Bijlage 2 - nota van antwoorden
Tekst van het document
binnendijks te brengen.
Vanwege de buitendijkse situering van indiener, treedt schade op bij hoogwater vanwege gedwongen stilstand en moet indiener extra investeringen doen om maatregelen te treffen om de cruciale onderdelen van het bedrijf te vrijwaren van schade door overstromingen. De schade voor indiener ten gevolge van gedwongen stilstand (extra kosten en verlies contributie) zijn begroot op € 500.000 per etmaal. De kosten om cruciale onderdelen te beschermen zijn
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Het VKA is op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het is voor de alternatievenafweging niet relevant dat het waterschap kosten in beschouwing zou moeten nemen van eventueel te treffen maatregelen of investeringen van buitendijks gelegen bedrijven waarvoor deze bedrijven privaatrechtelijk zelf verantwoordelijk zijn.
Bij de besluitvorming over het voorkeurs alternatief is een VKA-raming opgesteld. Tijdens de planvormingsfase is het ontwerp vervolgens verder in detail uitgewerkt en is meer concreet inzicht ontstaan in de voorgenomen werkwijze en mogelijkheden voor realisatie. Naar aanleiding hiervan heeft een actualisatie plaats gevonden. De projectraming wordt altijd geactualiseerd tussen verkenning en planstudie. Dat kan bijvoorbeeld zijn vanwege ingediende zienswijzen, aanvullende inzichten t.a.v. het ontwerp of de ontwikkeling in prijzen voor grondstoffen. Door de actualisatie blijft er een juist inzicht bestaan in de benodigde projectkosten voor realisatie.
Wanneer indiener van mening is dat de dijkversterking leidt tot het maken van extra kosten dan kan indiener een onderbouwd verzoek om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 Waterwet indienen, nadat het projectplan is goedgekeurd en onherroepelijk is. Een ingediend verzoek om vergoeding van Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
29
30
begroot op € 800.000.
planschade wordt in verband met de voorrangsregeling, zie artikel 7.16 Waterwet, ook afgehandeld als een verzoek om nadeelcompensatie. Een onafhankelijke commissie nadeelcompensatie zal vervolgens beoordelen of de waardevermindering voor schadevergoeding in aanmerking komt. De criteria waaraan een verzoek om nadeelcompensatie wordt getoetst, zijn verder uitgewerkt in het projectplan Waterwet onder paragraaf 6.3 Financieel nadeel.
Daarenboven wordt door de keuze van het VKA het ontwikkelpotentieel van het terrein van indiener behoorlijk gehypothekeerd. Gelet op de ontwikkelingen op de energiemarkt moet indiener in de toekomst haar productiefaciliteiten uitbreiden. In Roermond kan dit alleen op het zuidelijke terrein van indiener. Het realiseren van het integraal plan waarbij dat indiener binnendijks wordt gesitueerd, zou een ontzettende boost geven aan de verdere ontwikkeling van indiener in Roermond en aan de verduurzaming van het transport in het Roermondse in zijn algemeen.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Als alternatief op het huidig gekozen VKA-ontwerp geeft indiener de voorkeur om de waterkering rondom haar bedrijventerrein aan te leggen zodat haar terrein binnendijks komt te liggen. De variant van indiener bestaat uit een damwandconstructie omheen haar bedrijventerrein met in onderstaande figuur de (indicatieve) locatie van deze damwandconstructie. Dit is tevens de variant welke door de stichting BIZ naar voor wordt geschoven (verder genoemd: integraal plan) en waarvoor een CEFsubsidie voor het uitwerken van het integraal plan is aangevraagd op 19 januari 2022.
Het waterschap heeft ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp projectplan VKA nog geen zekerheid verkregen over de benodigde cofinanciering, inzage gekregen in een door de bedrijven volledig correct opgestelde begroting of overeenstemming bereikt over de (technische) uitgangspunten voor een alternatief tracé, waarbij rekening wordt gehouden met alle eisen zoals deze worden gesteld aan het bouwen van een primaire waterkering.
Wanneer indiener van mening is dat de dijkversterking leidt tot het maken van extra kosten dan kan indiener een onderbouwd verzoek om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 Waterwet indienen, nadat het projectplan is goedgekeurd en onherroepelijk is. Een ingediend verzoek om vergoeding van planschade wordt in verband met de voorrangsregeling, zie artikel 7.16 Waterwet, ook afgehandeld als een verzoek om nadeelcompensatie. Een onafhankelijke commissie nadeelcompensatie zal vervolgens beoordelen of de waardevermindering voor schadevergoeding in aanmerking komt. De criteria waaraan een verzoek om nadeelcompensatie wordt getoetst, zijn verder uitgewerkt in het projectplan Waterwet onder paragraaf 6.3 Financieel nadeel.
Het is daarom niet mogelijk gebleken reeds nu een correcte vergelijking te maken tussen de voor- en nadelen van het VKA en de door bedrijven aangedragen variant (integraal plan). Het waterschap heeft er daarom voor gekozen, bezien vanuit haar wettelijke taak en de urgentie van de beschermingsopgave, het VKA in
42/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
procedure te brengen. In het Ontwerp projectplan hebben wij toegelicht dat als er tijdig alsnog duidelijkheid bestaat over de haalbaarheid en zekerheid van de realisatie van extra maatregelen, het Dagelijks Bestuur zal worden verzocht om alsnog medewerking te verlenen aan het alternatief. Dit integraal plan heeft daarenboven de volgende voordelen: •
•
•
•
43/169
De Mijnheerkensweg, de enige ontsluitingsweg voor het bedrijventerrein Willem-Alexanderhaven bevindt zich binnendijks waardoor de 24/7 bereikbaarheid voor indiener en al de bedrijven op het bedrijventerrein en voor hulpdiensten (politie/ambulance/ brandweer) is gegarandeerd; ook bij hoogwater. Voor het huidig ontwerp zoals opgenomen in het ontwerp-plan van het Waterschap Limburg (VKA), dienen diverse bomen (15 stuks) gekapt te worden. Het kappen van deze bomen is niet nodig indien het alle bedrijven binnendijks komen te liggen (zie onderstaande figuur).
De investering voor het realiseren van de waterkering cf. het ontwerpplan van de Waterschap is bij verwerving van de aangevraagde subsidiegelden gelijkwaardig aan het realiseren van het integraal plan. Kortheidshalve wordt verwezen naar de zienswijze van de BIZ. De nieuwe waterkering omheen het bedrijventerrein Willem-Alexander kan gerealiseerd worden terwijl de oude waterkering intact blijft en er dus geen risico’s ontstaan van overstroming tijdens de realisatiefase. Daarenboven worden de aanlegwerkzaamheden niet Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
•
•
•
•
•
44/169
belemmerd door de beperkingen in het stormseizoen, dat loopt van 1 oktober tot en met 15 april (zie www.rijkswaterstaat.nl). In het alternatief integraal plan dienen geen coupures gerealiseerd te worden en dus ook niet beheerd te worden. Op dit punt komt het alternatief integraal plan tegemoet aan het beleidsuitgangspunten van het Waterschap Limburg zoals dat is vastgelegd in Beheersplan Waterkeringen 2017-2022: “Het waterschap streeft naar een beheergebied waarin zo min mogelijk coupures voorkomen. Op basis van ons streefbeeld gaat het waterschap in haar verbeteringsprogramma de huidige lengte aan demontabele waterkeringen en coupures daar waar mogelijk reduceren en vervangen”. Door de industriegronden binnendijks te brengen, wordt voorkomen dat de waarde van de industriegronden aanzienlijk daalt. Door het integraal plan ondervindt de omgeving geen last van de werkzaamheden daar alle werkzaamheden vanaf het water uitgevoerd kunnen worden (geen tijdelijke wegomleidingen/afzettingen, aanvoer materieel/materieel over de weg, …). Hierdoor kan de continuïteit van de bedrijven gewaarborgd blijven tijdens de realisatiefase. Er dient geen/minimale afstemming te gebeuren met de diverse nutsbedrijven voor het omleggen van kabels & leidingen of aanpassingen aan de transformatoren.
