bijlage 1 - rapport Cammaert
Tekst van het document
In dit boek concludeert historicus Fred Cammaert:
Balans opmaken: een bittere noodzaak
Evenals de meeste gemeenten in ons land voerde ook Roermond alle anti-Joodse maatregelen zonder een spoor van protest uit. Van tegenwerking of sabotage was geen sprake. Een eenzame ambtenaar of politieman daargelaten, verleenden alle, bij de vervolging betrokken gemeentelijke diensten, medewerking. Hetzelfde gold voor de hoofdverantwoordelijke voor de uitvoering en het ongestoord verloop ervan, burgemeester Paul Reijmer. Ofschoon precieze cijfers ontbreken, slaagden de Duitsers er met gemeentelijke ondersteuning in om een ruime meerderheid van de Roermondse Joden uit te roeien. Door roof op ongekende schaal verloren alle Joods-Roermondse bedrijfseigenaren en huisbezitters hun eigendom. Oorlogskopers, incompetente Duitse aasgieren, NSB’ers en meelopers van allerlei pluimage ontfermden zich erover met soms desastreuze gevolgen. Het handjevol overlevenden van de Holocaust onderging na de oorlog een veelal kille, harteloze bejegening. Instanties die in het leven waren geroepen om de rechtspositie van de slachtoffers van het immense onrecht te herstellen, spanden wat dat betreft de kroon. Hoogste tijd kortom om de balans op te maken. Niet alleen vanuit moreel perspectief, maar ook vanuit bittere noodzaak. Fred Cammaert is publicist en zelfstandig historicus.
Fred Cammaert
9
789090
382586
Balans opmaken: een bittere noodzaak De onteigening van Joods vastgoed in de gemeente Roermond en het naoorlogs rechtsherstel Fred Cammaert
Colofon
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Roermond door historicus Fred Cammaert. Copyright © A.P.M. Cammaert Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieënopnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. No part is this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the author. De uitgever heeft ernaar gestreefd alle copyrights van de in deze uitgave opgenomen illustraties te achterhalen. Aan hen die desondanks menen alsnog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht contact op te nemen met het Gemeentearchief Roermond. ISBN/EAN 978-90-9038258-6 NUR 686
Beeldredactie Vormgeving
Jac Lemmens, Bert Lijnsvelt Grafisch Ontwerpbureau Anne Halfers Weert Contact met de onderzoeker en bestelling van dit boek kan via gemeentearchief@roermond.nl.
OMSLAG: SYMBOLISCHE FOTO VOOR VERWOEST ROERMOND, 1 MAART 1945 Bakkersfamilie Thomassen in de Bergstraat met Amerikaanse bevrijder en Joodse onderduikster. Gustel Nussbaum kwam als achttienjarig Joods meisje in november 1943 in het gezin Thomassen aan de Luifelstraat. Ze verbleef er als onderduikster maar voelde zich opgenomen in het gezin. Vanaf november 1944 moest ze met vele anderen regelmatig schuilen in de kleine kelder van Bergstraat 9. In de laatste twee weken van februari 1945 leefde ze daar met vier anderen in een gegraven hol onder de binnenplaats tot aan de bevrijding van Roermond op 1 maart 1945. Ze heeft al haar ervaringen in haar boek ‘Reise mit zwei Koffern’ beschreven. In 1945 emigreerde Gustel naar Israël, werd mevrouw Moses en stelde onder meer een historie op over haar neef de schilder Felix Nussbaum. Gustel overleed op 7 oktober 2021. Gustel met de dochters Lidy en Marjan van Harrie en Annie Thomassen. Op de puinhopen van de Bergstraat. Op de tweede rij staat, in het midden, Gustel (met schort). Vóór haar op de eerste rij zit Lucie Thomassen. Vooraan rechts Annie met oudste dochter (foto van Bert Thomassen).
Balans opmaken: een bittere noodzaak De onteigening van Joods vastgoed in de gemeente Roermond en het naoorlogs rechtsherstel Fred Cammaert
1
2
Inhoudsopgave Woord Vooraf
5
Opdracht
7
Inleiding
9
Hoofdstuk 1
Van identificatie en registratie naar deportatie en moord 15
Hoofdstuk 2
Ontrechting en roof 19 A. Vooraf 19 B. Roofverordeningen betreffende onroerend goed 20 n Verordening 102/1941 (Mei 1941) 20 n Verordening 154/1941 (Augustus 1941) 20 n Verordening 154/1941 in de praktijk 21 C. Collaboratie 22 n Gemeenten 23 n Oorlogskopers 26 n Hypotheken en verkoopcijfers 26 n Notarissen en makelaars 27 n Limburg 29 Hoofdstuk 3
Rechtsherstel 31 A. Formeel rechtsherstel 32 n Voortraject en wetgeving 32 n De praktijk 33 n Tekortkomingen en kritiek 36 B. Moreel Rechtsherstel 38 Hoofdstuk 4
Roermond A. De Joodse gemeenschap en de holocaust n Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog n Anti-Joodse maatregelen, roof en de rol van Politie en gemeente n Cijfers en deportaties n Na de deportaties
41 41 41 42 44 46
3
B. Slachtoffers van de onroerend goed roof en hun 47 naoorlogs rechtsherstel: casussen n Josina Andriesse-Sanders 47 n Richard Bromberg 48 n Sylvain Goedhart 49 n Alexander Goedhart 52 n Oscar Goudsmit 55 n Sallie, Henri en Hermine Goudsmit 56 n Sallie Hiegentlich 60 n Armand Leviticus 64 n Alexander Sternfeld 65 n Charles Straus en familie 67 n Synagoge 68 Hoofdstuk 5
Sinti Slachtofferlijst Roermond Slachtoffers die in Roermond gewoond hebben
77 77 80
Beantwoording vragen opdracht 82 Conclusie
84
Geraadpleegde archieven, digitale bronnen en literatuur 85
4
Noten
89
Bijlage 1
Lijst Joodse inwoners Roermond van 9 juli 1942
99
Bijlage 2
Lijst Joodse panden
107
Bijlage 3
Lijst Joodse oorlogsslachtoffers
109
Woord Vooraf Voor u ligt het onderzoek ‘Balans opmaken: een bittere noodzaak. De onteigening van Joods vastgoed in de gemeente Roermond en het naoorlogs rechtsherstel’. Het rapport vormt de weerslag van een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar Joods geroofd onroerend goed tijdens de Tweede Wereldoorlog in onze stad en het rechtsherstel na de bevrijding. Een reportage van het tv-programma Pointer in 2019 heeft het thema nadrukkelijk op de agenda gezet, en inmiddels hebben bijna 150 Nederlandse gemeenten besloten onderzoek te doen naar hun eigen handelen. Fred Cammaert is geboren in Swalmen in 1955 en in 1994 promoveert hij op een gedetailleerd onderzoek naar het Limburgs verzet in de Tweede Wereldoorlog met als titel ‘Het verborgen front’. In 2019 was Fred de trekker van het Limburgse project ‘Ontsluiting Oorlogsbronnen’ en heeft hij gezorgd voor nieuwe toegangen op de collecties van de gemeentearchieven Roermond, Venlo en Weert. Hij was daarom de aangewezen persoon om onderzoek te doen naar de onteigening van Joods vastgoed en rechtsherstel Roermond. Het resultaat is een breed opgezet en diepgravend archiefonderzoek. Het onderzoek geeft een beschrijving van de historische en juridische context van de Jodenvervolging, zowel nationaal als lokaal.
Nauwgezet is in kaart gebracht wat er in Roermond is gebeurd op het gebied van de onteigening en liquidatie van Joodse bedrijven, landbouwgronden, panden en de roof van hun inboedels. Ook is aandacht besteed aan andere groepen slachtoffers, zoals Sinti. Hun verhaal wordt doorgaans onvermeld gelaten en daarom spreken we bij deze groep over de ‘De vergeten Holocaust’. Volledig ten onrechte, want ook deze groep telt slachtoffers in Roermond. Dat waren er 25. In het archief zijn slechts twee documenten gevonden en die zijn integraal opgenomen in dit rapport.
