CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 - rapport Cammaert

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: Aanbevelingen begeleidingscommissie onderzoek Joods vastgoed37.131 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

dat jaar onder beheer van de NGV. Omdat de Duitsers in juli 1942 een algemene bouwstop afkondigden, bleven de zeventig vierkante meter bij gebrek aan belangstelling onverkocht. Niemand kon er wat mee aanvangen. Na de oorlog werd het Duits beheer opgeheven en kreeg Bromberg het perceel terug, maar zijn belangstelling om er een huis op te bouwen was verdwenen. In 1948 verkocht hij de grond aan de gemeente. (100)

Sylvains vader, Jacob Goedhart, was een succesvolle ondernemer en voorzitter van de Joodse gemeente in Roermond. In 1916 kocht Jacob hotel Wilhelmina aan het Stationsplein 12 voor een bedrag van fl. 9.400,=. (101) Na zijn overlijden in 1926 besloten zijn weduwe en de vijf kinderen het pand van de hand te doen. Sylvain dacht er kennelijk anders over want hij kocht het hotel voor bijna fl. 21.000,=. Om dat te kunnen doen, sloot hij een hoge hypotheek af. (102) Gedurende een groot deel van de jaren 1930 stelde Goedhart zijn hotel beschikbaar voor de opvang van Joodse vluchtelingen. Ook slaagde hij erin om een voorlopige verblijfsvergunning te krijgen voor het gezin van zijn zwager Erich Hanau door zich garant te stellen voor hun onderdak en levensonderhoud. (103) Na mei 1940 lieten de Duitsers het hotel en de vluchtelingen die er verbleven vooralsnog met rust, maar op 14 juli 1941 legde de Wehrmacht beslag op het pand. Burgemeester

49

Reijmer stuurde Goedhart de volgende dag een briefje met de mededeling dat hij een verzoek om schadeloosstelling kon indienen bij de gemeente. (104) Dat deed hij. Tot november 1942, toen de Wehrmacht het hotel weer vrij gaf, ontving Sylvain maandelijks ruim fl. 100, = van de gemeente. Daarna nam het ANBO het beheer over. (105) Sylvain woonde er toen al niet meer. Na de onteigening was hij er in september 1941 met zijn vrouw en twee kinderen uitgezet. Ze waren vertrokken naar het adres Pieter Cuypersstraat 7. (106) Allerlei gegadigden meldden zich voor de vrijgekomen ruimte. Zo nam de nationaal-socialistische vakbond, Nationaal Arbeidsfront, zijn intrek op de begane grond en spande de burgemeester zich in om de grote familie van een oostfrontstrijder op de bovenliggende etage te huisvesten. (107) Nadat het hotel in januari 1944 nogmaals tijdelijk was gevorderd, vond het ANBO in mei twee (Duitse) oorlogs-

kopers voor het hotel: Joseph Berger uit Herkenbosch en Jacob Gorissen uit Swalmen. Ze betaalden er fl. 14.000,= voor, een bedrag dat ver onder de marktwaarde lag en tegelijkertijd de hypotheeklast op het pand ophief. Notaris Charles Russel verleed de koopakte. Via het ANBO vloeide het bedrag in de kas van de Vermögens Verwaltungsund Rentenanstalt (VVRA). (108) Sylvain Goedhart, zijn echtgenote Rosa Hanau en hun 19-jarige dochter Joanna en 23-jarige zoon René bevonden zich op dat moment niet meer in Roermond. Na de deportatie van 10 en 11 november 1942 was Sylvain via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en daags na aankomst, op 15 december, vermoord. Zijn vrouw en kinderen waren ondergedoken in Oirsbeek waar Rosa en Joanna door verraad op 16 november 1943 alsnog in Duitse handen vielen. In 1944 werden de twee ter dood gebracht in Auschwitz. René overleefde als enige. (109)

Hotel Wilhelmina zogenaamde Jodenhotel Stationsplein 12 Roermond familie Goedhart Foto Maurice en Sander Frissen

50

Na de oorlog verkeerde het hotel in een deplorabele toestand. Ondanks de zware schade die gedurende de maandenlage fronttijd was ontstaan, vorderde de gemeente het gebouw eind mei 1945 vanwege de heersende woningnood. René Goedhart tastte op dat moment nog in het duister over het lot van zijn ouders en zus. Van de toestand in zijn geboortestad was hij evenmin op de hoogte. Na de bevrijding van Zuid-Limburg in september 1944 was hij meteen naar Engeland vertrokken. Door zijn afwezigheid ontstond weldra geharrewar over de vraag wie als bewindvoerder mocht optreden voor de eveneens ‘afwezige’ Sylvain Goedhart. Uiteindelijk benoemde het NBI met goedvinden van de inmiddels opgespoorde René in juli 1946 mejuffrouw Willy Lagerweij als voorlopig bewindvoerster. Een van haar eerste activiteiten was een bezoek aan het Stationsplein. In haar rapport stelde ze vast dat de actuele huurders het hotel volkomen uitwoonden en verantwoordelijk waren voor vernielingen zoals de sloop van de lambrisering in de achterzaal. De schade werd verergerd door het lekkend dak. Bovendien kreeg ze het aan de stok met bewariërs die niet bereid waren bezittingen van Goedhart terug te geven. In oktober 1946 keerde René terug in Roermond en nam hij het bewindvoerderschap van Lagerweij over.

Zoals hij al eerder schriftelijk te kennen had gegeven aan het Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel wilde hij het hotel van zijn verdwenen vader terugkrijgen. Naarmate hij meer aan de weet kwam over het lot van zijn geliefden en mogelijk ook uit teleurstelling over de slepende gang van zaken bij het rechtsherstel gaf hij het bewindvoerderschap in januari 1948 op. In een brief aan het NBI schreef hij dat hij over een paar dagen naar Nederlands Indië vertrok. Parallel hieraan liet hij notaris Willem Damen uit Roermond een akte opmaken waarin hij de Amsterdamse fabrikant Louis Lion machtigde om zijn zaken als enige wettige erfgenaam te behartigen en als bewindvoerder op te treden voor zijn roerende en onroerende goederen. De gemeente had de huur van het vrijwel onbewoonbare hotel inmiddels opgezegd

en aangekondigd tot ontruiming te zullen overgaan. Nadat de officiële overlijdensaktes van Sylvain, Rosa en Joanna Goedhart in de loop van 1950 waren ontvangen, kon notaris Damen zijn voorstel voor een minnelijke schikking aan de betrokken partijen voorleggen. De twee Duitse oorlogskopers waren in september 1944 met de noorderzon vertrokken en niemand in Nederland zocht ze. Het NBI, dat het vijandelijk vermogen beheerde en Louis Lion die namens René Goedhart optrad, bleven over. Omdat de oorlogskopers de hypotheek bij aankoop hadden afgelost, keerde de schuldenlast terug bij Lion. Op grond van gecompliceerde becijferingen moest hij het NBI bijna fl. 11.000,= betalen. Bij gebrek aan middelen stelde Damen het NBI voor om de schikking rond te maken door Lion een nieuwe hypotheek van fl. 11.000,= te laten afsluiten. René Goedhart had zich inmiddels in Australië gevestigd en wilde van zijn Nederlandse bezittingen af. De herstelkosten overstegen zijn financiële draagkracht en uitstel van de overeenkomst hield slechts waardevermindering in. Reden om Lion te machtigen het hotel publiekelijk te verkopen zodra het NBI zijn fiat had gegeven aan het voorstel van Damen. Op 30 januari 1951 verklaarde het NBI zich akkoord en bekrachtigde de notaris de minnelijke schikking. (110) Onbezwaard ging het gehavende hotel onder de hamer.

Hoeveel de verkoop opbracht, kon (nog) niet worden nagegaan omdat de kadastrale registers van na 1948-1949 niet kosteloos te raadplegen zijn en het NBI-dossier er geen gegevens over bevat. Daarom blijft de vraag of de schikking uiteindelijk in het voor- of nadeel van Goedhart uitpakte vooralsnog onbeantwoord.

