Bijlage 2 – concept plantoelichting met bijlagen ‘bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand)’ DEEL I (p. 1-210)
Tekst van het document
58
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
onderworpen aan een toets aan het beleid als onderdeel van de Ladder (zie paragraaf 3.2.2.1). Derhalve wordt met de transformatie van het voormalig Philipsterrein er voor gezorgd dat er geen strijdigheid optreedt met, in dit geval, het horecabeleid van de gemeente. Voorgenomen horeca past ruimtelijk functioneel gezien bij de groeiende horecamarkt, de trend van nieuwe eet-/horecaconcepten en het veranderen van eetpatronen van de consument. De voorgenomen horecavoorzieningen dragen bovendien bij aan een plek van samenkomst. Een plek waar detailhandel en horeca, tezamen met het stedelijk programma met creatieve economie, ambachtelijke bedrijvigheid en het culturele en sociale programma een concentratie aan stedelijk programma vormen. 3.3.8
Duurzaamheid
Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2020-2024 Het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2020-2024 van Roermond heeft als doel de stad te transformeren naar een duurzame en toekomstbestendige stad, waarin de kwaliteit van het leven en het milieu centraal staan. Specifiek richt het programma zich op verschillende terreinen, waaronder energie, mobiliteit, circulaire economie en klimaatadaptatie. Het programma bouwt voort op het eerder vastgestelde Duurzaamheidsplan en vertaalt de doelstellingen naar concrete acties en projecten voor de komende jaren. Het programma omvat verschillende actielijnen, zoals het verduurzamen van de gemeentelijke gebouwen, het stimuleren van energiebesparing en duurzame energieopwekking bij bedrijven en huishoudens, en het bevorderen van duurzame mobiliteit, bijvoorbeeld door het aanleggen van fietsroutes en het stimuleren van elektrisch rijden. Ook wordt er ingezet op het stimuleren van de circulaire economie, bijvoorbeeld door het verminderen van afval en het aanmoedigen van hergebruik van grondstoffen. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan klimaatadaptatie zoals het vergroenen van de stad om hittestress te verminderen en het anticiperen op wateroverlast.
Relatie met voorliggend bestemmingsplan Met de transformatie van het voormalig Philipsterrein wordt gebouwd aan een duurzaam en toekomstbestendig stadsdeel waarin bovendien het merendeel van de bestaande gebouwen behouden blijft. Het totaal aan verharding neemt af en de verharding waar wel nog sprake van is bestaat voor het overgrote deel uit reeds aanwezige verharding. Dit is in lijn met het gedachtegoed van circulariteit en klimaatadaptatie. Het karakter van het terrein in het toekomstige gebied wordt gekenmerkt door onder meer autoluw en focus op langzaam verkeer, tal van groenstructuren, geïntegreerde parkeervoorzieningen, de aanwezigheid van elektrische laadpalen en zonnepanelen. Deze eigenschappen passen in de lijn zoals geschetst in het uitvoeringsprogramma. 3.3.9
Water
Het gemeentelijk beleid dat betrekking heeft op het aspect water is vastgelegd in het GRP van 2017-2021. Dit GRP wordt vooralsnog verlengd. Met name de informatie voor de watertoets uit bijlage 6 is van toepassing. Uit het GRP hebben de volgende punten betrekking op de ontwikkellocatie: Bij nieuwbouw is het verplicht om hemelwater en vuil water gescheiden te houden. Hiervoor is een berging van 50 mm ten opzichte van het verharde oppervlak vereist. Deze berging dient binnen 1 uur geborgen te kunnen worden en binnen 24 uur weer beschikbaar te zijn. Ten behoeve van het eigen risico dienen de gevolgen van een bui T=100 (84 mm in 48 uur) doorgerekend te worden. Indien het niet aantoonbaar is dat bij deze bui geen schade of overlast optreedt, dan bedraagt de bergingsopgave 84 mm. De gemeente heeft de ambitie om honderd procent van het verharde oppervlak af te koppelen en het schone hemelwater te infiltreren in de bodem, dit geldt ook voor nieuwbouw. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet meer mogelijk is, kan gekozen worden voor afvoeren. Hiertoe dient 15% van het totale plangebied gereserveerd te worden voor waterberging, de zogenaamde "blauwe ruimte". De voorziening moet afgestemd zijn op de kenmerken van de ondergrond. Als er goed kan worden geïnfiltreerd, heeft een infiltratievoorziening de voorkeur.
Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening. Als de infiltratiecapaciteit van de bodem slecht is of de gemiddelde hoogste
59
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
grondwaterstand zich dicht bij het maaiveld bevindt, wordt aanbevolen om een opvang van het hemelwater te realiseren die langzaam leegloopt naar het oppervlaktewater. Hiervoor is het noodzakelijk om een goede indruk te krijgen van de ondergrond. Boringen met een minimale diepte van 3,50 meter beneden maaiveld en een onderzoek naar de k-waarde (mate van water-doorlatendheid) van de grond zijn hierbij onontbeerlijk. De boring tot minimaal 3,50 meter geeft meteen een beeld van de gemiddelde hoogste waterstand (GHG) ter plaatse. Voordat bouwpeilen bepaald worden, dient het totale bouwplan in beeld te zijn voor wat betreft N.A.P.-hoogtes. Dit betreft de DO fase. Met behulp van deze DO fase dient ter bepaling van het bouwpeil met het volgende rekening gehouden te worden; vanaf de erfgrens tot aan de hoofdingang van het bouwwerk dient een oplopend afschot van 2,5% aangebracht te worden, teneinde te voorkomen dat water naar het bouwwerk kan toestromen. Van de DO fase dient vervolgens een interactieve en integrale ruimtelijke analyse van het watergedrag gemaakt te worden, een zogenaamde "waterscan". Dit om in kaart te brengen wat in het bouwplan gebeurt als er een T=100 bui valt. Met de waterscan kunnen heel nauwkeurig de waterstromingen over het oppervlak in beeld worden gebracht en komen de kwetsbare delen van het bouwplan in beeld.
De particulier is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de afvoer van hemelwater dat op zijn perceel valt, infiltreren is de eerste optie. Het hemelwater van het perceel mag geen overlast voor de omgeving veroorzaken. Relatie met voorliggend bestemmingsplan Met de transformatie van het voormalig Philipsterrein is het vigerend waterbeleid in kaart gebracht, zo ook het GRP. Tevens zijn er verschillende momenten van afstemming met de gemeente en het waterschap geweest waarin het GRP nader besproken is. Dit heeft geresulteerd in de opgestelde watertoets welke wordt behandeld in paragraaf 4.13 en volledig te raadplegen is als Bijlage 27. Het voornemen is mede door de afstemmingsoverleggen in lijn met hetgeen gesteld in het GRP. 3.3.10 Overig sectoraal beleid Toekomstvisie Roermond 2030 De toekomstvisie Roermond 2030 geeft richting aan de ontwikkeling van de stad tot het jaar 2030. De visie is gebaseerd op vier centrale thema's: duurzaamheid, identiteit, economie en sociale cohesie. Binnen elk thema worden specifieke doelstellingen nagestreefd, zoals het bevorderen van duurzame energie, het versterken van de cultuurhistorische identiteit, het stimuleren van innovatie en ondernemerschap, en het verbeteren van de leefbaarheid en sociale samenhang in de stad. De visie streeft naar een gezonde en leefbare stad met een sterke identiteit en een evenwichtige economie.
