatie-overstijgende netwerken in de gemeenschap maken dat Roermond een stad is die je actief houdt. 3. Roermond in 2030, Roermond zorg(t) voor elkaar Roermond is in 2030 een stad waar aandacht is voor de kwaliteit van leven van haar inwoners. De mens staat centraal en met oog voor de individuele situatie wordt de zelfredzaamheid gestimuleerd en ondersteuning en zorg geboden waar nodig. Een grote rol is daarbij weggelegd voor sociale netwer-

Hoofdstuk 3

27

ken en community's. Samen met formele zorgnetwerken zorgen zij voor een fijnmazig vangnet. De gemeente brengt de verschillende organisaties en maatschappelijke initiatieven bijeen en stimuleert vernieuwende concepten voor zorg die menselijk, kleinschalig, dichtbij en bereikbaar is. De stad biedt een zorgzame woonomgeving waar mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. 4. Roermond in 2030, stad van retail & leisure en industrie Roermond is in 2030 een sterke regionale speler. Bedrijfsleven en onderwijs in de regio werken slim samen en de gemeente is daarbij een daadkrachtige en creatieve verbinder. De stad is koploper in retail-innovatie, wat voor extra aantrekkingskracht zorgt. Roermond wordt steeds internationaler. In retail en in de maakindustrie zorgt een mix van kleine en grote bedrijven voor een innovatieve dynamiek. Samen met het onderwijs uit de regio voeden zij het ondernemerschap bij de bevolking. Ondernemerschap dat gestalte krijgt op de verschillende werklocaties die de stad rijk is, van binnenstad tot Roerstreek. De werklocaties zijn de visitekaartjes van de Roermondse economie 5. Roermond in 2030, historische binnenstad aan het water In 2030 is de levendige historische binnenstad aan het water hét visitekaartje van Roermond.

In de compacte binnenstad zorgt een diverse mix van winkels, horeca, cultuur, recreatie, onderwijs, bedrijvigheid, wonen en evenementen voor een levendig centrum. Het historische decor en de verbinding met het water dragen bij aan een unieke beleving. De mogelijkheden voor watersport en recreatie van de Maasplassen, het binnenstadtoerisme en het Designer Outlet Center versterken elkaar. Niet alleen voor bezoekers, ook voor bewoners is de binnenstad van grote waarde. De binnenstad biedt een aantrekkelijke woonomgeving en is de plek waar bewoners komen om te werken, te leren en elkaar te ontmoeten. Afweging Vanzelfsprekend kunnen de diverse thema's uit de toekomstvisie ook ruimtelijke componenten en consequenties hebben. Daarbij kan gedacht worden aan het beschikbaar zijn van voldoende woningen voor starters en senioren, de doorontwikkeling en het beheer van de diverse werklocaties, of het beschermen en versterken van de voorzieningenstructuur binnen de gemeente. Middels het voorliggende bestemmingplan wordt het gebied tussen de Emmalaan, Koninginnelaan en de Prins Bernhardstraat herontwikkeld. Hiermee wordt voorzien in een concrete behoefte en wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de kwalitatief hoogwaardige woon- en leefomgeving voor inwoners van Roermond op een bijzondere locatie. 3.4.2

Duurzaamheidsvisie

Op 30 maart 2017 heeft de gemeente Roermond de duurzaamheidsvisie vastgesteld. Deze duurzaamheidsvisie ziet op drie thema’s, namelijk:  Het probleem klimaatverandering oplossen;  Een einde maken aan extreme armoede;  Ongelijkheid en onrecht bestrijden. Voor wat betreft ruimte, wonen en bouwen is de navolgende doelstelling geformuleerd.

Hoofdstuk 3

28

De beschikbare ruimte in Roermond wordt efficiënt en duurzaam gebruikt. De kwaliteit van de ruimte wordt verhoogd, wat wil zeggen dat Roermond inzet op de toegankelijke en bruikbare buitenruimte voor een breed spectrum aan doelgroepen. In Roermond worden vanaf 2020 alleen nog maar bouwplannen ontwikkeld die energieneutraal zijn maar bij voorkeur Nul op de Meter, materiaalgebruik en groen in relatie tot elkaar. Samen met de woningcorporaties waaronder Wonen Limburg en netbeheerder Enexis, wordt er gewerkt aan een transitieplan naar een gasloze woningvoorraad. In 2040 is de Roermondse woningvoorraad verduurzaamd, wat onder meer inhoudt dat de woningvoorraad minimaal energielabel C (of) B heeft. Roermond zet in ieder geval in op zonneenergie als variant van duurzame opwekking, waarbij ook de mogelijkheden (zoals windenergie) buiten de stedelijke bebouwing niet worden uitgesloten maar in voorkomend geval worden onderzocht. Het beeldbepalende karakter van de binnenstad wordt behouden door de inzet van zoveel mogelijk esthetische zonne-energieoplossingen waar nodig en mogelijk. Afweging De in het plangebied beoogde woningen zijn toekomst- en deels levensloopbestendig en worden gasloos opgeleverd. Daarnaast zijn de woningen beter geïsoleerd dan wettelijk is vereist en worden de woningen voorzien van zonnepanelen. Er wordt derhalve voldaan aan de duurzaamheidsvisie. 3.4.3