Dit onderzoek beschrijft de feitelijke gebeurtenissen en poogt de impact van de Jodenvervolging te herleiden tot het niveau van de betrokkenen door veel casuïstiek te gebruiken. Wat betekende het bijvoorbeeld voor een Joodse ondernemer als er iemand binnen kwam, die zijn bedrijf liet liquideren en hem dwong te verhuizen? Het rapport richt zich door zijn heldere en toegankelijke schrijfstijl op een breed lezerspubliek. In Nederland zijn relatief meer Joden vermoord dan in andere West-Europese landen. Dat komt voor een belangrijk deel door de actieve medewerking van Nederlandse bestuurlijke instanties en het wegkijken van een groot deel van de bevolking van de catastrofe die hun Joodse medeburgers trof. De overheid heeft de grondwettelijke plicht haar burgers en hun veiligheid zo goed mogelijk te beschermen. Dat heeft zij niet of onvoldoende gedaan, noch tijdens de oorlog noch in de jaren daarna. Het rapport bevat een gedegen onderzoek ten aanzien van de onteigening van Joods vastgoed in de gemeente Roermond en het naoorlogs rechtsherstel. Het is een analyse van de gebeurtenissen in Roermond tijdens de donkere dagen van de Duitse bezetting tussen 1940-1945 en de jaren na de bevrijding.
De onderzoeker Fred Cammaert beschrijft gedetailleerd hoe Joodse inwoners het mikpunt werden van een nietsontziende isolatiepolitiek, waarbij hun bedrijven werden geliquideerd, hun onroerend goed werd verkocht en hun inboedels geroofd. Zonder medewerking en medeweten van het lokale bestuur en haar ambtenaren was een effectieve uitvoering niet mogelijk. Het gemeentebestuur, onder leiding van burgemeester Reijmer, heeft meer dan loyaal meegewerkt met de bezetter. De kosten die gemoeid waren met bijvoorbeeld de ontruiming van de Joodse huizen en de opslag van goederen werden betaald door de Joden zelf. Nadat de deportatie was voltooid, werden de declaraties van de gemeente Roermond door de roofbank
5
Lippmann Rosenthal & Co (LiRo) betaald met Joods gestolen geld. Kortom, de Joden betaalden voor hun eigen deportatie en het leegroven van hun huizen.
voetlicht te brengen. Elk mogelijk archiefstuk is bekeken uit het gemeentearchief Roermond waarbij er niets is weggelaten….opdat we niet vergeten.
In 1940 telde de Joodse gemeenschap in Roermond 140 leden. Hiervan keerden in 1940 slechts enkelen terug uit de kampen en de onderduik in 1945. Zij waren berooid en hoefden niet te rekenen op sympathie en begrip. Het lokale bestuur stelde zich kil en bureaucratisch op en dit bemoeilijkte het verwerken van het leed.
De sporen van Joods leven in Roermond gaan terug tot de 13e eeuw en vanaf midden 19e eeuw is er ook in Roermond een Joodse gemeente, die goed geïntegreerd was in de Roermondse samenleving. Het college van B&W en de NIHS-Limburg hechten aan het bouwen aan een -verdereintegratie van de Joodse gemeenschap in de stad. Beide partijen zien ook een gezamenlijk belang: om in verbondenheid te strijden tegen de dreiging van nieuwe uitsluiting, oplevend antisemitisme en polarisatie.
In juni 1944 wilde het gemeentebestuur onder leiding van de NSB-burgemeester, Jozef Lensing, de synagoge in de Hamstraat afbreken. Dit plan werd niet doorgevoerd, omdat Roermond een frontstad werd en de oorlog uiteindelijk ten einde liep. Op 11 november 1944 viel er een Engelse bom en daardoor werd de synagoge vernietigd. In 1953 werd van de synagoge een verkleinde vorm herbouwd in de achtertuin in de Hamstraat met nog slechts 25 zitplaatsen. In de jaren die volgden stierven of verhuisden de overblijvers. In 1987 werd de Joodse gemeente Roermond opgeheven en anno 2024 woont er geen enkele Jood meer in Roermond. Naast de synagoge zijn de Joodse begraafplaatsen bij Kapel in ’t Zand de enige monumenten die nog herinneren aan het verdwenen Joodse leven in Roermond. De Joden zijn weliswaar wel verdwenen uit de stad, maar ze zijn niét vergeten. In 2007 werd een monument opgericht in de tuin van de synagoge voor de 133 Joodse slachtoffers, die in Roermond zijn geboren en/of woonachtig zijn geweest. De laatste jaren zijn Stolpersteine gelegd, is een rubriek gemaakt op de website van het gemeentearchief en kunnen mensen een wandeling maken langs de Stolpersteine door middel van een audiotour op hun mobiele telefoon. Tot slot wordt dit onderzoek in boekvorm uitgegeven om zo ook deze zwarte bladzijde uit onze geschiedenis voor het
6
Het onderzoek is ook van grote waarde voor de huidige en toekomstige generaties, opdat zij de feiten leren kennen en het voor hen duidelijk is waartoe onverschilligheid kan leiden. Wij spreken de hoop uit dat met de resultaten van het onderzoek en het belichten van de impact die de gebeurtenissen hadden op de Joodse inwoners, een situatie kan ontstaan waarin alle groepen in de Roermondse samenleving samen een stap kunnen zetten om dit pijnlijke verleden onder ogen te zien. Tot slot spreken wij onze grote waardering uit voor het werk dat is verzet door de auteur en het vormgevings- en beeldredactieteam om te komen tot een publieksvriendelijke uitgave van het rapport.
Yolanda Hoogtanders Burgemeester van Roermond Ernst de Reus Voorzitter NIHS-Limburg
Opdracht
Naar aanleiding van de aandacht in de journalistieke media en vragen vanuit de Joodse gemeenschap hebben B&W van Roermond opdracht gegeven onderzoek te doen naar de rol van de gemeente bij de roof van onroerend goed in Joods eigendom en mogelijke tekortkomingen bij de naoorlogse compensatie en het rechtsherstel. De tien onderzoeksvragen die een antwoord moeten geven op de subtitel van dit rapport luiden:
1
Is er los van de zogeheten Verkaufsbücher -registratielijsten van geroofd en doorverkocht Joods onroerend goed- andere relevante informatie over deze kwestie in de archieven te vinden, zo mogelijk per woning?
6
Zijn er aanwijzingen dat door de gemeente tijdens en na de oorlog belastingen of andere heffingen zijn opgelegd aan de voormalige (i.c. de rechtmatige) eigenaren over de jaren waarin zij geen gebruik konden maken van hun eigendom?
2
Hoe heeft de onteigening en doorverkoop van de in de Verkaufsbücher vermelde woningen en andere onteigende woningen en inboedels (Joods onteigend eigendom dat niet in de Verkaufsbücher genoemd wordt maar ook eigendom van andere groepen als opgepakte verzetsstrijders of Sinti) in Roermond plaatsgevonden?
7
Is er sprake geweest van een financiële compensatieregeling?
8
Is er ooit een andersoortige compensatieregeling aangeboden. Zo ja, wanneer en voor welk bedrag of in welke andere vorm is er compensatie aangeboden na de Tweede Wereldoorlog?
3
Welke woningen en inboedels zijn onteigend die niet in Verkaufsbücher vermeld staan?
9
Is er andere relevante informatie over deze kwestie in de archieven te vinden, zo mogelijk per woning?
4
Heeft het toenmalige gemeentebestuur hierover besluiten genomen?
10
5
Welke rol heeft het toenmalige gemeentebestuur, de plaatselijke ambtenarij en de politie hierbij gespeeld?
