CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Ruimtelijke onderbouwing

Raadsadviescommissie 29 augustus 2023, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen expositiegebouw, Station 24 in Vlodrop24.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

MERU-toren Roerdalen

DATUM IMRO IDN

2023-05-03 NL.IMRO.1669.OVVDP2022STATION24-OW01

PROJECT PROJECTLEIDER

RUON - omgevingsvergunning Rho adviseurs

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

MERU 20170697

AUTEUR STATUS

Rho adviseurs definitief

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging planlocatie

13

1.3

Vigerend bestemmingsplan

14

1.4

Juridische regeling

16

1.5

Leeswijzer

16

Projectbeschrijving

17

2.1

Bestaande en beoogde situatie

17

2.2

Ruimtelijke inpasbaarheid

36

Hoofdstuk 3

Beleidskader

51

3.1

Rijksbeleid

51

3.2

Provinciaal beleid

55

3.3

Gemeentelijk beleid

67

3.4

Welstandsnota Roerdalen

74

Omgevingsaspecten

76

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

76

4.2

Bodem

79

4.3

Natuur en ecologie

81

4.4

Externe veiligheid

90

4.5

Verkeer en parkeren

92

4.6

Luchtkwaliteit

95

4.7

Milieuzonering

98

4.8

Geur

100

4.9

Geluid

100

4.10

Kabels en leidingen

102

4.11

Waterhuishouding

103

4.12

Windhinder

108

4.13

Beoordeling m.e.r.

110

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

116

Economische uitvoerbaarheid

116

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

5.1

3/121

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

117

Hoofdstuk 6

Juridische regeling

119

6.1

Omgevingsvergunning

119

4/121

Ruimtelijke onderbouwing

5/121

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

De Stichting Maharishi European Research University (hierna: MERU) wenst op een plek (hierna: planlocatie) op haar campusterrein Station 24 te Vlodrop een (expositie)toren /(tentoonstellings)toren te bouwen met een bouwhoogte van 54 meter exclusief ornament en 57 meter inclusief ornament (hierna: MERU-toren). Zie figuur 1.1. De term (expositie)toren wordt hierna gebruikt indien gerefereerd wordt naar de gebruiksfunctie van de toren overeenkomstig de bestemmingsplanregeling. Het bouwvoornemen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan en wijkt af van een op 24 juli 2014 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een 35 meter hoge (expositie)toren exclusief ornament op het campusterrein (hierna: vergunde toren).

Figuur 1.1: impressie van beoogde MERU-toren Op basis van artikel 2.1 lid 1 onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Het is ook verboden juncto artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Het voornemen om de MERU-toren te bouwen op het campusterrein door MERU blijkt niet te passen binnen het vigerende bestemmingsplan en kan daardoor niet zonder meer vergund worden.

6/121

De te realiseren MERU-toren wijkt af op de navolgende juridisch-planologische planonderdelen van het vigerend bestemmingsplan: 1. De bouwhoogte (zie figuur 1.2): de bouwhoogte wijkt af van de maximaal toegestane bouwhoogte op de planlocatie en de specifiek toegestane maximale bouwhoogte van 35 meter voor een (expositie)toren.

Figuur 1.2: vergelijking vergunde toren met MERU-toren qua bouwhoogte 2. De positionering van de (expositie)toren (zie figuur 1.3): de positionering van een (expositie)toren met een bouwhoogte hoger dan 30 meter buiten het bouwaanduidingsvlak 'specifieke vorm van bouwen - toren'.

7/121

Figuur 1.3: uitsnede bestemmingplan met in rood globaal de planlocatie (situering MERU-toren) 3. Een groter toegestaan maximaal oppervlak dan 125 m² voor een (expositie)toren: d.w.z. een groter toegestaan oppervlak voor de toren op een hoogte hoger dan 30 meter en ook buiten het bouwaanduidingsvlak 'specifieke vorm van bouwen - toren'. Zie figuur 1.4.

8/121

Figuur 1.4: vergelijking vergunde toren met MERU-toren omvang oppervlak boven 30 meter Wat ten opzichte van de vergunde situatie wijzigt: Een groter te realiseren grondoppervlak: d.w.z. de te realiseren MERU-toren heeft ten opzichte van de vergunde toren vanuit ruimtelijke overwegingen een groter grondoppervlak. Zie hiervoor figuur 1.5. Dit grondoppervlak kan echter in basis volgens de vigerende bestemmingsregeling gerealiseerd worden. Net zoals bij de vergunde toren. Afwijken van het bestemmingsplan op dit specifieke onderdeel (verhogen grondoppervlak) voor de MERU-toren is benodigd voor wat betreft het situeringsvlak met het daaraan gekoppelde oppervlak (m2). Dit hangt samen met de exacte positionering van de nieuw te realiseren MERU-toren. Het bestemmingsplan (artikel 3.2.1) bepaald namelijk het volgende: 3.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 3.2.1. Gebouwen a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd. b. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte', met dien verstande dat voor een bebouwde oppervlakte van maximaal: 4. 4.800 m2 een bouwhoogte van maximaal 30 meter is toegestaan;

9/121

5. 3.120 m2 een maximale bouwhoogte van maximaal 25 meter is toegestaan; 6. 125 m2 een bouwhoogte van maximaal 35 meter is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke bouwaanduiding - toren'; c. de maximale bebouwingsoppervlakte bedraagt 20.400 m2.

Figuur 1.5: verschil in grondoppervlakte van de vergunde toren en de nieuwe MERU-toren De 20.400 m2 aan bebouwde oppervlakte is nog niet bereikt. Op basis van de huidige situatie is ongeveer 9.100 m2 bebouwd. Wat ten opzichte van de vergunde toren niet wijzigt is: De gebruiksfunctie: de te realiseren MERU-toren zal in gebruik genomen worden als een (expositie)toren passend binnen de bestemmingsomschrijving als bedoeld in artikel 3.1 sub b van het vigerend bestemmingsplan ("Vedische Universiteit"). Deze gebruiksfunctie is bovendien identiek aan de opgegeven gebruiksfunctie ten aanzien van de eerder vergunde toren. De verschijningsvorm: de uiterlijke verschijningsvorm (detaillering/materialisering, stijlkenmerken/gevelindelingen (zie figuur 1.2), uitgezonderd de in beperkte mate toe te passen verlichting van de MERU-toren. Het verlichtingsaspect betreft een bouwtechnische en geen planologisch-juridische afwijking ten opzichte van het bestemmingsplan. De verlichting van de MERU-toren wordt uitgewerkt in samenspraak met een verlichtingsdeskundige. In elk geval is duidelijk dat de gevelverlichting en/of gevelbelichting van de MERU-toren niet meer dan 0,3 lux op de aanliggende bosrand mag gaan produceren. Dit zal in een voorschrift behorende bij de omgevingsvergunning worden vastgelegd.

Tevens zal een voorschrift worden opgenomen in de omgevingsvergunning dat het licht uitsluitend aan mag na zonsondergang tot 22.00 uur. Met uitzondering overigens voor evenementen, zoals bepaald in de evenementenregeling van artikelen 3.3.2 en 8, lid b van het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit'. De lichtsterkte blijft ook bij evenementen maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. De bezettingscapaciteit van de (expositie)toren: de bezettingscapaciteit van de toren zoals afgestemd met de brandweer, in het kader van de toets aan het Bouwbesluit, ten aanzien van het brandveiligheidsadvies (Brandveiligheidsadvies MERU Tentoonstellingstoren, door GBB Advies, d.d. 17 november 2020, projectnummer 20-560 LG/JP, bedraagt bij regulier gebruik maximaal tegelijkertijd 450 personen conform aanvraag omgevingsvergunning. Het doel van deze maximale capaciteit is het voorkomen van slachtoffers tijdens een brand. De brandspecialist heeft de aanvraag omgevingsvergunning akkoord bevonden op het aspect brandveiligheid. Dit aantal van 450 is bepaald aan de hand van het ontwerp van de MERU-toren en de

10/121

doorstroom- en opvangcapaciteit (zie tabel 1.1). Bij een conferentie/congres bedraagt de maximale bezetting in de MERU-toren eveneens maximaal tegelijkertijd 450 personen. Gemiddeld zullen in de MERU-toren niet meer dan 175 personen aanwezig zijn, verdeeld over alle bouwlagen.

