CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 – concept plantoelichting met bijlagen ‘bestemmingsplan Asenray West’ (geanonimiseerd)

Commissie Ruimte (RU) 3 september 2025, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Asenray West’27.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 27 juni 2006 de beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’ vastgesteld. Hierin wordt aangegeven welke bedrijfsmatige activiteiten als een aan huis gebonden beroep en welke als zogenaamde ‘kleine economie’ beschouwd kunnen worden. Aan huis gebonden beroepen De zogenaamde aan huis gebonden beroepen vallen binnen de woonbestemming als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Voor de toepassing van de beleidsregel wordt als definitie aangehouden: “de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.”. De zogenaamde vrije beroepen, die onderdeel uitmaken van de aan huis gebonden beroepen, worden geacht binnen de woonbestemming te passen als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Onder vrije beroepen worden onder meer begrepen de beroepen van arts, advocaat, notaris en makelaar.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

30

Kleine economie Overige bedrijvigheid die niet valt onder de aan huis gebonden beroepen, maar in bepaalde gevallen wel daarmee gelijk te stellen is, wordt aangemerkt als kleine economie. De definitie van kleine economie is: “bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.”. De activiteiten die tot de kleine economie behoren zijn niet rechtstreeks toegestaan binnen de woonbestemming. Wel is het mogelijk een omgevingsvergunning te verlenen. Voorwaarde daarbij is dat de ruimtelijke uitwerking overeenkomt met die van de aan huis gebonden beroepen. De uitoefening van deze beroepen mag immers niet ten koste gaan van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving. Ter invulling hiervan worden bij de afweging om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen, de volgende voorwaarden aangehouden: 

Er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu.

Door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden.

De oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, mag niet meer dan 50% van de begane grond en maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m². Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd.

Er mag geen sprake zijn van een verkeersaantrekkende activiteit die de woonomgeving onevenredig belast en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of er in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn.

De uitvoerder van de activiteit dient ter plaatse te wonen. Detailhandel is alleen als ondergeschikte activiteit toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend.

Activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningplichtig zijn, worden in beginsel niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen overlast voor de omgeving op zal treden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven worden toegestaan.

Afweging De hiervoor beschreven regeling voor kleine economie is in de planregels van dit bestemmingsplan als binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Aan huis verbonden beroepen zijn rechtstreeks toegestaan binnen de woonbestemming.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

31

4.4.7

Groenvisie

De visie op het stedelijk groen is in samenwerking met burgers en belangenverenigingen opgesteld en vastgelegd in de ‘Groenvisie’, die door de gemeenteraad op 22 december 2016 is vastgesteld. Om deze visies via diverse uitvoeringssporen te realiseren zijn spelregels opgesteld, toetsingscriteria voor kwaliteit. De Groenvisie zet in op duurzame groenstructuren in de openbare ruimte. Groenstructuren die aantrekkelijk zijn en zo robuust dat ze voor lange tijd bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Vanzelfsprekend zijn deze structuren ecologisch waardevol, klimaat- en ziektebestendig en klaar voor de toekomst. Afweging Het plangebied omvat een openbare ruimte welke aan de gemeente zal worden geleverd na oplevering. Daarnaast omvat het planvoornemen een kleinschalige ontwikkeling op een perceel dat momenteel in privé-eigendom is en geen onderdeel uitmaakt van de openbare groenstructuur. Mede gelet op het kleinschalige karakter, volgen uit de Groenvisie geen specifieke eisen of wensen ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De herontwikkeling doet niet af aan de doelstellingen uit de Groenvisie. Er zullen dan ook nog met de gemeente nadere afspraken worden gemaakt over de invulling van het openbaar groen. 4.4.8

Vigerend bestemmingsplan ‘Kern Asenray’

Het plangebied valt onder de werking van het geldende bestemmingsplan ‘Kern Asenray’, dat op 16 februari 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Roermond. Volgens het bestemmingsplan is het plangebied gedeeltelijk bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Agrarische functie met landschapswaarden’. Tevens is een gedeelte van het plangebied gelegen binnen de bestemming ‘Woongebied’. Het gehele plangebied valt onder de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’. Tevens valt een gedeelte van het plangebied binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van sport - schutterij’. Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ en is er een bouwvlak gelegen binnen het plangebied. De ontwikkeling van de beoogde woningen is binnen de agrarische bestemming niet mogelijk. De als ‘Agrarisch met waarden – Agrarische met landschapswaarden’ op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarisch gebruik; b. boerderijcamping, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van recreatie - Boerderijcamping'; c.

bedrijfsgebouwen ten behoeve van de agrarische functie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Bouwvlak';

d. bedrijfswoning, alleen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Bouwvlak'; e. bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'Bouwvlak'; f.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

32

g. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, met daarbij behorende: h. openbare nutsvoorzieningen; i.

parkeervoorzieningen;

j.

verkeersvoorzieningen;

k. ondergeschikte detailhandel in ter plaatse geproduceerde eigen producten tot ten hoogste 100 m 2; l.

extensief recreatief medegebruik.