Wat zou de gemeente Roermond nu kunnen betekenen op het gebied van compensatie, niet enkel in financieel opzicht maar vooral in de zin van vormgeving aan hedendaags duurzaam herdenken om ervoor te zorgen dat zo’n drama zich nooit meer kan voordoen? (1)
7
8
Inleiding
Enkele toevallige vondsten in het Amsterdams gemeentearchief (2), vragen vanuit de Joodse gemeenschap en nieuw onderzoek hebben dankzij aanhoudende mediabelangstelling de voorbije jaren geleid tot een gewijzigde houding tegenover het naoorlogse rechtsherstel en de compensatie van de ongekend zwaar getroffen Joodse gemeenschap. Dat blijkt eens te meer uit het groeiend aantal gemeenten dat alsnog rekenschap wenst af te leggen voor een naoorlogs afwikkelingsproces met schrijnende tekortkomingen; gebreken die van meet af aan werden gesignaleerd en op grond van aanzwellende kritiek stapsgewijs, maar nooit volledig werden rechtgezet. Kort gezegd: rechtsherstel houdt het ongedaan maken van roof en herstel van geschonden rechtsverhoudingen in. Omdat het onlosmakelijk verbonden is met gebeurtenissen en ontwikkelingen die eraan voorafgingen, is kennis van zowel de achtergrond als het tijdsgewricht waarin het herstel plaatsvond onmisbaar voor een juist begrip. De geschiedenis van het naoorlogs rechtsherstel kan in drie tijdvakken worden verdeeld. De eerste fase stond in het teken van de uitvoering van enkele wetsbesluiten die in 1943 en 1944 waren voorbereid door de Nederlandse regering in ballingschap. Die taak was toebedeeld aan de in augustus 1945 opgerichte Raad voor het Rechtsherstel. Met de opheffing van de Raad in 1967 eindigde deze fase.
Ruim twintig jaren verstreken alvorens het naoorlogs rechtsherstel aan het begin van de jaren 1990 opnieuw prominent op de agenda kwam. Aanleiding vormden
ontwikkelingen in het buitenland op dit gebied en de herhaalde constatering dat in de voorgaande fase mankementen waren opgetreden met onredelijke en onrechtvaardige gevolgen voor de Joodse slachtoffers. Om ‘finaal recht’ te kunnen doen werden al met al vijf commissies ingesteld die zich in essentie gingen buigen over de vraag wat er (mogelijk) was misgelopen met de teruggave van roerende en onroerende goederen van Joodse oorlogsslachtoffers. Vrijwel eenstemmig kwamen de commissies tot de slotsom dat het rechtsherstel weliswaar correct was verlopen, maar dat tevens sprake was van tekortkomingen die voor de betrokkenen nadelig konden uitpakken. Voormalig NIODmedewerker Gerard Aalders, die zich eveneens in de materie had verdiept, kwam tot een vergelijkbare conclusie. Dat neemt niet weg dat er toch wel iets valt af te dingen op het werk van de commissies. Zo hadden ze verzuimd de Londense herstelwetgeving aan een kritische analyse te onderwerpen. De conclusie ‘correct verlopen’ stond namelijk op gespannen voet met voorbeelden van tekortkomingen in de herstelwetgeving die in de rapporten werden aangehaald. Daar kwam bij dat in steeds bredere kring de overtuiging postvatte dat het rechtsherstel in de praktijk niet alleen uiterst formeel en bureaucratisch was verlopen, maar bovenal mank ging aan een kille, soms zelfs hardvochtige bejegening van de slachtoffers.
Een opstelling die getuigde van onbegrip en gebrek aan empathie of compassie. Mede op grond van deze vaststelling adviseerde de gezaghebbende commissie onder voorzitterschap van Jos van Kemenade alsnog spijt te betuigen aan de Joodse gemeenschap voor de gang van
9
zaken en financiële middelen beschikbaar te stellen: de zogeheten Maror-gelden (Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel). Daarbij ging het om een totaalbedrag van 764 miljoen gulden ofwel ruim 564 miljoen euro, samengesteld uit bijdragen van de overheid (fl. 400 miljoen) en de belangrijkste grootverdieners aan de roof: het verzekeringswezen (fl. 50 miljoen), de banken (fl. 50 miljoen) en de effectenbeurs (fl. 264 miljoen). De toezeggingen dateren van het jaar 2000 en vormden de afsluiting van de tweede fase. Na overleg binnen de Joodse gemeenschap werd overeengekomen 80% van de beschikbaar gestelde middelen te reserveren voor individuele uitkeringen en 20% voor collectieve voorzieningen. Weldra volgde een discussie over de vraag of de Maror-gelden ook als ‘finaal recht’ op gemeentelijk niveau golden. De regering antwoordde met ja, maar burgmeester Eberhard van der Laan van Amsterdam zag dat anders naar aanleiding van een artikel in Het Parool van 30 maart 2013 met als titel “Gemeente eiste erfpacht op van teruggekeerde Joden”. Dossiers op het gemeentearchief van Amsterdam die onlangs waren gelicht in verband met digitalisering, lieten er geen twijfel over bestaan. Van der Laan noemde het een ernstige kwestie en hij herhaalde termen als formeel, kil en bureaucratisch om eraan toe te voegen dat bekeken zou
worden hoe rechtgezet kon worden wat rechtgezet kon worden. Het NIOD kreeg opdracht om onderzoek te doen. Daarmee gaf Van der Laan in 2014 het startsein voor de derde fase waarin we ons nog steeds bevinden. Want na Amsterdam volgden al snel Den Haag, Rotterdam en andere (grote) gemeenten die het eigen doen en laten met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel lieten en laten onderzoeken. Daarbij gaat het vooral om mogelijke naheffingen die primair vanuit een morele invalshoek worden beschouwd en nieuwe impulsen hebben gegeven aan verschillende vormen van (financiële) compensatie. (3a) Inning van niet betaalde erfpachtbelasting ofwel erfpachtcanon, een pachtvergoeding voor de gemeentelijke grond waarop het huis staat, speelde in de eerste naoorlogse jaren een rol in Amsterdam en Den Haag; niet in Rotterdam en Utrecht. En, voor zover we tot dusver weten, evenmin in grote steden elders in het land. Als een geroofd pand werd verkocht, kwamen de erfpachtcanon en alle andere gemeentelijke heffingen voor rekening van de nieuwe eigenaar: de oorlogskoper. Hij of zij kon zich geen achterstalligheid in betaling veroorloven. Voor de naar schatting 9.000 onverkochte panden van Joden die onder beheer bleven van de Duitse en Nederlandse roofinstanties gold dat klaarblijkelijk
Eberhard van der Laan, burgemeester Amsterdam (2010-2017) Foto Peter Pasman
10
niet. Die lagen merendeels in het westen van het land en daar ging het dan ook om aanzienlijke bedragen. Achterstallige erfpachtclaims door de in geldnood verkerende gemeenten waren op hun plaats geweest bij de vermogensbeheerder van de voormalige roofinstellingen; niet bij de onteigende en berooide Joodse slachtoffers. Hoe dan ook, Roermond kende geen erfpachtcanon en op één na werden alle geroofde panden verkocht. Intensief speurwerk in het gemeentearchief van Roermond heeft geen andere gemeentelijke naheffingen aan het licht gebracht. De rechtshersteldossiers tonen aan dat ook over de periode dat een pand onteigend maar nog niet verkocht was, geen naheffingen plaatsvonden. Deze vaststelling staat vanzelfsprekend los van het feit dat het gemeentebestuur in de persoon van de Roermondse oorlogsburgemeester Paul Reijmer alle anti-Joodse maatregelen en verordeningen zonder meer uitvoerde. Was zijn opstelling van invloed op de uitvoering en het verloop van de Holocaust? En kan dat aan de hand van een vergelijking met burgemeesters van Limburgse steden als Maastricht, Heerlen en Venlo worden aangetoond? Met uitzondering van Heerlen blijken de onderlinge verschillen gering. Isolering, ontrechting, roof en deportatie waren een speerpunt van het Duits beleid. Alle maatregelen en verordeningen die er betrekking op hadden, werden onder dwang en op landelijk niveau opgelegd.
