CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimte onderbouwing met onderzoek

Commissie Ruimte (RU) 3 september 2025, gemeente RoermondBij agendapunt: (ontwerp) VVGB woningbouwplan hoek Gebroek - Nassaustraat - Bredeweg28.820 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 17. Wanneer welke m.e.r.-plicht

De beoogde ontwikkeling komt niet als activiteit voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D, nummer 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”.

Figuur 18. Categorie D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage

31

De beoogde ontwikkeling van 89 woningen ligt onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, te weten een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor het project geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat de ontwikkeling voorkomt op de D-lijst, maar onder de drempelwaarden blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. De verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport (de directe m.e.r.-plicht) kan evenwel voortkomen uit de Wet natuurbescherming. In deze wet is namelijk opgenomen dat wanneer significante negatieve milieueffecten op voorhand niet zijn uit te sluiten, een passende beoordeling moet worden opgesteld. De Wet milieubeheer bepaalt in art. 7.2a lid 1 dat voor deze plannen een m.e.r.-plicht geldt. Echter, wanneer op basis van objectieve gegevens op voorhand kan worden aangetoond dat er geen significante effecten zijn te verwachten op Natura 2000 gebieden, is een milieueffectrapport niet noodzakelijk, blijkens Wet milieubeheer artikel 7.2a lid 2 juncto Besluit milieueffectrapportage artikel 3. Conclusie Voor het initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, toegevoegd in bijlage 1. Hieruit blijkt dat er geen directe aanleiding is voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

Wel moet er een aanmeldnotitie en vormvrije beoordeling worden opgesteld. Ook hieruit volgt dat er geen sprake is van een project met significant negatieve milieueffecten. 4.2.

Bodem

De ontwikkeling voorziet in het toevoegen van bodemgevoelige functies, in de vorm van woningen. Voordat de nieuwe woningen met een omgevingsvergunning worden toegestaan moet inzichtelijk worden gemaakt dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. De toelichting op een ruimtelijk plan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Het bestemmingsplan bevat een motivering over de bodemkwaliteit in relatie tot de boogde bestemming (is wonen, blijft wonen). De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Voor het bodemonderzoek bij een bestemmingsplan zijn de volgende stappen van belang: 1. inventariseren bodemkwaliteit en verkennend bodemonderzoek 2. aanvullend bodemonderzoek (alleen als dit nodig is) 3. bepalen maatregelen en toets uitvoerbaarheid 4. verwerken in bestemmingsplan

32

Onderzoek Arnicon BV heeft in opdracht van de initiatiefnemer in 2018 een actualiserend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, conform NEN 5740 en NEN 5707 voor de locatie Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 (deellocatie 1), en voor de locatie Gebroek 12 (deellocatie 2). De onderzoeksrapporten zijn opgenomen in bijlage 2 en bijlage 3. Voor het centrale plandeel, ter plaatse van het voormalige GAK-gebouw (deellocatie 3), is door Econsultancy in 2023 een actualiserend verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd, waarbij ook enkele delen van deellocaties 1 en 2 zijn meegenomen. Dit onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Het onderzoek wordt zodanig uitgevoerd, dat een milieuhygiënische beoordeling kan worden gegeven ten aanzien van het (toekomstige) gebruik van de locatie. Hypotheses Voor deellocatie 1 en 2 luidde de onderzoekshypothese als volgt. “Op basis van het voorgaande bodemonderzoek wordt de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging voor dit actualiserend onderzoek beschouwd als onverdacht, waarbij rekening wordt gehouden met enkele licht verhoogde achtergrondgehalten. Bij het verkennend onderzoek zijn sporen van puin in een aantal boringen aangetroffen.

Dit brengt een verdenking van verontreiniging met asbest met zich mee. Voor dit actualiserend onderzoek wordt de locatie als asbestverdacht onderzocht.” Voor deellocatie 3 luidde de onderzoekshypothese als volgt. “Op basis van het milieuhygienisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie ‘Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig’ (VED-HE-NL). Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, een aantal deellocaties geïdentificeerd. In de onderstaande tabel zijn de onderzoeksstrategieën die van toepassing zijn op de deellocaties weergegeven.

Op basis van de huidige informatie is geconcludeerd dat deellocatie B onderzocht dient te worden volgens de strategie voor “halfverhardingslagen”. De doelstelling van het onderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest terecht is. Op basis van de beschikbare gegevens bevindt het grondwater zich binnen 5 m -mv. Om die reden is volgens de NEN 5740 grondwateronderzoek noodzakelijk.”

33

Onderzoeksresultaten Voor deellocatie 1 luiden de onderzoeksresultaten als volgt. “Tijdens de uitvoering van het veldwerk bleek de laag van 0,0 – 0,5 m-mv van boring 101 uiterst puinhoudend te zijn. Deze laag wordt als verhardingslaag beschouwd. In dezelfde laag werd bij boringen 102 en 104 sporen van puin aangetroffen. Afgezien van de genoemde puinbijmengingen zijn tijdens het veldwerk geen afwijkingen waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde en -gegraven bodemmateriaal. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de bovengrond op de locatie niet tot licht verontreinigd is met zware metalen en minerale olie. De mate van verontreiniging met minerale olie (plaatselijk en net boven de achtergrondwaarde) stemt overeen met de resultaten van het voorgaande onderzoek. In de puinhoudende bovengrond is geen asbest aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd waarbij, zoals verwacht, enkele licht verhoogde achtergrondgehalten zijn gevonden. Op basis van de onderzoeksresultaten is de locatie niet verontreinigd met asbest. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek op deellocatie 1.” Voor deellocatie 2 luiden de onderzoeksresultaten als volgt.

