Bijlage 2 – concept plantoelichting met bijlagen ‘bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand)’ DEEL I (p. 1-210)
Tekst van het document
75
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
minder geschikte verblijfsmogelijkheden ter beschikking heeft en dus gevoeliger is voor overige veranderingen binnen de deelpopulaties. Lange termijn: de ingreep leidt tot een toename in menselijke activiteiten, waardoor het plangebied mogelijk minder geschikt of ongeschikt is als leefgebied voor de soorten. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis Negatieve effecten op vleermuizen als gevolg van de werkzaamheden zijn als volgt: Korte termijn: verstoring en sterfte van individuen en verstoring van verblijfplaatsen (gewone dwergvleermuis). Korte termijn: (tijdelijk) verlies van verblijfplaatsen (gewone dwergvleermuis). Hierbij bestaat de kans dat de lokale populatie minder geschikte verblijfsmogelijkheden ter beschikking heeft en dus gevoeliger is voor overige veranderingen binnen de deelpopulatie. Lange termijn: de ingreep leidt niet tot aantasting van foerageergebied en vliegroutes en daarmee niet tot een negatief effect op de functionaliteit van buiten het projectgebied gelegen verblijfplaatsen en lokale populaties (alle soorten). Teunisbloempijlstaart Negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart als gevolg van de werkzaamheden zijn als volgt: Korte termijn: verstoring en sterfte van individuen en verdwijnen van waardplanten. Korte termijn: (tijdelijk) verlies van waardplanten.
Hierbij bestaat de kans dat de lokale populatie minder geschikte voortplantingsmogelijkheden ter beschikking heeft en dus gevoeliger is voor overige veranderingen binnen de deelpopulatie. Lange termijn: herinrichting van het plangebied leidt mogelijk tot het verdwijnen van geschikte standplaatsen voor de waardplanten van de vlinder en daarmee tot het verdwijnen van geschikte voortplantingsmogelijkheden. Algemeen voorkomende amfibieën, broedvogels en zoogdieren Mogelijk is sprake van negatieve effecten op algemeen voorkomende grondgebonden soorten zoogdieren en amfibieën en op algemene broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Korte termijn: verstoring en sterfte van individuen en verstoring van verblijfplaatsen van algemeen voorkomende amfibieën, vissen en zoogdieren. Korte termijn: verstoring en sterfte van individuen en verstoring van nestlocaties van algemene broedvogels bij werkzaamheden in het broedseizoen. Lange termijn: tijdelijk en permanent verlies van nestlocaties van algemene broedvogels. Hiermee bestaat de kans dat de lokale populatie minder geschikte verblijfsmogelijkheden ter beschikking heeft en dus gevoeliger is voor overige veranderingen binnen de deelpopulatie. Toetsing Wnb De algemene broedvogels behoren tot de categorie Vogelrichtlijn van de Wnb (Art. 3.1 Wnb) en de vleermuizen en teunisbloempijlstaart tot de categorie Habitatrichtlijn (Art. 3.5 Wnb).
De das, steenmarter en algemene amfibieën en zoogdieren behoren tot de categorie ‘andere soorten’(Art. 3.10 Wnb). Op grond van de beschreven effecten vindt mogelijk overtreding plaats van verbodsbepalingen van de Wnb, zie onderstaande tabellen.
76
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
De provincies en het Rijk hebben in hun verordeningen uit de lijst van ‘Andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Voor de steenmarter en algemene amfibieën, vissen en zoogdieren geldt binnen de Provincie Limburg deze (periodieke) vrijstelling. Voor de steenmarter geldt een vrijstellingsperiode van buiten het kraamseizoen: vrijgesteld in de periode van 15 augustus t/m februari. Daarbuiten is de soort niet vrijgesteld en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen opgenomen te worden. De andere algemene soorten zijn jaarrond vrijgesteld en deze zijn in de toetsing verder niet meer meegenomen. Voor deze soorten blijft wel de zorgplicht van kracht. Door de voorgenomen transformatie van het terrein worden aanwezige vogels en vleermuizen (enkel gewone dwergvleermuis) mogelijk gedood of verstoord en verdwijnen de nest-, rust- of verblijfplaatsen. De verbodsartikelen 3.1 lid 3, 4 en 5 zijn niet van toepassing, omdat geen eieren worden geraapt en geen verstoring van toepassing is waardoor de staat van instandhouding in het gedrang komt. Algemene soorten broedvogels zijn in staat alternatieven in de omgeving, zoals groenstructuren langs de N280 en in stadsparken en tuinen, te vinden.
De overige verbodsartikelen 3.5 lid 5 en 3.10 lid 1c zijn niet van toepassing, omdat geen beschermde plantensoorten aanwezig zijn in het plangebied. Voor alle in het wild levende soorten is de zorgplicht (Art.1.11) van kracht. Voor de algemene amfibieën en zoogdieren die mogelijk incidenteel in het plangebied voor komen geldt alleen de zorgplicht. Om de voorgenomen ingreep uit te kunnen voeren binnen de kaders van de Wnb, zijn maatregelen noodzakelijk om een negatief effect op individuele dieren, verblijfplaatsen en leefgebied te voorkomen. In dit stadium kan reeds geconcludeerd worden dat voor de werkzaamheden, waarbij feitelijke verblijf- en voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis, steenmarter en teunisbloempijlstaart verloren gaan, een ontheffingsprocedure noodzakelijk is, omdat verblijf- en voortplantingsplaatsen verloren gaan. De mitigerende maatregelen die noodzakelijk zijn om overtreding van de verbodsbepalingen zo veel mogelijk te voorkomen en de compenserende maatregelen die nodig zijn om een aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen zijn beschreven in hoofdstuk 6 van Bijlage 17. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. Aan de eisen uit het mitigatie- en compensatieplan zal worden voldaan. Tevens is hiervoor een voorwaardelijke verplichting voor opgenomen (zie artikel 17.9).
Stikstof Realisatiefase De Aerius rapportages voor de realisatiefase is opgenomen in bijlage 2 van de uitgangspuntenmemo van de stikstofdepositieberekeningen (zie Bijlage 18). Voor het maatgevend jaar in de bouwfase is sprake van een (tijdelijke) afname van stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/jaar. Hiermee is dus geen sprake van
77
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase De Aerius rapportages voor de realisatiefase is tevens opgenomen in bijlage 2 van de uitgangspuntenmemo van de stikstofdepositieberekeningen (zie Bijlage 18). Voor de gebruiksfase is sprake van een afname van stikstofdepositie vanwege de projectbijdrage van 0,02 mol/ha/jaar op Swalmdal. Hiermee is dus geen sprake van een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hersteldoelhexagonen Op 17 juni 2024 heeft de Raad van de EU de Natuurherstelwet goedgekeurd. Hiermee geldt een natuurherstelverplichting in alle Europese landen. In de afgelopen jaren zijn in Nederland habitats verdwenen - en niet op een andere locatie voor hetzelfde oppervlak teruggekomen. Nederland moet deze natuur dus herstellen. Hierom wordt sinds de release van Aerius 2024 bij de Aerius rapportage ook een rapportage met hersteldoelhexagonen meegestuurd. Deze zijn eveneens opgenomen in bijlage 2 van de uitgangspuntenmemo van de stikstofdepositieberekeningen (zie Bijlage 18). Uit deze rapportage blijkt dat er geen hersteldoelhexagonen geraakt worden.
