bijlage 1 - rapport Cammaert
Tekst van het document
Notarissen en makelaars Zoals het verloop van de vervolging en deportatie in belangrijke mate afhing van de medewerking van de gemeenten, zo was de verkoop van het geroofd onroerend goed afhankelijk van de medewerking van de makelaardij en het notariaat. Makelaars traden op als tussenpersoon
Hoewel ontegenzeglijk sprake was van gewetenloze economische collaboratie ontkwam de beroepsgroep van notarissen na de oorlog aan vervolging. Aanvankelijk zag het daar niet naar uit. Tijdens een gesprek met het hoofdbestuur van de Broederschap in juni 1946, sprak minister van Justitie Hans (Henri) Kolfschoten van een grof onrecht en noemde
27
hij de medewerking aan deze onrechtmatige daad beneden de waardigheid van het ambt. Net als tijdens de bezettingsjaren beriep voorzitter Libourel zich op het argument der lijdelijkheid: het notariaat had geen schuld. Met stilzitten en de handen in onschuld wassen kwam het notariaat er niet vanaf, waarschuwde de katholieke bewindsman. Als vervolgde oorlogskopers een beroep op de Broederschap deden, was er geen uitweg meer omdat het hoofdbestuur het passeren van de akten niet had afgeraden en zich evenmin over het honorarium had uitgesproken. Er speelde echter ook een factor waarover beide partijen het eens waren: de onmisbare beroepsgroep met z’n specialistische vakkennis mocht geen ernstige reputatieschade oplopen. Die vaststelling opende de weg naar een compromis. Kolfschoten stelde voor om de ‘foute’ verdiensten terug te betalen, maar het hoofdbestuur weigerde in eerste instantie omdat het een vorm van schuldbekentenis inhield en de beroepseer alsnog aantastte. Pas toen de bewindsman dreigde alles af te pakken door de verdiensten als oorlogswinst aan te merken, ging het hoofdbestuur overstag. Op voorwaarde dat iedereen in principe in het ambt bleef, was het bestuur bereid om de leden te adviseren om op basis van vrijwilligheid een deel van de oorlogswinst af te staan.
Daarbij ging het om 500.000 gulden (circa drie miljoen euro) waarvan tweederde deel naar de Stichting ’40 - ’45 ging en een derde deel naar de Stichting Joods Maatschappelijk werk. (34) De feitelijke zuivering werd overgelaten aan de regionale kringen van notarissen. Die vond met fluwelen handschoenen plaats. Notarissen die ernstig over de schreef waren gegaan, moesten rekenen met forse geldboetes. NSB’ers en alle andere notarissen die voor een van de roofinstanties hadden gewerkt, werden uit het ambt gezet. Ook werden berispingen uitgedeeld en royementen uitgesproken. Niettemin verliep de zuivering clement. De rechters kregen te maken met doorgewinterde juristen en een goed georganiseerde beroepsgroep of beter belangen-
28
organisatie die welhaast per definitie naar andere schuldigen wees of zich, in navolging van Libourel, op lijdelijkheid beriep. Milde rechtspraak was het resultaat. (35) Ernstiger was het feit dat het hoofdbestuur van de Broederschap er dankzij de overeenkomst met minister Kolfschoten in was geslaagd het notariaat te vrijwaren van vervolging wegens economische collaboratie. Rechtshistoricus Raymond Schütz noemt het een schending van de staatsrechtelijke principes en van de onafhankelijkheid van de rechtspraak. De reputatie van de beroepsgroep en economische belangen legden klaarblijkelijk meer gewicht in de schaal dan principes van rechtvaardigheid en rechtsgelijkheid. (36) Voor zover bekend, ontsnapte ook de beroepsgroep van makelaars aan vervolging op grond van economische collaboratie. Een compromis met de regering lijkt onwaarschijnlijk omdat er meerdere makelaarsbonden bestonden zodat een centraal aanspreekpunt ontbrak. Vaststaat dat de zwaarste gevallen zoals Johannes Everout uit Amsterdam na de oorlog vervolgd en veroordeeld zijn. Everout had tussen 1941 en 1945 voor vier miljoen euro aan provisie opgestreken bij de verkoop van ruim 2.000 Joodse panden. Het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam veroordeelde hem in 1946 tot twaalf jaar gevangenisstraf waarvan hij er vier uitzat. Het beroep van makelaar mocht hij niet meer uitoefenen.
(37) Zijn NSB-ambtgenoot uit het ANBO-district Arnhem, Ben Claase, deed nauwelijks onder voor Everout en verkocht vele honderden Joodse panden die samen bijna 7 miljoen gulden opbrachten. In 1950 kwam Claase voorwaardelijk vrij nadat hij een jaar eerder tot ruim zeven en een half jaar cel was veroordeeld. Hij pakte zijn oude beroep weer op en vestigde zich (opnieuw) in Nijmegen. (38)
Limburg Veruit de meeste Joodse huizen werden via de regionale ANBO-vestiging in Maastricht verkocht. Een hoofdrol was weggelegd voor de Maastrichtse NSB’er en ANBO-zetbaas Gustaaf de Pauw. Uit de (onvolledige) Verkaufsbücher komt naar voren dat hij betrokken was bij de verkoop van ten minste 79 Joodse panden op een totaal van 169 geroofde panden (39) en onbebouwde grond. Met uitzondering van het uiterste noorden van de provincie dook zijn naam overal op. Vooral partijgenoten toonden belangstelling voor zijn koopwaar. Omdat hij zich bezighield met witwaspraktijken, zwart geld aannam en het niet nauw nam met de roofregels, wees het ANBO hem in oktober 1942 de deur. De Pauw kwam er na de oorlog met een lichte gevangenisstraf vanaf en verdween nadien van de radar. In het noordelijke Gennep, waar een naar verhouding grote Joodse gemeenschap woonde, was de eerder genoemde NSB-makelaar Ben Claase uit Arnhem/Nijmegen actief. Notaris Emile Fenseling uit Cuijk verleed er de verkoopaktes. Bij de verkoop van de geroofde panden waren, aldus de Verkaufsbücher, minstens 16 notarissen betrokken van wie Louis van Konijnenburg en Charles Russel het leeuwendeel voor hun rekening namen. (40) Van Konijnenburg hield kantoor in Maastricht, maar trok zich vanwege zijn gevorderde leeftijd al vroeg in de oorlog terug en overleed niet veel later.
Frederic Hoefer verving hem maar hield de naam van Van Konijnenburg aan. Hij was verantwoordelijk voor nagenoeg alle, van de minimaal 48 verkoopaktes van geroofd Joods onroerend goed op naam van zijn voorganger. (41) Zonder twijfel spande Charles Russel uit Eijsden de kroon en hij deed dat in meerdere opzichten. Meteen na de oprichting ervan in 1934 had hij zich aangesloten bij het fascistische Zwart Front. Na mei 1940 ontwikkelde hij zich tot een collaborateur die willens en wetens en in nauwe
Links de Eijsdense notaris Charles Russel, rechts Arnolf Meijer gouwdag Noord-Brabant augustus 1940 Foto Beeldbank WO II - NIOD 32701
samenwerking met Gustaaf de Pauw 81 Joodse transportaktes verleed met een totale waarde van ruim 700.000 gulden (een kleine 6 miljoen euro). Werd hem die misdadige praktijk na de oorlog aangerekend? Niet heus want dankzij talrijke adhesiebetuigingen, ontlastende verklaringen en met effectieve steun van zijn broer, de advocaat en buitengewoon hoogleraar fiscaal recht George Russel, ontliep hij zowel een zuiveringsmaatregel als een gerechtelijke veroordeling. “Zelfs een berisping bleef hem bespaard”, aldus een verbaasde rechtshistoricus Raymond Schütz. Slechts het hoofd van de afdeling notariaat van het ministerie van Justitie merkte op dat de gang van zaken rond Russel een onbevredigend verloop had gehad. Uit de kring van Limburgse notarissen klonk een vergelijkbaar geluid. Daar bleef het bij. Russel hervatte zijn werk als notaris in Eijsden en bleef actief tot 1959. In tegenstelling tot al zijn ambtsgenoten kreeg hij bij zijn afscheid geen eervol leeftijdsontslag. Waarvan akte. (42)
29
Jodenster ingevoerd in Nederland 29 april 1942 Foto Beeldbank WO) II - NIOD 210661
Nieuw Israëlietisch Weekblad 15 mei 1942
30
Hoofdstuk 3
RECHTSHERSTEL
Over de weinigen die de Holocaust hadden overleefd, schreef historicus Jacob Presser in 1965 op verbitterde toon: “Iedere Jood stond na 1945 alleen, miste ouders, kinderen, familie, vrienden, kennissen, de vertrouwde omgeving, de sfeer om zijn bestaan heen. (…). Iedere Jood, uit het kamp gekomen, droeg dit kamp voorgoed met zich mee. (…) Als enkeling zocht die Jood zijn weg in een omgeving die maar al te vaak weigerde hem op te vangen, waarin hij zich volkomen onveilig moest voelen, die hem kwalijk nam dat hij recht deed gelden op zijn verloren plaats en zijn voormalige bezittingen, die zich eraan ergerde dat hij nog bestond, die hem niet zelden met wantrouwen, afkeer en verachting bejegende.”(43) Wat de Joodse populatie op het bezette vasteland van Europa werd aangedaan, was weliswaar niet tot in detail bekend in Nederlandse regeringskringen, maar sinds 1942 wist men er zonder twijfel van. Niet alleen de Poolse verzetsmannen Witold Pilecki en Jan Karski berichtten al in 1941 en 1942 uitvoerig over de vernietigingskampen in hun vaderland, ook het Vaticaan wist ervan en, naarmate de tijd verstreek, konden ook Engelandvaarders steeds meer melden over het tragische lot van de Nederlandse Joden. Onbekend met wat zich in eigen land afspeelde, was men in Londen dus niet. Mogelijk ontbrak de wil om meer te weten.
