Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing (digitaal ter inzage)
Tekst van het document
Door middel van stimuleringsmaatregelen moet het fietsgebruik toenemen.
Het openbaar vervoer dient verbetert te worden. Onderzocht moet worden of met behulp van stedelijke distributie het vrachtverkeer kan worden geclusterd waardoor het totale aantal verkeersbeweging afneemt.
Met behulp van dynamische verkeersmanagementmaatregelen en het optimaliseren van bewegwijzering dient de doorstroming van het autoverkeer te worden verbeterd.
In het voorliggende geval is sprake van de invulling van een deel van het plan ‘Oolder Veste’, waarbij in het vigerende bestemmingsplan reeds rekening is gehouden met de toekomstige verkeersafwikkeling van het plan Oolder Veste als geheel. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.6. Beleidsregel 'Aan huis gebonden beroepen en kleine economie' Het college van burgemeester en wethouders heeft op 27 juni 2006 de beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’ vastgesteld. Hierin wordt aangegeven
18
3 Beleidskader Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
welke bedrijfsmatige activiteiten als een aan huis gebonden beroep en welke als zogenaamde ‘kleine economie’ beschouwd kunnen worden. Aan huis gebonden beroepen De zogenaamde aan huis gebonden beroepen vallen binnen de woonbestemming als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Voor de toepassing van de beleidsregel wordt als definitie aangehouden: “de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.”. De zogenaamde vrije beroepen, die onderdeel uitmaken van de aan huis gebonden beroepen, worden geacht binnen de woonbestemming te passen als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Onder vrije beroepen worden onder meer begrepen de beroepen van arts, advocaat, notaris en makelaar.
gebonden beroepen. De uitoefening van deze beroepen mag immers niet ten koste gaan van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving. Ter invulling hiervan worden bij de afweging om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen, de volgende voorwaarden aangehouden: Er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu.
Door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk
Activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningplichtig zijn, worden in beginsel niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen overlast voor de omgeving op zal treden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven worden toegestaan.
aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; dit houdt onder meer in dat er geen grote re-
De hiervoor beschreven regeling heeft verder geen consequenties met betrekking tot onderhavig planvoornemen.
clame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden.
De oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, mag niet meer dan 50% van de begane grond en maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m². Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt
3.4.4
Vigerend bestemmingsplan
In het besluitgebied vigeert het bestemmingsplan ‘Oolder Veste’ dat door de gemeenteraad van Roermond is vastgesteld op 27 juni 2013. Het besluitgebied heeft momenteel de bestemming ‘woongebied – 4.’ Gronden met de bestemming woongebied – 4 zijn bestemd voor vrijstaande woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen.
gevoegd. Kleine economie Overige bedrijvigheid die niet valt onder de aan huis gebonden beroepen, maar in bepaalde gevallen wel daarmee gelijk te stellen is, wordt aangemerkt als kleine economie. De definitie van kleine economie is: “bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.”. De activiteiten die tot de kleine economie behoren zijn niet rechtstreeks toegestaan binnen de woonbestemming. Wel is het mogelijk een omgevingsvergunning te verlenen. Voorwaarde daarbij is dat de ruimtelijke uitwerking overeenkomt met die van de aan huis
donderdag 19 augustus 2021
Er mag geen sprake zijn van een verkeersaantrekkende activiteit die de woonomgeving onevenredig belast en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of er in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn.
De uitvoerder van de activiteit dient ter plaatse te wonen. Detailhandel is alleen als ondergeschikte activiteit toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend.
Daarnaast is de functieaanduiding ‘wonen uitgesloten’ opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding ‘wonen uitgesloten’ zijn de voor ‘woongebied – 4’ omschreven doeleinden uitsluitend toegestaan indien de bodem geschikt is gemaakt voor de functie wonen. Verder geldt voor de locatie de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 3.’ Voor de als ‘wro-zone – wijzigingsgebied 3’ aangewezen gronden geldt een wijzigingsbevoegheid voor de bouw van woningen en/of voorzieningen in de vorm van openbare, sociale, culturele, medische, onderwijs- en sportdoeleinden. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 1.000 m2.