“Het bodemprofiel op de onderzoekslocatie bestaat tot 2 m-mv uit zeer fijn zand. Tijdens de uitvoering van het veldwerk bleek de laag van 0,0 – 0,5 m-mv van alle boringen zwak puinhoudend te zijn. In dezelfde laag zijn plaatselijk sporen van kolengruis en grind aangetroffen. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde en –gegraven bodemmateriaal. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen, PAK en minerale olie voorkomen. In één van de twee op asbest geanalyseerde bovengrondmengmonsters is een minieme hoeveelheid asbest aangetroffen. Het gemeten gehalte ligt nabij de detectiegrens en geeft geen aanleiding tot nader onderzoek of het nemen van maatregelen. In het andere mengmonster is geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd waarbij, zoals verwacht, enkele licht verhoogde gehalten zijn gevonden. Op basis van de onderzoeksresultaten is de locatie niet verontreinigd met asbest. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek. Op het achterterrein (circa 65 m2) is plaatselijk puin gestort, zo is vermeld in het voorgaande bodemonderzoek. Het betreffende terreindeel was tijdens het huidige onderzoek niet toegankelijk voor monstername en is derhalve niet onderzocht.

De hypothese asbestverdacht blijft daarom op dit terreindeel van toepassing.” Voor deellocatie 3 luiden de onderzoeksresultaten als volgt: “Ter plaatse van de voormalige vet-afscheider (locatie Gebroek 12; deellocatie C) is in eerste instantie een sterk verhoogd gehalte aan zink in de bovengrond (maaiveld tot 1,0 m -mv) aangetroffen. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde gehalten aangetroffen. De aard en oorzaak van het sterk verhoogde gehalte aan zink was niet duidelijk. Naar aanleiding daarvan zijn de betreffende

34

deelmonsters aanvullend onderzocht op zink. In de separate deelmonsters is geen verhoogd gehalte aan zink meer aangetroffen (gehalte beneden de achtergrondwaarde). Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het actualiserend verkennend onderzoek en de resultaten van eerder uitgevoerde onderzoeken op de locatie (vooralsnog) geen belemmeringen aanwezig zijn voor de verkoop en herontwikkeling van de locatie. Opgemerkt wordt dat enkele terreindelen tot op heden nog niet onderzocht konden worden. Het betreft de volgende terreindelen: ▪

Het souterrain van het voormalige kantoorgebouw, waarin afval en puin is gestort;

▪

De achterzijde van gebouw op de locatie Gebroek 12, waar puin is gestort (asbestverdacht);

▪

Het inpandige terreingedeelte van de locatie Gebroek 12 (voormalig confectie-atelier en voormalige horecaruimte c.q. feestzaal).

Tevens bevindt zich op de locatie Bredeweg 243 aan de zijde van Gebroek een oude asfaltverharding (mogelijk teerhoudend), die tot op heden nog niet is onderzocht. Bij een toekomstige herontwikkeling van de locatie dient de betreffende asfaltverharding naar alle waarschijnlijkheid voorafgaand te worden verwijderd. In het kader van de geplande herontwikkeling c.q. te verrichten graafwerkzaamheden wordt geadviseerd om de bovengenoemde terreindelen en de betreffende asfaltverharding alsnog (voor zover mogelijk) te onderzoeken om de milieuhygiënische kwaliteit en de verwerkingsmogelijkheden van het eventueel vrijkomend materiaal vast te stellen.” Conclusie Gezien het bovenstaande, wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woningen geschikt is voor de beoogde functie, mits de openstaande onderdelen nog worden onderzocht. Aangezien deze delen zich bevinden waar momenteel nog bebouwing aanwezig is, zal dit onderzoek na sloop worden uitgevoerd. Geadviseerd wordt de uitvoering hiervan als voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden. Bodemkwaliteit vormt op deze wijze geen belemmering voor het plan. 4.3.

Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen geluidgevoelige objecten. Deze wet schrijft voor dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van een planologisch besluit, als daarmee nieuwe geluidgevoelig objecten worden mogelijk gemaakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Het project is gelegen in de geluidzone van één weg, namelijk de Bredeweg (50 km/u). Bovendien ondervinden de woningen een mogelijk relevante geluidbelasting van de niet gezoneerde 30 km/u-wegen rondom het plangebied. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (bijlage 5). Het doel van het akoestisch onderzoek is het vaststellen van de geluidbelasting Lden als gevolg van het wegverkeer van de relevante wegen en te toetsen aan de Wet geluidhinder en een goede ruimtelijke ordening.

35

Onderzoeksresultaten Voor de volledige rapportage en bevindingen wordt op deze plaats verwezen naar het akoestisch onderzoek in de bijlagen. Geconcludeerd kan worden dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (inclusief aftrek) wordt overschreden ten gevolge van de Bredeweg. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt nergens overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen tezamen (exclusief aftrek) is maximaal 67 dB ter plaatse van de zuid- en westgevel van het grote appartementengebouw. De hoogste (te toetsen) geluidsbelasting op de gevels bedraagt 62 dB, dit is ter plaatse van de west- en zuidgevel van het groot appartementengebouw. De geluidbelastingen zijn inclusief de wettelijke correctie conform artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt dus nergens overschreden. Aangezien zowel het toepassen van bronmaatregelen als geluidbeperkende maatregelen in het overdrachtsgebied voor deze situatie als niet doelmatig c.q. niet haalbaar worden aangemerkt, dient in het kader van de procedure een hogere waarde procedure te worden gevolgd. Hiervoor dient aan een aantal voorwaarden voldaan te worden. Dit betekent concreet dat er tenminste voor elke woning één gevel aanwezig moet zijn met een totale geluidbelasting van max. 53 dB excl. aftrek (geluidluw).

