Bijlage 1: Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
3.1
Rijksbeleid
Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest relevante beleidsdocumenten. 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR). De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen.
Dit betekent een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
51/121
dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Hierdoor ontstaat het volgende beeld: het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem- verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
Beoordeling Voor dit project zijn de relevante nationale belangen: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De belangrijkste keuzes zijn: duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; ruimte voor overgang naar een circulaire economie; woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Voor het projectgebied waarbinnen de ontwikkeling zal plaatsvinden geldt dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn. Het rijksbeleid, zoals verwoord in de NOVI, is door provincie en gemeente verder uitgewerkt in provinciaal en lokaal beleid, zoals het POL en het kwaliteitskader van de gemeente. Er is sprake van een zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij onderhavige ruimtelijke ontwikkeling en er is sprake is van een ontwikkeling met het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Conclusie Met de (voorgenomen) ontwikkeling zijn geen nationale belangen uit de NOVI in het geding.
52/121
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Barro in werking getreden. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Onder een ruimtelijk plan wordt mede verstaan een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken (artikel 2.1.1 Omgevingsverordening Limburg 2014 - van toepassing tot het moment van inwerkingtreding Omgevingswet en Omgevingsverordening Limburg 2021). Zie tevens paragraaf 3.2.2. Radarverstoringsgebied
Figuur 3.1: radarverstoringsgebied Volkel Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen 15 nautische mijl (= 27,8 kilometer) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen daarom niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring. Het projectvoornemen is niet gesitueerd in het beperkingengebied behorende bij het radarstation Volkel voor
53/121
bouwwerken. Voor zover het projectvoornemen is gesitueerd in het beperkingengebied voor windturbines kan gesteld worden dat onderhavig projectvoornemen geen betrekking heeft op het oprichten van een windturbine. Zie figuur 3.1. Het Barro geeft verder voor de planlocatie geen nationale belangen aan. Conclusie Het Rijksbeleid richt zich op een dusdanig schaalniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor de voorgestane ontwikkeling. Het rijksbeleid staat de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2.16, lid 2 Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven dat indien een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden volgens de systematiek van de ladder voor duurzame verstedelijking (ladder). Aanvankelijk vond de verantwoording volgens de ladder plaats via een drie-stappen benadering. De ladder is echter per 1 juli 2017 gewijzigd. De huidige ladder bevat geen treden meer. De oorspronkelijke trede 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.
Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied dient nu de behoefte te worden beschreven (artikel 3.1.6, lid 2 Bro: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling"). Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet daarnaast worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden (=uitgebreide motiveringsplicht). In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. Zo kan het voorkomen dat een stedelijke ontwikkeling een ruimtelijk verzorgingsgebied heeft, dat de gemeentegrenzen niet overstijgt. Voor deze ontwikkeling is het schaalniveau van de gemeente, of wellicht zelfs het schaalniveau van de buurt, het ruimtelijk verzorgingsgebied waarbinnen de behoefte inzichtelijk moet worden gemaakt.
Soms hebben provincies in de ruimtelijke verordening aanvullende regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de behoefte kan/moet worden bepaald of stellen soms eisen aan de wijze waarop regionale afstemming moet worden vormgegeven. De Laddertoets moet dus worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt dan ook bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Daarbij wordt de afbakening van het begrip 'nieuwe stedelijk ontwikkeling' door de jurisprudentie vormgegeven.
54/121
Formele toepassing Toetsing aan de ladder is formeel vereist bij een beleidsmatige afweging indien dit is opgenomen in een provinciale verordening (artikel 4.1 Wro) of in een gemeentelijke beleidsregel ten aanzien van de toepassing van planologische besluiten. Materiële toepassing De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een ruimtelijk besluit dat valt binnen het formele toepassingsbereik van de ladder en voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1. lid 1 aanhef en onder i Bro. “stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen” Deze definitie is gelijk aan de definitie die in de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' voor het begrip stedelijke ontwikkeling wordt gehanteerd. Indien een ontwikkeling niet onder deze definitie valt, behoeft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet te worden toegepast. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet wel worden gevolgd wanneer planologisch “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt. Daarbij wordt de afbakening van het begrip 'nieuwe stedelijk ontwikkeling' door de jurisprudentie vormgegeven. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Indien er sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling Beoordeling De realisatie van de voorgestane ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien de bebouwing in beperkte mate toeneemt ten opzichte van de al vergunde 35 meter hoge (expositie)toren. Het extra ruimtebeslag zit met name in de hoogte door de verhoging en in zeer beperkte mate in het oppervlak (lengte/breedte van de toren). Gelet hierop en de jurisprudentie rondom het begrip stedelijke ontwikkeling kan dan ook gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet aangemerkt wordt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De voorgenomen planontwikkeling vormt daarom géén belemmering vanuit de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking c.q. de verplichting vanuit het Bro. Conclusie Het rijksbeleid staat de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semioverheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021.
55/121
De POVI is een strategische en lange termijnvisie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (beoogde inwerkingtreding per 01-07-2022). Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-)modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Omgevingswet zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma’s, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies.
Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Een programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt. Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma’s inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma’s. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma’s worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuur cyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd.
Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen. Voor de Provincie zijn vier programma’s verplicht: Actieplan geluid; Regionaal Waterprogramma; Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden; Programma’s bij dreigende overschrijding van omgevingswaarde (zwaveldioxiden of stikstof).