Tabel 1.1: tabel met personenaantallen voor gebruik MERU-toren (bron: brandveiligheidsadvies) De maximale capaciteit in de MERU-toren zal gewaarborgd worden door in de omgevingsvergunning van de MERU-toren een voorschrift op te nemen, waarbij het maximaal aantal bezoekers per dag in de MERU-toren wordt vastgelegd op 900 en de maximale capaciteit tegelijkertijd aanwezig in de MERU-toren wordt vastgelegd op 450 personen. De bezettingscapaciteit van het planetarium: de omvang van het planetarium boven in de (expositie)toren heeft een bezettingscapaciteit van 35 zitplaatsen (zie tabel 1.1 en figuur 1.6). Deze omvang is identiek als bij de vergunde toren. Deze omvang bepaalt in combinatie met de doorloopsnelheid in de MERU-toren mede de bezettingsomvang in de afzonderlijke expositieruimten en daarmee ook de feitelijke maximale bezettingsomvang in de MERU-toren op een bepaald moment.

11/121

Figuur 1.6: impressie omvang planetarium in top van MERU-toren Daarnaast kan opgemerkt worden dat een aantal hierna genoemd indirecte effecten die het gevolg zijn van de bouw van de toren niet wijzigen ten opzichte van de situatie zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan en de vergunde toren op 24 juli 2014. Het betreft de onderdelen: 1. De verkeersgeneratie en de effecten hiervan op de omgeving ten aanzien van de aspecten geluidhinder (wegverkeerslawaai en indirecte verkeershinder) en luchtkwaliteit Zoals hiervoor aangegeven is de maximale bezettingscapaciteit van de (expositie)toren afgestemd met de brandweer naar aanleiding van het brandveiligheidsadvies (maximaal 450 personen in de (expositie)toren) ten aanzien van de vergunde toren. Hierin is geen verandering c.q. wijziging voorzien ten aanzien van de te realiseren MERU-toren conform aanvraag omgevingsvergunning. De bezetting in de MERU-toren zal ook maximaal 450 personen bedragen. In die zin zal er geen verandering c.q. wijziging optreden ten aanzien van de aspecten geluidhinder (wegverkeerslawaai en indirecte verkeershinder) en luchtkwaliteit. Zie hiervoor ook de paragrafen 4.5 en 4.6. 2.

de parkeerbehoefte en de afwikkeling hiervan (bestaande situatie - vergunde situatie - toekomstige situatie) In het vigerend bestemmingsplan is de maximale uitvoerbaarheid van de toegestane functies in het plangebied beoordeeld. In dat kader is ook de parkeerbalans (parkeerbehoefte - parkeernormering - parkeeroplossing) beoordeeld en verantwoord. Uit hetgeen beschreven is in het vigerend bestemmingsplan kan opgemaakt worden dat de parkeerbehoefte behorende bij een (expositie)toren inclusief de toegelaten gebruiksfuncties met maximale invulling in dit bestemmingsplan op eigen terrein kan worden opgevangen. In deze situatie treedt geen verandering op ten aanzien van de realisatie van de MERU-toren op de planlocatie, aangezien de hoogte van de MERU-toren ten opzichte van de vergunde toren niet zal resulteren in een toename van het aantal bezoekers. De maximale

12/121

omvang aan bezoekers in de MERU-toren wordt namelijk bepaald door: de maximale bezetting in het planetarium (hier treedt geen verandering in op ten opzichte van de vergunde situatie); de doorloopsnelheid in de verschillende expositieruimtes (aantal expositieonderdelen/-thema's blijft hetzelfde, maar worden over meer verdiepingen met afzonderlijke ruimtes verdeeld); alsmede de maximaal toegestane aantal bezoekers uit een oogpunt van brandveiligheid conform het advies van de brandweer (ook hier treedt geen verandering in op ten opzichte van de vergunde situatie). Ruimtelijke onderbouwing De gemeente Roerdalen kan op basis van artikel 2.10 lid 1 onder c juncto artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° van de Wabo een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het vigerende bestemmingsplan als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De beschreven afwijkingen als hiervoor benoemd worden in dit document als de voorgenomen ontwikkeling in afwijking van het bestemmingsplan gezien. Dit document voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing behorende bij een aanvraag omgevingsvergunning aansluitend op de voorgestane ontwikkeling. In deze onderbouwing wordt aangetoond, dat voldaan kan worden aan de van toepassing zijnde ruimtelijke voorwaarden en relevante omgevingsaspecten.

1.2

Ligging planlocatie

De planlocatie (zie figuur 1.7) is gesitueerd op het terrein van MERU. Plaatselijk bekend Station 24 te Vlodrop en kadastraal bekend, Vlodrop, sectie C, perceelnummer 1946 (gemeente Roerdalen).

Figuur 1.7: kadastrale situatie MERU

13/121

Het MERU-terrein ligt te midden van het Nationaal Park De Meinweg in de nabijheid van Duitsland. Op onderstaande figuur is, gesitueerd in een bosrijke omgeving, de planlocatie (rode stip) op het terrein van MERU weergegeven op een uitsnede van de luchtfoto. Zie figuur 1.8.

Figuur 1.8: uitsnede omgeving met in rood aangegeven de planlocatie op het MERU-terrein (bron: Esri-luchtfoto) Vanaf 1909 tot 1979 was het terrein van MERU in gebruik bij de paters franciscanen. Op dit terrein werd in de jaren 1905-1909 het College St. Ludwig gebouwd, een schoolgebouw met internaat voor jongens. Het terrein omvatte bovendien een boerderij waardoor de instelling vrijwel volledig zelfverzorgend was. In 1979 kocht de Nederlandse overheid (Rijksgebouwendienst) het betreffende terrein met gronden en bebouwing. Een groot gedeelte van omringende bossen, de begraafplaats en de begraafplaatskapel (Rijksmonument) werd vervolgens overgedragen aan Staatsbosbeheer. Het gebouw (College St. Ludwig) bleef na het vertrek van de franciscanen leeg staan. In 1984 wordt het College St. Ludwig met de daarbij behorende gronden door MERU van de Staat der Nederlanden gekocht. Op het aangekochte complex wordt de "Maharishi European Research University" gehuisvest en vinden gefaseerd (bouw)ontwikkelingen plaats. In 2015 is het College St. Ludwig op het terrein gesloopt.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van de planlocatie vigeert het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit'. Dit bestemmingsplan is op 27 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Roerdalen en bij besluit van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 onherroepelijk geworden.

14/121

Figuur 1.9: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingplan met in rood globaal aangeven de planlocatie. Het vigerend bouwaanduidingsvlak 'specifieke vorm van bouwen - toren' (situeringsvlak) is 20mx20m=400 m² De planlocatie waar de MERU-toren is voorzien (zie figuur 1.9) heeft de bestemming 'Maatschappelijk' (artikel 3). Op basis van deze bestemming zijn de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden bestemd voor: maatschappelijke voorzieningen, en ook de daaraan verbonden woonfunctie; een (expositie)toren met een maximale bouwhoogte van 35 meter ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - toren'; evenementen; met de daarbij behorende: voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen, erven en water. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd, waarbij de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' (= 20 meter), met dien verstande dat voor een bebouwde oppervlakte van maximaal: 4.800 m² een bouwhoogte van maximaal 30 meter is toegestaan; 3.120 m² een bouwhoogte van maximaal 25 meter is toegestaan; 125 m² een bouwhoogte van maximaal 35 meter is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke bouwaanduiding - toren' (zie figuur 1.9).

Overeenkomstig de vigerende bestemmingsplanregeling is daarom een (expositie)toren ter plaatse van de planlocatie hoger dan 30 meter niet toegestaan volgens de bouwbepalingen.