4.6.3
Conclusies en aanbevelingen
Verbodsbepalingen Door de voorgenomen werkzaamheden vindt, na mitigatie, geen overtreding plaats van verbodsartikelen 1.11 (Zorgplicht), algemene broedvogels; 3.1 lid 1 en 2, gewone dwergvleermuis; 3.5 lid 1 en 2, teunisbloempijlstaart; 3.5 lid 1, 2 en 3 en das; 3.10 lid 1a. Wél is sprake van overtreding van de verbodsartikelen van gewone dwergvleermuis en teunisbloempijlstaart; 3.5 lid 4 en das; 3.10 lid 1b. Ontheffing Voor het project is een ontheffingsaanvraag ingediend bij de Provincie Limburg. Deze ontheffingsaanvraag is voor overtreding van Artikel 3.5 lid 4 van de Wnb, voor zover deze van toepassing is op het wegnemen van vaste rust-, verblijf- en voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis en teunisbloempijlstaart. Volgens de wettelijke termijnen betreft de doorlooptijd van een procedure minimaal dertien weken maar maximaal twintig weken met kans op verdere procedure vertraging en is een ontheffing maximaal vijf jaar geldig met mogelijkheid tot verlenging. Het veldonderzoek is maximaal drie jaar geldig, waarna deze dient te worden geactualiseerd. Met inachtneming van de maatregelen zoals in het mitigatie- en compensatieplan uitgewerkt, zijn er naar verwachting geen aanvullende eisen voor het project vanuit de Wnb.
Met de opgenomen maatregelen wordt aan de verplichting voor het aantal terug te brengen voorzieningen voor de soorten das, gewone dwergvleermuis en teunisbloempijlstaart voldaan. De gunstige staat van instandhouding van de aanwezige beschermde soorten is afdoende gewaarborgd op basis van het mitigatieplan en de haalbaarheid van effectieve en afdoende functionele verblijfplaatsen binnen het plangebied. Hiermee is afdoende zicht op een ontheffing Wnb ten behoeve van de transformatie van het plangebied met de afgegeven planning. In hoofdstuk 8 van Bijlage 17 is aanvullende informatie voor de ontheffingsaanvraag opgenomen. Stikstof Voor zowel de realisatiefase als voor de gebruiksfase is met de gehanteerde uitgangspunten sprake van een afname in stikstofdepositie. Een verdere ecologische beoordeling is daarmee niet noodzakelijk.
78
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.7
Externe veiligheid
Ten behoeve van het vaststellen van dit bestemmingsplan is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. In de door Arcadis opgestelde memo Quick scan externe veiligheid Roermond (transformatie voormalig Philipsterrein) van 8 oktober 2021 (zie Bijlage 19) zijn de risicobronnen in de omgeving van het voormalig Philipsterrein in kaart gebracht om te bepalen welke risicobronnen in het onderzoek externe veiligheid nader beschouwd moeten worden. Hieruit blijkt dat de spoorwegen in het onderzoek externe veiligheid nader beschouwd moeten worden. Het doel van het onderzoek externe veiligheid is het inzichtelijk maken van de invloed van de toekomstige situatie op de externe veiligheidsrisico's ten opzichte van de invloed van de huidige situatie op de externe veiligheidsrisico's. 4.7.1
Wettelijk kader
In deze paragraaf is een samenvatting opgenomen van die onderdelen van het wettelijke kader die relevant zijn voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voor een nadere toelichting op het wettelijk kader, de gehanteerde uitgangspunten, de invoergegevens en de rekenresultaten wordt verwezen naar de Bijlage 20. De relevante wet- en regelgeving betreffen: De Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs), de Wet basisnet (Wbn) en de Regeling basisnet (Rbn). Deze zijn van toepassing op de spoorwegen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin is vastgelegd wat wordt verstaan onder een beperkt kwetsbaar object en een kwetsbaar object. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin is vastgelegd wat wordt verstaan onder plaatsgebonden risico en groepsrisico. Bovendien is in het Bevt vastgelegd hoe de invloed van de toekomstige situatie op de externe veiligheidsrisico's ten opzichte van de invloed van de huidige situatie op de externe veiligheidsrisico's inzichtelijk moet worden gemaakt. Tevens wordt er op verzoek van de Veiligheidsregio Limburg Noord een doorkijk gegeven naar de Omgevingswet in relatie tot externe veiligheid. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is onder andere het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing. 4.7.2
Onderzoeksresultaten
Onderzocht is wat het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is. De onderzoeksresultaten tonen de resultaten van de berekeningen en lichten deze toe. Het groepsrisico is zowel in de huidige situatie als met in de toekomstige situatie met transformatie van het voormalig Philipsterrein onderzocht. 4.7.3
Conclusies en aanbevelingen
Conclusies plaatsgebonden risico Het voormalig Philipsterrein ligt buiten de PR 10-6 per jaar contouren voor de baanvakken Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo Oost. Conclusies groepsrisico In de huidige situatie is het hoogste GR per kilometer 3,668 x de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie met de transformatie van het voormalig Philipsterrein is het hoogste GR per kilometer is 3,806 x de oriëntatiewaarde. Het hoogste GR per kilometer neemt toe (met ongeveer 4%) als gevolg van de transformatie van het voormalig Philipsterrein. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie met de transformatie van het voormalig Philipsterrein liggen de locaties met het hoogste GR ten westen van het voormalig Philipsterrein en de locaties met het hoogste GR per kilometer ten noordwesten, westen en zuidwesten van het voormalig Philipsterrein. Zowel de locaties met het hoogste GR als de locaties met het hoogste GR per kilometer verschuiven niet als gevolg van de transformatie van het voormalig Philipsterrein.
79
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Aanbevelingen Het hoogste GR per kilometer overschrijdt de oriëntatiewaarde in de huidige situatie. Ten opzichte van in de huidige situatie neemt in de toekomstige situatie met de transformatie van het voormalig Philipsterrein het hoogste GR per kilometer toe. Daarom moet: conform artikel 7 en artikel 8 van het Bevt het groepsrisico worden verantwoord in de toelichting bij een bestemmingsplan; conform artikel 9 van het Bevt het bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over de verantwoording van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar paragraaf 4.7.4 en Bijlage 21.
4.7.4
Verantwoording groepsrisico
In het kader van de verplichte verantwoording van het groepsrisico (zie aanbevelingen in paragraaf 4.7.3) is een document opgesteld. Voor het totale document wordt verwezen naar Bijlage 21. In deze paragraaf is het onderdeel 'verantwoording' uit dat document integraal overgenomen. 4.7.4.1 Overwegingen Onderstaande overwegingen zijn gemaakt naar aanleiding van het advies van de VRLN. Het plangebied ligt binnen de invloedgebieden van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo en de provinciale weg N280. Gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicovolle activiteiten zijn de maatgevende scenario's: een ongeval met het transport van toxische gassen of vloeistoffen over de N280 en/of de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond Weert en Roermond-Venlo, waarbij een toxische gaswolk vrijkomt die zich vervolgens over het plangebied verplaatst; een ongeval met het transport van brandbare gassen zoals propaan en LPG over de N280 en/of de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond Weert en Roermond-Venlo, waarbij een koude of warme BLEVE optreedt. De effecten van een BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking door rondvliegende brokstukken.