Hoe erg de werkelijkheid eruit zag, oversteeg anno 1942 nog ieders bevattingsvermogen. En hoewel zonder precedent, was men zich ervan bewust dat nieuwe wetgeving de door de bezetter weggevaagde rechten van het Joods bevolkingsdeel straks ongedaan moest maken.
Omdat het een uniek fenomeen betrof en niet kon worden teruggevallen op bestaande jurisprudentie, moest een pakket gelegenheids- of uitzonderingswetgeving worden opgetuigd. Dat de in Londen ontwikkelde theorie bij gebrek aan ervaring tekortkomingen en foutieve inschattingen bevatte en mede daarom onvermijdelijk in conflict moest komen met de naoorlogse realiteit, kon niet uitblijven. Allerlei tegenstrijdige belangen streden met elkaar om voorrang waarbij de overheidsfinanciën, de wederopbouw en de belangrijkste economische motoren aan het langste eind trokken ten koste van vooral de Joodse slachtoffers. (44) Op grond van voortschrijdend inzicht en een gewijzigd normbesef wordt deze gang van zaken op sommige punten tegenwoordig als onrechtvaardig bestempeld. Volkomen nieuw is dat trouwens niet. In de naoorlogse jaren werd ook al ongezouten kritiek geuit die tot aanpassingen op onderdelen van de regelgeving leidde. De afkeuring betrof eveneens de kille en bureaucratische manier van uitvoering die van weinig begrip en invoelingsvermogen getuigde: de morele factor. Maar zulke kritiek landde op rotsbodem. De benadering veranderde niet; die sloot aan op het naoorlogs klimaat. Vooral daarop richt zich de huidige veroordeling.
(45) Een Joodse overlevende getuigde al in 1951 van de betreurenswaardige manier waarop restitutie en schadevergoeding plaatsvond: “De jaren na 1945 hebben me murw gemaakt.
31
Onnoemelijke moeilijkheden om weer het evenwicht te krijgen in geestelijk en materieel opzicht. En het was vooral de strijd die ik moest voeren tegen de instanties. Waar altijd medeleven had moeten zijn, ontmoette ik de droge, moeilijk te benaderen afstotende amorfe massa, die men ook wel de ambtenarij noemt. Schade Enquête Commissie, Volksherstel, Beheersinstituut, belastingen, vult u zelf maar in. Ik kan u zeggen dat deze jaren voor mij een verschrikking waren. (…)” (46) Hiermee raakte hij de achilleshiel van het naoorlogs rechtsherstel. Daarbij gaat het niet zozeer om het formele herstel van rechten en de teruggave van geroofd eigendom want dat verliep overwegend correct hoewel zeker niet vlekkeloos. Het zwakke punt schuilt onmiskenbaar in het morele rechtsherstel. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op beide aspecten: een geschiedenis met twee gezichten.
A
FORMEEL RECHTSHERSTEL
Voortraject en wetgeving In oktober 1942 gaf de regering in London opdracht aan de jurist prof. mr. Jannes Eggens om de toekomstige herstelwetgeving voor te bereiden en vorm te geven. Doel ervan was om de situatie terug te brengen naar de dagen die aan de anti-Joodse maatregelen vooraf waren gegaan, dat wil zeggen voor zover dat nog kon. Het was een logische consequentie van het regeringsstandpunt dat kopers van geroofd Joods eigendom hun nieuwe bezit “even gemakkelijk wordt afgenomen als zij het verworven hebben”. (47) Die overtuiging werd begin 1943 herbevestigd door de ondertekening van een gezamenlijke verklaring van de geallieerden dat opgetreden zou worden tegen roof en dat onrechtmatige transacties in de bezette gebieden teruggedraaid zouden worden. In de toelichting stond:
32
“U kunt erop rekenen dat de Nederlandse regering alles in het werk zal stellen opdat het onrecht, geschapen door roof en plundering naar mogelijkheid en billijkheid zal worden ongedaan gemaakt.” (48) Hoewel Eggens met steun van enkele (Joodse) ambtenaren op eigen gezag en naar eigen inzicht aan de slag ging, was hij aan verschillende randvoorwaarden gebonden. Zo kreeg het begrip ‘billijkheid’ een belangrijke rol in zowel de herstelwetgeving als de herstelrechtspraak. Redenerend vanuit de gedachte dat het om een unieke en ongekende situatie ging, kon die volgens Eggens slechts worden rechtgezet door een rechter binnen één instantie die naar redelijkheid en billijkheid recht sprak. Belangen van alle betrokkenen moesten worden afgewogen op basis van de feiten. (49) Voorts werd bepaald dat het slachtoffer van de ontrechting er niet op vooruit mocht gaan als gevolg van de herstelwetgeving. (50) Ten slotte moet gewezen worden op een voorwaarde die meteen tot discussie binnen de regering had geleid. Met een minimale meerderheid van zes tegen vijf stemmen was besloten om geen onderscheid te maken tussen Joden en niet-Joden. Daarmee verdween het voorstel van tafel dat specifiek op Joden gerichte hulp beoogde.
