CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Ruimtelijke onderbouwing

Raadsadviescommissie 29 augustus 2023, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen expositiegebouw, Station 24 in Vlodrop24.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op basis van de resultaten uit dit verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie, d.w.z. wat gevaar zou (kunnen) opleveren voor de gezondheid van de toekomstige gebruikers van de bebouwing en

80/121

gronden. Conclusie Vanuit het perspectief bodemkwaliteit zijn er (vooralsnog) géén belemmeringen ten aanzien van de (voorgenomen) ontwikkeling.

4.3

Natuur en ecologie

Regelgeving en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk ontwikkeling dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van een bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Natuurnetwerk Nederland (NNN). ad a) Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.

Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

81/121

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Wnb Als het voornemen van een initiatiefnemer een activiteit betreft waarvoor zowel een omgevingsvergunning (afwijken van bestemmingsplan, bouwen) als een toestemming op grond van de Wnb nodig is, heeft de initiatiefnemer een keuze. Hij kan kiezen voor een separate vergunning of een bij de omgevingsvergunning aangehaakte natuurtoestemming. In onderhavige situatie voor de MERU-toren is een aanvraag Wnb aangevraagd, losgekoppeld van de aanvraag omgevingsvergunning. De haalbaarheid van het project (verhogen en verplaatsen van de MERU-toren) moet namelijk getoets worden volgens artikel 2.7 lid 2 Wnb.

Het is namelijk verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben. Onder referentie- situatie wordt de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt.

Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat de raad uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (uitspraak van 20 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212). De MERU-toren wordt niet voorzien van een CV-installatie en heeft enkel vanwege verkeer van en naar stikstofemissies. Uit een uitgevoerde Aeriusberekening op basis van deze ingevoerde gegevens blijkt dat de depositie in de beoogde situatie hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar, en moet daarom intern worden gesaldeerd met de referentiesituatie. Bij intern salderen gaat het erom of de aangevraagde activiteit zelf niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de eerder vergunde situatie ten tijde van de referentiesituatie (AbRS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:901).

82/121

Aan de hand van de planologische gerealiseerde en vergunde situatie (ECLI:NL:RVS:2021:71 r.o. 17.1) ten tijde van de referentiedata (10 juni 1994 voor de Vogelrichtlijn en 7 december 2004 voor de Habitarichtlijn) is bepaald of er sprake is van een verslechtering of een significant effect. Voor de vergunde situatie geldt daarbij de Hinderwetvergunning (milieuvergunning) van 8 december 1992 omdat volgens een controlerapport uit 21 november 2007 blijkt dat het klooster, de drukkerij en timmerwerkplaats in gebruik worden. Stikstofberekeningen In opdracht van Maharishi European Research University (hierna: MERU) is een stikstof depositieberekening uitgevoerd voor het beoogd gebruik inclusief bouw van de te realiseren MERU-toren, gelegen aan Station 24 te Vlodrop. Met dit onderzoek van 14 oktober 2021 en kenmerk MER.VLO.20.DO WB-03 werd het effect van de activiteiten van MERU beschouwd in het kader van de aanvraag Wnb. In artikel 2.1 lid 1, juncto artikel 1 van de Regeling natuurbescherming is voorgeschreven de Aerius-Calculator versie te gebruiken die beschikbaar is op www.aerius.nl. Sinds 6 april 2023 is Aerius-Calculator 2022.1 de laatste versie.

Naar aanleiding van deze update is een nieuwe aerius-verschilberekening gemaakt, waarbij de uitgangspunten van de notitie van 14 oktober 2021 zijn geactualiseerd naar de laatste versie van de Aerius-Calculator (zijnde versie 2022.1 van 6 april 2023). Aanlegfase In de projectberekening is in Aerius voor de bouw twee rekenjaren gebruikt namelijk 2024 en 2025 voor de referentiesituatie (7 december 2004) en voor de beoogde situatie. De Aerius-rapportage is als separate bijlage beschikbaar als onderdeel van de natuurtoets (zie bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing) en de rekenresultaten zijn in onderstaande figuren weergegeven.