Na de explosie voltrekt het scenario BLEVE zich snel en duurt de vuurbal niet langer dan 10 tot 20 seconden; > een koude BLEVE kan veroorzaakt worden door een externe beschadiging van de tankwand, bijvoorbeeld bij een botsing, waardoor deze direct openscheurt. Het brandbare gas komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Een koude BLEVE is een snel scenario wat direct plaatsvindt; > een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Het brandbare gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Een warme BLEVE voltrekt zich binnen 20 minuten, afhankelijk van de opwarmingstijd tot de explosie. 4.7.4.2 Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In deze paragraaf worden de bereikbaarheid van het plangebied en de relevante risicobronnen beschreven. Verder wordt er aandacht geschonken aan de bestrijdbaarheid van calamiteiten met gevaarlijke stoffen op de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo en op de N280. Bereikbaarheid en opkomsttijd Het plangebied is vanuit minimaal 2 onafhankelijke windrichtingen te benaderen. De spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo zijn ter hoogte van het plangebied niet
80
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
bereikbaar voor hulpverleningsvoertuigen, waardoor een incident met gevaarlijke stoffen niet effectief bestreden kan worden. Indien zich een incident met gevaarlijke stoffen op de N280 voordoet ter hoogte van het plangebied dan kan de effectieve bestrijding een probleem zijn vanwege het ontbreken van voldoende bluswatervoorzieningen in de directe nabijheid van de N280. Omdat voornoemde spoorlijnen ter hoogte van het plangebied moeilijk bereikbaar zijn en effectieve bestrijding van een calamiteit met gevaarlijk stoffen op de N280 moeilijk is vanwege het ontbreken van voldoende bluswatercapaciteit in de directe nabijheid van de N280 is bevordering van de zelfredzaamheid van aanwezige personen in het plangebied van groot belang. De opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied voldoet aan de norm voor de opkomsttijd naar woningen conform het Besluit veiligheidsregio's. Bestrijdbaarheid Gezien de snelheid waarmee een koude BLEVE plaatsvindt, is dit scenario niet bestrijdbaar. Een warme BLEVE van een LPG-ketelwagen kan worden voorkomen door de treinen samen te stellen volgens het "Convenant warme-BLEVE-vrij samenstellen en rijden bij het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor" en door middel van koelen en/of afschermen van de LPG- ketelwagen. Afhankelijk van de constructie en de intensiteit van brand, vindt binnen 20 minuten een BLEVE plaats.
Voor de bestrijdbaarheid is een snelle alarmering en opkomst van de brandweer, een goede bereikbaarheid van de incidentlocatie en de beschikking over voldoende slagkracht en bluswater essentieel. Voor een effectieve bestrijding is volgens het advies van de VRLN een bluswatercapaciteit van 4 maal 90 m3/uur benodigd. De hulpdiensten zullen bij het optreden van een BLEVE slachtoffers redden en eerste hulp verlenen en ontstane branden in de omgeving blussen. In de directe nabijheid van het spooremplacement zijn 4 geboorde brandweerputten aanwezig met elk een capaciteit van 90 m3/uur. Gelet op dit gegeven is er voldoende bluswatercapaciteit aanwezig om een effectieve bestrijding van een dreigende warme BLEVE uit te kunnen voeren. Een warme BLEVE van een tankwagen met brandbare gassen op de N280 is nauwelijks bestrijdbaar vanwege het gebrek aan bluswater in de directe nabijheid van de N280. Er worden echter in Nederland steeds meer LPG-tankwagens uitgevoerd met een hitte werende bekleding (coating). De bekleding vertraagt het ontstaan van een warme BLEVE. Bij een plasbrand zorgt de bekleding ervoor dat het ten minste 75 minuten duurt voordat een warme BLEVE kan plaatsvinden. Hierdoor is er meer tijd om de brand te bestrijden, zodat een warme BLEVE voorkomen kan worden. Ook kan deze tijd benut worden om de omgeving te waarschuwen.
Bij een incident op de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo en/of de N280 ter hoogte van het plangebied waarbij een toxische gaswolk ontstaat zal de inzet van de brandweer zich richten op het neerslaan van de toxische gaswolk. Randvoorwaarde is een snelle alarmering en opkomst van de brandweer, een (bovenwindse) bereikbaarheid via twee verschillende routes vanuit twee tegenovergestelde windstreken en de beschikking over voldoende bluswater om een gaswolk neer te slaan. Voor een effectieve bestrijding is een bluswatercapaciteit van 2 maal 90 m3/uur benodigd. Reeds eerder is opgemerkt dat er bij het spooremplacement voldoende bluswatercapaciteit aanwezig is en dat deze ontbreekt nabij de N280. In het kader van deze ruimtelijke procedure is het echter niet mogelijk om de aanleg van voldoende bluswatercapaciteit bij de N280 af te dwingen. De risico's die ontstaan vanwege het ontbreken van voldoende bluswatercapaciteit in de directe nabijheid van de N280 worden geaccepteerd. Rondom het plangebied zijn diverse brandkranen met een debiet van minimaal 75 m3/uur aanwezig. Dit is ruim voldoende voor gebouwbrandbestrijding binnen het plangebied.
81
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.7.4.3 Mogelijkheden voor het verbeteren van de zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van personen bij een toxisch scenario wordt in grote mate bepaald door de mogelijkheden om van de risicobron af te vluchten en door de mogelijkheden om te schuilen. Bij een toxisch scenario is schuilen in een gebouw een effectieve vorm van zelfredzaamheid, als het gebouw voldoende bescherming biedt. Het gebouw moet lucht- en lekdicht dicht zijn, waardoor toxische gassen niet kunnen binnendringen. Een mechanische gebouwventilatie moet direct kunnen worden uitgezet. Indien schuilen niet mogelijk is moet bij voorkeur dwars op de windrichting worden gevlucht. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Door de VRLN wordt in de adviesbrief gesteld dat het aannemelijk is dat personen in het plangebied veelal voldoende zelfredzaam zijn. Deze stelling wordt onderschreven. Om de zelfredzaamheid te verbeteren bij een warme BLEVE is het nodig om het glasoppervlak in de gevelconstructie aan de spoorzijde zoveel mogelijk te beperken. Verder dient de beglazing zodanig uitgevoerd te worden dat scherfwerking door effecten van buitenaf zoveel mogelijk worden beperkt. De scherfwerking kan volgens de VRLN worden beperkt door de beglazing in de gevelconstructie aan de spoorzijde uit te voeren als gelaagd glas in een flexibele sponning.