51

Alexander Goedhart Evenals zijn broer Sylvain was Alexander een geboren ondernemer. De twee hadden het meegekregen van hun vader. In 1912 trouwde de 26-jarige Alexander met de vijf jaar oudere Clara Landau. Een jaar later kregen ze hun eerste en enige dochter, Johanna. Het gezinsgeluk was van korte duur want in 1915 verloor Alexander zijn vrouw en in 1930 overleed ook Johanna. Hij was op dat moment al hertrouwd met Carolina Gottschalk met wie hij twee zoons kreeg: Jacques (1917) en Max (1920). (111) Het gezin woonde aan de statige Willem II Singel 60. Alexander had het in 1926, na de dood van zijn vader gekocht voor fl. 8.370,=. Een deel van de hypotheek kon hij aflossen. Zijn goedlopende stropdassenfabriek Corona aan de Pieter Cuypersstraat stelde hem daartoe in staat. Goedhart huurde het bedrijfscomplex waar hij ook kantoor hield. (112) Net als Sylvain raakte het echtpaar betrokken bij de hulp aan Joodse vluchtelingen. Carolina behoorde tot de oprichters van het plaatselijk Joods vluchtelingencomité in april 1933. (113) In de tweede helft van 1941 werd de woning aan de Singel onteigend, maar vooralsnog kon het gezin er blijven wonen totdat de Ortskommandantur zich meldde en het pand in beslag nam. Vóór 10 augustus 1942 moesten de Goedharts het pand verlaten hebben, zo stond in het bevel. (114) De familie nam haar intrek in het bedrijfsgebouw aan de Pieter Cuypersstraat.

Burgemeester Reijmer had laten weten dat een verzoek om schadevergoeding kon worden ingediend, maar de Duitse autoriteiten wezen het af toen ze bemerkten dat het om geroofd Joods eigendom ging. (115) Kort daarna kwamen de deportaties op gang en in november 1942 moesten de gezinsleden zich melden. Caroline en Alexander slaagden erin zich aan deze tweede deportatie te onttrekken. Ze waren (zogenaamd) ziek en

52

doken onder zodra ze de kans kregen. Het echtpaar overleefde de Holocaust. Jacques en Max niet. De broers waren al eerder ondergedoken, maar werden op hun schuiladres opgepakt en gingen op 11 november op transport. Niet ver van Auschwitz werden ze uit de goederentrein gehaald om te verdwijnen in de hel van de talloze Poolse werkkampen. Naar verluidt zouden ze daar in de zomer van 1944 voor het laatst zijn gezien. Hoewel het nooit met zekerheid is vastgesteld, werd 31 augustus 1944 als overlijdensdatum van beiden opgegeven. (116) Zoals gezegd moesten de Goedharts in augustus 1942 onder dwang verhuizen naar het bedrijfsgebouw aan de Cuypersstraat. Die was kort tevoren onteigend. Daags na zijn benoeming op 16 juni had de Duitser Hans Wüster het beheer op zich genomen. Zijn belangstelling voor het bedrijf hing samen met het feit dat hij sinds 1937 een vergelijkbare onderneming leidde in Roermond. Alleen maar beschikking over het bedrijf van zijn concurrent stelde hem niet tevreden. Wüster wilde meer. Als trouw NSDAP-lid meende hij over goede papieren te beschikken om het te kunnen kopen. Hij benaderde de overkoepelende bedrijvenbeheerder, de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklungen von Unternehmungen (NAGU) met het verzoek het gezonde bedrijf met z’n goed gevulde orderportefeuille op grond van kennis en ervaring te mogen overnemen.

De NAGU maakte geen bezwaar en verkocht zowel het bedrijf als de woning aan de Willem II Singel op 8 januari 1943 met terugwerkende kracht tot juni 1942. Wüster betaalde er fl. 21.400,=. voor. (117). In vergelijking met de omzet van fl. 47.000,= in 1941 kelderde het resultaat in het jaar van overname naar fl. 18.000,=. Daarvan was fl. 3.000,= te herleiden naar orders van de Wehrmacht. In 1943 liep de omzet weer op naar fl. 23.000,= waarvan ruim fl. 17.000,= toegeschreven kon worden aan opdrachten van de Wehrmacht. Wat Wüster precies produceerde is niet bekend, maar voor zo’n bedrag

aan stropdassen zaten de militairen vast niet verlegen. Na de overname had hij een groot deel van de activa uit de fabriek van Goedhart naar zijn eigen bedrijf overgebracht. Omdat hij vanaf juni 1943 moest dienen in de Wehrmacht, verliet hij Roermond om zo nu en dan terug te keren als hij verlof had. De bedrijfsvoering liet hij over aan zijn vrouw, Luisa Wüster-Thiel. Het echtpaar woonde aan de Graaf Gerardstraat. De royale woning aan de Singel verhuurden ze aan Duits spoorwegpersoneel totdat de Wehrmacht het pand in maart 1944 opeiste. (118) Terwijl Hans Wüster in de buurt van Hoek van Holland zijn dienst vervulde, werd zijn vrouw begin september 1944 vanuit Duitsland gesommeerd haar biezen te pakken. In de daaropvolgende dagen verscheen enkele keren een vrachtwagen in Roermond om zo veel mogelijk goederen op te halen en bij haar ouders in Wuppertal te stallen. Een leeggeplunderd bedrijf en woning bleven achter evenals een berg aan schulden. (119) Teruggekeerd uit de beproeving van de onderduik zag Alexander Goedhart zich na de bevrijding voor een vrijwel onmogelijke opgave geplaatst. Afgezien van zijn vrouw en gezondheid had hij letterlijk alles verloren. Met de moed der wanhoop moest hij op eigen kracht zien op te krabbelen. Onbekend met het lot van zijn spoorloze zoons, nam Goedhart de bewindvoering voor beiden op zich. Namens hen diende hij een vordering van fl.

1.500,= in bij het NBI. Over de afwikkeling is niets terug te vinden in het NBIdossier op naam van de twee. Wel bevat het een nota van het NBI wegens bewindvoerderskosten toen het overlijden van Jacques en Max in 1950 definitief was vastgesteld en de bewindvoering kon worden opgeheven. Voor elk van hen bracht het NBI fl. 70,= in rekening met als toevoeging “waarvan fl. 70,= als beloning voor u”. Dergelijke ‘goedgeefsheid’, die op een onterechte dubbeltelling berustte, schoot Goedhart in het verkeerde keelgat. Inmiddels bekend met de werkwijze van het NBI maakte hij

fl. 70,= onder protest over. Toegeven of verontschuldigingen behoorden niet tot de NBI-mores. Twee jaar later kreeg Goedhart de helft zonder toelichting terug. (120) Met de werkwijze van het NBI had Goedhart vanaf mei 1947 stapsgewijs kennis gemaakt toen hij er aanklopte met het verzoek zijn bedrijf terug te krijgen en de koopovereenkomst van Wüster uit januari 1943 nietig te verklaren. Kort gezegd kwam de modus operandi erop neer dat hij het NBI niet naast maar tegen zich vond. Met steun van de Roermondse notaris Petrus Rieter bond hij de strijd aan met de oppermachtige en bureaucratische gigant. Complicerende factoren bij zijn rechtsherstel waren volgens het NBI de door hem en Rieter verstrekte financiële opgaven omdat die niet waren opgesteld of goedgekeurd door een accountant. Ook struikelde men over niet of gedeeltelijk afgeloste hypotheken en schulden die door Wüster waren aangegaan. Bij gebrek aan bewijsmateriaal schreef het NBI een deel van diens schulden op conto van het bedrijf van Goedhart. Rieter zocht het uit en stelde vast dat het uitsluitend om schulden gingen die ten laste kwamen van Wüsters eigen onderneming. Verder kreeg Goedhart het onterechte verwijt dat gevraagde rapporten en verslagen niet waren ingezonden. Hij kon aantonen dat hij dat zelfs meerdere keren had gedaan. Zelfs z’n integriteit werd in twijfel getrokken.

De overnamebalans die hij had opgesteld zou in sommige opzichten negatief afwijken in vergelijking met de balans van 1941 en kon daarom in zijn voordeel uitpakken. Door alle mitsen en maren van NBI-zijde moest Rieter telkens een nieuw schikkingsvoorstel ter goedkeuring aan het NBI voorleggen dat net zo vaak naar de prullenbak werd verwezen. Alsof deze bizarre manier van traineren en murw beuken nog niet genoeg was, betichtte het NBI Goedhart ervan dat de slepende procedure grotendeels te wijten was aan zijn starre houding.