83/121

Uit de rekenresultaten d.d. 07 april 2023 van de Aerius-Calculator blijkt dat de bouw inclusief het gebruik in 2024

84/121

en 2025, niet leiden tot een toename van de depositie > 0,00 mol/ha/jaar. Gebruiksfase In de projectberekening is in Aerius als rekenjaar 2026 voor de referentiesituatie, zijnde de vroegste datum dat de MERU-toren in gebruik wordt genomen. De beoogde projectsituatie is hetzelfde als de plansituatie en is als referentiejaar 2034 vanwege de doelstelling dat dan het volledige plan is gerealiseerd. De Aerius-rapportage is als separate bijlage beschikbaar als onderdeel van de natuurtoets (zie bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing) en de resultaten zijn in onderstaande figuur weergegeven.

Uit de rekenresultaten d.d. 7 april 2023 van de Aerius-Calculator blijkt dat de projectwijziging niet leidt tot een toename van depositie > 0,00 mol/ha/jaar op de stikstofgevoelige habitatgebieden. Conclusie De beoogde planologische wijziging en projectwijziging (bouw en gebruik) leiden niet tot een toename van de depositie > 0,00 mol/ha/jaar ten opzichte van de hiervoor geldende referentiesituaties. Op basis van ECLI:NL:RVS:2021:71 geldt dan ook geen vergunningplicht ingevolge de Wnb voor het project. Voor de planologische wijziging hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt. Er geldt géén Wnb vergunningplicht voor de te realiseren MERU-toren. ad b) Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een wettelijk

85/121

voorgeschreven samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Het vormt de basis voor het nationale natuurbeleid. Streven is de ernstig bedreigde biodiversiteit in Nederland te stabiliseren. Vanaf 2014 zijn de provincies hiervoor verantwoordelijk, de rijksoverheid heeft de taken met betrekking tot de verdere ontwikkeling van het netwerk aan hen overgedragen. De Ecologische Hoofdstructuur is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones en heeft een planologische bescherming. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In het POL2014 van de provincie Limburg is de "Goudgroene natuurzone" opgenomen waarmee invulling wordt gegevens aan de opdracht die de provincies van het rijk hebben gekregen voor de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, en de verankering daarvan in het provinciale planologische beleid. Met de aanwijzing van de zilvergroene en bronsgroene natuur- en landschapszones stimuleert de provincie het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschap ook buiten de goudgroene zone. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland.

Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de al aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Gebieds- en soortenbescherming De planlocatie is omringd door een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het betreft het Natura

86/121

2000-gebied 'Meinweg' dat beheerd wordt door Staatsbosbeheer. Zie figuur 4.4. De planlocatie van de toren is evenwel gesitueerd in het omgrensd bestemmingsvlak ('Maatschappelijk') tevens bouwvlak dat is geëxclaveerd, dat wil zeggen is uitgesloten van een gebied waarvoor een restrictieve regelgeving geldt. De reden voor het exclaveren was dat het gebied geen wezenlijk deel uitmaakt van het leefgebied van de desbetreffende te beschermen soorten.

Figuur 4.4: Natura 2000-gebied 'Meinweg' De planlocatie is ook niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg. Dit natuurnetwerk ligt buiten het vlak buitengebied waarbinnen de MERU-toren wordt gerealiseerd. Zie figuur 4.5.

Figuur 4.5: Natuurnetwerk Limburg Omdat de planlocatie grenst aan de door de Wet natuurbescherming beschermde gebieden dient bij de (voorgenomen) ontwikkeling/activiteit op de planlocatie rekening gehouden te worden met de wettelijke gebiedsbescherming en planologische bescherming van natuurwaarden.

87/121

Uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening dienen de effecten van de realisatie van de MERU-toren in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) te worden beoordeeld. Dientengevolge heeft er een natuurtoets plaatsgevonden naar de mogelijk te verwachten effecten van de voorgestane ontwikkeling op de te beschermen gebieden en de te beschermen natuurwaarden binnen deze gebieden. De toetsing is een effectbepaling en -beoordeling op basis van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op en in de directe omgeving van de planlocatie, de functie van de planlocatie en de directe omgeving voor deze soorten en de voorgenomen ingreep, zijnde de aanleg en het gebruik van de tentoonstellingstoren. De toetsing is opgesteld op basis van eerder door Bureau Waardenburg uitgevoerd veldonderzoek, de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen. Deze natuurtoets met effectbeoordeling is integraal als bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

