CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Regels en toelichting bestemmingsplan Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat

Commissie Ruimte (RU) 22 juni 2022, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat26.300 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

38

Op circa 90 meter van het plangebied is een basisschool gelegen. Op grond van de VNG brochure geldt een minimale afstand van 30 meter. Door de verlaging van één afstandsstap bedraagt de minimale richtafstand voor een basisschool derhalve 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Tot slot is op circa 70 meter een zalencentrum gelegen. Volgens de categorie ‘congrescentra’ in de VNG brochure geldt een minimale richtafstand van 10 meter. De richtafstand komt uiteindelijk op 0 meter, omdat de richtafstand met 1 afstandsstap verkleind kan worden. Aan deze richtafstand wordt eveneens ruimschoots voldaan. Conclusie In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die invloed hebben op onderhavig planvoornemen. Het planvoornemen heeft tevens geen negatieve invloed op de omliggende bedrijven. Vanuit het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 4.1.6

Kabels en leidingen

De leidingen die zijn gelegen in of in de omgeving van het plangebied worden besproken in paragraaf 4.2. Voor het overige zijn geen kabels gelegen in en in de nabije omgeving van het plangebied die een belemmering vormen voor het planvoornemen.

4.2 Externe veiligheid 4.2.1

Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren:

Hoofdstuk 4

39

lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.2.2 Quickscan externe veiligheid Door Econsultancy is een quickscan externe veiligheid 7 uitgevoerd. De volledige rapportage is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met aanduiding locatie (zwart omcirkeld)

7

Econsultancy, Rapportage externe veiligheid Emmalaan te Roermond, rapportnr.: 9434.004, d.d. 11 juni 2021.

Hoofdstuk 4

40

Buisleiding Op circa 1,3 kilometer ten oosten van het plangebied is een aardgastransportleiding (1) gelegen. De grootste inventarisatieafstand voor buisleidingen bedraagt 580 meter. Omdat er binnen een straal van 580 meter tot het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen, bestaan er op dit punt geen belemmeringen voor het voorgenomen plan. Transport De afstand vanaf het midden van het spoor (2) tot de grens van het plangebied bedraagt circa 175 meter. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In de onderstaande tabel zijn de invloedsgebieden en aantallen transporten per stofcategorie weergegeven. Bron

Stofcategorie

Invloedsgebied

Route 50, Sittard - Roermond

A B2 C3 D3

460 995 35 375

Aantal transporten per jaar 13.900 3.500 6.200 5.500

Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van het spoor Sittard - Roermond en bevindt zich binnen het invloedsgebied van de grijs gearceerde stofcategorieën uit bovenstaande tabel. Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. De 28 zorgwoningen voor NAH-cliënten (minder zelfredzame personen) liggen op een afstand van 315 meter van het spoor. De woningen liggen hiermee binnen zone IV uit het gemeentelijk beleid waar geen beperkingen gelden. De reguliere woningen liggen binnen zone III. Zolang de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, gelden ook voor de reguliere woningen geen beperkingen. Inrichting Op circa 375 meter ten zuidwesten van het plangebied is een benzineservicestation met vulpunt (3) gelegen. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. De inrichtingsgrens van het spoorwegemplacement (4) ligt op circa 245 meter ten noorden van het plangebied. Gelet op de afstand tot het plangebied is enkel het scenario met toxische gassen relevant.

Kwantitatieve risicoanalyse Uit de kwantitatieve risicoanalyse van de spoorlijn volgt dat het gesommeerd groepsrisico in zowel de bestaande als de toekomstige situatie hoger is dan 0,1 x oriëntatiewaarde, maar wel lager dan de orientatiewaarde. De realisatie van het plan leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Derhalve kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het kader van de verant-

Hoofdstuk 4

41

woordingsplicht van het groepsrisico is dit plan voor advies toegezonden aan het bestuur van de Veiligheidsregio Limburg Noord. Naar aanleiding van het door de Veiligheidsregio Limburg Noord uitgebrachte advies8 is er een verantwoordingsdocument externe veiligheid 9 opgesteld. Het advies van de veiligheidsregio en het verantwoordingsdocument is opgenomen als respectievelijk bijlage 7 en 8 bij deze toelichting. Aandachtpunten voor een beperkte verantwoording groepsrisico Analyse scenario’s Voor stofcategorie A moet rekening gehouden worden met de scenario’s fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. Door een ongeval met een tankwagen op de spoorlijn en het emplacement kunnen giftige gassen (B2 en D3) vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. In de onderstaande paragrafen wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De verantwoording moet ter beoordeling worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Zelfredzaamheid Het ontstaan van een koude BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaatsvindt.