56/121
57/121
Figuur 3.2: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg In Midden-Limburg gaat het anno 2022 goed. Een groot deel van de inwoners is welvarend. Midden-Limburgers voelen zich thuis in de regio: het groene hart van Limburg met het smalste stukje van Nederland. De afgelopen decennia heeft de regio een enorme ontwikkeling doorgemaakt. De twee vitale centrumsteden Roermond en Weert hebben een belangrijke verzorgende functie voor de regio, waarbij beide steden hun eigen accenten hebben. Daarnaast kent de regio schitterende (grens- overschrijdende) natuurgebieden. Het landelijk gebied van Midden-Limburg heeft een verbindende functie en kent hoge landschaps- en cultuurhistorische waarden. Het is hier prettig wonen, werken, winkelen en recreëren in aantrekkelijke steden en de nabij gelegen vitale dorpen in het groen. Het Omgevingsbeleid voor Midden-Limburg richt zich op het koesteren en verder uitbouwen van de sterke punten uit de profielschets en tegelijkertijd op een strategie om de zwakke punten aan te pakken. De regio biedt een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken en te recreëren, voor zowel inwoners als toeristen. De regio trekt nieuwe inwoners aan, want het op peil houden van het inwoneraantal draagt bij aan het behoud en het verbeteren van een brede welvaart.
De belangrijkste uitdagingen en opgaven voor Midden-Limburg worden beschreven aan de hand van drie hoofdopgaven met daarbij de ambities die Midden-Limburg voor zichzelf ziet. De ambities zijn bedoeld als richtinggevende inspanningsverplichtingen. Aan de basis van de drie hoofdopgaven ligt de zorg voor veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit. Daarnaast staat het onderscheidend en verbindend vermogen van het landschap aan de basis van de hoofdopgaven. De drie hoofdopgaven zijn: Werken aan een duurzaam en klimaatbestendig Midden-Limburg; Werken aan een toekomstbestendige (circulaire) economie; Werken aan een gezonde en aantrekkelijke woon- en leefomgeving voor Midden-Limburg.
58/121
De urgentie en noodzaak om in te spelen op het veranderende klimaat is groot en neemt de komende jaren alleen maar toe. Klimaatverandering heeft nu al een grote impact op onze samenleving en die zal in de toekomst nog groter worden. Om hierop voorbereid te zijn, zijn flinke aanpassingen in de openbare ruimte nodig, zeker op het gebied van waterbeheer. Bij het werken aan een duurzaam en klimaatbestendig Midden-Limburg zal in ieder geval aandacht moeten worden besteed aan de volgende zaken: duurzame energie, water, natuur, landschap en landbouw. Dit betekent onder meer: Transformatie van het huidige energiesysteem, waarbij aangesloten wordt bij gebiedsurgenties waardoor tegelijkertijd de lokale én regionale economie versterkt wordt, alsook de kwaliteit van de leefomgeving en het landschap. Meerwaarde te genereren door overgangszones bij en verbindingszones tussen (kwetsbare) natuurgebieden te realiseren door het realiseren van (grensoverschrijdende) overgangszones bij en verbindingszones tussen (kwetsbare) natuurgebieden naast de inzet op een kwaliteitsimpuls in de bestaande natuur. Ondersteunen van de regio om te komen tot een klimaatbestendig landschap, door verbinding te leggen tussen de klimaatadaptatie opgave, de verbetering van landschappelijke waarden en het creëren van kansen voor de recreatieve sector.
Bevordering van de kwalitatieve groei van toerisme boven kwantitatieve groei, waarbij de groei in goede balans blijft met andere belangen zoals landschap en natuur. Op het gebied van toerisme en recreatie ondersteunen we de triple helix-aanpak - de samenwerking tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid; Het creëren van een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Niet alleen nu, maar ook in de toekomst, waarbij iedereen in de regio dezelfde mogelijkheden heeft om gezond te zijn of te worden. Dat betekent dat de leefomgeving voldoende en gevarieerde mogelijkheden biedt voor sporten, ontmoeten, bewegen en spelen. Zoals de mogelijkheid om op een prettige manier ergens lopend of fietsend heen te gaan en te verblijven. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling past binnen de algemeen geformuleerde beleidsdoelstellingen/ aandachtspunten volgens de omgevingsvisie van de provincie. Het provinciaal beleid staat de uitvoering van de (voorgestane) ontwikkeling niet in de weg. 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter is uitgesteld tot 1 januari 2024 wordt daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden.
In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de Omgevingsverordening Limburg 2014, omdat deze nog werking heeft zolang de Omgevingswet niet in werking is getreden. daarna vindt de beoordeling plaats alsmede de getrokken conclusie.