19
3 Beleidskader Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
De onderhavige ontwikkeling kan worden beschouwd als een vorm van wonen met een maatschappelijk doel en past in die zin binnen de wijzigingsbevoegdheid. Echter de nieuwbouw heeft een bedrijfsvloeroppervlak (BVO) van 1.630 m 2 en een gebruiksvloeroppervlak (GBO) van 1.320 m2. Nu de nieuwbouw een grote oppervlakte heeft dan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen maximale oppervlakte van 1.000 m2, kan deze kan deze wijzigingsbevoegdheid niet worden toegepast. Een klein deel van het besluitgebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie.’ De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht met een oppervlakte groter dan 100 m2. Op grond van het bestemmingsplan is het niet toegestaan om de appartementen voor ouderen met dementie te realiseren, en daarom wordt een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure gevoerd.
3.5
Afweging beleidskader
De onderhavige ontwikkeling past niet binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan en derhalve is onderhavige ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Uit de voorgaande alinea’s blijkt dat de beoogde woningbouwontwikkeling wel past binnen de diverse andere relevante beleidskaders. In het volgende hoofdstuk worden de bouwplannen getoetst aan de overige (milieutechnische) randvoorwaarden.
donderdag 19 augustus 2021
Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Oolder Veste’ met besluitgebied in het blauwe kader
20
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
4
Onderzoek
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1
Milieuhygiënische aspecten
4.1.1
Bodem
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Toetsing Het plangebied (= onderhavige locatie) is opgehoogd met schone grond, geschikt voor het beoogde woongebruik. De omliggende gronden van onderhavig besluitgebied zijn in gebruik geweest als vuilstortplaats. Deze is gesaneerd door middel van het herschikken en daarna ophogen met een leeflaag schone grond. De onderhavige locatie is gelegen buiten de contouren van deze voormalige en huidige vuilstort. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.1.2
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt
donderdag 19 augustus 2021
aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Toetsing Geluid industrielawaai Op ongeveer 130 meter van het besluitgebied is een schutterij met kogelvangers gelegen. Aangezien hier in het bestemmingsplan ‘Oolder Veste’ geen nadere eisen in terugkomen, en er reeds woningen dichter bij deze schutterij zijn gelegen, wordt op basis van industrielawaai ten opzichte van deze schutterij geen belemmeringen verwacht. Geluid wegverkeerslawaai Onderhavig besluitgebied ligt in de onderzoekszone van 200 meter van een 50 km/h weg. Op basis van het bestemmingsplan ‘Oolder Veste’ is reeds een hogere grenswaarden procedure doorlopen. Op basis hiervan is geen aanvullend akoestisch onderzoek meer nodig op basis van de ligging van onderhavig besluitgebied ten opzichte van de 50 km/h weg.
Op basis van wegverkeerslawaai worden ten aanzien van onderhavig planvoornemen geen belemmeringen verwacht. Conclusie Vanuit het aspect geluidhinder bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling binnen het besluitgebied.