Zowel bij een koude of warme BLEVE dienen overlevenden het pand/woning te ontvluchten in verband met secundaire branden. Personen dienen te vluchten richting de Prins Bernhardstraat. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Ventilatieopeningen moeten zoveel mogelijk van de spoorlijn Sittard – Roermond afgericht worden. Evacuatie wordt pas in gang gezet als de situatie dat toelaat. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: - op tijd ter plaatse te zijn; - voldoende opstelplaatsen te hebben; - voldoende blusmiddelen te hebben.

8

9

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Concept ontwerpbestemmingsplan Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat kenmerk: 2021-027788, d.d. 17 december 2021. Gemeente Roermond, Verantwoordingdocument externe veiligheid bestemmingsplan “Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat gemeente Roermond”, 24 januari 2022

Hoofdstuk 4

42

4.3 Waterhuishouding Deze waterparagraaf is opgesteld met als doel een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het voorliggende bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van duurzaam waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. In deze paragraaf zullen de volgende onderdelen behandeld worden: - beschrijving van waterrelevant beleid; - kenmerken van het watersysteem. 4.3.1

Beschrijving van het waterrelevant beleid

Nationaal Waterplan Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg ook als uitgangspunten dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het beleid om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in de stad. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. En ook hier speelt de verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.

Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden, daar waar dat mogelijk is, verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook kan er gedacht worden aan het hooghouden van peilen nabij natuurgebieden. Ter voorkoming van eutrofiering en het verlandingsproces kunnen voedselrijke bodems uitgebaggerd worden. Een ander belangrijk punt is dat het rioleringsbeheer door gemeenten in het plangebied op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies afgestemd dient te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater in het gebied ingepast te worden. Ook voor mensgerichte nevenfuncties dient plaats te zijn. Duurzaam waterbeheer 21ste eeuw De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt

Hoofdstuk 4

43

om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen. Vasthouden, bergen, afvoeren De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die in de periode 2016-2021 worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water. Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én is een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionale waterbeleid in het POL2014. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid, waarbij wordt ingezet op de volgende inhoudelijke opgaven voor het regionale waterbeleid:  een veilige en aantrekkelijke Maasvallei;  een veerkrachtig en klimaatbestendig regionaal watersysteem;  behoud en herstel natte natuur en verbetering waterkwaliteit;  duurzame drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer.

Bij de verdere ontwikkeling van het plangebied wordt aangesloten bij de bovengenoemde algemene uitgangspunten. Er is verder geen sprake van strijdigheid met het Provinciaal Waterplan 2016-2021. Gemeentelijk rioleringsplan Roermond 2017-2021 Ook in het gemeentelijke rioleringsplan is de reeks “vasthouden-bergen-afvoeren” leidend voor nieuwe plannen. Samengevat wordt de volgende beleidsrichting aangehouden ten aanzien van de omgang met hemelwater:  de perceeleigenaar is (in eerste instantie) zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater op zijn eigen perceel.  bij afkoppelprojecten wil de gemeente ook particuliere verharding meenemen zoals daken, maar alleen bij een gebiedsgerichte aanpak en als het doelmatig is. Het afkoppelen van particuliere verharding zal in eerste instantie op basis van vrijwilligheid gebeuren.

Hoofdstuk 4

44

bij kleinschalige nieuwbouw moet de particulier in eerste instantie zelf zijn hemelwater infiltreren in de bodem of afvoeren naar oppervlaktewater. Kan dat niet, dan worden afspraken op maat gemaakt. Hemelwater moet bij voorkeur bovengronds worden gehouden. bij grootschalige nieuwbouw wordt hemelwater ingezameld en in het betreffende gebied zelf verwerkt.