Figuur 4.6: Bomen en heesters op planlocatie Verder vinden binnen het projectgebied geen fysieke ingrepen plaats die een negatief effect op de natuurwaarden hebben c.q. kunnen hebben. De planlocatie is volledig onbebouwd. De aanwezige 9 bomen (paardenkastanjes) en enkele heesters (zie figuur 4.6) worden buiten het broedseizoen en vóór aanvang van de aanleg van de (expositie)toren verwijderd. Voor zover de houtopstanden gesitueerd zijn op gronden behorende tot een in gebruik zijnde erf van MERU is de kap niet meldingsplichtig bij de provincie volgens de Wnb (Wnb, artikel 4.1, sub b, = uitzondering op de meldplicht). Dit is in onderhavige situatie niet het geval en daarom dient de kap gemeld te worden. De planlocatie heeft na verwijdering van de bomen en heesters geen betekenis meer voor broedvogels. Er is bovendien geen sprake van areaal verlies van een gekwalificeerd habitattype dan wel geluidsverstoring ten gevolge van de realisatie respectievelijk gebruiksfunctie van de (expositie)toren. Beoordeling effecten Voor de inhoud van de effectenboordeling wordt verwezen naar bijlage 1 van de toelichting.

88/121

Conclusies naar aanleiding van de effectenbeoordeling Functie van de planlocatie De planlocatie en de directe omgeving daarvan vervult een functie als nestplaats van algemene broedvogels (beschermingsregime 'soorten van de Vogelrichtlijn') en voor jagende en passerende gewone dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers (beschermingsregime 'soorten van de Habitatrichtlijn'). Voor soorten het beschermingsregime 'Andere soorten' vervult de planlocatie en directe omgeving géén functie. Volledigheid onderzoeksgegevens De onderzoeken van de afgelopen jaren geven, samen met de waarnemingen aanwezig in de Nationale Databank Flora en Fauna voldoende inzicht in het mogelijke voorkomen en gebruik van beschermde soorten op de planlocatie en de directe omgeving daarvan. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Beoordeling van de ingreep Zowel de bouwactiviteiten als de gebruiksfunctie van de (expositie)toren op de planlocatie binnen het MERU-terrein hebben geen negatieve gevolgen voor de beschermde soorten die hier voorkomen. Zie hiervoor bijlage 1 van de toelichting. Voor wat betreft het aspect 'licht' kan het volgende worden opgemerkt: Het licht van de verlichting op de gevel van de MERU-toren kan verstorend werken op vogels in de omgeving van de MERU-toren. Vanwege deze mogelijke verstorende werking brandt gevelverlichting alleen van zonsondergang tot 22.00 uur.

Met uitzondering overigens voor evenementen, zoals bepaald in de artikelen 3.3.2 en 8, lid b van het bestemmingsplan 'Vedische Universiteit'. De lichtsterkte blijft ook bij evenementen maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. Deze verlichting is overigens al voor het broedseizoen aanwezig. Er is daarom geen sprake van opzettelijke verstoring als vogels, ondanks het licht, besluiten op of in de buurt van de tentoonstellingstoren te broeden. Hetzelfde geldt voor verstoring door bezoekers van de Meru-toren. De MERU-toren is het hele jaar opengesteld. Er is dus altijd menselijke activiteit, ook op het moment dat een vogel besluit op of in de buurt van de MERU-toren te broeden. Overtreding van verbodsbepalingen in artikel 3.1, lid 4 (verstoring) is niet aan de orde. Als vleermuizen in hun verblijfplaats zijn ondervinden ze geen hinder van licht. Pas als ze 's avonds hun verblijfplaats willen verlaten kunnen effecten optreden. Worden de uitgangen van de verblijfplaatsen van vleermuizen door kunstlicht beschenen dan verlaten de vleermuizen hun verblijfplaats later dan in onbelichte situaties (Stone et al. 2015). Bij continue verlichting kan dit leiden tot het permanent verlaten van de verblijfplaats, zoals Rydell et al. (2017) bij gewone grootoorvleermuizen vonden die in kerken verbleven waar spotverlichting op werd gericht.