Op basis van het vigerend bestemmingplan ‘Kern Asenray’ is het toevoegen van 23 grondgebonden woningen op deze locatie niet toegestaan. Het bouwen van woningen op gronden die zijn bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Agrarische functie met landschapswaarden’ is namelijk niet toegestaan. Daarnaast is het plan strijdig met artikel 16.2.2 op grond waarvan woningen alleen zijn toegestaan binnen een bouwvlak. Er zal derhalve ook een bouwvlak moeten worden toegevoegd. De beoogde ontwikkeling van 23 grondgebonden woningen is daarmee niet rechtstreeks toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan. Het vigerende bestemmingsplan kent ook geen (algemene) afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden, op basis waarvan de realisatie van het beoogde initiatief alsnog mogelijk kan worden gemaakt.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

33

Figuur 7. Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Kern Asenray' ligging plangebied rood omlijnd

Afweging Het plan past om vermelde redenen niet in het thans vigerende bestemmingsplan en diens opgenomen bestemmingen. Middels het opstellen van een nieuw bestemmingsplan kan de gewenste ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. 4.4.9

Vigerend bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan Ridder van Asenrodeweg’

Het plangebied valt tevens voor een klein gedeelte onder de werking van het geldende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan Ridder van Asenrodeweg’, dat op 27 september 2012 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Roermond. Volgens het bestemmingsplan is het plangebied bestemd als ‘Verkeer’ en voor een klein gedeelte binnen de bestemming ‘Wonen’. Het gehele plangebied valt onder de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. De ontwikkeling van de beoogde woningen is binnen de verkeersbestemming niet mogelijk.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

34

De beoogde ontwikkeling van 23 grondgebonden woningen is daarmee niet rechtstreeks toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan. Het vigerende bestemmingsplan kent ook geen (algemene) afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden, op basis waarvan de realisatie van het beoogde initiatief alsnog mogelijk kan worden gemaakt.

Figuur 8. Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan Ridder van Asenrodeweg' ligging plangebied rood omlijnd

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

35

5

ONDERZOEK

Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving op de beoogde woningen en vanuit de beoogde woningen op de omgeving. Woningen betreffen gevoelige bestemmingen welke mogelijk beperkend kunnen zijn voor (de groeimogelijkheden van de) omliggende bedrijvigheid en andere functies. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en duurzaamheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1

Bodem

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Toetsing In het kader van een bestemmingswijziging dient de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem inzichtelijk gemaakt te worden. Bij de voorliggende ontwikkeling is sprake van woningbouw op gronden die in de vigerende bestemmingsplannen zijn bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Agrarische functie met landschapswaarden’ en ‘Verkeer’. Nu er sprake is van een verschuiving naar een voor de bodem gevoeligere functie dient te worden onderzocht of bodem geschikt zal zijn voor een gebruik voor reguliere woondoeleinden. Door BKK Bodemadvies is een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. 4 Het onderzoek uit 2021 is reeds eerder ingediend. Het voorziene bouwplan nu ligt grotendeels buiten de contour van het onderzoek.

Het plangebied is in het verre verleden wel onderzocht maar dat is meer dan 10 jaar geleden. Zodoende is een vooronderzoek NEN 5725 uitgevoerd voor onderhavige locatie.