4.3.2

Watertoets

Door Econsultancy is een watertoets10 uitgevoerd. De volledige rapportage is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Grondwater Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 19,20 m +NAP. Hiermee zou de GHG > 5,0 m -mv bevinden. Ten tijde de bodemonderzoeken is tot op de onderzochte diepte (6,0 m -mv) geen grondwater aangetroffen. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Roerdalslenk De Roerdalslenk is een gebied dat is gelegen tussen de Peelrandbreuk en de Feldbissbreuk. De Roerdalslenk geldt als grondwaterbeschermingsgebied. Het deel hiervan dat is gelegen in Limburg is aangewezen als boringsvrije zone, omdat het grondwater in dit gebied van hoge kwaliteit is. Doorboring van de waterbeschermende kleilagen wordt daarom zoveel mogelijk tegengegaan. Voor boringen en het gebruik van het grondwater in de Roerdalslenk (bijv. voor beregening) is bijna altijd een vergunning nodig.

In de Roerdalslenk is het niet toegestaan om:  Een boorput, bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken, te hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de bovenste kleilaag van de Kiezeloölietformatie (voorheen Bovenste Brunssumklei);  Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking kunnen aantasten. De planlocatie is gelegen in zone III van de Roerdalslenk. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei, dient vier weken tevoren schriftelijk gemeld te worden aan gedeputeerde staten.

10

Econsultancy, Rapportage watertoets Emmalaan te Roermond, rapportnr.: 9434.003, d.d. 1 februari 2021.

Hoofdstuk 4

45

Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaart van waterschap Limburg zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewateren gelegen. Het dichtstbij gelegen oppervlaktewater, De Roer, is gelegen ten zuidwesten van de planlocatie op een afstand van ca. 200 meter. Dit betreft een primaire watergang. Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd.  toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren).  toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).  de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal plaats te vinden (HNO).  niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd.  de wateropgave baseren op de daadwerkelijke toekomstig verhard oppervlak. Vooralsnog is uitgegaan van 4.535 m 2.  infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren conform 100 mm gerekend over het aantal m 2.  calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden).  wateropgave 450 m 3.  de maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of kleiner dan 24 uur.  calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden).  aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG.  GHG ingeschat op 19,20 m +NAP (> 5,0 m -mv).  bouwen volgens Duurzaam Bouwen (DuBo) principe.

Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Hemelwatervoorziening Hemelwater wordt in het noordwestelijk deel (buiten de verontreinigingscontour) geborgen en geïnfiltreerd door middel van toepassing van infiltratiekratten onder de toekomstige parkeerplaatsen. In het midden van de planlocatie wordt hemelwater geborgen door de aanleg van een gesloten ondergrondse buffer. Beide systemen worden met elkaar verbonden. De infiltratiekratten en het riool aan de westzijde van de planlocatie, deelgebied noord, hebben gezamenlijk een bergingscapaciteit van ca. 237 m 3. De infiltratiekratten en het riool in het midden van de planlocatie, deelgebied oost, hebben gezamenlijk een bergingscapaciteit van ca. 114 m 3. In totaal bedraagt de waterbergingscapaciteit derhalve ca. 351 m 3.

Hoofdstuk 4

46

Lediging Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Vanwege de aanwezige verontreinigingscontour wordt infiltratie in het oostelijke deel van de planlocatie niet wenselijk geacht. De gemeente Roermond heeft aangegeven dat het hemelwater vertraagd mag worden afgevoerd op het gemeentelijk rioolstelsel in de Emmalaan. Het systeem zal tussen put D3244 en D3246 op het riool worden aangesloten. Via deze verbinding zal voor extreme situaties tevens een noodoverlaat mogelijk worden gemaakt. De verdere detaillering van aansluitingen en civieltechnische uitwerking wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Calamiteit Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij in een korte tijd 100 mm neerslag valt geborgd kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt dan 100 mm kan overtollig water tussen put D3244 en D3246 overstorten richting de Emmalaan. De drempel van de noodoverlaat ligt op 26,05 m +NAP. In een dergelijke situatie kan tijdelijk een water-op-straat situatie ontstaan. Kwaliteit Algemeen Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd.

De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Bouwmaterialen De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Onkruidwerende middelen Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding dient het landelijke beleid gevolgd te worden. Onkruidwerende middelen worden niet meer gebruikt in het openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek en dient gezocht te worden naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. Keur Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.