Dit wordt onder andere geactualiseerd door het versterken van de binnenstad, het ontwikkelen van duurzame bedrijvigheid en het bevorderen van duurzaamheid en innovatie. Ook wordt er ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en het stimuleren van participatie en betrokkenheid van burgers bij de ontwikkeling van de stad. Relatie met voorliggend bestemmingsplan Er kan gesteld worden dat het voornemen in lijn is met de toekomstvisie van Roermond. Alhoewel er op het terrein geen sprake is van cultuurhistorische waarden, maar wel van cultuurhistorisch interessante gebouwen, zorgt de transformatie van het Philipsterrein er met de beeldbepalende identiteit voor dat de cultuurhistorische identiteit versterkt wordt, er ruimte is voor ondernemerschap en leefbaarheid en sociale samenhang bevorderd wordt. Dit laatste niet alleen binnen het terrein, maar ook in relatie tot de directe omgeving (waar dit nu nog een volledig afgesloten terrein betreft zonder interactie met de omgeving). In het gehele proces ter transformatie van het terrein zijn tal van Omgevingslabs georganiseerd om burgers te betrekken bij de transformatie en op deze wijze tot een passend plan te komen dat aansluit op de behoeften.
60
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen. In dit hoofdstuk worden derhalve de ruimtelijk relevante omgevingseffecten beschreven.
4.1
Archeologie
Voor het onderhavige bestemmingsplan is ervoor gekozen om op dit moment nog geen archeologisch onderzoek uit te voeren. Volgens de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Roermond worden aan het plangebied de volgende waarden toegekend: 'Gebied met hoge archeologische verwachting' en 'Historische kern', zoals onderstaand figuur toont.
Ter bescherming van deze waarden is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' opgenomen. Dit houdt in dat op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden geen bebouwing mag worden opgericht met uitzondering van de in artikel 14.2 genoemde bouwregels. Conform artikel 14.3 kan bevoegd gezag met een omgevingsvergunning onder genoemde voorwaarden afwijken van het bepaalde in de bouwregels. In de praktijk houdt dit in dat bij ingrepen, zoals ten behoeve van de transformatie van het voormalig Philipsterrein, mogelijk archeologisch (voor)onderzoek uitgevoerd dient te worden als onderdeel van een omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
61
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.2
Akoestiek
Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Omdat de nieuwe woningen in de geluidzone van verschillende wegen en een spoorweg liggen, moet conform de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidbelasting van die (spoor)wegen. Het doel van dit akoestisch onderzoek is het toetsen of ter plaatse van het plangebied met nieuwe woningen voldaan wordt aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting van het wegverkeer is berekend voor de toekomstige situatie in 2035, inclusief het verkeer dat gegenereerd wordt door de invulling van het plangebied. Voor de berekening van het railverkeerslawaai is gebruik gemaakt van de registerdata. Een klein deel van het plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Heide Roerstreek. De geluidbelasting vanwege het industrielawaai is berekend en getoetst ter plaatse van de nieuwbouw in het plangebied. De resultaten zijn opgenomen in dit geluidrapport (zie Bijlage 8) en zijn samengevat in paragraaf 4.2.2. Hierbij zij opgemerkt dat in juli 2024 de verkeerstoets is geactualiseerd op basis van recente verkeerscijfers. De uitkomsten daarvan hebben evenwel ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan geen consequenties voor de resultaten van het akoestisch onderzoek, De bevindingen en conclusies van het akoestisch onderzoek blijven daarmee in stand. 4.2.1
Wettelijk kader
De geluidwetgeving vanwege wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai is uitgewerkt in de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder. In deze paragraaf is een samenvatting opgenomen van die onderdelen van het wettelijke kader die relevant zijn voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. De nieuwe woningen op het voormalig Philipsterrein zijn geprojecteerd in de wettelijke geluidzone van de volgende (spoor)wegen (zie onderstaand figuur): Venloseweg/Broekhin Zuid: deze weg bestaat uit 2x1 rijstrook en ligt in stedelijk gebied. De geluidzone is 200 m; Bredeweg/Julianalaan: deze weg bestaat uit 2x1 rijstrook en ligt in stedelijk gebied. De geluidzone is 200 m; Maasnielderweg: deze weg bestaat uit 2x1 rijstrook en ligt in stedelijk gebied. De geluidzone is 200 m; Dr. Philipslaan: deze weg bestaat uit 2x1 rijstrook en ligt in stedelijk gebied. De geluidzone is 200 m; N280: deze weg bestaat uit 2x3 rijstroken en ligt ter hoogte van het plangebied deels in stedelijk gebied en deel uit buitenstedelijk gebied. Als geluidzone is 600 m aangehouden; Spoorlijn: het plangebied ligt ter hoogte van de referentiepunten 51015, 51017, 51019 en 51021. De plafondwaardes op deze punten bedragen 64 tot 65 dB. Dit betekent dat de geluidzone van de spoorlijn maximaal 300 m breed. Het plangebied ligt binnen 300 m van de spoorlijn.
De Minister Bongaertsstraat heeft geen geluidzone, omdat de maximumsnelheid 30 km/u bedraagt op deze weg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting afkomstig van deze weg wel berekend.
62
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Figuur: ligging van de wegen met een geluidzone (rood) en zonder geluidzone (groen) en spoorlijn (blauwe stippellijn)
Voor een nadere toelichting op het wettelijk kader, de gehanteerde uitgangspunten, de invoergegevens en de rekenresultaten wordt verwezen naar Bijlage 8.
4.2.2
Onderzoeksresultaten
Wegverkeerslawaai De geluidbelasting van de N280, Bredeweg/Julianalaan, Maasnielderweg, Venloseweg/Broekhin Zuid en de Dr. Philipslaan is berekend ter plaatse van de plangrens. De geluidbelasting is weergegeven na aftrek conform artikel 110g Wgh. Uit de rekenresultaten blijkt dat: De geluidbelasting afkomstig van de N280 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt ter plaatse van de plangrens. De geluidbelasting bedraagt maximaal 50 dB. De geluidbelasting afkomstig van de Bredeweg/Julianalaan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De geluidbelasting bedraagt maximaal 58 dB. De geluidbelasting afkomstig van de Maasnielderweg eveneens de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt . De geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB. De maximaal toegestane waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting afkomstig van de Dr. Philipslaan maximaal 50 dB bedraagt en de voorkeursgrenswaarde met 2 dB overschrijdt. De geluidbelasting afkomstig van de Venloseweg/Broekhin Zuid de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. De maximaal toegestane waarde van 63 dB langs geen van de onderzochte wegen overschreden wordt.
63
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de geluidbelasting vanwege de Minister Bongaertsstraat berekend (30 km/h). De geluidbelasting afkomstig van deze weg bedraagt maximaal 44 dB en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet. Op de hoofdrijbanen van de N280 is reeds een geluidstiller wegdektype dunne deklagen B aangebracht. Met een stiller wegdektype kan de geluidbelasting afkomstig van de Bredeweg, Maasnielderweg en Dr. Philipslaan met enkele dB’s worden gereduceerd. Langs de N280 zijn reeds 2 m hoge geluidwallen en -schermen aanwezig. Het plaatsen van geluidschermen langs binnenstedelijke wegen, zoals Bredeweg, Maasnielderweg en Dr. Philipslaan, ligt niet voor de hand. Wel kan bij de verdere uitwerking van het plangebied gekozen worden voor het realiseren van de niet geluidgevoelige bestemmingen op de hoogst geluidbelaste locaties. De niet geluidgevoelige functies schermen dan de woningen af. Railverkeerslawaai De geluidbelasting van het railverkeer is berekend ter plaatse van de plangrens. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting afkomstig van het railverkeer de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschrijdt. De geluidbelasting bedraagt maximaal 61 dB. De maximaal toegestane waarde van 68 dB wordt niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai wordt overschreden op de hogere bouwlagen.