15/121

1.4

Juridische regeling

Ruimtelijke onderbouwing Op basis van artikel 2.12 Wabo kan in bepaalde gevallen de strijdigheid met bestemmingsplannen worden opgeheven via een omgevingsvergunning. Dit kan op basis van: binnenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 1°); bij AMVB aangewezen gevallen (zogenaamde 'kruimellijst') en tijdelijk afwijken voor een termijn van 10 jaar (artikel 2.12, lid 1 onder a sub 2°); buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3°). Het vigerende bestemmingsplan biedt géén regeling (binnenplanse afwijking) om een 54 meter hoge MERU-toren te kunnen realiseren binnen het bestemmingsvlak en op de voorgestane planlocatie. Het project is bovendien ook niet onder te brengen bij de aangewezen gevallen in artikel artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo juncto Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor). De zogenaamde 'kruimellijst'. Om af te kunnen wijken van de maximaal toegestane bouwhoogte binnen het bestemmingsvlak en op de voorgestane planlocatie ten behoeve van de realisatie van een 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament en 57 meter met ornament zal daardoor een afwijkingsbesluit genomen dienen te worden voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dat wil zeggen een buitenplanse afwijking conform artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° Wabo. Dit plandocument voorziet in een dergelijke ruimtelijke verantwoording.

Omgevingsvergunning Uit de aanvraag omgevingsvergunning moet duidelijk blijken, waarop de aanvraag betrekking heeft. Verder moet aangegeven worden wat de gevolgen zijn voor de ruimtelijke ordening (zie onderhavig document). In de Regeling omgevingsrecht zijn overigens de indieningsvereisten concreet aangegeven (art. 3.2 Mor).

1.5

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2: Projectbeschrijving; Hoofdstuk 3: Ruimtelijke beleidskaders; Hoofdstuk 4: Omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5: Uitvoerbaarheidsaspecten; Hoofdstuk 6: Juridische regeling.

16/121

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bestaande situatie van de toren en ook de ruimtelijke inpasbaarheid van de boogde MERU-toren. Vanwege de beoogde inpassing van de MERU-toren wordt voorafgaand in paragraaf 2.1 ingegaan op het Masterplan van MERU, zijnde de eigen opgestelde gebiedsvisie voor het MERU-terrein.

2.1

Bestaande en beoogde situatie

2.1.1 MERU-terrein (bestaande situatie) Het MERU-terrein (zie figuur 2.1) ligt in de uitgestrekte bossen van het Meinweggebied (zie figuur 2.2), ongeveer 6 kilometer ten oosten van het dorp Vlodrop en nabij het buurtschap Vlodrop-Station.

Figuur 2.1: MERU-terrein in eigendom (blauw omlijnd gebied) met in rood de planlocatie In 1990 is het Meinweggebied aangewezen als natuurgebied en vanaf 1995 is het een nationaal park. Geologisch is de Meinweg van grote betekenis door de aanwezigheid van het terrassenlandschap. Kenmerkend voor de Meinweg is de afwisseling tussen beekdalen, vennetjes, uitgestrekte bossen en heidevelden.

17/121

Figuur 2.2: het MERU-terrein gesitueerd in een omringend bosgebied Sinds 1984 is op het terrein de hoofdvestiging van de Vedische Universiteit ("Maharishi European Research University" - MERU) gehuisvest. Vanuit de Vedische Universiteit worden wereldwijd omvangrijke projecten ontwikkeld, georganiseerd, gecoördineerd en geleid op het gebied van bewustzijnsontwikkeling, vrede, onderwijs, natuurlijke gezondheid, biologische landbouw, armoedebestrijding en architectuur. Ondersteunend voor deze activiteiten vinden daartoe op de locatie in Vlodrop cursussen, meditatie en bewoning plaats passend binnen de toegelaten gebruiksfunctie op het terrein volgens het vigerend bestemmingsplan. Dit zijn maatschappelijke voorzieningen, zijnde voorzieningen op het gebied van onderwijs, cultuur en lichamelijke en geestelijke gezondheid, met de daaraan verbonden woonfunctie.

18/121

Figuur 2.3: foto met zicht op het op campus-complex van MERU Het grote open terreingedeelte op het MERU-terrein, het zogenaamde campus-complex (zie figuur 2.3) van de Maharishi Vedische Universiteit, is en wordt ingericht volgens de stedenbouwkundige en landschappelijke opzet zoals beschreven in het MERU-Masterplan met bebouwing, wegen, paden, siervijvers, (boom)beplanting en meubilair (zie hierna 2.1.2. - MERU-Masterplan, beschrijving beoogde situatie) met respect voor omliggende ruimtelijke waarden. Inmiddels is op het open terreingedeelte een groot deel van het MERU-Masterplan al gefaseerd gerealiseerd en in gebruik genomen. In de gerealiseerde gebouwen (zie figuren 2.4a t/m 2.4c) zijn ruimten en voorzieningen aanwezig voor de toegelaten gebruiksfuncties op het terrein volgens het bestemmingsplan. Op het terrein buiten de gebouwen vinden behalve wandelactiviteiten, kleinschalige groenteteelt en parkeren, geen andere activiteiten plaats. De nieuwbouw op het campus-complex maakt zich door de beperkte bouwhoogte en omvang per gebouw, de overeenkomstige oriëntatie en architectuurstijl en de inrichting van de omliggende tuinen en wegen los van de strakke, rechte bosranden met hoog opgaande bomen. De bosrand blijft echter de ruimtebeleving bepalen.

De verharding en bebouwing doet op geen enkele wijze afbreuk aan de landschappelijke inbedding van het campus-complex; het is een autonome ruimtelijke invulling binnen een bosomgeving.

Figuur 2.4a: foto van bebouwing op het MERU-complex

19/121

Figuur 2.4b: foto van bebouwing op het MERU-complex

Figuur 2.4c: foto van bebouwing op het MERU-complex Het open terreingedeelte heeft een maatschappelijke bestemming (bestemmingsvlak en ook bouwvlak) en is geëxclaveerd. Dat wil zeggen: maakt geen deel uit van het Natura 2000-gebied Meinweg. Het gebied maakt tevens géén onderdeel uit van het Nationaal Park De Meinweg en het wordt ook niet aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het rondom het open terreingedeelte gelegen bosgebied aan de noord-, west- en zuidzijde bestaat voornamelijk uit een productiebos (naaldbos, gemengd bos) en is bestemd tot 'Natuur' (zie figuur 2.5).

20/121

Figuur 2.5: foto bosgebied (bestemming 'Natuur') ten zuiden van het campus-complex Aan de oostzijde bevindt zich een parkachtig bos in Engelse stijl aangelegd met paden, vijvers en andere elementen ingericht door de paters van het voormalige College St. Ludwig. Zie figuur 2.6.

Figuur 2.6: foto's van parkbos op het MERU-terrein 2.1.2 MERU-Masterplan (beoogde situatie) MERU heeft, zoals eerder aangegeven, een MERU-Masterplan ontwikkeld gebaseerd op de principes van de Vedische architectuur (zie figuur 2.7). Het MERU-Masterplan is een eigen gebiedsvisie voor het MERU-terrein met stedenbouwkundige en landschappelijk componenten. Door de beoogde oriëntatie, bouwstijl en het bouwvolume in samenhang met de onbebouwde ruimte wordt een bijzondere stedenbouwkundige opzet op het terrein beoogd. Door de afwijkende oriëntatie van het stratenpatroon (als onderdeel van het MERU-Masterplan), zal de differentiatie tussen de historisch bepaalde vrijwel vierkante uitsparing in het bos en het naar het oosten gerichte MERU-complex herkenbaar en behouden blijven. De buitenruimte (waaronder de verharding) en bebouwing in het MERU-Masterplan zijn gebaseerd op de architectuurregels van Maharishi Sthapatya Veda. Elk gebouw is daarbij naar het oosten georiënteerd en staat in zijn eigen "vastu". De term Vastu heeft te maken met het aspect van orde en intelligentie van een bouwplaats. Voordat een gebouw wordt opgericht moet de Vastu worden uitgezet als een vierkant of een rechthoek en op de juiste wijze genivelleerd zijn. De grootte van de Vastu staat in relatie tot de oppervlakte van het gebouw en kan worden gerealiseerd door een muur, een hek of een haag.

De hoofdingangen van de gebouwen staan op het oosten. Daarom worden alle gebouwen via paden aan de oostzijde ontsloten, wat leidt tot de padenstructuur en bepaalde dichtheid.

