Bijlage 2 - Ruimte onderbouwing met onderzoek
Tekst van het document
55
Rijksbeleid De Waterwet vereist dat de rijksoverheid eens in de zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren opstelt. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 staat het Nederlandse beleid voor de waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Dit programma combineert de plannen voor beleid en beheer van het water. Voorheen was dit uitgesplitst in het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreinigingen en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om infrastructuur zoals waterkeringen, bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. Daarbij staan de wateropgaven niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. In het NWP stelt het kabinet daarom drie hoofdambities voor 2050 en verder: ▪
Een veilige en klimaatbestendige delta.
▪
Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.
▪
Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.
Aan de hand van deze thema beschrijft het NWP de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn ook de bijlagen waarmee invulling wordt gegeven aan Europese regelgeving, te weten de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke zes jaar stroomgebiedbeheerplannen opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren. Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland. Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren. Het voorliggende initiatief raakt geen rijkswaterbelangen en is niet gelegen in een stroomgebied of overstromingsrisicogebied.
Het plan is daardoor niet in strijd met rijkswaterbeleid. Provinciaal beleid Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 2016-2021.
56
Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Het voorliggende initiatief betreft een kleinschalige binnenstedelijke herontwikkeling. Er wordt voldaan aan de regels vanuit gemeente en waterschap voor het verwerken van vuilwater en hemelwater. Aangezien deze regels uitwerkingen zijn van de ambities op provinciaal niveau, wordt verondersteld dat het plan niet in strijd is met het provinciale waterbeleid. Waterschap Het project is gesitueerd in het werkgebied van waterschap Limburg. Het beleid van het waterschap is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027. In het programma is per watertaak uitgewerkt wat ze de komende planperiode willen bereiken en hoe: ▪
Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas.
▪
Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden.
▪
Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht.
▪
Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.
Deze programma`s resulteren in concretere doelstellingen, die juridisch zijn doorvertaald in de Keur en algemene regels (onder de Omgevingswet: Waterschapsverordening). De Keur is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en dijken (waterkeringen) die in beheer zijn bij het waterschap. De voorschriften in de Waterwet en de Keur, algemene regels en specifieke beleidsregels geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voert het waterschap een watertoets uit en neemt daarbij de relevante (beleids-)regels in acht, om te beoordelen of het plan in voldoende mate rekening houdt met de waterbelangen. In totaal betreft het acht uitgangspunten: 1. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5.
Toepassen voorkeursvolgorde voor waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen.
57
7. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. De regels van de Keur (Beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019) stellen eisen aan het opvangen van hemelwater. Conform de algemene beleidsregels van het Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe ontwikkeling sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling; waterneutraal bouwen. Dit houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater als gevolg van nieuwe verhardingen dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geinfiltreerd in de bodem. Bij een waterneutrale ontwikkeling wordt dus voorkomen dat afvloeiend hemelwater wordt afgewenteld op de omgeving. In het hele beheersgebied van het waterschap, met uitzondering van het Heuvelland, wordt uitgegaan wordt van een bui van 100 mm in 24 uur.
Dit betekent dat een berging/infiltratie moet worden gerealiseerd die van een zodanige omvang is dat de hoeveelheid hemelwater die op het watersysteem wordt aangeboden niet groter is dan in de onverharde situatie. Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur. In de komende paragrafen wordt uitgewerkt op welke wijze rekening is gehouden met de beleidsuitgangspunten en regels vanuit het waterschap. Deze waterparagraaf wordt door de gemeente als concept voorgelegd aan het Waterschap Limburg ter controle. Op deze manier wordt voldaan aan de regels van het waterschap. Gemeentelijk beleid De gemeente Roermond heeft haar beleid omtrent water en riolering vastgelegd in het Wateren rioleringsprogramma; de opvolger van het Gemeentelijk rioleringsplan Roermond (GRP). Dit is een zogenaamd vrijwillig programma onder de Omgevingswet, omdat de wettelijke verplichting voor een GRP is komen te vervallen, en bindt voornamelijk de gemeente zelf. De verdere regels waaraan ontwikkelingen dienen te voldoen, zijn rechtstreeks geldend vastgelegd in de Verordening afvoer hemel- en grondwater gemeente Roermond. Met oog op het doelmatig beheer van afvalwater is het verboden hemel- en grondwater te lozen op een drukriolering of op een IBA.
Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater wordt vanaf nieuw verhard oppervlak met een oppervlak van 50 m2 of meer geen hemelwater op een vuilwaterriool geloosd, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden. De minimale capaciteit van deze hemelwaterberging is bij nieuwbouw of vernieuwbouw binnen een inbreidingslocatie, als de totale omvang van de inbreidingslocatie 1000 m2 of meer is, een bui van 100 liter per m2 per 24 uur over het nieuw verhard oppervlak, waarvan 80 liter per m2 in 2 uur.
58
In de komende paragrafen wordt uitgewerkt op welke wijze rekening is gehouden met de beleidsuitgangspunten en regels vanuit het GRP. Deze waterparagraaf wordt aan de gemeente als concept voorgelegd ter controle. Op deze manier wordt voldaan aan de regels van het GRP. 4.12.2. Beschrijving watersysteem Situatie projectgebied Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Roermond en momenteel grotendeels onverhard. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
Figuur 28. Uitsnede leggerkaart Waterschap Limburg
Oppervlaktewater Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater gelegen en er zijn geen watergangen, waterkeringen of ecologische verbindingszones die opgenomen zijn op de Legger, of anderszins beschermd zijn. Wel bevindt zich op circa 50 meter ten oosten van het plangebied een primaire watergang, de Maasnielderbeek, zoals weergegeven op bovenstaande afbeelding. Deze watergang is eveneens aangemerkt als primaire regenwaterbuffer (Vijverpartij Donderberg). Het plan is niet gelegen in het profiel van vrije ruimte en voorziet niet in handelingen in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszone, in een meanderzone en in een inundatiegebied. Het plan is niet van invloed op deze watergang.