Gemeenten konden er niet aan ontsnappen en moesten ze uitvoeren. Dat leidde overal tot dezelfde uitkomst: het Joods bevolkingsdeel verdween volledig uit beeld om uiteindelijk gedecimeerd te worden. Zo beschouwd bestond er weinig verschil tussen Roermond, Maastricht en Venlo. Het onderscheid moet gezocht worden in de nuance en die werd grotendeels bepaald door de belangrijkste gezaghebbers ter plaatse: de burgemeester en de korpschef. Sinds de invoering van het leidersprincipe in de zomer van 1941 was eerstgenoemde de eenhoofdige leider in zijn gemeente. Alleen hij was verantwoordelijk voor beleidsbeslissingen en de uitvoering ervan. In algemene zin kan gezegd worden dat de gemiddelde NSB-burgemeester
niets ten faveure van zijn Joodse medeburgers ondernam. Veeleer was sprake van het tegenovergestelde. Afgezien van enkele uitzonderingen lieten ook de niet-nationaalsocialistisch gezinde burgemeesters verstek gaan waar het om opkomen voor hun Joodse ingezetenen ging. Vrijwel unaniem waren ze ervan overtuigd dat ze geen keuze hadden. Opgezadeld met een vreselijk dilemma, voelde menigeen zich tegen de muur gezet en meende uit onmacht niets anders te kunnen doen dan lijdzaam toezien. Als ze al voor Joden in het krijt traden, ging het altijd om individuele gevallen, tijdelijke gunsten of tijdelijk uitstel. Zoals gezegd zwaaide burgemeester Paul Reijmer de scepter in Roermond; een pro-Duitse en autoritaire bon vivant die prima uit de voeten kon met de invoering van het leidersbeginsel. Zijn biograaf, Theo Beckers, noemt hem een narcistische alleenheerser: intimiderend en solistisch. Voor zijn vervolgde Joodse stadgenoten deed hij nagenoeg niets. Liever bond de rancuneuze magistraat de strijd aan met lokale kerkelijke autoriteiten die een bordje met ‘voor Joden verboden’ hadden laten weghalen bij de R.K. openbare leeszaal. Alle anti-Joodse maatregelen voerde hij klakkeloos uit. Hij ging zelfs een stapje verder door een Duitse bedrijfsrover behulpzaam te zijn bij diens verzoek om de woning van de Joodse eigenaar te kunnen betrekken. Intussen werkte hij hard aan z’n eigen ondergang.
Distributiefraude die aan het licht kwam, een omvangrijke schuldenpost en een groeiend isolement deden hem steeds verder afglijden. In maart 1943 verliet hij Roermond in zieke en overspannen toestand om plaats te maken voor NSB’er Jozef Lensing. Op dat moment waren de deportaties al voltooid. Wat er nog restte van het Joods leven in Roermond bestond vooral uit steen. Toen de gelegenheid zich eind 1943 voordeed, spande Lensing zich in om de synagoge aan de Hamstraat te verwerven. Het naastgelegen politiebureau was aan uitbreiding toe en sloop dreigde. De toestemming voor koop kwam in de zomer van 1944. Omdat niet veel later de fronttijd aanbrak, liep de koop op niets uit.
11
Na de oorlog, in 1953, werd de door een Engelse bom getroffen synagoge in kleinere vorm herbouwd. Van de oorspronkelijke Joodse gemeente was bijna niemand meer over. De weinigen die de Holocaust hadden overleefd emigreerden, verhuisden of stierven in de loop der jaren. In 1987 werd de Joodse gemeente van Roermond opgeheven. Twintig jaar later, in 2007, werd op het binnenterrein van de synagoge een monument onthuld ter nagedachtenis van 133 Joodse oorlogsslachtoffers uit Roermond. Maastricht, Heerlen en Venlo werden ter vergelijking met Roermond aangehaald omdat de drie steden door heel verschillende burgemeesters werden bestuurd. Zo kreeg Maastricht na het vertrek van Willem Michiels van Kessenich in september 1941 te maken met NSB’ers. Michiels, een paternalistische en regenteske magistraat, had alle Duitse verordeningen en opdrachten zonder tegensputteren uitgevoerd. Zijn opvolger, de NSB’er Louis Peeters, bestuurde de Limburgse hoofdstad tot begin december 1942. Het was de periode waarin veruit de meeste anti-Joodse maatregelen van kracht werden en twee deportatiegolven plaatsvonden. Peeters ondersteunde en faciliteerde alle Duitse plannen met de Maastrichtse en Limburgse Joden door onder meer het centrale verzamelpunt voor de hele provincie in de jongensschool aan de Professor Pieter Willemsstraat beschikbaar te stellen.
Zijn opvolger Theo Copray, ook een NSB’er, was verantwoordelijk voor het verloop van de derde en laatste deportatiegolf in april 1943. In juni van dat jaar keerde Louis Peeters tijdelijk terug op zijn post. Hij besloot om de synagoge aan te kopen, maar zijn opvolger, de NSB’er Anton De Ley, trok het besluit zonder opgaaf van reden weer in. Hoe zag het beeld in Venlo eruit? In september 1941 nam burgemeester Bernard Berger ontslag. Net als zijn ambtgenoten in Roermond en Maastricht had hij tot zijn vertrek alle Duitse verordeningen en opdrachten stipt uitgevoerd. Zijn opvolger, de advocaat Jo Zanders, kwam voor hetere
12
vuren te staan. In afwijking van de gebruikelijke gang van zaken bij nieuwe benoemingen was Zanders geen NSB’er, maar presenteerde hij zich als partijloos bij zijn ambtsaanvaarding in oktober 1941. Hoewel hij het in een enkel geval voor een individuele Jood opnam, voerde ook Zanders alle anti-Joodse verordeningen en opdrachten uit. De drie deportaties in Venlo verliepen zonder incidenten zoals uit de politionele dagrapporten naar voren komt. Eind 1943 besloot Zanders tot aankoop van de Joodse begraafplaats. Na de oorlog verdween hij enige tijd in het interneringskamp in Steyl. In lijn met de gebruikelijke gang van zaken werd hem de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen niet aangerekend bij de naoorlogse zuivering. In tegenstelling tot Roermond, Venlo en Maastricht waar gesproken kan worden van nuanceverschillen, waren de verschillen met Heerlen levensgroot. Burgemeester Marcel van Grunsven toonde overtuigend aan dat het ook anders kon. Omringd door behendig opererende verzetsmensen loodste hij zijn gemeente op voorbeeldige wijze door de moeilijke bezettingsjaren. Niet voor niets zag koningin Wilhelmina in hem ‘eindelijk een echte burgemeester’. Zowel in intellectueel, tactisch als moreel opzicht stak hij met kop en schouders uit boven alle genoemde burgemeesters.
Ook Van Grunsven begreep dat hij het onmogelijke niet kon bewerkstelligen, maar anders dan de anderen deed hij er alles aan om te redden wat te redden viel. Zijn vaste tactiek bestond uit vertragen, tegenwerken en waar mogelijk tegen elkaar uitspelen van elkaar beconcurrerende instanties. Soms met succes, maar binnen de context van de Jodenvervolging zo goed als kansloos. Bovendien moest hij precies in de periode dat de Duitsers de ene na de andere anti-Joodse maatregel afkondigden de strijd aangaan met zijn kabinetschef, een NSB’er die hem onafgebroken in de wielen reed, en een zo mogelijk nog gevaarlijker korpschef. Hoewel hij erin slaagde beiden uit het gemeentelijk apparaat te verwijderen en te vervangen door verzetsmensen, stichtten de twee veel onheil. Dat neemt niet weg dat Van Gruns-
ven betrouwbare politiemannen tijdig liet waarschuwen als arrestatie of deportatie dreigde. Maar liefst 72% van de Heerlense Joden dook onder. Ook was Heerlen door toedoen van Van Grunsven een van de laatste gemeenten in Nederland waar de bordjes met ‘voor Joden verboden’ werden opgehangen. Het overlevingspercentage van 57% in de mijnstad lag nergens in Limburg hoger. (3b)
13
Rijkscommisaris Arthur Seyss-Inquart Foto Beeldbank WO II - NIOD 75223
14
Hoofdstuk 1
Van identificatie en registratie naar deportatie en moord
Afgezien van de fel bekritiseerde naoorlogse behandeling van de Joodse rechthebbenden, staat vast dat het slepende debat over het rechtsherstel samenhangt met de unieke voorgeschiedenis ervan. Grotendeels onbekend met de nauwelijks te bevatten catastrofe waarvan de in bezet Nederland woonachtige Joden slachtoffer waren, moest de regering in Londen op grote en relatief veilige afstand nieuwe wetgeving optuigen en juridische kaders scheppen om het onrecht na de bevrijding ongedaan te maken. Meer hierover in hoofdstuk 3. Allereerst wordt stilgestaan bij de ongeëvenaarde misdaad die uitmondde in de moord op meer dan honderdduizend landgenoten. Aan de vooravond van de Duitse inval op 10 mei 1940 telde Nederland ongeveer 140.000 Joodse inwoners. Veruit de meeste families leefden hier al eeuwenlang en waren in algemene zin redelijk tot goed geïntegreerd. Daaraan kan worden toegevoegd dat een ruime meerderheid in huurhuizen in de grote steden in het westen van het land woonde. Hoewel precieze cijfers ontbreken, maakten enkele tienduizenden, voor het overgrote deel Duitse Joden, deel uit van de genoemde 140.000. Zij waren sinds de machtsovername door Hitler in januari 1933 naar Nederland gevlucht. (4) Tot dan toe had de Nederlands-Joodse gemeenschap van de ene op de andere generatie een vredig bestaan geleid.