21/121

Door het radiale stelsel van paden, dat zo is ontstaan, is altijd vanuit ieder pad in minstens een richting zicht naar de bosrand. Hierdoor is vanuit het gehele complex het landschap zichtbaar en voelbaar aanwezig. Het landschap is hierdoor medebepalend voor de sfeer en kwaliteit van de open ruimte binnen het complex. De bestaande cultuurhistorische waarden (terrein bezien in de omgeving) worden dan ook niet aangetast door de gerealiseerde en nog te realiseren ontwikkelingen, met inbegrip van de te bouwen (expositie)toren. Sinds 13 maart 2008 is tijdens het overleg met de gemeente gesproken over de realisatie van een (expositie)toren. Dit heeft geresulteerd in de aanvraag bouwvergunning 17 december 2009 van een 30 meter hoge (expositie)toren. Zie figuur 2.7 voor het destijds bijbehorende MERU-Masterplan (2009-12-15). Deze (expositie)toren is vergund op 14 augustus 2012.

Figuur 2.7: MERU-Masterplan (2009-12-15) behorende bij bouwaanvraag eerste fase 30 meter hoge (expositie)toren Op 22 april 2014 is een aanvraag ingediend voor een 35 meter hoge (expositie)toren. Zie figuur 2.8 voor het destijds bijbehorende MERU-Masterplan (2014-04-17). Op 24 juli 2014 is deze 35 meter hoge (expositie)toren vergund.

22/121

Figuur 2.8: MERU-Masterplan (2014-04-17) behorende bij aanvraag 35 meter hoge (expositie)toren Nu wordt beoogd een 54 meter hoge MERU-toren. Deze MERU-toren is in het MERU-Masterplan (2018-03-23) opgenomen. Zie figuur 2.9.

Figuur 2.9: MERU-Masterplan (2018-03-23) behorende bij aanvraag 54 meter hoge MERU-toren

23/121

De kenmerkende strakke bosranden en het omliggende boslandschap met een rasterpatroon in de bosverkaveling en bospaden blijft ongewijzigd. Doordat verharding op voldoende afstand van de bosrand is gerealiseerd, blijft deze ook als eigen structuur herkenbaar. De lokale cultuurhistorische waarden zijn af te leiden uit de "Basiskaarten van de Limburgse Cultuurhistorie" van de provincie Limburg. Zie de figuren 2.10a en 2.10b.

Figuur 2.10a: cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg (bron: Gis viewer provincie Limburg)

Figuur 2.10b: cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg (bron: Gis viewer provincie Limburg) Ten aanzien van het aspect welstand geldt voor het MERU-terrein en derhalve ook voor de MERU-toren geen welstandplicht.

24/121

2.1.3

MERU-toren op het terrein van MERU

2.1.3.1 MERU-Masterplan met beoogde (expositie)toren In januari 2008 wenste Maharishi Mahesh Yogi, grondlegger van Vedische Wetenschap, een gebouw in de vorm van toren om daarin alle kennis, die Maharishi in zijn gehele leven tot stand heeft gebracht, voor iedereen toegankelijk te maken. Een torenvorm wordt veelal gebruikt als memorial, en om waardigheid en harmonie en uit te drukken. De expositie-toren hoort bij MERU omdat Maharishi hier het langst van zijn leven op één plek gewoond heeft en hier de meeste kennis geproduceerd heeft. Maharishi Mahesh Yogi plaatste de 12 belangrijkste faculteiten in het licht van de Vedische wetenschap, de kennis van bewustzijn. Dit heeft geleid tot praktische programma's die het mogelijk te maken om het leven in overeenstemming met de Natuurwet te brengen en daarmee een bijdrage te leveren aan een betere leefomgeving van eenieder. Onder andere via interactieve media zullen de bezoekers van de (expositie)toren hiermee kennismaken. De 12 faculteiten zijn: 1. de Natuurwet 2. Onderwijs, 3. Gezondheidzorg, 4. Landbouw, 5. Economie, 6. Bestuur, 7. Architectuur, 8. Defensie, 9. Communicatie, 10. Muziek en Kunst, 11. Religie en Cultuur, 12. Hoogste politieke wetenschap Overigens 12 is een belangrijk getal in de natuur: de Vedische architectuur kent maximaal 12 verdiepingen, 12 maanden, 12 sterrenbeelden, 12 apostelen, 12 uur.

In de top van de expositie-toren is een planetarium gevestigd met het thema “relatie tussen de kosmos, mens en bewustzijn”. Met de keuze van de vorm van een toren, het gewenste aantal exposities (12), elke expositie een eigen bouwlaag en de op de functie afgestemde verdiepingshoogtes resulteren gezamenlijk in een expositietoren van 54 meter hoog, exclusief ornament. De keuze van de architect voor deze hoogte is daarmee optimaal voor de functies die in de toren gehuisvest

25/121

worden. De architect heeft met de gekozen hoogte tevens een fijn-afstemming gevonden met het maat- en verhoudingensysteem van de Vedische architectuur. In het MERU-Masterplan in 2008 was het bedoeling om de (expositie)toren te positioneren op de as van de twee hoofdgebouwen die het meest oostelijk gesitueerd zijn. Omdat het College St. Ludwig toen echter nog op het MERU-terrein stond, moest de toren ongeveer 25 meter naar het westen opgeschoven worden. Doordat het College St. Ludwig in 2015 gesloopt kon worden en gesloopt werd, is de MERU-toren weer naar de oorspronkelijke gewenste plek teruggeschoven. Nu kan de (exposite)toren weer geplaatst worden op de as van de twee hoofdgebouwen die het meest oostelijk gesitueerd zijn. Zie figuur 2.11 voor de versie van het MERU-Masterplan (2018-03-23).

Figuur 2.11: het MERU-Masterplan (2018-03-23) met situering van de (expositie)toren (rode cirkel) op de as (blauwe lijn) van de twee hoofdgebouwen die op het meest oostelijke deel van het MERU-Masterplan (2018-03-23) staan 2.1.3.2 Vergunde toren In 2008 stond het toen vigerende bestemmingsplan 'Vedische Universiteit Vlodrop', vastgesteld op 26 maart 1998 en goedgekeurd op 13 oktober 1998, slechts een maximale bouwhoogte van 30 meter toe volgens de bestemming "Bijzondere doeleinden" (artikel 3). Zie hiervoor figuur 2.12.

26/121

Figuur 2.12: afbeeldingen uit het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit Vlodrop' Een bestemmingsplanwijziging was, in relatie met het toen nog aanwezige College St. Ludwig, op dat moment niet aan de orde. De wens om een 54 meter hoge (expositie)toren te bouwen was al wel overgebracht en voorzien in de op dat moment aanwezige plannen. Om toch een (expositie)toren op korte termijn te kunnen bouwen, zijn vervolgens concessies gedaan. De toren zou 30 meter hoog worden conform de toegestane maximale bouwhoogte volgens het op dat moment vigerende bestemmingsplan en de (expositie)toren werd meer naar het oosten opgeschoven. Dit paste op dat moment beter in relatie tot de aanwezigheid van het College St. Ludwig. Bovendien werd er gekozen voor het tentoonstellen van 2 thema's per verdieping en verlaging van de verdiepingshoogte. Dit had tot gevolg dat voor de tentoonstellingsfunctie de verdiepingshoogtes relatief laag werden. De wens om een 54 meter hoge toren te bouwen was hiermee echter niet verdwenen.

Op een aanvraag van 17 december 2009 is vervolgens op 22 maart 2010 door het bevoegd gezag een bouwvergunning 1e fase verleend voor een (expositie)toren (bouwplan passend binnen het vigerend bestemmingsplan en voldoet aan redelijke eisen van welstand) en op een aanvraag bouwvergunning 2e fase van 23 december 2011 op 14 augustus 2012 een reguliere bouwvergunning 2e fase verleend (bouwplan in overeenstemming met de Woningwet en het Bouwbesluit).