De gevelverlichting is echter op de gevel van de MERU-toren gericht en niet op de omgeving. Het licht op de bosrand betreft gereflecteerd licht. Ook ten aanzien van verstoring van verblijfplaatsen door licht is de aanname van toepassing dat effecten bij een lichtsterkte van 0,3 lux (vergelijkbaar met de lichtsterkte van volle maan) zijn uitgesloten. Effecten zijn dus alleen te verwachten op verblijfplaatsen binnen een afstand van 45 meter van de MERU-toren. Geen van de bekende vleermuisverblijfplaatsen bevindt zich op zo'n korte afstand van de toekomstige MERU-toren. Verblijfplaatsen bevinden zich op meer dan 70 meter van de planlocatie. Effecten

89/121

van licht op verblijfplaatsen zijn derhalve uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Overtreding verbodsbepalingen Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn worden geen verbodsbepalingen overtreden, omdat potentiële nestplaatsen afwezig zijn. Ten aanzien van vleermuizen worden geen verbodsbepalingen overtreden. Voor andere soorten van dit beschermingsregime vervult de planlocatie en directe omgeving geen functie. Voor soorten van het beschermingsregime andere soorten die mogelijk op de planlocatie of directe omgeving voorkomen geldt in de Provincie Limburg een vrijstelling bij ingrepen in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingsaanvraag Een ontheffingsaanvraag over de Wnb is niet nodig. Conclusie (algemeen) Negatieve effecten ten gevolge van de (voorgenomen) ontwikkeling zijn ten aanzien van de beschermde gebieden en beschermde soorten (die ter plaatse voorkomen) uitgesloten. De Wnb en het provinciale natuurbeleid staan de uitvoering van de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg. Een ontheffingsaanvraag over de Wnb is niet nodig. Overigens dient de kap van de bomen gemeld te worden bij de provincie Limburg en dient volgens artikel 1.11 Wnb altijd de wettelijk zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in acht genomen te worden.

4.4

Externe veiligheid

Regelgeving en beleid Algemeen In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

90/121

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR, wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.

Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrand- aandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beoordeling Uit de risicokaart (zie figuur 4.7) valt af te leiden dat in de directe omgeving van de planlocatie geen risicobronnen aanwezig. Ten zuidwesten van de planlocatie, op circa 3.750 meter, is de meest nabije risicobron gesitueerd, het Nedoil Tankstion De Kievit met LPG aan de Keulsebaan. Deze inrichting heeft een PR 10-6 contour en invloedsgebied ten aanzien van het groepsrisico. Deze vormen echter geen belemmering voor de (voorgestane) ontwikkeling gezien de ruime afstand ten opzichte van de planlocatie.

91/121

Figuur 4.7: uitsnede risicokaart omgeving planlocatie (blauwe cirkel) Verder vindt er op een afstand van circa 3 kilometer van de planlocatie vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de provinciale weg N570 (Keulsebaan). Ook deze transportroute vormt, gelet op de ruime afstand tot de planlocatie, geen belemmering voor de ontwikkeling. Er vindt in de directe nabijheid van de planlocatie géén vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over spoor of het water. Nader onderzoek en advies van de Veiligheidsregio is niet nodig. Conclusie Het aspect externe veiligheid belemmert de (voorgenomen) ontwikkeling niet.

4.5

Verkeer en parkeren

Verkeer De planlocatie wordt ontsloten door een verharde weg die aansluit op Vlodrop-Station, van waaruit via de Boslaan de Herkenbosserweg (provinciale weg N570) ter plaatse van Rothenbach te bereiken is (zie figuur 4.8). De Boslaan is een erftoegangsweg (doodlopend) met een maximumsnelheid ter plaatse van 60 km/per uur. Dat wil zeggen, het betreft een weg die (directe) toegang biedt tot de percelen op de plaats van herkomst en bestemming, waar het verblijven centraal staat (het verkeer is hier dus te gast). Ten opzichte van de vergunde toren (zie paragraaf 2.1.3.2), met de daarbij behorende verkeersaantrekkende werking, treedt ten gevolge van de verhoging van de MERU-toren in juridische optiek geen verandering op. Het maximaal aantal bezoekers voor de MERU-toren blijft qua capaciteit gelijk net als bij de al vergunde toren. Tevens is de gebruiksfunctie als expositietoren juridisch-planologisch al opgenomen in het geldende bestemmingsplan en kan Station en de Boslaan de extra verkeersgeneratie ten gevolge MERU-toren in voldoende mate opvangen zonder dat er sprake is van een onevenredige verkeerdruk op deze weg met negatieve effecten op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving.