Het plaatsen van geluidschermen langs het spoor is daarom geen zinvolle maatregel. Industrielawaai Uit de rekenresultaten van het industrieterrein Heide en Roerstreek blijkt dat de geluidbelasting afkomstig van het industrieterrein de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overschrijdt ter plaatse van woontoren SR. De geluidbelasting bedraagt maximaal 54 dB(A). De maximaal toegestane waarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Dit betekent voor het woonblok hogere waarden moeten worden vastgesteld vanwege industrielawaai. De nieuwe geluidgevoelige bestemmingen liggen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein, waarvan de geluidzone is vastgelegd in een bestemmingsplan. Het treffen van maatregelen om de geluidbelasting van een industrieterrein te reduceren is voor dit plangebied niet realistisch. 4.2.3
Conclusie en aanbevelingen
Voor wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai blijkt uit de rekenresultaten dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarden overschrijdt, maar de maximaal toegestane waarden niet worden overschreden. Omdat de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, moet naar de mogelijkheden en effectiviteit van maatregelen worden gekeken. Hierbij gaat de voorkeur uit naar bronmaatregelen, gevolgd door het treffen van maatregelen in de overdracht. Als maatregelen de geluidbelasting niet voldoende reduceren of op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Burgemeester en Wethouders zijn het bevoegd gezag voor het vaststellen van hogere waarden. Bij de bouwaanvraag wordt aangetoond dat de normen voor het binnenniveau niet worden overschreden. De norm voor de binnenwaarde bedraagt 33 dB voor wegverkeerslawaai, 35 dB voor railverkeerslawaai en 30 dB(A) voor industrielawaai.
4.3
Beschaduwing
In beschaduwingsonderzoek is de beschaduwing van de transformatie van het voormalig Philipsterrein op haar omgeving onderzocht alsmede de beschaduwing van de bouwblokken onderling. Hierbij wordt getoetst aan gangbare richtlijnen. De schaduwworp van de transformatie op de omgeving is inzichtelijk gemaakt voor maatgevende momenten, tevens zijn berekeningen uitgevoerd waarbij het aantal zonne-uren op gevels van woningen inzichtelijk is gemaakt (zie Bijlage 9).
64
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.3.1
Wettelijk kader
Er bestaan geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande of nieuwe functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar die heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. In Nederland wordt om eventuele hinder ten gevolge van nieuwe gebouwen in kaart te brengen vaak gebruik gemaakt van de zogenaamde lichte TNO-norm voor bezonning. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling of -transformatie. De norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden). Voor hoek- en doorzonwoningen mag bezonning op zij- of achtergevels worden opgeteld. In principe geldt de TNO-norm voor alle gevels. In de praktijk zal een noord georiënteerde gevel niet aan de norm kunnen voldoen, omdat enkel in de zomer zonlicht aan de noordzijde schijnt. Doorgaans wordt er derhalve voornamelijk naar oost-, west- en zuidgevels gekeken om de gevolgen van bouwplannen inzichtelijk te maken. Bovenstaande eisen gelden alleen voor woonfuncties.
Er zijn in Nederland geen specifieke eisen gesteld aan beschaduwing van functies zoals kantoren, winkels, hotels of andere gebouwfuncties. 4.3.2
Onderzoeksresultaten
Maatgevende data voor een beschaduwingsstudie zijn onderstaand weergegeven. De zonnestand van 19 februari en 21 oktober enerzijds en 21 maart en 21 september anderzijds is (behoudens het verschil vanwege winter- of zomertijd) identiek. Navolgend wordt 21 juni als maatgevend voor de zomersituatie genomen, 21 september voor lente of herfst en 21 oktober voor de start- en eindperiode van de toetsing. Datum 19 februari 21 maart 21 juni 21 september 21 oktober
Periode Wintertijd Wintertijd Zomertijd Zomertijd Zomertijd
Omschrijving Start toetsingsperiode TNO norm Equinox: zon staat loodrecht boven de evenaar Zomerwende: meest noordelijke zonnestand, langste dag van het jaar Equinox: zon staat loodrecht boven de evenaar Einde toetsingsperiode TNO norm
De schaduwtrajecten voor de zomer, herfst en einde toetsingsperiode TNO is per uur inzichtelijk gemaakt. Navolgend is gekeken naar de totale dagelijkse bezonning op gevels op 21 oktober De zonnestand is op deze dag lager dan 21 september of 21 juni. Dit is derhalve een worst-case benadering; de bezonning gedurende de overige periodes zal steeds langer zijn. De bezonning is uurlijks cumulatief (niet noodzakelijkerwijze aaneengesloten) berekend tussen zonopkomst en -ondergang. Er wordt uitsluitend naar direct invallend zonlicht gekeken bij deze berekeningen. Daglicht (diffuus licht) wordt hierbij niet meegenomen. De berekening van het aantal zonne-uren op de gevel(s) vindt plaats door iedere 50 cm meetpunten op de gevel te plaatsen. Binnen de periode tussen zonsopgang en -ondergang is vervolgens bepaald indien direct zonlicht op de meetpunten kan vallen en dus niet beschaduwd wordt. De ontvangst van direct zonlicht is in realiteit afhankelijk van de weersomstandigheden zoals de bewolkingsgraad. De zonne-uren betreft de periode dat de gevel zeker niet belemmerd wordt door beschaduwing van de omgeving. 4.3.3
Conclusies en aanbevelingen
De transformatie van het voormalig Philipsterrein is geanalyseerd op gebied van bezonning cq. beschaduwing. De prestaties zijn daarbij getoetst aan de TNO-norm, waarbij een minimum van 2 uur bezonning per dag voor een woning wenselijk is. Op basis van de analyse worden de volgende conclusies getrokken:
65
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Schaduwtraject planlocatie In de zomer (21 juni) is de schaduwlengte van de planlocatie zeer kort door een hoge zonnestand. Er is in dit geval geen beschaduwing van omliggende bestaande woningen en vrijwel geen onderlinge beschaduwing van nieuwe bouwblokken. Ook in de herfst (21 september) en lente is beschaduwing van de bestaande omgeving vrijwel niet aan de orde. Lange schaduwtrajecten komen enkel vroeg en laat op de dag voor en lange(re) schaduwval van hoogbouw reikt niet tot bestaande woningen. Gedurende de middaguren is tussen de bouwblokken aan de noordoostzijde onderlinge beschaduwing, echter voor en na de middag is er nog voldoende direct zonlicht. Aan het begin of eind (21 oktober) van de toetsingsperiode zorgt een lage zonnestand voor langere schaduwtrajecten. Gedurende de dag is er desondanks voldoende zonlicht voor omliggende bestaande woningen, enkel aan het einde van de dag worden de woningen aan de Bredeweg na 16 uur beschaduwd. De onderlinge afstand voor de bouwblokken aan de noordoostzijde is relatief kort waarbij er onderlinge beschaduwing tussen volumes voorkomt. Doorheen de dag is er per gevel oriëntatie wel de mogelijkheid voor kortdurende bezonning. Detail analyse bestaande woningen De bezonning op 21 oktober is onderzocht voor woningen aan de noord- en oostzijde van het plangebied.