De uitvoeringsnelheid van de hoogwaterkering volgens het alternatief integraal plan ligt hoger dan deze van de VKA-variant, waardoor er voor het integraal plan een korte doorlooptijd nodig is voor de realisatie van de nieuwe waterkering. Voor het uitvoeren van de VKA-variant mogen immers geen grote stukken van de huidige waterkering gesloopt worden in verband met mogelijk hoogwater in de zomer (zie zomer 2021), Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
waardoor heel gefaseerd de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Voor hoogwaterkering langs de waterzijde kan de uitvoering in 1 fase uitgevoerd worden zonder risico van het tijdens realisatie doorbreken van de huidige (nog in functie zijnde) waterkering. Volgens de BIZ bedraagt de uitvoeringsperiode van de volledige VKA variant 2 kalenderjaren vanwege het geldende stormseizoen (2x 15-maart t/m 15 oktober), terwijl de uitvoeringsperiode voor het integraal plan uitgevoerd kan worden in 1 kalenderjaar. 31
Na realisatie van het grondlichaam om de Mijnheerkensweg op te hogen tot NAP + 22.30 m ontstaat een hoogteverschil met het zuidelijke terrein van indiener dat via een talud en aanheling wordt opgevangen. Ook ter plaatse van twee van de drie in- en uitritten ontstaan hoogteverschillen waardoor deze in- en uitritten niet meer gebruikt kunnen worden door diepladers en het in- en uitrijden voor alle vrachtwagens belemmerd wordt. De aanheling beperkt daarenboven het gebruik van het terrein, waar vooral grote, lange en zware staalconstructies opgeslagen worden. Dit is niet aanvaardbaar voor indiener.
Om in het nieuwe ontwerp te bepalen of een dieplader via de inritten van het zuidelijke opslagterrein kunnen manoeuvreren en de nieuwe hoogteverschillen kunnen overbruggen, zijn er 3D rijsimulaties opgesteld. Voor deze simulaties zijn er vier trajecten uitgetekend: twee simulaties voor het inrijden vanuit beide kanten van de weg en twee simulaties voor het uitrijden naar beide kanten van de weg. In deze rijsimulaties is visueel de beweging van de dieplader te zien waardoor te bepalen is of deze de inrit probleemloos kan gebruiken. Uit de rijsimulaties wordt er ook een grafiek gegenereerd die de ruimte tussen het voertuig en de verharding tijdens het gehele traject laat zien. De ontworpen hoogteverschillen leveren geen problemen op voor de dieplader.
Voor wat betreft de aanheling van hoogteverschillen zal worden aangesloten op de aanwezige hoogtes van het opslagterrein. Dit betekent dat de wegbermen langs de toegangsweg landtong worden opgehoogd en onder afschot aangesloten tegen de aanwezige blokkenwand. De inritten worden onder een helling aangesloten op de nieuwe weghoogte. Dit 45/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
betekent dat in de nieuwe situatie de helling van de inritten minder steil wordt dan in de huidige situatie wat het gebruiksgemak ten goede komt. De wegbermen ter hoogte van het kruispunt en ten westen van de doorgaande Mijnheerkensweg worden opgehoogd en onder afschot aangesloten op het aanwezige grondtalud van het opslagterrein. De inritten ten westen van de doorgaande Mijnheerkensweg betreffen een voetgangerspoort en een inrit van circa 5 meter breedte welke beide sinds de ophoging van het opslagterrein van SIF buiten gebruik zijn geraakt. Na het ophogen van de Mijnheerkensweg als onderdeel van de dijkversterking zal het hoogteverschil tussen het opslagterrein en de Mijnheerkensweg afnemen en in die zin de situatie verbeteren. Het waterschap is graag bereid met u in overleg te treden over de precieze inpassing van de inritten en toegangspoorten. Op basis van bovenstaande beschouwing is het waterschap van mening dat de aanheling van gronden op het terrein van Besix ter overbrugging van hoogteverschillen niet zal leiden tot beperkingen ten aanzien van het gebruik van het opslagterrein ten opzichte van de huidige situatie. 32
De Mijnheerkensweg kent na realisatie van het projectplan vele hoogteverschillen: ter plaatse van de ongelijkvloerse kruising met de Schipperwal is de Mijnheerkensweg verdiept gelegen en 350 m verder, ter plaatse van het zuidelijk terrein van indiener, wordt de Mijnheerkensweg verhoogd gelegd vanwege de waterkering. Ter plaatse van de verhoging is dan ook nog eens een gelijkvloers kruising gesitueerd en bevinden zich op minder dan 100 m drie in- en uitritten tot bedrijfsterreinen. Dit leidt tot verkeersonveilig situatie voor alle verkeer op de Mijnheerkensweg en in het bijzonder voor het verkeer van dat van en naar het zuidelijke terrein van indiener rijdt. Dit is niet aanvaardbaar voor indiener.
Zie voor de beantwoording de toelichting bij punt 15.
33
Tijdens de realisatie van de verhoging van de Mijnheerkensweg wordt het doorgaande gedeelte van de Mijnheerkensweg tijdelijk verlegd naar de
Het wegvak Mijnheerkensweg in Roermond is gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een bijbehorend snelheidsregime van 50 km/u. De functie van de
46/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
N280 en wordt over het zuidelijke terrein van indiener een tijdelijke by-pass aangelegd om de terreinen van Kalle & Bakke en van Jos Menten te ontsluiten. Indiener is van mening dat het ontwerp van deze tijdelijke wegen alleen al voor het reguliere verkeer tot congestie gaat leiden. Extra bouwverkeer en plaatsvindende bouwwerkzaamheden zullen de te verwachten congestie nog verergeren. Dit is niet aanvaardbaar voor indiener. Indiener verzoekt voor een alternatieve ontsluiting van haar terreinen.
weg is onder andere het faciliteren van de bereikbaarheid en ontsluiting van de naast gelegen percelen, die deel uitmaken van bedrijventerrein Willem Alexanderhaven. Zowel in de definitieve als tijdelijke situatie voldoet de weg aan de inrichtingskenmerken die worden gesteld vanuit de Duurzaam Veilige inrichting conform de normen van CROW. Daarmee wordt een veilige verkeersafhandeling en vlotte doorstroming gefaciliteerd en ligt een toename van verstoring van doorstroming of congestie niet voor de hand. Hieronder volgt een nadere toelichting op een aantal relevante aspecten: •
•
•
•
• 47/169
Zowel in de huidige, tijdelijke als nieuwe situatie zijn erfaansluitingen en een kruispunt aanwezig, Deze beïnvloeden de capaciteit doordat dit verstoring geeft in de doorstroming. Toch levert dit, gezien de beperkte intensiteit (van zowel doorgaand als afslaand verkeer), geen problemen op in de doorstroming. Het incidenteel moeten wachten op een afslaande vrachtwagen hoort daarbij, ook op een bedrijventerrein. Dit zal soms plaatsvinden maar niet leiden tot congestie. De rijstrookbreedten die zijn toegepast in de bypass hebben in breedte exact dezelfde afmeting als in de huidige situatie (rijstrookbreedte van 3,50 meter). Hiermee vindt geen beperking plaats voor de veiligheid / doorstroming. De bermen bij de bypass zullen tijdelijk komen te vervallen. Hiervoor is geen ruimte meer beschikbaar om een obstakelvrije berm toe te passen. Bij de huidige vormgeving zal dit betekenen dat ten tijde van het gebruik van de bypass de snelheid omlaag gaat naar 30 km/uur. Gezien de intensiteiten op dit stuk en de vormgeving levert dat geen problemen op in relatie tot de doorstroming. Het ontwerp van de bypass is voor wat betreft boogstralen, hellingen, rijzicht en stopzicht gebaseerd op een ontwerpsnelheid van 50 km/u.