Hoofdstuk 4

47

Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. 4.3.3

Conclusie

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

4.4 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. 4.4.1

Nota Archeologie gemeente Roermond

Het archeologisch beleid is vastgelegd in de nota archeologie gemeente Roermond 2011 in combinatie met de beleidskaart archeologie, en de Erfgoedverordening 2018. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van gebieden: historische kernen, gebieden met een hoge archeologische verwachting en overige gebieden. In bestemmingsplannen zijn deze categorieën vertaald naar ‘Waarde - Archeologie’ en ‘Waarde archeologie – Historische kern’. Op basis van de beleidskaart archeologie is het plangebied aangemerkt als een gebied met hoge archeologisch verwachting. In dat kader heeft het plangebied dan ook de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie'.

Hoofdstuk 4

48

4.4.2

Onderzoek

Econsultancy heeft een archeologisch onderzoek11 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een Maasterras daterend uit het Allerød de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van en verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is zwaar verstoord. De minst verstoorde boring is tot 1,1 meter onder maaiveld verstoord. Aangezien twee boringen gestuit zijn in de verstoorde lagen is niet duidelijk tot hoe diep het terrein plaatselijk verstoord is, maar uitgaande van één diepgaande boring tot minimaal 2,7 meter onder maaiveld. Uitgaande van bouwhistorische gegevens blijkt dat onder de huidige en reeds gesloopte woningen de bodem voor de aanleg van de kelders is vergraven tot tussen de 1,75 en 2,1 meter onder maaiveld. Uit het booronderzoek blijkt dat deze diepgaande verstoringen ook buiten de gebouwen hebben plaats gevonden. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van onderkelderde bebouwing (nu en in het verleden) op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht.

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. Voordat bodemverstorende activiteiten plaats kunnen vinden, dienen de resultaten van het onderzoek worden beoordeel door de bevoegde overheid (gemeente Roermond), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

4.5 Cultuurhistorie Het plangebied is volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg gelegen binnen een cultuurlandschap. Dit cultuurlandschap betreft ‘Bouwland, veld’. Reeds is het plangebied en de omgeving van het plangebied niet meer in gebruik als bouwland of veld. Het planvoornemen zal derhalve geen invloed hebben op het cultuurhistorisch element.

11

Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Emmalaan te Roermond, rapportnr.: 9434.002, d.d. 3 juni 2021.

Hoofdstuk 4

49

Voor het overige zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft kortom geen negatieve gevolgen voor beschermde- en beeldbepalende elementen of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.6 Ecologie 4.6.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Hoofdstuk 4

50

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb).

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Hoofdstuk 4

51

4.6.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Roerdal’ is gelegen op circa 250 meter. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling het amoveren van de huidige bebouwing en de realisatie van circa 16 huurwoningen en 28 zorgwoningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten.

In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden. 12 Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het plangebied niet gelegen in of in de directe nabijheid van beschermingszones natuur en landschap. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het plangebied ligt geheel buiten de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Op circa 250 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt de goudgroene landschapszone. Gezien de aard van het voorgenomen plan zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast.

Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

12

BRO, AERIUS-berekening Emmalaan Roermond, projectnr.: P01681, d.d. 19 november 2021.

Hoofdstuk 4

52

Soortbescherming Door Ecolybrium is een actualisatie van de quickscan flora en fauna13 uitgevoerd. Het volledige rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Gebleken is dat er ter plekke van alle woningen geen mogelijke nestlocaties van huismussen, gierzwaluwen en huiszwaluwen aanwezig zijn, vanwege het ongeschikt zijn van de dakopbouw (ontbreken van witgeverfde bekistingen onder regengoten waar huiszwaluwen onder nestelen) en dakconstructie. Er zijn nergens openingen onder dakpannen (of omdat deze er niet zijn) of tussen de bekistingen aan de dakranden, die toegang geven aan vogels tot de ruimtes. Daarnaast is gebleken dat de dakpannen zeer strak tegen de zijgevels van de woningen zit en dat er minder dan 0.5 cm ruimte is tussen de dakpannen en de gevelstenen. Dit is te weinig ruimte voor gierzwaluwen om er nestlocatie achter te kunnen hebben. Vleermuizen In alle woningen en garageboxen zijn eveneens nergens geschikte openingen aanwezig die mogelijk geschikt zijn voor vleermuizen als vaste rust- en verblijfplaatsen. Ook hiervoor geldt dat de ruimte die er is tussen de dakpannen en de gevelstenen ongeschikt zijn voor vleermuizen om er vaste rust- en verblijfplaatsen te kunnen vormen.