59/121
3.2.2.1 Omgevingsverordening Limburg 2014 Deze verordening heeft nog rechtskracht Omgevingsverordening Limburg (2021).
tot
het
moment
van
de
inwerkingtreding
van
de
De provinciale Omgevingsververordening Limburg 2014 bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt ingegaan op een relevant van toepassing zijnde thema uit de Omgevingsverordening, te weten (artikel 4.6 - Stiltegebieden). Volgens de verordening is het verboden in het stiltegebied enkele activiteiten te verrichten die vanwege het aspect geluid/lawaai verstorend kunnen zijn ten aanzien van de boogde stilte in het gebied. Het betreft dan met name geluid van motorvoertuigen en bromfietsen en lawaaiige apparaten onder de daarbij vermelde situaties met benoemde uitzonderingen. Ontheffing van het verbod is onder bepaalde voorwaarden mogelijk door Gedeputeerde Staten. In de stiltegebieden wordt een gemiddeld geluidsniveau van maximaal 40 decibel nagestreefd. Dit geluidniveau is te vergelijken met het geluid van vogels bij zonsopkomst. Het is niet de bedoeling mensen uit de stiltegebieden te weren. Ze moeten er juist kunnen genieten van de rust. Rustig recreëren, wandelen en fietsen zijn toegestaan. Dit zijn activiteiten waarbij de natuurlijke geluidsniveaus in een stiltegebied niet verstoord worden. In stiltegebieden zijn geen activiteiten toegestaan die (veel) lawaai met zich meebrengen. Er lopen wel wegen en paden door de stiltegebieden.
Gemotoriseerd verkeer is alleen toegestaan op de daarvoor openstaande wegen. Volgens de Omgevingsverordening Limburg 2014 is de planlocatie gesitueerd in het landelijk gebied (zonering 'buitengebied'), de zonering 'Stiltegebied', en wordt omringd door de 'goudgroene natuurzone' omringd door de goudgroene natuurzone. Deze goudgroene natuurzone betreft het Limburgse deel van het nationale natuurnetwerk en omvat de belangrijkste bos- en natuurgebieden, waaronder de Natura 2000-gebieden, inclusief de reeds gerealiseerde areaaluitbreidingen natuur), én de nog te realiseren areaaluitbreidingen natuur. De buitenbegrenzing van de goudgroene natuurzone is vrij nauwkeurig begrensd, maar omvat ook op bestemmingsplanniveau ook andere functies. en de zonering 'Stiltegebied', en wordt omringd door de 'goudgroene natuurzone'. Zie kaartbeeld 2 , 4 en 8 hieronder.
60/121
In de omgevingsverordening is ten aanzien van een aantrekkelijke woon- en leefomgeving rust en stilte een belangrijke waarde, in woonomgevingen en natuurgebieden, zeker ook vanuit toeristisch oogpunt. Limburg kiest ervoor om een aantal, van oudsher stille gebieden ook stil te laten blijven (met een geluidsniveau van 40 dB(A) of lager). In deze stiltegebieden geldt een aantal beperkingen, geregeld in de Omgevingsverordening. Deze gebieden zijn herkenbaar (gemarkeerd) en dragen bij aan de bewustwording van milieu en natuur. De (voorgenomen) ontwikkeling voldoet hieraan. De planlocatie is bovendien niet gesitueerd in een uitsluitingsgebied voor windturbines. Zie kaartbeeld 5 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 hieronder.
61/121
3.2.2.2 Omgevingsverordening Limburg (2021) Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI. Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter is uitgesteld tot 1 januari 2023 wordt daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden. In de Omgevingsverordening Limburg (2021) staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening.
De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Onder de Omgevingswet zijn in de meeste gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning. In sommige gevallen is in artikel 4.6 van het Omgevingsbesluit bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen. Dat is onder meer het geval als het gaat om een aanvraag voor een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden (artikel 4.6, eerste lid, onder f, Omgevingsbesluit). In de Omgevingsverordening Limburg 2021 is op verschillende plaatsen een vergunningplicht opgenomen, namelijk voor bepaalde activiteiten: in het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg; in waterwingebieden; grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones;
62/121
in, op, onder of boven een gesloten stortplaats; in stiltegebieden; in het Nationaal landschap Zuid-Limburg. Gedeputeerde Staten zijn dus het bevoegde gezag voor deze vergunningaanvragen. Dat geldt in ieder geval als de aanvraag alleen betrekking heeft op zo’n activiteit (enkelvoudige aanvraag). Het is echter mogelijk dat de aanvraag ook nog andere activiteiten betreft en waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd zijn (meervoudige aanvraag). Bijvoorbeeld omdat er sprake is van strijd met het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit) en dat burgemeester en wethouders voor die activiteit het bevoegd gezag zijn. Artikel 4.6 van het Omgevingsbesluit regelt dan wie bevoegd is op de aanvraag voor al die activiteiten te beslissen. Regel is dat burgemeester en wethouders dan bevoegd zijn, tenzij een van de activiteiten in het Omgevingsbesluit is aangewezen als ‘magneetactiviteit’. Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de magneetactiviteit wordt automatisch bevoegd voor de andere aangevraagde activiteiten. De activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden, is echter niet aangewezen als magneetactiviteit. Dat betekent dat het bijvoorbeeld kan voorkomen dat burgemeester en wethouders beslissen op een vraag die onder meer betrekking heeft op een activiteit in een grondwaterbeschermingsgebied.
Gedeputeerde Staten zijn dan wel adviseur en de omgevingsvergunning behoeft ook instemming van Gedeputeerde Staten (artikel 4.25, eerste lid, onder f, en derde lid Omgevingsbesluit). Instructie regels gemeenten In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor ‘bestemmingsplannen’ golden, maar breder voor ‘ruimtelijke plannen’. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings- of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan. Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldende instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en 8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de Omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevings- verordening. De overige ‘ruimtelijke besluiten’ die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen. Op de planlocatie is uitsluitend kaart 1 (algemeen) en kaart 6 (stlitegebied) van toepassing. Zie de afbeeldingen
63/121
van kaarten 1, 3, 6 7, 8 en 11 van de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg hieronder.