92/121

Verkeerstoets Door omwonenden is de vrees geuit dat door de realisatie van de MERU-toren met de daarbij behorende verkeersgeneratie er sprake zou kunnen zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van Station en de Boslaan. Dit vanwege de al aanwezige verkeersdrukte op Station en de Boslaan. In een namens MERU uitgevoerde verkeerstoets zijn de verkeerseffecten nader inzichtelijk gemaakt. De betreffende rapportage is worstcase benaderd (namelijk met de verkeersintensiteiten op een gemiddelde weekenddag - meer recreatief verkeer) en met de voor MERU maximale planologische mogelijkheden.

Figuur 4.8: afbeelding ontsluiting MERU-projectlocatie (bron: www.meru-vlodrop.nl)

93/121

Foto linksboven: wegprofiel Boslaan tussen N570 en Boshotel inclusief grasbetontegels (rechts) Foto rechtsboven: wegprofiel Boslaan / Station nabij de witte huisjes (wegbreedte 5 meter) Foto linksonder: wegprofiel Station nabij het MERU-terrein (wegbreedte 4,5 meter) Foto rechtsonder: wegprofiel Station nabij het MERU-terrein (wegbreedte 4,5 meter) De integrale verkeerstoets is als bijlage 9 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Hieronder zijn de resultaten uit deze verkeerstoets opgenomen: De beoogde ontwikkeling van het MERU-terrein (inclusief maximale invulling van de MERU-toren), zoals opgenomen in het Masterplan, zorgt voor een lager aantal motorvoertuigbewegingen dan reeds is vergund. In de toekomstige situatie bedraagt de verkeersgeneratie circa 265 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een reguliere dag (zonder evenement). Tijdens een congres in de MERU-toren, die door maximaal 900 personen kan worden bezocht, neemt de hoeveelheid verkeer van en naar MERU toe met ongeveer 150 verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van de huidige situatie. De Boslaan en Station hebben in hun huidige vormgeving, met een maximale invulling van een congres in de tentoonstellingstoren en congressen, voldoende capaciteit om de toekomstige verkeersintensiteit af te wikkelen. De ontwikkelingen op het MERU-terrein geven geen aanleiding om op dit wegvak maatregelen te treffen.

Het kruispunt Boslaan – N570 – Rothenbacherweg heeft in zijn huidige vormgeving voldoende capaciteit om de toekomstige verkeersbelasting op een reguliere dag te verwerken. De wachttijden blijven acceptabel. Tijdens evenementen op het MERU-terrein kan de verkeersgeneratie hoger zijn. Deze vinden incidenteel plaats, waardoor hiervoor geen structurele verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn. Conclusie De projectlocatie is goed ontsloten op de omgeving, zowel voor gemotoriseerd als langzaam verkeer. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Parkeren Het parkeren voor de bewoners op het MERU-terrein en de bezoekers, inclusief de bezoekers van de (expositie)toren, geschiedt vooralsnog op eigen terrein binnen het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk'. Het voornemen bestaat evenwel om in de toekomst het parkeren voor bezoekers meer naar de voorzijde van het MERU-complex te verplaatsen gekoppeld aan een nieuw te vormen entree die afgestemd is op de terreininrichting volgens het MERU-masterplan (2018-03-23). Dit dan bovendien in samenhang met het gebruikmaken van het (de) mogelijk toekomstige park-en-ride locatie(s) aan de Herkenbosscherweg. In het vigerend bestemmingsplan 'Vedische universiteit' zijn geen parkeernormen in de planregeling opgenomen waaraan getoetst kan worden.