De situatie op 21 september of 21 juni is qua bezonning in alle gevallen positiever. Woningen aan de Maasnielderweg (noordzijde perceel) ontvangen ruimschoots voldoende zonlicht (>6 uur) doordat er in de directe nabijheid geen grote bouwvolumes zijn gepland. Woningen ten noordoosten van het plangebied aan de Maasnielderweg ontvangen aan de achtergevel en zijgevel 4 uur of meer zon. De noordgevel van deze woningen ontvangt weinig zonlicht vanwege de oriëntatie, de planontwikkeling heeft hier geen invloed op. Woningen aan de Bredeweg (oostzijde perceel) ontvangen ook voldoende zonlicht (>4 uur). Beschaduwing van bestaande woningen vormt geen knelpunt voor de transformatie. Detail analyse nieuwe woningen in het plangebied Er wordt voornamelijk aan de noordoost- en zuidzijde van het plangebied gebouwmassa toegevoegd. Aan de noordwestzijde en midden in het plangebied zijn kleinschalige torens voorzien. De bebouwing aan de zuidwestzijde van het perceel (bouwblok DP, O en C in deze rapportage) ontvangt ruimschoots voldoende zonlicht. De lage gebouwhoogte voorkomt onderlinge belemmeringen waardoor er meer dan 4 uur bezonning op 21 oktober (strengste moment in meetperiode) aanwezig is. Bouwblok AB ondervindt onderlinge beschaduwing van de torens aan de westzijde en aangrenzende bebouwing.
Voor lage woningen (typologie grondgebonden gezinswoningen) dichtbij de torens is de bezonningsduur een knelpunt. De bezonningsduur per gevel is minder dan 2 uur maar minimaal 1 uur. Als rijwoning of doorzonwoning waarbij de bezonning aan voor- en achtergevel wordt opgeteld voldoen deze woningen op 21 oktober (strengste moment in meetperiode) aan de TNO norm. De laagbouw aan de zuidoostzijde van het perceel (blok L) is primair naar het oosten georiënteerd. Deze volumes ondervinden weinig onderlinge beschaduwing uit de omgeving buiten het perceel omdat dit ook laagbouw betreft. Derhalve wordt er ruimschoots aan de bezonningseisen voldaan. Geconcludeerd wordt dat de beschaduwing ten gevolge van het plangebied naar de omgeving geen belemmering vormt voor de transformatieplannen. Onderlinge beschaduwing van nieuwe bouwblokken is op enkele plaatsen kritisch, voornamelijk ter hoogte van grondgebonden gezinswoningen in bouwblok AB. Als doorzonwoning of rijwoning voldoen deze woningen (en daarmee alle woningen) aan de TNO norm voor bezonning.
66
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
4.4
Bodemkwaliteit
Ten behoeve van de transformatie is een verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek verricht op het voormalig Philipsterrein te Roermond (zie Bijlage 10). Het terreindeel rond gebouw OC (29.050 m²) is medio 2021 reeds onderzocht (zie Bijlage 11) en gerapporteerd door Arcadis. Het in deze rapportage beschreven onderzochte terrein heeft een oppervlakte van circa 31.080 m². Hiervan is het overgrote deel bebouwd of verhard met klinkers of stelconplaten. Risicoevaluatie Voortkomend uit afstemming met de gemeente Roermond en de provincie Limburg is een risicoevaluatie opgesteld (zie Bijlage 12). In deze evaluatie is beoordeeld of er sprake is van humane risico's, ecologische risico's en verspreidingsrisico's. Vluchtige stoffen Uit historisch onderzoek blijkt dat bij de voormalige industriële activiteiten een heel scala aan chemische oplos- en toevoegmiddelen is toegepast. In de huidige situatie zijn als potentiële emissiebronnen verontreinigde grond en grondwater aanwezig. De gebouwen (casco) vormen eveneens een potentieel risico omdat deze jarenlang in meer of mindere mate zijn blootgesteld aan oplosmiddelen. Om het humaan toxicologisch risico als gevolg van uitdamping van vluchtige organische componenten (VOC) vanuit de bodem inzichtelijk te maken, zijn binnenluchtonderzoeken uitgevoerd in de gebouwen A, B, C en L.
Er zijn geen potentiële bronnen meer bekend vanuit machines, leidingen en opslagtanks. Er is uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar mogelijke belemmeringen voor het toekomstig gebruik (zie Bijlage 14, Bijlage 15 en Bijlage 16). De resultaten van de onderzoeken worden hierbij getoetst aan de maximaal toelaatbare concentratie in de lucht (hierna: TCL-waarden). Aan de hand van deze toetsing wordt een uitspraak gedaan over mogelijke nadelige gezondheidseffecten als gevolg van deze blootstelling (humaan-toxicologisch risico).
4.4.1
Wettelijk kader
4.4.1.1 Bodemkwaliteit (chemisch) Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN, 2016), NEN 5707+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest en partijen grond, NEN, 2017) en NTA 5755 (Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging, NEN, 2010). Doel Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het freatisch grondwater in gehalten boven de achtergrondwaarde of streefwaarde, of te bevestigen dat (bepaalde delen van) de locatie verontreinigd zijn met de verwachte stoffen. Het doel van het verkennend onderzoek asbest in de bodem is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest van de bodem terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Op het terrein zijn er vier locaties waar in voorgaande bodemonderzoeken een bodemverontreiniging is aangetoond. Ter plaatse wordt een nader bodemonderzoek uitgevoerd om de aard en omvang van de bodemverontreiniging in beeld te krijgen. Het bodemonderzoek is niet gericht op het vaststellen van de mogelijkheden voor hergebruik van (eventueel) in een later stadium af te voeren grond.
Op hergebruik van grond is onder de huidige wetgeving het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Voor bodemonderzoek dat in het kader van grondverzet wordt uitgevoerd, gelden andere onderzoeksprotocollen.
67
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Wel zijn de onderzoeksresultaten indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Het doel daarvan is om een indicatie te krijgen van de mogelijkheden om eventueel vrijkomende grond te hergebruiken. Aanpak Het verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek wordt voorafgegaan door een vooronderzoek volgens NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, 2017). Op basis van dit vooronderzoek is een Conceptual Site Model (CSM) opgesteld. In een CSM wordt de verontreinigingssituatie beschreven in de context van de activiteiten en historie van de onderzoekslocatie. Daarnaast wordt een inventarisatie gemaakt van data gaps en leemten in kennis. Op basis van de resultaten uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Afhankelijk van eventuele aanwijzingen over de aanwezigheid van een bodemverontreiniging wordt een locatie geclassificeerd als 'verdacht' of 'onverdacht'. Op basis van deze classificatie wordt een hypothese geformuleerd, welke vervolgens aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt getoetst. Bij een onderzoek op een 'onverdachte' locatie wordt de hypothese getoetst dat er geen verontreiniging aanwezig is, bij een onderzoek van een verdachte locatie wordt de hypothese getoetst dat wel een (specifieke) verontreiniging aanwezig is.