Sommige argumenten van de tegenstemmers zijn verklaarbaar omdat niemand wist hoe erg het er in werkelijkheid aan toe ging in bezet gebied en wat ervan doorsijpelde buiten elk voorstellingsvermogen viel en daarom op ongeloof stuitte. Op grond van wat wel met zekerheid vaststond, wilden zij onder geen beding in de voetsporen van de nazi’s treden door de Joden als aparte groep te behandelen. Daaraan werd het onzekere argument toegevoegd dat de geopperde groepsgebonden hulp het antisemitisme kon aanwakkeren. De afwijzing van ongelijke behandeling mocht dan goed bedoeld zijn, maar slecht doordacht omdat het op z’n minst met terugwerkende kracht toegepast had moeten worden, maar dat was niet het geval. Gelijke behandeling gold ook voor de jaren waarin het andersom
was geweest. Deze blinde vlek leidde tot de curieuze paradox dat daders en vijanden aan dezelfde regels van vermogensherstel werden onderworpen als slachtoffers. (51) Vanaf juni 1944, na de geallieerde landing in Normandië, nam de druk op de commissie Herstel Rechtsverkeer van Eggens toe om snel met resultaten te komen. Die werden op 17 en 20 september bekend gemaakt. Het eerste wetsbesluit, E 93, bepaalde dat de anti-Joodse maatregelen nooit van kracht waren geweest, maar dat er geen rechten aan ontleend konden worden “zo lang er geen bijzondere voorziening is getroffen omtrent de regeling of opheffing van de gevolgen ervan”. (52) De bijzondere voorzieningen waren vervat in wetsbesluit E 100 dat eveneens op 17 september werd uitgevaardigd: “het meest ingewikkelde en langste wetsbesluit dat in Londen tot stand is gekomen”. (53) Drie dagen later volgde de derde en laatste pijler onder de herstelwetgeving: E 133. Dit ‘besluit vijandelijk vermogen’ regelde de bevoegdheden van het Nederlands Beheers Instituut (NBI), de instantie die zich vanaf de zomer van 1945 ging bezighouden met zowel de Joodse claims als het beheer van vijandelijke vermogens. Daarmee werd het NBI de belichaming van de hierboven geschetste paradox. (54)
betrekkingen in. Dus geen compensatie of vergoeding voor bijvoorbeeld oorlogsschade, maar restitutie. Wie ervoor in aanmerking wilde komen, moest een verzoek indienen. Het was vervolgens aan de Raad om te onderzoeken of rechtsherstel moest plaatsvinden en zo ja het resultaat ervan te bekrachtigen. Wie zich niet meldde, hoefde nergens op te rekenen ook al had hij of zij er recht op. Reden voor de dagbladpers om oproepen te plaatsen om dat te doen. (56)
De praktijk
Zowel de Afdeling Rechtspraak als het NBI hielden zich bezig met de behandeling en afhandeling van de claims. Die liepen in de vele duizenden. Tussen de twee afdelingen bestond een verdeelsleutel: het NBI streefde ernaar om, conform artikel 113b, de betrokken partijen met hulp van een notaris tot overeenstemming te laten komen. Als ze er niet uit kwamen, boog de Afdeling Rechtspraak zich over de geschilkwestie. Daarbij werden de rechters geacht te oordelen naar redelijkheid en billijkheid: weging op grond van de feiten. De uitspraak was bindend en als dat nodig was, mocht worden ingegrepen. Hoger beroep was niet mogelijk; wel een verzoek om herziening. Ruime bevoegdheden dus voor de Afdeling Rechtspraak die ook tot uitdrukking kwamen in de machtiging om in hoger beroep te beslissen over uitspraken van andere afdelingen van de Raad voor het Rechtsherstel. (57)
Bijna een jaar na de bekendmaking kreeg wetsbesluit E 100 in augustus 1945 zijn beslag met de oprichting en installatie van de Raad voor het Rechtsherstel (RvR). Tot dat moment had het Militair Commissariaat voor het Rechtsherstel, een onderdeel van het Militair Gezag, die taak uitgeoefend. (55) De nieuwe Raad omvatte een aantal afdelingen waarvan de Afdeling Rechtspraak en de Afdeling Beheer, beter bekend als het Nederlands Beheers Instituut (NBI), het belangrijkst waren voor wat betreft de teruggave van geroofd Joods eigendom. Rechtsherstel hield met andere woorden het terugdraaien van de onder dwang gewijzigde rechts-
Aangezien de roof van ongekende omvang was geweest, gebeurde wat niet kon uitblijven. Het NBI werd overstelpt met verzoeken om rechtsherstel. Ook de Afdeling Rechtspraak kreeg ermee te maken. Het aantal geschilzaken liep op omdat de aanspraken van de oorspronkelijke eigenaren op groeiend verzet stuitten van de tegenpartij. Reden om een nieuwe poot toe te voegen aan de RvR: de Afdeling Onroerende Goederen. Wetsbesluit F 272 van 16 november 1945 regelde de oprichting ervan. Het besluit was bedoeld als aanvulling op en vervanging van wetsbesluit E 100 (Herstel Rechtsverkeer). Dit nieuwe RvR-orgaan ging zich
33
34
exclusief bezighouden met het rechtsherstel van de oorspronkelijke onroerend goed eigenaren en beschikte over meer bevoegdheden dan het NBI. Uitgangspunt was en bleef dat zoveel mogelijk claims minnelijk geschikt moesten worden, dat wil zeggen zonder tussenkomst van een rechter maar na bekrachtiging door een gedelegeerde van de RvR en met dezelfde rechtsgeldigheid als een rechterlijke uitspraak. Als de betrokken partijen niet tot overeenstemming konden komen, kon de Afdeling Onroerende Goederen een notarisbemiddelaar inschakelen of een regeling opleggen. In het uiterste geval was beroep mogelijk bij de Afdeling Rechtspraak. Eind 1958 waren alle geschillen afgehandeld en werd de Afdeling Onroerende Goederen opgeheven. (58)
Vanzelfsprekend verschilden de minnelijke schikkingen van geval tot geval. Niettemin bestonden er globale overeenkomsten, waarbij opvalt dat ieders belang werd afgewogen, ook dat van de oorlogskoper. Doorgaans resulteerde dat in een zakelijke rekensom waarbij de rechtmatige eigenaar meer dan eens opdraaide voor kosten die buiten zijn wil waren gemaakt zoals onderhoud, een verbouwing of een investering. Ook belastingen en hypotheekaflossingen door de oorlogskoper kwamen voor zijn rekening. Op zijn beurt betaalde de oorlogskoper aan de originele eigenaar het bedrag aan gederfde huur, exploitatiesaldi en eventuele juridische kosten. Ook de notariskosten en de kosten van de Afdeling Onroerende Goederen kwamen op zijn conto. (60)
De overgrote meerderheid van de claims werd door middel van een minnelijke schikking afgewikkeld. De overeenkomst tussen de verschillende partijen kwam tot stand in nauwe samenspraak met een notaris en werd vastgelegd in een akte van schikking. Net zoals de rechters van de Afdeling Rechtspraak geacht werden te oordelen op basis van redelijkheid en billijkheid, zo gold dit principe in theorie ook voor de minnelijke schikking. Dat deze manier van afwikkeling bij vrijwel alle betrokkenen de voorkeur genoot, lag voor de hand. Een rechtszaak was kostbaar, langdurig, vergde een mentale krachtsinspanning van jewelste en bood slechts uitzicht op een onzekere uitkomst. Voor de Joodse overlevenden kwam daar nog bij dat ze door veel prangender kwesties in beslag werden genomen zoals de veelal in tragiek eindigende zoektocht naar familie en vrienden. (59)
Over het algemeen kreeg de originele eigenaar zijn onroerend goed terug. Soms resulteerde de overeenkomst in een schadevergoeding of een bekrachtiging van de bestaande situatie. De oorlogskoper behield dan het onroerend goed en betaalde de Joodse eigenaar het bedrag dat hij er eerder voor had neergeteld. Net als in het geval van teruggave hield hij er een claim aan over bij de beheerder van het vermogen van de roofinstantie. Als gevolg van financieel wanbeheer door met name het ANBO werd daarvan uiteindelijk 75% uitgekeerd. (61) Gelet op de achtergrond van de aankoop en het feit dat de oorlogskoper zijn vastgoed vaak onder de marktprijs had verworven, kan 75% niet onredelijk worden genoemd. Omstreeks het midden van de jaren 1960 kon de eindbalans worden opgemaakt. In totaal waren 12.800 dossiers door de RvR behandeld waarvan er tienduizend waren afgesloten aan de hand van een minnelijke schikking. In dertienhonderd gevallen was beschikt door de Afdeling Onroerende Goederen of de Afdeling Rechtspraak. De resterende vijftienhonderd claims waren ingetrokken. (62)
Luchtfoto Roermond na bombardement november 1944 Foto GAR
Zoals gezegd hing de oprichting van de Afdeling Onroerende Goederen samen met het grote aantal verzoeken om rechts-
35
herstel en de afnemende bereidheid bij de oorlogskopers om te schikken. Dat had veel, zo niet alles te maken met het juridisch begrip ‘te goeder trouw’. Steeds meer oorlogskopers kregen in de gaten dat een beroep erop in hun voordeel kon uitpakken. Ze hadden naar eigen zeggen nooit geweten dat het onroerend goed uit geroofd Joods eigendom afkomstig was. Het lag aan de notaris want die had het verzwegen of erover gelogen. De vader van de herstelwetgeving, Eggens, had al aandacht geschonken aan ‘te goeder trouw’ door in de regeling op te nemen dat de oorlogskoper niet met hard bewijs hoefde te komen maar dat ‘aannemelijk maken’ volstond. Wat hem daarbij voor ogen stond is niet duidelijk maar de Afdeling Onroerende Goederen interpreteerde het als een vorm van bescherming van de oorlogskoper. Zonder hem erbij te betrekken werd doorschuiven van de schuld naar de collaborerende notaris in een beschikking geaccepteerd. Eind 1947 sloeg de Afdeling Rechtspraak dit wapen uit handen van de oorlogskopers door het schandalige besluit te vernietigen. In een toelichting schreef de rechter dat ‘aannemelijk maken’ zo goed als onmogelijk was. De koper had niet zonder meer op het woord van de notaris mogen vertrouwen. Hij had ook een eigen verantwoordelijkheid.