59
Bodem en grondwater De hoogte ter plaatse van de onderzoekslocatie varieert van circa 22,0 tot 25,0 m +NAP. Plaatselijk is een deklaag te onderscheiden. De deklaag is opgebouwd uit zanddiluvium en plaatselijke afzettingen van de Nuenen Groep. De deklaag heeft een dikte van circa 7 meter. De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 19,0 meter +NAP. De GHG bevindt zich ruim anderhalve meter onder het maaiveld ter plaatse van het laagste punt van het projectgebied. Het eerste watervoerend pakket is opgebouwd uit grove afzettingen van verschillende geologische herkomst, hoofdzakelijk de Formaties van Sterksel en Veghel. Over de dikte en transmissiviteit van het eerste watervoerend pakket zijn geen gegevens bekend. De eerste scheidende laag is opgebouwd uit de kleiige afzettingen van de Brunssumklei. Over de dikte en de verticale hydraulische weerstand zijn geen gegevens bekend. Onder de eerste scheidende laag bevindt zich waarschijnlijk het tweede watervoerend pakket, opgebouwd uit de Waubachzanden. In het algemeen kan gesteld worden dat het grondwater van de hoog gelegen gebieden ten oosten van Roermond naar het stroomgebied van de Maas stroomt en dat over een belangrijk deel van dit traject voeding door infiltratie plaatsvindt. De regionale grondwaterstroming is globaal westnoordwestelijk gericht.
De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- of grondwaterwingebied. Vuilwater Het meest nabijgelegen riool bestaat uit het gescheiden rioolstelsel aan enerzijds de Bredeweg en anderzijds het Gebroek. In de toekomstige situatie wordt vuilwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en via het gemeentelijk riool verwerkt. Hiervoor zullen de benodigde aansluitingen worden aangevraagd. Het rioolstelsel binnen het projectgebied wordt zodanig ontworpen dat aansluiting op het gemeentelijk riool qua ligging en hoogte geen beperking vormt, conform de daaraan gestelde eisen uit het GRP. Hemelwater Binnen het plangebied wordt verhard oppervlak toegevoegd om de realisatie van de woongebouwen en bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is bij nieuwbouw of vernieuwbouw binnen een inbreidingslocatie, als de totale omvang van de inbreidingslocatie 1000 m2 of meer is, een bui van 100 liter per m2 per 24 uur over het nieuw verhard oppervlak, waarvan 80 liter per m2 in 2 uur. De detailuitwerking van het toekomstige watersysteem wordt door een infiltratiespecialist uitgevoerd om zo de maatgevende hoeveelheid neerslag op te kunnen vangen zonder dat daarbij wateroverlast op de ontwikkellocatie of in de omgeving ontstaat.
Daarbij moet het watersysteem boven de GHG gerealiseerd worden en goed beheerd en onderhouden kunnen worden. Gezien de ruimte tussen maaiveld en de grondwaterstand, en de zanderige opbouw van de bodem, zijn er ter plaatse goede infiltratiekansen. Silt Geo heeft in opdracht van de initiatiefnemer een infiltratie- en verdichtingsonderzoek uitgevoerd, toegevoegd in de bijlagen. Hoewel het onderzoek in een latere fase nogmaals zal worden uitgevoerd vanwege beperkingen door nog aanwezige puinlagen, is er op basis van de wel uitgevoerde, betrouwbare boringen sprake van een
60
(conservatief aangehouden) k-waarde van 0,5 tot 1 m/dag, overeenkomend met redelijk goede infiltratiemogelijkheden. Bij de realisatie van het project wordt het toepassen van uitloogbare materialen voorkomen. Op deze manier wordt invulling gegeven aan het zo schoon mogelijk inzamelen van hemelwater, en ter plaatse vasthouden om vertraagd te infiltreren. Afwenteling naar de omgeving wordt zo voorkomen. De exacte wijze van waterberging wordt in samenspraak met de infiltratiespecialist, gemeente en waterschap verder vormgegeven. Er wordt gedacht aan een infiltratie- en transportriool (ITriool) in combinatie met een ondergronds krattensysteem ter plaatse van de parkeerplaatsen, met een overstortmogelijkheid. Conclusie Het project heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Waterbelangen vormen daardoor geen belemmering voor het planvoornemen.
61
5. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk worden de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen besproken. 5.1.
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkelaar en initiatiefnemer is eigenaar van de gronden binnen het plangebied. Op grond van artikel 6.12 Wro wordt ten behoeve van dit plan geen exploitatieplan opgesteld. Tussen de ontwikkelaar en de gemeente is een anterieure overeenkomst afgesloten. Er kan daarom gesteld worden dat het plan financieel uitvoerbaar is. Via de anterieure overeenkomst is het planschadeen kostenverhaal namelijk verzekerd en hoeft bij de verlening van de omgevingsvergunning geen exploitatieplan als bedoeld in de Wro te worden vastgesteld. 5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. Het is daarom van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e van het Bro in samenhang met artikel 3:2 van de Awb (zorgvuldigheidsbeginsel). In het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg is de concept ontwerp omgevingsvergunning voorgelegd aan het Waterschap Limburg en de provincie Limburg. Aangegeven is dat er geen belangen van deze bestuursorganen in het geding zijn en waar nodig zijn hun opmerkingen verwerkt in de planstukken. De omwonenden van het projectgebied zijn betrokken bij de omgevingsdialoog middels een inloopavond op 27 juni 2023. De inschatting van het draagvlak in de buurt voor de ontwikkeling is op basis van de omgevingsdialoog goed te noemen. Een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in bijlage 11. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.
62
6. Procedure 6.1.
Voorbereidingsprocedure
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als motivering van de goede ruimtelijke ordening voor de ontwikkeling 89 woningen met bijbehorende voorzieningen in Roermond. De ontwikkeling past niet in het bestemmingsplan. De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt met toepassing van de Wabo, artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
•
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
o
1°. …
o
2°. …
o
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Artikel 3.10 van de Wabo bepaalt dat in deze gevallen de uitgebreide voorbereidingsprocedure (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van toepassing is op de behandeling van de aanvraag, als opgenomen in afdeling 3.4 van de Awb, aangevuld met specifieke passages uit de Wabo. Op onderdelen wordt deze voorbereidingsprocedure gelijk gesteld met het voorbereiden van een bestemmingsplanherziening. De wettelijke procedure, die doorgaans 26 weken in beslag neemt, bestaat daardoor uit volgende onderdelen: 1. Openbare kennisgeving van de ontwerpvergunning. 2. Terinzagelegging van de ontwerpvergunning met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. 3. Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. 4. Vaststelling (verlenen) van de omgevingsvergunning door het bevoegd gezag binnen 12 weken na het einde van de terinzagelegging. 5. Algemene bekendmaking van de omgevingsvergunning. 6. Mogelijkheid tot beroep bij de rechtbank voor belanghebbende binnen zes weken na bekendmaking besluit. 7. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde zes weken na de bekendmaking. 8.