64/121
65/121
Stiltegebied (zie kaart 6 hierboven) Op grond van artikel 2.18 eerste lid, onder b, van de Omgevingswet berust bij het provinciebestuur de taak om geluid in stiltegebieden te voorkomen of te beperken. Aan deze provinciale taak is in artikel 7.11, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting gekoppeld om in de omgevingsverordening regels op te nemen over het voorkomen of beperken van geluidbelasting in bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 waren alleen rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in stiltegebieden opgenomen. Deze regels zijn nu opgenomen in afdeling 6.3. Een verschil is dat de regels voor stiltegebieden in Omgevingsverordening Limburg 2014 alleen betrekking hadden op activiteiten buiten inrichtingen, hetgeen samenhangt met de wettelijke grondslag destijds (artikel 1.2, tweede lid, Wet
66/121
milieubeheer). Door het vervallen van het begrip ‘inrichting’ onder de Omgevingswet is ook het onderscheid binnen/buiten inrichtingen vervallen. Een ander verschil is dat de Omgevingsverordening Limburg 2014 bepaalde dat Gedeputeerde Staten van sommige verbodsbepalingen ontheffing konden verlenen. In de systematiek van de Omgevingswet is die ontheffing een omgevingsvergunning geworden. Nieuw is dat in de Omgevingsverordening Limburg 2021 naast regels voor activiteiten ook instructieregels zijn opgenomen over fysieke doelstellingen in gemeentelijke omgevingsplannen, die daarmee bijdragen aan het beschermen van de stilte in die gebieden en de ambities in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. De instructieregels in artikel 6.3 richten zich tot het bevoegd gezag (gemeenten) om bij het maken vaneen omgevingsplan de aanwezigheid en de bescherming van in artikel 6.2 vermelde kernkwaliteiten in acht te nemen. Deze kernkwaliteiten kennen een relatie tot de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Het stille karakter van de gebieden heeft een positief effect op het welzijn en gezondheid van bezoekers, hetgeen een van de bredere doelstellingen is in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Het draagt ook bij aan de belevingswaarde van landschap en natuur. Beoordeling Sinds 1984 is de hoofdvestiging van de Vedische Universiteit gevestigd op het MERU-complex te Vlodrop.
Vanuit de Vedische Universiteit worden wereldwijd projecten ontwikkeld, georganiseerd, gecoördineerd en geleid op het gebied van bewustzijnsontwikkeling, vrede, onderwijs, natuurlijke gezondheid, biologische landbouw, armoedebestrijding en architectuur. Ondersteunend voor deze activiteiten vinden daartoe op de planlocatie cursussen, meditatie en wonen plaats passend binnen de ter plaatse van toepassing zijnde maatschappelijke bestemming en de daaraan verbonden gebruiksfuncties. Op het terrein buiten de gebouwen vinden behalve wandelactiviteiten, kleinschalige groenteteelt geen andere activiteiten plaats. Het bestemmingsverkeer naar het MERU-complex met de (expositie)toren maakt gebruik van een bestaande openbare (tot aan de eigendomsgrens) weg en er wordt geparkeerd op eigen terrein. Op het terrein zelf wordt onder meer gebruik gemaakt van elektrische (golf)wagens. Conclusie De provinciale regelgeving in de Omgevingsverordening Limburg 2014 en, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet; de Omgevingsverordening Limburg staat de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling met de daarbij behorende activiteiten en omgevingseffecten binnen een stiltegebied niet in de weg, gelet op de bij een stiltegebied verbonden regelgeving en beleidsdoelstellingen.
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Roerdalen 2050 Op 8 juli 2021 is ter vervanging van de structuurvisie Roerdalen 2030 de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 ('Verbinden Roerdalen') vastgesteld. In de Omgevingsvisie wordt inzicht gegeven in de voorgestane ruimtelijke en functionele ontwikkeling binnen de gemeente (zie figuur 3.3). Hierbij is ten doel gesteld de gemeente op de lange termijn aantrekkelijk, karakteristiek en levendig te houden.
67/121
Figuur 3.3: Omgevingsvisie Roerdalen 2050 Met de 'Omgevingsvisie Roerdalen 2050' wordt ‘een stip op de horizon’ gezet voor wat de ambities. Hoe wil de
68/121
gemeente dat de samenleving er over dertig jaar uitziet? Belangrijk bij het bepalen van deze stip en de daarbij horende koers zijn de opgaves, maatschappelijke trends en ontwikkelingen. De belangrijke trends en ontwikkelingen die invloed hebben op de gemeente Roerdalen bestaan onder meer in: Individualisering Inclusiviteit Demografie, vergrijzing en ontgroening Gezondheid Zelfstandig wonen (met zorg) Veranderend consumentengedrag Klimaatadaptatie Verduurzamingsopgave Gebruik van grondstoffen Hoe omgegaan wordt met ontwikkelingen en opgaves die op de gemeente en haar inwoners afkomen en welke prioriteiten daarbij worden gesteld, is uitgewerkt op basis van zeven leidende thema’s, te weten: 1. Samen Roerdalen 2. Wonen in Roerdalen 3. Landelijk en natuurlijk Roerdalen 4. Recreatief Roerdalen 5. Ondernemend Roerdalen 6. Duurzaam Roerdalen 7. Gezond en veilig Roerdalen Deze thema’s vormen de basis voor toekomstig omgevingsbeleid. Een recreatieve gemeente De aantrekkingskracht van het afwisselende landschap en de aanwezige natuur en cultuurhistorie maakt dat het in Roerdalen prettig recreëren is. Zoals te zien op de themakaart 'Toeristisch Roerdalen' uit de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 (zie figuur 3.4). Dit geldt zowel voor de inwoners als voor toeristen die de gemeente of de regio bezoeken.