Open stootvoegen in de woningen, die toegang zouden kunnen geven aan vleermuizen, zijn niet aangetroffen. Vaatplanten (muurplanten) Op en rondom de woningen zijn geen beschermde en of bijzondere vaatplanten aangetroffen die enige hinder kunnen ondervinden, of hun groeiplaats verliezen door de beoogde werkzaamheden. Het terrein is geheel aangeplant met gecultiveerd gemeentelijk groen (plantsoen) én privégroen en goed ontwikkelde bloemrijke vegetaties (zoals schraal grasland) is niet aanwezig. Overige soorten Andere beschermde soorten, zoals amfibieën, reptielen, vissen, libellen, dagvlinders, grondgebonden zoogdieren (steenmarter) en andere ongewervelden, zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten op de locatie. Hiervoor zijn geen (optimaal ontwikkelde) leefgebieden aanwezig, of er zijn geen mogelijke openingen voor soorten om de woningen te betrekken (zoals bijvoorbeeld steenmarter). Effecten op soorten door de voorgenomen ingreep  Op basis van de onderzoeksresultaten dient geconcludeerd te worden dat er met de voorgenomen ingreep geen effecten optreden ten aanzien van broedvogels met jaarrond beschermde nesten (huismus, huiszwaluw en gierzwaluw), omdat er geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn.

13

Ecolybrium, Rapportage Actualisatie Quickscan Ecologische Waarden Emmalaan, te Roermond, kenmerk: 21-852-WZ, d.d. 7 juli 2021.

Hoofdstuk 4

53

De ingrepen in het gebied (sloop, nieuwbouw en herinrichting openbare ruimte) hebben geen effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, omdat geschikte invliegopening in de woningen ontbreken. De werkzaamheden hebben geen effecten op andere beschermde soorten of soortgroepen, vanwege het ontbreken van optimaal ontwikkeld habitat of groeiplekken.

Eindconclusie Op basis van het onderzoek en de toetsing aan de Wet natuurbescherming (Wnb) kan gesteld worden dat:  Er geen effecten optreden aan beschermde natuurwaarden en daarmee geen overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming optreden door de ingreep, omdat er geen geschikte locaties aanwezig zijn die als beschermde verblijf- of broedplaats dienst doen;  Er geen soortgericht vervolgonderzoek noodzakelijk is naar welke soortgroep dan ook.  De werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zoals beoogd.  Wel geadviseerd wordt om de werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de meest kwetsbare periode van soorten, met name buiten de broedperiode van vogels (meest optimale periode betreft hier vanaf half augustus tot half maart. Houtopstand Het onderdeel houtopstanden is niet van toepassing, aangezien het plangebied volledig binnen de bebouwde kom is gelegen. Wel geldt hier de gemeentelijke kapverordening. Zoals reeds in hoofdstuk 2 is aangegeven zullen er ten behoeve van het planvoornemen bomen worden gekapt. Dit zijn negen bomen die zijn gelegen in het plangebied. Er worden twee plataanbomen, vier essen, twee berken en één eikenboom gekapt. Op grond van artikel 4.11 van de Algemene plaatselijke verordening Gemeente Roermond (APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te (doen) vellen.