Mogelijkheid tot Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor belanghebbenden binnen zes weken na bekendmaking uitspraak rechtbank. 6.2.
Vooroverleg
Onderdeel van het voorbereiden van de omgevingsvergunning is het wettelijk vooroverleg met betrokken bestuursorganen, op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het plan is daarom voorgelegd aan de provincie Limburg en het Waterschap Limburg. PM
63
6.3.
Zienswijzen
De omgevingsvergunning heeft van … tot en met … digitaal en analoog als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is eenieder in gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op de ontwikkeling en de daarbij behorende stukken. Er zijn in deze periode … zienswijzen ingediend.
64
Bijlagen Bijlage 1: Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, nummer RRA-2023-006-VVMB, d.d. 1 juli 2024 Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond, rapportnummer C18-397-O, Arnicon, d.d. 23 november 2018 Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Gebroek 12 te Roermond, rapportnummer C18-399-O, Arnicon, d.d. 23 november 2018 Bijlage 4: Actualiseren verkennend bodemonderzoek Bredeweg 243 en Gebroek 12 Roermond, rapportnummer 20787.001 D3, Econsultancy, d.d. 20 april 2023 Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bredeweg / Nassaustraat Roermond, rapportnummer TenBNas.Roer.24.AO.01, Embridge, d.d. 16 september 2025 Bijlage 6: Ecologische quickscan Gebroek Roermond, rapportnummer 2024-BE-0904, Brabant Eco, d.d. 3 mei 2024 Bijlage 7: Nader onderzoek naar gierzwaluwen en vleermuizen Gebroek Roermond, rapportnummer 2024-BE-0904, Brabant Eco, d.d. 3 mei 2024 Bijlage 8: Stikstofdepositieonderzoek in het kader van een vergunningaanvraag ingevolgde Omgevingswet – Natura 2000-activiteit ten behoeve van Ten Brinke Bouw B.V., rapportnummer Ten.Roe.24.DO-02, Embridge, d.d. 27 mei 2025 Bijlage 9: Verkeerproductie en effecten woningbouwontwikkeling voormalig GAK locatie Roermond, kenmerk BH5787-MI-ME-240913-1154, HaskoningDHV Nederland B.V. Mobility & Infrastructure, d.d.
13 september 2024 Bijlage 10: Parkeerbalans Bredeweg Roermond, kenmerk 019385.20250305.R1.03, Goudappel B.V., d.d. 23 juli 2025 Bijlage 11: Resultaten grondonderzoek infiltratie- en verdichtingsonderzoek Bredeweg Roermond, projectnummer 2402255 versie 1, Silt Geo, d.d. 18 februari 2025 Bijlage 12: Verslag inloopavond omwonenden Bredeweg Roermond, Ten Brinke Vastgoedontwikkeling B.V., d.d. 19 juli 2023
65
www.rademacherruimtelijkadvies.nl
AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING Project
Woningbouwproject Bredeweg, Roermond
Datum
23 juli 2024
Nummer
RRA-2023-006-VVMB
Versie
01
I.
Inleiding
Het initiatief behelst de realisatie van 76 appartementen en 10 grondgebonden woningen op de hoek van de Bredeweg, Nassaustraat en Gebroek, in de bebouwde kom van Roermond (gemeente Roermond). Het gaat om kadastraal percelen F 1314, 1971, 3900 en 5359. De oppervlakte bedraagt circa 6.390 m². Het bestemmingsplan ‘Roermondse Veld’ staat de realisatie van woningen op deze locatie niet toe. De gronden zijn namelijk bestemd als 'Woongebied', maar uitsluitend reeds bestaande woningen zijn toegestaan.
Figuur 1. Beoogde opzet woningbouw in bestaande ruimtelijke context
II.
De m.e.r.-plicht
Om de beoogde ontwikkeling mogelijk maken is een nieuw planologisch-juridisch kader benodigd. Een omgevingsvergunning hiervoor betreft een plan of besluit in de zin van de Wet milieubeheer, waarin de regels zijn opgenomen voor het milieueffectrapport. Getoetst moet
worden of er sprake is van een m.e.r.-plicht, m.e.r.-beoordelingsplicht of vormvrije m.e.r.beoordeling. Het toetsingskader wordt gevormd door het Besluit milieueffectrapportage en de C- en D-lijsten met bijbehorende drempelwaarden in de bijlage van dat besluit.
Figuur 2. Wanneer een m.e.r.-plicht of -(vormvrije)beoordeling
De beoogde ontwikkeling komt niet als activiteit voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D, nummer 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”.
Figuur 3. Categorie D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage
De beoogde ontwikkeling ligt onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, te weten een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor het project geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat de ontwikkeling voorkomt op de D-lijst, maar onder de drempelwaarden blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. De verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport (de directe m.e.r.-plicht) kan evenwel voortkomen uit de Wet natuurbescherming. In deze wet is namelijk opgenomen dat wanneer significante negatieve milieueffecten op voorhand niet zijn uit te sluiten, een passende beoordeling moet worden opgesteld. De Wet milieubeheer bepaalt in art. 7.2a lid 1 dat voor deze plannen een m.e.r.-plicht geldt. Echter, wanneer op basis van objectieve
2
gegevens op voorhand kan worden aangetoond dat er geen significante effecten zijn te verwachten op Natura 2000 gebieden, is een milieueffectrapport niet noodzakelijk, blijkens Wet milieubeheer artikel 7.2a lid 2 juncto Besluit milieueffectrapportage artikel 3. Uit de bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing (o.a. Quickscan flora en fauna en het Stikstofdepositieonderzoek) en voorliggende beoordeling blijkt dat geen sprake is van significante negatieve effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of milieueffectrapportage. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling komt niet boven de drempelwaarden uit van kolom 2. Er is geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wel moet er een vormvrije m.e.r.beoordeling worden opgesteld. Omdat significante negatieve effecten op een Natura 2000 gebied op voorhand kan worden uitgesloten, geldt er geen verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling en milieueffectrapport op grond van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van de in voorbereiding zijnde omgevingsvergunning is derhalve voorliggende aanmeldnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
III.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling
Procedure De voorliggende aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen woningbouwontwikkeling voor het milieu en beoordeelt de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling betekent dat er geen milieueffectrapport wordt opgesteld, tenzij er sprake is van significante nadelige gevolgen voor het milieu. De initiatiefnemer deelt aan het bevoegd gezag mede dat zij voornemens is een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit te realiseren met deze aanmeldnotitie, waarin de benodigde informatie is samengevat op basis waarvan het bevoegd gezag besluit over de noodzakelijkheid tot het opstellen van een milieueffectrapport. Het bevoegd gezag beslist formeel gezien binnen zes weken na ontvangst van de aanmeldingsnotitie. Het besluit hoeft niet te worden gepubliceerd in de Staatscourant of het Gemeenteblad, maar moet wel (digitaal) kenbaar worden gemaakt. Het beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij de uiteindelijk te verlenen omgevingsvergunning. Er staat bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het te nemen besluit, in dit geval de omgevingsvergunning voor de woningbouwontwikkeling, die met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt voorbereid.