Zo bestond de mogelijkheid om in de openbare registers van het kadaster na te gaan uit welke bron het onroerend goed afkomstig was, ook als er snel opeenvolgende mutaties hadden plaatsgevonden. (63) In eerste instantie nam het NBI alle claims in behandeling. Elke belanghebbende kreeg ermee te maken. Mede daarom groeide het met scherp contrasterende taken belaste NBI al snel uit tot een bureaucratische monsterorganisatie met duizenden stafleden. Daarnaast stelde het NBI twintigduizend bewindvoerders aan en een onbekend aantal beheerders. In afwachting van de nog niet teruggekeerde Joden of een officiële verklaring van hun overlijden, werden zij geacht hun belangen te behartigen. Een bewindvoerder was zelfstandig en hoefde geen verantwoording af te leggen
36
jegens het NBI. Dat kon bijvoorbeeld een notaris of een capabel familielid zijn. Een beheerder was daarentegen wel verantwoording verschuldigd en gebonden aan uitgebreide instructies. (64) Zoals gezegd waren de taken van het NBI velerlei. Beheer van vijandelijk en landverraderlijk vermogen viel daar ook onder. Veel geld zat bijvoorbeeld bij de Vermögens Verwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA) en de roofbank (LiRo) Lippmann & Rosenthal. Meerdere juristen en historici hebben hun verbazing uitgesproken over deze merkwaardige bundeling van taken, die voortkwam uit de eerder gesignaleerde denkfout om geen onderscheid te maken tussen Joden en niet-Joden. Een denkfout met pijnlijke gevolgen die het schrijnendst tot uitdrukking kwamen in het NBI waar alles op één hoop werd geveegd en daders en vijanden zoals gezegd aan hetzelfde regime van vermogensherstel werden onderworpen als slachtoffers. Kritiek kon niet uitblijven. Los daarvan staat de vraag of het rechtsherstel binnen de bij wet vastgelegde doelstelling al dan niet gefaald heeft. De meest gehoorde conclusie luidt dat de doelstelling is gehaald. Die bevinding is ingegeven door het feit dat 90% van het gestolen Joods onroerend uiteindelijk is teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren of hun nabestaanden. Op 1 juni 1967 werd de Raad voor het Rechtsherstel en daarmee ook het NBI opgeheven.
Het ministerie van Justitie nam de taken over. (65) Tekortkomingen en kritiek Vooruitlopend op deze paragraaf zijn sommige zwakheden in de herstelwetgeving al kort belicht, maar een aantal niet of zijdelings genoemde facetten ervan kan niet onbesproken blijven vanwege de vergaande consequenties. Allereerst het billijkheidsprincipe en de billijkheidsrechtspraak. Was dit de meest evenwichtige methode om de stelselmatige ontrechting ongedaan te maken? De praktijk wees al snel
uit dat de onafhankelijkheid en uitzonderlijk grote vrijheid van de leden van de Afdeling Rechtspraak ertoe leidden dat bij de afweging van belangen in vergelijkbare gevallen verschillend werd geoordeeld. Zonder richtlijnen of maatstaven moesten de rechters zelf bepalen wat wel en wat niet redelijk was. Die eigenmachtigheid leidde tot grillige en discutabele uitspraken. Regelmatig vielen ze in het nadeel van de gedupeerden uit. Hoe redelijk was het bijvoorbeeld om een slachtoffer te laten opdraaien voor kosten die buiten zijn wil waren gemaakt? Op grond waarvan genoten oorlogskopers relatief veel bescherming? Een beroep op ‘te goeder trouw’ werd al genoemd, maar de bevoordeling gold ook voor hypotheekaflossingen. En waarom werden de toch al zo sterk benadeelde slachtoffers keer op keer geacht inschikkelijkheid te betrachten en water bij de wijn te doen? Leidde dit soort redelijkheid tot volledig rechtsherstel? Daar komt bij dat het slachtoffer of vragende partij al gauw het risico liep van onredelijkheid of inhaligheid te worden beticht als men zich niet wenste neer te leggen bij een uitspraak. Al deze manco’s golden trouwens ook voor de op redelijkheid en billijkheid gebaseerde minnelijke schikking. (66) Hoe paradoxaal het ook mag klinken, maar het gelijkheidsprincipe leidde in de praktijk tot scheve verhoudingen.
De bij het rechtsherstel betrokken partijen waren in geen enkel opzicht gelijkwaardig omdat een van beide systematisch was ontrecht, beroofd en bovendien op alle denkbare andere gebieden extreem zwaar was getroffen. In die zin continueerde de herstelwetgeving het onrecht van de voorgaande jaren en was sprake van voortgezet tweederangs burgerschap van de Joodse slachtoffers. (67) Een andere tekortkoming die nog niet genoemd is, betreft de bemoeienis van het ministerie van Financiën in de persoon van minister Pieter Lieftinck. De onevenredig grote invloed van hem en zijn departement hing samen met de even unieke als curieuze organisatiestructuur van het
Minister van Financiën Pieter Lieftinck Foto Beeldbank WO II - NIOD 161970
herstelapparaat. Lieftincks prioriteit lag onmiskenbaar bij de wederopbouw en de sanering van de overheidsfinanciën. Rechtsherstel hoorde weliswaar bij de wederopbouw, maar mocht niet plaatsvinden op kosten van de sterk verarmde Nederlandse staat. Die kwamen wat hem betreft voor rekening van de belanghebbenden. Andere vitale belangen gingen voor, zeker als ze conflicteerden met het rechtsherstel. Daarbij dacht hij onder meer aan essentiële posities binnen de economie zoals de machtige beurs en de banken. Materiële en financiële belangen wogen met andere woorden zwaarder dan een terugkeer naar de juridische grondbeginselen van de rechtstaat. Het met het leeuwendeel van het rechtsherstel belaste NBI mocht hem daarom onder geen beding in de wielen rijden. Om dat risico uit te bannen, verwierf Lieftinck directe controle op het NBI en was hij verantwoordelijk voor de oprichting van de Afdeling Onroerende Goederen, die niet over onafhankelijke rechters beschikte en de oorlogskopers in belangrijke opzichten terwille was. Vanwege deze vergaande inmenging verliep het rechtsherstel op onderdelen onbillijk en onrechtvaardig. Mede hierdoor heersten langdurige spanningen tussen de onafhankelijke Afdeling Rechtspraak enerzijds en de Afdeling Onroerend Goed en het NBI aan de andere kant, die pas in 1953 werden opgelost onder Lieftincks opvolger Johan van de Kieft.
(68) Een ander bekritiseerd kenmerk van het rechtsherstel hing zijdelings samen met de wetgeving en betrof de trage afhandeling van de claims. Snel en doelmatig was het uitgangspunt, maar de praktijk sprak dat tegen. Meerdere oorzaken
37
werden hiervoor aangewezen: tijdrovende bureaucratische procedures en veel papierwerk door de immense omvang van de roof; obstructie door de oorlogskopers wegens hun voortdurende beroep op ‘te goeder trouw’; ingewikkelde verervingkwesties en tekortkomingen in de wetgeving waardoor aanvullende wetten en regels nodig waren. Veel vertragingen duurden jaren omdat een officiële bevestiging van overlijden zo lang op zich liet wachten. Die was nodig om een dossier te kunnen afsluiten. Daarbij ging het vooral om vermisten; vrijwel altijd Joodse slachtoffers die letterlijk in rook waren opgegaan. Tot 1949 hield het Informatie Bureau van het Rode Kruis zich bezig met de opsporing en het afgeven van verklaringen van vermoedelijk overlijden. Of zo’n verklaring als rechtsgeldig werd geaccepteerd, verschilde per gemeente. Aan die onduidelijkheid kwam in juni 1949 een einde door het van kracht worden van de wet voor de oorlogsvermissingen. Voortaan werd een rechtsgeldige akte opgemaakt waarin de plaats en datum van overlijden van de vermiste persoon stonden. (69) Kritiek op de praktijk van het rechtsherstel klonk ook uit de samenleving en het parlement. Die ging in de volksmond door voor ‘rechtsuitstel’. De regelingen waren veel te ingewikkeld en heffingen door het NBI werden als Jodenheffingen getypeerd.