Door het verlagen van de snelheid bij werk in uitvoering naar 30 km/u is sprake van een comfortabele en veilige verkeerssituatie welke ruimschoots voldoet aan de vigerende normen. Bij het ontwerp van de bypass is Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
gekozen voor een asfaltverharding, juist om het comfort en, daarmee in verband houdend, ook de doorstroming maximaal te faciliteren. 34
In het ontwerp-projectplan zijn in de realisatiefase geen in- en uitritten voorzien om het zuidelijk terrein van indiener te ontsluiten. Dit is niet aanvaardbaar voor indiener
In Bijlage VI: ontwerptekening van het Ontwerp Projectplan Waterwet is opgenomen dat beide inritten gelegen aan de doodlopende Mijnheerkensweg richting de landtong teruggebracht worden onder vermelding van “Functioneel terug brengen huidige inrit”. De helling opgesloten door legioblokken staat echter niet duidelijk op de tekening waardoor het lijkt dat de inrit niet aansluit op de nieuwe situatie dit is echter wel het geval. De tekening zal op dit punt aangepast worden. Onderstaande afbeelding van de huidige situatie is het referentiebeeld van wat zal worden teruggebracht maar dan aangesloten op de nieuwe weghoogte.
Tijdens de realisatiefase is het onvermijdelijk dat de Mijnheerkensweg op de landtong voor langere tijd buiten gebruik wordt gesteld. De werkzaamheden zijn van dien aard dat uitvoering met behoud van de verkeersfunctie van dit deel van de Mijnheerkensweg niet mogelijk is. Dit is ook de reden dat middels een bypass over het opslagterrein van SIF de bereikbaarheid op een alternatieve wijze wordt geborgd. De bereikbaarheid van het opslagterrein van SIF zal daarmee tijdens de realisatiefase eveneens verlopen via de tijdelijke bypass. Tijdens een KES-gesprek met SIF d.d. 27-42021 hebben wij deze situatie met elkaar besproken. SIF heeft daarbij een voorkeur uitgesproken voor de ligging van de tijdelijke bypass afgestemd op het gebruik van het opslagterrein. Deze voorkeur is opgenomen in 48/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
het referentieontwerp. Het waterschap is van mening dat de bereikbaarheid van het opslagterrein van SIF tijdens de realisatiefase via de tijdelijke bypass is geborgd. Het waterschap is graag bereid met u in overleg te treden om de precieze raakvlakken tussen de bypass en het gebruik van het opslagterrein door SIF nader met elkaar te bespreken. Consequenties voor het Projectplan Waterwet De zienswijze leidt niet tot het aanpassen van het Projectplan Waterwet
49/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
Indiener OPPW 005 Zienswijze 1 Indiener is van oordeel van de voorgenomen besluitvorming de bedrijfsactiviteiten in de Roermondse haven onvoldoende tegen hoogwater en/of overstromingen beschermt.
Beantwoording De uitgebreide toelichting van hoofdstuk 2 dient tevens als integraal onderdeel bij de beantwoording van deze zienswijze te worden beschouwd. Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen. Het thans voorliggend ontwerp (VKA-tracé) voorziet, na een zorgvuldige afweging, in de versterking van het huidige dijktraject, met een korte aansluiting via de Mijnheerkensweg op de hoge grond.
2
Er is onvoldoende rekening gehouden met de bedrijfsactiviteiten en het feit dat indiener bestaande (vergunde) rechten heeft.
Uit een quickscan van de ten behoeve van de inrichting verleende vergunningen blijkt dat van eventueel bestaande rechten onverminderd gebruik gemaakt kan worden, ook na realisatie van het projectplan. De nieuwe situatie levert dus ten opzichte van de huidige situatie geen wijzigingen/beperkingen op ten aanzien van de bedrijfsvoering van de betreffende inrichting.
3
Ook is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen voor het milieu en indiener wanneer de gronden en installaties van indiener overstromen.
In de huidige situatie is reeds sprake van een buitendijks gelegen terrein. Uitvoering van het projectplan verandert niets aan deze situatie. De ophoging en aansluiting van de bestaande primaire kering zal er niet toe leiden dat de terreinen van de buitendijks gelegen bedrijven eerder dan nu onder water zullen komen te staan. Buitendijks gelegen gebieden en bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor benodigd te treffen maatregelen om instandhouding van voorzieningen en/of schade aan milieu als gevolg van hoogwater te voorkomen.
4
Verder is onvoldoende rekening gehouden met de consequenties van hoogwater voor de bereikbaarheid van de Roermondse haven en indiener.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen dan wel de bereikbaarheid van buitendijks gelegen bedrijven hoogwatervrij te maken. Overigens ligt het bedrijf van indiener reeds in de huidige situatie buitendijks. Uitvoering van het projectplan verandert niets aan deze situatie.
5 50/169
Indiener is van mening dat hij beter
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
beschermd moet worden tegen (de risico’s van) hoogwater. Het is niet aanvaardbaar dat het bedrijf buitendijks komt te liggen.
waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen. Overigens ligt het bedrijf van indiener reeds in de huidige situatie buitendijks. Uitvoering van het projectplan verandert niets aan deze situatie.
6
Zoals bij het waterschap bekend heeft indiener concrete plannen waarmee voornoemde bezwaren kunnen worden weggenomen en toch de doelstellingen van het waterschap kunnen worden behaald.
Het waterschap is inderdaad bekend met het voorstel van de bedrijven voor een alternatief (integraal) plan. Zolang er echter geen zekerheid is verkregen over de haalbaarheid van dit plan, zoals afspraken over aanvullende financiering, de technische uitgangspunten om het alternatief plan als primaire waterkering te versterken, de wijze van toekomstig onderhoud en beheer, de mogelijkheid van overheveling door het HWBP van beschikbare budgetten voor het VKA-tracé en afspraken over financiering van toekomstige versterkingsopgaven dient het waterschap uit te gaan van het nu uitgewerkte ontwerp projectplan (VKA-tracé). In het Ontwerp projectplan hebben wij toegelicht dat als er tijdig alsnog duidelijkheid bestaat over de haalbaarheid en zekerheid van de realisatie van extra maatregelen, het Dagelijks Bestuur zal worden verzocht om alsnog medewerking te verlenen aan het alternatief.
7
Indiener is van mening dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn die tot het opstellen van een milieueffectrapport hadden moeten leiden. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit kan volgens indiener dan ook niet de toets der kritiek doorstaan.