De beoordeling Of er sprake is van significante negatieve effecten moet worden beoordeeld aan de hand van bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Daarbij staan drie criteria centraal:
3
1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Bijlage III (van de Europese richtlijn 2011/92/EU) bevat daarnaast in artikel 4, lid 3 de verdere uitsplitsing van de bedoelde criteria: 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: ▪
de omvang van het project,
▪
de cumulatie met andere projecten,
▪
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
▪
de productie van afvalstoffen,
▪
verontreiniging en hinder,
▪
risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
2. Plaats van de projecten: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: ▪
het bestaande grondgebruik,
▪
de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,
▪
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. wetlands b. kustgebieden c. berg- en bosgebieden d. reservaten en natuurparken e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens de Vogel- en Habitatrichtlijn) f. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden; g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: ▪
het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),
▪
het grensoverschrijdende karakter van het effect
▪
de waarschijnlijkheid van het effect,
▪
de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
4
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is aan de hand van de bovenstaande criteria opgesteld op basis van de voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken en daarin opgenomen onderbouwingen. 1. Kenmerken van het
Effectbeoordeling
project Omvang van het project
Het plangebied heeft een omvang van circa 6.390 vierkante meter. Het project behelst de ontwikkeling van 76 appartementen en 10 grondgebonden woningen in bestaand stedelijk gebied, met bijbehorende verkeer-, parkeer-, water- en groenvoorzieningen.
Cumulatie met andere pro-
Er is geen sprake van cumulatie.
jecten
Gebruik van natuurlijke
De woningen wordt zonder gasaansluiting gerealiseerd. Tijdens
hulpbronnen
de bouwfase wordt, afgezien van traditionele brandstoffen voor transport en bouwmaterieel en de benodigde bouwmaterialen zelf, water en elektriciteit, geen natuurlijke hulpbronnen aangewend of in bruikbaarheid verminderd.
Productie van afvalstoffen
De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van het woongebied en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen tijdens het gebruik van de woningen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport.
Verontreiniging en hinder
Het project is gelegen in stedelijk gebied; tijdens de bouwfase is mogelijk sprake van hinder door bouwverkeer en bijbehorende werkzaamheden. De ruimtelijke onderbouwing bevat een uiteenzetting van de aspecten hinder en verontreiniging. Ten aanzien van bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, geluidhinder, milieuhinder, verkeershinder en lichthinder wordt onderbouwd dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat, en dat wordt voldaan aan de relevante wet- en regelgeving.
Risico van ongevallen
De ontwikkeling van de woningen met bijbehorende voorzieningen voorziet niet in de realisatie van nieuwe risicobronnen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën. Er is geen sprake van risico`s op ongevallen. Klimaateffecten worden geminimaliseerd door de toepassing van bijna energieneutrale gebouwen, het infiltreren van hemelwater binnen het plangebied en het minimaliseren van de hoeveelheid verharding.
5
2. Plaats van het project
Effectbeoordeling
Bestaande grondgebruik
De gronden binnen het projectgebied zijn momenteel deels onbebouwd en deels bebouwd, in gebruik als voormalige horeca en woningen en deels ligt het terrein braak, onverhard. Rondom het plangebied bevinden zich wegen en woningen. Het betreft geen bijzonder milieugevoelige locatie.
Relatieve rijkdom aan
Het plangebied bevat geen noemenswaardige rijkdom van na-
kwaliteit en het regenera-
tuurlijke hulpbronnen.
tievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Opnamevermogen van het
In en rondom het plangebied bevinden zich geen van de in de
natuurlijke milieu
opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. De gronden binnen het plangebied hebben geen cultuurhistorische waarden. In het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Als gevolg van het planvoornemen gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren. De gronden binnen het plangebied hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde. De gronden zijn echter reeds verstoord. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de archeologische waarden van het gebied. Het dichtst bijgelegen gebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (of NNN) betreft Natura 2000 gebied Roerdal, op een afstand van circa 940 meter ten zuidwesten van het project. Ingrepen direct of indirect nabij het Natuurnetwerk zijn niet voorzien. Van directe fysieke effecten is dan ook geen sprake. Effecten op dit deel van Natuurnetwerk kunnen door de relatief grote afstand redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Roermond en op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde gebied betreft Roerdal op een afstand van circa 1 km ten zuidwesten van het plangebied. Fysieke effecten zijn op deze afstand op voorhand uit te sluiten. Depositie van stikstof kan echter ook op grotere afstand leiden tot negatieve effecten.
Het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek toont aan dat er geen sprake is van stikstofdepositie op gevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanleg- of gebruiksfase van de voorgenomen woningbouwontwikkeling.
6
3. Kenmerken van het
Effectbeoordeling
potentiële effect Bereik van het effect
Er is op basis van de vorige tabellen geen aanleiding om uit te gaan van potentieel negatieve milieueffecten ten gevolge van het plan. Het bereik van deze effecten hoeft dus niet nader te worden beschouwd.
Grensoverschrijdende ka-
Er is op basis van de vorige tabellen geen aanleiding om uit te
rakter van het effect
gaan van potentieel negatieve milieueffecten ten gevolge van het plan. Het grensoverschrijdende karakter van deze effecten hoeft dus niet nader te worden beschouwd.
Waarschijnlijkheid van het
Er is op basis van de vorige tabellen geen aanleiding om uit te
effect
gaan van potentieel negatieve milieueffecten ten gevolge van het plan. De waarschijnlijkheid van deze effecten hoeft dus niet nader te worden beschouwd.
Duur, frequentie en om-
Er is op basis van de vorige tabellen geen aanleiding om uit te
keerbaarheid van het ef-
gaan van potentieel negatieve milieueffecten ten gevolge van het
fect
plan. De duur, frequentie en omkeerbaarheid van deze effecten hoeft dus niet nader te worden beschouwd.