Wat als uitvoerend orgaan was opgericht om het grootste onrecht uit de bezettingsjaren ongedaan te maken, had zich binnen de kortste keren ontwikkeld tot een bureaucratische mastodont dat de oorlogsslachtoffers tot wanhoop dreef. Een parlementslid constateerde dat de Joodse eigendommen “bijna niet uit de handen van het NBI zijn los te wringen”. Ook wees hij op het voortdurend traineren door het NBI. In februari 1948 organiseerde de Joodse Commissie voor Herstel een protestbijeenkomst in Amsterdam omdat de overheid ondanks de ernstige grieven niet openstond voor overleg. (70) Die afwijzende houding werd ook elders opgemerkt en raakte aan een andere kritische noot: waarom waren er
38
geen vertegenwoordigers van de ontrechten betrokken bij de voorbereiding van de herstelwetgeving en waarom hadden ze nooit medezeggenschap gekregen in het beheer van de instellingen voor rechtsherstel? (71) Veruit de meeste kritiek gold het NBI, de organisatie die de gebrekkige manier belichaamde waarop het rechtsherstel gestalte kreeg. Door de vervlechting van het beheer van uitersten stak de organisatie veel tijd en energie in allerlei (bij)zaken die vaak leidden tot een verwaarlozing van de kerntaak: herstel van de geschonden rechtsverhoudingen. Mede daardoor was de werkwijze van het NBI voor de gedupeerden in veel gevallen een ergerlijke, zenuwslopende en traumatiserende ervaring. Dat de onder verantwoordelijkheid van het NBI en de Afdeling Onroerende Goederen tot stand gekomen minnelijke schikkingen alsnog aan een kritische beschouwing onderworpen zouden moeten worden, lijkt in het licht van de fel bekritiseerde naheffingen ‘redelijk en billijk’. Werden de slachtoffers er per saldo door benadeeld en wat was de uitwerking van dergelijke overeenkomsten op langere termijn? (72)
B
MOREEL RECHTSHERSTEL
In hoeverre hield het formele, administratieve rechtsherstel ook moreel rechtsherstel in? Hoe ervoeren de slachtoffers dit rechtsherstel? Waarmee werden ze geconfronteerd en wat deed dat met hen? Het antwoord op deze vragen ligt onder meer besloten in ‘De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland’ uit 2001 van de voormalige Groningse hoogleraar eigentijdse geschiedenis, Isaac Lipschits. Zijn peilloze verbittering en die van vele van zijn lotgenoten spreekt boekdelen: “Oorlogservaringen van Joden werden gebagatelliseerd en de Joodse gemeenschap gekleineerd. Het antisemitisme in woord en geschrift was heftiger dan het vóór 1940 was
Auteur Isaac Lipschits, voormalige hoogleraar geschiedenis Groningen
geweest. De beroving van Joden werd voortgezet, nu onder regie van de Nederlandse overheid. De sjoa was met zijn deportaties en uitroeiing een uitslaande brand. Nadat in mei 1945 de vlammen waren gedoofd, bleef het nasmeulen als de kleine sjoa.” Lipschits’ conclusie wordt in brede kring gedeeld. Hoewel de herstelwetgeving geen woord wijdde aan de behandeling van de slachtoffers, luidde het consigne dat er begrip moest worden getoond. De vrijblijvende instructie stond op gespannen voet met de naoorlogse realiteit. Vijf jaren van aanhoudende antisemitische propaganda en indoctrinatie hadden het van oudsher aanwezige volkse antisemitisme van nieuwe brandstof voorzien. De bevrijding maakte daar geen einde aan. De regering was er blind voor en trad er niet tegen op. Gelijke behandeling mocht dan het parool zijn, maar dat werd door minister Lieftinck, die zo’n belangrijke rol voor zich opeiste in het rechtsherstel, uiterst selectief toegepast. Zo onthield hij de Joodse gemeenschap compensatie door bijvoorbeeld te weigeren de kosten voor de bouw van de kampen Vught en Westerbork te vergoeden die met Joods geld waren betaald. Daar was een bedrag van ruim 25 miljoen gulden (grofweg 170 miljoen euro) mee gemoeid. De staat had beide kampen na de bevrijding voor 5 miljoen gulden overgenomen: een voordeel van 20 miljoen gulden.
Aan de andere kant ondernam Lieftinck niets om de Joden terug te brengen in een positie die gelijkwaardig was aan die van andere bevolkingsgroepen. Een van de weinigen die het voor hen opnam door met nadruk te wijzen op de voortgezette discriminatie en onrechtvaardige elementen in het rechtsherstel, was de Joodse advocaat Heiman Sanders.
Via de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel boekte hij enig succes, maar in meerdere opzichten bleef hij een roepende in de woestijn door het voortdurende verzet van machtige opponenten als de beurs, de banken en de overheid. Hoezeer de nazi’s ook verfoeid werden, hun giftig antisemitisme was doorgesijpeld tot in de vezels van de samenleving. Dat kwam ook tot uitdrukking in de behandeling van het handjevol overlevenden dat terugkeerde uit de kampen of uit de onderduik tevoorschijn kwam. In tegenstelling tot waarop ze hoopten, wachtte hen vaak een kille, harteloze en bij vlagen ronduit vijandige bejegening. Op begrip voor wat ze hadden doorgemaakt, hoefden ze amper te rekenen. Empathie legde het af tegen onverschilligheid. Iedereen had het moeilijk of had een zware tijd achter de rug waardoor andermans leed er minder toe deed. In beslag genomen door eigen ellende, was een luisterend oor schaars. Bovendien vormden de overgebleven Joden het onbehaaglijke bewijs dat er te weinig was gedaan om de extreem zwaar getroffen groep te redden. Een blik in de spiegel van eigen falen werd vermeden. Geruststellender was de veelgehoorde drogreden dat de Joden zich veel te passief hadden laten wegvoeren. (73) Vanzelfsprekend waren er ook ervaringen die het tegenovergestelde illustreerden, maar die waren in de minderheid en veelal in eigen Joodse kring te vinden.
Ze deden weinig of niets af aan het heersende naoorlogse klimaat. De Nederlandse ambtelijke traditie die sterk leunde op loyaliteit aan het gezag, formalisme en bureaucratie maakte het er niet beter op. Beide factoren lagen echter ten grondslag aan de praktijk van het rechtsherstel en de behandeling van de gedupeerden. Vooral het laatste leidde tot uiterst negatieve emotionele typeringen die blijvend opdoken: koud, kil, immoreel, hardvochtig, antisemitisch, zonder inlevingsvermogen of compassie, afstandelijk, onpersoonlijk, wantrouwend enzovoort enzovoort. (74) Het moreel rechtsherstel had gefaald; de tijd was er niet rijp voor.
39
40
Hoofdstuk 4
ROERMOND
A
DE JOODSE GEMEENSCHAP EN DE HOLOCAUST
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog Van oudsher kende Roermond een kleine, bloeiende Joodse gemeenschap met opvallend veel kleine en grotere ondernemers. Ofschoon de Joden niet op sympathie van de katholieke kerk en de katholieke pers hoefden te rekenen, stond het alom heersende antisemitisme de integratie van de Roermondse Joden in de lokale samenleving niet in de weg. Ze namen deel aan het verenigingsleven en onderhielden intensieve contacten met niet-Joodse stadgenoten. Het opkomend rechts extremisme in de jaren 1930 en de daaraan verbonden Jodenhaat veranderde daar niet veel aan. Gerespecteerde katholieke leidsmannen als bisschop Gulielmus Lemmens en de hoofdaalmoezenier van sociale werken, Henri Poels, verwierpen zulke ontwikkelingen in felle bewoordingen. (75) Het dreigende noodweer pakte zich samen boven HitlerDuitsland. Meteen na de machtsovername door de nazi’s in januari 1933 kwam de haatcampagne tegen Joden op gang. Vooral de in Duitsland woonachtige Poolse Joden moesten het ontgelden. Zij waren sterk vertegenwoordigd in de eerste vluchtelingengolf die Nederland bereikte. (76)
Installatie burgemeester Paul Reijmer 9 januari 1935 Foto GAR
Alexander Sternfeld en Sallie Goudsmit, twee vooraanstaande Joodse ondernemers, speelden sinds de oprichting ervan in 1933 een belangrijke rol in het Roermondse Joods Vluchtelingencomité dat zich bekommerde om het lot van de asielzoekers. Zij ondervonden veel praktische steun van onder meer Jacob Goedhart, eigenaar van hotel Wilhelmina aan het Stationsplein waar heel wat vluchtelingen in eerste instantie terecht konden. In de volksmond werd gesproken van ‘Jodenhotel’. Een ander tijdelijk opvangadres was de confectiezaak van Cees (Caesar) Hiegentlich aan de Markt. Meestal reisden de veelal berooide vluchtelingen na een kort verblijf verder of ze probeerden een (tijdelijke) verblijfsvergunning te bemachtigen. Dat gold in het bijzonder voor degenen die in Roermond wilden blijven omdat er familie woonde. Die kon garant staan voor belangrijke asielvoorwaarden als huisvesting en bekostiging van levensonderhoud. Omdat de vluchtelingenstroom niet opdroogde en bij vlagen piekte, werd het landelijk toelatingsbeleid gaandeweg strenger ondanks de groeiende nood die de steeds ernstiger nazi-terreur enkele kilometers verderop teweeg bracht. Ook de grensregio ontkwam niet aan het aangescherpte overheidsbeleid. Zo wijzigde de Roermondse korpschef Johannes Odekerken zijn aanvankelijk begripvolle houding tegenover de vluchtelingen drastisch.