53

Genoeg is genoeg, moet Goedhart hebben gedacht want op 7 april 1950 schreef hij een brief aan de koningin waarin hij de toezegging van Radio Oranje in herinnering riep dat geroofd eigendom na de oorlog teruggegeven zou worden. Echter, zo schreef hij, “Dat thans 5 jaar na de bevrijding zijn huis nog steeds niet is overgeschreven op zijn eigen naam. Alle pogingen tot nu toe hiervoor gedaan door zijn notaris, zijn vruchteloos gebleven.” Hoewel een antwoord ontbreekt in het dossier, heeft het er alle schijn van dat de gestrande zaak door zijn brief werd vlotgetrokken. Na een jaar van intensieve interne en externe correspondentie dan wel verweer om het eigen gelijk alsnog binnen te halen, ontving de Roermondse kandidaat notaris Gerard Tomlow in juni 1951 een machtiging om namens het NBI mee te werken aan het rechtsherstel van Goedhart. Die kwam er - zoals alle afgewezen maar vrijwel identieke conceptschikkingen - in het kort op neer dat hij zijn woning aan de Willem II Singel terugkreeg inclusief een vordering van ruim fl. 31.000,= die was samengesteld uit fl. 30.000,= wegens ‘onttrekking aan het bedrijf Corona’ en het exploitatiesaldo van ruim fl. 1000,=. De flexibeler Tomlow had zich namens het NBI akkoord verklaard met de vordering van fl. 30.000,= waarna Rieter de definitieve overeenkomst in juli 1951 bekrachtigde.

Een jaar later keerde het NBI als beheerder van alle vijandelijke vermogens fl. 14.000,= uit aan Goedhart. Daarna bleef het stil tot 1958 toen hij het NBI eraan herinnerde dat zijn vordering op het vermogen van Wüster nog zo’n fl. 18.000,= bedroeg. Een onaanvaardbaar bedrag voor het NBI dat hem antwoordde dat slechts een vordering van fl. 10.000,= resteerde. Opnieuw volgde een slepende discussie waarin ook andere schuldeisers zich mengden. Aan het begin van de jaren 1960 meldde zich zelfs het echtpaar Wüster via de Duitse ambassade. Ze deden opgave van een aanzienlijk vermogensverlies. Daar maakte het NBI snel komaf aan door te antwoorden dat het beheerde

54

vijandelijk vermogen niet eens toereikend was om de Joodse eigenaren schadeloos te stellen. (121) Gelet op de slopende en met voetangels en klemmen bezaaide route die hij moest afleggen en de aanhoudende weerstand van het NBI, moet de vraag of Goedhart het complete bedrag ooit heeft teruggekregen onbeantwoord blijven. Het dossier geeft geen uitsluitsel en een eindverantwoording of eindrapportage ontbreekt. In december 1968 kwam een einde aan de ongelijke strijd van Alexander Goedhart. Hij overleed op 82-jarige leeftijd. Zijn behandeling en de afwikkeling van zijn claims zijn illustratief voor de kritiek op het NBI. De veel te machtige hand van het ministerie van Financiën bleek eens te meer uit het onevenredig zware accent op financiële calculaties en argumenten. Begrip, compassie of mededogen ontbraken; alles ademde louter kilte en tegenzin. Sterker nog, er was sprake van wantrouwen ten opzichte van het slachtoffer. Hetzelfde gold voor het eindeloze traineren, zowel wat de herstelprocedure als de uitkering van de toegekende vordering betrof. Wat ‘snel en doelmatig’ afgehandeld had moeten worden, draaide in de praktijk uit op nodeloze werkverschaffing en ongelimiteerde energieverspilling ten koste van de gedupeerde partij. Verder is gebleken dat allerlei, vooral onwelgevallige informatie in het toch al onvolledige dossier ontbreekt.

Daar komt bij dat veruit de meeste informatie die nodig was om het rechtsherstel van Goedhart te kunnen reconstrueren niet uit zijn dossier afkomstig is, maar verstopt zit in het dossier van de crimineel Hans Wüster. Hoewel die er niet persoonlijk bij betrokken was, kan met enig cynisme worden geconcludeerd dat het NBI zijn belangen weinig anders benaderde dan die van Goedhart. Beheer van vijandelijk vermogen leek meer op behoud van vijandelijk vermogen.

Oscar Goudsmit Na het overlijden van zijn ouders, Isidore en Babette Goudsmit-Herz, was Oscar in 1936 eigenaar geworden van de groothandel in textielgoederen GeGo (Gebroeders Goudsmit). Die was voortgekomen uit de opgedoekte huiden- en vellenhandel van onder meer de broers Levie en Isidore. Het ging om een grote erfenis want behalve een omvangrijke aandelen- en effectenportefeuille verwierf hij tot 1939 meerdere panden in eigendom: twee aan de Godsweerdersingel en een dubbel woon-winkelcomplex op de hoek van de Neerstraat en de Paredisstraat. Daar woonde hij met zijn vrouw Grete Herz en hun drie, nog jonge kinderen: Isidore (1931), Edith (1933) en Gerda (1937). (122) Kort na de oprichting van de Joodse Coördinatie Commissie in december 1940, sloot Oscar zich aan bij deze organisatie die opkwam voor de Joodse belangen in deze ‘bijzondere tijdsomstandigheden’. Enkele maanden later nam de Joodse Raad die taken over en trad Oscar toe tot het bestuur van de afdeling Limburg. (123) Ook voor de bestuursleden viel niet te tornen aan de Duitse voornemens want in maart 1941 raakte Oscar zijn onderneming kwijt en in december nam de in Geldrop woonachtige Rijksduitser en textielkoopman Franz Kremer het beheer op zich. (124) De aanwezigheid van Goudsmit en zijn gezin beviel Kremer niet.

Hij probeerde Oscar de toegang tot de woning te ontzeggen en drong er in een brief aan de burgemeester op aan voor vervangende woonruimte te zorgen dan wel aan Goudsmit door te geven bij wie hij moest intrekken. (125) Burgemeester Reijmer worstelde met de vraag of de gemeente tot onteigening mocht overgaan. De ingewonnen informatie maakte hem niet veel wijzer. De NGV en het ANBO redden hem uit de lastige situatie door het pand eind juni te onteigenen en te koop aan te bieden waardoor de familie Goudsmit moest verhuizen naar de Thorbeckestraat. Een paar weken later trok Kremer in de vrijgekomen

woning. (126) Hij had zich nog maar nauwelijks geïnstalleerd toen een oproep voor dienst in de Wehrmacht op de mat viel. Kremer vertrok en liet de bedrijfsleiding over aan zijn vrouw, Martha Kremer-Theiss. In december 1942 kocht ze als gemachtigde van haar echtgenoot de twee panden voor een bedrag van fl. 15.400,= . Notaris Frederic Hoefer uit Maastricht verleed de verkoopakte. Het benodigde geld onttrok ze aan het bedrijfsvermogen. Tegelijkertijd met de panden op de hoek van de Neerstraat en de Paredisstraat was ook de woning aan de Godsweerdersingel 48 onteigend. Hoefers partner in crime, notaris Russel, had in oktober de verkoopakte opgemaakt voor oorlogskoper Petrus Wulms, een poelier uit de Veldstraat. Hij betaalde er fl. 7.750 voor en verhuurde het door heling verworven eigendom vanaf 1 november 1942. Ofschoon ook Godsweerdersingl 24 was onteigend, meldden zich geen gegadigden voor koop. Tot de bevrijding bleef het pand in beheer van het ANBO. (127) Zoals gebruikelijk luidde de bedrijfsovername een fors omzetverlies in. Gedurende het jaar van overname daalde de omzet met ruim een kwart; een achteruitgang die zich voortzette in 1943. Uiteraard zocht de incompetente Martha Kremer de oorzaak buitenshuis. Door bezuinigingen en een van de weinige personeelsleden te ontslaan, verwachtte ze de jaarcijfers op te krikken.

(128) Terwijl zij druk doende was het bedrijf om zeep te helpen, kreeg de familie Goudsmit een oproep om zich te melden voor de derde deportatie van 9 april 1943. Omdat Grete Herz te ziek was om vervoerd te worden, kregen de overige gezinsleden toestemming om voorlopig in Roermond te blijven om haar en andere zieken te verzorgen. Zodra de kans zich voordeed, doken ze met hulp van enkele politiemannen in de omgeving onder. Alle vijf overleefden de oorlog. (129) Direct na de bevrijding nam Goudsmit het beheer van het vermogen van Kremer op zich. Vooralsnog kon het gezin niet terugkeren naar de woning aan de Neerstraat. Die was

55

gedurende de fronttijd zwaar beschadigd door een granaat. Het Roermonds beheersinstituut had het nog enigszins bewoonbare gedeelte toegewezen aan een dakloos gezin. Zij verruilden het huis spoedig voor beter onderdak in Zuid-Limburg met achterlating van wat huisraad. Omdat andere ontheemden de spullen goed konden gebruiken, werd Goudsmit gevraagd om ze af te staan. Zonder toestemming van de originele eigenaar weigerde hij. De politierapporteur had daar moeite mee en noemde hem “erg koppig en blijkbaar inhalig”. (130) In de loop van 1949 maakte notaris Petrus Rieter twee aktes van minnelijke schikking op met betrekking tot de geroofde onroerende goederen van Goudsmit. Kandidaatnotaris Hubert Höppener verklaarde zich namens het NBI akkoord met het ongedaan maken van de koopakte die eind 1942 was gepasseerd door notaris Hoefer. De panden Neerstraat 45 en Paredisstraat 2 gingen terug naar Goudsmit. Omdat Kremer die had betaald met geld uit het bedrijfskapitaal, behield Goudsmit een claim op het NBI van fl. 15.400,= waar fl. 2.705,= aan gederfde huur bovenop kwam. De Raad voor het Rechtsherstel bekrachtigde de overeenkomst. Het dossier bevat geen gegevens over de uitbetaling. (131) Naast de claim ontving Goudsmit in 1953 ruim fl. 1.700,= als tegemoetkoming in de herstelkosten van de oorlogsschade aan het pand. Vijf jaar later werd dat bedrag verhoogd tot fl.