Conclusie De bovenstaande uiteenzetting en vergelijking van het plan met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage kan worden geconcludeerd dat er bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau dan de m.e.r.-plichtige plannen, en het een ontwikkeling betreft die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat wettelijke normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Het voorstel is om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapport nodig is.
7
RAPPORT C18-397-O Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond.
Capelle aan den IJssel, 23 november 2018
Opdrachtnemer: Arnicon B.V. Opdrachtgever:
Contactpersoon
Vink Milieutechnisch Adviesbureau B.V. Postbus 99 3770 AB Barneveld R. Druijff
Boormeester: Protocol: Rapportage: Controle:
B. Brouwer – (Bodemflex) BRL SIKB 2000-2001/2002/2018 P. van Amersfoort E. Schoen
CAPELLE A/D IJSSEL Molenbaan 7 2908 LL Capelle a/d IJssel T. 010 2582 300
APPINGEDAM Kanaalweg 1 9902 AX Appingedam T. 059 6693 600
www.arnicon.nl
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK................................................................ 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Doel van het onderzoek Kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid Rapportage
1 1 1 1
2. RESULTATEN VOORONDERZOEK ................................................................................ 2 2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Resultaten Hypothese Onderzoeksstrategie
2 2 3 4
3. RESULTATEN BODEMONDERZOEK .............................................................................. 5 3.1 Veldwerk 3.2 Chemisch-analytisch onderzoek 3.3 Analyseresultaten
5 5 7
4. SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................ 9 4.1 Samenvatting 4.2 Conclusies
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Regionale overzichtskaart Detailtekening Boorstaten Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Toetsing conform BoToVa en Toetsingswaarden Gegevens vooronderzoek Arnicon groep, kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
9 9
1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK 1.1
Inleiding
Door Vink Milieutechnisch Adviesbureau B.V. te Barneveld is aan Arnicon B.V. de opdracht verstrekt tot uitvoering van een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 ter plaatse van de Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond. Voor de situering van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de bijlagen 1 en 2. De locatie, met een totale oppervlakte van ca. 850 m2, is momenteel in gebruik als café (Nassaustraat 130) en twee woonhuizen. De aanleiding tot het onderzoek is de aankoop van de locatie. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Het onderzoek wordt zodanig uitgevoerd, dat een milieuhygiënische beoordeling kan worden gegeven ten aanzien van het (toekomstige) gebruik van de locatie. Het bepalen van de omvang van een eventueel aan te treffen verontreiniging valt buiten het kader van het actualiserend onderzoek. 1.3
Kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid
Kwaliteitswaarborg De Arnicon Groep en haar medewerkers zijn sinds 2007 door Rijkswaterstaat Leefomgeving/ Bodem+ (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) erkend voor het verrichten van diensten vallend onder diverse BRL SIKB protocollen waarmee wordt voldaan aan de wet en regelgeving KWALIBO. De Arnicon Groep is eveneens gecertificeerd voor de kwaliteits- en veiligheidsnormen zoals gesteld in de NEN-EN-ISO 9001:2015 en VCA**. Onafhankelijkheid De Arnicon Groep en haar medewerkers zijn op geen enkele wijze gelieerd aan de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzoekslocatie. De Arnicon Groep heeft geen enkel (financieel) belang bij het weergeven van de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie over de kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid wordt verwezen naar bijlage 8. 1.4
Rapportage
In dit rapport worden achtereenvolgens de resultaten van het vooronderzoek, de onderzoeksopzet (hoofdstuk 2) en de resultaten van het bodemonderzoek (hoofdstuk 3) beschreven. Het rapport wordt afgesloten met de conclusies van het onderzoek en de (eventuele) aanbevelingen, die daaruit voortvloeien (hoofdstuk 4).
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
1
2. RESULTATEN VOORONDERZOEK 2.1
Inleiding
Het huidige onderzoek betreft een actualiserend onderzoek naar de bodemgesteldheid op deze locatie. Hier verwijzen wij naar het eerder uitgevoerde verkennend onderzoek: Verkennend bodemonderzoek aan de Nassaustraat 130, Gebroek 2-4 en Gebroek 12 te Roermond, VINK, M03-230, 19 december 2003. Naar aanleiding van dit verkennend onderzoek is in 2005 aanvullend onderzoek verricht: Aanvullend bodemonderzoek aan de Nassaustraat 130 te Roermond, VINK, M5.058.01, 26 januari 2005. Dit onderzoek is een actualisatie van deze beide onderzoeken. In bovengenoemde rapport uit 2003 is een volledig vooronderzoek conform NEN 5725 opgenomen (zie bijlage 7). In aanvulling hierop is voorafgaand aan het bodemonderzoek informatie verzameld via de volgende informatiebronnen: • • • • • • • • •
voorgaand(e) bodemonderzoek(en) (Rapportagemodule Bodem; www.roermond.nl) website van de Regionale Uitvoerings Dienst Limburg-Noord (www.rudlimburgnoord.nl) bodemkwaliteitskaart van het samenwerkingsverband Maas en Roer (www.roermond.nl) recente en oude topografische kaarten op www.topotijdreis.nl luchtfoto’s via google earth kabels- en leidingeninformatie (KLIC) informatie verstrekt door de opdrachtgever terreininspectie het Kadaster
2.2
Resultaten
Locatiebeschrijving De locatie wordt kadastraal aangeduid als gemeente Roermond , sectie F , perceelnr’s. 1971 en 1314. De locatie is gelegen aan de Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond in de wijk Roermond-Oost. De locatie heeft een oppervlakte van 850 m2 waarvan ongeveer 600 m2 is bebouwd. Momenteel is de locatie in gebruik als café met twee woonhuizen.
Foto 1: Nassaustraat 130
Foto 2: Gebroek 2-4
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
2
Kabels en leidingen Volgens de KLIC-melding met nr. 18G517612_1 liggen aan de voorzijde van woningen aan de Gebroek 2-4 enkele kabels en leidingen op de locatie. Maaiveldverhardingen Het onbebouwde deel van de locatie is gedeeltelijk verhard met tegels en klinkers. Terreininspectie Bij visuele inspectie van de locatie d.d. 12 november 2018 zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Asbest Uit het eerder uitgevoerde vooronderzoek blijkt in een aantal boringen puin is aangetroffen. Puinhoudende grond is in beginsel asbestverdacht. Actief bodembeheer De gemeente Roermond heeft een Nota bodembeheer vastgesteld met daarbij behorende bodemkwaliteitskaarten. De ontgravingskaarten voor de boven- en ondergrond geven voor de locatie de zone ‘ Landbouw/natuur’ aan. Binnen deze zone wordt verwacht dat de bodemkwaliteit voldoet aan de achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een klein aantal overschrijdingen. Bodemonderzoek Uit het eerder vermelde verkennend onderzoek (2003) is gebleken dat op deze locatie in de bovengrond lichte verhogingen zink, PAK en minerale olie zijn aangetroffen. Ook werd in het grondwater een lichte verhoging aan chroom gevonden. Naar de aanwezigheid van minerale olie is vervolgens aanvullend onderzoek verricht (2005).