Terwijl het omgekeerde aan de hand was, verklaarde hij keer op keer dat de vluchtelingen geen gevaar liepen in Duitsland en adviseerde hij consequent negatief over verzoeken om een verblijfsvergunning. Ook meldde hij bij hogere politieautoriteiten dat Sallie Goudsmit betrokken was bij het clandestien over de grens helpen van vluchtelingen. Op straffe van verbanning
41
uit de grensstreek werd hem bevolen de hulp te staken. Vanaf maart 1938 moesten alle vluchtelingen worden geregistreerd. Dat leverde tot de Duitse inval 39 namen van nieuwkomers op (77); een getal dat om verschillende redenen geen recht doet aan het werkelijke aantal vluchtelingen. Voordien werd geen vluchtelingenadministratie bijgehouden en lang niet iedereen zich liet zich registreren. Dat gold zeker voor degenen die illegaal het land waren binnengekomen. Het ging dus om veel meer vluchtelingen. Anti-Joodse maatregelen, roof en de rol van politie en gemeente Vanaf de herfst van 1940 begonnen de Duitsers de Joden steeds verder in het nauw te drijven. De eerste Roermondenaar die het aan den lijve ondervond was de veelzijdige Richard Bromberg. Behalve arts was hij ook een jurist en bekleedde hij de functie van voorzitter van de Raad van Beroep van het Ambtenarengerecht voor Limburg. Hoewel hij zich niet als Jood beschouwde en in 1927 was overgestapt naar het katholieke geloof, werd hij wel als zodanig aangemerkt. Op 24 november 1940 werd Bromberg als voorzitter geschorst en met ingang van 1 maart 1941 ontslagen, een lot dat overigens alle Joodse ambtenaren trof. (78) Als in zoveel dorpen en steden ontbraken ook in Roermond leidinggevenden in het overheidsapparaat die protesteerden tegen de anti-Joodse maatregen of iets voor de Joden probeerden te doen.
Het minimale verzet kwam uit de lagere echelons van zowel politie als ambtenarij. Burgemeester Paul Reijmer maakte geen geheim van zijn pro-Duitse houding. Met steun van de naderhand tot gemeentesecretaris opgeklommen NSB’er Herman van Keeken voerde hij alle instructies en bevelen van de bezetter zonder meer uit. (79) Het laatste deed ook de commissaris van politie, Johannes Odekerken. Ofschoon hij niet voor ‘fout’ doorging, gaf ook hij stipt gehoor aan alle anti-Joodse maatregelen.
42
Toen hij in juni 1943 op eigen verzoek ontslag kreeg, waren vrijwel alle Joden uit Roermond weggevoerd. De eerste uittocht had hij persoonlijk begeleid. (80) Om alle, op discriminatie, roof en uiteindelijk op vernietiging gerichte voorschriften te realiseren, waren de Duitsers afhankelijk van alle mogelijke informatie die hen telkens weer zonder tegensputteren werd aangereikt. Gedetailleerde persoonsgegevens, radio’s, fietsen, inboedels en voedselvoorraden, vrijgekomen woonruimte: alles werd desgevraagd geregistreerd en doorgegeven waarna genadeloos werd toegeslagen. Dat gebeurde altijd met medewerking van of uitsluitend door de politie. Zelden kwam er een Duitser aan te pas. Joden werden uit hun huizen gezet en moesten op verzameladressen samenhokken. Politiemannen verzegelden de leeggekomen woningen en namen de bewaking en het beheer op zich totdat de nieuwe eigenaren of huurders erin trokken. Meestal waren dat oorlogskopers, NSB’ers of ouders van oostfrontstrijders. Gedurende de tijd dat de woningen leegstonden, was Mathieu Schmitz, een rechercheur, belast met het beheer. Verscheidene collega’s verdachten hem ervan achtergelaten geld en sieraden uit de woningen te hebben gestolen. Zij werden daarin gesterkt toen bij een huiszoeking in de woning van Schmitz veel geld en waardevolle goederen werden aangetroffen.
(81) Aan de gemeentelijke medewerking aan roof en deportatie waren kosten verbonden. Die bedroegen volgens een declaratie van eind 1943 fl. 240,= (anno 2024 vergelijkbaar met € 2.000,=). Het bedrag werd uitgekeerd met geroofd Joods geld.
Redactionele bijdragen burgemeester Reijmer en commissaris van politie Johannes Odekerken De Nieuwe Koerier 13 juli 1936
43
Vanzelfsprekend strekte de Duitse roofzucht zich ook uit tot de Joodse ondernemingen. Na de afkondiging van verplichte aanmelding op 10 oktober 1940, verstrekte de gemeente ruim een maand later, op 18 en 19 november, een uitvoerige lijst waarop zestien ondernemingen en de eigenaren stonden. Het was de opmaat voor de verordening van 12 maart 1941, de dag waarop alle bedrijven onteigend werden en nieuw te benoemen bewindvoerders (Treuhänder) of beheerders (Verwalter) het voor het zeggen kregen. (82) Vaak ging het om incapabele NSB’ers of Rijksduitsers die zich hier voor de gelegenheid vestigden en hun onlangs verworven bedrijf in razend tempo leegplunderden of door wanbeleid om zeep hielpen. Zo viel het succesvolle textielbedrijf van Alexander Goedhart in handen van een zekere Hans Wüster en zijn echtgenote. Het Duitse stel liet vrijwel niets over van het bedrijf. Andere namen die bij de overnames opdoken waren Franz Müller uit Kerkrade, Josef Weber uit Sittard, de NSDAP’er Peter Wilms uit Maasniel en Franz Kremer uit Geldrop. Geen van hen was afkomstig uit Roermond. Aan het einde van de bezetting kozen ze allemaal het hazenpad en ontsnapten ze aan vervolging. Na de bevrijding resteerden slechts vijf van oorspronkelijk zestien ondernemingen. Alle andere waren opgedoekt of leeggestolen. (83)
schuilgaat. Ze dienen ter ondersteuning en verduidelijking. Daar komt bij dat de beschikbare cijfers meestal niet kloppen met verwarring als consequentie. Telkens weer eisten de Duitsers opgave van het aantal Joodse inwoners en allerlei persoonlijke gegevens. Los van het feit dat het om momentopnames ging, waren ze nooit accuraat. De talrijke lijsten in het Roermonds gemeentearchief getuigen ervan. (84) Historicus Hein van der Bruggen schrijft in zijn proefschrift over Joods Roermond dat de stad in 1939 141 Joodse inwoners telde op een totale bevolking van 18.642. De Duitse rassenwaan maakte daar twee jaar later 126 ‘Volljuden’ van. (85) Herman van Rens, gepromoveerd op een onderzoek naar de Holocaust in Limburg, spreekt van 156 Joodse inwoners, van wie bijna de helft uit Duitsland en Polen was gevlucht. Honderd van hen overleefden de Holocaust niet. (86) Van der Bruggen noemt 85 slachtoffers. In navolging van hem komt onderzoeker Eric Munnicks tot hetzelfde cijfer in zijn omvangrijke oorlogsgeschiedenis van Roermond. Deze onduidelijkheid kan goeddeels worden toegeschreven aan de gemankeerde lijsten en verschillen in onderzoeksmethodiek. Onduidelijkheid, die eens te meer wordt bevestigd door het monument bij de voormalige synagoge aan de Hamstraat.