Hooguit was ze blootgesteld aan milde vormen van discriminatie en antisemitisme. De overrompeling door de Duitse Wehrmacht leek daar aanvankelijk geen noemenswaardige verandering in te brengen. Het gedrag van de militairen werd
als correct ervaren en het zag er korte tijd naar uit dat de nieuwe machthebbers de Joden met rust zouden laten. De nog maar net benoemde rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart zei op 29 mei dat het Nederlandse recht van kracht bleef en liet dat dezelfde dag vastleggen in zijn derde, wijdlopige verordening (bindende regeling). De inkt was amper opgedroogd toen duidelijk werd waarom hij bij herhaling het dubbelzinnige begrip ‘bloed’ in de mond had genomen. Hoewel Joden nog niet expliciet waren genoemd, kwam het onheilspellende proces van identificatie en discriminatie vijf weken later op gang. Op het eerste gezicht leken de beperkingen mee te vallen want vanaf begin juli mochten Joden geen lid meer zijn van de luchtbeschermingsdienst en kwamen ze niet in aanmerking voor arbeid in Duitsland. Menigeen voelde zich in die geruststellende gedachte gesterkt omdat er vooralsnog geen nieuwe anti-Joodse maatregelen volgden. Achter de schermen werd daar intussen wel aan gewerkt, zij het met een klein voorbehoud. Zo stond in een intern rapport van 19 juli 1940 dat het Joods vraagstuk voorzichtig en terughoudend behandeld moest worden. Het grote werk moest nog beginnen en binnenkort konden de eerste maatregelen worden verwacht die gevolgd zouden worden door registratie en oppakken (Erfassung), aldus de opsteller ervan.
De obsessieve en irrationale haat tegen een nagenoeg weerloze bevolkingsgroep die de dagelijkse praktijk in Duitsland al zeven jaar domineerde, kreeg weldra ook de overhand in Nederland.
15
De racistische maatregelen waarvan sprake was in het rapport, waren veel ingrijpender dan de twee van juli. Met de niet-Jood of ariërverklaring voor ambtenaren van oktober 1940 en de daaropvolgende schorsing en ontslag van Joden uit de overheidsdienst ging het proces van identificatie en discriminatie een volgende fase in. In verhoogd tempo ging het van kwaad tot erger. Gedurende het hele jaar 1941 buitelden de anti-Joodse maatregelen over elkaar heen. Maatregelen die naast de onophoudelijke treiterijen, vernederingen en voortschrijdende discriminatie ook registratie en stelselmatige uitsluiting, isolering, scheiding, ontrechting en roof inhielden. Zo verloren Joden hun bewegingsvrijheid grotendeels en mochten ze bijvoorbeeld niet langer gebruik maken van openbare instellingen en gelegenheden als scholen, bibliotheken, bioscopen, cafés, parken en zwembaden. Ook werden ze verbannen uit het openbaar onderwijs. Overal verschenen bordjes met het opschrift ‘Voor Joden verboden’. Naast het verlies van grondrechten raakten ze hun economische bestaanszekerheid en vrijwel al hun bezittingen kwijt, variërend van de fiets en de radio tot de woning met inboedel, de baan, het bedrijf, de financiële reserves, aandelen, effecten en kostbaarheden als sieraden en kunstvoorwerpen.
Voor Joden verboden Foto Verzetsmuseum Amsterdam
16
Het waren zonder uitzondering maatregelen die het pad effenden naar het laatste stadium en tevens einddoel: concentratie, deportatie en moord. Al in september 1919 had Hitler het voor ’t eerst in bedekte bewoordingen geformuleerd en in december 1941 gaf hij het mondelinge bevel tot genocide. In combinatie met ernstige dreigementen en razzia’s zette de stortvloed aan antisemitische maatregelen de Joodse gemeenschap doelbewust en doelgericht onder extreme (psychische) druk. Onbeschermd, overgeleverd aan een lot dat het ergste deed vermoeden en bij gebrek aan mogelijkheden tot weerstand viel menigeen ten prooi aan ondraaglijke spanningen, panische angst en wanhoop. Anderen doorstonden de extreme terreur van dit schrikbewind niet langer en pleegden zelfmoord of vervielen in apathie, onverschilligheid en andere uitingen van morele desintegratie. (5) Niemand stond op dat moment helder voor de geest wat komen ging. Hoewel een hooggeplaatste functionaris aan de vooravond van de deportaties zei dat de Joden moesten terugkeren naar hun land van herkomst (vermoedelijk bedoelde hij Polen) en wel even arm en verluisd als zij het hadden verlaten, beperkten de meeste Duitsers zich tot leugens en eufemismen als evacuatie en werken in het oosten.
Het zijn de naoorlogse getuigenissen van overlevenden van de Holocaust die het ware verhaal vertellen; een verhaal dat elk voorstellings- en bevattingsvermogen te boven gaat en binnen het kader van deze onderzoeksopdracht onbesproken moet blijven. Volstaan moet worden met een verwijzing naar de aangrijpende literatuur van excellente kwaliteit van schrijvers die erin geslaagd zijn hun kampervaringen in woorden te vatten zoals ‘Nacht’ van Nobelprijswinnaar Elie Wiesel, ‘Is dit een mens’ van Primo Levi of, dichter bij huis, ‘Strepen aan de hemel’ van Gerhard Durlacher en ‘Het revier’ van de Maastrichtse tandarts Taecke Botke. Wat komen ging, werd duidelijk in 1942.
Elie Wiesel tweede rij zevende van links Buchenwald 16 april 1944 (Creative Commons licenties)
Terwijl de anti-Joodse maatregelen elkaar onverkort bleven opvolgen, werd het dragen van de gele Davidster met het opschrift ‘Jood’ op 3 mei verplicht gesteld. Hitlers minister van propaganda, Joseph Goebbels had het bedacht. Twee maanden later kwamen de deportaties op gang. Via het voorportaal van de hel, doorgangskamp Westerbork in Drenthe, vertrokken tienduizenden opgejaagde en berooide landgenoten naar de industriële moordfabrieken in Polen.
Aan de oproepen om zich te melden voor vertrek, de razzia’s, arrestaties en deportaties leek geen einde te komen. De volgestouwde treinen bleven rijden tot 13 september 1944 toen de laatste met 279 personen onder wie 54 kinderen uit Westerbork vertrok. Naar schatting waren toen 107.000 mannen, vrouwen en kinderen op transport gegaan van wie er slechts 5.500 de verschrikkingen van de Duitse kampen zouden overleven. (6)
17
18
Hoofdstuk 2
ONTRECHTING EN ROOF
A
VOORAF
“Uitzonderingen daargelaten telde het belang van de kwetsbare Joodse minderheid niet bij burgemeesters, politieagenten, gemeentelijke ambtenaren, notarissen en rechters” (7), aldus Raymond Schütz, auteur van een gezaghebbende studie over de dubieuze rol van het Nederlands notariaat tijdens de bezettingsjaren. Sprekend over onroerend goed geldt hetzelfde voor de makelaardij en zogeheten oorlogskopers die wisten of konden weten aan wie de geroofde eigendommen toebehoorden, maar er desondanks in handelden. Historicus Robin te Slaa slaat de spijker op z’n kop als hij schrijft dat de Duitse bezetter er naar hartenlust op los roofde en dat de beroving van het Joodse bevolkingsdeel niet alleen volledig was, maar bovendien van een schokkende grondigheid en systematiek. Roof op ongekende schaal die plaatsvond op grond van verordeningen met kracht van wet, die werden aangevuld met maatregelen, beschikkingen en bevelen van de Sicherheitspolizei. Ze hadden de schijn van legaliteit en waren onderbouwd met eufemismen als ‘overboeken’, ‘beheren’ en ‘bestieren’. Het draaiboek van de roof verliep volgens een vast patroon: aanmelden, onder beheer stellen, onteigenen en verkoop (waarbij de opbrengst naar Duitse instanties ging). (8)
Links Hans Fischböck rechts Arthur Seyss- Inquart medio1941 Foto Beeldbank WO II - NIOD 27646
Alvorens de roofverordeningen met betrekking tot onroerende goederen te bespreken, enkele opmerkingen over de terminologie. Hoewel doorgaans over roof wordt gesproken, geniet het begrip ontrechting de voorkeur omdat het precies de misdadige Duitse bedoelingen weergeeft: het systematisch ontnemen van iemands persoonlijke rechten en daarmee de verwijdering uit de rechtsorde van een specifieke groep binnen de samenleving. Anders gezegd: eerst volledig rechteloos maken, daarna beroven of buit verwerven. Zoals gezegd leken de verordeningen legaal door de inbedding in ogenschijnlijk wettelijke kaders, maar in wezen ging het om extreem onrecht in de vorm van recht. (9) Ook het begrip beheer is misleidend want in de gebruikelijke betekenis is een beheerder verantwoording verschuldigd aan de eigenaar en mag hij niet zonder toestemming van de rechthebbende overgaan tot verkoop. Bij de afkondiging van de roofverordeningen in 1941 werd deze juridische figuur op z’n kop gezet en gebruikt om de Joden het beschikkingsrecht over hun vermogensrechten te ontnemen. Geen roof dus in de letterlijke betekenis van het woord, maar ontrechting. (10) Het startsein voor de ontrechting werd op 19 mei 1941 gegeven tijdens een bijeenkomst van een aantal hooggeplaatste nazi’s in Nederland.