4.1.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM. Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
21
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
Toetsing Zoals in paragraaf 4.6 is berekend, zal als gevolg van de realisatie van de zorgwoonvoorziening het aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde weekdag maximaal 84 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedragen. Zelfs indien wordt uitgegaan van een aandeel van 5% vrachtverkeer, draagt de ontwikkeling volgens de NIBM-tool niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. In werkelijkheid is er geen sprake van vrachtverkeer, waardoor de effecten op de luchtkwaliteit nog kleiner zullen zijn. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook bepaald te worden of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland blijkt dat de achtergrondconcentratie ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m3 (PM10), tussen de 10 en 12 µg/m3 (PM2,5) en tussen de 10 en 15 µg/m3 (NO2) bedraagt. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 vastgesteld op 40 µg/m3 en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 vastgesteld op 25 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied is derhalve ruimschoots voldoende. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarnaast niet in een toename van verkeersaantrekkende werking. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
donderdag 19 augustus 2021
4.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Inrichtingen In de omgeving rond het besluitgebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De meest dichtbijgelegen inrichting betreft een transportbedrijf aan de Schepersweg in Herten. Deze inrichting ligt op ruim 1,3 kilometer ten
22
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
zuidoosten van de locatie. Het invloedsgebied van dit transportbedrijf is 150 meter en reikt hiermee niet tot het besluitgebied. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt de locatie niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan. Risicovol transport over wegen, spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rondom het besluitgebied zijn geen wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. De A73 en het spoor Roermond – Maastricht, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zijn op een afstand van ruim 1,9 km ten oosten van het besluitgebied gelegen. De ligging ten opzichte van het Lateraalkanaal aan de westzijde van het besluitgebied bedraagt 1,7 km. De locatie valt dan ook niet binnen het invloedsgebied van deze transportassen. Risicovol transport door buisleidingen In de wijde omgeving rondom het besluitgebied zijn geen buisleidingen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Conclusie Risicovolle bedrijvigheid en risicovol transport van gevaarlijke stoffen vindt op een dermate grote afstand van het besluitgebied plaats, dat er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.5
Milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds
3
milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
ging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk.’ De beoogde 21 appartementen voor ouderen met dementie zijn geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De wooneenheden betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten belemmert.
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemen-
Direct ten noordwesten van het besluitgebied is een schutterij met kogelvangers gelegen. Dit is een functie met milieucategorie 5.1 met een richtafstand van 500 meter. De afstand tot deze functie is circa 130 meter. Aangezien er woningen reeds dichterbij deze functie zijn gelegen, wordt ten aanzien van de ligging van het besluitgebied ten opzichte van deze functie geen belemmeringen verwacht. Daarnaast betreft het hier activiteit die maximaal enkele uren per week plaatsvinden. Eveneens ten noordwesten van het besluitgebied ligt een windsurfclub/center op een afstand van ruim 150 meter. Dit is een functie met milieucategorie 3.1, zodoende dient er een
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
donderdag 19 augustus 2021
23
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
richtafstand van 50 meter te worden gehanteerd. De 21 appartementen voor ouderen met dementie zullen niet worden belemmerd door de ligging ten opzichte van deze surfclub. Voor het overige vinden er in de omgeving van het besluitgebied geen milieubelastende activiteiten plaats waarvan de hindercontour tot het besluitgebied reikt. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het woongebied. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Archeologie
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
donderdag 19 augustus 2021
Toetsing Een klein gedeelte van het besluitgebied is gelegen op grond die in het vigerend bestemmingsplan is aangewezen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie.’ Op basis van deze dubbelbestemming mag er zonder omgevingsvergunning geen bebouwing worden toegevoegd met een oppervlakte groter dan 100 m2. Op basis van de bouwtekening kan worden geconcludeerd dat het gebouw waarin de 21 appartementen in worden gerealiseerd voor slechts 10 m2 wordt gebouwd op het gedeelte van het besluitgebied wat is aangegeven met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie.’ Bovendien zijn de gronden in onderhavig besluitgebied reeds gesaneerd en opgehoogd. Eventuele archeologische waarden zijn gewaarborgd. Vanuit het aspect ‘archeologie’ bestaan er kortom dan ook geen belemmeringen. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn er geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van archeologie.
4.3
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Toetsing Binnen of direct buiten het besluitgebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen gelegen. De aangrenzende wegen hebben beiden ook geen cultuurhistorische waarden. Conclusie Vanuit het aspect ‘cultuurhistorie’ bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
4.4
Leidingen en infrastructuur
In of rond het besluitgebied zijn volgens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft kabels en leidingen zijn er dan ook geen belemmeringen.