Hierop zijn een aantal uitzonderingen gemaakt. Aangezien deze bomen in eigendom van de gemeente zijn, is er een kapvergunning noodzakelijk. Bovendien kan het kappen alleen gedaan worden door mensen van de gemeente. Deze mogen enkel door de initiaitiefnemer zelf gekapt worden indien zij door de gemeente hiertoe zijn gemachtigd. De benodigde kapvergunning zal ten tijde van de omgevingsvergunning aanvraag worden aangevraagd. Voor bomen die men wil sparen geldt dat deze voldoende beschermd worden voor- tijdens- en na de werkzaamheden, bij voorkeur met vaste bouwhekken. Onder de gehele kroon van deze bomen mag de grond niet worden afgegraven of worden opgehoogd. Dient de verdichting van de grond door opslag van materialen of materieel of rijbewegingen voorkomen te worden. Om de kroon zullen derhalve bouwhekken moeten worden geplaatst. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect ‘Ecologie’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 4

54

4.7 Verkeer en infrastructuur 4.7.1

Verkeersgeneratie

In totaal worden er maximaal 16 huurwoningen, 28 zorgwoningen en een logeerappartement mogelijk gemaakt in het plan. Dit zal zorgen voor een verkeersafname. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381. Er is uitgegaan van 16 sociale huurwoningen en 28 serviceflats in de categorie ‘schil centrum’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied. Hiervoor gelden respectievelijk de normen en 4,7 en 2,7. De verkeersgeneratie komt hierdoor op 151 mvt/etmaal (16 x 4,7 + 28 x 2,7 = 150,8). Deze toename betreft een worst case scenario. In de huidige situatie zijn in het plangebied woningen, detailhandelsvestigingen en een dienstverleningsvestiging toegestaan. Deze woningen en overige functies zullen in de nieuwe situatie verdwijnen. De verkeersgeneratie die voortkomen uit deze functies kunnen derhalve op de verkeersgeneratie in mindering worden gebracht. In de bestaande situatie zijn binnen het plangebied 20 woningen toegestaan. In het gebouw aan de Prins Bernhardstraat zijn twee detailhandelsvestigingen mogelijk van 100 m 2, één detailhandelsvestiging van 60 m2 en een dienstverleningsvestiging van 100 m 2. Volgens de CROW-publicatie 381 leveren de drie detailhandelsvestigingen een verkeersgeneratie op van maximaal 165 mvt/etmaal. Voor deze berekening is uitgegaan van de categorieën ‘wijkcentrum (klein)’ in ‘schil centrum’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied.

De dienstverleningsvestiging levert een verkeersgeneratie op van maximaal 10 mvt/etmaal. Hier is uitgegaan van een ‘commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)’ in ‘schil centrum, in een ‘sterk stedelijk’ gebied. De woningen leveren een verkeersgeneratie op van 110 mvt/etmaal. Hierbij is uitgegaan van de categorieën ‘koop, appartement, midden’ in ‘schil centrum’ in een ‘sterk stedelijk’ gebied. De huidige planologische situatie levert een totale verkeersgeneratie op van 285 mvt/etmaal op. De beoogde planologische situatie levert een verkeersgeneratie op van 151 mvt/etmaal. Door het planvoornemen neemt de verkeersgeneratie derhalve af met 134 mvt/etmaal (285-151). 4.7.2 Parkeren Nota Parkeernormen 2021 Bij het opstellen van bestemmingsplannen worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Voor wat betreft het aantal benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied dient uit te worden gegaan van de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen 2021’, welke is vastgesteld door de raad van de gemeente Roermond op 14 oktober 2021. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het te realiseren woningtype. Het parkeren dient binnen het plangebied zelf gerealiseerd te worden.

Hoofdstuk 4

55

De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. In Roermond worden vier zones onderscheiden: • centrum; • schil; • rest van de bebouwde kom; • overige kernen en buitengebied. Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie ‘schil’. De parkeernormen uit de parkeernota zijn verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. De parkeervoorzieningen voor de te realiseren woningen zullen binnen het plangebied worden gerealiseerd. De 28 zorgappartementen leveren een parkeerbehoefte op van 16,8 parkeerplaatsen (28 x 0,6). Er is hierbij uitgegaan van de categorie ‘Verpleeg- en verzorgingstehuis’. Voor het logeerappartement bestaat geen vergelijkbare categorie. Derhalve is aansluiting gezocht bij de meest representatieve functie. Aangezien in het logeerappartement gebruik kan worden gemaakt van 24 uurs-zorg, is aansluiting gezocht bij de functie ‘verpleeg- en verzorgingstehuis’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,6 per wooneenheid. Het logeerappartement levert derhalve een parkeerbehoefte op van 0,6 parkeerplaatsen. De 16 sociale huurwoningen leveren een parkeerbehoefte op van 20,8 (16 x 1,3). Er is uitgegaan van de categorie ‘Sociale huur (huurliberalisatiegrens)’.