Het glas dient te voldoen aan klasse P2A conform NEN-EN 356 of gelijkwaardig. De beglazing in de bestaande gebouwen kan ook worden voorzien van een folie die scherfwerking en penetratie door rondvliegende delen voorkomt. Deze folie wordt tegen de ruit aangebracht. Een voorbeeld van zo'n folie is "Armorcoat 8 mil Safety window". Verder dient het buitenoppervlak van de gevelconstructie aan de spoorzijde te voldoen aan brandklasse B volgens de NEN-EN 13501-1. Gelet op bovenstaande overwegingen worden aan de omgevingsvergunning onderdeel bouwen de volgende voorschriften verbonden: een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht; ventilatieopeningen zijn zoveel mogelijk van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo en van de N280 af gericht; het glasoppervlak in de gevelconstructie aan de spoorzijde wordt zoveel mogelijk beperkt; de beglazing binnen 200 meter van voornoemde spoorlijnen is zodanig dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen; het buitenoppervlak van gevelconstructies binnen 200 meter van voornoemde spoorlijnen voldoet aan brandklasse B. Verder is het belangrijk dat er voldoende vluchtmogelijkheden zijn om van de risicobronnen af te vluchten.
De inrichting van het plangebied voorziet hier reeds in. 4.7.4.4 Waarschuwing en alarmering Indien er een calamiteit bij een van de genoemde risicobronnen plaatsvindt dan is het belangrijk dat personen in de omgeving tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmeringssysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding of via NL-Alert.
82
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.7.4.5 Communicatie Door een goede risicocommunicatie dienen de personen binnen het plangebied op de hoogte gebracht te worden van de externe veiligheid risico's en de hierbij behorende handelingsperspectieven. De gemeente verstrekt aan de verzoeker informatie met betrekking tot de risico's van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg en de handelingsperspectieven indien zich een calamiteit voordoet bij het vervoer van de gevaarlijke stoffen. De gemeente vraagt de verzoeker om deze informatie te delen met personen binnen het plangebied zodat deze ook bekend zijn met de gevaren en de daarbij behorende handelingsperspectieven. 4.7.4.6 Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Bij de planvorming is externe veiligheid beschouwd, evenals andere ruimtelijke afwegingskaders. Hierdoor kan worden gesteld dat er in redelijkheid sprake is van een goede situatie. Hoewel vanuit de ladder voor duurzame verstedelijking geen verplichting ligt om betere locaties te vinden voor deze ontwikkeling, is het intensiever verdichten van de spoorzone vanuit een goede ruimtelijke ordening en afgewogen stedelijke ontwikkeling wenselijk. Roermond kent een stedelijke woonbehoefte.
In een verdichtende stad is het noodzakelijk om woonopgaves, inclusief de aan de doelgroep gebonden eisen en wensen, met de (boven)wijkse voorzieningen en de mobiliteitsuitgangspunten zo veel als mogelijk met elkaar te verbinden. Het samenbrengen van functies en opgaven levert een stedelijke meerwaarde op en bevordert een duurzame stedelijke ontwikkeling op de lange termijn. Vanuit deze gedachte is het stedenbouwkundig gezien passend om onderhavige locatie te ontwikkelen. De onderhavige locatie ligt binnen diverse verzorgingsgebieden. Zo ligt het binnen het bedieningsgebied van de voorzieningen van de binnenstad en binnen de mobiliteitsknooppunten (bus- en treinstation) - en verbindingen. Er kan een koppeling van opgaves, functies en mobiliteitsverbindingen gemaakt worden. Het gemeentebestuur van Roermond vindt het belangrijk dat het gebied wordt herontwikkeld op een wijze die aansluit bij de bestaande ruimtebehoefte in Roermond. Om een risicoafweging te maken is nagegaan of de ontwikkeling van het plangebied anders ingevuld kan worden met een lager groepsrisico. Een lager groepsrisico is makkelijker te realiseren als er minder woningen gerealiseerd worden. Dat staat haaks op de woningbouwopgave die de gemeente Roermond heeft. De ontwikkeling van het plangebied moet hier dan ook aan bijdragen.
Juist vanwege deze ambitie zijn er weinig tot geen mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. Er is nagegaan welke stedenbouwkundige en bouwkundige aanpassingen nodig zijn om een verbetering te geven voor de externe veiligheid Gelet op het voorgaande is een beschouwing van andere mogelijkheden derhalve niet aan de orde. 4.7.4.7 Extra kwetsbare groepen In de op 10 juni 2010 door de gemeenteraad vastgestelde Visie externe veiligheid Roermond is de ambitie uitgesproken om extra kwetsbare groepen niet te situeren in de nabijheid van risico's. Personen, die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen zijn niet wenselijk nabij risicovolle activiteiten. In voornoemde visie worden de volgende functies als extra kwetsbaar beschouwd: basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingshuizen en andere functies waar groepen verminderd zelfredzame personen verblijven, die zichzelf in geval van een calamiteit met gevaarlijke stoffen niet of minder goed in veiligheid kunnen brengen en waardoor per situatie beoordeeld moet worden of de zelfredzaamheid voldoende is. Gezien het bovenstaande is aan de "Regels" het onderstaande begrip toegevoegd: Extra kwetsbare groepen basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingshuizen en andere functies waar groepen
83
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
verminderd zelfredzame personen verblijven, die zichzelf in geval van een calamiteit met gevaarlijke stoffen niet of minder goed in veiligheid kunnen brengen. Gelet op het bepaalde in de op 10 juni 2010 vastgestelde Visie externe veiligheid Roermond of een daartoe in de plaats tredend document zijn met het oog op het aspect externe veiligheid, binnen 200 meter van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en/of Roermond-Venlo geen extra kwetsbare groepen toegelaten. Om het voorgaande te borgen is in de "Regels" de volgende bepaling opgenomen: gelet op het bepaalde in de op 10 juni 2010 vastgestelde Visie externe veiligheid Roermond of een daartoe in de plaats tredend document met het oog op het aspect externe veiligheid, zijn binnen 200 meter van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en/of Roermond-Venlo geen extra kwetsbare groepen toegelaten. 4.7.4.8 Zorggebonden woningen en woontoren Het is belangrijk dat de bewoners van de zorggebonden woningen en de woontoren uit het plangebied bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor in de woningen en appartementen voldoende beschermd zijn. De bewoners van zorggebonden woningen worden in het kader van externe veiligheid aangemerkt als verminderd zelfredzaam (extra kwetsbaar).
Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is het gewenst om deze zorggebonden woningen en de woontoren op een grotere afstand (meer dan 200 meter) van de spoorlijnen te situeren. Indien de zorggebonden woningen en/of de woontoren toch binnen 200 meter van een spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden gerealiseerd dan dient het gestelde in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving in acht te worden genomen. Van het gestelde in de vorige volzin kan worden afgeweken indien de verzoeker aan het bevoegd gezag aantoont dat het bouwwerk of het gebruik daarvan ten minste eenzelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met het gestelde in voornoemde artikelen. Als de voorgestelde oplossing gelijkwaardig is dan zal het bevoegd gezag het beroep op gelijkwaardigheid honoreren. Om het voorgaande te borgen wordt in de "Regels" onder "wonen-1" van het bestemmingsplan de volgende bepaling opgenomen: het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning voor de zorggebonden woningen en de woontoren afwijken van het verbod om binnen 200 meter van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en/of Roermond-Venlo en/of de provinciale weg N280 extra kwetsbare groepen toe te laten, mits het gestelde in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving in acht wordt genomen.