Verder dient er voor elke woning minimaal één verblijfsruimte aan die geluidluwe gevel gesitueerd te worden. Voor de appartementen waarbij dit niet het geval is dient de bouwkundige opbouw van de gevels (gevelwering) er minimaal voor te zorgen, dat het binnenniveau van 33 dB binnen de verblijfsruimten in de woningen niet wordt overschreden. De geluidwering van de gevels zal moeten voldoen aan de vereiste karakteristieke geluidswering (GA;k) conform Bouwbesluit. Hierbij dient de karakteristieke geluidswering van de gevel niet kleiner te zijn dan het verschil tussen de berekende gecumuleerde geluidsbelasting en het gewenste binnenniveau voor verblijfsgebieden het gebouw (33 dB), met een minimum van 20 dB. Hierdoor kan worden gesteld dat uit oogpunt van de ruimtelijke ordening er ter plaatse van de woningen en appartementen sprake is van een goed woon- en leefklimaat qua geluid. Conclusie Er wordt voldaan aan de eisen uit de Wgh en het plan voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, mits er een hogere waardenbesluit wordt genomen door het bevoegd gezag. Een hogere waarde mag het bevoegde gezag alleen verlenen als toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting: ▪

onvoldoende doeltreffend is, of;

▪

overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (art. 110a lid 5).

De mogelijkheden om de berekende gevelbelasting terug te brengen naar 48 dB voor wegverkeerslawaai zijn onderzocht in het akoestisch onderzoek. Hierbij is gebleken dat: ▪

verlaging van de verkeersintensiteit op de weg niet aan de orde is;

▪

het toepassen van extra schermen of wallen in het gebied tussen de ontvanger en de weg, bijvoorbeeld langs de weg, uit stedenbouwkundig oogpunt niet acceptabel is;

36

▪

de betrokken weg is reeds voorzien van een geluid reducerende deklaag;

▪

de situering van de bouwlocatie vastligt;

▪

de nieuwe woningen een lege plek op moeten vullen tussen de bestaande woningen.

Aangezien de geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde, maar onder de maximale ontheffingswaarde ligt, er wordt voldaan aan de richtwaarde voor een goed woon- en leefklimaat, en maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting niet doeltreffend of doelmatig zijn, wordt verzocht in te stemmen met het verlenen van het benodigde hogere waardenbesluit. In dat geval vormt de Wgh geen belemmering voor het planvoornemen. 4.4.

Lucht

Het bevoegd gezag betrekt de luchtkwaliteit in de besluitvorming van ruimtelijke plannen. In het kader van de Wet milieubeheer (Wm) toetst het bevoegd gezag aan de voorschriften van Titel 5.2. Centraal daarin is artikel 5.16, eerste lid, van de Wm. Het bevoegd gezag draagt ook zorg voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een goede ruimtelijke ordening (art 3.1 Wro). Artikel 5.16 lid 1 van de Wm geeft aan wanneer een project toelaatbaar is. Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: ▪

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

▪

een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

▪

een project draagt alleen ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

▪

een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

De toetsing van de luchtkwaliteit richt zich voornamelijk fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO 2). Een ontwikkeling kan worden geclassificeerd als ‘niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, als de ontwikkeling niet meer dan 3% bijdraagt aan de concentratie van deze stoffen in de lucht. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In voorschrift 3A.2. van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen staat dat bij 1.500 woningen met één ontsluitingsroute het project niet in betekenende mate bijdraagt aan het verslechteren van de aanwezige luchtkwaliteit. NIBM De ontwikkeling van 89 woningen is dus al categorisch niet in betekenende mate bijdragend aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om dit verder inzichtelijk te maken is de NIBM-tool ingevuld. De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks geactualiseerd.

37

Voor het gebruik van de NIBM-tool zijn maar enkele gegevens nodig. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige gegevens gaat de NIBM-tool uit van 'worst case'-omstandigheden.

Figuur 19. Uitkomst NIBM-tool luchtkwaliteit

Voor de voorgenomen ontwikkeling is uitgegaan van een hoog aantal extra verkeersbewegingen, om zeker te weten dat het een NIBM-project kan worden genoemd. Zelfs bij 5 voertuigbewegingen per weekdag per woning, met een aandeel van 10% vrachtverkeer, wordt nog ver onder de 3%-grens gebleven. Woon- en leefklimaat Naast de effecten van de ontwikkeling zelf op de luchtkwaliteit, moet ook worden gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om te kunnen spreken van een goed woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er worden immers woningen mogelijk gemaakt, waar mensen langdurig gaan verblijven. Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties en deposities in Nederland (in vaktermen GCN (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) en GDN (Grootschalige Depositiekaarten Nederland)). De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en geven een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. De nieuwe concentratiekaarten worden ieder jaar beschikbaar gesteld. Gemeentes, provincies en anderen kunnen de concentratie- en depositiekaarten gebruiken bij hun rapportage van overschrijdingen in het kader van de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit en bij planvorming.

Op basis van de gegevens van 2023 wordt er een doorkijk gemaakt naar 2025, voor de concentratie NO2. Te zien is een waarde van circa 11.35 microgram per kubieke meter, ruim onder de grenswaarde van 40 microgram en nabij de WHO advieswaarde van 10 microgram per kuub.

38

Figuur 20. Uitsnede GCN en GDN kaart NO2

Op basis van de gegevens van 2023 wordt er een doorkijk gemaakt naar 2025, voor de concentratie fijnstof PM10. Te zien is een waarde van circa 14.1 microgram per kubieke meter, ruim onder de grenswaarde van 40 microgram en nabij de WHO advieswaarde van 15 microgram.

Figuur 21. Uitsnede GCN en GDN kaart PM10

Op basis van de gegevens van 2023 wordt er een doorkijk gemaakt naar 2025, voor de concentratie PM2,5. Te zien is een waarde van circa 8.06 microgram per kubieke meter, ruim onder de Europese indicatieve grenswaarde van 20 microgram en tussen de WHO advieswaarde van 5 microgram per kuub en de streefwaarde van 14,4 microgram per kuub.