Totaal levert het planvoornemen een parkeerbehoefte op van 39 (16,8 + 0,6 + 20,8) parkeerplaatsen. Het plangebied wordt voorzien van 48 parkeerplaatsen. Er wordt daarmee ruim voldaan aan de Nota Parkeernormen 2021.

Figuur 4.2: Plattegrond toekomstige situatie

Hoofdstuk 4

56

5.

JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Feitelijke planopzet Dit bestemmingsplan is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels en toelichting. Het plangebied wordt geregeld door middel van het toekennen van passende bestemmingen voor de gronden waar de woningen en bijbehorende functies zijn toegestaan.

5.2 Juridische planopzet 5.2.1

Verbeelding

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. 5.2.2

Planregels

Wat betreft de systematiek van de regels is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Roermondse Veld’. Onderstaand worden de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen kort toegelicht. Maatschappelijk Ter plaatse van de zorgwoningen is de bestemming ‘Maatschappelijk’ toegekend. De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor 28 zorgwoningen met bijbehorende maatschappelijke voorzieningen. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving geeft aan dat de gronden bestemd zijn voor zorgwoningen met daaraan ondergeschikt water en waterhuishoudkundige voorzieningen, verkeersvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, kleinschalige evenementen en overige bijbehorende voorzieningen. Bouwregels De bouwregels geven aan waaraan zorgwoningen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken dienen te voldoen. Zo zijn bijvoorbeeld voorwaarden opgenomen voor de afstand van hoofdbebouwing tot perceelsgrenzen en zijn specifieke voorwaarden opgenomen over bebouwingspercentages en de hoeveelheid aan bijgebouwen op een bouwperceel, waarbij dit gerelateerd is aan de oppervlakte van een bouwperceel. Specifieke gebruiksregels Het is niet toegestaan bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woonruimte.

Hoofdstuk 5

57

Afwijken van de gebruiksregels Middels een afwijking is het, onder voorwaarden mogelijk een bedrijf, vallende onder kleine economie, op te richten. Woongebied Ter plaatse van de 16 grondgebonden woningen is de bestemming ‘Woongebied’ toegekend. De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor sociale huurwoningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen met daarbij behorende verkeersvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, garageboxen, uitsluitend waar deze ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan reeds aanwezig zijn. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving geeft aan dat de gronden bestemd zijn voor woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen en diverse ondergeschikte voorzieningen als parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen. Bouwregels De bouwregels geven aan waaraan woningen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken dienen te voldoen.

Zo zijn bijvoorbeeld voorwaarden opgenomen voor de afstand van hoofdbebouwing tot perceelsgrenzen en zijn specifieke voorwaarden opgenomen over bebouwingspercentages en de hoeveelheid aan bijgebouwen op een bouwperceel, waarbij dit gerelateerd is aan de oppervlakte van een bouwperceel. Specifieke gebruiksregels Het is niet toegestaan bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woonruimte. Afwijken van de gebruiksregels Middels een afwijking is het, onder voorwaarden, toegestaan een (vrijstaand) bijgebouw of gedeelte van het hoofdgebouw te gebruiken als afhankelijke woonruimte. Tevens is het, onder voorwaarden, middels een afwijking mogelijk een bedrijf, vallende onder de kleine economie, op te richten. Voor het overige bestaan de regels uit de algemene regels, zoals algemene bouwregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, procedureregels en overgangsregels.

Hoofdstuk 5

58

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient de economische uitvoerbaarheid te worden onderzocht. Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan indien sprake is van in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangewezen bouwplannen. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien één van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van toepassing is of indien:  het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd; en  het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan het bouwrijp maken, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte en woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is. Binnen het plangebied is voorzien in de bouw van 16 sociale huurwoningen en een zorgcomplex met 28 zorgappartementen. In verband met de bouw hiervan zijn aanpassingen aan de openbare ruimte noodzakelijk. In verband hiermee heeft de gemeente een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro gesloten met de initiatiefnemer.