Groenvisie

De visie op het stedelijk groen is in samenwerking met burgers en belangenverenigingen opgesteld en vastgelegd in de ‘Groenvisie’, die door de gemeenteraad op 22 december 2016 is vastgesteld. Om deze visies via diverse uitvoeringssporen te realiseren zijn spelregels opgesteld, toetsingscriteria voor kwaliteit. De Groenvisie zet in op duurzame groenstructuren in de openbare ruimte. Groenstructuren die aantrekkelijk zijn en zo robuust dat ze voor lange tijd bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Vanzelfsprekend zijn deze structuren ecologisch waardevol, klimaat- en ziektebestendig en klaar voor de toekomst. Afweging Bij de verdere uitwerking van de stedenbouwkundige opzet van het plangebied en de invulling met groenelementen, zal zoveel mogelijk aangesloten worden bij de spelregels uit de Groenvisie. Voor het plangebied wordt een hoog kwaliteitsniveau nagestreefd en de verdere uitwerking zal dan ook in nauw overleg met de gemeente Roermond plaatsvinden. 3.4.4

Nota bodembeheer

Op 9 juli 2020 heeft de gemeenteraad van Roermond de Nota Bodembeheer Limburg Noord 20202029 vastgesteld. De Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 is een gemeenschappelijke nota van de 15 Noorden Midden-Limburgse gemeenten. In de Nota staat hoe de regio omgaat met bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond. De Nota geeft regels

Hoofdstuk 3

29

en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. De Nota is onlosmakelijk verbonden met de bodemkwaliteitskaart (BKK). De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied is aangegeven. Een BKK wordt opgesteld om grondverzet op een efficiënte, kosteneffectieve en verantwoorde manier mogelijk te maken. De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de bodemkwaliteit van de bodemlagen van 0 tot 0,5 meter onder het maaiveld en van 0,5 tot 2,0 meter onder het maaiveld. De Nota heeft 2 doelen: 1. Het stellen van een kader voor het duurzaam en efficiënt hergebruiken van grond binnen de regio. Of, simpeler gezegd: regels opstellen voor het hergebruik van vrijkomende grond. 2. Het beleidsmatig verankeren van het in Limburg gehanteerde meersporenbeleid. Dat komt erop neer dat voor de activiteiten grondverzet, ruimtelijke ontwikkeling, bouwen en bodemsanering de bodemkwaliteit zo eenduidig mogelijk wordt beoordeeld. De ‘Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029’ bevat het toetsingskader voor de te hanteren bodemkwaliteit afhankelijk van de nieuwe functie en de huidige bodemkwaliteit, de zogenaamde dubbele toets. De volgende kwaliteitsklassen worden gehanteerd: Wonen en Industrie. In paragraaf 4.1.3 wordt nader ingegaan op het aspect bodem.

Daarnaast is eveneens op 10 november 2020 de ‘Bodemkwaliteitskaart PFAS’ vastgesteld. Conform de desbetreffende bodemkwaliteitskaart zijn er geen waarnemingen van PFAS in het plangebied. 3.4.5

Nota parkeernormen 2021

De Nota Parkeernormen 2021 is op 14 oktober 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De nota staat op zichzelf, maar maakt ook deel uit van de strategische kaders zoals weergegeven in de Parkeervisie Roermond en het Parkeerbeleidsplan 2021 - 2030. Voldoende ruimte en een goede bereikbaarheid zijn belangrijke factoren voor bewoners en bedrijven om zich in Roermond te vestigen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen (inbreiding, uitbreiding en functieverandering) wordt door middel van een vaste systematiek met parkeernormering invulling gegeven aan de parkeervraag. De locatie en het type woning of bedrijvigheid bepalen de parkeernorm en het wel of niet realiseren van parkeergelegenheid op eigen terrein. Roermond wil de vraag naar parkeergelegenheid faciliteren, maar wel op zodanige wijze dat de kwaliteit van de openbare ruimte blijft behouden. Centraal hierbij staat dat de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk wordt gesteld voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen bij nieuwen verbouw. Uitgangspunt is een duurzame inrichting van de openbare ruimte, waarbij het streven is om initiatiefnemers ‘parkeren op eigen terrein te laten realiseren. Indien dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar andere parkeermogelijkheden.