4.5
Ecologie
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de
24
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningsplichtig.
donderdag 19 augustus 2021
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Roerdal’, ‘Grensmaas’ en ‘Meinweg’ bevinden zich respectievelijk op circa 1,3 kilometer ten noorden, circa 6,9 kilometer ten zuidwesten en circa 7,0 kilometer ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ont-
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
wikkeling de realisatie van een kleinschalige woonvoorziening met 21 appartementen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van appartementen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tijdens de aanlegfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er
25
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
een vervolgonderzoek4 in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het besluitgebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 870 meter ten westen van het besluitgebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling zijn geen bomen aanwezig. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming Ter plaatse van het besluitgebied is enkel sprake van braakliggend terrein zonder begroeiing.
Desalniettemin is een eenvoudige quickscan flora en fauna uitgevoerd en de resultaten hiervan worden hierna beschreven.
4
Vogels Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en gierzwaluw worden uitgesloten. Binnen het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil, noch geeft de NDFF meldingen van brodegevallen van deze soorten in de directe omgeving van het plangebied. Wel is het mogelijk dat “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen binnen het groen in de directe omgeving van het plangebied. Gezien er reeds op grote schaal nieuwbouw heeft plaatsgevonden direct rond het plangebied, en er geen opgaand groen binnen het plangebied aanwezig is, biedt het plangebied geen geschikt leefgebied voor de steenuil. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Gezien er geen bebouwing of bomen binnen het plangebied aanwezig zijn, kan de aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats van een vleermuissoort op voorhand worden uitgesloten. Wel kan het opgaand groen ten noorden van het plangebied als vliegroute of foerageergebied dienen. Licht gericht of uitstralend op dit opgaand groen dient te worden vermeden.
Zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als konijn, haas, egel en huisspitsmuis kunnen incidenteel in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke
ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Voor de grondgebonden niet-vrijgestelde zoogdiersoorten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen, steenmarter, das, eekhoorn en bever, biedt het plangebied geen (essentieel) leefgebied, gezien de binnenstedelijke ligging en het aanwezig biotoop. Amfibieën, reptielen, ongewervelden en vaatplanten Met betrekking tot de rugstreeppad kunnen tijdens de werkzaamheden geschikte condities ontstaan voor kolonisatie. Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen is het belangrijk dat aanwezigheid van vergraafbaar zand, en vorming van ondiepe plassen in het voorjaar wordt vermeden. Alternatief kan het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden worden afgezet met amfibieënscherm.
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van overige beschermde amfibieën, reptielen, ongewervelden en vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten, gezien het aanwezige biotoop binnen het plangebied. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de
BRO, P03678_AERIUS_notitie Dr. van de Meerendonkstraat-Venloseweg, Horst 20201120
donderdag 19 augustus 2021
26
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
een zware vrachtbeweging meegenomen per week (bewegingen voor bijvoorbeeld een vuilniswagen). De aanliggende
Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat bij
wegen kunnen deze beperkte verkeerstoename goed ver-
zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenre-
werken.
sultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebie
den vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op het opgaand groen ten noorden van het plangebied te worden vermeden. Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen is het belangrijk dat aanwezigheid van vergraafbaar zand, en vorming van ondiepe plassen in het voorjaar wordt vermeden;
Vanuit het aspect ‘ecologie’ bestaan er dan ook geen belemmeringen ten aanzien van de onderdelen ‘gebiedsbescherming’, soortenbescherming’ en ‘houtopstanden’.
4.6
Parkeren Bij het wijzigen van gebruik dient er in het kader van parkeren genoeg ruimte aanwezig zijn op eigen terrein om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. Norm Voor de 20 zorgappartementen geldt een norm van 0.6 parkeerplaatsen en dit betekent dat rekening moet worden gehouden met 12 parkeerplaatsen. Voor de dienstwoning van het zorgechtpaar geldt een norm van 1,9 parkeerplaatsen (op basis van 1 grondgebonden woonhuis / tussen- / hoekwoning, rest binnen bebouwde kom).