Daarbij is in één boorpunt een licht verhoogd minerale oliegehalte aangetoond (40 mg/kg d.s.), dat de achtergrondwaarde maar net overschrijdt. De boorpuntentekening van het voorgaande onderzoek is opgenomen in bijlage 7. In de Rapportagemodule Bodem van de gemeente Roermond (www.roermond.nl) is gezocht naar recente informatie (vanaf 2003) over de onderzoekslocatie en omgeving (binnen een straal van 25 m; zie bijlage 7). In deze informatie wordt melding gemaakt van een indicatief onderzoek aan de Bredeweg waarbij verontreinigingen in de grond en het grondwater gevonden zijn. Telefonische navraag bij de gemeente heeft duidelijk gemaakt dat dit een verontreiniging betrof op een verder weg gelegen locatie aan de Bredeweg en dat dit niet relevant is voor het huidige onderzoek. Toekomstig gebruik Voor zover bekend wordt het gebruik van de locatie niet gewijzigd. 2.3
Hypothese
Op basis van het voorgaande bodemonderzoek wordt de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging voor dit actualiserend onderzoek beschouwd als onverdacht, waarbij rekening wordt gehouden met enkele licht verhoogde achtergrondgehalten. Bij het verkennend onderzoek zijn sporen van puin in een aantal boringen aangetroffen. Dit brengt een verdenking van verontreiniging met asbest met zich mee. Voor dit actualiserend onderzoek wordt de locatie als asbestverdacht onderzocht.
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
3
2.4
Onderzoeksstrategie
Het actualiserend onderzoek is met name gericht op de bovengrond. Daarbij wordt het onderzoek uitgevoerd aan de hand van de onderzoeksstrategie voor onverdachte nietlijnvormige locaties (ONV-NL), zoals omschreven in de NEN 5740:2009 en NEN 5740/A1:2016 “Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”. Met deze opzet worden voldoende boringen en analyses uitgevoerd om de algemene bodemkwaliteit vast te stellen. De te verwachten verontreinigingen maken deel uit van het standaard analysepakket. In aanvulling hierop zijn een aantal boringen uitgegraven tot inspectiegaten ten behoeve van asbestonderzoek conform NEN 5707+C1:2016 “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond”.
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
4
3. RESULTATEN BODEMONDERZOEK 3.1
Veldwerk
Het veldwerk is op 12 november 2018 uitgevoerd door B. Brouwer (erkend veldwerker SIKB 2000 – 2001/2018) van Bodemflex. Daarbij zijn verspreid over de locatie 8 handboringen verricht (de boringen nrs. 101 t/m 108). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor. Vervolgens zijn 6 van de 8 boringen uitgegraven tot inspectiegaten ten behoeve van asbestonderzoek. Voor het grondwateronderzoek is gebruik gemaakt van een bestaande peilbuis (peilbuis 200). De situering van de boringen/inspectiegaten is weergegeven op bijlage 2. Tijdens het veldwerk is gebleken dat het bodemprofiel tot de geboorde diepte van 0,0 – 0,5 m-mv volledig bestaat uit uiterst fijn zand. De ondergrond bestaat tot de geboorde einddiepte ook uit uiterst fijn zand. De grondwaterstand is tijdens de uitvoering van de boringen waargenomen op een diepte van 4,77 m-mv. Voor een meer nauwkeurige weergave van het bodemprofiel wordt verwezen naar bijlage 3. Zintuiglijke waarnemingen grond Tijdens de uitvoering van het veldwerk bleek de laag van 0,0 – 0,5 m-mv van boring 101 uiterst puinhoudend te zijn. Deze laag wordt als verhardingslaag beschouwd. In dezelfde laag werd bij boringen 102 en 104 sporen van puin aangetroffen. Bij boringen 106, 107 en 108 is expliciet gekeken naar een olie-water reactie, maar deze is niet waargenomen.
Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde en opgegraven bodemmateriaal. Grondwater De bemonstering van het grondwater is uitgevoerd op 12 november 2018 door B. Brouwer (erkend veldwerker SIKB 2000 – 2002 - 2018). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de peilbuisgegevens en zintuiglijke waarnemingen en metingen aan het grondwater. TABEL 1: METINGEN GRONDWATER Peilbuis PB200
Filterdiepte (m-mv) 5,00 - 6,00
Grondwaterstand (m-mv) 4,77
Zuurgraad (pH) 7,1
Geleidbaarheid (µS/cm) 0,7
Troebelheid (NTU) 5,8
Afwijkingen van de protocollen Het veldwerk is uitgevoerd onder procescertificaat van de BRL SIKB 2000. Er zijn geen afwijkingen. 3.2
Chemisch-analytisch onderzoek
Meng- en analyseprogramma Het meng- en analyseprogramma voor de onderzochte grond- en grondwatermonsters is weergegeven in tabel 2. In deze tabel corresponderen de monsternummers met de boringnummers en zijn de dieptetrajecten aangegeven, waaruit de monsters afkomstig zijn. Tevens is in deze tabel de samenstelling van de monsters vermeld.