27/121

Hierdoor was er sprake van een vergunde situatie om een 30 meter hoge (expositie)toren met expositieruimten en een planetarium te realiseren. In 2012 werd van overheidswege een bestemmingsplanherzieningstraject opgestart (onder meer vanwege de digitaliseringverplichting). Op dat moment is de wens voor een 54 meter hoge toren door MERU opnieuw onder de aandacht van de gemeente gebracht. Het bestemmingsplanherzieningstraject resulteerde in onder meer in een verruiming van de bouwhoogte van 30 meter naar (slechts) 35 meter. Aangesloten werd qua bouwhoogte bij de bestaande bouwhoogte van het College St. Ludwig. Zie hiervoor figuur 2.13. In het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit' werd hiervoor een maatvoeringsaanduiding met daaraan gekoppeld een maximale bouwhoogte van 35 meter opgenomen.

Figuur 2.13: vergelijking bouwhoogte College St. Ludwig en vergunde toren Vanuit cultuurhistorische waarden waren er destijds ook geen zwaarwegende bezwaren tegen het realiseren van de vergunde toren. Gelet hierop waren de gemeente en de provincie bereid mee te werken aan dit verzoek. De aanvankelijk vergunde 30 meter hoge (expositie)toren is vervolgens op verzoek van MERU gewijzigd tot een nieuw te vergunnen hoogte van 35 meter. Hiervoor is op 22 april 2014 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van de verleende vergunning 2e fase van 14 augustus 2012. De omgevingsvergunning voor deze 35 meter hoge (expositie)toren is op 24 juli 2014 afgegeven.

28/121

Figuur 2.14: vergunde toren met een bouwhoogte van 35 meter De verdiepingshoogtes werden hiermee teruggebracht zoals ze oorspronkelijk bedoeld waren, maar het bleef bij het tentoonstellen van 2 thema's per verdieping. Deze 35 meter bouwhoogte betreft de basishoogte van de (expositie)toren exclusief het daarop nog aanwezige ornament (zijnde een extra toevoeging van 2,62 meter). Zie figuur 2.14. De situering van de vergunde toren (zie figuur 2.15) bleef bovendien afwijken van de positionering zoals beoogd in het MERU-Masterplan (2008-03-23). Zie figuur 2.11. De (expositie)toren bleef meer naar het oosten opgeschoven. Dit paste op dat moment beter in relatie tot de aanwezigheid van het College St. Ludwig.

29/121

Figuur 2.15: positionering vergunde toren volgens MERU-Masterplan (2014-04-17) 2.1.3.3 Beoogde situatie MERU-toren qua positionering, hoogte en oppervlak Positionering MERU-toren Vanwege de sloop van het voormalige College St. Ludwig, heeft het thans de voorkeur om de (expositie)toren weer terug te schuiven naar de oorspronkelijk geplande locatie op de as tussen de meest vooruitgeschoven hoofdgebouwen die op het meest oostelijke deel van het MERU-Masterplan (2018-03-23) staan. Zie figuur 2.16.

30/121

Figuur 2.16: gewenste positionering MERU-toren binnen het MERU-Masterplan (2018-03-23) Dit betekent een verschuiving van ongeveer 25 meter meer westelijk ten opzichte van de vergunde toren Zie hiervoor figuur 2.17.

31/121

Figuur 2.17: verschuiving positie MERU-toren met circa 25 meter t.o.v. vergunde toren De nieuwe positionering is hieronder op figuur 2.18 in de bestaande bebouwde toestand weergegeven.

Figuur 2.18: gewenste positionering MERU-toren op MERU-terrein (bestaande bebouwde situatie) Bouwhoogte MERU-toren Ook de wens om een 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament en 57 meter inclusief ornament te kunnen bouwen komt weer nadrukkelijk in beeld. Nadat in mei 2015 het voormalige College St. Ludwig uiteindelijk werd gesloopt, ontstond voor MERU een nieuwe situatie. De oude plannen, die al voorzagen in een gebied zonder het voormalige College St. Ludwig, konden vanaf dat moment weer worden opgepakt. Daarin opgenomen was ook het voornemen om een 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament met 12 expositieruimten te kunnen realiseren. In de te realiseren 54 meter hoge MERU-toren krijgt zoals altijd beoogd, elk thema een eigen verdieping en daarmee de oorspronkelijk gewenste ruimte. Ondanks dat de (expositie)toren meer gebruiksvloeroppervlakte krijgt vanwege meer verdiepingen, komen er dus geen thema's bij. De (expositie)toren die MERU voorstaat heeft zowel in de vergunde situatie als in de opnieuw te vergunnen situatie een ornament als afsluiting van het bouwwerk. De hoogte van dit ornament bij de MERU-toren is 2,88 meter en het bouwonderdeel is op het breedste punt 2,70 meter (zie figuur 2.19).

32/121

Figuur 2.19: het ornamentdeel van de MERU-toren als ondergeschikt bouwonderdeel Dit onderdeel van het bouwwerk (ornamentdeel) wordt aangemerkt als een ondergeschikt bouwdeel dat niet meegenomen wordt bij de bouwhoogtebepaling van het bouwwerk. De vergunde toren is namelijk overeenkomstig de bouwbepaling in het vigerend bestemmingsplan 'Vedische Universiteit' (zie hierna schuin gedrukt artikel 2.1 sub d) getoetst op een maximale bouwhoogte van 35 meter, waarbij het ornament als ondergeschikt bouwdeel niet is meegenomen bij de bouwhoogte toetsing. "Artikel 2.1 sub d van het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit' de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen". Bij de te realiseren MERU-toren dient dit ornamentdeel, naar analogie van de bouwtoetsing ten aanzien van de vergunde toren, beschouwd te worden als bouwonderdeel van ondergeschikte betekenis bij de bouwplantoetsing en daardoor ook voor de toetsing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de hoogte. Oppervlak (expositie)toren

33/121

In de vergunde situatie bedraagt het maximale oppervlak van de (expositie)toren op een hoogte boven 30 meter 115,35 m2 (10,74 x 10,74). Deze oppervlakte past binnen het toegestane maximale oppervlak van 125 m2 in het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke vorm van bouwen - toren'. Het grondoppervlak (footprint) van de vergunde toren bedraagt 438,48 m2 (20,94 x 20,94) en is in overeenstemming met de bestemmingsplanbepaling (maximaal oppervlak met de daaraan gekoppelde hoogte van het bouwwerk). Door in bouwkundig opzicht de toren te verhogen van 35 meter naar 54 meter (exclusief ornament) neemt het oppervlak van de toren ook toe ten opzichte van de vergunde situatie op een hoogte hoger dan 30 meter en ook ten aanzien van het grondoppervlak (footprint). Zie hiervoor figuur 2.20.

Figuur 2.20: verschillen in (grond)oppervlak vergunde toren t.o.v. MERU-toren In de voorgenomen ontwikkeling zal het maximale oppervlak van de doorsnede van de MERU-toren hoger dan 30 meter 173,19 m2 bedragen (13,16 x 13,16 = de oppervlakte berekend tussen de buitenwerkse gevelvlakken volgens de meetregel van het vigerend bestemmingsplan - artikel 2.1, sub e). Zie hiervoor figuur 2.21. Dit betekent een overschrijding van 48,19 m2 van het maximaal te bebouwen oppervlak van een (expositie)toren boven 30 meter overeenkomstig het vigerend bestemmingsplan (= 125 m²). Dit is een vergroting van 38% ten opzichte van het maximaal toegestane oppervlak in het vigerend bestemmingsplan.

34/121

Figuur 2.21: omvang grondoppervlak (footprint) van de (expositie)toren (=geel) en omvang oppervlak bebouwd oppervlak op 30 meter hoogte (expositie)toren (paars = nieuw en rood is al vergund) Ruimtelijke context De planlocatie ligt in het open terreingedeelte van het MERU-terrein omringd door omvangrijk bosgebied. Het open terrein wordt op basis van het MERU-masterplan (2018-03-23) gefaseerd tot ontwikkeling gebracht. Hierbij wordt de bebouwing in samenhang gebracht qua oriëntatie, bouwstijl en het bouwvolume met de onbebouwde ruimte, waarmee een bijzondere stedenbouwkundige opzet op het terrein wordt bereikt. De te realiseren MERU-toren voegt zich goed in deze opzet. Het bouwvolume kent een omvang welke passend is in de stedenbouwkundige structuur en aansluit op de bestaande bebouwing grenzend aan en in de nabijheid van de MERU-toren. Qua verschijningsvorm oogt het gebouw van buitenaf te zijn opgebouwd uit drie torengedeelten. Een hoofdtoren bestaande uit 13 bouwlagen met ornament met aan weerszijden bescheiden zijtorens van drie bouwlagen met ornament. De sprong in hoogte van onderste horizontale bouwdeel (met een hoogte van circa 13,5 meter exclusief en 16 meter met ornament) naar het ranke torenelement (met een hoogte van circa 43,5 meter) met een alzijdige oriëntatie sluit aan op de schaal, functie en sfeer van de omringende bebouwing.