Daarnaast is het verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek erop gericht om het CSM aan te vullen waar nog data gaps zijn geïdentificeerd. 4.4.1.2 Vluchtige stoffen Om het humaan-toxicologisch risico ten gevolge van een bodemverontreiniging in kaart te brengen, heeft het RIVM een richtlijn opgesteld welke is omschreven in RIVM rapport 711701048/2007. Deze richtlijn schrijft voor dat luchtmetingen naar vluchtige componenten van verontreinigingen op de volgende locaties moeten worden bepaald: 1. Verblijfsruimte; De concentratie wordt in ieder geval gemeten in een ruimte op de begane grond waar de bewoners of gebruikers zich het meest bevinden. Optioneel kan een meting worden verricht in een tweede ruimte, bijvoorbeeld op de eerste verdieping. 2. Kruipruimte/kelder; Om inzicht te krijgen in de mate van invloed van de aanwezige bodemverontreiniging op de binnenlucht, worden metingen gedaan in kruipruimte en/of kelder (onder maaiveld). 3. Referentiemeting buitenlucht; Om te bepalen of een eventueel verhoogde concentratie het gevolg is van de bodemverontreiniging en niet van externe bronnen, wordt een controlemeting uitgevoerd in de buitenlucht. Conform de richtlijn van het RIVM is er gedurende een periode van één week (7 dagen) gemeten. Voor een verdere beschrijving van de onderzoekskaders en -methoden wordt verwezen naar de bijlage (Bijlage 14, Bijlage 15 en Bijlage 16). 4.4.2
Onderzoeksresultaten
4.4.2.1 Bodemkwaliteit (chemisch) Op basis van het vooronderzoek en de beschrijving van het CSM is de onderzoekshypothese en de bijbehorende onderzoeksstrategie geformuleerd. Aan de hand van inzicht in de bodemopbouw en het grondwater, de waarnemingen in het veld, laboratoriumonderzoek en toetsing van de analyseresultaten en ten slotte interpretatie van voorgenoemden blijkt dat de vooraf opgestelde hypothese 'verdacht' voor de onderzoekslocatie als geheel en de verschillende deellocaties juist is. Elke deellocatie is minimaal licht verontreinigd met PCB en zware metalen. De hypothese dat de locatie verdacht is op de aanwezigheid van asbest wordt verworpen. Er is geen asbest visueel of analytisch aangetoond. 4.4.2.2 Vluchtige stoffen Potentiële bron: grond- en grondwater Na beoordeling op detailniveau van de middelen (uitdamping, toxiciteit, werkwijze en toepassing) is tot de conclusie gekomen dat het uitgevoerde onderzoek naar de stofgroepen PCB, VOCl en aromaten
68
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
(BTEX) in voldoende mate de lading dekt met betrekking tot het potentiële risico vanuit bodem en grondwater. Met andere woorden: alle overige stoffen die toegepast zijn, worden niet als een potentieel risico gezien. De reden hiervoor is de geringere toxiciteit en vluchtigheid van die overige stoffen. Ten aanzien van mogelijke verontreinigingen onder de gebouwen wordt opgemerkt dat er tot op heden geen aanleiding is een verontreiniging te verwachten die dermate sterk is dat deze door de betonnen vloeren heen uit zo kunnen dampen. Er is uitgebreid bodemonderzoek verricht die dat beeld bevestigd. Alle bodemverontreinigingen zijn naast de gebouwen aangetroffen en te relateren aan rioolsystemen en voormalige opslagtanks in of op de bodem. Potentiële bron: gebouw (casco) De voornaamste potentiële bron van blootstelling vanuit het casco is waarschijnlijk het industriële stof geweest. Dit betreft het stof en vuil dat zich in de loop der jaren op alle oppervlakken van het casco (vloeren, wanden en plafonds) heeft afgezet. Monsterneming hiervan, in maart 2022 (zie Bijlage 14), in gebouw B heeft bevestigd dat dit stof teveel PCB's bevat. Het is het stof zelf dat als risico wordt gezien. Hiervoor zijn beheersmaatregelen genomen om contact hiermee te vermijden (reinigen, afschermen, toegangsverbod, etc). Hierop is direct geadviseerd het gebouw te reinigen van oud stof.
Dat is inmiddels gebeurd. De oude vloeren in gebouw A en B zijn afgedekt door nieuwe betonvloeren. Vrijwel alles oude binnenmuren en plafonds zijn verwijderd en het gebouw is stofvrij opgeleverd. Het oude ketelhuis en de kelder in gebouw B zijn afgesloten en vallen onder een volledige gebruiksbeperking. Vervolgens is, mede op basis van aanvullend historisch onderzoek, besloten tot een aanvullend luchtonderzoek met een breed analysepakket. Hierbij is een screening uitgevoerd op 63 bekende vluchtige stoffen en zijn eventuele onbekende stoffen ook gedetecteerd. Deze brede monsterneming is in juli 2022 (zie Bijlage 15) uitgevoerd op plekken met het hoogste potentiële risico, zoals de ketelruimte, lakspuiterijen en impregneerruimte. Ook is een herhaalde meting van PCB’s in lucht uitgevoerd na een warme periode in juli. De resultaten van dit onderzoek laten geen enkele overschrijding van grenswaarden zien. De licht verhoogde meetwaarden, eveneens onder de grenswaarde van ethanol worden vermoedelijk veroorzaakt door de recente afwerking van de nieuwe betonvloeren met een gangbare harscoating. Ethanol kan daarin voorkomen als oplosmiddel. De vloeren waren circa een week voordat de luchtmetingen zijn gestart geïmpregneerd. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de luchtmetingen over een periode van 7 x 24 uur zijn uitgevoerd vlak na een periode van tropische warmte in juli 2022.
De temperatuur tijdens de meetperiode was wat koeler, maar overdag nog steeds boven kamertemperatuur. Eventuele uitdamping van stoffen heeft op een hoog niveau kunnen plaatsvinden, waarmee aan een belangrijke voorwaarde van het aanvullende luchtonderzoek is voldaan. Bij een luchtmeting zijn PCB’s gemeten op ca. 1,5 m +mv, vlak naast de muur van het oude casco van de voormalige impregneerruimte in gebouw B. Deze muur vormt de scheiding tussen het ketelhuis, waar een gebruiksbeperking op zit, en de huidige hal B. De meetwaarde van 0,43 ìg PCB/m³ ligt onder de MTR-waarde van 0,5 ìg/m³, zodat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen. Het MTR-niveau (Maximaal Toelaatbaar Risico) wordt immers niet overschreden. Toch is de benadering van deze grenswaarde voldoende aanleiding om uit voorzorg beheersmaatregelen te nemen om het overschrijden van deze grenswaarde bij toekomstig gebruik te voorkomen. Voor ingebruikname zijn voorzetwanden over een lengte van 10-12 m en de volledige hoogte 5 m, met geventileerde spouw in de zuidwest hoek van gebouw B (de voormalige impregneerderij) geplaatst (zie tekening detail gebouw B).
69
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Gebouw C en L Middels een brede screening naar VOS is inzicht verkregen in de mate van blootstelling aan VOS. Uit deze screening komt naar voren dat een 65-tal componenten is aangetroffen, waarvan 17 in een concentratie hoger dan de detectielimiet van de analyse. Echter, het merendeel van deze componenten is waargenomen in zeer lage concentraties; een aantal beneden 1% van de TCL- (Toelaatbare Concentratie in Lucht) of MTR-waarde (Maximaal Toelaatbaar Risico) of ter hoogte van de detectielimiet van de analyse. Daarnaast zijn er een 12-tal componenten aangetroffen boven de detectielimiet, maar deze kunnen niet worden getoetst aan de TCL- of MTR-waarde. 4.4.3
Conclusies en aanbevelingen
4.4.3.1 Bodemkwaliteit (chemisch) Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Op vrijwel de hele onderzoekslocatie is een ophooglaag aanwezig van ca. 1 meter dik. Deze bodemlaag wordt gekenmerkt door bijmenging met puin, kolengruis en baksteen. De herkomst van de opgebrachte laag is vooralsnog onbekend. Met name de bovengrond is mede door de opgebrachte laag sterk verontreinigd met PCB. Plaatselijk zijn sterke verontreinigingen met nikkel en/of zink aangetoond. De verontreinigingen vertonen een sterk heterogeen karakter en zijn niet te verklaren door de voormalige bedrijfsactiviteiten in en rond de bedrijfspanden. De verontreiniging met PCB in de bovengrond vormt een aandachtspunt voor de voorgenomen transitie van het terrein. In de huidige situatie worden geen risico's verwacht omdat de verontreiniging veelal geïsoleerd is door de aanwezigheid van klinkerverharding. Graafwerkzaamheden kunnen niet zonder veiligheidsmaatregelen uitgevoerd worden en de grond is niet vrij toepasbaar. De ondergrond is plaatselijk sterk verontreinigd met PCB's. Met het nader bodemonderzoek ter plaatse van het tennisveld is de sterke verontreiniging met zink beter in beeld gebracht. De verontreiniging wordt in verband gebracht met de slakkenlaag. Voor de voorgenomen transitie van dit terreindeel is een sanering van de bovengrond noodzakelijk.