Verkeer en parkeren
Verkeer De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 ‘toekomstbestendig parkeren’. Hierbij is uitgegaan van 21 huur appartementen in de midden/goedkoop sector in ‘rest bebouwde kom’ van de gemeente Roermond (sterk ste-
De kantoorruimte zonder baliefunctie heeft een brutovloeroppervlak van circa 25 m2 en heeft per 100 m2 een parkeernorm van 2,1. Dit betekent dat 0,525 parkeerplaatsen voor deze functie benodigd zijn. De totale parkeerbehoefte komt daarmee op naar boven afgerond 15 parkeerplaatsen.
delijke gemeente). Conform de CROW-publicatie zouden er in totaal 84 verkeersbewegingen per etmaal worden gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. In werkelijkheid zal dit aantal lager liggen vanwege het feit dat de bewoners van deze woonvoorziening niet allemaal over een auto zullen beschikken en de auto niet in grote mate zullen gebruiken. Voor de volledigheid is wel uit-
Er geldt een norm van 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers en het liefst in de openbare ruimte. Het gaat dan in totaal om (20 x 0,3) 6 parkeerplaatsen. Deze 6 parkeerplaatsen mogen worden afgetrokken van de 15 benodigde parkeerplaatsen en met 9 parkeerplaatsen wordt dan aan de norm voldaan.
De gemeente heeft aangegeven dat een soort kiss & ride voorziening niet noodzakelijk is. De dienstauto verzorgt het vervoer van bewoners en er wordt op eigen terrein geparkeerd. Daarnaast wordt er geen gebruik gemaakt van extern (personen)vervoer. De parkeerplaats op eigen terrein zal begin en eindpunt zijn van autoreizen. Een kiss & ride voorziening wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Wel adviseert de gemeente om faciliteiten te realiseren voor (overdekt) fietsparkeren, zodat ook personeel en bezoekers worden aangespoord om de fiets te pakken, en de duofiets hopelijk extra tot z’n recht komt. Dat zal helpen om duurzame mobiliteit in Roermond te stimuleren. Beoogd aantal parkeerplaatsen Het Gastenhuis heeft een dienstauto die gebruikt wordt voor vervoer van bewoners. Van externe vervoersdiensten wordt geen gebruik van gemaakt. De bewoners van Het Gastenhuis maken geen gebruik van externe dagbesteding. De dagactiviteiten worden aangebonden in Het Gastenhuis zelf, gezien de achtergrond van de doelgroep (24-uurszorg behoefte, ZZP 5). Er wordt met de bewoners veel gewandeld en gefietst (o.a. met de duofiets). Bezoek van specialisten (zoals huisarts, fysio) is vaak ingericht op een afspraak met meer individuele bewoners. Het Gastenhuis heeft 5 jaar ervaring met parkeren, en 8 tot 10 parkeerplaatsen zijn ruim voldoende.
Er is derhalve rekening gehouden met 10 parkeerplaatsen op eigen terrein. In geheel OolderVeste geldt bovendien dat het parkeren in de openbare ruimte overal op de openbare weg langs het trottoir mogelijk is (uiteraard niet bij uitritten of te kort op de bochten). In het plan zijn in de Veste en bij Aan de dijk en Broekveeweg parkeervakken gemaakt. Voor de rest gebeurt het parkeren op de openbare weg.
gegaan van 84 verkeersbewegingen per dag. Daarbij is ook
donderdag 19 augustus 2021
27
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
Aan de noordzijde van kavel Y1 voor het Gastenhuis is een openbare weg gelegen. Wanneer we alleen al dit gedeelte bekijken, dan kunnen hier zo’n 12 auto’s worden geparkeerd langs het trottoir. Daarmee kan ruimschoots worden voldaan aan de behoefte van 5 extra parkeerplaatsen voor het Gastenhuis. Deze openbare ruimte is niet meegerekend in de parkeerbalans van andere plannen. Alleen de aan de oostzijde gelegen bouwkavel achter het Gastenhuis ligt ook aan deze strook. Dit betreft een kavel van meer dan 1.250 m2, die te allen tijde gaat voorzien in de vereiste 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Zelfs wanneer er 1 bezoekersparkeerplaats naast deze kavel van de 12 wordt afgetrokken (en dat hoeft niet want aan de voorzijde van deze kavel is ook nog ruimte voor bezoekersparkeren), dan blijft er ruimte voor 11 parkeerplaatsen over. Gelet op het voorgaande kan worden volstaan met het realiseren van de 10 beoogde parkeerplaatsen op eigen terrein.