39

In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de NSL-monitoringstool ontwikkeld (na 1 januari 2024 opgegaan in het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit), waarmee de luchtkwaliteit op vaste meetpunten kan worden geraadpleegd. Nabij het plangebied bevinden zich meetpunten langs de Bredeweg. De tool laat voor NO2, PM10 en PM2,5 in de nabijheid van het plangebied op basis van gegevens van 2023 exact dezelfde waarden zien als de gegevens op de GDN en GCN kaarten. Conclusie Kijkend naar deze waarden kan gesproken worden over een acceptabele luchtkwaliteit in het plangebied. Het plan zelf draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s door opslag, productie en het transport van gevaarlijke stoffen en het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Gevoelige functies die in het kader van externe veiligheid moeten worden beschermd, zijn de zogenaamde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Woningen vallen in de categorie kwetsbare objecten. Het begrip risico is een combinatie van kans en effect. Namelijk de kans dat een ongeval zich voordoet en het effect ervan. Bij externe veiligheid wordt alleen naar slachtoffers ‘buiten de poort' gekeken. Hier zit ook de link met de ruimtelijke ordening. Het gaat om de relatie tussen de risicovolle activiteit en haar omgeving. Bij externe veiligheid hebben we het over situaties met gevaarlijke stoffen en/of windturbines en/of vliegtuigen nabij luchthavens. Andere calamiteiten, zoals bijvoorbeeld een dijkdoorbraak, vallen niet onder externe veiligheid. De eisen voor externe veiligheid zijn wettelijk hoofdzakelijk (maar niet uitsluitend) vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de risico`s op ongevallen met gevaarlijke stoffen rondom inrichtingen en transportroutes wordt gewerkt met twee risico`s: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico: De officiële definitie van groepsrisico in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) luidt: de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan beschreven in Bevi artikel 12 voor Bevi activiteiten en artikel 13 voor ruimtelijke plannen. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken.

40

Plaatsgebonden risico: In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van het plaatsgebonden risico (PR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken).

Figuur 22. Relatie tussen risicobron, kwetsbaar object en PR & GR (bron: Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico)

Toetsing Aan de hand van de Risicokaart is geanalyseerd welke bronnen voor externe veiligheidsrisico`s er aanwezig zijn in de wijde omgeving van het plangebied.

Figuur 23. Uitsnede kaart Veilige omgeving (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Er bevinden zich geen inrichtingen, buisleidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen over weg of water in de nabije omgeving. Het plangebied is gelegen buiten de risicocontouren en invloedsgebieden van deze bronnen.

41

Wel is de planlocatie gelegen in het invloedsgebied van de spoorlijn Roermond – Sittard, die hemelsbreed circa 620 meter ten westen van het plangebied is gelegen. De locatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied. Het spoorvak ligt op meer dan 200 meter afstand van het project. Daarom hoeft het groepsrisico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor niet berekend te worden. Uit bijlage II van de Regeling basisnet blijkt dat over de spoortrajecten structureel transport plaatsvindt van toxische gassen, waardoor de 1% letaliteitsafstand 995 meter bedraagt. Het project ligt dan ook binnen het invloedsgebied van dit spoorbaanvak. Er geldt daarom een beperkte verantwoordingsplicht voor het groepsrisico, waarbij rekening moet worden gehouden met de effecten van een toxisch scenario en wordt ingegaan op de mogelijkheden tot beperking van de personendichtheden, bestrijdbaarheid van rampen en zelfredzaamheid van aanwezigen. Beperkte verantwoording groepsrisico Voor de verantwoording wordt aangesloten bij het standaardadvies uit de Visie externe veiligheid Roermond, en het standaardadvies van de Veiligheidsregio. De ontwikkeling van het project vindt plaats in zone IV (verder dan 300 meter) als opgenomen in de Visie externe veiligheid Roermond.

Het plan leidt tot een toename van de personendichtheid in het invloedsgebied, maar het groepsrisico neemt niet significant toe vanwege: ▪

De afstand tot de plaats van het mogelijk incident;

▪

De aard van het incident (blootstelling aan toxisch gas);

▪

De reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Roermond nabij de risicobron.

De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: ▪

toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;

▪

kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.

Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de visie. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquill-klasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen.

42

Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, die zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Dit kan als voorwaarde aan de vergunning worden verbonden. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding of via Cell-Broadcast. Standaardadvies Veiligheidsregio Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Het advies voor de initiatiefnemer is: ▪

Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst.

Het advies naar de gebruiker van het gebouw is: ▪

Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten.

▪

Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden.

▪

Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan.

Het advies voor de gemeente is: ▪

Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is.

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde ontwikkeling. Aangesloten kan worden bij het standaard advies bij ruimtelijke ontwikkelingen van de Veiligheidsregio LimburgNoord.

43

4.6.

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel in de ruimtelijke ordening om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Voor milieuzonering is de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering een belangrijk standaardwerk. In de handreiking is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het voordeel van het instrument is, dat het een integrale benadering geeft. Er is per bedrijf in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. Wel moet gerealiseerd worden dat de handreiking 'richtafstanden' aangeeft. Er is uitgegaan van een gemiddeld bedrijf. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een grotere of kleinere afstand uitgegaan kan of moet worden. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'.

Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. Toetsing Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 89 woningen met bijbehorende voorzieningen. Een woning wordt gezien als een milieugevoelige functie. Om te bezien of woningen op deze locatie niet worden gehinderd door bedrijfsactiviteiten, of andersom, is er in binnen een straal van 400 meter rondom de projectlocatie gekeken of er milieubelastende functies voorkomen. Hoewel er, zoals te verwachten valt in een stedelijke omgeving, diverse functies voorkomen, heeft dit geen betrekking op functies die zich niet verhouden tot de beoogde woonfunctie. Zo zijn er op enige afstand een school en ziekenhuis gelegen, maar daarbij wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Ook de in de omgeving veelvoorkomende functies als eetgelegenheden, maatschappelijke en zakelijke dienstverlening voldoen aan de richtafstanden. De omgeving van het plangebied laat zich kenmerken als een gemengd gebied. Er komen diverse woningen voor, maar er is bij en tussen de woningen ook een grote diversiteit aan kleinschalige bedrijvigheid aanwezig.