Ten westen van het tennisveld is ook een sterke verontreiniging met zware metalen aangetoond. De sterke verontreiniging met minerale olie in de diepe ondergrond en grondwater is geverifieerd. De verontreiniging is voldoende horizontaal afgeperkt. Gezien de diepte van de verontreiniging vormt de verontreiniging geen belemmering voor de voorgenomen transitie. De verontreiniging met PCB tussen gebouwen E/F en R/S is nader onderzocht. De bodemopbouw en bodemkwaliteit van deze deellocatie vertonen sterke overeenkomsten met de andere terreindelen. Het is niet nodig deze deellocatie als uniek geval van bodemverontreiniging te benaderen. Rond gebouw B is in drie van de vijf peilbuizen een sterk verhoogd gehalte PCB aangetoond. Ter plaatse van VB-10 is het gehalte PCB in de bovengrond en grondwater veel hoger dan elders op het terrein aangetoond. Deze verontreiniging met PCB rond gebouw B kan wel in verband gebracht worden met de bedrijfsactiviteiten in het pand. De verdachte ophooglaag is rond gebouw B niet visueel waargenomen. Er kan niet uitgesloten worden dat het voormalige lekkende riool verspreiding van PCB in het grondwater heeft veroorzaakt. Er is visueel en analytisch geen asbest in de bodem aangetoond. De gehele onderzoekslocatie is onverdacht op de aanwezigheid van asbest.
Ten slotte worden de volgende aanbevelingen gedaan: Aanvullend onderzoek naar de met PCB verontreinigde ophooglaag wordt niet als nuttig beschouwd. De bodemlaag vertoont een heterogeen karakter. Aanbevolen wordt om bij de voorgenomen transitie de risico's van de bodemverontreiniging te beperken door de bestaande gebouwen en verharding in stand te houden. Daar waar onverhard terrein gebruikt wordt voor openbaar groen of tuin wordt aanbevolen om saneringsmaatregelen te treffen (ontgraven of isoleren) om de bodem geschikt te
70
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
maken voor het toekomstige gebruik en risico's te voorkomen. Een en ander is verder behandeld in de risicoevaluatie (zie Bijlage 12). De grondwaterkwaliteit is geen directe belemmering voor de voorgenomen transitie, aangezien het grondwater zich op 8 meter onder maaiveld bevindt. Aanbevolen wordt om de herkomst en verspreiding van de verontreiniging met vinylchloride in peilbuis P04 nader te onderzoeken. Voor eventuele waterberging op het terrein speelt de grondwaterkwaliteit een belemmerende rol. Aanbevolen wordt om na te gaan welke impact de verontreiniging met PCB en minerale olie heeft bij het vasthouden van regenwater op het terrein. Aanbevolen wordt om de bodemkwaliteit te verbeteren tot kwaliteitsklasse Wonen op het moment dat graafwerkzaamheden in de bodem zich voordoen (werk-met-werk-maken) bijvoorbeeld aanleg tuinen en openbaar groen. Daarnaast geldt dat bij alle grondwerkzaamheden rekening gehouden moet worden met het vrijkomen van verontreinigde grond waarmee conform de geldende wet- en regelgeving (Besluit Activiteiten Leefomgeving) op milieuhygiënisch verantwoorde wijze mee moet worden omgegaan. Aan de uit het onderzoek voortkomende aanbevelingen wordt opvolging gegeven.
Risicoevaluatie Uit de risicoevaluatie komt naar voren dat er in de toekomstige situatie op de locatie geen sprake is van humane risico’s als gevolg van de aanwezigheid van zware metalen in de grond. Uitzondering hierop betreft boring VO-004, waar in de toekomstige situatie sprake is van een humaan risico voor lood. In de toekomstige situatie zijn er geen humane risico’s ter plaatse van terreindelen die de functie ‘plaatsen waar kinderen spelen’, of een minder gevoelige functie krijgen. Een uitzondering hierop betreft een strook die grenst aan de zuidzijde van gebouw B (bij boringen VB-10 en VB-11). In een zone aan de noordwestzijde van gebouw OC is voor de toekomstige functie ‘wonen met tuin’ sprake van een humaan risico als gevolg van de aanwezigheid van PCB in de bovenste meter van het profiel. Er zijn geen ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s. Bij het geschikt maken van het terrein (of terreindelen) voor de toekomstige functie dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond te voldoen aan de maximale normwaarden die horen bij de desbetreffende functie van het terrein(deel). Specifiek ten aanzien van bovengenoemde risico’s worden de volgende mitigerende maatregelen getroffen: Boring VO-004 bevindt zich ter plaatse van de toekomstige parkeergarage.
Voor de realisatie van de parkeergarage wordt de verontreinigde grond ter plaatse ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker; Ter plaatse van de sterke PCB-verontreiniging ten zuiden van gebouw B bevindt zich een terreinverharding. Bij het toekomstig gebruik wordt deze verharding in stand gehouden; Voorafgaand aan de realisatie van tuinen aan de noordwestzijde van gebouw OC wordt de met PCB’s verontreinigde grond ontgraven en afgevoerd naar een erkende verwerker. Vanwege de heterogeen voorkomende PCB-verontreinigingen zullen alle tuinen alsmede onverharde voorzieningen worden voorzien van een schone grondlaag van minimaal 1 meter. Bovengenoemde saneringsmaatregelen worden uitgewerkt in een saneringsplan dat ter goedkeuring zal worden voorgelegd aan het bevoegd gezag: de provincie Limburg. In dit saneringsplan worden ook gebruiksbeperkingen opgenomen die van toepassing zijn bij toekomstige werkzaamheden en gebruik van het terrein, hierbij is ten minste aandacht voor: Veiligheidsmaatregelen bij het graven in verontreinigde grond (CROW 400) en het opbreken of doorboren van vloeren en terreinverhardingen; Vaststellen van de kwaliteit van te ontgraven grond voor hergebruik of afvoer naar een erkende verwerker;
71
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
Maatregelen ter plaatse van voorzieningen voor hemelwaterinfiltratie. In lijn met de risicoevaluatie is een en ander geborgd in de planregels middels een specifieke gebruiksregel (zie artikel 11.4) en een voorwaardelijke verplichting (zie artikel 17.6). 4.4.3.2 Vluchtige stoffen De huidige analyseresultaten en uitgebreide screening van vluchtige stoffen (recente bemonsteringen en onderzoeken voor bodem en lucht, historisch gebruik periode 1947-2005) hebben geen meetresultaten opgeleverd die in de buurt van grenswaarden liggen. Er zijn dus ook geen verhoogde waarden gemeten die duiden op afbraak van VOCl in de diepere bodem of van bodemverontreiniging anderzins. Een ingebruikname van de gebouwen A, B en Z en de buitenruimte is zonder risico’s voor alle gebruikers mogelijk als bovenstaande voorzetwanden in gebouw B zijn opgenomen en de voormalige ketelruimte en de kruipruimte in gebouw B ontoegankelijk en buiten gebruik zijn voor gebruikers. Ten aanzien van gebouwen C en L wordt geconcludeerd dat er op de meetposities ten tijde van het onderzoek geen sprake is van een humaan-toxicologisch risico als gevolg van uitdamping van VOC vanuit de aanwezige bodemverontreiniging.