Van het gestelde in de vorige volzin kan worden afgeweken indien de verzoeker aan het bevoegd gezag aantoont dat de zorggebonden woningen en/of de woontoren of het gebruik daarvan ten minste eenzelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met het gestelde in voornoemde artikelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Als de voorgestelde oplossing gelijkwaardig is dan zal het bevoegd gezag het beroep op gelijkwaardigheid honoreren. 4.7.4.9 Uitsluiten risicovolle activiteiten Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is het niet gewenst dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6-contour) voor bedrijven/activiteiten die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) buiten de bouwperceelsgrens ligt. Ook is het niet gewenst dat de veiligheidsafstanden die in artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen voor propaantanks met een inhoud kleiner dan 13 m3 buiten de bouwperceelsgrens liggen. In de "Regels" worden onder de bestemmingen "Bedrijf" en "Gemengd" de volgende bepalingen opgenomen; Bedrijven/activiteiten die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) waarvan de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6-contour) reikt tot buiten de
84
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
perceelsgrens zijn uitgesloten; Propaantanks met een inhoud kleiner dan 13 m3 waarvan de veiligheidsafstanden die in artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen buiten de bouwperceelsgrens liggen zijn uitgesloten. 4.7.4.10 Conclusie Het gebruik van het voormalige Philipsterrein (plangebied) aan de Bredeweg te Roermond voor de transformatie naar gemengd stedelijk programma wordt met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt binnen de invloedgebieden van de N280 en de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo. Vanwege de ligging binnen voornoemde invloedgebieden is de verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. Ongeacht de inzet van de gemeente en hulpverleningsdiensten om de situatie zo veilig mogelijk te maken is er sprake van een restrisico. Immers de kans op een ongeval, hoe klein ook, blijft altijd aanwezig.
Het restrisico is in dit geval onder déze omstandigheden en door het treffen van onderstaande maatregelen aanvaardbaar: in de "Regels" is opgenomen dat, gelet op het bepaalde in de op 10 juni 2010 vastgestelde Visie externe veiligheid Roermond of een daartoe in de plaats tredend document met het oog op het aspect externe veiligheid, binnen 200 meter van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en/of Roermond-Venlo geen extra kwetsbare objecten worden toegelaten; in de "Regels" is onder "wonen-1" het volgende artikel opgenomen: Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning voor de zorggebonden woningen en de woontoren afwijken van het verbod om binnen 200 meter van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en/of Roermond-Venlo extra kwetsbare groepen toe te laten, mits het gestelde in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving in acht wordt genomen. Van het gestelde in de vorige volzin kan worden afgeweken indien de verzoeker aan het bevoegd gezag aantoont dat de zorggebonden woningen en/of de woontoren of het gebruik daarvan ten minste eenzelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met het gestelde in voornoemde artikelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Als de voorgestelde oplossing gelijkwaardig is dan zal het bevoegd gezag het beroep op gelijkwaardigheid honoreren; In de "Regels" zijn onder de bestemmingen "Bedrijf" en "Gemengd" de volgende bepalingen opgenomen; > Bedrijven/activiteiten die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) waarvan de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6-contour) reikt tot buiten de perceelsgrens zijn uitgesloten; > Propaantanks met een inhoud kleiner dan 13 m3 waarvan de veiligheidsafstanden die in artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen buiten de bouwperceelsgrens liggen zijn uitgesloten; aan de omgevingsvergunning onderdeel bouwen wordt een voorschrift verbonden waarin staat dat een mechanisch ventilatiesysteem een voorziening heeft waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht; aan de omgevingsvergunning onderdeel bouwen wordt een voorschrift verbonden waarin staat dat ventilatieopeningen zoveel mogelijk van de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo af zijn gericht; aan de omgevingsvergunning onderdeel bouwen wordt een voorschrift verbonden waarin staat dat het glasoppervlak in de gevelconstructie aan de spoorzijde zoveel mogelijk wordt beperkt; aan de omgevingsvergunning onderdeel bouwen wordt een
voorschrift verbonden waarin staat dat de beglazing binnen 200 meter van voornoemde spoorlijnen zodanig is dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen; aan de omgevingsvergunning onderdeel bouwen wordt een voorschrift verbonden waarin staat dat het buitenoppervlak van gevelconstructies binnen 200 meter van voornoemde spoorlijnen voldoet aan brandklasse B;
85
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
aan de ontwikkelaar van het plangebied wordt informatie verstrekt met betrekking de spoorlijnen Roermond-Sittard, Roermond-Weert en Roermond-Venlo en de handelingsperspectieven indien zich een calamiteit voordoet bij het vervoer van de gevaarlijke stoffen. De ontwikkelaar van het plangebied wordt gevraagd om de informatie en de handelingsperspectieven te delen met de personen die wonen of activiteiten ontplooien binnen het plangebied zodat deze ook bekend zijn met de gevaren en de daarbij behorende handelingsperspectieven. Het is verantwoord om het bestemmingsplan om de transformatie van het voormalige Philipsterrein aan de Bredeweg te Roermond vanuit het oogpunt van externe veiligheid vast te stellen.
4.8
Luchtkwaliteit
De transformatie van het voormalig Philipsterrein heeft een verandering van verkeersaantallen en -stromen tot gevolg, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit in de omgeving. Om de mogelijke effecten op de luchtkwaliteit te beoordelen, is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 22). 4.8.1
Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor luchtkwaliteit worden gevormd door het toetsingskader Wet milieubeheer en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit. Daarnaast wordt in het onderzoek ook ingegaan op het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het Besluit Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) en het toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium. Voor een verdere toelichting op deze kaders wordt verwezen naar de bijlage. 4.8.2
Onderzoeksresultaten
De verwachting is dat het voormalig Philipsterrein met woningen en gemengde bestemming in 2035 volledig in gebruik genomen wordt. Omdat het rekenmodel niet kan rekenen voor de jaren na 2030, is 2030 als maatgevend rekenjaar gehanteerd. In de jaren tussen 2023 en 2030 daalt de jaargemiddelde concentratie luchtverontreinigende stoffen. Dit is het gevolg van dalende emissiefactoren door maatregelen die door (de)centrale overheden genomen worden om de luchtkwaliteit te verbeteren. De dalende trend zal naar verwachting ook aanhouden voor de jaren na 2030. Door voor 2030 als maatgevend jaar te kiezen bij hoge verkeersintensiteiten voor 2035, worden de concentraties luchtverontreinigende stoffen mogelijk overschat en is hiermee sprake van een conservatieve benadering. De referentiesituatie in dit onderzoek bestaat uit de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie. In de referentiesituatie is ook de economische groei tot 2035 opgenomen, samen met reeds vastgestelde plannen voor het gebied die in 2035 gerealiseerd moeten zijn. Deze referentiesituatie wordt ook de autonome ontwikkeling genoemd. Voor de plansituatie is zowel de concentratie stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10 en PM2.5) in kaart gebracht. Er is getoetst aan de normen uit de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, luchtkwaliteitseisen).