4.7
Waterhuishouding
De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.
donderdag 19 augustus 2021
Beleid waterschap Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Gemeentelijk rioleringsplan Roermond, Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Toetsing Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het besluitgebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater en waterkwaliteit Op basis van het POL2014 blijkt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Daarentegen is het besluitgebied wel gelegen binnen de ‘Boringsvrije zone Roerdalslenk’. Ter plaatse van deze zone is het verboden om een boorput dieper dan 30 meter te realiseren of werken op of in de bodem uit te voeren
die de ‘Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Hiervan is geen sprake. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving bevindt zich geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Op circa 140 meter is de Oolderplas gelegen. Deze ontwikkeling heeft echter geen enkele invloed op de Oolderplas. Afvalwater Het afvalwater wordt via een vuilwaterriool afgevoerd naar de waterzuivering. Voorts geldt dat er geen uitlogende bouwmaterialen zullen worden gebruikt en dat wordt geadviseerd het gebruik van strooizout en bestrijdingsmiddelen tot het noodzakelijke minimum te beperken. Hemelwater Voor nieuwbouw geldt dat het hemelwater niet meer op het riool mag worden aangesloten. Voor het verwerken van het hemelwater moet er rekening worden gehouden met infiltratievoorzieningen die 100 mm water kunnen bergen en binnen 24 uur leeg zijn om een volgende bui op te kunnen vangen. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Het hemelwater wordt naar openbaar terrein gebracht. De hemelwaterafvoeren van het gebouw worden middels een ondergronds hemelwatersysteem verzameld en aan de voorzijde op de aanwezige greppel geloosd op een B.O.B. hoogte van 300+ok greppel.
28
4 Onderzoek Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
In de greppel komt een uitstortvoorziening. De uitstortvoorziening wordt maaibestendig aangelegd. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
donderdag 19 augustus 2021
29
5 Afweging belangen Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
5
Afweging belangen
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Financieel economische haalbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen een bouwplan voor de bouw van een of meer woningen. Het voorliggende initiatief
donderdag 19 augustus 2021
heeft betrekking op de bouw van 21 wooneenheden en betreft daarmee een bouwplan. Er is in dit geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt. Het bouwplan maakt deel uit van het plan Oolder Veste. De gemeente heeft een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro gesloten met de ontwikkelende partij voor dit plan. In de met de ontwikkelaar gesloten overeenkomst zijn afspraken opgenomen over het verhaal van kosten, een gefaseerde realisering en eisen aan de inrichting van de openbare ruimte en de aanleg van nutsvoorzieningen. In verband met het risico op planschade wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer voor dit bouwplan. Hiermee wordt geregeld dat eventueel te vergoeden planschade op de initiatiefnemer kan worden verhaald. Daarmee is het verhaal van de kosten voor het bouwplan anderszins verzekerd en kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Ook is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De gewenste ontwikkeling is strijdig met de geldende regels uit het vigerende bestemmingsplannen ‘Oolder Veste’ zoals door de gemeenteraad van Roermond op 27 juni 2013 is vastgesteld. Conform het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het besluitgebied de bestemmingen ‘Woongebied – 4.’ Het realiseren van 20 appartementen voor mensen met dementie en een woonhuis voor het zorg(echt)paar, is derhalve niet toegestaan.