Ook maakt de nabijheid van de gebiedsontsluitingsweg Bredeweg dat de omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als gemengd gebied. Hierdoor kunnen alle genoemde afstanden met één afstandstrap worden verlaagd; 50 meter wordt 30 meter, 30 wordt 10, 10 wordt 0. Wanneer we deze logica toepassen op de afstanden tussen het projectgebied en de omliggende functies, wordt voldaan aan de richtafstanden.

44

Conclusie Omliggende bedrijven en overige functies vormen in het kader van milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom worden deze functies ook niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

45

OMGEVINGSWAARDEN 4.7.

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Met de Wnb wordt gepoogd om een eind te maken aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. De wet beoogt één integraal en vereenvoudigd kader voor Natuurbescherming te introduceren. Het nieuwe stelsel neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt en beoogt qua systematiek dichtbij de formuleringen uit de richtlijnen te blijven. De wet valt, als het gaat om beschermingsregimes, uiteen in een regime voor gebieds- en soortenbescherming. Soortbescherming De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Voor een omgevingsvergunning of bestemmingsplan voor ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Gebiedsbescherming In de Wnb zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd.

Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of het bestemmingsplan voor de ontwikkeling significante gevolgen kan hebben op de beschermde habitats in de natuurgebieden. Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. Het NNN is per provincie uitgewerkt en vastgelegd, in Limburg als het Natuurnetwerk Limburg (NNL, voorheen Goudgroene natuurzone). Analyse Brabant Eco heeft voor het project een ecologische quickscan uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het doel van dit onderzoek is vaststellen of de ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden.

Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

46

Ten aanzien van soortenbescherming: Het ontbreekt volledig aan geschikte plaatsen waar beschermde planten kunnen groeien. De aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten wordt gezien de aanwezige biotopen uitgesloten. Wel is er de invasieve exoot Hemelboom aanwezig, welke verwijderd dient te worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijke vleermuisverblijfplaatsen verstoord. Om de aanwezigheid van vleermuizen aan te tonen of uit te sluiten is een nader onderzoek noodzakelijk. Tijdens dit onderzoek zal ook het gebiedsgebruik, zoals foerageergebieden en vliegroutes, worden onderzocht. In het plangebied komen geen marterachtigen voor. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Met de sloop van het café en de woning gaan mogelijk verblijfplaatsen van gierzwaluwen verloren. Om de aanwezigheid van gierzwaluwen aan te tonen of uit te sluiten is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. Als het verwijderen van deze bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten.

Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden wat betreft deze soort(groepen). Amfibieën, reptielen en vissen zullen niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Vanwege het ontbreken aan de geschikte habitattypes voor reptielen zullen deze hier niet voorkomen. Het ontbreekt aan water in het plangebied, waardoor beschermde vissoorten hier niet voor zullen komen. Voor amfibieën is het ontbreken van de water ook ongunstig. In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. De in de omgeving staande waardplanten blijven allemaal behouden. Advies soortenbescherming Aanvullend onderzoek naar vleermuizen en gierzwaluwen is noodzakelijk, en is uitgevoerd door Brabant Eco. Het aanvullend onderzoek is opgenomen in bijlage 7.

Samenvattend kan worden gesteld dat er zijn geen nest- of verblijfplaatsen van gierzwaluwen en vleermuizen zijn waargenomen in het plangebied. Hierdoor zijn negatieve effecten ten gevolge van de werkzaamheden uit te sluiten. Er is geen omgevingsvergunning in het kader van de ecologie nodig voor de voortzetting van de werkzaamheden. Ten aanzien van gebiedsbescherming Het plangebied ligt op minimaal 930 meter afstand van zuidwestelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000-gebied Roerdal. Op ongeveer 3,5 kilometer afstand naar het zuidoosten ligt Natura 2000-gebied Meinweg en noordoostelijk op 4,5 kilometer Natura 2000-gebied Swalmdal.

47

Met de meest nabije Natura 2000-gebieden op minder dan 25 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande inrichtings-, sloop- en/of bouwwerkzaamheden op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten. Advies gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.

Een AERIUS-berekening is nodig om externe effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Stikstof Sinds de vernietiging van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in 2019 en de buitenwerkingstelling van de bouwvrijstelling in 2022, speelt stikstofdepositie een prominente rol bij ruimtelijke planvorming. Nu de aanpak en de vrijstelling niet meer kunnen worden gebruikt vanwege strijd met de Europese regels, moet voor ieder project, voor zowel de bouw- als gebruiksfase, worden berekend of er stikstofdepositie plaatsvindt ten gevolge van het project op overbelaste Natura 2000 gebieden. Dit, om aan te tonen dat significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Als significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt om te bezien of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Significante gevolgen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten indien er sprake is van een stikstofdepositie van 0,01 mol per hectare of meer op een Natura 2000 gebied. Hierbij geldt een zogenaamde afkapgrens van 25 kilometer. Daarbuiten is het niet aantoonbaar te maken dat de stikstofdepositie volledig is toe te rekenen aan het project. Voor het project is een stikstofberekening opgesteld voor de aanleg- en gebruiksfase met de wettelijk voorgeschreven AERIUS Calculator.

De berekeningen en invoergegevens zijn opgenomen in bijlage 8. De berekeningen laten voor dit project geen aanvullende stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden zien. Conclusie Wet- en regelgeving op het gebied van natuurbescherming vormt geen belemmering voor het project. De adviezen uit de ecologische quickscan worden bij de voorbereiding en uitvoering in acht genomen.

