Bijlage 2 - ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 369-371 - 14 appartementen met lift
Tekst van het document
Coalitieakkoord 2022-2026
3.4.4.1 Algemeen In het Coalitieakkoord 2022-2026 wordt aangegeven hoe de coalitie zijn ambitie de komende jaren wil realiseren, hoe concreet tegen zaken aangekeken wordt en wat de mijlpalen zijn voor de komende vier jaar. Het coalitieakkoord is beschreven binnen een vijftal pijlers, namelijk de stad waar je wilt leven, waar iedereen meedoet, de stad van ontwikkeling, van goud, groen en blauw en de stad die klaarstaat voor haar inwoners. In het Coalitieakkoord 2022-2026 van de gemeente Roermond wordt onder andere ingegaan op de ambitie voor woningbouw. De gemeente geeft in dit coalitieakkoord aan dat er (versneld) moet worden gebouwd naar behoefte. In ieder segment moet extra aanbod ontstaan, ook in de wijken en de kernen. Met name het aantal inwoners van 75 jaar en ouder groeit de komende jaren hard. Inbreidinglocaties gaan voor uitbreidingslocaties in de zoektocht naar geschikte ontwikkellocaties. 3.4.4.2 Toetsing van het initiatief aan Coalitieakkoord 2022-2026 Voorliggend initiatief betreft een betstemmingswijzing van een garagebedrijf naar appartementen in Roermond. In de gemeente Roermond is de komende jaren behoefte is aan seniorenwoningen. De realisatie van de voorgenomen woningbouw is hiermee in lijn. Daarnaast gaat dit op een inbreidinglocatie, wat voldoet aan de ambities in het Coalitieakkoord.
Voorliggend initiatief sluit aan bij hetgeen wordt nagestreefd in het Coalitieakkoord 2022-2026. 3.4.5
(Ontwerp) Omgevingsvisie Roermond
3.4.5.1 Algemeen Het ontwerp van de Omgevingsvisie Roermond gaat over alles wat er nodig is om in Roermond te kunnen leven, wonen, werken, studeren en recreeren. Zoals natuur, wegen, gebouwen, lucht, water, infrastructuur en cultureel erfgoed. In de Omgevingsvisie wordt aangegeven wat de gemeente wil behouden of verbeteren. Maar ook wat mooier, beter of veiliger kan. In de omgevingsvisie van Roermond staan 4 thema’s centraal: 1. 2.
De gezonde en veilige stad De aantrekkelijke woon- en werkstad
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 3. 4.
De duurzame stad De stad van drie grote trekkers
In de (Ontwerp) Omgevingsvisie Roermond wordt aangegeven dat uit woningmarktonderzoek blijkt dat veel huishoudens (met name middengroepen, gezinnen) nog willen doorgroeien op de woningmarkt, waarmee er behoefte bestaat aan toevoeging van ruimere woningen. In combinatie met de positie van Roermond binnen de arbeidsmarkt betekent dit dat er potentie bestaat voor een sociaal economische en maatschappelijke versterking van Roermond. Op dit moment is de groep middelbare leeftijd (45 tot 65 jaar) vrij groot. Dit zijn de toekomstige ouderen van Roermond. De verwachting is echter dat Roermond in de toekomst zal vergrijzen en het aantal inwoners in de leeftijd 20 tot 65 afneemt, Volgens Etil is het percentage in Roermond wonende 65+ers in 2030 met ca. 26% nog lager dan het gemiddelde in Limburg (ca. 29%) omdat de totale bevolking relatief hard groeit. Zonder deze bevolkingsgroei zou het aandeel 65+ers in Roermond dus relatief nog groter worden. De toename van het percentage 65+ers betekent dat de zorg voor zowel ouderen als voor de jeugd in de toekomst door minder mensen gedragen kan worden. De behoefte aan (aangepaste) kleinere woningen neemt daardoor toe. 3.4.5.2 Toetsing van het Initiatief aan (Ontwerp) Omgevingsvisie Roermond Voorliggend initiatief betreft een betstemmingswijzing van een garagebedrijf naar appartementen in Roermond.