De m.e.r.-aanmeldnotitie is zorgvuldig tot stand gekomen waarbij alle relevante milieuaspecten aan bod zijn gekomen. Er hoeft uitsluitend te worden onderzocht wat de milieueffecten zijn van de aanleg/verbetering van de waterkering, zoals beschreven in het VKA en het uitgewerkte ontwerp-projectplan. Deze effecten zijn voor zover relevant voor de dijkverbetering WA-haven onderzocht. Op basis van de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat er geen belangrijke nadelige milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van de voorgenomen activiteit. Wel zijn enkele mitigerende maatregelen opgesteld om nadelige gevolgen te voorkomen/ te beperken. Op grond hiervan is de terechte conclusie getrokken dat er geen significante nadelige gevolgen zijn en dus geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld. Indiener geeft in zijn zienswijze niet aan welke belangrijke milieugevolgen niet voldoende zijn
51/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
onderzocht of waarom een andere conclusie had moeten worden getrokken. 8
9
10
52/169
Het waterschap heeft erop gewezen dat, gelet op het grote economische belang van het gebied (onder andere het nabijgelegen Designer Outlet Center, woningen en bedrijven), partijen ervoor hebben gekozen om het huidige wettelijke veiligheidsniveau ten minste te behouden en het lopen dijkversterkingsproces onverkort door te zetten in goed overleg met de omliggende bedrijven. Hiermee wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat indiener de voorgenomen besluitvorming steunt.
Het waterschap heeft slechts erop gewezen dat het, gezien de klimaatontwikkelingen, van belang is primaire waterkeringen aan de vigerende wettelijke veiligheidsnorm te laten voldoen. Dit betreft een wettelijke taak van het waterschap en dit proces dient onverkort te worden doorgezet, aangezien de totale opgave voor Limburg urgent en groot is.
Een groot deel van het bedrijventerrein en daarmee een groot aantal bedrijven in de Willem-Alexanderhaven zullen buitendijks gelegen blijven. In de voorgenomen besluitvorming is geen alternatief beschouwd waarin de percelen van indiener binnendijks worden gebracht. Dit is in strijd met de zorgplicht ingevolge de Waterwet, die immers ook toeziet op de bescherming van (economische) belangen die indiener behartigt, waarbij wordt gewezen op artikel 2.1 lid 1 Waterwet en artikel 21 van de Grondwet. Verder wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:818) waarin het volgende wordt overwogen: “Met de regels uit de Waterwet wordt dus onder meer beoogd bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. Deze regels strekken daarmee ook tot de bescherming van de belangen van diegenen van wie het woon- en leefklimaat mede door de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast wordt bepaald”.
De zorgplicht ingevolge de Waterwet ziet slechts toe op binnendijkse gebieden. Uw bedrijfsterrein is buitendijks gelegen, zodat de zorgplicht niet van toepassing is. Dit is verder uiteengezet in hoofdstuk 2.
De (economische) belangen en de bestaande rechten van indiener zijn ten onrechte niet (juist) bij de besluitvorming betrokken, althans nergens blijkt dat hiermee rekening is gehouden.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Het is bij het waterschap genoegzaam bekend dat diverse havenbedrijven zich niet kunnen vinden in het gekozen voorkeurstracé (VKA) en deze bedrijven de voorgenomen besluitvorming niet steunen. Alhoewel wij dit betreuren is het waterschap van mening dat een zorgvuldig besluitvormingsproces heeft plaatsgevonden.
De aangehaalde uitspraak heeft betrekking op een binnendijks gelegen situatie en heeft dan ook geen betekenis voor onderhavige kwestie.
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
Verder is het waterschap van mening dat een zorgvuldige variantenafweging, inclusief daarbij opgestelde effectnota, heeft plaats gevonden. Deze producten waren, als onderdeel van de ter inzage legging, voor een ieder te raadplegen. 11
Ook de gevolgen voor het verkrijgen van toekomstige vergunningen door indiener zijn niet, althans niet kenbaar bij de voorgenomen besluitvorming betrokken.
Gevolgen voor eventuele toekomstige ontwikkelingen wijzigen niet naar aanleiding van het planvoornemen. Er is immers nu ook al sprake van een buitendijkse ligging van de betreffende inrichting. Dit maakt dan ook geen deel uit van de besluitvorming.
12
In het ontwerp-projectplan is opgenomen dat er individuele gesprekken zijn gevoerd met betrokken bedrijven. Daarmee wordt gesuggereerd dat indiener de voorgenomen besluitvorming ondersteunt. Dat is echter niet het geval. Het voorgenomen besluit reflecteert op geen enkele wijze de inhoud van het overleg. In het overleg heeft indiener aangegeven dat hij binnendijks moet komen te liggen. De waterkering zou hiervoor derhalve om het terrein van indiener heen moeten worden getrokken. Daarnaast zijn er diverse onderwerpen in het projectplan geland zonder dat deze besproken zijn in de KES-gesprekken, en zijn ook relevante zaken besproken die niet terug te vinden zijn in het projectplan.
Het is bij het waterschap genoegzaam bekend dat diverse havenbedrijven zich niet kunnen vinden in het gekozen voorkeurstracé (VKA) en deze bedrijven de voorgenomen besluitvorming niet steunen. Alhoewel wij dit betreuren is het waterschap van mening dat een zorgvuldig besluitvormingsproces heeft plaatsgevonden. Het ontwerp projectplan beschrijft op hoofdlijnen de uit te voeren werkzaamheden om het bestaande tracé weer aan de wettelijke norm te laten voldoen. Daarbij wordt in redelijkheid rekening gehouden met de geïnventariseerde wensen bij de diverse stakeholders. De wens van indiener om binnendijks te worden gebracht is om reeds uiteengezette moverende redenen niet gehonoreerd. Het waterschap is en blijft graag in gesprek met indiener om een vervolg te geven aan de KESgesprekken. Zolang er echter geen zekerheid is verkregen over het bereiken van overeenstemming voor een alternatief tracé, is het uitgangspunt voor de KES-gesprekken een versterkingsopgave conform het nu vastgestelde ontwerp projectplan (VKA-tracé).
13
Het waterschap heeft geen enkele onderbouwing aangeleverd ten aanzien van de beslissing om een aantal bedrijven geen hoogwaterbescherming te bieden.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen. De onderbouwing van de keuze voor het te versterken tracé is uitgewerkt in de nota voorkeursalternatief DT76-2 Willem Alexanderhaven Roermond, dat als bijlage 2 in het Bijlagenboek is opgenomen. Het bijlagenboek is gelijktijdig met het OPPW ter inzage gelegd.
53/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
14
Indiener heeft een groot belang bij het verleggen van de waterkering om zijn bedrijfspercelen heen. De bedrijfsactiviteiten zullen bij overstroming immers langdurig worden verstoord.
Het Waterschap heeft ten aanzien van buitendijks gelegen bedrijven geen wettelijke taak of zorgplicht om deze te beschermen tegen wateroverlast en overstromingen als gevolg van hoogwater. Desondanks begrijpt het waterschap de wens van bedrijven voor aanvullende bescherming. In het Ontwerp projectplan hebben wij daarom toegelicht dat als er tijdig alsnog duidelijkheid bestaat over de haalbaarheid en zekerheid van de realisatie van extra maatregelen, het Dagelijks Bestuur zal worden verzocht om alsnog medewerking te verlenen aan het alternatief.