48

4.8.

Archeologie

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning altijd rekening met in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Beleid Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeente) archeologiebeleid vastgelegd. De gemeente Roermond heeft haar beleid omtrent archeologie vastgelegd in de Erfgoedvisie Roermond 2024-2030 ‘Aan de slag met het verleden’, nader juridisch uitgewerkt in de Erfgoedverordening Roermond 2023, die een doorontwikkeling vormt van de erfgoedverordeningen uit 2011 en 2018. Ook zijn er archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in de bestemmingsplannen van de gemeente. Het bestemmingsplan ‘Roermondse Veld’ bevat ook voor de projectlocatie een dubbelbestemming voor de archeologische waarden.

Hierin is bepaald dat bodemingrepen ten behoeve van werkzaamheden dieper dan 0,4 meter en bouwwerken groter dan 100 vierkante meter niet zijn toegestaan, tenzij met een archeologisch onderzoek de waarden zijn vastgesteld en deze waarden met de ingreep niet onevenredig worden geschaad. Ook zijn er enkele uitzonderingen aan gekoppeld, op grond van het destijds vigerende gemeentelijk archeologiebeleid.

Figuur 24. Uitsnede archeologische beleidskaart Roermond, plangebied blauw omkaderd

In 2023 is de erfgoedverordening van Roermond geactualiseerd, echter de bijbehorende beleidskaarten zijn nog altijd die destijds zijn opgesteld bij de erfgoedverordening uit 2011. Op grond

49

van de archeologische verwachtingskaart geldt er voor de projectlocatie een hoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt op grond van de verordening een onderzoeksplicht wanneer de planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom en groter is dan 1.000 vierkante meter. Onderzoek hoeft niet te worden uitgevoerd wanneer de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter, wanneer de geplande grondwerkzaamheden in totaal een oppervlakte beslaan kleiner dan 100 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden in evident eerder verstoorde bodem. Dit komt overeen met de regeling in het vigerende bestemmingsplan. Toetsing Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom en groter dan 1.000 vierkante meter. De grondwerkzaamheden gaan dieper dan 40 centimeter en beslaan een grotere oppervlakte dan 100 vierkante meter. In principe moet archeologisch (voor)onderzoek worden uitgevoerd. Echter, de ontwikkeling vindt plaats op de locatie waar nog te slopen bebouwing aanwezig is (noorden en zuiden) en vroeger bebouwing aanwezig was (voormalige GAK-gebouw, centrale plangedeelte). Deze panden, voorzien van funderingen en kelders, hebben reeds een aanzienlijke bodemverstoring op locatie veroorzaakt. Conclusie Omdat de locatie tot voor kort verhard was, en in gebruik was ten behoeve van kantoor/bedrijfsfunctie, is de bodem ter plaatse van de beoogde bouwvoer reeds verstoord/geroerd.

De hoge archeologische verwachtingswaarde vormt daarom geen belemmering voor het plan. 4.9.

Cultuurhistorie

Bij ruimtelijke plannen moeten de aanwezige cultuurhistorische waarden worden meegenomen in de overwegingen. Eventueel aanwezige waarden moeten inzichtelijk worden gemaakt en mogen niet onevenredig worden geschaad. Binnen het projectgebied bevindt zich momenteel nog bebouwing. Het betreft echter geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Het project is verder niet gelegen in een beschermd stads- en dorpsgezicht. Ook zijn er geen monumentale bomen in of nabij het plangebied gelegen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een cultuurhistorisch waardevol gebied of complex, als vastgelegd in de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg. Wel zijn de nabijgelegen structuren Gebroek en de Maasnielderbeek aangeduid als lijn met enige cultuurhistorische waarde als historische structuurdrager. De aanwezige omliggende structuren worden met het voorliggende plan niet aangetast. Het project tast geen cultuurhistorische waarden aan. Cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10. Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied is goed bereikbaar, zowel met het openbaar vervoer (bushalte Lindenlaan op 250 meter afstand) als per auto en fiets. De tien rijwoningen en de appartementencomplexen

50

worden ontsloten voor autoverkeer op het Gebroek. Deze 30 km/h-weg komt uit op de Nassaustraat, van waaruit de gebiedsontsluitingsweg Bredeweg of de rest van de wijk eenvoudig kan worden bereikt. Op circa 250 meter ten noorden van het plan bevindt zich ook de aansluiting met de Oranjelaan richting Centrum, en circa 700 meter ten zuiden bevindt zich de Koninginnelaan die een snelle verbinding geeft richting de A73. De verwachting is dat het meeste verkeer van en naar de woningbouwontwikkeling rijdt via de verkeersregelinstallatie (VRI) kruising Nassaustraat – Bredeweg. Deze kruising is in Roermond een relatief drukke kruising, onder andere door de nabijheid van het ziekenhuis, waarbij de vraag is of de kruising het verkeersaanbod in de toekomst nog kan verwerken. Royal HaskoningDHV heeft daarom een memo opgesteld (bijlage 9) waarmee de effecten van de verkeersgeneratie door de woningbouwontwikkeling middels het verkeersmodel 2040 Hoog_v23 zijn beschreven. Vervolgens is beoordeeld of de VRI het verkeersaanbod in 2024 en 2040 Hoog (inclusief de woningbouwontwikkeling) kan verwerken. Op basis van de CROW publicatie 381 kent het plangebied de volgende verkeersgeneratie.

Er is aansluiting gezocht bij de gebiedstypologie uit de Nota parkeernormen 2021 van de gemeente Roermond, waarin het gebied is aangemerkt als schil centrum, matig stedelijk, en net als in de Nota wordt uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte.