Na de vaststelling dat alle ‘Volljuden’ uit Nederland moesten verdwijnen, presenteerde de Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft, Hans Fischböck, zijn plan om de Joden eerst van al hun bezittingen te beroven. (11). Tussen 27 mei 1941 en 11 juni 1943 werden ten minste negen verordeningen van kracht die betrekking hadden op
19
de vermogensrechtelijke ontrechting van Joden. Daarvan hadden verordening 102/1941 van 27 mei 1941 en verordening 154/1941 van 11 augustus 1941 betrekking op onroerend goed in Joods eigendom. (12)
B
ROOFVERORDENINGEN BETREFFENDE ONROEREND GOED
Verordening 102/1941 (Mei 1941) Met deze dwangmaatregel beoogde de bezetter de Joden uit het agrarisch leven te verbannen; arisering heette dat. Achtereenvolgens moesten alle landbouwgronden in Joods eigendom vóór 1 juli 1941 worden aangemeld, vóór september van dat jaar aan niet-Joden zijn verkocht en uiterlijk op 1 januari 1942 zijn overgedragen. Pachtbureaus werden ingeschakeld om de waarde van de gronden vast te stellen. Daarna moesten de koopcontracten worden goedgekeurd door het voor dit doel opgerichte ‘Bureau voor de goedkeuring van overdracht van Joodse landbouwgronden’ van het Departement van Landbouw en Visserij. In vergelijking met Duitsland waar de uitvoering van een vergelijkbare maatregel vier jaar in beslag nam, verliep de verkoop in Nederland dankzij ambtelijke medewerking rimpelloos en kon die binnen een jaar worden afgerond. In totaal ging het om de verkoop van 9.000 hectare landbouwgrond (0,9 % van het totale areaal) tegen een waarde van 17 miljoen gulden, wat overeenkomt met zo’n slordige 140 miljoen euro in 2024. (13) Verordening 154/1941 (augustus 1941) Doel van dit lijvige decreet was de arisering van de particuliere woningvoorraad met hulp van private partijen. (14) De impact ervan was aanzienlijk groter dan de landbouw-
20
verordening omdat het alle Joodse huiseigenaren en particuliere kredietverleners trof. Dat wil zeggen dat het bij benadering om 20.000 bebouwde percelen ging en naar schatting om 8.000 hypothecaire vorderingen met een gezamenlijke waarde van respectievelijk 200 miljoen gulden (ruim 1.750.000.000 euro) en 27 miljoen gulden (ongeveer 240 miljoen euro). Daarbij moet worden opgemerkt dat er geen eenstemmigheid bestaat over deze cijfers. (15) De louter op roof en heling gerichte maatregel werd op 11 augustus 1941 afgekondigd en meteen bekrachtigd. Voor zover van toepassing moesten alle Joden hun ‘overig grondbezit’ vóór 15 september aanmelden bij de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV, ook wel Nederlandse Administratie van onroerende goederen genoemd) dat diezelfde maand was opgericht en belast met de praktische uitvoering van de verordening. Onder ‘overig’ werden zowel onroerende goederen als hypotheken verstaan. De aanmeldingsformulieren lagen klaar bij de Kamers van Koophandel. Zodra die ingevuld en ingeleverd waren, nam de in Den Haag gevestigde NGV het beheer over en verloren de rechtmatige eigenaren, in flagrante tegenspraak met het Nederlands recht, alle zeggenschap.
Een aantekening in de registers van het kadaster getuigde ervan: “deze onroerende goederen zijn in beheer overgenomen door de Nederlandsche Administratie van onroerende goederen” waarbij werd verwezen naar een op naam van de oorspronkelijke perceeleigenaar gestelde brief van de NVG. Doestelling en taak van de NGV was niet alleen het verkrijgen, beheren, onteigenen en verkopen van de bebouwde gronden, maar, conform de bepalingen in de verordening, ook de opbrengsten ervan in de vorm van huur, recht op opstal (het recht om op de grond van een ander bebouwing te hebben), erfpacht, hypotheken en andere onroerende rechten. De praktische uitvoering liet de NGV grotendeels over aan twee instanties: het Haagse administratiekantoor
Nobiscum dat zich sinds de oprichting in 1933 toelegde op het administreren en beheren van onder meer onroerende goederen en hypotheken. De tweede organisatie die zich er vanaf de oprichting in december 1941 mee bemoeide was het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende goederen (ANBO) van de criminele Haagse makelaarszoon en fervent NSB’er Dirk Hidde de Vries. Twee maanden na de oprichting besloot de NGV met hem in zee te gaan. De Vries nam de landelijke indeling in vijf districten van de NGV over. Twee ervan lagen in het westen en daar verliep de verkoop van Joodse huizen volgens de NGV voorspoedig, maar in de districten Groningen, Arnhem en Eindhoven/ Maastricht viel het tegen. Men stuitte er op tegenwerking van de bevolking. Reden voor de drie laatstgenoemde districtsbeheerders om De Vries te vragen of het mogelijk was om de openlijke en storende relatie met de NGV te verdoezelen door een werkgemeenschap op te richten waardoor het mogelijk werd voortaan te werken onder de ‘neutrale’ dekmantel van het ANBO. De Vries stemde in met het voorstel en bemachtigde zo, tot ongenoegen van het hoofd van de NVG, Walter Münster, een sleutelpositie. De tactische zet van de districtshoofden wierp vrucht af want de verkoopcijfers stegen iets.
De groeiende opbrengst vloeide in de kas (“Sammelkonto”) van de Vermögens Verwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA), een organisatie die sinds de landbouwverordening van mei 1941 bestond en zich toelegde op de liquidatie en besteding van Joods vermogen. (16) Verordening 154/1941 in de praktijk De verhouding tussen huur en eigendom van onroerend goed verschilde anno 1941 aanzienlijk van de huidige situatie. Het percentage eigendom lag toen rond 20%; tegenwoordig bedraagt dat naar schatting 57%. Omdat veruit de meeste Joden in het westen van het land woonden, lag zo’n 80% van het Joods woningbezit daar. (17)
In totaal werden 20.000 bebouwde percelen en 5.600 hypotheken aangemeld bij de NGV. Verkochte panden en onbebouwde percelen werden geregistreerd in de zogeheten Verkaufsbücher ofwel vastgoedboeken/verkoopboeken. Omdat het ‘gründlich’ gebeurde, zijn de Verkaufsbücher een waardevolle bron voor onderzoek naar geroofd Joods onroerend goed. Zo bevatten ze het adres, het verkoopbedrag en de namen van de oorspronkelijke eigenaar, de verkopende makelaar, de notaris(sen) en de koper(s). Daarnaast werden er bij transacties, indien gekend, ook de koopdatum en de overschrijfgegevens vermeld. In totaal ging het om ruim 7.100 objecten, verspreid over 17 delen. Oorspronkelijk waren dat er 18 zodat het werkelijke aantal, in de Verkaufsbücher geregistreerde panden en onbebouwde percelen vermoedelijk in de buurt van 8.000 ligt, waarvan ruim de helft door het ANBO en zijn onderbeheerders (makelaars en huizenhandelaren) werden verkocht. De Verkaufsbücher geven echter geen volledig beeld - er ontbreekt een groot aantal percelen - en uit recente berekeningen komt naar voren dat er geen 8.000 maar circa 11.000 Joodse percelen onrechtmatig zijn verkocht. Dat betekent dat naar schatting 9.000 percelen onverkocht en onder indirect beheer van de NGV bleven.