15
54/169
Het voorgenomen plan is niet uitvoerbaar. De praktische uitvoerbaarheid is feitelijk en juridisch slechter dan het geval zou zijn indien het voorstel van de bedrijven wordt gevolgd, te weten het binnendijks leggen van het terrein van de bedrijven. Gewezen wordt op de volgende gevolgen: • De verhoging van de Mijnheerkensweg zal leiden tot grote verkeershinder en slechte bereikbaarheid van de bedrijven zowel bij aanleg als in de toekomstige situatie; • Door het aanleggen van de verhoogde kruising voor de ontsluiting op de landtong (waar o.a. de containerterminal en de zandverlading gevestigd zijn), moeten er iedere dag honderden vrachtwagens een helling oprijden, waardoor het brandstofgebruik en stikstofuitstoot specifiek op dit punt flink zullen stijgen. Deze stikstofuitstoot en (uiteindelijk) depositie moet expliciet bij de besluitvorming worden betrokken. • De verkeersveiligheid van het kruispunt gaat erop achteruit. Het vele zware vrachtverkeer moet op de doorgaande Mijnheerkensweg deze verhoging oprijden, en daarna in de verdieping van de Mijnheerkensweg onder het viaduct 200 meter in zuidwestelijke richting rijden. Dit leidt tot een achtbaaneffect voor zware vrachtauto’s. Dagelijks rijden honderden zware vrachtwagens
De keuze voor het VKA is na zorgvuldige afweging tot stand gekomen. Het waterschap ziet niet in waarom realisatie van het VKA niet uitvoerbaar is. In uw zienswijze wordt dit argument overigens niet nader toegelicht. Ten aanzien van de in uw zienswijze benoemde gevolgen het volgende: Algemeen De Mijnheerksenweg kruist de waterkering waardoor deze in het ontwerp verhoogd is aangelegd. De kruising met de ontsluitingsweg naar onder andere Kalle en Bakker (later zijstraat genoemd) is ook verhoogd aangelegd. Op de kruising zelf is geen hoogteverschil om er voor te zorgen dat de bijzondere manoeuvres voor voertuigen op het kruispunt veilig kunnen worden verricht. Hoogteverschillen en hellingspercentages Het ontwerp valt binnen de richtlijnen (Handboek Wegontwerp 2013) voor het verticale profiel van de weg. Dit betekent dat de gebruikte boogstralen volstaan voor een veilige afwikkeling van het verkeer. Ook is het totale hoogteverschil vanaf het diepste punt van de tunnel onder de Schipperswal tot het hoogste punt van het kruispuntvlak beperkt ten opzichte van de afstand die gebruikt is om dit te overbruggen. Voor regionale stroomwegen met een maximum snelheid van 50 km/u geldt een maximaal hellingspercentage van 7% (bron: Handboek Wegontwerp 2013). De hellingen in het ontwerp hebben een maximaal hellingspercentage van 5.9% en vallen dus ruim binnen de richtlijnen.
Met een ontwerpsnelheid van 50 km/u is er daarom Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
tussen het kruispunt op de N280 naar het achterliggende industrieterrein. Vrachtwagens hebben veel hinder van dit achtbaaneffect. De zware vrachtwagens die uit andere richtingen komen, moeten zich op deze verhoogde kruising tussen de andere zware vrachtwagen met het achtbaaneffect voegen. Een achteruitgang van de verkeersveiligheid op dit kruispunt van zware vrachtwagen is in de ogen van indiener niet acceptabel.
geen aanleiding om te twijfelen aan het comfort van de vrachtwagens en overig gemotoriseerd verkeer die over het tracé rijden. Er is geen aanleiding voor een mogelijk achtbaaneffect. Zicht De topbogen van de hellingen hebben in het ontwerp een straal van 375 meter. Hiermee komt het zicht van oprijdend verkeer tot het kruispunt op 41 meter (stopzicht). Dit valt binnen de richtlijnen en is voldoende verkeersveilig. Doordat het kruispuntvlak zonder hoogteverschil is aangelegd, is ook hier voldoende zicht om veilig het kruispunt over te steken. In- en uitritten De in- en uitritten die grenzen aan de verhoogde Mijnheerkensweg en de zijstraat bevinden zich beide aan het begin van de helling. De hellingspercentages zijn hier beperkt waardoor verkeer makkelijk in en uit kan rijden. Daarnaast is het zicht voor zowel het uitrijdend verkeer als het verkeer op de doorgaande weg voldoende. Rond deze in- en uitritten worden daarom geen verkeersveiligheidsknelpunten verwacht. Wachtend verkeer Of wachtende vrachtwagens voor het kruispunt problemen ondervinden van de helling is onderzocht door het hellingspercentage van de opgaande hellingen voor het kruispunt over de laatste 25 meter voor het kruisingsvlak te analyseren. De eerste wachtende vrachtwagen zal nog vrijwel geen helling ervaren. Een tweede wachtende vrachtwagen staat echter wel stil op een helling.
In het huidige ontwerp zijn de hellingen voor de takken over de laatste 25 meter voor het kruisingsvlak als volgt: • Noordoost-tak Mijnheerkensweg: 3.3% • Zuidwest-tak Mijnheerkensweg: 3.2% • Noordwest-tak zijstraat: 1.8% De hellingen zijn getoetst door een verkeersveiligheidsexpert op basis van expert judgement en berekeningen van de acceleratielengte voor voertuigen met verschillende acceleratiewaarden. Hiermee is bepaald dat de hellingen in het huidige ontwerp geen verkeersveiligheidsknelpunten met zich meebrengen door wachtende en optrekkende vrachtwagens op de helling. Wel zullen op de takken met hogere hellingsgraden de vrachtwagens er langer over doen om het
55/169
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
kruispunt te bereiken dan op de zijstraat. De verwachte intensiteiten op de Mijnheerkensweg geven echter geen aanleiding dat er doorstromingsknelpunten te verwachten zijn door langzaam optrekkende vrachtwagens. Stikstofuitstoot In uw zienswijze voert u geen argumenten aan om aan te tonen dat het verhogen van de kruising leidt tot extra stikstofuitstoot. Met eenzelfde argumentatie kan worden gesteld dat verkeer op de terugweg de helling weer af rijdt, zodat een vermeend negatief effect op de heenweg weer teniet wordt gedaan. Voor het bepalen van mogelijke effecten op de depositie van stikstof wordt de Aerius-calculator gebruikt. Aangezien details zoals een verhoogde kruising niet in de Aerius-calculator ingevoerd kunnen worden, is een vermeende verhoging van de depositie van ondergeschikt belang en speelt deze geen rol bij de besluitvorming. Resume Het verkeerskundige ontwerp voldoet aan de vigerende ontwerprichtlijnen. Het wegontwerp faciliteert een comfortabel en veilig weggebruik en draagt bij aan een goede doorstroming en verkeersafwikkeling. Er worden geen verkeersveiligheidsknelpunten verwacht. 16
Het waterschap merkt in het ontwerpprojectplan op dat de realisatie van de aanvullende versterkingsmaatregelen op initiatief en voor rekening van de deelnemende bedrijven moeten komen. Daarmee miskent het waterschap dat er een intentieovereenkomst is gesloten en dat de provincie Limburg een aanvraag voor een CEF subsidie zal doen.
Uw opmerking wordt ter kennisneming aangenomen. Meerkosten van aanvullende wensen (meekoppelkansen) komen altijd voor rekening van de verzoekende partij. Dit staat ook nader toegelicht in hoofdstuk 2. Het doet niet ter zake of de verzoekende partij hierbij een beroep doet op externe geldstromen zoals een CEF- subsidie. De intentieovereenkomst heeft tot doel om met elkaar te onderzoeken of aanvullende beschermingsmaatregelen mogelijk zijn, waarbij slim gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om het VKA-tracé te koppelen met het alternatieve tracé. Dit betreft slechts een inspanning van de betrokken partijen om, zonder het geven van garanties, constructief met elkaar de mogelijkheden voor een integraal tracé nader te onderzoeken. Zie tevens de beantwoording bij punt 25.