In de gemeente Roermond is de komende jaren behoefte is aan seniorenwoningen. De realisatie van de voorgenomen woningbouw is hiermee in lijn. Voorliggend initiatief sluit aan bij hetgeen wordt nagestreefd in het (ontwerp) Omgevingsvisie Roermond. 3.4.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in het voorliggende onderbouwing besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals vorenstaande is gemotiveerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 4.1.2
Situatie projectgebied
Voorliggend project gaat uit van de realisatie van woningen. Deze woningen worden in het kader van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten en dienen hierdoor getoetst te worden aan de mogelijke gevolgen van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Industrielawaai Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van en ligt niet in de directe nabijheid van een (gezoneerd) industrieterrein. Aan industrielawaai hoeft niet nader te worden getoetst. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het projectgebied wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). Railverkeerslawaai Binnen de directe omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoorweg. Het projectgebied ligt hiermee ook niet binnen de wettelijke geluidszone van een spoorweg. Aan railverkeerslawaai hoeft niet nader te worden getoetst. Wegverkeerslawaai Algemeen In voorliggend geval worden, vanuit planologisch oogpunt, nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg is gelegen. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
Wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art. 74.2).
Situatie projectgebied Het projectgebied bevindt zich binnen de geluidzone van de Bredeweg. Hierna wordt aangegeven waarom het gebruik van glaspuien de meest passende optie is voor het transformeren van het bestaande pand naar een woonfunctie. In dit geval is door SPA WNP Ingenieurs een akoestisch onderzoek verricht om de geluidbelasting van de weg op de gevels van de woningen te berekenen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing. Onderbouwing glasoppervlak Voor de transformatie van het pand aan de Bredeweg in Roermond is de keuze gemaakt om het pand te transformeren. Dit betreft geen nieuwbouw maar het gebruik maken van het bestaande pand. Het bestaande pand heeft vanuit het verleden een onderscheidend karakter in zijn omgeving. Dit karakter past goed in de omgeving en daarvoor is gekozen om dit bestaande karakter te behouden. Het betreft dus alleen een functiewijzing naar een woonfunctie. Deze functie is beter passend in zijn omgeving maar is ook een verbetering op het aantal verkeersbewegingen. Aansluitend is gezocht naar een oplossing om het karakter van het pand te behouden en gelijktijdig het pand goed functioneel te maken in de nieuwe woonfunctie.
De duidelijk herkenbare structuren zijn in het ontwerp goed behouden door de invullingen tussen de hoofdstructuur met glaspuien te vullen. Tevens is het voor de functie van wonen een woongenot verhogende factor om met zoveel daglicht te kunnen wonen. De bezonning op de gevel is in de gewenste positionering passend. De glaspuien zijn voor het behoud van het karakter van het pand en het woongenot de meest passende optie op het pand te transformeren naar een woonfunctie. Onderzoeksresultaten Wegverkeerslawaai Gezoneerde wegen: Bredeweg Uit de resultaten blijkt dat op de beoogde appartementen een geluidbelasting (Lden) zullen ondervinden van maximaal 63 dB. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de Bredeweg is bij de beoogde appartementen hoger dan de voorkeurswaarde, maar de maximale ontheffing wordt niet overschreden. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de appartementen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om de appartementen te kunnen realiseren moet de gemeente Roermond hogere waarden tot 63 dB, vanwege het wegverkeerslawaai, vaststellen en vastleggen in het kadaster. De gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 68 dB.
Cumulatie geluid en Bouwbesluit: Om te voldoen aan de eisen uit Bouwbesluit 2012, moet een voldoende karakteristieke geluidwering (GA;k) van de gevels worden bereikt. Bij het ontwerp van nieuwe woningen moet hier rekening mee worden gehouden. In Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan de karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructies van de verblijfsgebieden en verblijfsruimten in nieuw te bouwen woningen. Door SPA WNP Ingenieurs is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd. Onderzoeksresultaten Geluidwering van de gevels Door SPA WNP Ingenieurs is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze ruimtelijke onderbouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing Door de opdrachtgever wordt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat, en wordt ernaar gestreefd om te voldoen aan de eisen zoals deze gelden voor nieuwbouw. Als dit om gemotiveerde redenen niet haalbaar is, wordt een 5 dB soepelere eis nog acceptabel geacht. Hiermee wordt dan een binnenniveau bereikt die overeenkomstig de Wet geluidhinder gelijk is aan geaccepteerde binnenniveaus voor ‘bestaande situaties’. De voor de appartementen gehanteerde constructies en benodigde geluidwerende voorzieningen, waarmee een binnenniveau Lp = 38 dB(A) wordt gerealiseerd zijn nader omschreven in tabel 1 van het onderzoeksrapport. 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 4.2.2
Situatie projectgebied
In dit geval is door HMB B.V. een actualiserend vooronderzoek en een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Resultaten actualiserend vooronderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat er op locatie meerdere bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Tevens zou aan de noordoostzijde van het pand een restverontreiniging (circa 5 m³) met minerale olie en BTEXN aanwezig zijn. Gelet op de uitgevoerde bodemonderzoeken, saneringen en het niet meer aantreffen van de restverontreiniging wordt niet verwacht dat ter plaatse van de onderzoekslocatie sterke verontreinigingen c.q. een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de activiteiten ter plaatse van de werkplaats tot op heden zijn gecontinueerd. Door middel van een eindsituatie onderzoek dient vastgelegd te worden dat de werkzaamheden in de werkplaats niet hebben geleid tot bodemverontreiniging. Geadviseerd wordt om na beëindiging van de activiteiten van de werkplaats een eindsituatie onderzoek uit te voeren. Ter plaatse van de overige locatie wordt het niet noodzakelijk geacht om aanvullend bodemonderzoek uit te voeren.