Bovendien is op de planlocatie geen facetplan 'parkeren' van toepassing verklaard. Dit betekent, dat na inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 op 29 november 2014, de Woningwet is gewijzigd en de grondslag voor de parkeertoets op basis van de bouwverordening is komen te vervallen wegens overschrijding van de overgangsperiode van 5 jaar en daarmee formeel een parkeertoets niet meer mogelijk bij onderhavige omgevingsvergunning aanvraag. Ten aanzien van de reeds vergunde toren heeft in het verleden echter wel een parkeertoets plaatsgevonden en

94/121

is deze voor akkoord bevonden. In deze situatie zal de voorgenomen ontwikkeling geen verandering teweegbrengen, aangezien de verhoging van de vergunde toren wel een vergroting van de gebruiksruimte tot gevolg heeft, maar geen extra toename van bezoekers voor de (expositie)toren. De 12 exposities worden namelijk over 12 in plaats van 6 etages verspreid, overeenkomstig het oorspronkelijke plan. Hierbij zal het maximaal aantal toelaatbare aantal bezoekers binnen de MERU-toren in de nieuwe situatie niet veranderen ten opzichte van de al vergunde situatie. Zie hiervoor tevens de planbeschrijving in paragraaf 2.1. Conclusie In formele zin kan gesteld worden dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling opleveren. De planlocatie is goed ontsloten op de omgeving, zowel voor gemotoriseerd als langzaam verkeer. De verkeergeneratie van de te realiseren MERU-toren is al opgenomen in de juridische-planologische planregeling en de al eerder vergunde MERU-toren. Ten aanzien van het aspect parkeren heeft in het verleden al een parkeertoets plaatsgevonden bij de vergunde MERU-toren en voor akkoord bevonden.

Voor wat betreft de bestaande en toekomstige feitelijke situatie is vanwege de vrees van effecten op het woon- en leefklimaat ter plaatse van Station en Boslaan (met name voor de bewoners) in de raadsvergadering van 10 maart 2022 door het college toegezegd dat nader aandacht zal worden besteed aan het aspect verkeer en parkeren. Dit is in een door MERU uitgevoerd verkeersonderzoek nader inzichtelijk gemaakt. De betreffende rapportage is als separate bijlage bij de procedure gevoegd en toont per saldo een afname aan.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Wet milieubeheer (Wm) - luchtkwaliteit

Regelgeving en beleid Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Wet milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2)

95/121

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Tabel 4.1: grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een (expositie)toren die al eerder vergund is, maar vanwege een nieuwe positiebepaling en een afwijkende bouwhoogte opnieuw vergund dient te worden. Het betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als genoemd in het 'Besluit niet in betekenende mate'. Nader onderzoek is dus niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel van belang aan te tonen dat ter plaatse aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Dit is gedaan aan de hand van de Atlas voor de leefomgeving. Op basis van de beschikbare gegevens is de berekende gemiddelde fijn stof concentraties (PM10) in µg/m3 in de huidige situatie in de omgeving van de planlocatie in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ten aanzien van deze stof als goed beoordeeld wordt. Zie figuur 4.9.

Figuur 4.9: afbeelding actuele fijnstof concentraties (november 2017) - (bron: Atlas leefomgeving) Stikstofdioxide (NO2) is een gas dat in Nederland voor het grootste gedeelte door het verkeer wordt geproduceerd. NO2 komt voor langs drukke wegen en op plaatsen met veel industrie en fabrieken. Vooral in de

96/121

ochtend zijn de concentraties relatief hoog door de ochtendspits in combinatie met een zwakke wind of een koude onderste luchtlaag waardoor NO2 zich weinig verspreidt. Op basis van de beschikbare gegevens is de berekende gemiddelde stikstofdioxide concentraties (PM10) in de huidige situatie in de omgeving van de planlocatie in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ten aanzien van deze stof als goed beoordeeld wordt. Zie figuur 4.10.

Figuur 4.10: afbeelding actuele stikstofdioxide concentraties (november 2017) - (bron: Atlas leefomgeving) De maatgevende onderdelen ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn, de heersende achtergrondwaarde, drukke wegen en de aanwezigheid van bedrijven. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen bovendien af naarmate een locatie verder van een drukke verkeersweg en industriële bedrijvigheid is gesitueerd. Hierdoor zal ter plaatste van de planlocatie voldaan worden aan wettelijke grenswaarden en is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg. 4.6.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Regelgeving en beleid Algemeen Sinds 2009 beperkt het 'Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen' de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoek zones in (300 meter ter weerszijden bij rijkswegen en 50 meter ter weerszijden bij provinciale wegen). Binnen die onderzoek zones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Gebouwen met de bijbehorende terreinen zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen worden volgens de regeling aangemerkt als een gevoelige bestemming. Ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties worden niet als gevoelige bestemming gezien.