4

BKK Bodemadvies, Rapportage verkennend bodemonderzoek Asenray West te Asenray, rapportnummer: 210677.BKK, d.d. 18 november 2021.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

36

Asbest Op het maaiveld van de onderzocht locaties zijn geen asbest verdachte (plaat-)materialen aangetroffen. Bij de uitvoering van de proefgaten zijn eveneens geen asbestverdachte (plaat-) materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. Analytisch onderzoek naar asbest in bodem heeft verder niet plaatsgevonden, aangezien er geen grondmengmonsters van de visueel schone grond zijn samengesteld. De hypothese ‘asbest onverdacht’ wordt voor deze locatie aanvaard. De bodem binnen de gehele onderzoekslocatie kan als asbestonverdacht worden beschouwd. Grond De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium en PCB. Volgens de Regeling bodemkwaliteit wordt voor de bovengrond indicatief voldaan aan de klasse Achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Volgens de Regeling bodemkwaliteit wordt voor de ondergrond indicatief voldaan aan de klasse Achtergrondwaarde. Grondwater Het grondwater is licht verontreinigd met barium, kobalt, nikkel, zink en cadmium. Deze lichte verontreinigingen in het grondwater kunnen worden gezien als een regionaal aanwezige grondwaterverontreiniging. Slotsom De vooraf gestelde hypothese, dat de bodem als “onverdacht” kan worden beschouwd, wordt op basis van de analyseresultaten aangenomen.

De bodemkwaliteit is hierbij in overeenstemming met de toekomstige woonfunctie van de onderzoekslocatie. De lichte verontreinigingen in de bovengrond vormen geen belemmeringen. Verder aanvullend onderzoek is hier niet aan de orde. In geval van toekomstige grondverzet binnen het perceel, waarbij grond zal vrijgekomen om elders te worden afgezet, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief is hier sprake van klasse Achtergrondwaarde voor de boven- en ondergrond. Vooronderzoek bodem Door BKK Bodemadvies is derhalve een aanvullend vooronderzoek bodem uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. 5 De aanleiding van onderhavig vooronderzoek is dat het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (rapportnr. 210677.BKK) van BKK Bodemadvies BV (2021) niet was gericht op de voorliggende

5

BKK Bodemadvies, Vooronderzoek Asenray West, rapportnummer: 230679.BKK, d.d. 31 oktober 2023.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

37

locatie. Vanuit de adviseur bodemkwaliteit van de gemeente Roermond is aangegeven dat een vooronderzoek conform de NEN 5725 afdoende is voor huidige locatie. Het vermoeden van een onverdachte locatie vanuit de gemeente Roermond is doormiddel van bovenstaand vooronderzoek bevestigd. Op basis van de historische gegevens en de waarnemingen tijdens het locatiebezoek op 31 oktober 2023 kan geconcludeerd worden dat er voor de onderzoekslocatie, behoudens de aangetoonde lichte verontreiniging met cadmium en PCB in een eerder bodemonderzoek, geen aanleiding bestaat om een bodemverontreiniging binnen de locatie te verwachten. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek mag worden geconcludeerd dat er géén milieuhygiënische belemmeringen zijn geconstateerd. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.1.2

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg of industriezone dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Toetsing De voorliggende woningen betreffen geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Vanuit geluidhinder van wegverkeer, railverkeer en gezoneerde industrieterrein moet zodoende verantwoord worden dat in de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wegverkeerlawaai De woningbouwlocatie is gelegen aansluitend aan de bebouwde kom van Asenray. De noordgrens van de woningbouwlocatie ligt op 530 meter uit de as van de N280 en op 1250 meter uit de as van de A73. Beide wegen hebben een geluidszone van 400 meter. De locatie ligt derhalve buiten de geluidszone van deze wegen.

De Kerkstraat en de Ridder van Asenrodeweg en de overige in de directe omgeving van het plan gelegen wegen zijn 30 km wegen zonder geluidzone. Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszone van een 50 km/uur-weg. In het kader van de Wet geluidhinder is een onderzoek naar wegverkeerslawaai dan ook niet noodzakelijk. Wel wordt voor het onderhavige planvoorne-

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

38

mennieuw aan te leggen weg om het gebied te ontsluiten via de Molenakker op de Kerkstraat. Het uitgangspunt is dat voor deze nieuwe aan te leggen weg een maximumsnelheid van 30 km/u zal gaan gelden en hiermee vormt de nieuwe aan te leggen weg voor wat betreft het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen. Industrielawaai De woningbouwlocatie ligt buiten de zone van het industrieterrein Roerstreek gelegen, afgezien van de twee vrijstaande woningen. De twee beoogde vrijstaande woningen zijn gelegen binnen de zone van Heide-Roerstreek, dit is dienovereenkomstig in de planregels opgenomen en met een gebiedsaanduiding op de verbeelding. Verder geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen gelegen waarvan de onderzoekszone tot het plangebied reikt. Er zijn wel een aantal bedrijven gelegen rondom het plangebied. Er is door HMB gekeken naar de noodzaak om een bestaand akoestisch onderzoek te actualiseren.6 De resultaten worden hieronder kort besproken. Voor de volledige notitie wordt verwezen naar de bijlagen. De casus heeft betrekking op bouwplan ‘Ridder van Asenrodeweg’ te Asenray, gelegen ten oosten van onderhavig bouwplan. In de directe omgeving van de nieuw beoogde woningen bevindt zich metaalbewerkingsbedrijf ‘Cox’ aan De Sprunk 12. In 2011 is voor dit bedrijf een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Tritium Advies, project 1106/048/JS, d.d. 04-07-2011).