Deze panden gingen na de oorlog weliswaar terug naar de oorspronkelijke eigenaar, maar ze compliceerden het rechtsherstel in zoverre dat rekening moest worden gehouden met kostenposten als onbetaalde hypotheekrente, gederfde huren en onderhoud. (18) Behalve NGV, ANBO, Nobiscum en VVRA waren de belangrijkste, bij de roof betrokken instanties, beroepsgroepen en personen: de hypotheekbanken, de makelaardij, het notariaat en de oorlogskopers inclusief de door een van de laatstgenoemde partijen ingeschakelde stromannen. Daarnaast waren er talrijke, aan het ANBO verbonden particuliere onderbeheerders. Zij zochten niet alleen naar potentiële kopers, ook inden ze de huren en bemoeiden ze zich met de exploitatiekosten en verzekeringen. (19)
21
Ofschoon cijfers ontbreken, gingen veel Joden naar aanleiding van de aangekondigde of te verwachten maatregelen ertoe over om hun eigendommen tegen veel te lage prijzen te verkopen om te voorkomen dat de goederen in Duitse handen vielen. Anderen kozen ervoor om hun bezittingen aan niet-Joden in bewaring te geven. Hoewel die niets te maken hadden met de Duitse roofzucht verdient deze groep van zogeheten ‘bewariërs’ (een samenvoeging van bewaren en ariër) korte vermelding omdat ze niet allemaal te goeder trouw waren en zich de in bewaring gegeven bezittingen na de bevrijding toe-eigenden of teruggave weigerden. (20) Verder blijkt uit verschillende bronnen dat na huisuitzetting en/of deportatie inbraak en diefstal plaatsvond in leegstaande woningen van Joden. Soms waren daar ook politiemannen bij betrokken.
C
COLLABORATIE
Bij de bespreking van de landbouwverordening werd vastgesteld dat het ambtelijk apparaat bereid was om zonder meer uitvoering te geven aan de Duitse maatregel. Rechtshistoricus Raymond Schütz oordeelt in niet mis te verstane bewoordingen over de rol en houding van de gezagsgetrouwe, collaborerende overheidsdienaren: “We weten dat ambtenaren soms over te veel macht beschikken zoals de recente toeslagenaffaire bewijst. Vooral kwetsbare burgers zijn het slachtoffer. In crisis- en oorlogstijd breidt de ambtelijke macht zich snel uit. Tijdens de oorlog kreeg de Nederlandse ambtenarij veel macht toebedeeld. (…) Het Duits bezettingsbestuur wist op gewiekste manier gebruik te maken van het gebrek aan bestuurlijke ruggengraat dat geleid werd door het college van secretarissen-generaal van de ministeries en de Joodse bevolking stap voor stap opofferde om de eigen bestuurlijke positie niet te ondermijnen. (…) Loyaliteit naar de bezetter was de grondhouding. De beroepsgroep was proactief,
22
maakte lange dagen en liet zich gewillig manipuleren. De Jodenvervolging was een prioriteit van het Duitse beleid en het loonde om zich op dit gebied te onderscheiden.” (21) Schütz’ generalisatie verdient enige nuancering. Kun je ambtenaren als uitvoerders primair verantwoordelijk stellen voor bestuursbeleid? Hoewel ze een kleine minderheid vormden, waren er ook ambtenaren die tegenwerkten, saboteerden en steun verleenden aan het verzet. Hoe dan ook, na de bevrijding werden de zwaardere gevallen onder de ambtelijke collaborateurs weliswaar gezuiverd, berispt of berecht, maar de zwijgende meerderheid kwam er zonder kleerscheuren vanaf. Massaontslag als remedie zou tot onaanvaardbare chaos leiden en had ernstiger gevolgen dan de kwaal, zo werd geredeneerd. Bestuurlijke continuïteit, geschraagd door kennis en ervaring, stond voorop. Maar er was meer. De ambtenarij kon zich beroepen op de ‘Aanwijzingen’, een regeringsnotitie uit 1937 waarin stond hoe ambtenaren zich moesten gedragen onder vreemde overheersing. Kern ervan was dat het openbaar bestuur moest worden voortgezet. Hoewel het om een geheim document ging, dat in principe alleen bekend was bij burgemeesters, werd de inhoud ervan geïnterpreteerd als richtlijn om defensief te collaboreren om erger te voorkomen: klein leed accepteren om groter leed te voorkomen.
Dat artikel 23 voorschreef dat particulier eigendom niet verbeurd kon worden verklaard, werd gemakshalve over het hoofd gezien. Hetzelfde gold voor artikel 7: “Het ‘reglement’ verbiedt voorts moord, plundering of roof, en eist eerbiediging van de eer, de gezinsverbanden, de godsdienstige overtuiging en de uitoefening van erediensten”. (22) Het is de vraag of de gemiddelde ambtenaar tot in detail op de hoogte was van de gedragsregels. Regels opstellen om ze geheim te houden, de filtering en interpretatie ervan aan één magistraat over te laten of ze pas bekend te maken als het niet meer kan omdat het als een vijandig document kan worden uitgelegd, mist logica. Bijgevolg moet de daaraan
verbonden vraag naar het mogelijke effect van de ‘Aanwijzingen’ onbeantwoord blijven. Daarnaast werd een beroep gedaan op het zogeheten toetsingsarrest van de Hoge Raad van 11 januari 1942. Daarmee had de Raad de ambtelijke collaboratie gelegitimeerd door te stellen dat de wettelijke maatregelen van de bezetter niet aan het (internationaal erkende) Landoorlogreglement van 1907 konden worden getoetst. Daarin stond onder meer dat particulier eigendom niet in beslag genomen mocht worden. Anders gezegd: de Hoge Raad beschouwde niet alleen alle antisemitische verordeningen als regulier recht, maar verwees tevens de artikelen 7 en 23 van de Aanwijzingen die grotendeels aan het Landoorlogreglement waren ontleend, naar de prullenbak. (23) Gemeenten Verschillende onderzoekers wijzen er terecht op dat de overheid over weinig speelruimte beschikte bij de toepassing van de Duitse maatregelen. Dat mag zo zijn, maar tegelijk moet worden vastgesteld dat de ambtelijke collaboratie wel erg ver reikte en zich over alle bestuurslagen uitstrekte, de gemeentelijke niet uitgezonderd. Opdrachten om allerlei persoonlijke gegevens van Joden te verstrekken, werden stipt uitgevoerd.