2.574,=.(132) Ook de woning aan de Godsweerdersingel 48 kwam bij minnelijke schikking terug bij de oorspronkelijke eigenaar. Poelier Wullms had er tot ver in 1944 huur voor ontvangen. Na aftrek van heffingen en verzekeringspremie bleef daar fl. 178,= van over. Wulms betaalde het bedrag aan Goudsmit en behield een claim op het NBI ter waarde van de koopprijs van fl. 7.750,=. (133) Voor het pand Godsweerdersingel 24 hoefde geen schikking te worden getroffen omdat het nooit verkocht was. De onteigening werd met een pennenstreek ongedaan gemaakt.

56

Collectie Briefhoofden Gemeentearchief Roermond Foto GAR

Sallie, Henri en Hermine Goudsmit Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog woonde de familie Goudsmit al ruim een eeuw in Roermond. Van handelaren in huiden en vellen hadden de opeenvolgende generaties de oorspronkelijke activiteiten verlegd naar de aantrekkelijker textielbranche. Die veroorzaakte minder (stank)overlast en minder klachten van omwonenden. Oscar hield er, zoals gezegd, een goed belegde boterham aan over. Zijn neven Sallie en Henri deden niet voor hem onder. Met hun vader Levie exploiteerden ze een goedlopende

zaak in geweven stoffen en herenmode die op de hoek van de Neerstraat en de Brugstraat lag en bekend stond onder de naam Elgozo. Dat klonk misschien wat Spaans, maar de El stond voor de voorletter van Levie en gozo voor Goudsmit en zonen. (134) Na het overlijden van weduwnaar Levie Goudsmit in 1931 hielden de broers de zaak aan en brachten ze het onroerend goed stukje bij beetje in in de onderneming. Hun zus Hermine kochten ze uit. Ze woonde in Duitsland en was getrouwd met Albert Wolf. Nadat de naziterreur in volle hevigheid was losgebarsten, weken ze met hun twee kleine kinderen in 1936 uit naar Roermond. Ze konden terecht in de woning aan de Godsweerderstraat 20 die de broers kort tevoren hadden gekocht. Goudsmit stond garant voor hun levensonderhoud waarmee voldaan was aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning. Nadat die was afgegeven, kwamen ze in dienst van Elgozo. (135) Vooral Sallie trok zich het lot van de vluchtelingen aan. Zo was hij nauw betrokken bij de oprichting van het plaatselijk Joods Vluchtelingencomité dat materiële steun verleende en onder meer hielp bij de clandestiene grensoversteek van de vervolgden. Anderen loodste hij onder valse voorwendselen het land binnen of verschafte hij een verblijfsvergunning door de kosten van levensonderhoud op zich te nemen. Het liep goed totdat zijn hulp tot de hogere justitiële autoriteiten doordrong.

Goudsmit kreeg een vermaning om er per direct mee te stoppen op straffe van verwijdering uit de grensstreek. (136) Ook de echtgenote van Henri Goudsmit, Else Hahn, bood hulp. Ze liet haar vader en vier zussen uit Duitsland overkomen. Nadat het gelukt was om een verblijfsvergunning te bemachtigen, werden ze toegevoegd aan de loonlijst van Elgozo. (137)

In het tweede jaar van de Duitse bezetting stapelden de problemen zich snel op. Allereerst raakten de broers hun zaak in maart 1941 kwijt. Die viel in handen van Franz Müller uit Chevremont. Twee jaar later kocht hij de complete firma, inclusief de door de broers ingebrachte onroerende goederen voor fl. 88.000,=. De waarde van de vijf bebouwde percelen, Brugstraat 2, 3 en 5, Godsweerderstraat 20 en Neerstaat 4, bedroeg fl. 42.300,=. Wat verwacht kon worden gebeurde. De omzet kelderde dramatisch en Müller plunderde Elgozo leeg. In de zomer van 1945 bedroeg de waarde nog slechts fl. 45.000,=. Minus de waarde van de onroerende goederen bevatte de zaak dus vrijwel niets meer. (138) Omdat de roof zich ook uitstrekte tot de woningen van Sallie en Henri, werd laatstgenoemde uit zijn woning aan de Neerstraat gezet. Met zijn vrouw en drie kinderen belandde hij in een veel te klein pand aan de Spoorlaan 5 waar ook zijn drie schoonzussen en het echtpaar Zodick verbleven.

Trouwfoto van Else Hahn en Henri Goudsmit 1923 Foto GAR

57

Sallie en Recha Goudsmit-Lehmann raakten hun woning aan de Brugstraat eveneens kwijt en kwamen in de kort tevoren ontruimde woonruimte van Henri terecht die ze moesten delen met een aantal andere van huis en haard verdreven Joden. (139) Het grootste onheil diende zich in november 1942 aan. Henri, zijn echtgenote Else Hahn en hun zoons, de 18-jarige Jules, de 14-jarige Louis en de 10-jarige René moesten zich melden voor de tweede deportatie. Behalve Jules gingen ze allemaal op transport naar Auschwitz om van daaruit naar Sobibor te worden overgebracht waar ze meteen na aankomst op 7 mei 1943 werden vergast. Jules, een leerling van de Rijks HBS, had het geluk over een vrijstellingsbewijs te beschikken. Na een dag te zijn vastgehouden op het politiebureau werd hij weggestuurd. Met spoed dook hij onder. Als enige van het gezin overleefde hij de Holocaust om na de bevrijding terug te keren naar de doodse stilte van Brugstraat 3. Ook Sallie en zijn vrouw Recha brachten het er levend vanaf. Een vrijstellingsbewijs redde aanvankelijk hun leven, maar bood geen enkele zekerheid voor de toekomst. Met hulp van enkele verzetsmensen doken ze onder in Helden. (140) Het gezin van Hermine Wolf-Goudsmit kreeg die kans niet.

Vanaf hun woonadres aan de Godsweerderstraat gingen Albert Wolf, Hermine en hun 16-jarige zoon Herbert en hun 12-jarige dochter Fanny op 10 en 11 november op transport richting Auschwitz om te eindigen in Sobibor waar ze op 9 april 1943 werden vermoord. (141) Van de drie kinderen van Levie Goudsmit en hun nazaten overleefden alleen Sallie en zijn neef Jules de Holocaust. Nog onbekend met het lot van zijn verwanten richtte Sallie meteen na de bevrijding van Helden in november 1944 een Joods hulpcomité op. Hetzelfde deed hij in het voorjaar van 1945 in Roermond. (142) Zijn zoektocht naar zijn verdwenen familie en verwanten liep uit op onpeilbaar verdriet. In augustus 1946 vroeg hij notaris Rieter een verklaring van erfrecht op te stellen voor Jules Goudsmit. Ook andere

58

nazaten van omgekomen Joden was hij op allerlei manieren behulpzaam. (143) Vier jaar later, in november 1950, kwam een minnelijke schikking tot stand. Daarin werd onder meer vastgesteld dat de waarde van de firma Elgozo was gedaald van bijna fl. 90.000,= in 1943 naar iets meer dan fl. 45.000,= in augustus 1945 toen Sallie de leiding van het bedrijf weer op zich nam. Om een deel van de koopsom te kunnen voldoen, had Müller een hypotheek ter waarde van fl. 20.000,= afgesloten. Overeengekomen werd dat zowel de koopakte uit 1943 als de lening ongedaan werden gemaakt. Alles ging terug naar de oorspronkelijke eigenaren; ook de onroerende goederen die bij de firma hoorden: Brugstraat 2, 3 en 5, Godsweerderstraat 20 en Neerstraat 4. Voorts erkende het NBI als beheerder van het vermogen van Müller een schuld van fl. 44.000,= aan Sallie en Jules Goudsmit. Müller behield zijn hypotheekschuld van fl. 20.000,=. Daarnaast had Goudsmit recht op een rijksbijdrage in de kosten van het herstel van oorlogsschade aan zijn panden. Hetzelfde gold voor vorderingen bij verzekeraars. De notariskosten en de uitvoeringskosten van de schikking kwamen voor rekening van Goudsmit. Wanneer, hoe en hoeveel het NBI uitbetaalde aan Sallie en Jules Goudsmit is niet bekend. Het dossier bevat geen eindverantwoording of eindafrekening.