Destijds is reeds rekening gehouden met de komst van de nieuwe woningen. Ondanks het feit dat de definitieve bouwplannen licht afwijken van de uitgangspunten uit 2011 blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ter plaatse van de nieuw beoogde woningen blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en het metaalbewerkingsbedrijf wordt niet in haar geluidruimte beperkt. De conclusies uit het rapport zijn daarmee nog steeds actueel. Het rapport behoeft geen verdere aanpassing. Uitgangspunt is wel dat het in het rapport geadviseerde scherm (hoogte minimaal 2 m) op de erfgrens inderdaad gerealiseerd wordt. Er is door HMB een onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. 7 De resultaten worden hieronder kort besproken. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Onderzoek industrielawaai Uit het onderzoek volgt: 

dat de woningen 22 en 23 binnen de geluidzone liggen van industrieterrein Heide Roerstreek. Voor deze woningen zal de gemeente Roermond een hogere waarde vaststellen van 55 dB. Voor alle overige woningen en aspecten is de Wet geluidhinder niet van toepassing;

6 7

HMB, Notitie Asenray West (geluid), kenmerk: B01_22246901N, d.d. 25 april 2022. HMB, Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Asenray West Asenray, kenmerk: 23273201N, d.d. 27 oktober 2023.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

39

dat de nieuw beoogde woningen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen;

dat een akoestisch goed woon- en leefklimaat op de onderzoekslocatie gewaarborgd is.

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het onderhavig planvoornemen. 5.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: 

Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 μg/m3).

Toetsing Zoals in paragraaf 5.5 is berekend, zal als gevolg van de realisatie van 23 grondgebonden woningen het aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde weekdag met 172 motorvoertuigbewegingen per etmaal toenemen. Zelfs indien wordt uitgegaan van 10% aan vrachtverkeer blijkt dat er geen nader onderzoek is benodigd. Een nadere toetsing aan de hand van de NIBM-tool is opgenomen in onderstaande figuur.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

40

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

172

Aandeel vrachtverkeer

2,0%

NO2 in μg/m3

0,12

3

0,03

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Er kan vanuit worden gegaan dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De bouw van 23 woningen valt daarnaast ruimschoots binnen de woningbouwaantallen genoemd in de Regeling NIBM. Hierin is opgenomen dat de ontwikkeling van 1.500 woningen met één ontsluitingsweg is aangemerkt als NIBM. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook bepaald te worden of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland blijkt dat de achtergrondconcentratie ter plaatse tussen de 14 en 16 µg/m3 (PM10), tussen de 8 en 10 µg/m3 (PM2,5) en tussen de 10 en 15 µg/m3 (NO2) bedraagt. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 vastgesteld op 40 µg/m3 en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 vastgesteld op 25 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied is derhalve ruimschoots voldoende. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. Voor de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling die aangemerkt wordt als NIBM. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

41

5.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Voorliggend plan is niet is in de buurt van dergelijke bron en derhalve wordt voldaan aan het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het groepsrisico neemt slechts beperkt toe waardoor onze advisering zich richt op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van het initiatief.

Doordat de afstand ten opzichte van de transportassen groter is dan 200 meter en de toename van het groepsrisico zeer beperkt is valt de ontwikkeling binnen het toepassingsgebied van standaard advisering. De bestrijdbaarheid van de nieuwe ontwikkeling is in orde. Er zijn voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig en het initiatief is voldoende bereikbaar, zodat incidenten te bestrijden zijn, ter bescherming van de gebruikers van het besluitgebied.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

42

Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Risicovolle activiteiten Er heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de risicovolle activiteiten, zoals Bevibedrijven, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen, in of nabij het plangebied. Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de risicokaart van de Provincie Limburg.