De berekening met het verkeersmodel laat de volgende effecten zien: 1. Het meeste verkeer van en naar de woningbouwontwikkeling rijdt via de Gebroek (noordelijk richting) en Nassaustraat naar de VRI Bredeweg Nassaustraat, Vervolgens verdeelt het verkeer zich gelijkmatig over de gebiedsontsluitingsweg (50 km/u wegen) van Roermond. 2. Verkeer van en naar de woningbouwontwikkeling in relatie met de A73, afrit 20 (Koninginnelaan) rijdt via de Donderbergweg (30 km/u zone). 3. Een klein deel van het verkeer dat een bestemming heeft in de nieuwbouwwijk (circa 25 mvt/etmaal extra) kiest ervoor om vanuit het zuiden naar de woningbouwontwikkeling te rijden via Gebroek in plaats van de parallel gelegen Bredeweg. Voor het Gebroek is dit maar een beperkte toename van verkeer en de verwachting is dat hier dan ook geen verkeerskeerkundig knelpunt ontstaat. De VRI analyse laat zien dat zowel in 2024, alsook in 2040 Hoog, inclusief woningbouwontwikkeling het verkeersaanbod in beide spitsen verwerkt kan worden, op het bestaande kruispunt. Wel is het zo dat in de avondspits de kruising zwaar belast is. Dit komt mede doordat op de

51

Nassaustraat (westelijk deel VRI kruising) het parkeerterrein van het ziekenhuis ontsloten is en de Bredeweg in de avondspits in zuidelijke richting relatief druk is. Conclusie vanuit de verkeersmodelberekening is dat de wegenstructuur rondom de woningbouwlocatie voormalig GAK het toekomstig verkeersaanbod prima kan verwerken en op wegvakniveau geen knelpunten te verwachten zijn. Parkeren De gemeenteraad van Roermond heeft de Nota parkeernormen 2021 vastgesteld. In deze regeling is een samenhangend stelsel van parkeernormen opgenomen en is geregeld op welke wijze deze worden toegepast. Deze regeling is van toepassing op het gehele grondgebied van de gemeente en geldt voor alle nieuwe ontwikkelingen, inclusief functiewijzigingen, waarbij wordt ingegaan op zowel autoparkeren als fietsparkeren. Op grond van de Nota moet de parkeeroplossing primair op eigen terrein worden vormgegeven. Onderzoeksbureau Goudappel heeft een parkeerbalans opgesteld voor de auto- en fietsparkeerbehoefte bij deze nieuwe locatieontwikkeling. De rapportage is toegevoegd aan de bijlagen. Er worden in totaal 92 openbare parkeerplaatsen aangelegd op het binnenterrein en 6 parkeerplaatsen in de openbare ruimte rondom het plan.

Van de 92 parkeerplaatsen op eigen terrein worden er 59 1-op-1 toegewezen aan bewoners van de 59 sociale huurappartementen (deze toegewezen parkeerplaatsen zijn hieronder niet meegenomen in het dubbelgebruik). Op basis van het gemeentelijk beleid is de parkeerbehoefte zonder dubbelgebruik 137 parkeerplaatsen en met dubbelgebruik 129 parkeerplaatsen. Er zou daarmee sprake zijn van een parkeertekort van minimaal 31 parkeerplaatsen. De parkeernormen van de gemeente Roermond zijn echter gebaseerd op CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren (2018). Deze publicatie is inmiddels vervangen door publicatie 744 ‘Basis voor parkeernormering’ (2024). Hiermee sluit de huidige parkeernormennota niet meer aan bij de actualiteit van dit moment. Gezien de ligging van de planlocatie dichtbij het station en met veel voorzieningen op loop- en fietsafstand, wordt uitgegaan van de meest recente CROW-kencijfers. Daarmee wordt voorkomen dat er te veel parkeerplaatsen worden aangelegd en andere ambities in de knel komen. Op basis van de meest recente CROW-cijfers is de parkeerbehoefte van het plan opnieuw doorgerekend. Hierbij is uitgegaan van een bewonersdeel van minimaal 1 parkeerplaats per woning, waarmee een veilige marge ten opzichte van de CROW-kencijfers is ingebouwd.

De parkeerbehoefte is zonder dubbelgebruik: 105 parkeerplaatsen en met dubbelgebruik 98 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (werkdagavond). Uitgaand van (gedeeltelijk) dubbelgebruik ontstaat daarmee een sluitende parkeerbalans. Het fietsparkeren voor bewoners wordt opgelost in individuele bergingen, die worden gerealiseerd bij iedere woning/appartement. Voor bezoekers worden 45 fietsparkeerplaatsen in de buitenruimte gerealiseerd. Daarmee voldoet het plan aan de gemeentelijke fietsparkeernormen.

52

4.11. Klimaat De fysieke leefomgeving heeft te maken met de gevolgen van klimaatverandering. Door klimaatverandering kunnen namelijk overstromingen, wateroverlast, droogte en hitte ontstaan, die van invloed zijn op de ruimte om ons heen. De effecten zijn divers en locatieafhankelijk. Ze veroorzaken risico’s voor milieu, mens en economie. Landelijk en lokaal beleid is erop gericht om deze risico’s te verkleinen en het water- en bodemsysteem als geheel toekomstbestendiger te maken. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang de risico`s van klimaatverandering in beeld te brengen en de ontwikkeling zodanig te ontwerpen, dat de risico`s tot acceptabel niveau worden beperkt. Analyse Via de Klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl) is gekeken naar mogelijke klimaatrisico`s in en rondom het plangebied. Ten aanzien van de Maas en haar zijtakken zoals de Roer en de Loos is er geen reële kans op overstroming in of nabij het plangebied, zelfs bij een hoog scenario met sterke klimaatverandering in 2050. De locatie bevindt zich op voldoende afstand achter de kades die ook de binnenstad van Roermond beschermen tegen hoog water. Het plan zelf heeft geen invloed op de overstromingsgevoeligheid van het gebied.