97/121

Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van expositietoren. Het betreft een bouwwerk met een gekoppelde gebruiksfunctie, dat onderdeel is van en behoort tot de MERU. De MERU kan in algemene zin beschouwd worden als een onderwijsinstelling dat als een gevoelige bestemming kan worden getypeerd. De planlocatie is echter op geruime afstand van de provinciale weg (Keulsebaan) gesitueerd, waardoor een luchtkwaliteitsonderzoek niet vereist is. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg.

4.7

Milieuzonering

Algemeen De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven of andere milieuhinderlijke functies in de omgeving van milieugevoelige functies: ter plaatse van de milieugevoelige functies een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting.

Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' of een vergelijkbaar omgevingstype zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of natuurgebied. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Beoordeling De planlocatie is gesitueerd in het buitengebied te midden van een natuur- en stiltegebied. Voor onderhavige planontwikkeling dient ten behoeve van de aanvaardbaarheid van milieubelasting (in acht te nemen richtafstanden) dan ook uitgegaan te worden van een gebied vergelijkbaar met een rustige woonwijk. De meest meest nabij gesitueerde bedrijven betreffen horecavoorzieningen, te weten Hotel St. Ludwig aan Station 22 en een café aan Station 20 te Vlodrop op een afstand van circa 520 meter. Voor een hotel/café geldt

98/121

een maximaal in acht te nemen richtafstand van 10 meter volgens de VNG-publicatie (voor de milieuaspecten geluid, geur, gevaar en verkeer) ten opzichte van de voorgestane planontwikkeling. In de nabijheid van het planvoornemen zijn daarom geen bedrijven gesitueerd waarbij milieuhinder een rol kan spelen ten aanzien van de voorgestane ontwikkeling. De gebruiksfunctie van de MERU-toren als (expositie)toren werkt daarom niet belemmerend voor de in de omgeving aanwezige bedrijvigheid.

Figuur 4.11: afstanden woningen (rood) en hotel/café (blauw) aan de Boslaan ten opzichte van de MERU-toren Voor een museum (te vergelijken met een (expositie)toren) geldt een maximaal richtafstand in acht te nemen van 10 meter (voor het milieuaspect geluid - verkeer) ten opzichte van woonfuncties. De meest nabij gesitueerde woningen buiten het MERU-complex betreffen enkele woningen behorende tot het buurtschap Vlodrop-Station op 620 tot 760 meter van de planlocatie (zie figuur 4.11). De woningen binnen het MERU-complex zelf zijn op meer dan 10 meter gesitueerd van de beoogde realisatieplek van de (expositie)toren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde MERU-toren sprake zal zijn van een aanvaardbaar leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven of bedrijfsmatige activiteiten aanwezig zijn die door de ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder (milieuzonering) staat de (voorgenomen) ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

99/121

4.8

Geur

In september 2009 is door de gemeente Echt-Susteren, Roerdalen en Maasgouw een gebiedsvisie in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij opgesteld die op 17 december 2009 door de gemeenteraad van Roerdalen is vastgesteld. Hierin is onderzocht in hoeverre er in de gemeenten aanleiding is om normen uit de Wet geurhinder en veehouderij aangepast vast te stellen. De geurnorm en de afstanden die in de gemeente Roerdalen worden aangehouden, worden weergegeven in de tabel geurnormen. Tabel Geurnormen categorie geurgevoelig object Bebouwde kom Buitengebied Montfort Zuid Zone rondom LOG Montfort LOG Montfort

gemeentelijke geurnorm (ouE/m³) 3 14 4 17 25

afwijking vaste afstand 50 meter 25 meter

Nieuwe ontwikkelingen moeten hiermee rekening houden (milieuhygiënisch inpasbaar zijn). Op die manier wordt voorkomen dat agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt en ter plaatse van gevoelige functies een onaanvaardbare milieuhinder ontstaat. Beoordeling De planlocatie is gesitueerd in het buitengebied te midden van een natuur- en stiltegebied. In de nabijheid van de planontwikkeling is geen (bestaand) agrarisch bedrijf gevestigd waarbij een geurcontour van toepassing is waarmee rekening gehouden dient te worden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling.

4.9

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van gezoneerde industrieterreinen, luchthavens, spoorwegen en wegverkeer. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen. Indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Beoordeling

100/121

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=abaac21b-398c-4b86-8e5f-f1010275df28