De toetsing vindt plaats middels een rekengrid voor een gebied dat 1 tot 1,5 km rondom de beoogde locatie van het voormalig Philipsterrein gelegen is; dit is het studiegebied. Op onderstaande figuur zijn de ligging van het voormalig Philipsterrein, de locatie van het studiegebied, de bestudeerde wegen en de toetspunten weergegeven.
86
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.8.3
Conclusies en aanbevelingen
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen ruim onder de grenswaarden liggen. De maximale concentraties NO2 bedragen daar waar getoetst dient te worden 12,2 ìg/m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde norm van 40 ìg/m3. Er vinden nergens in het studiegebied overschrijdingen plaats van de uurgemiddelde norm voor NO2. Voor PM10 bedragen de concentraties op de locaties waar getoetst dient te worden maximaal 14,0 ìg/m3. Ook voor PM10 wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 ìg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddelde norm voor PM10 bedraagt daar waar getoetst dient te worden 6 dagen. Dit is lager dan het toegestane aantal overschrijdingen van 35 dagen. Ook aan de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde norm PM10 wordt derhalve voldaan. Ook de concentratie zeer fijn stof (PM2.5) ligt ruim onder de jaargemiddelde grenswaarde van 25 ìg/m³. Deze bedraagt maximaal 7,3 ìg/m3. Hiermee wordt aan de norm voor PM2.5 ruimschoots voldaan. Aan alle grenswaarden wordt voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de onderliggende planvorming.
4.9
Aanmeldingsnotitie
4.9.1
Aanleiding
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (de aanleg of het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen in de bijlage onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen, de m.e.r -procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure.
87
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Het voornemen, de transformatie van het voormalig Philipsterrein, valt onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject Voor de transformatie van het terrein en planologische vastlegging via een nieuw op te stellen bestemmingsplan moet een vormvrije m.e.r.- beoordelingsprocedure worden doorlopen. Vormvrij omdat de drempelwaarden (2000 woningen of meer, een oppervlakte van 100 ha of meer, 200.000 m2 bvo of meer) in het Besluit m.e.r. door deze transformatie niet worden overschreden (zie onderstaand kader).
In het geval van de transformatie van het voormalig Philipsterrein worden er maximaal 400 woningen gebouwd, waarbij het gezamenlijk bvo maximaal 41.000 m2 bedraagt. Daarnaast bestaat het stedelijk programa uit creatieve economie en ambachtelijke bedrijvigheid (5.300 m2 bvo), culturele en sociale programmering (7.100 m2 bvo), bedrijvigheid conform het vigerende bestemmingsplan (5.400 m2 bvo), horeca (1.150 m2 bvo) en detailhandel (2.500 m2 bvo). Het bestemmingsplan geldt als besluit als bedoeld in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Omdat het aantal van maximaal 400 woningen de drempelwaarde van 2000 woningen niet overschrijdt en het totaal aantal te ontwikkelen m2 bvo (met 69.605 m2 bvo) onder de drempelwaarde van 200.000 m2 of meer blijft, is er sprake van een zogenaamde vergewisplicht. Dat betekent dat het bevoegd gezag, de gemeente Roermond, zich er van moet vergewissen dat er als gevolg van de voorgenomen transformatie geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Hiertoe moet gekoppeld aan het bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. In het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure is een aanmeldingsnotitie opgesteld (zie Bijlage 23).
Het besluit of er sprake is van de noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure, moet worden genomen door het bevoegd gezag, het college van de gemeente Roermond, alvorens het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt als bijlage bij het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. In de aanmeldingsnotitie wordt getoetst in hoeverre de voorgenomen transformatie van het terrein kan leiden tot 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Hierbij wordt de voorgenomen activiteit getoetst aan de criteria uit Bijlage III van de Europese Richtlijn m.e.r. voor projecten (2011/92/EU, in 2015 gewijzigd: 2014/52/EU). Deze zijn: 1. Kenmerken van de projecten; 2. Locatie van de projecten (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); 3. Soort en kenmerken van het potentiële effect. Het resultaat van de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft twee mogelijke uitkomsten: I. II.
Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een m.e.r.-procedure doorlopen worden. Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet optreden, wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen.
88
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Bij het oordeel of er aanleiding is om de m.e.r.-procedure te doorlopen kan mede worden betrokken in welke mate er maatregelen kunnen worden getroffen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen (mitigatie; artikel 7.16 lid 4). De initiatiefnemer voor de voorgenomen activiteit is Reel BV uit Roermond. In deze aanmeldingsnotitie is, aan de hand van bovengenoemde criteria, een analyse uitgevoerd en wordt antwoord gegeven op de vraag of door de voorgenomen transformatie van het terrein belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden of dat deze kunnen worden uitgesloten. 4.9.2
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en de kenmerken van de voorgenomen activiteit op de voorgestelde locatie worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de beschouwde milieuaspecten verwacht, mits er voor een aantal aspecten mitigerende maatregelen worden getroffen en/of opvolging wordt gegeven aan de geformuleerde aandachtspunten. Daarnaast moet er ten behoeve van een enkel (milieu)aspect nog aanvullend onderzoek uitgevoerd worden in latere planfasen. In de onderzoeken en in onderhavig document zijn voor de (milieu)aspecten akoestiek, milieuzonering, verkeer en parkeren, windhinder, water, natuur en bodem mitigerende maatregelen en/of aandachtspunten geformuleerd. Voor een verdere uiteenzetting wordt verwezen naar Bijlage 23. Op basis van de aanmeldingsnotitie is beoordeeld of er een milieueffectrapportage moet worden gemaakt voorafgaande aan de nog te starten bestemmingsplanprocedure. Burgemeester en wethouders hebben op 12 december 2023 besloten dat voor de activiteit geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.
4.10
Milieuzonering
Uit planologisch oogpunt is onderzocht of de voorgenomen functies op het voormalig Philipsterrein gerealiseerd kunnen worden volgens de milieuzoneringsrichtlijnen in het kader van de Wet milieubeheer (zie Bijlage 24). 4.10.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader voor milieuzonering wordt gevormd door de Wet milieubeheer. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. In dit geval dient de uitwaartse zonering van de al aanwezig bedrijven onderzocht te worden. Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie, met als doel milieugevoelige functies in de omgeving te weren. In de zone rondom de belastende functie gelden beperkingen voor milieugevoelige functies en vice versa. 4.10.2 Onderzoeksresultaten Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkelingen planologisch aanvaardbaar zijn, zijn drie onderzoeksvragen onderzocht: 1. Zijn de voorgenomen ontwikkelingen toegestaan, gegeven de uitwaartse milieuzonering van bestaande bedrijven rondom het Weerstand terrein? 2.
Zijn de voorgenomen ontwikkelingen toegestaan, gegeven de uitwaartse milieuzonering van de beoogde functies op de bestaande gevoelige functies rondom het Weerstand terrein? 3. Zijn de voorgenomen ontwikkelingen toegestaan, gegeven de uitwaartse milieuzonering van de beoogde functies op de beoogde gevoelige functies binnen het Weerstand terrein? Om deze vragen te onderzoeken is het programma vertaald naar onderstaand functieoverzicht per gebouw, welke is gebruikt als uitgangspunt voor de milieuzoneringsanalyse.