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
5
TABEL 2: (MENG-) EN ANALYSEPROGRAMMA GROND EN GRONDWATER (Meng-) Boring / peilbuis nummers met (filter-) monster- diepte in m-mv code MM1 102 (0,00 - 0,50) 104 (0,00 - 0,50) 101-2 101 (0,50 - 1,00)
Bodemmateriaal
Analyses grond
Analyses grondwater
Uiterst fijn zand, matig siltig, STAP-1 sporen puin Uiterst fijn zand, matig siltig STAP-1
MM2
106 (0,00 - 0,50) Uiterst fijn zand, matig siltig 107 (0,05 - 0,50) 108 (0,05 - 0,50) AMM01 AMM1 (101+102+103+104) (0,00 – 0,50) Uiterst fijn zand, matig siltig, AMM2 (105+106) (0,00 - 0,50) sporen puin PB200 5,00 - 6, 00 Grondwater
Min.olie GC (C10-C40), Organisch stofgehalte (grond) 550 °C Asbest STAP-W
STAP-1=
standaardpakket grond inclusief organische stof en lutum: 9 zware metalen, PAK (10 VROM), PCB (som 7) en minerale olie (C10-C40) STAP-W= standaardpakket grondwater: 9 zware metalen, vluchtige aromaten (BTEXN+styreen), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl; 16 st. inclusief vinylchloride), chloorbenzenen, bromoform en minerale olie
Het chemisch-analytisch onderzoek is uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam en de analysecertificaten zijn bijgevoegd als bijlage 4 (grond) en 5 (grondwater). SYNLAB is geaccrediteerd volgens de door de Raad van Accreditatie gestelde criteria voor testlaboratoria conform ISO/IEC 17025:2005 en erkend door Rijkswaterstaat Leefomgeving/ Bodem+ (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) voor 'Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek' (AS3000). Toetsingskader De analyseresultaten zijn conform BoToVa voor de interventiewaarde getoetst aan de toetsingswaarden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675) en voor de achtergrondwaarde aan het Besluit bodemkwaliteit (Staatscourant 20 december 2007, nr. 247). In bijlage 6 zijn de toetsingswaarden weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof, 25% lutum).
Om de mate van verontreiniging aan te geven, wordt de volgende terminologie gehanteerd: • niet verhoogd: gehalte lager dan of gelijk aan de Achtergrondwaarde (AW) of de Streefwaarde (S) • licht verhoogd: gehalte hoger dan de Achtergrondwaarde of de Streefwaarde, maar lager dan de tussenwaarde (½{AW+I} of ½{S+I}) • matig verhoogd: gehalte hoger dan of gelijk aan de tussenwaarde, maar lager dan de Interventiewaarde (I) • sterk verhoogd: gehalte hoger dan of gelijk aan de Interventiewaarde Saneren Bodemverontreiniging veroorzaakt na 1987 dient volgens het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk ongedaan te worden gemaakt. De mate van verontreiniging is in deze gevallen niet zo zeer van belang. Het tijdstip van veroorzaken is bepalend voor de verplichting tot saneren.
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
6
Bodemverontreiniging die geheel of grotendeels is veroorzaakt voor 1987 wordt in het kader van de Wet bodembescherming beschouwd als “historisch”. Voor een historisch geval wordt de saneringsnoodzaak beoordeeld aan de hand van het volumecriterium. Wanneer in een bodemvolume van meer dan 25 m3 of 100 m3 grondwater de interventiewaarde wordt overschreden voor één of meer stoffen is volgens de Wet bodembescherming sprake van een geval van ernstige verontreiniging. Indien er sprake is van onaanvaardbare risico’s dient de verontreiniging met spoed te worden gesaneerd. Ernstige verontreinigingen die niet met spoed hoeven te worden gesaneerd, dienen op enig moment te worden gesaneerd, meestal in het kader van herinrichting. Asbest Sinds 1 januari 2003 is de interventiewaarde voor asbest van kracht. Het is een gewogen norm van 100 mg/kg (de serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). Er bestaat geen achtergrondwaarde voor asbest in grond. De restconcentratie- of hergebruiknorm is per 1 maart 2003 eveneens vastgesteld op 100 mg/kg d.s. (gewogen concentratie). Voor 1 januari 2003 werd bij beoordelen van de verontreinigingsgraad onderscheid gemaakt tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest. Hier is vanaf gestapt omdat hechtgebonden asbest door bewerking, verwering e.d. kan worden omgezet in niethechtgebonden asbest.
Voor het beoordelen van actuele gezondheidsrisico's blijft het onderscheid wél van belang. 3.3
Analyseresultaten
Aan de hand van de analyseresultaten (zie bijlagen 4 en 5 voor de certificaten) en de voor grond omgerekende gehalten zijn overschrijdingstabellen samengesteld. In deze tabellen zijn per monster de overschrijdingen van de achtergrondwaarde (AW), de streefwaarde (S), de interventiewaarde (I) of de toetsingswaarde voor nader onderzoek aangegeven. Voor de toetsingstabellen conform BoToVa wordt verwezen naar bijlage 6. TABEL 3: OVERSCHRIJDINGSTABEL GROND Analysemonster
Traject (m -mv)
> AW (+index)
> T (+index)
> I (+index)
MM1
0,00 - 0,50
-
-
-
101-2
0,50 - 1,00
Kobalt (-)
-
-
MM2
0,00 - 0,50
Minerale olie (totaal) (-)
-
-
AMM01
0,00 - 0,50
-
-
-
> AW >T >I index
: > Achtergrondwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW); GSSD = gestandaardiseerde meetwaarde (voor 10% o.s. en 25% lutum)
TABEL 4: OVERSCHRIJDINGSTABEL GRONDWATER Grondwatermonster
Filterdiepte (m -mv)
> S (+index)
> T (+index)
> I (+index)
PB200-1-1
5,00 - 6,00
-
-
-
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
7
>S >T >I index
: > Streefwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (MW - S) / (I - S); MW = meetwaarde
Interpretatie Uit tabel 3 blijkt dat in de ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) in boring 101 een geringe overschrijding van de achtergrondwaarde voor kobalt is aangetoond. In de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) wordt in het mengmonster van boringen 106, 107 en 108 een marginale overschrijding van de achtergrondwaarde voor minerale olie gevonden. Dit laatste komt overeen met de resultaten van het verkennend en aanvullend onderzoek uit 2003 en 2005. Bij toetsing volgens de BBK regels voldoet de grond in monster 101-2 en mengmonster MM1 aan de achtergrondwaarden. Uit tabel 4 blijkt dat in het grondwater geen verontreinigingen zijn aangetroffen. Uit het analysecertificaat in bijlage 4 blijkt dat het mengmonster van de puinhoudende bodemlaag (0,0 – 0,5 m-mv) geen asbest bevat.