De inrichting van de buitenruimte bij de MERU-toren sluit aan op de inrichting van de buitenruimte op het totale campuscomplex. Zonder te veel te domineren manifesteert de MERU-toren zich als een markant hoogte element dat zich voegt in zowel het bebouwde campuscomplex als onbebouwde (bosrijke) omgeving. Architectonische context De architectuur van het bouwwerk sluit enerzijds aan bij de architectuur van de bestaande bebouwing en heeft anderzijds een eigen identiteit. De plint van het gebouw, de gevelbekleding, borstweringen, balkons, dakgoten en boeidelen worden uitgevoerd in sierbeton (marmer wit) met marmer wit voegwerk. De ramen/deuren

35/121

worden in hout uitgevoerd (marmer wit) en de dakbedekking in gebroken aluminium (marmer wit). De gevelgeleding voorziet in verticale raampartijen en stijlelementen. De hoofdentree van het gebouw is op het oosten gericht. Planologisch kader In een toekomstig planologisch kader voor het MERU-terrein zal de vergunde MERU-toren vastgelegd worden op de verbeelding. Het verdient de voorkeur dit dan te doen door het opnemen van bouwaanduiding voor de toren met een oppervlak van 625 m2 (25 x 25 meter) en een maatvoeringsaanduiding 'maximale bouwhoogte' van 54 meter (dit is de bouwhoogte exclusief het ornament dat als ondergeschikt bouwdeel wordt beschouwd).

2.2

Ruimtelijke inpasbaarheid

In deze paragraaf wordt de ruimtelijke inpasbaarheid van de voorgestane MERU-toren in afwijking van het vigerend bestemmingsplan (bouwbepalingen) beschreven in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Zie hiervoor paragraaf 1.1. Ook wordt ingegaan op enkele wijzigingen ten opzichte van de vergunde toren met daaraan verbonden ruimtelijke effecten. Het betreft: 1. Uitstraling MERU-toren (visuele aspecten), voor wat betreft: a. uiterlijk gebouw b. verlichting 2. Positionering, omvang oppervlak en hoogte van de MERU-toren naar de omgeving (ruimtelijke aspecten), voor wat betreft: a. effect schaduwwerking b. effect horizon- of landschapsvervuiling (dagperiode en nachtperiode) ad 1a) Uitstraling (expositie)toren - uiterlijk gebouw

36/121

Figuur 2.22: uiterlijke verschijningsvorm (expositie)toren Een vergelijking van de voorgestane 54 meter hoge MERU-toren exclusief ornament met de 35 meter vergunde toren exclusief ornament laat zien dat de vorm en het ritme van de gevelindeling, ornamentatie en de torenopbouw hetzelfde is gebleven. Door de toename van de hoogte zal de 'gedrongenheid' die de 35 meter hoge toren in de ogen van MERU vertoonde verdwijnen. Hierdoor krijgt het object meer het aanzicht van een echte toren, d.w.z. een bouwwerk dat aanmerkelijk hoger is, dan het breed en lang is en boven andere gebouwen uitsteekt. Zie hiervoor figuur 2.22. Zowel bij de vergunde toren als de te realiseren MERU-toren (zie figuur 2.22) heeft het bouwwerk een ornament (zie figuur 2.19) dat als bouwonderdeel van ondergeschikte betekenis beschouwd dient te worden bij de bouwplantoetsing en daardoor ook voor toetsing van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de hoogte. ad 1b) Uitstraling (expositie)toren - verlichting De nieuw te realiseren MERU-toren zal in beperkte mate voorzien worden van verlichting (gevelbelichting of gevelverlichting). De exacte en juiste verlichting voor de MERU-toren wordt nog uitgewerkt.

Het effect van de torenverlichting op de omgeving is beoordeeld in de natuurtoets als onderdeel van een integrale effectenbeoordelingstoets die is opgenomen als onderdeel van de toelichting (bijlage 1 behorende bij deze ruimtelijke onderbouwing). Het is gewenst en noodzakelijk dat de gevelverlichting (of gevelbelichting) van de toren niet meer dan 0,3 lux op de aanliggende bosrand mag gaan produceren. Dit zal in een voorschrift behorende bij de omgevingsvergunning worden vastgelegd. Tevens zal het voorschrift worden opgenomen dat het licht uitsluitend aan mag na

37/121

zonsondergang tot 22.00 uur. Met uitzondering overigens voor evenementen, zoals bepaald in artikel 3.3.2 en 8, lid b van het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit'. De lichtstrekte blijft ook bij evenementen maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. ad 2a) Positionering en hoogte van MERU-toren naar de omgeving - effect schaduwwerking Door middel van een bezonningsstudie is het effect van de schaduwwerking van de te realiseren (expositie)toren in beeld gebracht. Deze bezonningstudie is integraal als bijlage 2 en bijlage 3 bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. In de figuren 2.23 t/m 2.25 zijn enkele fragmenten uit deze studie opgenomen. In de bezonningstudie is de schaduwwerking van de MERU-toren op de omgeving op verschillende momenten van de dag op vier momenten in het jaar in beeld gebracht. Het oppervlak dat door schaduw van de toren wordt bestreken is in de periode van de winter, met het minst aantal zonne-uren, het grootst. In andere tijden van het jaar (lente en herfst) is het oppervlak in de vroege ochtend en late avond het grootst, maar dan is de lichtsterkte van de zon ook laag, waardoor het verschil tussen schaduw en de omgeving klein is. De schaduw in de zomerperiode, met het hoogste aantal zonne-uren en grootste lichtsterkte van de zon, blijft het grootste deel van de dag binnen het open terreingedeelte van het MERU-complex.

Figuur 2.23: bezonning 22 december om 09.00 uur, 12.00 uur en 15.00 uur (van links naar rechts)

Figuur 2.24: bezonning 21 maart/23 september om 09.00 uur, 15.00 uur en 17.30 uur (van links naar rechts)

38/121

Figuur 2.25: bezonning 21 juni om 09.00 uur, 12.00 uur, 15.00 uur, 18.00 uur en 21.00 uur (van links naar rechts en boven naar beneden) Op basis van de bezonningstudie blijkt dat de schaduwwerking van de te realiseren MERU-toren (met gewijzigde positie, oppervlak en hoogte) bezien vanuit de nieuwe planlocatie grotendeels op het open terreingedeelte van het MERU-complex ligt en slechts voor een klein en op een zeer beperkt deel van de dag op het bos haar werking heeft. Bovendien blijkt dat de verhoging van de MERU-toren ten opzichte van de vergunde toren (van 35 naar 54 meter exclusief ornament) vanwege de verschuiving van de vergunde toren met 25 meter naar het westen (verder van de bosrand) slechts een zeer beperkte verslechtering laat zien ten aanzien van de schaduwwerking op het omliggende bos. De verschillen zijn in een aparte bezonnings vergelijkingstudie verbeeld. Zie hiervoor een representatieve afbeelding (hieronder figuur 2.26) en ook de gehele bezonningstudie in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. De effecten van de schaduwwerking op het omliggende bos en de daar te beschermen flora en fauna, en ook de flora op het open terreingedeelte zijn dan ook verwaarloosbaar in vergelijking met de vergunde situatie. Het betreft een zeer kleine strook met boombeplanting op een beperkt aantal dagen in het jaar en gedurende een klein deel van de dag.

Zie ook hiervoor paragraaf 4.3.