89
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Aan de hand van milieubelastende functies, milieugevoelige functies, richtafstanden en functiemenging zijn de onderzoeksvragen onderzocht die leiden tot de in de volgende paragraaf gestelde conclusies. 4.10.3 Conclusies en aanbevelingen Milieuzonering omliggende bedrijven Uit het verkennend milieuzoneringsonderzoek blijkt dat het Weerstand terrein zich binnen de milieucontouren van enkele milieubelastende bedrijven bevindt, op basis van de maximale toegestane milieucategorie volgens het geldende bestemmingsplan. Er liggen echter geen beoogde gevoelige functies binnen deze contouren. Wel ligt gebouw nr. 59 (Dr. Philipslaan 37) binnen de contour van de omliggende bedrijven B en C (zie figuur 3 in Bijlage 24). Voor dit milieuzoneringsonderzoek is ervanuit gegaan dat dit gebouw geen gevoelige functie betreft. Indien bij invulling van deze functie wel een gevoelige functie wordt gerealiseerd, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd, waarbij moet worden gekeken welke afstanden (voor geluid, gevaar of geur) maatgevend zijn en of het effect zich ook feitelijk voordoet aan de hand van de vergunning of melding van het bedrijf.
Milieuzonering buiten het Weerstand terrein Het milieuzoneringsonderzoek heeft aangetoond dat er geen gevoelige verblijfsobjecten in de omgeving van het Weerstand terrein binnen de contouren van de beoogde bedrijfsfuncties aan de zuidzijde van het plangebied vallen. Milieuzonering binnen het Weerstand terrein Het milieuzoneringsonderzoek heeft ook gekeken naar welke milieubelastende functies aanpandig aan beoogde milieugevoelige functies worden gerealiseerd binnen het Weerstand terrein en in hoeverre dit is toegestaan in het kader van functiemenging. Hier geldt dat voor enkele beoogde functies (zie onderstaande tabel) de aspecten geluid, gevaar en geur nader onderzocht dienen te worden.
90
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Beoogde functie Weerstand Urban sporthal (nr. 26) (geluid) Radiostudio (nr. 30) Bedrijfsfuncties (nr. 13, 14 en 25)
Betreft verblijfsobjecten in de omgeving Muziek educatie (nr. 27, 28, 29) Recreatie, sport of yoga functie (nr. 30) Woonfuncties (nr. 15, 18), horeca (nr. 23), culturele en sociale functies (nr. 16 en 17).
In het milieuzoneringsonderzoek was ook nog sprake van een micro bierbrouwerij in het Ketelhuis (nr. 24). Deze functie is inmiddels komen te vervallen, zodat het in het onderzoek voorgestelde nader onderzoek hier niet lager aan de orde is.
4.11
Trillingen
Ten behoeve van de transformatie van het voormalig Philipsterrein te Roermond is een kwalitatieve beschouwing uitgevoerd ten behoeve van het aspect trillingen (zie Bijlage 25). In het onderzoek wordt ingegaan op de trillingsaspecten hinder, schade en invloed op trillingsgevoelige apparatuur ten gevolge van trillingen veroorzaakt door treinpassages over het naastgelegen spoor. 4.11.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van de kwalitatieve beschouwing voor trillingen bij de transformatie van het voormalig Philipsterrein te Roermond is de volgende werkwijze gehanteerd: 1. Situatiebeschouwing - Inventarisatie van de te realiseren bebouwing in relatie tot de omgeving (trillingsbronnen); 2. Beschouwing trillingen - Beschouwing van haalbaarheid van het ontwerp in relatie tot trillingen; 3. Maatregelen en beschrijven van de aandachtspunten met betrekking tot en eventuele beheersmaatregelen. Tevens zijn de volgende normen en richtlijnen geraadpleegd: 1. SBRCURnet, SBR-trillingrichtlijn A - Schade aan bouwwerken:2017, 9789053676523, november 2017; 2. SBR-trillingrichtlijn B - Hinder voor personen, 1e uitgave, januari 2002; 3. SBR-trillingrichtlijn C - Verstoring trillingsgevoelige apparatuur, 2e uitgave, augustus 2002. 4. Ministerie van I&W, Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, T. Klumpert, E.J. Vlijm, P.A. Faber, D.R. van Eijk, 2019.
Daarnaast zijn gegevens uit het BAG voor de bestaande bebouwing, open data van ProRail voor de locatie van de spoorbanen te bepalen en DINOloket (www.dinoloket.nl) gebruikt voor het bepalen van de grondopbouw. 4.11.2 Onderzoeksresultaten In de gebruiksfase van het Weerstandsterrein is er een risico van optreden van onderstaande drie aspecten ten gevolge van de trillingen: a. Het optreden van schade aan de bouwwerken (bedrijfsruimten, woningen, overige constructies). Geraadpleegde richtlijn SBR-deel A - schade aan bouwwerken. b. Het optreden van hinder als gevolg van trillingen voor bewoners en voor personen werkzaam in bedrijfsruimten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat m.b.t. het aspect hinder de streefwaarden behorende bij gebruiksfunctie wonen en zorg de strengste streefwaarden worden toegepast (streefwaarden zijn voor beide gebruiksfuncties gelijk). Geraadpleegde richtlijn SBR-deel B - Hinder voor personen en Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. c. Het verstoren van de bedrijfsvoering van ondernemingen in de nieuwbouw, die gebruik maken van hoogwaardige technologie, die gevoelig zijn voor trillingen (zoals bijvoorbeeld elektronenmicroscopen). Geraadpleegde richtlijn SBR-deel C - verstoring van apparatuur.
91
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Schade aan bouwwerken Voor zowel het aspect hinder voor personen als verstoring trillingsgevoelige apparatuur gelden strengere eisen dan voor het aspect schade aan bouwwerken. Derhalve wordt dit aspect als niet maatgevend beschouwd. Hinder voor personen De panden aan de westkant van de transformatie liggen op minstens circa 120 m van de buitenkant van het spoor. Er kan gesteld worden dat vanaf een afstand van 65 m de trillingen onder de gestelde streefwaarden uit de SBR-deel B vallen (A1 = 0.1). Derhalve is er geen kans op hinder voor personen. Verstoring van trillingsgevoelige apparatuur De panden met een bedrijfsfunctie worden gerealiseerd aan de oostzijde van het spoor. Dit kan in de toekomst nog eventueel wijzigen. Bij de oostelijke ligging van de panden zijn de overige trillingen dominant ten opzichte van de spoortrillingen. Er passeert hier namelijk een gebiedsontsluitingsweg direct langs de oostelijke pandenrij. Er zijn aan de oostzijde derhalve geen noemenswaardige dominante trillingseffecten van de spoorpassages te verwachten. Indien men voornemens is ruimte toe te kennen aan bedrijven die gebruik maken van trillingsgevoelige apparatuur wordt aanbevolen deze op een locatie te situeren waar geen doorgaand gemotoriseerd verkeer passeert.