Figuur 9. Uitsnede risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) plangebied rood omlijnd

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

43

Bevi-inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig. Bevi-inrichtingen bevinden zich op grote afstand van het plangebied. De invloedgebieden van verder weg gelegen Bevi-inrichtingen strekken zich niet uit tot over het plangebied. Buisleidingen Op ruim 800 meter afstand van het plangebied is in zuidoostelijke richting een buisleiding gelegen voor het transport van brandstof. In het vigerend bestemmingsplan heeft deze leiding een aanduiding “Leiding-brandstof”, het betreft een buisleiding van defensie (K1- vloeistof) nummer P25. Momenteel is deze leiding gevuld met stikstof ter conservering. De leiding wordt op dit moment niet gebruikt voor het transport van K1-vloeistof (brandstof). Deze leiding is buiten gebruik gesteld en heeft de afgelopen twee jaar in de verkoop gestaan. Inmiddels is duidelijk dat er binnen afzienbare tijd geen koper is voor de leiding. Gelet op het voorgaande levert de buisleiding van derhalve geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van het plangebied. Transportroutes gevaarlijke stoffen Op 550 meter ten noordwesten van het plangebied vindt risicovol transport plaats over de N280 tot de A73. Deze weg heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 15 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde.

Gezien de grote tussenliggende afstand wordt met de ontwikkeling in het plangebied geen invloed uitgeoefend op het groepsrisico en ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Over het gedeelte van de N280 tussen de A73 en de Duitse grens vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De A73 ligt op circa 1 kilometer ten westen van het plangebied. De A73 heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Het invloedgebied van de A73 ter hoogte van het plangebied heeft een omvang van 880 meter, gemeten aan weerszijden van de weg. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedgebied van deze weg. Voor het overige zijn er in de omgeving geen wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Een nadere toets aan het aspect externe veiligheid kan achterwege blijven.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

44

5.1.5

Milieuzonering

De beoogde woningbouw vormt volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van woningbouw is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in een woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Daarom dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen nieuwbouw en of de nieuwe woningen een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid. Toetsing De beoogde woningen zijn geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De woningen betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie, bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. De omgeving waarin de woningen zijn gelegen kan getypeerd worden als een ‘rustige woonwijk en/of buitengebied’. In de omgeving zijn enkele bedrijfsmatige functies gelegen.

In het kader van bedrijven en milieuzonering betekent dit dat de onderstaande richtafstanden in acht moeten worden genomen voor wat betreft de omliggende bedrijvigheid.

Activiteit / Adres

Werke-

Milieuca-

Richtaf-

lijke af-

tegorie

stand

85

1

10

80

3.1

50

Kampeerterrein, Spik 165-A

380

2

30

Assurantiekantoor, Dorpstraat

130

1

10

stand (m) Motorsportwinkel, Ridder van Asenrodeweg 37 Sportvereniging, Ridder van Asenrodeweg 1

42

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. Het project wordt niet belemmerd door de zonering als gevolg van veehouderijen en/of inrichtingen. Geconcludeerd kan worden dat in de nabijheid van het plangebied geen bedrijven dan wel inrichtingen

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

45

gesitueerd zijn die een belemmering vormen voor de realisatie van de woning en anderzijds worden de bestaande bedrijven en inrichtingen niet ingeperkt in hun vergunde situatie. Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6).

Om de ligging ten opzichte van spuitzones juridisch te borgen is er in de regels behorende bij onderhavig bestemmingsplan een gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen waarbinnen het verboden is om gebruik te maken van chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen. Het plangebied is hiervoor uitgebreid met een gebiedsaanduidingszone van 50 meter rondom de nieuwe woonbestemmingen. Hiermee wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. De beperking binnen de spuitvrije zone ziet op alle spuittechnieken. Bij deze spuittechnieken kunnen de gewasbeschermingsmiddelen onder invloed van drift in de tuinen en woningen van het plangebied terechtkomen, waarna deze via huidcontact een schadelijk effect op de gezondheid kunnen hebben. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: 

De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.

Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

46

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Toetsing Het plangebied kent in het vigerende bestemmingsplan en op de gemeentelijke archeologische beleidskaart de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Een archeologisch onderzoek wordt hierdoor noodzakelijk geacht. Verkennend archeologisch bureauonderzoek Econsultancy heeft in opdracht van Tonnaer Adviseurs in Omgevingsrecht op 21 en 22 december 2010 een archeologisch bureauonderzoek en op 11 januari 2011 een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met een bestemmingsplanwijziging voor het uitbreidingsplan “Ridder van Asenrodeweg”. Het bureauonderzoek toont aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder de aanwezigheid van een hoge enkeerdgrond verhoogd de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is in het grootste deel van het plangebied intact.

De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische indicatoren binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Slechts op drie puntlocaties is dat waarschijnlijk niet het geval. Programma van Eisen Er is door Geonius naar aanleiding van bovenstaand kader uit het inventariserende bureauonderzoek een Programma van Eisen opgesteld (PvE). 8 Er is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor het volledige PvE wordt verwezen naar de bijlagen. Proefsleuvenonderzoek Er is door Geonius een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. 9 Hieronder worden kort de resultaten behandeld. Voor het volledige proefsleuvenonderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Er werd geen behoudenswaardige archeologische vindplaats aangetroffen aan de Ridder van Asenrodeweg te Asenray, gemeente Roermond. Aanvullend archeologisch onderzoek wordt daardoor niet

8 9

Geonius, Programma van Eisen IVO-P Asenray West, gemeente Roermond, rapportnummer: AA230059.R01v1.0PvE134, d.d. 5 mei 2023. Geonius, Proefsleuvenonderzoek Asenray West, gemeente Roermond, rapportnummer: AA230059.R01v0.1.ARG514, d.d. 22 mei 2023.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

47

nodig geacht. Wel wordt aanbevolen om bij bodemingrepen in de nabijheid van het plangebied rekening te houden met de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de ijzertijd in de nabijheid van het plangebied. Deze wordt ten noorden of ten westen van het plangebied verwacht. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Roermond zijn binnen het plangebied geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Het plangebied ligt binnen het cultuurlandschap ‘Agrarisch met waarden - Agrarische functie met landschapswaarden’. Het plangebied heeft weliswaar een hoge indicatieve archeologische verwachtingswaarde, het is niet gelegen binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Asenray. De Molenweg die door het plangebied loopt is een weg ouder dan 1806. Dit betreft echter een onverharde weg. Het planvoornemen voorziet gedeeltelijk ter plaatse van de Molenweg in de te realiseren infrastructuur. Binnen het plangebied bevinden zich geen panden die in het kader van het ‘Monumenten Inventarisatie Project’ zijn geïnventariseerd als beeldbepalend. Ook zijn er geen (rijks)monumenten aanwezig. Het betreft een gebied met een sinds 1830 matig veranderd verkavelingspatroon. Met het planvoornemen zal het verkavelingspatroon wijzigen.

De cultuurhistorische waarde is echter relatief beperkt en van ondergeschikt belang ten opzichte van het belang van woningbouw op deze locatie, zodat de (volledige) borging van deze cultuurhistorische waarde niet noodzakelijk wordt geacht. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Ecologie

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

48

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in de POVI 2021. De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied is niet gelegen binnen een goudgroene, zilvergroene of bronsgroene natuurzone. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna10 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. Hieronder

10

Econsultancy, Rapportage actualisatie quickscan Wet natuurbescherming Asenray West (ong.) te Asenray, rapportnummer 18166.001 D3, d.d. 29 november 2023.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

49

hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. Broedvogels Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd of opgestart worden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Indien er onverwachts toch gestart dient te worden met werkzaamheden binnen het broedseizoen verwijderd dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te verwijderen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Het alternatief is om het terrein voorafgaand aan de werkzaamheden broedvogelvrij te houden. Rugstreeppad Tijdens de uitvoeringsfase moet rekening gehouden worden met de kans op vestiging door de streng beschermde rugstreeppad. Om kans op vestiging door de rugstreeppad te voorkomen/beperken, kunnen de volgende maatregelen worden genomen. 

Grond-/zanddepots afdekken of paddenwerende schermen rondom de depots plaatsen.

Voorkom vorming van ondiepe plassen op het werkterrein in de voortplantingsperiode (globaal april t/m juli) van de rugstreeppad door deze op te vullen, af te dekken of af te schermen.