Hoofdstuk 3

30

De gemeente stelt een actuele parkeernormensystematiek waarin parkeren bij in-, uitbreiding en functieverandering duidelijk is vastgelegd, gekoppeld aan de regelgeving van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De huidige parkeernormen worden getoetst aan de nieuwste parkeerkencijfers. Uitgangspunt is om binnen de bandbreedtes van de nieuwste parkeerkencijfers van CROW te zoeken naar de best passende parkeernorm voor Roermond. Mogelijkheden om bij nieuwe functies bezoekers op te nemen in de bestaande parkeervoorzieningen moeten worden onderzocht. De parkeernormen worden besproken in paragraaf 4.7.

Hoofdstuk 3

31

4.

ONDERZOEK Bij voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)-invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de aspecten bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en parkeren.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. Aanmeldnotitie Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, welke als separate bijlage is opgenomen.

Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. 4.1.2

Bodem

Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 4

32

Onderzoek Geonius heeft een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd ter plaatse van de planlocatie. Het volledige rapport is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt de samenvatting en conclusie van het rapport. VOCL-verontreiniging Op basis van dit verkennend en eerder door Geonius uitgevoerd nader bodemonderzoek naar de VOCL-verontreiniging is de omvang van de sterke verontreiniging met VOCL in de bodem vastgesteld. Tevens is redelijk inzicht verkregen in de niet toepasbare bodem (< interventiewaarde) en overige kwaliteiten als gevolg van de VOCL-verontreiniging. De invloed van de VOCL-verontreiniging in de bodem heeft, op basis van de VOCL-analyse van boring 007, binnen het plangebied voornamelijk betrekking op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie met als grens de Burgemeester Steinwegstraat. Middels het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat binnen dit gebied geen andere sterke verontreinigingen voorkomen met de onderzochte parameters uit het standaardpakket voor landbodem of PFAS. Daarnaast is het grondwater binnen het plangebied plaatselijk sterk verontreinigd met VOCL. Uit onderzoek van LievenseCSO blijkt dat sprake is van een ‘geval van ernstige verontreiniging’ waarbij geen sprake is van ‘actuele verspreidingsrisico’s’.

Op basis van de uitgevoerde boringen en analyses, alsmede de reeds eerder uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat binnen de grenzen van het plangebied de bodem ter plaatse van de bronlocatie vanaf onderzijde vloer voorkomt tot een diepte van ca. 1,8 m- maaiveld. De bodem ten oosten op het onbebouwde deel is sterk verontreinigd vanaf het maaiveld tot 2,5 à 2,7 m- maaiveld. De oppervlakte waarover de verontreiniging voorkomt is ca. 480 m². De omvang van de gehalten met VOCL in de bodem boven de interventiewaarde wordt geschat op ca. 1.200 m³. Gezien het moment dat de verontreiniging is ontstaan en de vastgestelde omvang, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Naast sterk verontreinigde grond is tevens sprake van niet toepasbare grond. De niet toepasbare grond komt met name voor onder de bebouwing en deels in het trottoir, dan wel parkeervak. Ter plaatse van een deel van de bebouwing, het trottoir, dan wel parkeervak en de groenstrook komt de niet toepasbare grond voor vanaf het maaiveld tot ca. 2,8 m- maaiveld. Onder de bron van de sterke verontreiniging komt niet toepasbare grond voor van ca. 1,8 tot 3,8 m- maaiveld. Algemeen terrein Op basis van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat binnen het plangebied, met uitzondering van de VOCL-verontreiniging, geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de overig onderzochte parameters.

Indicatief getoetst aan de maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit varieert de kwaliteit tussen achtergrondwaarde en industrie. Voor de indicatieve bodemkwaliteitsklasse op het oostelijk deel van het terrein is VOCL de kritische parameter en dient de kwaliteitstekening als leidend te worden beschouwd. 2

Geonius, Verkennend bodemonderzoek Emmalaan te Roermond, rapportnr.: MA210426.R01.V1.0, d.d. 8 juli 2021.