39/121

Figuur 2.26: bezonning 21 maart/23 september om 17.30 uur (vergelijking 35 meter vergunde toren exclusief ornament en de nieuwe 54 meter MERU-toren exclusief ornament op de meer westelijke gesitueerde planlocatie

ad 2b) Positionering en hoogte van MERU-toren naar de omgeving - effect horizon- of landschapsvervuiling Horizonvervuiling (ook wel bekend als landschapsvervuiling) wordt beschouwd als het plaatsen van objecten of nemen van maatregelen die het beeld van de horizon of de harmonie van het landschap verstoren. Het betreft een subjectief begrip in de aanvaardbarheid van plaatsing objecten in een ruimtelijke omgeving. De te realiseren MERU-toren van 54 meter exclusief ornament zal, gelet op de hoogte van de bestaande boombeplanting, circa 30 meter boven de bestaande bomenkruinen van het omliggende bosgebied uitsteken. Om een een beeld te schetsen van het zicht vanaf deze hoogte op de omgeving is in figuur 2.27 een compositie van foto's opgenomen met zicht in 8 windrichtingen. Deze foto's zijn met een drone (datum 2023-02-08) genomen op 60 meter ooghoogte op de locatie waar de MERU-toren zal worden gerealiseerd. Tevens wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing waarin deze foto's ook afzonderlijk met zicht in 8 windrichtingen zijn opgenomen.

40/121

Figuur 2.27: referentiebeeld met zicht naar alle windrichtingen vanaf 60 meter hoogte Zicht op de omgeving Op foto beelden (zie figuur 2.27 en bijlage 4 ) is het zicht op de omgeving naar alle windrichtingen weergegeven bezien vanuit de te realiseren MERU-toren. Gezien de uitgestrektheid van de omringende bossen zijn slechts in beperkte mate open terreinen in de omgeving waar te nemen. Daarnaast zijn hoge objecten op vergelijkbare hoogte als de te realiseren MERU-toren op korte afstand niet waarneembaar, maar ook niet of zeer slecht op verre afstand waar te nemen. De feitelijke zichthoogte vanuit de MER-toren zal overigens op circa 42 meter liggen bezien vanuit het ontwerp van de MERU-toren. Zie figuur 2.28.

41/121

Figuur 2.28: zichthoogte (42 meter) van de bezoeker vanuit de MERU-toren Zicht vanuit de omgeving Het zicht vanuit de (verre) omgeving op de MERU-toren wordt niet alleen bepaald door de hoogte van de toren, maar ook door het volume, vorm en de breedte van het bouwwerk (torengedeelte en smalle ornament gedeelte). Maar ook het weer, mogelijke 'barrières' in het landschap, het effect van materiaal, de kleur en de verlichting beïnvloeden de zichtbaarheid van het gebouw. Al deze elementen kunnen van invloed zijn op de zichtbaarheid van de MERU-toren (de 'horizonimpact'). Gezien de positiebepaling (planlocatie) van de MERU-toren in de bestaande omgeving met een uitgestrekt omringend bosrijk gebied met weinig open terreingedeeltes wordt de waarneembaarheid ('het zichtbereik') van de MERU-toren in eerste aanleg bepaald door de aanwezigheid van open terreingedeelten, van waaruit op ooghoogte de MERU-toren mogelijk waarneembaar zou kunnen zijn. Vanaf ooghoogteniveau (gemiddeld 1,75 meter) is de waarneembaarheid van een 54 hoog object exclusief ornament en 57 meter hoog object inclusief ornament, dat deels uitsteekt boven de boskruin slechts vanaf verre afstand en vanuit een zeer open terreinlocatie zichtbaar. Het zicht op de MERU-toren dat boven de bestaande bomenkruin uitsteekt is op korte afstand niet waar te nemen.

Dit vanwege het omvangrijke bosareaal in de directe omgeving in combinatie met de hoogte van de boombeplanting die de zicht-/beeldhoek in de hoogte beperken. Het verstoren van het beeld van de horizon of de harmonie van het landschap c.q. de 'maximale' zichtbaarheid

42/121

van een incidenteel object boven de bomenkruin te midden van een omvangrijk omringend bosgebied is dus uitsluitend waarneembaar vanuit zeer open terreinsituaties op enige afstand van de planlocatie. Met 'maximaal' wordt dan bedoeld de uiterste plekken vanaf waar de toren in theorie (onder ideale omstandigheden) zichtbaar zou zijn. Dergelijke zichtlocaties in zeer open terreingedeelten zijn binnen een straal van 4,8 kilometer van de positie van de voorgestane en te realiseren (expositie)toren (hoogte 54 meter exclusief ornament en 57 met inclusief ornament) niet aanwezig. In onderstaande figuur 2.29 zijn mogelijke locaties met afstanden van mogelijke zichtlocaties in beeld gebracht. Dergelijke locaties liggen op een afstand van meer dan 4 kilometer.

Figuur 2.29: afstanden vanuit open plekken tot locatie MERU-toren geel Rockwool (6.3 km) – blauw Tuincentrum Daniels (4 km) – rood Etsberg (4.8 km) Uitgaande van de potentiële op verre afstand gesitueerde zichtlocaties wordt de zichtbaarheid van het object vervolgens bepaald door de hoogte en breedte van het object dat uitsteekt boven de bomenkruin. Deze maatvoering in combinatie met de zichtafstand beïnvloeden namelijk de manier waarop het object opdoemt aan de horizon. Wanneer een waarnemer op de grond (ooghoogte 1,75 meter) op een afstand van 5 kilometer het bovenste deel (max 14 meter breedte) van de toren ziet, dan ziet de waarnemer deze 14 meter breedte als een gering voorwerp. Dit is te vergelijken met het zien van een voorwerp van 2,8 centimeter breed op een afstand van 10 meter. Daarbij heeft ook nog de kromming van de aarde en de afstand tot de toren een invloed. Voor een waarnemer op de grond (ooghoogte 1,75 meter) is op aarde de afstand tot de horizon 4,7 kilometer (afstand in een rechte lijn zonder obstakels). Door de kromming van de aarde zal een object op een afstand van meer dan 4,7 meter theoretisch gezien echter afnemen ('verzinking'). Na 10 km zal een object 8 meter gezakt zijn en na 18 kilometer 25 meter gezakt zijn. De zichtbaarheid van het object wordt bij groter afstanden sterk vermindert.

Op grote afstand beslaat het object slechts een zeer klein deel van het waargenomen beeld.

43/121

Het zicht op een bebouwingsobject is daarnaast niet alleen afhankelijk van de afstand tot het object maar ook van de weersomstandigheden. Bij neerslag, bewolking of heiig weer is de praktische zichtbaarheid nog geringer dan hiervoor aangegeven bezien vanaf de feitelijke zichtlocatie. Deze weersomstandigheden verminderen, in combinatie met de kleur van de MERU-toren (wit) en de versmalling aan de bovenzijde van de MERU-toren, de zichtbaarheid van de MERU-toren enorm. Een blauwe onbewolkte hemel geeft de meeste kans op enige waarneming van de MERU-toren. Dit zal echter, gezien de overwegende weersomstandigheden in Nederland, slechts in beperkte mate gedurende het jaar het geval zijn. Tijdens een veldonderzoek in de omgeving zijn potentiële locaties in de omgeving bezocht waar een eventuele waarneming van de MERU-toren boven de bestaande bomenkruin van het omringende omvangrijke bosgebied zou kunnen worden waargenomen, dat wil zeggen het uitzicht op de MERU-toren vanuit een bepaald gezichtspunt. Het betreffen locaties op een afstand van 4 of meer kilometers van de planlocatie. Het betreft een zestal locaties (zie figuur 2.30).