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

50

Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door graafwerkzaamheden, het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Meinweg, bevindt zich op circa 1,2 kilometer afstand ten zuidoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Gezien de aard van de ontwikkeling is wel een toename van stikstofuitstoot te verwachten. Negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Er is derhalve een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de gebruiks-, als de aanlegfase. De resultaten hiervan worden hieronder kort besproken. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.11 In dit stikstofdepositieonderzoek is voor het nieuwbouwproject Asenray West de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk en is ook niet gelegen binnen de goudgroene, zilvergroene of bronsgroene natuurzone. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot een goudgroene natuurzone. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 80 meter ten westen van het plangebied.

De onderzoekslocatie ligt op circa 80 meter

11

De Roever, Stikstofdepositieonderzoek Asenray West, kenmerk: 20250218.v01, d.d. 10 april 2025.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

51

afstand van een onderdeel van het Nederlands Natuur-netwerk. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming is overtreding aangaande beschermde soorten wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Dat houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen bij de uitvoering van werkzaamheden. De verstorende werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Globaal kan hiervoor de periode maart tot en met half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen bomen of struwelen verwijderd dienen te worden, dient voorafgaand aan deze werkzaamheden een broedvogel-inspectie door een ter zake kundige ecoloog plaats te vinden. Met betrekking tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Meinweg, vanwege de afstand tot de onderzoekslocatie in combinatie met de aard van de plannen, een stikstofdepositieonderzoek middels AERIUS-calculator noodzakelijk geacht.

Uit deze berekening is gebleken dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Met betrekking tot beschermde houtopstanden en het Natuur-netwerk Nederland worden geen vervolgstappen benodigd geacht.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

52

5.4

Leidingen en infrastructuur

In of rond het besluitgebied zijn volgens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Voor wat betreft kabels en leidingen zijn er dan ook geen belemmeringen. Een nadere beschouwing van de aanwezige buisleidingen heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 5.1.4.

5.5

Verkeerskundige aspecten

Verkeer De beoogde ontwikkeling van 23 grondgebonden woningen heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg, die wordt berekend op basis van de CROW-publicatie nr. 381 ‘Toekomstbestendig parkeren Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van het navolgende woningbouwprogramma:  2 vrijstaande woningen;  6 sociale huurwoningen;  15 twee-onder-een-kapwoningen. Er wordt rekening gehouden met ‘rest bebouwde kom’ van de gemeente Roermond (sterk stedelijke gemeente). Ten aanzien van de vrijstaande woningen ‘Koop, huis, vrijstaand’ betreft de maximale verkeersgeneratie per woning 8,6 mv/et. Ten aanzien van twee-onder-een-kap woningen ‘Koop, huis, twee-ondereen-kap’ betreft de maximale verkeersgeneratie per woning 8,2 mv/et. Ten aanzien van sociale huurwoningen ‘huur, huis, sociale huur’ betreft de maximale verkeersgeneratie 5,3 mv/et per woning.  2 vrijstaande woningen;  6 sociale huurwoningen;  15 twee-onder-een-kapwoningen. In totaal worden maximaal 172 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. De omliggende wegen kunnen deze beperkte toename in verkeer goed opvangen. Parkeren De Nota Parkeernormen 2021 is op 11 november 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De nota is een actualisatie van de Nota Parkeernormen 2014.

Het doel van de Nota Parkeernormen 2021 blijft om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties te realiseren.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

53

Voldoende ruimte en een goede bereikbaarheid zijn belangrijke factoren voor bewoners en bedrijven om zich in Roermond te vestigen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen (inbreiding, uitbreiding en functieverandering) wordt door middel van een vaste systematiek met parkeernormering invulling gegeven aan de parkeervraag. De locatie en het type woning of bedrijvigheid bepalen de parkeernorm. De gemeente stelt een actuele parkeernormensystematiek waarin parkeren bij in-, uitbreiding en functieverandering duidelijk is vastgelegd. De huidige parkeernormen worden getoetst aan de nieuwste parkeerkencijfers. Als basis voor de autoparkeernormen kiest Roermond voor de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Deze kencijfers zijn opgenomen in publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren’, uitgebracht in december 2018. Omdat kencijfers geen parkeernormen zijn, zijn een aantal stappen doorlopen om de kencijfers te kalibreren tot autoparkeernormen. De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. In Roermond worden vier zones onderscheiden: 

Centrum;

Schil;

Rest van de bebouwde kom;

Overige kernen en buitengebied.