(144) In 1952 ontving Goudsmit een tegemoetkoming in de herstelkosten van zijn panden van fl. 4.287,=; een bedrag dat zes jaar later met fl. 1.209,= werd verhoogd. (145) Sallie Goudsmit overleed in 1966 op 71-jarige leeftijd. Zijn vrouw Recha overleefde hem ruimschoots. Zij werd honderd jaar en overleed in 1999. Het echtpaar was kinderloos gebleven. (146)

Gustel Nussbaum: Gustel Nussbaum is op 1 maart 1945 in Roermond bevrijd. Toen Amerikaanse soldaten de stad binnentrokken, zat de Joodse al zeventien dagen in een vochtige put in het uitgestorven centrum bij bakkerij Thomassen in de Bergstraat. Het was een apotheose van een acht jaar durende vlucht voor de nazi’s, die in 1933 begon in Emden, in het noorden van Duitsland. Na de Kristallnacht - op negen november 1938 - was het voor Gustel en haar zus Sophie duidelijk, dat ze moesten vluchten uit Duitsland. In 1939 vertrokken beide zusjes naar Nederland om in Loosdrecht naar een landbouwschool zich voor te bereiden op een bestaan in Palestina. Na twee maanden in Loosdrecht begon de oorlog en moesten de twee onderduiken. In oktober 1943 kwam Gustel bij de familie Thomassen in Roermond terecht en Sophie via kapelaan Thomassen uit Panningen uiteindelijk bij de familie Tijssen in Sevenum. Beide zusjes overleefden de oorlog en emigreerden in september 1945 alsnog via zuid-Frankrijk naar Palestina. Beiden trouwden en kregen kinderen en kleinkinderen. Tot hun dood bleven ze in Israël wonen en waren ze hun onderduikouders dankbaar voor hun overleving. Beide families -Thomassen in Roermond en Tijssen in Sevenum- zijn met de Yad Vashem-onderscheiding geeerd.

Recha Goudsmit en Sophie Nussbaum, Roermond 1986

Gustel Nussbaum en Wies van de Goor-Tijssen, Israël 2010

59

Sally Hiegentlich De van oorsprong uit Assen afkomstige Sallie Hiegentlich had zich na een verblijfsperiode in Amsterdam in 1895 gevestigd in Roermond. Hetzelfde jaar trouwde hij met zijn grote liefde, Rosalie Egger. Ze kregen vier zonen en een dochter van wie de jongste zoon Jacob landelijke bekendheid verwierf als schrijver-dichter. Rosalie was nog maar 64 jaar oud toen ze in 1927 overleed. (147) Net als Alexander Goedhart en de broers Goudsmit koos ook Sallie Hiegentlich voor de textielbranche. Omstreeks 1900 opende hij een textielgrossierderij aan de Neerstraat om via de Marktstraat op de Markt te eindigen. Een eindje verderop, aan de Steenweg opende hij tijdelijk een filiaal. Zijn zakelijk succes kwam eens te meer naar voren toen hij de locatie aan de Markt uitbreidde met een confectiebedrijf voor broeken.

60

Vanaf 1922 participeerden twee van zijn zonen, Salomon (Jacques) en Caesar (Cees) in het bedrijf dat voortaan te boek stond als S. Hiegentlich en zonen. De economische crisis van de jaren 1930 kreeg klaarblijkelijk geen vat op de onderneming want in 1934 verving nieuwbouw het bedrijfsgebouw aan de Markt. Het bood alle ruimte voor de bestaande activiteiten. Er bleef genoeg over om de twee bovenliggende etages als woonruimte te verhuren. Ondanks het zakelijk succes verruilden de meeste Hiegentlichs Roermond in de loop van de jaren 1930 voor Amsterdam. Vader Sallie vestigde zich als koopman in de hoofdstad; Joseph na zijn rechtenstudie als advocaat en dochter Rosette trouwde er met koopman Jacob van Zuiden. Salomon (Jacques) en Cees bleven achter om de zakelijke belangen te behartigen. (148) Jacob Heigentlich ging ook naar Amsterdam en werd een bekend schrijver.

Pand firma Hiegentlich Marktstraat Roermond Briefkaart GAR

De familie beschikte over voldoende middelen om te investeren in onroerend goed. Behalve de woon- en bedrijfsruimte aan de Markt, waren de Hiegentlichs aan de vooravond van de Duitse inval eigenaar van een winkelwoonhuis aan de Steenweg, twee huizen aan de Kruisherenstraat en een woning aan de Graaf Gerardstraat. Ook waren ze in bezit van een voor nieuwbouw bestemde tuin aan de Kloosterwandstraat (destijds In de Ramen), twee percelen in MelickHerkenbosch (Meinweg) en een onbeduidend lapje grond aan de burgmeester Rauppstraat. (149)

om het pand meteen door te verkopen aan Petrus Nouwen uit Weert. Wevers had de prijs snel opgeschroefd met fl. 800,=. Notaris Paul van Crugten was verantwoordelijk voor de koopakte. (152) Of de twee wisten dat het om oorspronkelijk Joods eigendom ging, staat niet vast. Van Crugten had het in elk geval kunnen en uit hoofde van zijn beroep moeten nagaan. Het winkelwoonhuis aan de Steenweg werd met medewerking van notaris Hoefer voor fl. 14.000,= verkocht aan Eugene Krieger die er al woonde.

Op 11 augustus 1941 begon de roof toen het bedrijf aan de Markt onder beheer kwam van de NAGU. De totale waarde ervan bedroeg op dat moment een kleine fl. 100.000,=. In juli 1942 verkocht de NAGU de firma Hiegentlich en zonen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1942 voor fl. 88.400,= aan de Duitser Peter Wilms die aan de Bredeweg woonde. Volgens de fiscus realiseerde hij gedurende de boekjaren 1942 en 1943 een winst die telkens tussen de fl. 30.000,= en fl. 40.000,= lag. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, ging Wilms er in september 1944 vandoor na het bedrijf eerst tot op het bot te hebben uitgekleed. De complete voorraad en een groot deel van de inventaris nam hij mee. De geschatte waarde ervan bedroeg fl. 45.000,=. (150)

Wat er precies gebeurde met de nog niet genoemde percelen grond, is niet geheel duidelijk. De twee percelen grond in de Meinweg werden volgens de Verkaufsbücher via notaris Russel verkocht aan resp, C. Stüssgen uit Heerlen en M. Bruls uit Schaesberg. (154) Het lapje grond aan de Burgemeester Rauppstraat bleef onverkocht.

(153)

Sallies zoon Salomon (Jacques) Hiegentlich huurde een woning aan de Robert Regoutstraat en verbleef er tot zijn deportatie op 25 augustus 1942. Vanuit Westerbork ging hij kort daarna op transport naar Auschwitz. Zijn overlijdensdatum werd naderhand vastgesteld op 30 april 1943; de plaats van overlijden zou nooit bekend worden. Salomon (Jacques) Hiegentlich

Behalve het bedrijf waren ook alle andere onroerende goederen gestolen. Met medewerking van notaris Frederic Hoefer hadden de broers Jan en Willem Spee de twee percelen aan de Kruisherenstraat in december 1942 gekocht voor een totaalbedrag van fl. 9.000,=. Ze woonden er al sinds de onteigening. Voor de grond aan de Kloosterwandstraat betaalden ze fl. 1.479,=. (151) Radiohandelaar Frans Wevers uit de Marktstraat maakte zich met hulp van Hoefer eind 1942 meester van de woning aan de Graaf Gerardstraat. Hij betaalde er fl. 7.700,= voor

Foto GAR

61

Na het vertrek uit Roermond liet de gemeente zijn woning leeghalen en de inboedel overbrengen naar een opslagruimte aan de Godsweerdersingel. Politierechercheur Mathieu Schmitz had de sleutels. (155)

De moeder van de twee, Telza Grunwald overleefde de Holocaust eveneens, net als het dochtertje van Joseph Hiegentlich, Rosalie. Zo ook de weduwe van Joseph, Helena Nol.