Enerzijds gaat het hierbij om recreatief gebruik van het landschap en de daarbinnen gelegen routenetwerken, door inwoners uit de gemeente en de directe regio. Anderzijds heeft het landschap ook een aantrekkingskracht op bezoekers vanuit een meer toeristisch perspectief. Toerisme vormt dan ook een belangrijke economische pijler voor Roerdalen. Kijkend naar het aanbod van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen dan ligt de focus op een kwalitatief goed en onderscheidend aanbod. Er is veel concurrentie, dus innoveren is en blijft belangrijk, net als het vinden de komende decennia van een goede balans tussen beleving van natuur en landschap en het behoud hiervan. Recreatief-toeristische ontwikkelingen zijn mogelijk, indien deze geen of beperkte negatieve invloed hebben op de natuur- en landschapswaarden. Roerdalen zet in op een verdere versterking en ontwikkeling van het toeristisch-recreatief aanbod om hiermee een impuls te kunnen geven aan de plaatselijke economie. Goed passende recreatief-toeristische voorzieningen zijn belangrijk voor de gemeente. De gemeente wil deze behouden en waar mogelijk meewerken aan verdere ontwikkeling ervan. Ook vormen van toerisme, gericht op specifieke doelgroepen, passen in Roerdalen. Zoals educatie en bezinningstoerisme zoals beoogd op het MERU-campus terrein.
Het is een vorm van toerisme dat niet seizoensgebonden is, dat zich ook prima leent voor
69/121
een dag midden in de week ook in een toeristisch laagseizoen en waar behoefte aan is. Gestreefd wordt naar een recreatief aanbod dat aansluit bij de gasten die de gemeente bezoeken. Kwaliteit van het aanbod staat hierbij centraal en gaat altijd voor kwantiteit. Van een ongebreidelde groei mag geen sprake zijn. Daarnaast dient de toestroom van bezoekers, in combinatie met eigen inwoners, te worden bewaakt. Er mag geen onevenredige druk op het buitengebied en de natuur ontstaan.
Figuur 3.4: themakaart 'Toeristisch Roerdalen' uit de Omgevingsvisie Roerdalen 2050 Specifiek voor bestaande toeristisch-recreatieve bedrijven én nieuwe initiatieven in en rondom de Meinweg is de gebiedsvisie ’Belevingspark de Meinweg’’ (voorheen ’Gouden Driehoek’), opgesteld. Ondernemers, instanties en de gemeente werken samen om de ontwikkeling van concrete initiatieven bewerkstelligen en zo recreatie, toerisme, natuurontwikkeling én beleving te versterken. Deze gebiedsvisie wordt de komende periode nader uitwerkt.
70/121
In de 'Omgevingsvise Roerdalen 2050' wordt verwezen naar deze gebiedsvisie op pagina 39 (onder educatie en bezinningstoerisme) alsmede op pagina 53 onder het hoofdstuk 'Kansen voor toerisme en recreatie'. In deze gebiedsvisie "Belevingspark De Meinweg' wordt expliciet ingegaan op de Maharishi Expositie toren op pagina 11, als onderdeel van een unieke route van uitkijktorens en plateau's in het Meinweg gebied. Zie hieronder figuur 3.5 met tekst uit de gebiedsvisie 'Belevingspark De Meinweg' - juli 2020. "De MERU (Maharishi European Research University) bouwt op haar terrein in Vlodrop een toren van 12 verdiepingen waarin bezoekers de verschillende facetten van ons bestaan kunnen ervaren. Met deze expositietoren toont de MERU ambitie in haar streven naar een meer open karakter om bezoekers en de leefgemeenschappen in de omgeving deelgenoot te maken van hun filosofie. Dit is ten opzichte van de huidige situatie een verandering. Het terrein is nu nog betrekkelijk besloten en alleen toegankelijk voor werknemers en wetenschappers."
Figuur 3.5: afbeelding met tekst uit de gebiedsvisie 'Belevingspark De Meinweg' - juli 2020 Beoordeling De planontwikkeling maakt onderdeel uit van de feitelijke realisatie en totale voltooiing van het gehele MERU-campusterrein. Deze integrale ontwikkeling op het MERU-terrein is beoordeeld als passend in het strategische beleid van de gemeente ten aanzien van versterking van het toeristisch perspectief. De potentie van het Belevingspark de Meinweg wordt hiermee mede benut. De te realiseren (expositie)toren kan binnen de gemeente bijkomend fungeren als voorziening binnen het "all wheater toerisme". Daarnaast wordt ruimte geboden voor behoud en verdere ontwikkeling van educatie en bezinningstoerisme. De expositieruimten in de te realiseren MERU-toren geven een passende invulling aan deze thema's en door de realisatie van een (expositie)toren wordt tevens behoud en beleving van natuurwaarden in voldoende mate geborgd. Bovendien worden nadere afspraken gemaakt tussen MERU en de gemeente omtrent de verdere ontwikkeling van het MERU-Campusterrein en het daarbij behorende 'bospark' qua vormgeving en tijd alsmede de wijze waarop dit verder kan worden geborgd. De gesprekken hierover vinden plaats. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling op de planlocatie sluit aan op de doelstellingen zoals geformuleerd in de Structuurvisie Roerdalen 2030.