Maatregelen Ten gevolge van treinverkeer met betrekking tot de drie beschreven trillingsaspecten is er geen risico dan wel kans op overschrijven van de vigerende streef-/grenswaarden. Derhalve hoeven er geen aanvullende maatregelen getroffen te worden. 4.11.3 Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van een kwalitatieve beschouwing op basis van eerder uitgevoerd onderzoek in een gebied met overeenkomende kenmerken wordt geconcludeerd dat de trillingsniveaus dusdanig klein zijn dat er ter hoogte van de panden geen risico is op schade, hinder of verstoring van trillingsgevoelige apparatuur.
4.12
Verkeer
Het transformeren van een bestaande locatie vraagt naast een goede ruimtelijke afweging over functie, vormgeving en inpassing, ook om het in beeld brengen van de verkeerseffecten. Bij een nieuw bestemmingsplan wordt gesteld dat de effecten van het voornemen voor verkeer goed moeten worden onderbouwd. De onderbouwing van de verkeersaspecten speelt mee bij de beoordeling van het plan. Hierbinnen ligt nadruk op de effecten van de transformatie op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). Derhalve is een verkeerstoets opgesteld (zie Bijlage 26) welke inzichtelijk maakt wat de verkeersimpact van de transformatie is op het omgevende wegennet, wat het aantal benodigde parkeerplaatsen is en of er problemen optreden op het gebied van verkeersveiligheid of doorstroming. 4.12.1 Wettelijk kader Voor het berekenen van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van het voornemen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Algemeen De verkeersgeneratie en parkeerbehoefte is per gebouw/plandeel berekend en weergegeven. Op deze manier is de verdeling door het gebied inzichtelijk. Voor het bouwprogramma is uitgegaan van het Stedenbouwkundig Structuurontwerp.
92
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Nota Parkeernormen 2021 Gemeente Roermond Het projectgebied is gelegen in gebied 'schil'. Niet iedere voorziene functie in het plangebied is opgenomen in de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Roermond. Voor sommige functies is maatwerk toegepast. Wanneer dit het geval is, is dit aangegeven in de parkeerberekening. De toegepaste functies zijn gebaseerd op vergelijkbare gevallen in Roermond of de rest van het land. ASVV 2021, CROW Het projectgebied is gelegen in het gebied 'schil centrum'. Op basis van gemeentelijke bevolkingsdichtheid is uitgegaan van 'matig stedelijk'. Er is uitgegaan van een gemiddelde van de boven- en ondergrens van de bandbreedte van de desbetreffende functie in de CROW publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren'). Hiervoor is gekozen gezien de ligging van het plangebied iets buiten het centrum, maar wel binnen fietsafstand vanaf het treinstation. Ondanks dat de fietser en voetganger een belangrijke rol vervullen in deze transformatie is gekozen voor het gemiddelde van de beide bandbreedtes om zo een 'worstcase-scenario' te schetsen. Hiermee worden de gevolgen van de transformatieplannen eerder overschat, dan onderschat. Regionaal Verkeersmodel Midden Limburg 2019 Voor het verkeersmodel is gebruik gemaakt van het Verkeersmodel Limburg, Regiomodel Midden-Limburg, prognosejaar 2040Hoog_V23.
In deze verkeerstoets wordt gekeken naar basisjaar 2018 (in 2023 gekalibreerd op basis van verkeerstellingen uit 2022) en prognosejaar 2040. Voor de analyses ten behoeve van deze verkeerstoets is uitsluitend gekeken naar prognosejaar 2040, zowel de autonome situatie als de plansituatie. Het scenario met de uitbreiding van Sijben Keukens en Outdoor is gehanteerd als autonome situatie. 4.12.2 Onderzoeksresultaten De verkeerstoets is onderverdeeld in verschillende hoofdstukken waarbij wordt ingegaan op: parkeren (autoparkeren en fietsparkeren), verkeersgeneratie (huidige situatie en plansituatie) en effecten op omgeving (ontsluiting gebied en kruispunten). Voor inzicht in de behandeling van deze thema's wordt verwezen naar de hoofdstukken 3, 4 en 5 van Bijlage 26. Op basis hiervan zijn de conclusies en aanbevelingen geformuleerd zoals in de volgende paragraaf uiteengezet. 4.12.3 Conclusies en aanbevelingen Conclusies Autoparkeren Met het voornemen zijn er in totaal 663 aantal parkeerplekken nodig. Dit betreft 401 parkeerplekken ten behoeve van de bewoners van het gebied en 262 parkeerplekken ten behoeve van bezoekers van het gebied. Het uitgangspunt is dat de bewoners van het gebied een privéparkeerplaats krijgen, welke dus niet door anderen gebruikt kan worden. De parkeerplekken voor de bezoekers van het gebied dienen openbaar te zijn.
In het plan zijn circa 750 parkeerplaatsen voorzien. Er is dus ruim voldoende parkeerplek voorzien in het gebied. Fietsparkeren De gemeente Roermond is een van de gemeentes die beleid heeft vastgesteld voor het aantal benodigde fietsparkeerplekken. Met het voornemen zijn er in totaal 1.352 aantal fietsparkeerplekken nodig. Van deze fietsparkeerplekken dienen 734 inpandig gerealiseerd te worden, verdeeld over de verschillende gebouwen in het gebied (voor exacte verdeling zie paragraaf 3.2.1 van Bijlage 26). Naast de inpandige stallingen dienen ook 618 aantal fietsparkeerplekken in de openbare ruimte gerealiseerd te worden, verdeeld over het gebied (voor exacte verdeling zie paragraaf 3.2.2 van Bijlage 26). Deze dienen in de
93
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
nabijheid van de ingang(en) van het gebouw gerealiseerd te worden. Verkeersgeneratie Publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ van het CROW, op basis waarvan de verkeersgeneratie berekend wordt, geeft een minimale en maximale verkeersgeneratie per functie. Hiervan is het gemiddelde genomen. Per werkdag genereert de planontwikkeling 4.606 mvt/etmaal. Geconcludeerd wordt dat over het algemeen geen doorstromingsproblemen worden verwacht op wegvakniveau. In zowel de autonome situatie als de plansituatie in prognosejaar 2040 op de Bredeweg (telpunt 1) wordt de capaciteit van 15.000 mvt/etmaal van de gebiedsontsluitingsweg overschreden. Het overschrijden van de capaciteit van een wegvak heeft als gevolg dat de kans op filevorming en vertraging groter wordt. De knelpunten met betrekking tot doorstroming zijn echter altijd de kruispunten in het netwerk. Voor zowel het kruispunt Bredeweg - Julianalaan en de rotonde Bredeweg – Venloseweg zijn analyses uitgevoerd of de doorstroming op deze kruispunten voldoende blijft (zie hieronder). Ook op de Julianalaan worden in zowel de autonome situatie als de plansituatie de capaciteit van het wegvak (6.000 mvt/etmaal) overschreden. De gemeente Roermond is samen met WijZijnMaasniel voornemens om een onderzoek in te stellen naar het terugdringen van het aantal verkeersbewegingen op de Julianalaan.