Resultaten eindsituatie bodemonderzoek Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt. Ter plaatse van de werkplaats zijn lichte verontreinigingen met zware metalen, PCB en PAK aangetroffen. Het betreft lichte verontreinigingen die, gelet op het bedrijfsmatig gebruik van de onderzoekslocatie, niet verder onderzocht of gesaneerd hoeven te worden. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. De actuele bodemkwaliteit (eindsituatie) ten aanzien van de werkplaats is in voldoende mate vastgelegd. 4.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie projectgebied
In de eerste plaats wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Daarnaast gaat voorliggend project uit van de realisatie van 14 woningen. Het aantal te realiseren woningen blijft ruimschoots onder de aangegeven grens van 1.500 woningen zoals opgenomen in het Besluit NIBM. Hiermee kan worden uitgesloten dat de grenswaarde van 3% voor verontreinigende stoffen wordt overschreden. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. De realisatie van het project wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels de rode ster de locatie van het projectgebied weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving rond het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Inrichtingen die verder af zijn gelegen hebben geen risicocontour die tot het onderhavige besluitgebied reikt. Risicovol transport over wegen Binnen het projectgebied is geen transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg gelegen. Er zijn daarnaast geen transportroutes binnen een straal van 200 meter rondom het projectgebied gelegen waarover transporten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Derhalve hoeven externe veiligheidsrisico’s als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg niet kwantitatief inzichtelijk gemaakt te worden. Op een afstand van circa 1,2 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied ligt de A73. Deze weg is aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 contour) van de A73 bedraagt ter plaatse van het projectgebied 0 meter, deze contour overlapt het projectgebied niet. Het invloedsgebied van de A73, 880 meter aan weerszijden van de weg, strekt zich daarmee niet uit tot over het projectgebied. Het invloedsgebied van de A73 is afgeleid uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), een uitgave van Rijkswaterstaat (Ministerie Infrastructuur en Milieu, d.d. 11 januari 2017).
Over de A73 worden onder andere toxische vloeistoffen en – gassen vervoerd (LT1 en LT2). In HART is voor deze stoffen een invloedsgebied vermeld van 880 meter, en strekt derhalve niet over het projectgebied. Op een afstand van circa 1,4 kilometer ten noordwesten van het projectgebied is de N280 gelegen. Deze weg is eveneens aangewezen als route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 -contour) van deze weg strekt zich niet uit tot over het projectgebied. Het invloedsgebied van de N280, 880 meter aan weerszijden van de weg, strekt niet over het projectgebied. Overige omliggende wegen wordt slechts (zeer) incidenteel gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Derhalve hoeft dit niet te worden meegewogen in de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing Risicovol transport over spoorwegen Op circa 670 meter afstand ten westen van het projectgebied is de spoorlijn Roermond-Sittard gelegen. Over voornoemde spoorbaanvakken worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De plaatsgebonden risicocontour (PR 106 -contour) van het spoorbaanvak Roermond-Sittard bedraagt volgens bijlage 2 van de Regeling Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen maximaal 10 meter en strekt zich dan ook niet uit tot over het projectgebied. De plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6–contouren) van de overige spoorbaanvakken zijn kleiner van omvang dan die van het spoorbaanvak Roermond-Sittard. Voorgenoemd traject ligt op meer dan 200 meter afstand van het projectgebied. Derhalve hoeven de externe veiligheidsrisico’s als gevolg van het verover van gevaarlijke stoffen over het spoor niet kwantitatief inzichtelijk gemaakt te worden. Uit bijlage II van de regeling basisnet blijkt dat over de spoortrajecten structureel transport plaatsvindt van toxische gassen, waardoor de 1% letaliteitsafstand 995 meter betreft. Het projectgebied ligt dan ook binnen het invloedsgebied van bovengenoemde spoorbaanvakken. Derhalve dienen de risico’s als gevolg van het transport over het spoor meegewogen te worden in de verantwoordingsplicht groepsrisico.