Ook Sallie en zijn zoons Ceasar (Cees) en Joseph ontkwamen niet aan deportatie. Cees had tot de oorlog in Roermond gewoond en was daarna onder dwang naar Amsterdam verhuisd. Vanuit de hoofdstad gingen de drie naar Westerbork om van daaruit in februari 1943 in Auschwitz terecht te komen waar ze in de loop van het jaar werden vermoord. Auteur Jacob was al eerder, op 18 mei 1940 overleden nadat hij vergif had ingenomen toen hij van het bombardement op Rotterdam vernam. Rosette van Zuiden-Hiegentlich overleefde als enige van het gezin de Holocaust. Haar broer Caesar liet twee kleine kinderen na: Sally en Bram. (156)

Voor zover het de firma Hiegentlich betreft, moest het naoorlogs rechtsherstel bevochten worden. De strijd werd met name gevoerd door bewindvoerder Jacob van Zuiden en zijn Amsterdamse advocaat Jacob Fränkel. Allereerst moesten de schade en de waarde worden bepaald. De Roermondse accountant Cartigny stelde twee zeer gedetailleerde waardebalansen op: de eerste had betrekking op de datum van overname door NAGU in augustus 1941 en bedroeg inclusief de waarde van het bedrijfspand fl. 98.402,=. De tweede dateerde van juli 1945 en kwam uit op fl. 102.226,=. In overleg met notaris Rieter verhoogde Van Zuiden de vordering naar fl. 120.000,= omdat sommige posten in de becijferingen van Cartigny ontbraken. De nazaten van Hiegentlich begrepen dat het geen haalbaar bedrag was. Het vermogen van Wilms was niet toereikend en bovendien had hij een belastingschuld van fl. 45.000,= opgebouwd. Van Zuiden gaf aan genoegen te nemen met fl. 75.000,=. Ondanks die tegemoetkoming leverde de sterk afgezwakte vordering voldoende stof op voor langdurige onderhandelingen. Het ene na het andere schikkingsvoorstel van Rieter stuitte op bezwaren van het NBI. De discussie spitste zich toe op de loonsom van fl. 18.000,= die Wilms zich had toebedeeld voor de 36 maanden dat hij het bedrijf had geleid. Het NBI wilde het bedrag aftrekken van de vordering van fl. 75.000,=.

Toch was dit niet het grootste struikelblok. Dat was de NBI-eis dat de erfgenamen eventuele vorderingen van klanten van Wilms overnamen. Het ging om een bedrag van fl. 5.000,= waarvan de erfgenamen

Links Joseph, midden Sallie, rechts Jacob Hiegentlich Foto GAR

62

inmiddels de helft hadden betaald aan de grootste schuldeisers. Goede klanten moesten immers behouden blijven voor de toekomst. Het NBI nam er geen genoegen mee: het ging om alle klanten. Als men er geen gevolg aan wilde geven, kon de zaak worden voorgelegd aan een rechter van de Afdeling Rechtspraak, stelde het NBI voor. Advocaat Fränkel zag er na overleg met zijn cliënten vanaf omdat de afwikkeling dan nog meer vertraging door zou oplopen. De erfgenamen hadden de firma Hiegentlich en zonen herstart maar formeel stond die nog op naam van Wilms. Snel rechtsherstel was noodzakelijk omdat niet vaststond waar de bedrijfsresultaten naar toe gingen. Het risico dat die naar de boedel van Wilms met z’n omvangrijke belastingschuld gingen, kon niet uitgesloten worden. Er zat niets anders op dan toegeven aan de eis van het NBI. Om het herstel te bespoedigen stelden de erfgenamen bovendien een bedrag van fl. 9.000,= beschikbaar aan advocaat Fränkel dat hij mocht besteden aan een goed doel naar eigen keuze. Hij schreef het NBI dat de organisatie een goed doel kon dienen door de afhandeling te bespoedigen. Kort samengevat kwam de definitieve schikking erop neer dat het bedrijf weer in handen kwam van de erfgenamen van Hiegentlich. Zij namen de achtergelaten bedrijfsschulden van Wilms over. Het NBI erkende de bedrijfsschade van fl. 75.000,=.

De teruggave van het bedrijfspand werd in een afzonderlijke overeenkomst geregeld. (157) Dat de schikking van juli 1951 het predicaat minnelijk en billijk niet verdient, behoeft geen toelichting. Veel onderdelen ervan vielen in het nadeel uit van de erfgenamen van Hiegentlich. Helaas moeten belangrijke vragen onbeantwoord blijven bij gebrek aan informatie in het onvolledige NBI-dossier. Welk bedrag kregen de erfgenamen bijvoorbeeld terug? Ook is niets definitiefs terug te vinden over de fl. 18.000,= aan loon die Wilms zichzelf had toegekend. In de akte stond slechts dat er rekening mee gehouden werd. In 1953 ontvingen de erfgenamen van Hiegentlich twee

overheidsbijdragen van in totaal fl. 10.000,= als tegemoetkoming in de kosten van herstel van oorlogsschade. Ze kunnen moeilijk als pleister op de wond worden beschouwd. (158) Aanzienlijk minder geld was gemoeid met het rechtsherstel van het overige onroerend goed. Dat verliep soepeler. Notaris Paul van Crugten die eerder de oorlogskoop van Graaf Gerardstraat 5 had geregeld, werd aangesteld als notaris-bemiddelaar bij de teruggave van Steenweg 6A dat eind 1942 was gekocht door Eugene Krieger. Notaris Rieter bekrachtigde namens het NBI de minnelijke schikking in december 1946. Het winkel-woonhuis ging terug naar de erfgenamen van Hiegentlich en de door Krieger afgesloten hypotheek van fl. 8.500,= werd ongedaan gemaakt. De huuropbrengst bedroeg fl 740,= en werd na aftrek van heffingen en andere kosten door Krieger vergoed. (159) In 1948 ontving Van Zuiden een tegemoetkoming van fl. 4.100,= voor herstel van de schade, veroorzaakt door artillerievuur. (160) Ook de woning aan de Graaf Gerardstraat ging bij minnelijke schikking van oktober 1952 terug naar de erfgenamen. Bewindvoerder Van Zuiden had het beheer al kort na de bevrijding op zich genomen. Oorlogskoper Nouwen had het pand van januari 1943 tot september 1944 verhuurd en er in totaal fl. 740,= voor ontvangen. Het bedrag betaalde hij na aftrek van heffingen en overige kosten terug. De notariskosten van fl.

250,= kwamen voor zijn rekening. (161) Een jaar later ontving Van Zuiden fl. 842,= als tegemoetkoming in de herstelkosten van oorlogsschade. (162) De afwikkeling van het rechtsherstel van de twee huizen aan de Kruisherenstraat en de tuin aan de Kloosterwandstraat verliep volgens dezelfde procedure. Notaris Willem Damen stelde de akte van minnelijke schikking op die notaris Rieter in november 1949 bekrachtigde. Net zoals de andere koopakten werd ook deze ongeldig verklaard. De oorlogskopers, Jan en Willem Spee, vergoedden de huur-

63

opbrengst over de periode januari 1943 tot augustus 1945. Die bedroeg in totaal fl. 1.535,=. Daar gingen heffingen en overige kosten vanaf. Ook betaalden ze fl. 207,= aan notariskosten. (163) Wat er na de oorlog met de door Stüssgen uit Heerlen en Bruls uit Schaesberg gekochte grondpercelen in de Meinweg gebeurde, is niet bekend. Er is geen hersteldossier aangetroffen in de archieven van het NBI en de Raad voor het Rechtsherstel. Hetzelfde geldt voor de veertien vierkante meter grond aan de Burgemeester Rauppstraat. Het onverkochte lapje was in principe voorbestemd voor teruggave aan de erfgenamen. In 1948 informeerde de gemeente er naar bij het NBI. Het grotere geheel waartoe het behoorde was intussen gedeeltelijk bebouwd en de gemeente wilde het alsnog verwerven en had daar fl. 1,= per vierkante meter voor over. Desgevraagd verkocht de bewindvoerder het in 1950. (164) Links Rene rechts Armand Leviticus circa 1910 Foto GAR

Briefhoofd firma Leviticus Foto GAR

Armand Leviticus Armand Noë Leviticus was eigenaar van een opvallend bont geschakeerd bedrijf. Hij handelde in specerijen, darmen, slagerijmachines en niet nader gespecificeerde consumptiegoederen. Die had hij opgeslagen in zijn pakhuis aan de Spoorlaan. Anticiperend op de anti-Joodse verordeningen verhuisde hij in 1940 naar Heythuysen en verkocht hij in 1941 zijn bedrijf. Ook stapte hij over naar het katholieke geloof. Het haalde niets uit; hij ontkwam niet aan vervolging en vluchtte naar België waar hij zich mogelijk bij het verzet aansloot en in de hulpverlening aan geallieerde piloten verzeild raakte. In de herfst van 1943 werd hij gearresteerd,