Cijfers en deportaties In de wetenschap van wat komen ging, laat het drama van de deportaties zich nauwelijks in woorden vatten. Pogingen om uiteenlopende facetten van de Holocaust aan de hand van aantallen en percentages te duiden, kunnen zonder twijfel zinvol zijn omdat ze inzicht en overzicht bieden. Toch verdient zo’n boekhoudkundige benadering van dit immense menselijke drama enkele kanttekeningen. Zo mag het verhaal erachter er niet door verloren gaan. Elk Joods slachtoffer was er één te veel. Cijfers zeggen niets over de toenmalige realiteit die achter iedere persoonlijke geschiedenis
44
Herdenkingsmonument Appie Drielsma, in tuin Synagoge Hamstraat 20 Roermond Foto Flora Lemmens
Daarop staan de namen van 133 Joodse slachtoffers uit Roermond, inclusief degenen die met de stad verbonden waren of een ‘relevant’ deel van zijn of haar leven in Roermond heeft doorgebracht. Van der Bruggen verklaart het opvallende verschil aan de hand van de gehanteerde criteria. (87) Zoals overal in de provincie, kreeg Roermond met drie deportaties te maken. Die gingen niet vergezeld van grote razzia’s zoals in de grote steden in het westen van het land. De eerste deportatie van dinsdag 25 augustus 1942 werd voorafgegaan door twintig persoonlijke oproepen om zich die dag te melden met een minimum aan bagage. Vier geadresseerden werden op tijd gewaarschuwd door de politiemedewerker Johan van Mierlo. Ze doken onder en lieten verstek gaan. Begeleid door commissaris Odekerken en vijf marechaussees vertrokken de resterende zestien naar het provinciale verzamelpunt in de lagere jongensschool aan de Prof. Pieter Willemsstraat in Maastricht. Daar aangekomen werden een gemengd gehuwde moeder met haar zoontje en een invalide dame teruggestuurd naar Roermond. Van de overige dertien gingen de mannen op transport naar een werkkamp waar ze tot hun dood werden afgebeuld terwijl alle vrouwen en bejaarde mannen in Auschwitz om het leven kwamen door vergassing, grove mishandeling, uithongering, slecht schoeisel en kleding, en slechte hygiëne en medische verzorging.
(88) Een paar maanden later volgde de tweede deportatie. Leden van de gemeentepolitie haalden de Joodse Roermondenaren op. Op dinsdag 10 en woensdag 11 november vertrokken 23 van hen via Westerbork naar Polen waar hen net als de eerste groep dwangarbeid of vergassing in een vernietigingskamp wachtte. Sommigen waren erin geslaagd de deportatie te ontlopen op grond van ziekte of het voorwenden ervan dan wel door onder te duiken. (89) Triest waren de deportaties allemaal, maar de derde en laatste was zo mogelijk de meest tragische.
SS-Obergruppenfűhrer Hanns Albin Rauter Foto Beeldbank WO II - NIOD 35364
Op 28 maart 1943 had de baas van de Duitse politie en SS in Nederland, Hanns Rauter, te verstaan gegeven dat zich na 10 april geen Joden meer mochten ophouden in acht provincies waaronder Limburg. De nog aanwezige Joden moesten zich melden in het kort tevoren in gebruik genomen kamp Vught. Rauters bevel resulteerde in de laatste lijst van Joden die in Roermond verbleven. Er stonden 53 namen op. Nu ook de allerlaatsten gedwongen afscheid moesten nemen, besloot de plaatselijke Israëlitische gemeente zichzelf op te heffen en de kostbaarheden uit de synagoge naar Amsterdam over te brengen. Een briefje van burgemeester Reijmer met het verzoek om drie hoogbejaarden te sparen, haalde niets uit. Voor de oudjes noch voor de vervoerbare zieken bestond genade. Op vrijdag 9 april vertrok de laatste groep van achttien in een door de gemeente gehuurde bus naar Vught. Drie anderen volgden in hun kielzog en gingen rechtstreeks naar station Hooghalen bij Westerbork. (90)
Wagonbord van Kamp Westerbork naar Auschwitz Foto Herinneringskamp Westerbork
45
De twaalf Joden die dankzij een vrijstellingsbewijs in Roermond waren achtergebleven, gingen naderhand alsnog op transport. Op 10 en 12 april berichtten commissaris Odekerken en rechercheur Mathieu Schmitz dat er nog vijf ernstig zieke Joden in Roermond verbleven die door vier andere Joden werden verpleegd. Verder schreven ze dat zeker twaalf Joden zonder toestemming uit Roermond waren vertrokken. Een van de overlevenden verklaarde naderhand dat zij de tijdpauze tussen aankondiging en uitvoering hadden benut om onder te duiken. (91) Zonder toestemming vertrokken ofwel ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ (VOW in ambtelijk jargon) betekende in gewoon Nederlands ondergedoken. Het was ongetwijfeld de beste kans om een wisse dood te ontlopen. De meeste Joodse onderduikers uit Roermond vonden een schuiladres in de stad of in de dorpen in de omgeving. Hoewel de politie geen goed inzicht had in hun aantal, bevinden zich in het gemeentearchief korte meldingen van verdwijningen en voortvluchtigen uit 1943. In totaal ging het om 46 personen van wie er zeker vijftien alsnog werden opgepakt en om het leven kwamen. (92) Na de deportaties Vrijwel meteen nadat de deportaties op gang waren gekomen en de vrijgekomen huurwoningen waren geregistreerd, bereikten de gemeente allerlei verzoeken om die te mogen betrekken.
Het onveranderlijke antwoord van burgemeester Reijmer luidde dat de gemeente er geen zeggenschap over had en dat men zich moest wenden tot de gevolmachtigde van de Rijkscommissaris in Limburg, Willy Schmidt. Hij besliste over de toewijzingen. Voor zover de verdeling van woonruimte niet plaatsvond op basis van vriendjespolitiek, profiteerden door bombardementen dakloos geworden Duitsers en Nederlanders ervan. (93)
46
Officieel telde Roermond na 9 april 1943 vrijwel geen Joodse inwoners meer, maar de politie wist dat zich her en der tientallen ‘voortvluchtigen’ schuilhielden. Na het vertrek van Odekerken in juni van dat jaar opende zijn opvolger van NSB huize, Toon Roselle, de jacht op (Joodse) onderduikers. Dat deed hij met zijn partijgenoot en ondergeschikte Gerard Verhesen en de beruchte cafébaas Gerrit Holla, een informant van de Sicherheitspolizei, NSB’er, SS’er en voorman van een groepje Landwachters (gewapende NSB’ers, ook wel “Jan Hagel” genoemd). In schrille tegenstelling tot zijn broer Harry, een vooraanstaand verzetsman uit Venlo, gaf Gerrit al meteen na de Duitse inval blijk van zijn antisemitische gezindheid. Hij staakte per direct de renteaflossing van een aanzienlijke hypotheek die de Joodse ondernemer Sallie Goudsmit hem in 1931 had verstrekt. (94) Nadien raakten Roselle, Verhesen en Holla gezamenlijk of individueel betrokken bij de (vierde!) arrestatie van Richard Bromberg en zijn gezin in februari 1944, de inval in de woning van Hubertus Roosendaal in Wessem op 8 augustus 1944 waar zich drie Roermondse Joden schuilhielden en de omvangrijke razzia in hotel ‘Het Gouden Kruis’ aan de Kapellerlaan. Het hotel was een doorgangshuis voor allerlei vluchtelingen en een schuiladres voor Joodse onderduikers.