De locatie ligt binnen het gebied waar de gevolgen van een toxisch scenario nog merkbaar kunnen zijn. Voor bebouwing is dergelijke gebieden wordt een luchtbehandelingsinstallatie normaliter voorzien van de mogelijkheid om deze installatie met één druk op de knop uit te schakelen. Binnen de omgevingsvergunning voor de betreffende woningen kan derhalve een voorschrift verbonden worden waarvan de tekst als volgt kan luiden: ‘Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht’. Risicovol transport over waterwegen Op de waterweg, route Juliakanaal-Maas-Latteraalkanaal, vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het grootst mogelijke invloedgebied voor de waterweg betreft 1.070 meter. De afstand tussen het projectgebied en een doorgaande vaarroute bedraagt circa 3,5 kilometer. Het risico als gevolg van het transport over het water hoeft derhalve niet meegewogen te worden in de verantwoordingsplicht groepsrisico. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water gelden geen beperkingen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het projectgebied. Risicovol transport buisleiding Binnen en in de direct nabijheid van het projectgebied zijn geen buisleidingen gelegen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
De dichtstbijzijnde buisleiding (Z-509-01) is gelegen op een afstand van circa 960 meter ten oosten van het projectgebied. Het invloedsgebied van deze buisleiding reikt tot 95 meter (dit betreft een leiding met een werkdruk van 40 bar en een uitwendige diameter van 8,6 inch). Het projectgebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van andere buisleidingen welke op meer afstand zijn gelegen. Verantwoording groepsrisico Uit vorenstaande blijkt dat het projectgebied ligt binnen de risicocontouren van de spoorlijn RoermondSittard. Allereerst wordt aangegeven dat er in de huidige situatie ook planologisch woningen ter plaatse zijn toegestaan. Met onderhavig plan worden meer woningen op de locatie Bredeweg 369 toegestaan. Derhalve is sprake van een toename van het plaatsgebonden danwel groepsrisico. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt een onderbouwing van het risico gegeven. •
•
•
Opkomsttijd: De brandweer dient binnen zes minuten ter plaatse te zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen vier minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Minderbroederssingel 36 te Roermond, op een afstand van 2 km tot het projectgebied; Binnen een afstand van circa 25 meter van de te realiseren woningen is een (primaire) bluswatervoorziening aanwezig van circa 80m3/uur. Deze is voldoende voor de incidentbestrijding binnen het plangebied. Bovendien is de bereikbaarheid van het plangebied voldoende. Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
•
• •
stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen; Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit een gebied of een object goed te kunnen bereiken. Het projectgebied is via de Minderbroederssingel en de Koninginnelaan vanuit westelijke richting goed te bereiken. Er is daarnaast sprake van voldoende ruimte voor de hulpdiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren en voertuigen te parkeren; Ontvluchten van het gebied: Het projectgebied is via de Bredeweg en Gebroek goed te ontvluchten in verschillende richtingen. (Zelf)redzaamheid: Dit houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen, binnen een bepaald tijdsbestek, kunnen veiligstellen (bijvoorbeeld door schuilen of vluchten) bij dreigend gevraag. Hierbij wordt van de persoon zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. In voorliggend geval zijn de beoogde bewoners volledig zelfredzaam. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert is daarvoor voldoende.
Advies veiligheidsrisico Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Spoorlijn Roermond - Sittard waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De te realiseren woningen liggen op circa 995 meter afstand van de spoorlijn. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) art. 8 moet daarom een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld, waarbij wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een incident. Aangezien in deze situatie een toxisch incident maatgevend is, kan gebruik worden gemaakt van het Standaard advies Externe Veiligheid (toxisch scenario) dat met de gemeente Roermond is afgestemd. Het standaardadvies externe veiligheid bij toxische scenario’s in Limburg Noord is: Het advies voor de initiatiefnemer is: •
Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst.
Het advies naar de gebruiker van het gebouw is: •
Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten.
•
Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan.