17 56/169
Gelet op de hiervoor uiteengezette
De zorgplicht ziet slechts toe op binnendijkse Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
18
19
20
57/169
zorgplicht van het Waterschap ter voorkoming, en waar nodig beperking van overstromingen, kan het waterschap niet met de voorgestelde oplossing volstaan. Tijdens het hoogwater van zomer 2021 is gebleken dat bescherming tegen hoogwater in WillemAlexanderhaven van groot belang is. De bescherming van de bedrijven is niet alleen een belang van de bedrijven zelf, maar ook voor de nabijgelegen omgeving, omdat er op het bedrijventerrein met diverse schadelijke stoffen wordt gewerkt. Nu het waterschap zelf ook de risico’s van klimaatverandering signaleert, en er bij het ontwerpen van de kering rekening gehouden moet worden met risico’s die 100 jaar in de toekomst liggen, is het onbegrijpelijk dat het waterschap hiervoor de ogen sluit.
gebieden. Uw bedrijfsterrein is buitendijks gelegen, zodat de zorgplicht niet van toepassing is. Dit is verder uiteengezet in hoofdstuk 2.
Daarbij komt dat het beter is om de waterkering nu meteen rondom het terrein te van de buitendijks gelegen bedrijven aan te leggen dan in de toekomst. Gelet op de prognose over klimaatverandering lijkt het namelijk realistisch dat de dijk in de toekomst verder verbeterd/verhoogd zal moeten worden. Een doelmatige besteding van publieke middelen vergt dat de dijk zo snel mogelijk op de meest geschikte plaats wordt verbeterd, zodat deze later niet alsnog hoeft te worden verplaatst.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Indiener meent dat ten onrechte geen milieueffectrapport (MER) is gemaakt. Een MER biedt bij uitstek de gelegenheid om verschillende alternatieven te onderzoeken en bij de besluitvorming te betrekken. Nu er discussie is over de wijze waarop de waterkering moet worden verbeterd, heeft een MER dus alleen al daarom veel toegevoegde waarde. Een MER kan hier dus ook los van de vraag of er een juridische verplichting is om een MER te maken de kwaliteit van de besluitvorming mogelijk (los van alle andere argumenten) op het vereiste niveau brengen.
In het VKA zijn de verschillende varianten afgewogen. Daarbij heeft het waterschap, zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2, geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Ten onrechte is geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn. In het kader van
In het VKA zijn de verschillende alternatieven afgewogen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het door de bedrijven aangedragen
Alhoewel het waterschap begrijpt dat door diverse bedrijven aanvullende bescherming wordt verlangd, kan het waterschap zonder cofinanciering van deze bedrijven, binnen de haar wettelijk toegewezen taak en de van toepassing zijnde subsidieregeling van het HWBP geen aanvullende bescherming bieden.
Zie tevens de beantwoording bij punt 17.
Het door de bedrijven aangedragen alternatief hoeft daarom niet onderzocht te worden. Zoals beschreven onder punt 7, is op grond van de m.e.r.-aanmeldnotitie gebleken dat er geen MER hoeft te worden opgesteld.
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
de m.e.r.-beoordeling dient uit te worden gegaan van een ruimer begrip van gevolgen voor het milieu; het gaat namelijk ook om kwetsbaarheid voor risico’s op rampen en het belang van bescherming van materiële goederen. Indiener wijst aan de hand van de aanmeldnotitie op de volgende gevolgen die op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien aantonen dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn die tot de conclusie leiden dat een MER had moeten worden opgesteld: • Op het beoogde tracé is de bodem verontreinigd. Door werkzaamheden wordt verontreiniging verplaatst. Dat geldt ook voor waterbodem, waardoor verontreiniging in oppervlaktewater kan komen. Dit is een belangrijk nadelig gevolg dat het maken van een MER rechtvaardigt. Daarmee zouden namelijk ook alternatieven worden onderzocht, waarin die verontreiniging (en de verplaatsing daarvan) wellicht niet of minder aan de orde is. • Voor landschap en natuur staat in de aanmeldnotitie dat het plangebied buiten de Zilvergroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone en NNN valt. Volgens de aanmeldnotitie hanteert de provincie geen externe werking. Om die reden is dit onderdeel in de aanmeldnotitie niet getoetst. Dat de provincie in het kader van besluitvorming niet toetst, betekent echter niet dat de gevolgen op deze zones in het kader van een m.e.r.-beoordeling buiten beschouwing kunnen blijven.
Ook dergelijke effecten zijn van belang voor de vraag of een MER moet worden gemaakt. • Er zijn diverse grondgebonden diersoorten in het plangebied en de omgeving aangetroffen. Dat er op basis van de Wnb vrijstellingen zouden gelden voor het vernietigen van verblijfplaatsen, betekent (los van de vraag of dat juist is) niet dat deze negatieve effecten bij de m.e.r.beoordeling buiten beschouwing kunnen blijven. Dat geldt ook voor de vernietiging van vaste rus- en 58/169
alternatief hoewel dit op grond van het ontbreken van een wettelijke taak van het waterschap niet hoefde. Dit alternatief is afgewogen en afgevallen. In de m.e.r.aanmeldnotitie zijn uitsluitend de milieugevolgen in beeld gebracht van het dijkverbeteringsontwerp zoals opgenomen in het ontwerp-projectplan. Met betrekking tot de door indiener aangedragen punten kunnen wij het volgende aangeven: • Bodemverontreiniging: tijdens de uitvoering worden maatregelen getroffen waardoor verplaatsing van de verontreiniging niet aan de orde is. • Op grond van het provinciale beleid "Beleidsregel natuurcompensatie 2018” worden uitsluitend de effecten van activiteiten die plaats vinden in de goudgroene, bronsgroene en zilvergroene natuur- en landschapzones beoordeeld op de effecten. De activiteiten zullen buiten deze zones plaatsvinden en de provincie heeft geoordeeld dat er daarom geen significant nadelige effecten op deze zones te verwachten zijn. Dit betekent dat het specifieke beleid voor de natuur- en landschapszones zoals vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening en in de Beleidsregel Natuurcompensatie hier niet van toepassing is omdat de activiteiten buiten deze zones plaatsvinden. Vandaar dat het waterschap heeft geconcludeerd dat de voorgenomen dijkverbeteringsactiviteiten niet leiden tot nadelige gevolgen voor de bovengenoemde natuur- en landschapszones.
In het uitgevoerde natuuronderzoek dat in de m.e.r. aanmeldingsnotitie is beschreven zijn overigens wel degelijk de mogelijke nadelige gevolgen in de gehele omgeving in beeld gebracht, waaronder ook de natuur- en landschapszones. Het is dus niet zo dat alle nadelige gevolgen in de natuur- en landschapszones bij voorbaat zijn uitgesloten in het uitgevoerde onderzoek. • Voor de in het plangebied aanwezige flora en fauna gelden de beschermingskaders en verbodsbepalingen op grond van de Wet natuurbescherming. Voor werkzaamheden van het project Roermond Alexanderhaven is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig omdat geen verbodsbepalingen overtreden worden. Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
•
•
•
verblijfplaatsen van amfibieën. Verder zijn nesten van eenden, merels en eksters waargenomen. De effecten daarop zijn volgens de aanmeldnotitie niet op voorhand uit te sluiten. Ook dat pleit voor de conclusie dat een MER moet worden opgesteld. Ook het kappen van 62 bomen en 1.462 m2 houtwal pleit voor de conclusie dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Te neer nu herplanting ter plaatse in het plan zoals dat voorligt niet mogelijk is. Het buitendijks laten van de bedrijfswoning op het terrein van BESIX is niet beoordeeld. De gevolgen voor de bewoners van het buitendijks laten van deze woning zijn niet beoordeeld (zie artikel l7.1 lid 6 sub a Wet milieubeheer: “de bevolking en de menselijke gezondheid”.) Het buitendijks laten van deze woning is ook een aanwijzing dat er belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu. Een overstroming heeft evident belangrijke nadelige gevolgen voor de bewoners en daardoor de menselijke (mentale) gezondheid. Ook is de woning bij sluiting van de coupures niet meer bereikbaar.