Paspoort Armand Leviticus Foto GAR

64

maar hij wist zijn Joodse identiteit verborgen te houden. Via verschillende kampen en gevangenissen kwam hij uiteindelijk in de gevreesde tunnels van Nordhausen terecht waar hij met duizenden andere dwangarbeiders onder de meest erbarmelijke omstandigheden moest meewerken aan de productie van de V2, de eerste ongeleide ballistische raket. Op 28 februari 1945 bezweek Leviticus als gevolg van totale uitputting. Ofschoon hij zijn bedrijf had verkocht, werd desondanks een bewindvoerder benoemd die de onderneming opdoekte. Het bouwvallige pakhuis stond sindsdien leeg, maar werd niet onteigend. Eind 1947 stelde notaris Petrus Rieter op verzoek van Leviticus’ bewindvoerder Mozes Cohen uit Eindhoven een verkoopakte op. Hij richtte een verzoek aan het NBI of men akkoord kon gaan met onderhandse verkoop. Johannes Kramer uit Roermond was bereid fl. 3.300,= voor de beschadigde bouwval te betalen. Zowel het NBI als de enige, in New York woonachtige nabestaande van Leviticus, verklaarden zich akkoord met het voorstel. (165) Alexander Sternfeld Met zijn schoonvader, Daniël Egger, richtte Alexander Sternfeld in 1914 de firma D. Egger & Co op. De onderneming lag aan de Marktstraat 1 (naderhand Luifelstraat 17) en omvatte naast een winkel in confectie een confectiebedrijf met magazijnruimte.

Alexander en zijn echtgenote Rosalie Egger woonden erboven en Daniël en zijn echtgenote Selma Keijzer een eindje verderop aan de Varkensmarkt. Na het overlijden van Daniël namen Alexander en Rosalie het bedrijf en het onroerend goed over in 1920. De twee broers van Rosalie woonden in Alkmaar en Amsterdam en zouden het erfdeel van hun moeder na haar overlijden verwerven. (166) Zoals de broers Goudsmit en Alexander Goedhart al hadden aangetoond, was de handel in textiel een lucratieve aangelegenheid. Het bedrijf draaide zo goed dat Alexander

Groepsfoto ter gelegenheid van viering 700 jaar Roermond, vierde van links achter aan Alexander Sternfeld Foto GAR

het aangrenzend huis aan Markt 9 in 1934 kon kopen. Beide panden liet hij slopen om ruimte te maken voor een nieuw gebouw dat een jaar later feestelijk de deuren opende. (167) Het echtpaar had drie zoons: Jo (1915), Albert (1916) en Leo (1921). Tegen het einde van de jaren 1930 woonde alleen Leo nog bij zijn ouders. Zijn broers waren al het huis uit. Jo woonde aanvankelijk afwisselend in Roermond en Amsterdam om zich in 1939 definitief in de hoofdstad te vestigen. Hij was getrouwd met Grietje Davidson. Leo volgde een opleiding aan de Economische Hogeschool van Rotterdam. Vanzelfsprekend baarden de ontwikkelingen in Duitsland de Sternfelds grote zorgen. De aanzwellende vluchtelingenstroom was in 1933 aanleiding voor Alexander om met andere leden van de Joodse gemeenschap een plaatselijk

65

hulpcomité op te richten waarvan hij voorzitter werd. Ook overwoog hij enige tijd om met zijn gezin uit te wijken naar de Verenigde Staten, maar daar bleef het bij. (168) In de loop van 1941 begon de rampspoed. Allereerst viel het bedrijf na de roof omstreeks oktober in handen van kleermaker Josef Weber uit Sittard. Met zijn vrouw toog hij naar Roermond om zijn intrek in het bedrijfsgebouw te nemen. Sternfelds boekhouder, Willem Wester, zag met lede ogen aan hoe het stel het bloeiend bedrijf eendrachtig over de rand van de afgrond duwde. Hij verklaarde naderhand dat de Webers ongeschikt en niet capabel waren om de zaak te leiden. Zelfs voor het opstellen van een brief, moesten hulptroepen worden ingeroepen. Omdat Josef Weber na enige tijd werd opgeroepen voor dienst in de Wehrmacht, liet hij de bedrijfsleiding over aan zijn vrouw. Zij had zo mogelijk nog minder verstand van zaken. Terwijl het klantenbestand al vrijwel opgedroogd was, begon zij kostbare kleding voor zichzelf te kopen en kende ze zich een ‘fabelachtig’ maandsalaris van fl. 1.000,= toe (vergelijkbaar met ruim € 15.000,= anno 2024). Dat kon de zaak niet opbrengen, aldus Wester. (169) Op 2 september 1942 ontving Sternfeld een mededeling van de Ortskommandant. Vóór 10 september moest hij plaats hebben gemaakt voor hem. Een lijst van achter te laten inboedel zou nog volgen.

Wat resteerde, nam het echtpaar mee naar de Robert Regoutstraat 50 dat ze moesten delen met het eerder uit Duitsland gevluchte echtpaar Gross. Zoon Leo verhuisde niet mee. De Benjamin uit het gezin was een week eerder, bij de eerste deportatiegolf meegenomen. Vanuit Auschwitz kwam hij in het satellietkamp Monowitz terecht waar hij op 1 maart 1944 bezweek. (170) Hoewel de Ortskommandant de woning voor zichzelf had opgeëist, lag het beheer van het gebouw in handen van het ANBO. Hetzelfde gold voor twee genaaste percelen grond

66

van Sternfeld in de Meinweg. C. Stüssgen uit Heerlen kocht er in februari 1944 één van en betaalde er fl. 600,= voor. Gezien de hoge prijs moet het om een flink stuk grond zijn gegaan. De gecombineerde percelen aan de Markt/ Marktstraat, waar sinds 1935 één gebouw stond, brachten fl. 35.000,= op. Met medewerking van notaris Charles Russel uit Eijsden kocht Hans Wüster de fraaie blikvanger in februari 1944. Ter bekostiging ervan sloot hij een hypotheek af van fl. 27.550,=. (171) Alexander Sternfeld bevond zich op dat moment niet meer in Roermond. Hij was opgeroepen voor de tweede deportatie en op 11 november 1942 op transport gegaan naar Westerbork. In mei 1943 vertrok hij naar Auschwitz. Daar werd hij meteen na aankomst van het leven beroofd. Rosalie Sternfeld-Egger was in november in Roermond achtergebleven. Ze lag in het ziekenhuis en had vrijstelling gekregen. Zodra de kans zich voordeed, dook ze onder. Op 9 februari 1944 werd ze op haar schuiladres in Heerlen gearresteerd en alsnog op transport gesteld naar Auschwitz. Nog geen maand later kwam ze er om het leven. Zoon Albert was zijn ouders voorgegaan. Nadat hij zijn studie in Rotterdam had moeten afbreken wegens de anti-Joodse maatregelen was hij opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd waar hij op 13 augustus 1942 werd vermoord. Alleen Jo Sternfeld overleefde de Holocaust.

Hij verruilde Amsterdam voor Limburg waar hij onderdook en zich aansloot bij het verzet. (172) Direct na de bevrijding vertrok de enige overlevende van het gezin naar Engeland en meldde zich bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Zijn vrouw, Grietje Davidson, nam de bewindvoering voor het echtpaar Sternfeld op zich. Dat zou uitlopen op een buitengewoon gecompliceerde rechtsherstelprocedure omdat het in gemeenschap van goederen getrouwde echtpaar in november 1949 ging scheiden. Accountant Cartigny raamde het vermogen van de firma Egger-Sternfeld op ruim fl. 83.000,= waar naar schatting

fl. 60.000,= bij kwam aan vorderingen op de Duitse roofinstellingen. Terwijl de procedure zich uiterst moeizaam voortsleepte, verzocht notaris Petrus Rieter het NBI in augustus 1950 de bewindvoering over het vermogen van Alexander en Rosalie Sternfeld te beëindigen om de boedelscheiding tussen Jo Sternfeld en Grietje Davidson mogelijk te maken. Bijna een jaar later stemde het NBI ermee in. De afloop van de vermogensafwikkeling van de firma is daarom niet bekend. Het dossier loopt tot de beëindiging van de bewindvoering. Kennelijk leidde het rechtsherstel van het onroerend goed aan de Markt tot minder complicaties. Bij minnelijke schikking van mei 1950 door notaris Rieter werd bepaald dat het per 1 maart 1945 weer in eigendom was gekomen van de originele eigenaren. Wüster betaalde de huuropbrengst na aftrek van heffingen en andere kosten terug en de hypotheek werd ongedaan gemaakt met dien verstande dat Wüster zijn schuld aan de hypotheekverlener behield. Los van deze overeenkomst ontvingen de erfgenamen fl, 5.472,= als tegemoetkoming in de herstelkosten van schade veroorzaakt door een granaat. Over het rechtsherstel van het door Stüssgen gekocht perceel in Herkenbosch bevat het NBI-archief geen gegevens. Over het tweede, onverkochte perceel in de Meinweg, mag op grond van de gebruikelijke herstelprocedure worden verondersteld dat het weer in bezit kwam van de erven Sternfeld.