Afweging Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie ‘Overige kernen en buitengebied’. Er worden verschillende soorten woningen gerealiseerd binnen meerdere typen segmenten. Onderhavige woningbouwontwikkeling bestaat uit het navolgende woningbouwprogramma:  2 vrijstaande woningen;  6 sociale huurwoningen;  15 twee-onder-een-kapwoningen. Hiervoor gelden verschillende parkeernormen. Ten aanzien van de vrijstaande woningen ‘Woning, vrijstaand’ betreft de parkeerbehoefte per woning 2,4 parkeerplaatsen. Ten aanzien van twee-onder-eenkap woningen ‘Woning, twee-onder-een-kap’ betreft de parkeerbehoefte per woning 2,2 parkeerplaatsen. Ten aanzien van sociale huurwoningen ‘sociale huur (huurliberalisatiegrens)’ betreft de parkeerbehoefte per woning 1,6 parkeerplaatsen. Soort woning

Parkeernorm

Aantal

Totaal

Vrijstaand

2,4

2

4,8

Sociale huur

1,6

6

10,2

Twee-onder-een-kapwoningen

2,2

15

33

Totaal

48

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

54

De totale parkeerbehoefte ten behoeve van de ontwikkeling bedraagt derhalve minimaal 48 parkeerplaatsen. De verdeling van de hoeveelheid aangelegde parkeerplaatsen, conform normering Gemeente Roermond 2021 ziet er als volgt uit: Openbare parkeerplaatsen 27x 1 = 27 parkeerplaatsen Dubbel parkeerplaatsen

8x 1.7= 13.6 parkeerplaatsen

Lang parkeerplaatsen

4x 1 = 4 parkeerplaatsen

Korte parkeerplaatsen

8x 0.8 = 6.4 parkeerplaatsen

Totaal aan nieuw aan te leggen parkeerplaatsen = 51 parkeerplaatsen De parkeernormen uit de Parkeernota 2021 worden eveneens verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. Er is voldoende ruimte om de parkeerplaatsen binnen het plangebied te realiseren. Er zijn 51 parkeerplaatsen geprojecteerd binnen het bouwplan. Het aantal toekomstig aangelegde parkeerplaatsen (51 stuks) is groter dan de parkeerbehoefte (48 stuks) voorschrijft. Er wordt hiermee voldaan aan de parkeernormen uit de Parkeernota 2021. Zoals beschreven in paragraaf 5.3.4 van de Parkeernota 2021 is het primaire uitgangspunt in het toepassingskader dat de parkeerbehoefte van ruimtelijke ontwikkelingen op eigen terrein wordt opgelost. Parkeerplaatsen op eigen terrein zijn er in allerlei verschillende soorten en maten. Voorbeelden zijn: een parkeergarage voor vaste gebruikers en/of bezoekers, een oprit of niet aan de woning verbonden garagebox. In de praktijk blijkt dat parkeerplaatsen op eigen terrein niet altijd worden gebruikt voor het parkeren van de auto. Om die reden bevat deze nota omrekenfactoren. De omrekenfactoren geven per type parkeervoorziening een theoretisch aantal en berekeningsaantal. In de onderstaande tabel zijn de omrekenfactoren weergegeven.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

55

Type parkeervoorziening

Theore-

Bereke-

tisch

ningsaantal

Opmerkingen

aantal

Enkele oprit zonder garage

1

0,8

Minimaal 4,75 meter diep

Lange oprit zonder garage

2

1,0

Minimaal 10 meter diep

2

1,7

Minimaal 5 meter diep

1

0,6

Garagebox (niet bij woning)

1

0,7

Garage met enkele oprit

2

1,2

Garage met lange oprit

3

1,5

Garage met dubbele oprit

3

2,0

of carport

Dubbele oprit zonder garage

Garage zonder oprit (bij woning)

Minimaal 5 meter diep

Minimaal 5 meter breed

Tabel Omrekenfactoren POET.

Voor het onderhavige plan betekent dit dat de parkeerbehoefte gelet op het parkeren op eigen terrein nog met (12,1, afgerond) 13 parkeerplaatsen mag worden verminderd. Er zijn namelijk 7 garages met dubbele oprit voorzien in het plan en 9 garages met een enkele oprit. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

Bestemmingsplan ‘Asenray West’ te Asenray

56

5.6

Duurzaamheid

Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren:  de energiebehoefte van het gebouw;  het primair fossiele energiegebruik;  het aandeel hernieuwbare energie. De te realiseren woningen binnen het plangebied zullen aan deze eisen moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=e29cad5e-405d-4b14-91f5-9c69e71dee28