•
59/169
Eventuele nadelige gevolgen worden zoveel mogelijk gemitigeerd. De dijkverbeteringswerkzaamheden worden door de aannemer bovendien altijd uitgevoerd overeenkomstig de gedragscode voor waterschappen en de zorgplicht. Uit onderzoek is gebleken dat in het plangebied geen jaarrond beschermde vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van grondgebonden dieren voorkomen. Voor mogelijk aanwezige soorten geldt een vrijstelling (al dan niet in een deel van het jaar) voor het weghalen van verblijfplaatsen op grond van de Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Verder is uit onderzoek is gebleken dat in het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Gezien de overwegend bebouwde omgeving is de kans overigens erg klein dat soorten met een jaarrond beschermd nest zich vestigen. Overige mogelijk aanwezige nesten zijn beschermd als deze in gebruik zijn en voor zolang de jongen afhankelijk zijn van het nest. Daarna mogen deze nesten verwijderd worden. In gebruik zijnde nesten mogen niet verstoord worden. Wezenlijke verstoring wordt voorkomen met mitigerende maatregelen, zoals het niet verrichten van verstorende werkzaamheden in het broedseizoen. Voor de mogelijk voorkomende amfibieën kan worden volstaan met algemene mitigerende maatregelen (zorgplicht en gedragscode).
De werkzaamheden vinden plaats op een industrieterrein tussen havenbedrijven waardoor de kans op voorkomen van (beschermde) flora en fauna klein is. De werkzaamheden, die worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding, leiden gelet op het vorenstaande zeker niet tot overtreding van de verbodsbepalingen zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming en kunnen daarom zonder ontheffing uitgevoerd worden. Voor het kappen van bomen en houtwal heeft een effectbeoordeling natuur plaatsgevonden. Hierin is geconcludeerd dat het hier om bomen gaat die vanwege omvang of soort geen grote natuurwaarden hebben. De te kappen bomen hebben ook geen essentiële functie met betrekking tot beschermde soorten als vleermuizen, zodat Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
•
21
belangrijke nadelige effecten niet aan de orde zijn. Het buitendijks laten van de bedrijfswoning is geen wijziging van de bestaande situatie en hoeft daarom niet nader onderzocht te worden.
Daarnaast zijn de gevolgen van het buitendijks laten van een groot deel van het bedrijventerrein in de WillemAlexanderhaven ten onrechte niet beoordeeld. Overstroming van het bedrijventerrein kwalificeert als een ramp in de zin van de m.e.r.-regelgeving. De materiële goederen op het bedrijventerrein moeten dan ook bij de m.e.r.-beoordeling worden betrokken (artikel 7.1 lid 6 sub d Wet milieubeheer). Daarnaast kan overstroming van het bedrijventerrein leiden tot vervuiling van het milieu doordat (gevaarlijke) stoffen die in de fabriek worden gebruikt bij een overstroming in het water terecht komen. Via het water kunnen stroomafwaarts land en biodiversiteit worden aangetast.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
22
Voor het projectplan had een passende beoordeling moeten worden gemaakt. En bij een passende beoordeling dient voor het projectplan tevens een MER te worden opgesteld.
In welke gevallen het maken van een passende beoordeling voor plannen verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en), is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). In dit artikel 2.8, eerste lid jo. artikel 2.7 eerste lid Wnb is aangegeven dat een passende beoordeling moet worden gemaakt wanneer het projectplan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 gebied. De dijkverbetering zoals opgenomen in het projectplan Waterwet heeft, zoals ook is toegelicht op pagina 36 tot en met 38 van de m.e.r.-aanmeldnotitie, geen significant nadelige gevolgen voor een Natura 2000 gebied. Een passende beoordeling is daarom niet nodig.
23
In het VKA wordt het noordelijk gedeelte van de Mijnheerkensweg buitendijks gesitueerd. Daardoor zijn de terreinen van indiener niet bereikbaar bij (dreigend) hoogwater. De ervaring van de hoogwaterstanden in de zomer van 2021 hebben geleerd dat de buitendijkse bedrijven snel ontruimd worden bij dreigende hoogwaterstanden; ruim voordat het peil van NAP + 20.70 m wordt bereikt. De noodzaak om te ontruimen, alsook het niet-bereikbaar zijn van de SIF-terrein wegens hoogwater op
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen, dan wel de bereikbaarheid van buitendijks gelegen bedrijven hoogwatervrij te maken.
60/169
De bedrijven blijven zelf verantwoordelijk voor het treffen van (aanvullende) maatregelen om schade door wateroverlast te voorkomen / te beperken.
Overigens ligt het bedrijf van indiener reeds in de huidige situatie buitendijks. Uitvoering van het projectplan verandert niets aan deze situatie.
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
het buitendijkse deel van de Mijnheerkernsweg zijn funest voor de leverzekerheid die indiener heeft te garanderen. Verplichte ontruiming en/of niet-bereikbaar van indiener zal in te toekomst alleen maar toenemen. Daardoor kan indiener de voor haar bedrijfsvoering noodzakelijke leveringszekerheid alsmaar vaker niet nakomen. 24
25
61/169
In de afweging van de meekoppelkansen (hoofdstuk 3 van de effectennota) is onterecht geen rekening gehouden met het versterken van de havenfaciliteiten in combinatie met de versterking van de dijken in het kader van het HWBP. In par. 5.1.2 van de effectnota is onterecht gesteld dat bij het VKA geen meekoppelkansen zijn.
In de nota VKA met bijbehorende effectennota zijn verschillende alternatieven afgewogen. Hierbij is ook aandacht besteed aan door de bedrijven aangedragen alternatieven rondom de landtong, hoewel dit op grond van het ontbreken van een wettelijke taak van het waterschap niet verplicht was.
Ter plaatse van het terrein van indiener is een unieke meekoppelkans niet beschouwd waarbij het realiseren van de primaire waterkering langs de waterlijn kan worden gecombineerd met de realisatie van een laad- en loskade voor de aanvoer van oud papier. Dit als onderdeel van het integraal plan, waarvoor de provincie Limburg een CEFsubsidie heeft aangevraagd. Het leggen van de primaire waterkering langs de waterlijn heeft het bijkomende voordeel dat de terreinen van indiener binnendijks worden gesitueerd; dus als geheel beschermd zijn tegen hoogwater. Indiener betreurt dat deze meekoppelkans niet is meegenomen in de uitwerking van het plan, temeer daar: • het Waterschap Limburg als partner in de samenwerkingsovereenkomst mede initiatiefnemer is voor het aanvragen van een CEF-subsidie om deze meekoppelkans onderdeel te laten uitmaken van het projectplan. • indiener concrete plannen heeft om oud papier deels via het water aan te voeren; zeker voor oud papier dat vanop afstanden van 100 tot 150 km wordt aangevoerd. Het betreft in potentie circa 200.000 ton oud papier
Uw opmerking wordt ter kennisneming aangenomen. De facto komen aanvullende wensen (meekoppelkansen) voor rekening van de wensende partij. Dit staat ook nader toegelicht in hoofdstuk 2. Het doet hierbij niet ter zake of de wensende partij hierbij een beroep doet op externe geldstromen zoals een CEF subsidie.
Ten tijde van het vaststellen van de nota VKA met bijbehorende effectnota was er geen sprake van zicht op concrete meekoppelkansen en zekerheid over de daarbij behorende aanvullende afspraken.