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
8
4. SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 4.1
Samenvatting
Aanleiding De aanleiding tot het onderzoek is de aankoop van deze locatie. Vooronderzoek en hypothese Uit eerder verricht verkennend onderzoek (2003) is gebleken dat op deze locatie in de bovengrond licht verhoogde gehalten zink, PAK en minerale olie zijn aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan chroom gemeten. Naar de aanwezigheid van minerale olie is vervolgens aanvullend onderzoek verricht (2005). Daarbij is geen verontreiniging met minerale olie aangetoond. Op basis van de resultaten van het voorgaande bodemonderzoek wordt de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging beschouwd als onverdacht, waarbij rekening wordt gehouden met enkele licht verhoogde achtergrondgehalten. Bij het verkennend onderzoek zijn destijds sporen van puin in een aantal boringen aangetroffen. Dit brengt een verdenking van verontreiniging met asbest met zich mee. Voor dit actualiserend onderzoek is de locatie als asbestverdacht conform NEN 5707 onderzocht. Verkennend bodemonderzoek Tijdens de uitvoering van het veldwerk bleek de laag van 0,0 – 0,5 m-mv van boring 101 uiterst puinhoudend te zijn. Deze laag wordt als verhardingslaag beschouwd. In dezelfde laag werd bij boringen 102 en 104 sporen van puin aangetroffen. Afgezien van de genoemde puinbijmengingen zijn tijdens het veldwerk geen afwijkingen waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal.
Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde en -gegraven bodemmateriaal. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de bovengrond op de locatie niet tot licht verontreinigd is met zware metalen en minerale olie. De mate van verontreiniging met minerale olie (plaatselijk en net boven de achtergrondwaarde) stemt overeen met de resultaten van het voorgaande onderzoek. In de puinhoudende bovengrond is geen asbest aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Betrouwbaarheid De onderzoeksresultaten worden representatief geacht voor de bodemkwaliteit van de locatie. Voor de betrouwbaarheid van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8. 4.2
Conclusies
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd waarbij, zoals verwacht, enkele licht verhoogde achtergrondgehalten zijn gevonden. Op basis van de onderzoeksresultaten is de locatie niet verontreinigd met asbest. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek.
Rapport C18-397-O / 23-11-18 / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
9
BIJLAGE 1 Regionale overzichtskaart
Bijlage bij rapport C18-397-O / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
onderzoekslocatie Nassauweg 130, Gebroek 2-4 te Roermond C18-397-O Bijlage: 1
Kaartbron: PDOK / NGR
BIJLAGE 2 Detailtekening
Bijlage bij rapport C18-397-O / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
BIJLAGE 3 Boorstaten
Bijlage bij rapport C18-397-O / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
Pagina1 / 1
Boring: 101
Boring: 102
12-11-2018 0
0
braak Zand, uiterst fijn, matig siltig, zwak humeus, uiterst puinhoudend, grijsbruin
1 50
50
12-11-2018 0
0
Zand, uiterst fijn, matig siltig, sporen puin, licht geelbruin
1 50
50 Zand, uiterst fijn, matig siltig, licht geelbruin
2 100
100
Boring: 103
Boring: 104
12-11-2018 0
0
braak
50
50
12-11-2018 0
Zand, uiterst fijn, matig siltig, licht geelbruin
1
0
50
50
Zand, uiterst fijn, matig siltig, licht geelbruin
100
100
Zand, uiterst fijn, matig siltig, licht geelbruin
3 150
150
Zand, uiterst fijn, matig siltig, beigegeel
4 200
200
Boring: 105
Boring: 106
12-11-2018 0
0
braak
50
50
12-11-2018 0
Zand, uiterst fijn, matig siltig, zwak humeus, grijsbruin
1
0
50
50
Zand, uiterst fijn, matig siltig, grijsbruin
100
100
Zand, uiterst fijn, matig siltig, licht geelbruin
3 150
150
Zand, uiterst fijn, matig siltig, beigegeel
4 200
200
Boring: 107
klinker Zand, uiterst fijn, matig siltig, zwak humeus, zwak grindig, geen olie-water reactie, neutraalbruin
1
2
Boring: 108 1
0 5
klinker
12-11-2018 0
Zand, uiterst fijn, matig siltig, geelbeige
2
50
braak Zand, uiterst fijn, matig siltig, sporen puin, licht geelbruin
1
2
12-11-2018 0
braak
1
0 5
klinker Zand, uiterst fijn, matig siltig, geelbeige
2 50
Zand, uiterst fijn, matig siltig, geen olie-water reactie, licht geelbruin
50
Projectnaam: Nassausstraat 130 en Gebroek 2-4 Roermond
50
Zand, uiterst fijn, matig siltig, geen olie-water reactie, licht geelbruin
Projectcode: C18-397-O
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen
ongeroerd monster
zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
overig bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
peilbuis blinde buis
casing
hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand
bentoniet afdichting
filter
BIJLAGE 4 Analysecertificaten grond
Bijlage bij rapport C18-397-O / Nassaustraat 130 en Gebroek 2-4 te Roermond
SYNLAB Analytics & Services B.V. Correspondentieadres Steenhouwerstraat 15 · 3194 AG Rotterdam Tel.: +31 (0)10 231 47 00 · Fax: +31 (0)10 416 30 34 www.synlab.nl
Analyserapport
ARNICON BV. Esther Schoen Postbus 333 2910 AH NIEUWERKERK A/D IJSSEL
Uw projectnaam Uw projectnummer SYNLAB rapportnummer Rapport-verificatienummer
Blad 1 van 7
: Nassausstraat 130 en Gebroek 2-4 Roermond : C18-397-O : 12913166, versienummer: 1 : B9YXQEFG
Rotterdam, 19-11-2018
Geachte heer/mevrouw, Hierbij ontvangt u de analyse resultaten van het laboratoriumonderzoek ten behoeve van uw project C18-397O. Het onderzoek werd uitgevoerd conform uw opdracht. De gerapporteerde resultaten hebben uitsluitend betrekking op de geteste monsters. De door u aangegeven omschrijvingen voor de monsters en het project zijn overgenomen in dit analyserapport. Het onderzoek is uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V., gevestigd aan de Steenhouwerstraat 15 in Rotterdam (NL). Indien het onderzoek is uitgevoerd door derden of het SYNLAB laboratorium in Frankrijk (99-101 Avenue Louis Roche, Gennevilliers) is dit in het rapport aangegeven. Dit analyserapport bestaat inclusief bijlagen uit 7 pagina's. In geval van een versienummer van '2' of hoger vervallen de voorgaande versies. Alle bijlagen maken onlosmakelijk onderdeel uit van het rapport. Alleen vermenigvuldiging van het hele rapport is toegestaan. Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben naar aanleiding van dit rapport, bijvoorbeeld als u nadere informatie nodig heeft over de meetonzekerheid van de analyseresultaten in dit rapport, dan verzoeken wij u vriendelijk contact op te nemen met de afdeling Customer Support. Per 30 maart 2018 is ALcontrol B.V. overgegaan naar de nieuwe naam SYNLAB Analytics & Services B.V.