Ten behoeve van gebouw C is een aanvullende memo opgesteld (zie Bijlage 13) waarin geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het gebouw contact met een mogelijke PCB-verontreiniging onder de vloeren voorkomen wordt door het handhaven van de vloeren. Omdat PCB niet vluchtig is, zijn er ook geen risico’s voor uitdamping van verontreinigingen naar de binnenlucht. Wel wordt het advies van de GGD in acht genomen om bij aanpassingen van de vloer een na-meting uit te voeren om uit te sluiten dat er aanvullend uitdamping plaatsvindt naar de gebruiksruimten. Zowel in het onderzoek uit 2016 als ook in het onderzoek uit 2021 zijn er ter plaatse van het gebouw maximaal licht verhoogde gehalten aan aromaten en VOCl in de bodem aangetroffen. Ook voor deze stoffen is er derhalve geen sprake van risico’s voor uitdamping. Onderzoek dat is uitgevoerd naar de binnenlucht bevestigd deze conclusie. Gesteld wordt dat in deze fase van de planvorming voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden ten aanzien van vluchtige stoffen. De resultaten van de binnenluchtmetingen vormen, zoals genoemd, geen belemmering ten aanzien van de procedure.
4.5
Cultuurhistorie
4.5.1
Wettelijk kader
De erfgoedwaarden die in verband kunnen worden gebracht met het plangebied zijn uiteengezet op basis van historisch kaartmateriaal, de cultuurhistorische waardenkaart van Limburg en op basis van geschreven bronnen. Dit is gedaan aan de hand van de zes pijlers van erfgoed (zie Bijlage 7): Historisch landschap Natuurlijk erfgoed Immaterieel erfgoed Gebouwd erfgoed Collecties en objecten Risico's en kansen 4.5.2
Onderzoeksresultaten
Het uitgangspunt van de transformatie is het gebied integraal te transformeren met respect voor de bestaande historische kwaliteiten van zowel de industriële bebouwing als de ruimtelijke opbouw van het terrein. Door het terrein een nieuwe functie te geven en de omgeving te transformeren tot een levendig stadsdeel, wordt een einde gemaakt aan het verval van het terrein. Het terrein kan hierdoor een waardevolle culturele en economische functie vervullen waar mensen afkomstig uit Roermond en daarbuiten van kunnen genieten. Op het historische kaartmateriaal is te zien dat het stratenpatroon grenzend aan het terrein overeenkomt met de historische situatie in de 16de eeuw. Het terrein zelf bestond in deze tijd tot en
72
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
met de 19de eeuw uit bouwland. Op de minuutkaart uit de eerste helft van de 19de eeuw is verder te zien dat de naam ‘Vrije Velde’ al werd gebruikt voor de omgeving waar het plangebied deel van uitmaakt. Mogelijk verwijst deze naam naar het vrije schootsveld van de vesting Roermond. In de 20ste eeuw en dan vooral vanaf de vestiging van Philips op het terrein in 1947 wordt het terrein steeds verder bebouwd met fabriekshallen en bijbehorende gebouwen. Ook de bouwlanden grenzend aan het terrein worden steeds verder bebouwd, voornamelijk met woonwijken. Het stratenpatroon wordt verder uitgebreid maar de wegenstructuren die op kaart van Jacob van Deventer uit de 16de eeuw te zien zijn, zijn nog steeds herkenbaar. Kenmerkende elementen op het terrein zijn de oude bomen, de gebouwen in de stijl van de Shake-hands-architectuur, de gevel van de hoofdingang aan de Bredeweg, het entreegebouw, het kunstwerk van Boessen, de hoofdlaan van het terrein met beeldbepalende buizenstraten, de cultuurhistorisch waardevolle bomen, de kastenfabriek, het ketelhuis, de oude hallen ten noorden van de hoofdlaan, de tennisbaan met kantinegebouw en het brandweergebouwtje aan de Maasnielderweg. Hierbij hoort ook het personeelsgebouw met vooruitspringende entree, de tuin en de vijver. Samen vormen deze elementen een cultuurhistorisch waardevol ensemble. 4.5.3
Conclusies en aanbevelingen
Om de cultuurhistorische- en herinneringswaarde van het terrein te behouden is geadviseerd kenmerkende en beeldbepalende elementen te behouden. Het toevoegen van veel nieuwe beeldbepalende elementen zonder relatie met het verleden van deze plek kan de herinneringswaarde en herkenbaarheid van het terrein verstoren en wordt om deze reden niet aangeraden. Door middel van bouwhistorische onderzoeken met waardestellingen van het interieur en exterieur van de gebouwen op het terrein kunnen de behoudenswaardige elementen nog worden aangevuld. Daarmee kunnen in samenwerking met de wensen uit de wijk goed onderbouwde keuzes voor het ontwerp worden gemaakt. In het (ontwerp)proces voor de transformatie van het terrein zijn bijeenkomsten georganiseerd met de omgeving. Daarbij zijn verhalen over het verleden van de wijk en het terrein opgehaald. Hierdoor werden mensen betrokken bij het inventariseren van waardevolle elementen op het terrein. In het SO is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch interessante gebouwen; gebouwen blijven grotendeels behouden en worden getransformeerd en het stratenpatroon is tevens meegenomen, getuige de assen (zie ook paragraaf 2.3.3.1). Het gebied wordt weer beleefbaar en functioneel gemaakt met een centrale rol voor de cultuurhistorisch interessante gebouwen die het terrein reeds kent.
4.6
Ecologie
4.6.1
Wettelijk kader
De werkzaamheden die gepaard gaan met de transformatie van het voormalig Philipsterrein kunnen leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, en daarmee overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het is daarom noodzakelijk om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde soorten en of de voorgenomen ingrepen leiden tot negatieve effecten op deze soorten. Een activiteitenplan is opgesteld (zie Bijlage 17). In dit activiteitenplan zijn de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken in het kader van de soortbescherming van de Wnb beschreven en is een toetsing aan de verbodsbepalingen van de Wnb opgenomen. De toetsing is aangevuld met een mitigatieplan en onderbouwing voor een ontheffingsaanvraag in het kader van de soortbescherming van de Wnb. Deze rapportage dient dan ook als onderbouwend document voor het doorlopen van een ontheffingsprocedure van de soortbescherming in het kader van de Wnb. Stikstof De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van de online-applicatie Aerius-Calculator (versie 2023.0.1). Aerius-Calculator is een rekenprogramma om de verspreiding van stoffen in de lucht te simuleren. Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen
73
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
per hectare terechtkomt (depositie). De stikstofdepositieberekeningen zijn aan de hand van de uitgangspunten en rekenresultaten van de realisatiefase en gebruiksfase beschreven in een memo (zie Bijlage 18). De Aeriusberekeningen zijn bij deze memo bijgevoegd. Emissie door mobiele werktuigen en bouwverkeer Gedurende de werkzaamheden worden mobiele werktuigen ingezet. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel. Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk. Voor een beschrijving van de gehanteerde rekenmethode en de emissiebepaling voor de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer in de realisatiefase (t.a.v. stageklasse, brandstof- en AdBlue verbruik en utiliteitsvoertuigen) wordt verwezen naar de memo. Uitgangspunten Referentiesituatie De referentiesituatie bestaat uit het huidig gebruik van het voormalig Philipsterrein. In de huidige situatie is sprake van stikstofemissie door (industriële) gasketels ten behoeve van verwarmingsprocessen. Nadere duiding van de referentiesituatie is opgenomen in bijlage 3 van de Memo Uitgangspunten stikstofdepositieberekening transformatie voormalig Philipsterrein Roermond (zie Bijlage 18 bij deze toelichting).