Het advies voor de gemeente is: •
4.4.3
Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen in de woonwijk Roermondse Veld, waar geen sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de onderstaande tabel is te zien welke richtafstanden per milieucategorie gelden in onder andere het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 5.1 5.2 5.3 6
500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
4.5.3
300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie ‘wonen’ is namelijk aan te merken als milieugevoelige functie. Binnen een straal van ruim 150 meter rondom het projectgebied komen geen milieubelastende functies voor. Geconcludeerd wordt dat milieubelastende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van woningen binnen het projectgebied. Vanuit milieuzonering wordt er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Andersom wordt geconcludeerd dat milieubelastende functies niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.6.2.2 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Roerdal’ welke is gelegen op circa 680 meter afstand van het projectgebied. Om de mogelijke stikstofdepositie op dit gebied te onderzoeken is door Hedgehog Company een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator. In bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing is dit onderzoek met de resultaten opgenomen. In onderstaande tekst worden de resultaten kort beschreven. Onderzoeksresultaten De met de ontwikkeling gemoeide stikstofemissie leidt niet tot een meetbare depositie NOx en NH3 op het Natura 2000-gebied ‘Roerdal’ of andere Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen Wet natuurbeschermingvergunning aangevraagd te worden. 4.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 680 meter afstand ten noorden van het projectgebied. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Omdat het projectgebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 4.6.3
Soortenbescherming
4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 4.6.3.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek kan de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de te transformeren bebouwing niet uitgesloten worden. Door het aanpassen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen verstoord of gedood en worden mogelijk verblijfplaatsen beschadigd en vernield. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd. Om verblijfplaatsen te mogen beschadigen dient een ontheffing aangevraagd te worden. Nader onderzoek is verplicht om vast te stellen welke functie de bebouwing heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. Op basis van nader onderzoek wordt bekend welke soorten eventueel een verblijfplaats in het plangebied bezetten, welke functie de verblijfplaats heeft voor vleermuizen en hoeveel dieren er gebruik van maken. Het plangebied heeft geen functie als vliegroute en vanwege de geringe betekenis van het plangebied als foerageergebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepaling (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende diersoorten niet af. 4.6.3.3 Nader onderzoek vleermuizen Onderzoeksresultaten nader onderzoek vleermuizen Door het onderzoeksbureau BJZ.nu is een nader onderzoek naar vleermuizen op de locatie uitgevoerd. Onderstaand wordt nader ingegaan op de resultaten van dit onderzoek. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing. Er zijn tijdens het onderzoek geen zomer-, kraam- of paarverblijf gevonden. De meerdere bezoeken en bevindingen geven een betrouwbaar resultaat aan dat het gebouw niet als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, laatvliegers of gewone grootoorvleermuizen fungeert. Het uitbreiden en moderniseren van het gebouw zal derhalve niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. In het kader van de Wet natuurbescherming hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. 4.6.4
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebied verwacht. Ook is er geen sprake van de aantasting van de in de Wet Natuurbescherming genoemde soorten. Het aspect 'ecologie' vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Roermond beschikt over een archeologische verwachtingskaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het projectgebied is in afbeelding 4.2 opgenomen.
Afbeelding 4.2
Archeologische verwachtingskaart (Bron: gemeente Roermond)
Het projectgebied ligt in het gebied welke aangeduid is als ‘hoge archeologische verwachting’. Indien binnen de bebouwde kom grondwerkzaamheden over een oppervlak van meer dan 1.000 m² plaatsvinden, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze oppervlaktenorm van 1.000 m2 wordt niet overschreden. Het projectgebied bevat de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Op deze gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van: a.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing b. c.
bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm reiken, of; bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m².
PM archeologisch onderzoek 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die negatieve effecten zouden kunnen ondervinden in verband met voorliggende ontwikkeling. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch vervolgonderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie projectgebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt voorzien in het realiseren van 14 appartementen in Roermond. Gelet op de afstand tot de Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook paragraaf 4.6.2) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting van de instandhoudingsdoelen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten te verwachten zijn. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Een omgevingsvergunning waarmee wordt afgeweken van het bestemmingsplan (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) wordt niet expliciet genoemd in kolom 4 van onderdeel D.11.2. In artikel 1 onder e van de bijlage wordt deze omgevingsvergunning echter gelijk gesteld aan een bestemmingsplan indien een bestemmingsplan, of de in dat kader te volgens procedure zoals opgenomen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt genoemd in kolom 4. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig.
Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden (2.000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat voor dit project, dat ten opzichte van de geldende planologische situatie slechts voorziet in een toevoeging van 14 woningen, geen m.e.r.-plicht bestaat. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.
Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 7 van deze ruimtelijke onderbouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 4.8.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van dit project.
4.9
Wateraspecten
4.9.1
Vigerend beleid
4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 20222027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 4.9.1.3 Provinciaal beleid Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 2016-2021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en beva de doelstellingen die wij als Provincie de komende planperiode samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Het Provinciaal Waterprogramma bevat bijlagen met informatie over waterkwaliteit, en doelen en doelbereik van de kaderrichtlijn water voor grond en oppervlaktewater. Het Provinciaal Waterprogramma bevat een 9-tal kaarten. Deze kaarten zijn ook raadpleegbaar via de provinciale kaartenviewer. Het Provinciaal Waterprogramma werkt door in de Provinciale Omgevingsverordening en in omgevingsvisie en plannen van gemeenten en het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg.
4.9.1.4 Gemeentelijk beleid Beleid gemeente Roermond Het vastgestelde gemeentelijk Rioleringsplan (GRP 2017-2021) is relevant voor de voorgenomen ontwikkeling van de woning. Roermond is een van de partners in het samenwerkingsverband Waterketen Limburgse Peelen. In het Waterketenplan Limburgse Peelen zijn gezamenlijke ambities opgenomen. Deze ambities zijn leidend voor de het beheer van de Waterketen in de komende jaren en ook bepalend voor de richting van het GRP. Het GRP bevat het beleidskader, waarbinnen de gemeente haar taak voor de rioleringszorg dient uit te voeren. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing De doelen uit het GRP 2017-2021 kunnen als volgt omschreven worden: • • • • •
• • •
Samenwerking in de waterketen door partijen; Beschermen van de bronnen van drinkwater; Negatieve effecten van afvalwater worden niet afgewenteld en gezamenlijk invulling geven aan ambitie ‘van helder naar schoon water’; Zuivering van stedelijk afvalwater zoveel mogelijk aan de bron; Burgers en bedrijven hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het hemelwater dat op eigen terrein valt, de gemeente voor het hemelwater op openbaar gebied. Door robuuste systemen aan te leggen, waarbij zowel ondergronds als bovengronds meer ruimte wordt gemaakt voor water; Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat het hemelwater gescheiden aangeleverd wordt bij de perceelsgrens, vervolgens afkoppelen, infiltreren of vasthouden; Het zo natuurlijk mogelijk beheren van grondwater; Gemeenten en waterschap zijn van elkaar afhankelijk om voldoende oppervlaktewater van goede kwaliteit te hebben, zowel binnen als buiten het bebouwd gebied.
Het beleid van de gemeente Roermond is dat bij nieuwbouwprojecten 100% van het hemelwater dat valt op bebouwing en andere oppervlakteverhardingen van de gemeentelijke riolering afgekoppeld dient te worden met de volgende uitgangspunten: • • • • •
Bij nieuwbouw moeten hemelwater en vuilwater afzonderlijk worden aangeboden. Onder nieuwbouw wordt verstaan: gebouwen en verhard oppervlak; De kleur van leidingen voor hemelwaterafvoer moet grijs zijn; Het is verboden zonder toestemming van de rioleringsbeheerder aan te sluiten op hemelwaterafvoerleidingen van kolken en goten; Schoon hemelwater moet zoveel mogelijk worden geïnfiltreerd in de bodem; Zoveel als mogelijk bovengrondse hemelwaterbuffering en/of infiltratievoorzieningen toepassen (regenton, greppels).
De infiltratie- en bergingsvoorziening in het plan dienen gedimensioneerd te worden conform 84 mm gerekend over het aantal m2 (T=100 jaar). 4.9.1.5 Beleid Waterschap Limburg Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Limburg Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2019-2023 is uitgezet. Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur na een uitgebreid participatieproces het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden. De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water dient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertakenplan Heerlen 2020-2024.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Omgevingsvergunning Bredeweg 369-371, Roermond Ruimtelijke onderbouwing 4.9.2
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie
4.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2.2 Proces van de Watertoets Waterschap Limburg is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (bijlage 8). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleidt dat er contact moest worden opgenomen met het waterschap. Het waterschap geeft als advies om bij nieuwe ontwikkelingen alles zoveel mogelijk klimaatadaptief aan te leggen.