Hoofdstuk 4

33

Er is geen asbest aangetoond in gehalten die aanleiding geven tot nader onderzoek. De asfaltconstructie binnen het plangebied, met een geschatte omvang van ca. 96 ton, dient in zijn geheel als teerhoudend te worden beschouwd. De puinhoudende fundatielagen onder de asfaltverharding dienen, indicatief getoetst aan de samenstellingswaarde van de organische componenten uit de Regeling bodemkwaliteit, als indicatief toepasbare, niet vormgegeven bouwstof worden beschouwd. Opgemerkt wordt dat geen uitloogonderzoek heeft plaatsgevonden. Aanbevelingen Geadviseerd wordt om een saneringsplan op te stellen om tot een verantwoorde aanpak van de VOCL-verontreiniging te komen. Voor onderhavig initiatief is een saneringsplan opgesteld. Dit plan is ter beoordeling aan de Provincie Limburg voorgelegd en goedgekeurd. Het besluit van de Provincie Limburg 3 is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. 4.1.3

Geluid

Conform de Wet geluidhinder moet bij het projecteren van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen gekeken worden of bij de woningen niet te veel geluidhinder wordt ondervonden zodat het woon- en leefkwaliteit wordt aangetast. Om dit gestructureerd te onderzoeken heeft men onderstaande werkwijze in de Wet geluidhinder opgenomen. Econsultancy heeft een onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai4 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan de toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Onderzoek Als gevolg van de Koninginnelaan en de Prins Bernhardstraat wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB overschreden. Conform de Wet geluidhinder en in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een maatregelenonderzoek plaats te vinden. Hierbij dienen achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen te worden overwogen. Bronmaatregelen Het beperken van de rijsnelheid of de verkeersintensiteiten van de Koninginnelaan en de Prins Bernhardstraat zijn onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregelen. Verder is een verplaatsing van de woningen gezien de beperkte ruimte op het perceel niet efficiënt.

3 4

Provincie Limburg, Besluit saneringsplan Prins Berhardstraat te Roermond, kenmerk: DOC-00219154, d.d. 14 januari 2021. Econsultancy, Rapportage onderzoek weg- en railverkeerslawaai Emmalaan te Roermond, rapportnr.: 9434.004, d.d. 17 juni 2021.

Hoofdstuk 4

34

De Koninginnelaan beschikt over een referentiewegdek (AC 16 surf). De Prins Bernhardstraat beschikt tot aan de kruising met de Vondelstraat over een referentiewegdek (AC 16 surf). Op het kruispunt en erna is de weg voorzien van een elementenverharding in keperverband. Met een stiller wegdektype (SMA-NL 8G+) kan een reductie van circa 3 dB behaald worden. Voor een efficiënte bronmaatregel dient over minstens 340 meter lengte van de Koninginnelaan en over minstens 110 meter lengte van de Prins Bernhardstraat het wegdektype te worden vervangen. Het vervangen van de bestaande verharding en de beperkte te behalen reductie wordt niet doelmatig geacht. Binnen 50 meter vanuit het hart van het kruispunt is de aanleg van een geluidsreducerend wegdek vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk. Bij een eenheidsprijs van € 35,- per m² bedragen de totale kosten voor het vervangen van het wegdek minstens € 110.000,-. Een dergelijke investering is gezien de beperkte reductie niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidsscherm langs de Koninginnelaan en de Prins Bernhardstraat kan een effectief middel zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen. Het realiseren van overdrachtsmaatregelen in de nabijheid van een kruispunt zal als bezwaarlijk worden gezien. Vaak is daar geen ruimte voor en past een dergelijk scherm niet in een stedelijke omgeving.

Gezien de ligging van het plan op een geluidbelaste locatie zal een lang en hoog geluidscherm nodig zijn om voldoende afscherming te bieden. Daarnaast zal de realisatie van een geluidsscherm langs een kruispunt vanwege de verkeersveiligheid niet wenselijk zijn. De kosten voor de overdrachtsmaatregelen staan in dit geval niet in verhouding met de te behalen reductie. Derhalve zal het realiseren van overdrachtsmaatregelen voor het plan op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard stuiten. Cumulatieve geluidsbelasting Bij blootstelling door meerdere geluidsbronnen dient onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van verschillende geluidsbronnen (cumulatie). De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 68 dB (excl. aftrek). Aanvraag hogere waarden Voor de 16 sociale huurwoningen en een deel van de zorgwoningen dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Koninginnelaan een hogere waarde bij het college van B&W te worden aangevraagd.