(173) Charles Straus en familie Pater familias Louis (Willem) Straus was de leeftijd van 90 jaar al gepasseerd toen de oorlog uitbrak. Het gezin woonde in de Voorstad St. Jacob op nummer 36. Gedurende zijn werkzame leven had Louis z’n brood verdiend als slager en veehandelaar. Ook had hij zich ruim veertig jaar verdienstelijk uitgemaakt als bestuurslid van de plaatselijke Israëlitische gemeente. Helaas bracht zijn oude dag hem tegenspoed in plaats van rust. In 1932 was zijn vrouw Bertha Franck gestorven en daarna kampte hij met een

Louis Straus sr. en eega Bertha Franck Nieuw Israëlietisch Weekblad 13 juni 1930

verslechterende gezondheid. Bovendien werd hij doof. Louis had zeven meerderjarige kinderen: zes dochters en een zoon. Dochter Flora was op jonge leeftijd, in 1937 overleden. Vier andere dochters woonden in Amsterdam van wie Martha getrouwd was met koopman Ezechiël Beem. Zij hadden een zoon die ze naar zijn opa hadden vernoemd, Louis. De vijfde dochter, Leonie (1887), was ziekelijk en slechthorend. Net als haar broer Charles (1895) woonde ze op het ouderlijk adres. In navolging van zijn vader was ook Charles bestuurslid van de Israëlitische gemeente. (174) Na het overlijden van Bertha Franck hadden haar nabestaanden de erfenis verdeeld. In totaal ging het daarbij om dertien percelen grond waarvan er twee bebouwd waren. Het woonhuis op nummer 36 omvatte naast een tuin ook een stal. De totale waarde van het onroerend goed bedroeg

67

fl. 12.500,=. Op grond van de roofverordening van augustus 1941 werd alles onteigend. Vooralsnog konden de drie gezinsleden op het vertrouwde adres blijven wonen. Tussen december 1942 en april 1943 verkocht het ANBO met medewerking van notaris Russel zowel de woning en de stal als twee bouwkavels in de omgeving. Oorlogskoper Gerardus Kupers uit Venray betaalde er successievelijk fl. 6.500,= en fl. 3.650,- voor. De aankoop financierde hij door de woning te belasten met een hypotheek van fl. 3.000,=. (175) Voor de overige acht percelen grond werd geen koper gevonden. Ze bleven in beheer van het ANBO. Begin april 1943 kregen Louis, Leonie en Charles te horen dat ze zich binnenkort niet meer in Limburg mochten ophouden. De derde deportatie stond op stapel. In de veronderstelling dat de Duitsers hun oude en gebrekkige vader met rust zouden laten, doken Leonie en Charles onder. Op 9 april verscheen een bus voor de woning. Louis weigerde in te stappen waarop een van de kijklustigen hem wist te overreden om dat toch maar te doen. De bus zou hem naar zijn dochter Martha in Amsterdam brengen. Meteen na aankomst in Sobibor werd Louis op 30 april vermoord. (176) De meeste andere gezinsleden ondergingen hetzelfde lot. De dochters Rosa, Selma, en Elza kwamen in de Poolse vernietigingskampen om het leven, net als Ezechiel Beem.

Alleen Leonie, Charles en Martha met haar zoon Louis overleefden de slachting. Mede namens de andere drie erfgenamen ging Charles in december 1950 akkoord met de akte van minnelijke schikking. Kort samengevat hield die in dat zowel de bebouwde als onbebouwde percelen terug gingen naar de oorspronkelijke eigenaren. De door Kupers afgesloten hypotheek werd ongedaan gemaakt en de door hem ontvangen huur van fl. 350,= kwam na aftrek van kosten ten goede van de erfgenamen. Drie jaar later bekrachtigde de Afdeling Onroerend Goed van de Raad voor het Rechtsherstel de overeenkomst. (177)

68

Synagoge Ofschoon de synagoge (sjoel) aan de Hamstraat niet door de NGV werd onteigend, was het gebouw van onschatbare waarde voor de Roermondse Joden, zowel als gemeenschapshuis en religieus middelpunt als plaats van samenkomst en ontmoeting. De bevestiging van deze godsdienstige, culturele en bindende functie kwam ook tot uitdrukking in het feit dat het collectief eigendom was; eigendom van de Joodse gemeente. Reden om er hier bij stil te staan. De geschiedenis van de synagoge begon omstreeks 1835. De naar schatting dertig Joodse inwoners van de stad hielden hun religieuze bijeenkomsten in een gehuurde ruimte aan de Zwartbroekstraat. Door de gestage groei -in 1850 woonden bijna 150 Joden in Roermond- voldeed de toch al dure gebedsruimte niet langer. Er moest een nieuwe synagoge komen. Met eigen spaargeld en subsidies slaagde het kerkbestuur erin een woon- en bedrijfspand aan de Hamstraat 20 te verwerven. Er lag een diepe tuin achter. Meteen werd daar begonnen aan de nieuwbouw die in 1853 werd voltooid. Ruim veertig jaar later viel het oude bedrijfspand ten prooi aan de slopershamer om plaats te maken voor twee winkelwoonhuizen: Hamstraat 20A. Ze werden gescheiden door een gang die aan de achterkant naar de synagoge, het badhuis (mikwe) en het Joodse schooltje leidde.

(178) Toen de Duitsers Roermond op 10 mei 1940 de stad binnentrokken, waren Manuel Bloemendaal en zijn echtgenote Rosina Nathan eigenaar van een zaak in lederwaren op nummer 20A, die bekend stond als De Marktwinkel. (179) Ze woonden er met hun zoon Walter en mevrouw Senta Baum-Lifjes. Eind 1941 viel de winkel in handen van de Duitse rovers die de zaak een paar maanden later opdoekten. Blauwdruk ontwerp Synagoge Hamstraat 20 Roermond 1953

Entree Synagoge Hamstraat 20 Roermond

Verwaarloosd gangpad naar Synagoge Hamstraat 20 Roermond

Foto Flora Lemmens

Foto Flora Lemmens

Synagoge in tuin Hamstraat 20 Roermond Foto Flora Lemmens

69

Interieur Synagoge Hamstraat 20 Roermond Foto Flora Lemmens

70

In de loop van hetzelfde jaar gingen alle bewoners van Hamstraat 20A op transport. Geen van hen overleefde de Holocaust. (180) Vooralsnog lieten de Duitsers de aan het oog onttrokken synagoge ongemoeid. Enkele weken voor de eerste deportatie van augustus 1942 werd er nog een huwelijk gesloten. In de daaropvolgende maanden slonk de Joodse gemeenschap zienderogen. Nadat het hoofd van de Duitse politie en SS in Nederland, Hanns Rauter, eind maart 1943, had aangekondigd dat zich na 10 april geen Jood meer mocht ophouden in Limburg, besloot de Israëlitische gemeente van Roermond zichzelf op te heffen. Op aanraden van opperrabbijn Salomon Heertjes werden het archief en de kostbaarheden uit de synagoge naar Amsterdam gebracht. Daar ging vrijwel alles verloren. Het Commissariaat voor niet-commerciële verenigingen, een eufemisme voor de zoveelste rooforganisatie, nam het beheer van de synagoge en de andere gebouwen van de Israëlitische gemeente in hande. Voortaan werd het gebedshuis gebruikt als paardenstal. (181) Na het vertrek van burgemeester Paul Reijmer in september 1943, zat Roermond enkele maanden zonder. Tijdens de interim-periode informeerde het Commissariaat voor nietcommerciële verenigingen begin november of de gemeente belangstelling had voor aankoop van de synagoge.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=f20be65f-fa83-417f-be4d-defc4858fe4b