De intentieovereenkomst heeft tot doel om met elkaar te onderzoeken of aanvullende beschermingsmaatregelen mogelijk zijn, waarbij slim gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om het VKA-tracé te koppelen met het alternatieve tracé. Dit betreft een inspanning van de betrokken partijen om, zonder het geven van garanties, met elkaar de mogelijkheden voor een integraal tracé nader te onderzoeken. In het Ontwerp projectplan hebben wij toegelicht dat als er tijdig alsnog duidelijkheid bestaat over de haalbaarheid en zekerheid van de realisatie van extra maatregelen, het Dagelijks Bestuur zal worden verzocht om alsnog medewerking te verlenen aan het integraal tracé. Het is daarvoor wel noodzakelijk dat ook voor het gewenste alternatief een projectplan Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
per jaar dat via het water aangevoerd kan worden. Daardoor kan het vrachtverkeer met 8 à 10.000 bewegingen per jaar verminderd worden en kunnen 0.8 tot 1.5 miljoen vrachtwagenkilometers voorkomen worden.
Waterwet wordt opgesteld. Zolang deze duidelijkheid niet is verkregen zal het waterschap de procedure voor het Projectplan (VKA) doorzetten met als doel een onherroepelijk Projectplan te verkrijgen waarmee de mogelijkheid tot dijkversterking van het VKA is verzekerd. Op het moment dat ook duidelijkheid wordt verkregen over de haalbaarheid en zekerheid van het alternatieve plan, kan het waterschap alsnog besluiten om voor realisatie van het gewenste integrale tracé de uitvoering van beide Projectplannen te combineren, mits het HWBP als subsidieverlener, hiermee instemt.
26
27
62/169
Bij het bepalen van de investeringskosten voor het VKA (€ 8 mio +/- 30%) zijn niet de (maatschappelijke) kosten betrokken voor de investering in de bescherming tegen hoogwater op het terrein van de ‘buitendijkse’ bedrijven en de verliezen als gevolg van hoogwater op het niet-beschermde terrein van de buitendijkse bedrijven. In tegenstelling tot de uitgangspunten van de alternatievenafweging, waarbij voor het VKA is uitgegaan van een ophoging van de waterkering van (voorkeurs)alternatief 1A, 2A en 3A tot NAP + 23.1 m, heeft het ontwerp-projectplan betrekking op de ophoging van de waterkering tot slechts NAP + 22.3 tot 22.5 m. Indiener stelt zich op het standpunt dat alleen al om die reden de keuze van het VKA heroverwogen moet worden. In deze heroverweging dienen dan ook de extra investeringskosten van het VKA (zie zienswijzepunt 27) en de investeringskosten in de maatregelen die binnen de ‘buitendijkse’ inrichtingen getroffen moeten worden (zie zienswijzepunt 28) alsook de beheerskosten van de coupures te worden betrokken.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Indiener is van oordeel dat de investeringskosten van VKA zijn onderschat. Diverse bedrijven, m.n. BESIX en Jos Menten hebben in hun zienswijze toegelicht op welke manier de aanleg van de keerwand tot meerkosten leidt.
Bij de besluitvorming over het voorkeurs alternatief is een VKA-raming opgesteld. Tijdens de planvormingsfase is het ontwerp vervolgens verder in detail uitgewerkt en is meer concreet inzicht ontstaan in de voorgenomen werkwijze en mogelijkheden voor realisatie. Naar aanleiding hiervan heeft een actualisatie plaats gevonden.
Het VKA is op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het is voor de alternatievenafweging niet relevant dat het waterschap kosten in beschouwing zou moeten nemen van eventueel te treffen maatregelen of investeringen van buitendijks gelegen bedrijven waarvoor deze bedrijven privaatrechtelijk zelf verantwoordelijk zijn.
Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159
De projectraming wordt altijd geactualiseerd tussen verkenning en planstudie. Dat kan bijvoorbeeld zijn vanwege ingediende zienswijzen, aanvullende inzichten t.a.v. het ontwerp of de ontwikkeling in prijzen voor grondstoffen. Door de actualisatie blijft er een juist inzicht bestaan in de benodigde projectkosten voor realisatie. 28
29
63/169
Vanwege de buitendijkse situering van indiener, treedt schade op bij hoogwater vanwege gedwongen stilstand en moet indiener extra investeringen doen om maatregelen te treffen om de cruciale onderdelen van het bedrijf te vrijwaren van schade door overstromingen. De gemiddelde omzetderving ten gevolge van 1 dag niet produceren kan oplopen tot € 1,1 mio/dag; hetzij door stilstand/opstart/ afschakelen van machines, hetzij door grondstof tekort, hetzij volle opslag en afvoerbeperkingen gereed product. Schade aan gebouwen, installaties en voorraden, gereed product en grondstoffen ten gevolge van hoogwaterstand schat indiener in op 1 tot € 2,5 mio per incident. Daarbij komen nog kosten vanwege milieuschade bij overstroming doordat de buitenopslag van oudpapier voorraad zich verspreidt in de omgeving. Hoogte van dergelijke schadepost hangt af van de hoogte en de duur van de hoogwaterstand.
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Daarenboven wordt door de keuze van het VKA het ontwikkelpotentieel van het terrein van indiener behoorlijk gehypothekeerd. Productiegroei – die ongetwijfeld gaat ontstaan – kan enkel gerealiseerd worden door op het lagere gelegen terreindeel nieuwe activiteiten te ontwikkelen. Uitbreiding van de activiteiten op het hoger gelegen terrein is vanwege de beperkte milieuruimte (m.n. geluid bij de daar aanwezige woningen) en fysieke ruimte (de grens van het industrieterrein) niet of slechts in beperkte mate mogelijk. Indiener heeft het lagere terreindeel derhalve hard nodig om – in geval van productieverhoging – meer logistieke functies op het lager terreindeel te ontwikkelen, m.n. meer opslag grondstoffen, meer opslag gereed product en meer stalling van
Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 heeft het waterschap geen wettelijke taak of zorgplicht om de reeds buitendijks gelegen bedrijven binnendijks te brengen.
Wanneer indiener van mening is dat de dijkversterking leidt tot het maken van extra kosten dan kan indiener een onderbouwd verzoek om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 Waterwet indienen, nadat het projectplan is goedgekeurd en onherroepelijk is. Een ingediend verzoek om vergoeding van planschade wordt in verband met de voorrangsregeling, zie artikel 7.16 Waterwet, ook afgehandeld als een verzoek om nadeelcompensatie. Een onafhankelijke commissie nadeelcompensatie zal vervolgens beoordelen of de waardevermindering voor schadevergoeding in aanmerking komt. De criteria waaraan een verzoek om nadeelcompensatie wordt getoetst, zijn verder uitgewerkt in het projectplan Waterwet onder paragraaf 6.3 Financieel nadeel.
Wanneer indiener van mening is dat de dijkversterking leidt tot het maken van extra kosten dan kan indiener een onderbouwd verzoek om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 Waterwet indienen, nadat het projectplan is goedgekeurd en onherroepelijk is. Een ingediend verzoek om vergoeding van planschade wordt in verband met de voorrangsregeling, zie artikel 7.16 Waterwet, ook afgehandeld als een verzoek om nadeelcompensatie. Een onafhankelijke commissie nadeelcompensatie zal vervolgens beoordelen of de waardevermindering voor schadevergoeding in aanmerking komt. De criteria waaraan een verzoek om nadeelcompensatie wordt getoetst, zijn verder Zaaknr. 2021-Z37780 Docnr. WLDOC-1142526069-20159