Kwaliteitskader Roerdalen De gemeente Roerdalen heeft een gemeentelijk kwaliteitskader dat opgenomen is in de gemeentelijke Omgevingsvisie Roerdalen 2050 (nader uitgewerkt in bijlage 2 van de visie), waardoor het beleid afgestemd is op de specifieke situatie voor Roerdalen. Het Kwaliteitskader Roerdalen is de vervanger/opvolger van het Limburgs
71/121
Kwaliteitsmenu/Gemeentelijk Kwaliteitsmenu en afgestemd op de specifieke situatie voor Roerdalen. Het kwaliteitskader is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectafwijking, wijziging, herziening van, of rechtstreeks door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt nadat er een positieve grondhouding ten aanzien van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is aangenomen. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het veelal nieuwe functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving. Grondprincipe van het kwaliteitskader is, dat bepaalde ontwikkelingen leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit en dientengevolge dienen te worden gecompenseerd door een kwaliteit verbeteringen maatregel en/of financiële bijdrage afhankelijk van de inbreuk op het landschap. De compensatie wordt ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken. Afhankelijk van de inbreuk op het landschap wordt er een aanvullende kwaliteitsverbetering gerealiseerd die weer gebaseerd is op de verschillende modules en de bijbehorende financiële kwaliteitsbijdragen. Ambitie is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt.
Wanneer het kwaliteitsverlies door de ontwikkeling elders wordt gecompenseerd dan gebeurt dit door eerst de waarde van het kwaliteitsverlies uit te drukken in de vorm van een kwaliteitsbijdrage. Met de kwaliteitsbijdrage worden vervolgens de kwaliteitsverbeterende maatregelen elders uitgevoerd. Dit kan zowel rechtstreeks door de initiatiefnemer, als indirect via storting in een kwaliteitsfonds van de gemeente. Stappenplan toepassing Kwaliteitskader Roerdalen Op hoofdlijnen werkt het kwaliteitskader als volgt: 1. Beoordelen ruimtelijke wenselijkheid initiatief; 2. Ruimtelijke en landschappelijke inpassing; 3. Bepalen hoogte van de tegenprestatie; 4. Bepalen wijze van tegenprestatie; 5. Fondsafdracht indien (volledige) fysieke compensatie niet mogelijk is. Indien een ontwikkeling niet passend is in het bestemmingsplan (later omgevingsplan) wordt op basis van de omgevingsvisie (en ander beleid) en de omvang van de plannen bepaald of een ontwikkeling wenselijk is. Nadat deze ruimtelijke-functionele afweging heeft plaatsgevonden is het vervolgens per gebiedstype verschillend of een ontwikkeling wel, niet of in een bepaalde maat en schaal is toegestaan. Want ook ruimtelijk-kwalitatieve voorwaarden kunnen ertoe leiden dat aan bepaalde functies geen ruimte geboden kan worden omdat ze qua schaal en maat niet passen in het landschap.
Zonder de kwaliteit verbeterende maatregelen en/of (financiële) bijdragen zal de ruimtelijke afweging niet positief uitvallen en werkt de gemeente niet mee aan de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Per ontwikkeling is aangegeven of de grondhouding ten opzichte van de verschillende ontwikkelingsmogelijkheden (ingedeeld in zogenaamde ‘modules’) voor de betreffende categorie positief (groen), negatief (rood) of ertussenin (oranje) is. Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe de potentiële ontwikkeling faciliteert. In alle gevallen zijn er voorwaarden verbonden aan de ontwikkeling. Bij een negatieve grondhouding is de potentiële ontwikkeling niet gewenst en zal de gemeente hieraan geen medewerking verlenen.
72/121
Bij de toepassing van alle modules geldt dat er altijd sprake is van ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het initiatief, evenals zorgen voor de opvang van hemelwater. Vervolgens wordt op basis van de aard en omvang van de ontwikkeling bepaald welke module van toepassing is en welke tegenprestatie daar tegenover staat. Ruimtelijke- en landschappelijke inpassing van de ontwikkeling is dus altijd van toepassing, evenals zorgen voor de opvang van hemelwater. De aanvullende kwaliteitseisen worden op basis van tabel 2 eerst berekend/ gekwantificeerd. Beoordeling Voor onderhavig project is geen sprake van een nieuwe functie en nieuw ruimtebeslag. Het betreft een gewijzigde situering van een al vergunde MERU-(expositie)toren die functioneel passend is in het geldende bestemmingsplan. Het oppervlak van het gebouw wordt iets vergroot ten opzichte van de vergunde situatie (op een hoogte hoger dan 30 meter) maar is passend binnen het bestemmingsplan. Het grondoppervlak (footprint) van het gebouw past binnen tevens de bouwbepalingen van het geldende bestemmingsplan. Dientengevolge is het Kwaliteitskader Roerdalen niet van toepassing op de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Voor de (voorgenomen) ontwikkeling is het Kwaliteitskader Roerdalen niet van toepassing.
Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) In het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) 2016-2021 wordt richting gegeven aan het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid, inclusief een concreet uitvoeringsprogramma. Het GVVP fungeert op de eerste plaats als een toetsingskader voor toekomstige reconstructie- en nieuwbouwplannen, anderzijds bevat het een uitvoeringsprogramma met concrete maatregelen, prioritering en kostenraming. Het Verkeer- en Vervoersplan biedt de kaders voor nieuwe ontwikkelingen (onder meer door toepassing van een parkeernormering om ongewenst parkeergedrag en een ongewenste parkeerdruk in een omgeving/gebied tegen te gaan ter waarborging van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving). Beoordeling Het terrein en daarmee ook de beoogde MERU-toren wordt ontsloten door een semi-verharde weg die aansluit op het Station, vanwaar uit de provinciale weg (Herkenbosserweg N570) te bereiken is. Parkeren geschiedt op eigen terrein, waarvoor voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. In paragraaf 4.5
73/121
wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling beantwoordt aan het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid. Gemeentelijk rioleringsplan Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Roerdalen 2022-2026, vastgesteld op 25 januari 2022 door de gemeenteraad, is van toepassing. In het GRP zijn voorwaarden voor het afkoppelen en infiltreren van hemelwater opgenomen. Bij het afwegen of ontwikkelingen die in het bestemmingsplan via een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid toegestaan kunnen worden wordt in het kader van de milieuhygiënische inpasbaarheid getoetst of aan de voorwaarden voldaan wordt. Op het aspect afkoppelen en infiltreren van hemelwater wordt in paragraaf 4.11 nader ingegaan. Conclusie De (voorgenomen) ontwikkeling, met de daarbij behorende uitvoering (zie verder paragraaf 4.11), voldoet aan de doelstellingen zoals benoemd in het gemeentelijk rioleringsplan.
3.4
Welstandsnota Roerdalen
De architectonische verschijning wordt gewaarborgd door middel van een welstandsnota. Met ingang van 1 juli 2004 is het voor elke gemeente in Nederland verplicht een (vastgestelde) welstandsnota te hebben. Is dit niet het geval, dan is de gemeente niet meer bevoegd een bouwplan op welstand te toetsen. Op 17 december 2015 is de 'Welstandsnota Roerdalen 2016' door de gemeente Roerdalen vastgesteld en in werking getreden. In de vergadering heeft de gemeenteraad besloten de gebieden met welstandniveau 2, 3 en 4 voor een periode van 2 jaar welstandsvrij te verklaren. Dit betekent dat uitsluitend de wettelijk verplichte monumenten en de plannen binnen een 'niveau 1 gebied' aan de omgevingscommissie ter beoordeling worden voorgelegd. Uit een evaluatie is gebleken dat dit een permanent karakter kan krijgen. Deze insteek wordt daarom in de 'Welstandnota Roerdalen 2018' geformaliseerd. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling valt binnen welstandniveau 3 (doorsnee welstandsgebied, bestaande beleving behouden) volgens de 'Welstandsnota Roerdalen 2016' en het welstandsvrije gebied volgens de 'Welstandsnota Roerdalen 2018'. Dit betekent dat de locatie welstandsvrij is verklaard. Wel is de excessenregeling van kracht in het kader van repressief welstandsbeleid.
Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk, dat "in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand", kan aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken op grond van artikel 13a van de Woningwet. Het moet dan gaan om een buitensporige situatie (exces) in het aanzien van een bouwwerk, waarbij het ook voor niet-deskundigen overduidelijk is dat een (deel van een) bouwwerk op zichzelf, maar ook in relatie tot de omgeving, ernstig in strijd is met redelijke eisen van welstand en afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. In het kader van de vergunningverlening van de oorspronkelijke (expositie)toren op het MERU-complex (35 meter exclusief ornament - juli 2014) heeft welstandstoetsing plaatsgevonden. Door de welstandscommissie is
74/121
toen geoordeeld dat de bebouwing voldoet aan redelijke eisen van welstand. De realisatie van de nieuwe (expositie)toren wijkt qua hoogte en het maximaal oppervlak boven 30 meter bouwhoogte af van de reeds vergunde bebouwing. Het uiterlijk van de toren blijft ongewijzigd. De verhoging van de bouwhoogte is het gevolg van het aanbrengen van enkele extra bouwlagen met de dezelfde opbouwstructuur, detaillering en verschijningsvorm van de etages in de vergunde situatie. Hierdoor blijft het uiterlijk van de bebouwing ongewijzigd (zie eerder figuur 2.23) en kan geconcludeerd worden dat de bebouwing in gelijke mate zal voldoen aan redelijke eisen van welstand indien er sprake zou zijn van een welstandtoetsing. Tevens kan er geen sprake zijn van een zogenaamd exces volgens de excessenregeling gezien de eerdere positieve welstandsbeoordeling op de minder hoge vergunde toren. Conclusie Met de (voorgenomen) ontwikkeling kan voldaan worden de gewenste beeldkwaliteit voor de bebouwde en onbebouwde omgeving binnen de gemeente Roerdalen.
75/121
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Bij elke ruimtelijke ingreep is het noodzakelijk om in beeld te brengen wat de invloed van deze ruimtelijke ingreep is op de omgeving. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Voor zover in dit hoofdstuk gesproken wordt over "ontwikkeling" wordt bedoeld de realisatie van de MERU-toren op de planlocatie als beschreven in paragraaf 1.1, respectievelijk paragraaf 1.2.
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
4.1.1
Archeologie
Regelgeving en beleid Algemeen Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Monumentenwet 1988 In de Monumentenwet 1988 wordt voorgeschreven dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, moet voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Gemeentelijk archeologiebeleid Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied.
Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeente breed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. De gemeente Roerdalen heeft een archeologische beleidskaart opgesteld voor het totale grondgebied. Het archeologisch beleid zoals geregeld in de Archeologieverordening 2011 van de gemeente Roerdalen (vastgesteld op 10 november 2011) is gekoppeld aan de archeologische verwachtingskaart. In deze verordening is opgenomen dat er een instandhoudingsbepaling/ onderzoekplicht is opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachting, zoals weergegeven op de archeologische
76/121
verwachtingswaardenkaart, wanneer de bodem verstoord wordt door werkzaamheden. Door middel van een tabel is aangegeven welke 'ondergrenzen' gelden (beiden dienen aan de orde te zijn).
Figuur 4.1: archeologische verwachtingenkaart - gemeente Roerdalen - locatie MERU en omgeving Beoordeling Op de planlocatie is geen dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' van toepassing (zie figuur 4.2). De planlocatie is gesitueerd in een gebied met een lage verwachtingswaarde (zie figuur 4.1).
Figuur 4.2: planologische regeling op planlocatie - geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' Conclusie Vanuit archeologisch perspectief zijn er géén belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalvondsten. Mochten tijdens
77/121
eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de gemeente. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden. 4.1.2
Cultuurhistorie
Regelgeving en beleid De relatie tussen cultuurhistorische waarden – ook wel aangeduid als cultureel erfgoed – en de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), die op 1 januari 2012 in werking zijn getreden. De Wro spreekt van een samenhangende afweging van alle belangen – inclusief cultuurhistorie. In het Bro is de opdracht aan overheden verwoord om “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten”. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging bij planontwikkelingen. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Er wordt dus van de gemeenten expliciet gevraagd verantwoording af te leggen over de manier waarop met de cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Cultuurhistorische elementen en structuren zijn belangrijke aspecten van stad en landschap. Ze dragen bij aan de herkenbaarheid, ze vormen oriëntatiepunten en ze zorgen ervoor dat bewoners en bezoekers zich met een stad, dorp of streek kunnen identificeren. Beoordeling Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie (CHW) ligt de planlocatie niet in een gebied of aan een lijnstructuur met cultuurhistorische waarde.
In het gebied zijn wel enkele objecten met cultuurhistorische waarde volgens de waardenkaart aanwezig. Het betreft het voormalige College St. Ludwig. Dit object had een monumentstatus (rijksmonument) maar is inmiddels gesloopt, zodat er geen sprake meer is van een cultuurhistorisch waardevol aanwezig object. Het terrein behorende bij het voormalige College St. Ludwig bevat verder nog één gemeentelijk monument, te weten het oude bijenhuisje. Dit bijenhuisje (circa 1910) dient op het MERU-terrein nog een definitieve plek te krijgen. Buiten het terrein van MERU, in het bosgebied, is nog de begraafplaatskapel (rijksmonument) behorende bij het voormalige College St. Ludwig gesitueerd. Zie figuur 4.3.
78/121
Figuur 4.3: cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg (CHW) Binnen de directe invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling zijn verder geen andere rijks- dan wel gemeentelijke monumenten gesitueerd, waarmee rekening gehouden zou moeten worden. Conclusie Vanuit cultuurhistorisch perspectief zijn er géén belemmeringen ten aanzien van de (voorgenomen) ontwikkeling.
4.2
Bodem
Regelgeving en beleid Algemeen De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie. Besluit ruimtelijke ordening Volgens artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn gemeenten verplicht om in een ruimtelijke onderbouwing een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde gebruiksvormen (functie). Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen,
79/121
die ruimtelijk mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden (d.w.z. onderzoek naar de bodemgesteldheid). Wet bodembescherming In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Woningwet (omgevingsvergunning bouwen) Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen dient in veel gevallen een rapport van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek bijgevoegd te worden. De gemeente zal in het kader van de Woningwet toetsen of er na de bouw geen risico's ontstaan voor de gebruikers van het object door eventueel aanwezige verontreiniging (zgn. geschiktheidsverklaring voor activiteit bouwen volgens woningwet/bouwverordening/bouwbesluit). Het onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens NEN 5740, voorafgegaan door een vooronderzoek volgens NVN 5725. Bij een bodemonderzoek kunnen vier onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek, verkennend onderzoek, nader onderzoek en saneringsonderzoek Een bodemonderzoek is niet verplicht in de volgende situaties: Er wordt geen grond ontgraven, verplaatst of afgevoerd. De bestaande vloeren blijft (grotendeels) intact. Er worden geen activiteiten verricht waarbij grond vrijkomt.
Er zijn geen ondergrondse tanks aanwezig op de locatie. Er zijn geen bodemverontreinigingen bekend. De plicht tot het indienen van een bodem onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt bovendien niet volgens de Bouwverordening van de gemeente Roerdalen indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Beoordeling Binnen het projectgebied vindt een activiteit plaats op grond waarvan volgens wet- en regelgeving een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. In het kader van de vergunningverlening voor de (expositie)toren van 35 meter in juli 2014 heeft onderzoek naar de bodem plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek gaven geen aanleiding om te veronderstellen dat de bodem ter plaatse zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van de gronden c.q. de daarop opgerichte bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling, behelst de realisatie van de MERU-toren van 54 meter op een locatie westelijker gesitueerd ten opzichte van de locatie van de vergunde toren. Op deze locatie is in opdracht van MERU een recent (november 2022) verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is integraal als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.