worden toegepast. Er zijn eveneens geen afwijkingsbevoegdheden in het bestemmingsplan opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. De uitbreiding kan echter mogelijk worden gemaakt door middel van een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure voor het afwijken van het bestemmingsplan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, artikel 2.11, eerste lid, onder a, onder 3°). Tegen het gewenste initiatief bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De ontwikkeling past, gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling binnen de ruimtelijke-functionaliteit van het gebied. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, vanuit vigerend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en benodigde voorzieningen, zoals riolering en overige kabels en leidingen, zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
Het bestemmingsplan biedt een wijzigingsbevoegdheid, echter deze kan vanwege de omvang van de bebouwing niet
30
6 Procedure, overleg en planstukken Ruimtelijke motivatie zorgwoonvoorziening op de Prinsensteerten (ong.) te Herten
6
Procedure, overleg en planstukken
6.1 Procedure Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dient de uitgebreide procedure zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. De Wabo geeft hierop enkele aanvullingen. Dit zijn onder andere: Aanvraag, ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit moeten op grond van zowel de Wabo als het Besluit omgevingsrecht (Bor) in bepaalde specifieke gevallen aan specifieke personen of instanties worden toegestuurd. Te denken valt aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie, een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag, etc.. Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar maken en in beroep gaan. De beslistermijn van zes maanden begint te lopen op de eerstvolgende dag na de ontvangst van de aanvraag (art. 3.12 lid 7 Wabo). De beslistermijn van zes maanden mag éénmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12 lid 8 Wabo). De kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit worden in de Staatscourant geplaatst en toegezonden aan de eigenaar van en eventuele beperkt gerechtigden op de in het ontwerpbesluit begrepen gronden, voor zover dat nodig is met het
donderdag 19 augustus 2021
oog op de toepassing van artikel 85 van de onteigeningswet (art. 3.12 lid 2 Wabo jo. art. 6.14 lid 2 Regeling omgevingsrecht). De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012).
zijn vastgelegd voor ‘projectbesluiten’ in IMRO2012 en STRI2012, met het daarbij behorende besluitgebied c.q. de geometrische plaatsbepaling. In bijlage 2 is dan ook het besluitgebied opgenomen.
6.2 Overleg In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing verklaard. Voor deze procedure dient dan ook vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het Waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Aangezien er geen rijksbelangen in het geding zijn kan van vooroverleg met de Rijksoverheid worden afgezien. Van vooroverleg met de provincie Limburg kan eveneens worden afgezien aangezien er geen directe provinciale belangen in het geding zijn. In het plan is daarnaast rekening gehouden met de belangen van het Waterschap.
6.3 Planstukken Bij de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort deze ruimtelijke onderbouwing. Het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning dient beschikbaar te worden gesteld conform de vereisten zoals die
31
Bijlage 1 Programma van eisen
A. Ruimtelijke Programma van Eisen AI18062 Nieuwbouw Gastenhuis Roermond Datum:
12 Juli 2021 Omschrijving
aantal
nuttig nuttig opp. per opp. in ruimte m2 in m2
bruto/netto bruto verhouding oppervlakte in m2
Ontmoeting/activiteiten 0.12 0.11 0.13 0.14 0.6 0.5 0.9 0.8 0.3a 0.10 2.5/6 0.15/16 0.1a 0.17 -1.1 0.1b
woonkamer sociëteit keuken bijkeuken / voorraad / opslag kantoorruimte garderobe wasruimte verzorgingsruimte berging berging berging toiletten voorruimte miva toilet techniek meterkast
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 1 1 1 1
115 59 20 5 16 4 13 11 2 15 3 1,5 8 4 8 1