Figuur 2.30: locaties van waaruit zichtbaarheid MERU-toren in het 3D-onderzoek beoordeeld is Door middel van een 3D-onderzoek is vervolgens inzichtelijk gemaakt of de te realiseren MERU-toren zichtbaar is. Zie hiervoor het integrale onderzoek zoals opgenomen in bijlage 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In het 3D-onderzoek zijn de zes verschillende locatiepunten onderzocht op basis van de beschreven werkwijze/meettechniek en berekeningen en met behulp van een fotomontage visueel in beeld gebracht. Uit de beoordeling van deze fotomontages blijkt dat de beoogde MERU-toren (hoogte 54 meter en met ornament 57 meter) uitsluitend vanuit één open veld locatie (zichtpunt P3 - locatie Kloetenweg/ Schaapsweg/ Middenweg te Vlodrop) in zeer beperkte mate zichtbaar is (zie de figuren 2.31 en 2.32). Van beïnvloeding van mogelijke horizonvervuiling is, bezien vanaf deze onderzoeklocatie, bovendien geen

44/121

sprake, aangezien de verstoring van de horizon al veroorzaakt wordt door andere bebouwingsobjecten dominanter in zichtbaarheid en hoogte, zoals het reuzenrad op de testlocatie van Vekoma, hoogspanningsmasten alsmede de Martinuskerktoren van Vlodrop (zie ook de figuren 2.31 en 2.32). Een gebouw van circa 57 meter hoog (inclusief ornament) in een bosrijke omgeving met hoge bomen heeft daarom vanaf een zekere afstand dan ook geen relevant effect meer. Het object is wel in zeer beperkte zin zichtbaar (onder 'maximale' dat wil zeggen ideale weersomstandigheden), maar heeft nauwelijks invloed op een bestaand landschapsbeeld en daardoor geen of een zeer beperkt negatieve invloed op de belevingswaardering van het landschap.

Figuur 2.31: zichtpunt P3 uit het 3D-onderzoek - methodiek inpassing en zichtbaarheid

45/121

Figuur 2.32: zichtpunt P3 uit het 3D-onderzoek - zichtbaarheid volgens fotomontage Zicht vanuit de omgeving (huizen Station 2 t/m 16 te Vlodrop Station, café van Kempen en Hotel St. Ludwig) In de nabijheid van het MERU-complex zijn de woonhuizen Station 2 t/m 16, café van Kempen (Station 20) en Hotel St. Ludwig (Station 24) gelegen tegenover een bosrand. Gezien de dichte afstand tot deze bosrand alsmede de hoogte en dichtheid van deze bosrand met naaldbomen is enig zicht op de beoogde MERU-toren vanaf deze locaties niet waarneembaar. Op onderstaande afbeeldingen (gemaakt in de winterperiode 2023-02-08) is een en ander goed waarneembaar (zie de figuren 2.33 en 2.34),

Figuur 2.33: zicht vanuit de huizen Station 2 t/m 16 op de tegenover gesitueerde bosrand

46/121

Figuur 2.34: zicht vanuit de huizen Station 2 t/m 16 op de tegenover gesitueerde bosrand Ook vanuit de nieuw MERU-toren zelf is enig zicht op de huizen station 2 t/m 16, café van Kempen en Hotel St. Ludwig niet waarneembaar. Dit vanwege de dichtheid van het bos (ook in de winterperiode) in combinatie met de afstand en de positionering van de huizen station 2 t/m 16, café van Kempen en Hotel St. Ludwig dich tegen de bosrand. Op onderstaande afbeelding (zie figuur 2.35) is dit inzichtelijk gemaakt door middel van een drone-foto (datum 2023-02-08) gemaakt op 60 meter zichthoogte op de beoogde positie van de MERU-toren.

Figuur 2.35: zicht vanuit 60 meter hoogte (positie beoogde MERU-toren) op bos met objecten Station 2 t/m 16, 20 en 24 Zicht in de avondperiode vanaf de planlocatie op de omgeving en vanuit de omgeving op de planlocatie

47/121

De nieuw te realiseren MERU-toren zal voorzien worden van gevelverlichting en/of gevelbelichting, waarbij de verlichting maximaal 0,3 lux op de aanliggende bosrand mag produceren. Daarnaast mag de verlichting uitsluitend branden na zonsondergang tot 22.00 uur. Ter waarborging, worden deze twee aspecten vastgelegd in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Met uitzondering overigens voor evenementen, zoals bepaald in de artikelen 3.3.2 en 8, lid b van het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit'. De lichtsterkte blijft ook bij evenementen maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. De exacte uitwerking van de verlichting van en/of aan de MERU-toren wordt in samenspraak met een verlichtingsexpert opgepakt en vorm gegeven met inachtneming van deze twee voorschriften. Op basis van bijgevoegde referentiebeelden (zie figuren 2.36 t/m 2.38) blijkt dat in de nachtperiode op een hoogte van 57 meter in de verre omgeving op ruime afstand (meer dan 6 kilometer) lichtbronnen waarneembaar (kunnen) zijn die toebehoren aan stedelijke gebieden. Solitaire lichtbronnen zijn niet waarneembaar op een grote afstand.

Omgekeerd zal vanuit deze locaties de MERU-toren nauwelijks waarneembaar zijn in de avondperiode gelet op de beperkte lichtbronnen (gevelbelichting en/of gevelbelichting) van de MERU-toren en de lichtsterkte van de toegepaste lichtbronnen (milicandela voor verlichting) die nog waarneembaar zijn op verre afstand.

Figuur 2.36: overzichtskaart met zichtlijnen vanuit de planlocatie op omgeving (t.b.v. nachtsituatie)

48/121

Figuur 2.37: overzichtskaart met zichtlijnen vanuit de planlocatie op omgeving (t.b.v. nachtsituatie). De lampen in de blauwe ellips zijn lampen op het MERU-terrein zelf

Figuur 2.38: overzichtskaart met zichtlijnen vanuit de planlocatie op omgeving (t.b.v. nachtsituatie). De lampen in de blauwe ellips zijn lampen op het MERU-terrein zelf Conclusie ruimtelijke inpasbaarheid Op basis van de beoogde te realiseren 57 meter hoge MERU-toren (=inclusief ornament) op de planlocatie is de ruimtelijke inpasbaarheid ervan beoordeeld. Daarbij is gekeken naar de positionering, maatvoering, het uiterlijk van het gebouw alsmede de uitstraling ervan naar de omgeving (met en zonder verlichting en ook schaduwwerking). Daarnaast is de impact van de zichtbaarheid van de MERU-toren vanuit de omgeving, de zogenaamde horizon- of landschapsvervuiling, beschreven en beoordeeld.

49/121

Bezien vanuit deze aspecten kan het volgende geconcludeerd worden: de beoogde 57 meter hoge MERU-toren wordt alzijdig omringd door omvangrijke en dichte boombeplanting (in hoogte en breedte) en is daarom uitsluitend zichtbaar vanuit open terreingedeelten op zeer ruime afstand van de beoogde planlocatie van de MERU-toren. Dergelijke locaties zijn in de omgeving beperkt aanwezig en liggen op forse afstand; de maatvoeringen van het object dat boven de bomenkruin uitsteekt qua breedte (max 12 meter), hoogte (max 57 meter - minus bestaande hoogte bomen) en versmalling van het bovenste gedeelte van de MERU-toren (top gebouw en het ornament) alsmede de kleurstelling van het object (wit) in combinatie met de veelal niet-ideale weeromstandigheden in Nederland gedurende het jaar, zorgen ervoor dat de zichtbaarheid van de MERU-toren relatief gezien gering tot nauwelijks waarneembaar is, zowel in de dagperiode al avondperiode (met beperkte verlichting); het bebouwingsobject kan vanuit het aspect 'horizonimpact' zich goed voegen in het landschap zonder te domineren zowel qua uitstraling, verlichting, omvang en hoogte en heeft dientengevolge een zeer geringe tot nauwelijks invloed op de belevingswaardering van het landschap; de gevolgen voor de bezonning en schaduwwerking van het project zijn zeer beperkt door de gunstige positionering/oriëntatie van de (expositie)toren en leveren geen

negatieve effecten op ten aanzien van de omliggende natuurwaarden. De te realiseren MERU-toren op de voorgenomen planlocatie is dientengevolge uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening dan ook ruimtelijk inpasbaar, verantwoord en aanvaardbaar.

50/121

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk worden de voor het projectgebied ruimtelijk relevante beleidskaders samengevat, beoordeeld en voorzien van een conclusie ten aanzien van de (voorgenomen) ontwikkeling. Het gaat hierbij om relevante beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Voor zover in dit hoofdstuk gesproken wordt over "(voorgenomen) ontwikkeling" of "planontwikkeling" wordt bedoeld de realisatie van de MERU-toren op de planlocatie als beschreven in paragraaf 1.1. respectievelijk 1.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=abaac21b-398c-4b86-8e5f-f1010275df28