In deze overeenkomst zijn afspraken opgenomen, op grond waarvan: − de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico verantwoordelijk is voor de verdere ontwikkeling en realisatie van de binnen het plangebied voorziene woningen en daarbij behorende voorzieningen; − de gemeente verantwoordelijk is voor de in verband met de te bouwen woningen noodzakelijke aanpassingen aan de openbare ruimte. Voor de gemeentelijke kosten in het kader van de aanpassingen aan de openbare ruimte heeft de gemeenteraad middelen beschikbaar gesteld. Daarnaast bevat deze overeenkomsten afspraken in verband met het risico op planschade. Hiermee wordt geregeld dat eventueel te vergoeden planschade op de initiatiefnemer kan worden verhaald. Omdat de gemeente zorg draagt voor de aanpassingen aan de openbare ruimte binnen het plangebied, is het niet noodzakelijk om eisen of regels te stellen aan het bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte of de uitvoerbaarheid. Gelet op het vorenstaande is de economische uitvoerbaarheid van het plan in voldoende mate verzekerd en kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 6

59

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Voor de omgevingsdialoog heeft de initiatiefnemer een participatieplan 14 opgesteld. Dit plan is als bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. In het participatieplan staat beschreven hoe de omwoners zijn betrokken bij de dialoog omtrent de ontwikkeling. Er zijn twee digitale infomarkten georganiseerd. De omwonenden zijn daarvoor uitgenodigd middels een papieren nieuwbrief. Ter informatie zal het plan tevens geëtaleerd worden bij de Woonkamer aan de Spoorlaan Noord 95A te Roermond. Daarnaast zullen bouwborden met impressies en QR code worden geplaatst op het perceel. Tot slot wordt een informatieparagraaf gepubliceerd op de nieuw website onder Nieuwbouw Emmalaan. Naar aanleiding van de infomarkten die plaats hebben gevonden op 12 en 19 januari is een verslag 15 opgesteld. Het verslag is aan onderhavige toelichting toegevoegd. Uit het verslag blijkt dat de buurtbewoners positief staan tegenover het planvoornemen. De informatieavonden hebben niet geleid tot aanpassing van het initiatief. Middels een nieuwsbrief 16 hebben ook de omwonenden een samenvatting gekregen van de informatiebijeenkomsten. Deze nieuwsbrief is eveneens als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Inspraak en vooroverleg In het kader van artikel 3.1.1.

Bro moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd worden met het waterschap, eventueel met andere gemeenten en met betrokken rijks- en provinciale diensten. De provincie heeft aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen. Rijkswaterstaat heeft eveneens aangegeven geen opmerkingen te hebben. Er is geen reactie ontvangen van het Waterschap Limburg. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn had eenieder de mogelijkheid om zienswijzen over het ontwerp bestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren te brengen. Er zijn gedurende deze zes weken geen zienswijzen naar voren gebracht.

14

Wonen Zuid, Participatieplan herontwikkeling sloop-nieuwbouw Emmalaan, Prins Bernhardstraat en Burgemeester Steinwegstraat. Wonen Zuid, Notulen bewonersavond 12 en 19 januari 2022. 16 Wonen Zuid, Nieuwsbrief Emmalaan, februari 2022. 15

Hoofdstuk 6

60

7.

PROCEDURE Wanneer het overleg over het plan met de instanties heeft plaatsgevonden en alle opmerkingen, voor zover noodzakelijk en wenselijk, zijn verwerkt wordt de wettelijke procedure (artikel 3.8 Wro e.v.) gestart. Voor een gedetailleerde beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de betreffende artikelen in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht. De procedure van ontwerp bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening ziet er als volgt uit: - Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; - Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; - Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; - Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad; - Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; - Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor

belanghebbenden; - Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 7

61

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Aanmeldnotitie m.e.r. Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Besluit Provincie Limburg saneringsplan Bijlage 4: Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Bijlage 5: Onderzoek geluidwering gevels Bijlage 6: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 7: Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Bijlage 8: Verantwoordingsdocument externe veiligheid Bijlage 9: Watertoets Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Stikstofdepositieberekening Bijlage 12: Onderzoek flora en fauna Bijlage 13: Participatieplan Bijlage 14: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 15: Nieuwsbrief Emmalaan

Toelichting

Regels

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=6dcc2470-4224-415b-a874-8c27d1795cb3