Figuur 25. Overstromingskans projectlocatie bij hoog scenario (bron: klimaateffectatlas.nl)

Naast overstromingen vormt ook wateroverlast door hoge grondwaterstand en neerslag een mogelijk klimaatrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen. Grondwateroverlast ontstaat wanneer gebruiksfuncties worden aangetast door hoge grondwaterstanden. Naar schatting zijn er in Nederland circa 150.000 woningen gevoelig voor grondwateroverlast. Het plangebied is echter niet gelegen in een gebied dat hiervoor gevoelig is, gezien de lage grondwaterstanden.

53

Figuur 26. Kans op grondwateroverlast (bron: klimaateffectatlas.nl)

Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. De meeste schade treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt. Ook zijn er gezondheidsrisico’s als er vervuild water op straat blijft staan: bij gemengde riolen kan regenwater zich mengen met niet-gezuiverd water. Ongeveer tien procent van de gebouwen in Nederland heeft bij een zeer hevige bui die gemiddeld eens in de 1000 jaar voorkomt een kans op wateroverlast. Laaggelegen verharde delen zijn in het bijzonder gevoelig voor wateroverlast.

Figuur 27. Kans op wateroverlast door piekbuien (bron: klimaateffectatlas.nl)

De bovenstaande kaart toont de resultaten van computersimulaties en geeft een indicatie van de maximale waterdiepte die op een bepaalde plek kan optreden als gevolg van hevige neerslag. De kaart toont de maximale waterdiepte voor het stedelijk gebied, voor extreme buien: 140 mm neerslag in 2 uur. Deze buien komen in het huidige klimaat op een bepaalde locatie gemiddeld eens per 1000 jaar voor. Door klimaatverandering kunnen die kansen aan het einde van de eeuw twee keer zo groot zijn. Op de figuur is zichtbaar dat het zuidelijke deel van het plangebied gevoelig is voor wateroverlast bij piekbuien. Wel toont de Klimaateffectatlas voor de projectlocatie zeer grote infiltratiekansen op basis van de infiltratiecapaciteit, bergingscapaciteit en de helling van het maaiveld. Met het voorliggende plan vindt een uitbreiding plaats van het verhard oppervlak. In paragraaf 4.12 Water wordt nader uitgewerkt op welke wijze het plan invulling geeft aan de hemelwaterberging, -infiltratie en afvoer om risico`s op overlast zo klein mogelijk te houden. 54

Ook hitte en droogte kunnen negatieve effecten zijn van klimaatverandering, waarmee rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke planvorming. Een hoge gevoelstemperatuur kan bij mensen gezondheidsklachten veroorzaken. Op sommige plekken, vooral in de stad, kan de (gevoels)temperatuur hoog oplopen. Daarnaast hebben ouderen, jonge kinderen, mensen met een zwakke gezondheid en mensen die in armoede of sociaal isolement leven vaak eerder last van een hogere gevoelstemperatuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet daarom worden geprobeerd het hitte-eilandeffect te beperken en koele plekken te creëren. Door steden slim in te richten kun je de gevoelstemperatuur verlagen en daarmee hittestress verminderen. Denk aan maatregelen die zorgen voor meer schaduw, wind, verdamping, weerkaatsing van warmte of vermindering van warmte door mensen, bijvoorbeeld door airco’s of auto’s. Verdamping is het meest effectief om de luchttemperatuur op stadsschaal te verlagen, waarmee je het stedelijk hitte-eilandeffect kunt verminderen. Schaduw en ventilatie zijn het meest effectief om de gevoelstemperatuur te verlagen. In dichtbebouwde gebieden kan het moeilijk zijn om ruimte te vinden voor verkoelende maatregelen. Ook andere manieren van ruimtegebruik kunnen dan effectief zijn.

Bijvoorbeeld groene gevels en groene daken, de oriëntatie en hoogte-breedteverhouding van straten, materiaalgebruik of het (tijdelijk) creëren van schaduw. Bomen zijn heel effectief, omdat ze op twee manieren verkoelen. Het grootste effect komt van de schaduw die bomen overdag bieden. Door schaduw warmt verhard oppervlak minder op en wordt de gevoelstemperatuur van mensen direct verlaagd. Schaduw van bomen kan de gevoelstemperatuur met 2 tot 17 °C verlagen. Bomen zorgen ook voor verkoeling doordat ze net als andere planten water verdampen. Maatregelen In het ontwerp van de gebouwen en de buitenruimte is rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering. De parkeerplaatsen op het binnenterrein worden voorzien van zo min mogelijk bestrating, waardoor hemelwater bij buien eenvoudiger kan worden verwerkt en er minder water hoeft te worden afgewenteld richting gemeentelijk riool. Onder de parkeerplaatsen worden infiltratievoorzieningen gerealiseerd die het hemelwater opvangen en vertraagd in het grondwater laten infiltreren. Ook worden de appartementen gebouwen aangesloten op de infiltratievoorziening. Door aanplant van groen rondom de appartementengebouwen en op het binnenterrein wordt hitteweerkaatsing verminderd. Hierdoor is de kans op hittestress bij gebruikers van de omliggende ruimte kleiner en wordt met groen schaduw gecreëerd.

Op deze wijze is het plan klimaatbewust ontworpen en worden negatieve effecten afgewenteld. 4.12. Water 4.12.1. Waterbeleid Artikel 3.1.6 lid 1 onder c van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat waterbelangen moeten worden meegewogen bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Ieder ruimtelijk plan bevat daarom een waterparagraaf, waarin is opgenomen aan welk waterbeleid moet worden voldaan en waarin wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is ten aanzien van de relevante wateraspecten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=26f0f472-3076-4178-9895-4152b50bea45