Totaal ontmoeting/activiteiten
115 59 20 5 16 4 13 11 2 15 6 3 8 4 8 1
1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2
290
138 71 24 6 19 5 16 13 2 18 7 4 10 5 10 1 349
Verkeersruimte 0.1 + 0.7-1/2 1.1-1/2 2.1-1/2
entree + verkeersruimte (inclusief trappenhuizen 0.3/4) verkeersruimte (inclusief trappenhuizen 1.3/4) verkeersruimte (inclusief trappenhuizen 2.3/4)
1 1 1
60 67 67
Totaal verkeersruimte (exclusief buitenberging)
60 67 67
1,2 1,2 1,2
194
72 81 81 233
Verblijf appartementen appartementen voor dubbele bewoning logeerkamer
17 2 1
36 48 35
Totaal verblijf Totaal Gastenhuis
611 96 35
1,2 1,2 1,2
735 115 42
742
893
1.226
1.475
Woonhuis zorg(echt)paar (= dienst- of bedrijfswoning) 0.25/26 0.24 0.19 0.21 0.20/22 0.23 0.18
woonkamer, incl. keuken bijkeuken toilet ouderslaapkamer slaapkamer badkamer verkeersruimte
1 1 1 1 2 1 1
53 7 1 13 11 7 16
Totaal woonhuis zorg(echt)paar Totaal Gastenhuis + woonhuis zorg(echt)paar Buitenberging Gastenhuis (4x2,5 m) Buitenberging woonhuis zorg(echt)paar (4x2,5 m)
B+O Architectuur en Stedenbouw
1 1
10 10
53 7 1 13 22 7 16
1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2 1,2
63 8 1 15 26 8 18
117
140
1.343
1.615
10 10
1,2 1,2
12 12
Bijlage 2 Aerius-berekening
Notitie
notitie
AERIUS-berekening Het Gastenhuis, Herten
project AERIUS-berekening Het Gastenhuis, Herten
Inleiding
datum 19 januari 2021
derland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb).
opdrachtgever AMVEST
en ‘Meinweg’ bevinden zich respectievelijk op circa 1,3 kilo-
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in NeDeze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk
projectnummer P03955
Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur
opgesteld door DAd
gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest
(EHS). Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Roerdal’, ‘Grensmaas’
meter ten noorden, circa 6,9 kilometer ten zuidwesten en circa 7,0 kilometer ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een kleinschalige woonvoorziening met 21 appartementen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten.
i.a.a. HLe
1,3 km 7,0 km
6,9 km
BRO Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl www.bro.nl
Figuur 1: Ligging van het projectgebied ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bron: Natura 2000 Network Viewer)
1
Notitie AERIUS-berekening Het Gastenhuis, Herten
AERIUS-berekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUSberekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen zijn de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase opgenomen. In het voorliggende document wordt de invoer op sommige punten kort toegelicht.
Tabel 1
Mobiele werktuigen
Werktuig
Bouwjaar
Brandstof
Vermogen (kW)
Belasting (%)
Draaiuren
Totale emissie (kg/j)
Mobiele hijskraan
va. 2014
Diesel
210
61
60
6,92
Laadschop
va. 2015
Diesel
100
55
16
0,79
Tijdens de bouw zal er enkele keren een mobiele hijskraan worden ingezet ter ondersteuning van de bouwwerkzaamheden. De laadschop wordt ingezet voor de grondwerk-
Aanlegfase
zaamheden.
Het planvoornemen betreft de herontwikkeling op het perceel, kadastraal bekend als Herten, sectie B, nummer 2807 (gedeeltelijk), op de hoek van de Hazensteerten en Prinsensteerten te Herten. Op het perceel wordt een kleinschalige woonvoorziening van 20 appartementen te realiseren die zorg en wonen bieden aan 20 tot 22 mensen (ouderen) met dementie, alsmede een wooneenheid voor het zorgechtpaar. In totaal betreft het dus 21 appartementen. Met de ontwikkeling van de woonvoorziening wordt het perceel heringericht.
Verkeer bouw en aanleg Ten behoeve van de bouw en aanleg vinden ook verkeers-
Tabel 2
Bouwverkeer
Verkeersbewegingen bouwverkeer
Totale verkeersgeneratie
Bedrijfsbusjes (licht verkeer)
500 p/jaar
Zwaar transport (zwaar vrachtverkeer)
125 p/jaar
bewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. De totale verkeersgeneratie is weergegeven in navolgende tabel. De bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen zijn ingevoerd. Hierbij zijn dus meer bewegingen gemodelleerd dan daadwerkelijk plaats gaan vinden, waardoor onzekerheid over de richting van de bewe-