Vroeg in de morgen van donderdag 10 augustus 1944 zetten leden van de Grüne Polizei en de Maastrichtse Sicherheitspolizei, bijgestaan door Roselle, Holla en Verhesen de omgeving af, drongen het hotel binnen en arresteerden er de eigenaren van het hotel, het echtpaar Smeets, en ruim tien personen onder wie enkele Joden. (95) Nog niet de helft van de Roermondse Joden keerde na de oorlog in hun woonplaats terug. Vooral het handjevol overlevenden uit de kampen was er slecht aan toe. Waarnemend burgemeester René Höppener zag het met lede ogen aan en nam het uit Bergen-Belsen teruggekeerde echtpaar Marx-Basnizki bij zich in huis en zorgde voor
Waarnemend burgemeester Roermond Rene Höppener Foto GAR
schriften, ontheffingen en kwijtscheldingen tot vijf jaar. Als ze al bestaan hebben, zijn zulke documenten vernietigd omdat het maatschappelijk en historisch belang ervan niet of te laat werd onderkend. (97)
nieuwe huisvesting. Was zijn gedrag illustratief voor de naoorlogse opvang of het gemeentelijk beleid op dit punt? Vermoedelijk niet. Enkele uitzonderingen daargelaten, bevatten de archieven geen sporen die wijzen op een structurele aanpak. Rechtsherstel beoogde het geroofde onroerend goed terug te brengen bij de rechtmatige eigenaren, maar daar moest de gedupeerde zelf om vragen. Doorgaans verliep de afwikkeling correct. De gemeente had daar geen bemoeienis mee omdat er geen geroofd Joods onroerend goed was gekocht. Huurders waren slechter af. Overal heerste woningnood en de nieuwe bewoners lieten zich niet zomaar uit hun huurwoning zetten. Materiële en immateriële hulp werd slechts mondjesmaat geboden. Die kwam vooral uit Joodse kring, sommige particulieren als Höppener of (semi-)overheidsorganisaties met een algemeen karakter. Getuige een brief van de Afdeling Sociale Zaken van november 1945 keerde het Districtsbureau Verzorging Oorlogsslachtoffers enige tijd wekelijks een klein steunbedrag uit aan drie van oorsprong Duits-Joodse vluchtelingen. (96) Of de gemeente financiële steun verleende of andere vormen van hulp bood, is niet bekend, maar lijkt niet waarschijnlijk. Er zijn geen documenten in de archieven aangetroffen die daarop wijzen. Hetzelfde geldt voor naheffingen of de inning van erfpachtcanon.
Archiefwetten uit 1962 en 1968 beperkten de bewaartermijn voor onder meer aangiften, bezwaar-
B
SLACHTOFFERS VAN DE ONROEREND GOED ROOF EN HUN NAOORLOGS RECHTSHERSTEL: CASussen
Josina Andriesse-Sanders Mevrouw Andriesse was gehuwd met de in januari 1937 overleden veehandelaar Abraham Andriesse die hun woning aan de Godsweerdersingel 13 in 1919 had gekocht voor fl. 7.800,=. Enkele weken nadat ze haar testament had laten opmaken, volgde ze haar echtgenoot in maart 1942 op 80-jarige leeftijd. Kort voor haar overlijden had ze vrijwel al haar bezittingen gedwongen moeten afstaan en was haar huis onteigend. Het beheer was overgegaan naar de Maastrichtse ANBO-makelaar Gustaaf de Pauw die het pand met medewerking van notaris Frederic Hoefer op 17 november 1941 voor fl. 7.400 verkocht aan de Roermondse radiohandelaar Frans Wevers. Vrijwel meteen bood deze oorlogskoper in een advertentie het pand opnieuw te koop aan, maar nu voor fl. 8.000,=. Kennelijk was het hem uitsluitend om het financiële voordeel te doen. Dat Wevers te kwader trouw handelde, blijkt eens te meer uit het feit dat hij de gegadigde, Henri Maessen uit Posterholt, onmiddellijk een voorlopig koopcontract liet ondertekenen. Bij het opstellen van de definitieve akte wees de Roermondse notaris Paul van Crugten hem erop dat het om Joods eigen-
47
dom van origine ging. De argeloze Maessen, die het pand voor zijn dochter Christina wilde kopen, was door Wevers klem gezet en kon er niet meer onderuit. Op de dag van de bevrijding van Roermond, 1 maart 1945, overleed Wevers. Hij kon nergens op aangesproken worden. Zijn weduwe, Hubertina Kerkhofs, weigerde meermaals aan het naoorlogs rechtsherstel mee te werken. Daarop maakte de bewindvoerster van de nalatenschap van Andriesse, Carola Franken, het geschil aanhangig bij de Raad voor het Rechtsherstel. Die wees notaris Van Crugten aan als notaris-bemiddelaar. Mogelijk kende men de notariële voorgeschiedenis niet. Hoe dan ook, in september 1950 kwam een minnelijke schikking tot stand. De inmiddels met bouwondernemer Marcel Muyres gehuwde Christina Maessen behield de woning en betaalde op grond van een nieuwe waardebepaling fl. 7.000,= aan de erfgenamen van mevrouw Andriesse. Daarnaast vergoedde ze de sinds de koop ontvangen huuropbrengst plus de notaris-, advocaaten taxatiekosten. Daar ging overigens weer een fors bedrag vanaf wegens eerder door haar betaalde gondbelasting, straat- en rioolbelasting en verzekeringspremies. Christina Muyres-Maessen hield er een vordering van fl. 7.370,= aan over op de erfgenamen van Wevers, resp. de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV). Ook ontving ze in 1953 bijna fl 400,= voor de herstelkosten van oorlogsschade aan het pand.
(98) Richard Bromberg In 1939 vestigde Bromberg zich met zijn vrouw Lucie Rosenthal en hun 12-jarige tweeling Richard en Renée in een huurwoning aan de Bisschop Drehmansstraat 9. Naar aanleiding van het protest van de bisschoppen tegen de Jodenvervolging werd het Joodskatholiek gezin op 2 augustus 1941 opgepakt door de Grüne Polizei en gedeporteerd naar Westerbork. Daar werkte Bromberg tot zijn vrijlating drie weken later als arts. Het verblijf in het
48
kamp had een aanslag op zijn gezondheid gepleegd want terug in Roermond bracht hij enkele maanden door in het ziekenhuis om te herstellen. Nadat hij bij zijn eveneens vrijgelaten gezin was teruggekeerd, volgden nieuwe beproevingen. Eerst raakte hij een deel van de inboedel kwijt waaronder meerdere objecten van grote emotionele waarde. Daarna werd het gezin opnieuw opgepakt bij de tweede deportatie van 10 en 11 november 1942. Na een dag op het politiebureau te zijn vastgehouden, kwamen ze weer vrij omdat ze over een vrijstellingsbewijs beschikten. Niet voor lang want op 14 april 1943 werd de familie voor de derde keer uit huis gehaald. Dit keer op last van de Sicherheitspolizei uit Maastricht. NSB-politieman Gerard Verhesen bracht de vier gezinsleden naar Westerbork maar medio juni konden ze dankzij hun vrijstellingsbewijs opnieuw naar huis terugkeren. Daar aangekomen bleek de woning aan de Drehmansstraat intussen betrokken te zijn door NSB’ers en moest worden uitgeweken naar kamers in het Louisapension. Ook daar waren ze niet veilig. Op 24 februari 1944 werden ze door politiechef Toon Roselle voor de vierde keer opgepakt om via Westerbork in kamp Bergen-Belsen te belanden. Net als in Westerbork slaagde Bromberg erin zich verdienstelijk te maken als arts waarbij zijn vrouw Lucie hem assisteerde. Het redde hun leven en dat van de tweeling.
Geveld door ziekte en honger overleefden ze de verschrikkingen van het kamp maar net. Op 13 april 1945 bevrijdden Russische soldaten het gezin tijdens een evacuatietransport uit het kamp. Van opvang, medische zorg of repatriëring was vooralsnog geen sprake. Uiteindelijk ontfermden Amerikanen zich over het zieke en uitgeputte gezin. Eind juni 1945 keerden ze terug in Roermond. (99) Ofschoon Bromberg in een huurhuis woonde, had hij vermoedelijk plannen voor de bouw van een eigen woning. In januari 1941 had hij een daarvoor bestemd perceel gekocht aan de Hendrik Luytenstraat. Dat kwam later
De arts en jurist Richard Bromberg was in Roermond voorzitter van de Raad
Sylvain Goedhart
van Beroep en voorzitter van het Ambtenarengerecht. In Bergen-Belsen moest hij als Chefartzt het ‘Revier’, de ziekenbarak, leiden. Zijn medegevangene S. Simmering schonk hem op zijn verjaardag, 25 augustus 1944, deze tekening. Collectie Renée Appeljan-Bromberg.