De gemeente kan hierbij de volgende kenmerken van het plan in overweging nemen:  de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan of gelijk aan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB;  bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig zijn of op overwegende bezwaren stuiten;  met het plan wordt een nieuwe invulling aan het terrein gegeven;  middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het binnenniveau gewaarborgd. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Alleen voor de Koninginnelaan kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de wo-

Hoofdstuk 4

35

ning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Door Econsultancy is een onderzoek geluidwering gevels 5 uitgevoerd. De rapportage is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna wordt een samenvatting van het onderzoek weergegeven. De karakteristieke geluidwering van de gevels en de resulterende binnenniveaus zijn met behulp van het programma BOA versie 5.0.2 (build 1) met de rekenmethode zoals opgenomen in de NPR 5272 en het spectrum voor wegverkeer conform RMG2012 / NEN 5077 berekend. Ten behoeve van een uniform straatbeeld zijn voor de woningen en studio’s in principe identieke standaard gevelelementen gehanteerd. Afhankelijk van de te realiseren karakteristieke geluidwering zijn voor een aantal verblijfsruimtes voor de levensloopbestendige en eengezinswoningen aanvullende voorzieningen benodigd.

Voor alle in het onderzoek gehanteerde voorzieningen geldt dat alternatieven mogelijk zijn, zolang deze minimaal akoestisch gelijkwaardig zijn aan onderstaand overzicht:  beglazing: o gw30, RAtr ; ≥ 30 dB(A), dubbelglas 4-16-8 mm, SGG CLIMAPLUS ACOUSTIC 24/36, of Scheuten Isolide Phon I 36/34; o gw32, RAtr ; ≥ 32 dB(A), dubbelglas 6-16-10 mm, SGG CLIMAPLUS SILENCE 26/40, of Scheuten Isolide Phon S 41/34; o gw34, RAtr ≥ 34 dB(A), dubbelglas 4-40-10 mm, SGG CLIMAPLUS SILENCE 34/42, of Scheuten Isolide Phon S 42/36;  kieren en naden: o raam: k40a, buisprofiel, indrukking ≥ 4mm; o k45a, buis- of tussenprofiel, indrukking ≥ 6mm; o deur: k40c, dubbele aanslag rondom. De berekende karakteristieke geluidweringen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen gelden, uitgaand van de realisatie van de voorgeschreven (of akoestisch gelijkwaardige) voorzieningen, geen akoestische belemmeringen. 4.1.4

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 5

Econsultancy, Onderzoek geluidwering gevels Emmalaan te Roermond, rapportnr.: 9434.006, d.d. 10 november 2021.

Hoofdstuk 4

36

c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden.

In de regeling NIBM is voor woningbouwlocaties aangegeven dat bij een woningbouwontwikkeling tot 1.500 woningen deze als NIBM wordt aangemerkt. In het voorliggende geval worden minder woningen gerealiseerd dan de genoemde 1.500, wat betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit en de luchtverontreiniging. Hiermee wordt voldaan aan Artikel 5.16 Wm, lid 1, onder c.

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse minder dan 10 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20

Hoofdstuk 4

37

µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren. Hiermee wordt voldaan aan Artikel 5.16 Wm, lid 1, onder a. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmeringen bestaan. 4.1.5

Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzonering om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven en inrichtingen voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’6. Een woning betreft geen functie die volgens de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ een milieuzone heeft ten opzichte van andere milieugevoelige functies. Ten aanzien van de woningen dient derhalve gekeken te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van de woningen. Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied. In de omgeving zijn verschillende functies aanwezig, zoals maatschappelijke functies en bedrijvenfuncties. Dit heeft tot gevolg dat de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind kunnen worden. Een verpleeghuis (woonzorgcomplex) is een inrichting conform de VNG brochure.

Voor deze functie geldt een richtafstand van 30 meter. Gelet op de ligging in een gemengd gebied, kan de afstandsstap worden verlaagd naar 10 meter. De afstand tussen de beoogde woningen en het beoogd woonzorgcomplex zal meer dan 10 meter bedragen. De reeds bestaande woningen liggen op een afstand van circa 20 meter. Aan de richtafstand wordt derhalve voldaan. Op circa 20 meter van het plangebied is een dansschool gelegen. Op grond van de VNG brochure geldt een minimale afstand van 30 meter. Aangezien het plangebied in een gemengd gebied ligt, geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Op 40 meter van het plangebied bevindt zich een kringloopwinkel. Hiervoor geldt een afstand van 10 meter (op grond van de categorie ‘detailhandel voor zover n.e.g.’). De afstandsstap kan met één afstandsstap worden verlaagd, waardoor er een richtafstand geldt van 0 meter. 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=6dcc2470-4224-415b-a874-8c27d1795cb3