In deze emissiebepaling is aangenomen dat de ketels voldoen aan de eisen uit het activiteitenbesluit en dat het zuurstofgehalte in het droge rookgas 3% bedraagt. De emissie-eis voor de ketels is dan gelijk aan 70 mg NOx/Nm3 rookgas. De emissiefactor is daarna bepaald met de CalComEmis tool van de Rijksoverheid. Realisatiefase Gedurende de realisatiefase worden mobiele werktuigen ingezet voor de transformatie van het voormalig Philipsterrein in Roermond. Het soort materieel dat ingezet wordt, is afkomstig uit de SSK raming die door Arcadis opgesteld is. Er is voor de werktuigen uitgegaan van conventioneel en modern dieselmaterieel van Stage V. Het brandstofverbruik van de werktuigen in liter per uur is bepaald aan de hand van de AUB-methode van TNO. Door dit verbruik per werktuig te vermenigvuldigen met het aantal draaiuren, wordt een totaal brandstofverbruik per werktuig verkregen. De transformatie van het voormalig Philipsterrein, neemt naar verwachting circa 4 jaar in beslag. De bouwactiviteiten zijn gelijkmatig over deze vier jaar verdeeld, waarmee ieder jaar een gelijke stikstofemissie optreedt. Naar verwachting zal de transformatie van het terrein in 2025 van start gaan, waarmee dit ook het maatgevend rekenjaar is. De jaren na 2025 reflecteren door schoner worden van het wagenpark steeds lagere emissiefactoren, waardoor de verkeersemissies in de jaren na 2025 dalen.
Naar verwachting is de transformatie van het terrein in 2028 gereed. Het eerste volledige kalenderjaar van gebruik is dan 2029, wat daarmee het maatgevend rekenjaar voor de gebruiksfase is. Rekenjaar 2029 geldt voor zowel de referentiesituatie als de plansituatie. Met het rekenjaar worden de emissiefactoren toegepast zoals deze gelden voor 2029. De emissiefactoren voor de huidige en toekomstige jaren worden jaarlijks vastgesteld voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deze emissiefactoren laten een dalende trend zien door schoner worden van het Nederlandse wagenpark. Door de emissiefactoren van 2029 toe te passen op de verkeersaantallen van 2023 voor de huidige situatie, wordt de emissie voor de referentiesituatie onderschat. Andersom geldt dat voor de plansituatie hoge verkeeraantallen gehanteerd zijn, met hoge emissiefactoren. Hiermee wordt de emissie in de plansituatie overschat. Door de onderschatting van de emissie in de referentiesituatie en tegelijkertijd overschatting van de emissie in de plansituatie, is er sprake van een worst-case benadering. Gebruiksfase Door de transformatie van het terrein naar een mixed-use programma, zal er meer verkeer naar het
74
bestemmingsplan Transformatie voormalig Philipsterrein (Weerstand) (vastgesteld)
gebied gaan rijden. Deze verkeersaantrekkende werking zorgt mogelijk voor een toename van de stikstofdepositie. Om dit te onderzoeken, zijn de verkeersgegevens uit het verkeersrapport (zie Bijlage 26) opgenomen in de stikstofdepositieberekening. De verkeersintensiteiten op de wegen rond het plangebied in het verkeersrapport, en daarmee voorliggend onderzoek, zijn afkomstig uit het Verkeersmodel Limburg, regiomodel Midden-Limburg, prognosejaar 2040Hoog_V23. Verkeersgeneratie vanwege de plansituatie is afkomstig uit ASVV 2021 van het CROW. Het gehanteerde basisjaar is 2018, en het prognosejaar is 2040. Ten behoeve van het stikstofdepositieonderzoek zijn deze verkeerscijfers omgerekend naar zichtjaren 2023 zijnde de referentiesituatie (huidige situatie) en 2035 zijnde de plansituatie. Door de referentiesituatie en plansituatie met elkaar te vergelijken, wordt het effect van de plansituatie op de stikstofdepositie berekend. De aanwezige gebouwen op het terrein, gaan na de transformatie ‘van het gas af’ en hebben daarmee geen stikstofemissie meer. 4.6.2
Onderzoeksresultaten
Het soortgericht onderzoek laat zien dat in het plangebied beschermde functies zijn vastgesteld van vier beschermde soorten: Das: Er zijn twee stadsdassen aanwezig in één actieve burcht met twee individuen en sinds voorjaar 2024 met 3 of 4 jongen. Het foerageergebied blijft onveranderd. Gewone dwergvleermuis: drie zomerverblijfplaatsen en negen paarterritoria. Steenmarter: verblijfplaatsen in alle leegstaande gebouwen. Teunisbloempijlstaart: één voortplantingslocatie. Daarnaast zijn van de vleermuissoorten laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis enkele passerende en/of foeragerende individuen vastgesteld. Van algemeen voorkomende soorten komen de volgende soortgroepen voor in het plangebied: Amfibieën. Broedvogels. Zoogdieren. Overige beschermde soorten en functies zijn op basis van dit onderzoek uitgesloten in het plangebied. Vervolgens is per relevante soort(groep) beschreven in hoeverre de voorgenomen werkzaamheden een negatief effect hebben op de aanwezige en te verwachten beschermde soorten. Daarna zijn de vastgestelde effecten getoetst aan de Wnb alvorens mitigerende en compenserende maatregelen toe te passen. In de effectbeoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen korte- en lange termijneffecten van de werkzaamheden in het kader van de transformatie van het plangebied. Per soort(groep) worden de effecten hieronder beschreven.
Das en steenmarter Met de aanvankelijke planopzet – waarop het uitgevoerde onderzoek is gebaseerd – werden de volgende negatieve effecten ten aanzien van de das verwacht. De planopzet is inmiddels echter gewijzigd. Zo wordt de beoogde folly niet langer mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Ook zal de bestaande dassenburcht op natuurlijke wijze worden afgeschermd. De wijze waarop, wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Uitgangspunt hierbij is dat deze natuurlijke afscherming voor mensen moeilijk doordringbaar is. Voor de das blijft voldoende functioneel leefgebied over om te kunnen blijven foerageren. Door deze aanpassingen is paragraaf 6.2.3 van het Activiteitenplan (Bijlage 17) niet langer relevant en is daarom komen te vervallen. Negatieve effecten op de das als gevolg van de werkzaamheden zijn als volgt: Korte termijn: verstoring en sterfte van individuen en verstoring van verblijfplaatsen. Korte termijn: (tijdelijk) verlies van verblijfplaatsen. Hierbij bestaat de kans dat de lokale populatie