Geboorteplaats en -datum, leeftijd, gezinssamenstelling, adres, woonomstandigheden, inboedel, eventueel bezit van onroerend goed, medische gegevens: alles belandde op lange verzamellijsten en werd doorgegeven aan de Duitse autoriteiten. Zo vereenvoudigden en faciliteerden de gemeenten niet alleen de vervolgstappen in het misdadige proces, ook laadden ze hiermee een zekere mate van verantwoordelijkheid op zich voor de uitvoering van het vervolgingsbeleid. Dat staat los van de vraag of de lijsten compleet waren, want dat waren ze nooit. Gedurende 1941 en 1942 vroegen de Duitsers keer op keer om zulke opgaven. Daardoor ontstonden talrijke lijsten of eigenlijk momentopnames die altijd van elkaar verschilden, ook in
Roermond (Bijlage I). Afgezien van sporadische knoeierij door saboterende ambtenaren, had dat met praktische redenen te maken. Joodse inwoners vertrokken of ‘verdwenen’ en er waren sterfgevallen of er kwamen nieuwkomers bij. Zo werden bijvoorbeeld tientallen Joden uit Rotterdam, Scheveningen en Voorburg al in september 1940 gedwongen naar Roermond te verhuizen omdat ze in een ‘verboden zone’ woonden. (24) De lokale betrokkenheid bleef niet beperkt tot registreren. Iedereen wist dat de gemeentepolitie rechtstreeks betrokken was bij het oppakken en deporteren van de Joodse ingezetenen. De kosten die ermee gemoeid waren, kwamen, net als de opslag en bewaking van achtergelaten bezittingen en de ontruiming van de door Joden bewoonde huizen, voor rekening van de gemeenten. Nadat de deportaties zo goed als voltooid waren, richtte het departement van Binnenlandse Zaken op 22 oktober 1943 een oproep aan alle gemeenten om opgave te doen van de kosten die sinds mei 1940 waren gemaakt in verband met de onteigeningen en deportaties. Roermond liet weten fl. 239,15 (vergelijkbaar met een kleine e 2.000,=) te hebben uitgegeven aan ‘transportkosten van afgevoerde Joden’ (fl. 164,91) en de ontruiming van ‘door Joden bij hun afvoering achtergelaten woningen’ (fl. 74,24). Nadere specificaties waren eraan toegevoegd.
(25) De met gestolen Joods geld gevulde bank LiRo (Lippmann & Rosenthal) betaalde het gedeclareerde bedrag uit. Ook namen talrijke gemeenten actief deel aan het verwerven van geroofd onroerend goed. Opportunisme en pragmatisme lagen eraan ten grondslag. Of het daarbij ging om plannen voor stadsvernieuwing, stadssanering, wegenbouw of, zoals in het geval van Utrecht, om een kapitale villa voor de NSB-burgemeester: zo’n buitenkansje om zonder kostbare en tijdrovende onteigeningsprocedures woningen en grond te bemachtigen, lieten ze niet schieten. (26)
23
Circulaire Ministerie van Binnenlandse Zaken Onkosten van gemeenten terzake het op transport stellen van Joden Foto GAR
24
Declaratie gemeente Roermond inzake onkosten transport Joden Foto GAR
25
Oorlogskopers
Hypotheken en verkoopcijfers
Veruit het grootste deel van het geroofde en verkochte Joods onroerend goed ging naar particulieren die geworven werden via informele netwerken van lokale huizenhandelaren die namens het ANBO optraden en de markt goed kenden. Dat konden NSB’ers en andere meelopers zijn of, zoals in de grensgebieden met Duitsland regelmatig voorkwam, Rijksduitsers. Daarnaast waren er beleggers, koopjesjagers, profiteurs, starters op de huizenmarkt en kopers die te goeder trouw handelden omdat ze niets van de oorsprong wisten. Hun motieven kwamen in essentie overeen met die van de gemeenten: pragmatisme en opportunisme. Daar kwam bij dat zeker aanvankelijk sprake was van hoogconjunctuur en dat veel particulieren over aanzienlijke bedragen aan spaargeld beschikten. Investeren in onroerend gold ook in 1942/1943 als een veilige belegging. Veel twijfelachtiger was het veelgehoorde argument dat het onroerend goed beter in Nederlandse handen kon blijven en niet naar de bezetter ging. Zo bleef het bewaard voor de Nederlandse economie en dus was er een nationaal belang mee gediend. Een kronkelredenering want de opbrengst verdween in Duitse zakken. Rechtshistoricus Wouter Veraart merkt terecht op dat de onderliggende gedachte evenmin deugde omdat “het impliceert dat er iets redelijks zou kunnen schuilen in de ontrechting van andere Nederlanders.
Degenen die zo dachten -en lang niet iedereen dacht er zo over- hebben ervoor gezorgd dat de Nederlandse samenleving heel nauw betrokken is geraakt bij de ontrechting van de Joodse bevolkingsgroep”. Zelfs na de bevrijding werd dit argument nog naar voren gebracht. (27)
In eerste instantie verliep de verkoop van het geroofde Joods onroerend goed weliswaar traag maar voorspoedig, vooral in het westen van het land. Overal ontstonden criminele vastgoedcircuits waar veel zwart geld omging en witwaspraktijken aan de orde van de dag waren. Niet iedere belangstellende beschikte over voldoende reserves om onroerend goed aan te schaffen. Bij gebrek aan spaargeld sloten veel oorlogskopers leningen af bij een hypotheekbank om hun aankoop te financieren. Onder druk van de bezetter en de president van de Nederlandse Bank, de NSB’er Meinoud Rost van Tonningen, verstrekten deze banken tot begin 1943 voor zo’n 24 miljoen gulden (een slordige 200 miljoen euro) aan kredieten. (28) De goede verkoopcijfers werden niet gehaald in de rest van het land, zeker niet in Twente en Limburg, zo bleek tijdens een bijeenkomst op
Minister van Financiën N.S.B.-er Meinoud Marinus Rost van Tonningen Foto Beeldbank WO II - NIOD 35956
26
het kantoor van de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV) op 29 april 1942. Potentiële kopers zouden hun belangstelling verliezen omdat ze niet betrokken wensten te raken bij dit soort dubieuze transacties. Ook bij de hypotheekbanken was sprake van groeiende terughoudendheid met dien verstande dat ethische overwegingen geen rol speelden. Verstrekken van ‘foute’ leningen werd in die kringen als financieel risico beschouwd. (29) De afnemende animo om te kopen en hypotheken te verschaffen kan verder worden toegeschreven aan de kerende Duitse oorlogskansen. Na de verpletterende nederlaag bij Stalingrad rond de jaarwisseling van 1942/1943 begon menigeen te twijfelen aan een toekomst onder Duits bestuur. Die twijfels werden extra gevoed door de wetenschap dat de Nederlandse regering in ballingschap via Radio Oranje in juni 1942 had gewaarschuwd dat oorlogskopers het geroofde Joodse bezit “even gemakkelijk wordt afgenomen als zij het verworven hebben”. (30) Ondanks de ongunstige voortekenen was er geen sprake van stagnerende verkoop. Het aanbod bleef voor menigeen uiterst aantrekkelijk, temeer omdat de naam van de oorspronkelijke Joodse eigenaar doorgaans verhuld werd en de Nederlandse Hypotheekbank vanaf de oprichting in november 1943 de taak van de reguliere hypotheekbanken overnam. Ook nam de nieuwe bank alle uitstaande, als risicovol beschouwde hypotheken over.
De Nederlandse Bank stond garant voor het benodigde kapitaal. (31)
en wierven potentiële kopers en verkopers. Ze regelden het voortraject naar de notaris. Laatstgenoemde was een juridisch geschoolde overheidsambtenaar die wettelijk verplicht was rechtsgeldige en bindende afspraken te maken over de koop/verkoop die werden vastgelegd in een notariële akte. Daarmee leek de overeenkomst legaal. Ruim de helft van de 850 notarissen in Nederland maakte zich vanaf 1941 schuldig aan deze grootschalige formalisering van onrecht. Vanwege een gebrekkige beroepsethiek, die leunde op de heersende leer der lijdelijkheid (berusting door afwijzing van verantwoordelijkheid als gevolg van overmacht) en een krachtige pleitbezorger vond in de voorzitter van de Broederschap der Notarissen, Philip Libourel, verleenden honderden notarissen medewerking aan de vervreemding van Joods onroerend goed. (32) Om kopers niet af te schrikken, hielden de collaborerende notarissen de herkomst bij voorkeur geheim. Daarbij pasten ze vier verschillende constructies toe waarvan het dubbeltransport het meest voorkwam. Dat verliep als volgt: een makelaar die voor NGV, ANBO of Nobiscum werkte, verkocht een geroofd pand aan een tussenpersoon of stroman, die het pand meteen doorverkocht. Zo bleef de oorspronkelijke herkomst verborgen omdat de naam van de Joodse eigenaar niet in de tweede akte stond.
Zelfs al werden hiervoor verschillende notarissen ingeschakeld; ze wisten hoe dan ook van de hoed en de rand omdat ze op grond van hun beroep verplicht waren na te gaan wie de originele eigenaar was (rechercheplicht). Er bestonden trouwens meer administratieve foefjes om de naam van de oorspronkelijke eigenaar te verhullen. (33)